Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen

woensdag 30 mei 2018

Preken met accent- en interpretatieverschillen

Hoofdstuk 8


In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon. En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
Handelingen 7 : 20-22



Als je preken naast elkaar legt – dat kan gevaarlijk zijn – zie je soms mooie overeenkomsten en ook bijzondere verschillen. Als we dit stukje van de preek van Stefanus leggen naast de preek van Paulus in ­Hebreeën 11, dan zien we dat hij ook van Jozef naar Mozes springt. Maar stilstaat bij enkele ándere details.

Broninterpretatie
Wetenschappers zweren bij ‘bronnen’ die hun theorieën kunnen onderbouwen. Wie geen bronnen kan noemen, heeft geen ‘poot’ om op de staan. Maar wanneer je een bron hebt, hoe interpreteer je die? Ook daarover zijn grote discussies. Zelfs de Bijbel is onderhevig aan zulke discussies en daarom is er binnen de kerk zoveel verdeeldheid, omdat ieder zich beroept op het Woord, maar er zijn eigen waarheid mee creëert. Als je Exodus leest of de brief aan de Hebreeën, merk je verschillen in interpretatie. En als je daar dan weer jouw interpretaties op loslaat, krijg je helemaal grote verschillen! Laten we eens zien wat Paulus en Stefanus doen met Exodus.
We gaan uit van de beschrijving zoals Mozes ons die geeft in Exodus. Hij zal zijn kinderjaren en jeugd van zijn ouders hebben doorgekregen, maar later zullen ook Aäron en Mirjam, waarmee hij pas vanaf zijn tachtigste optrok, zijn vroege geschiedenis hebben ingekleurd met hún herinneringen.
Daar sta je misschien niet zo snel bij stil, maar Mozes heeft net zo’n leven gehad als elk adoptiekind. Pas op latere leeftijd ontdek je dat je een andere oorsprong hebt, dan het milieu waarin je bent ­opgegroeid. Zijn moeder, de prinses, bleek een adoptiemoeder te zijn. En dat hij altijd voelde dat hij ‘anders’ was bleek te kloppen. Maar wie was hij echt? En wie zijn zijn bloedverwanten? Zie welke kater hij krijgt als hij ‘zijn broeders’ bezoekt en helpt!

Stefanus (Handelingen 7)
20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.
22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de ­kinderen Israëls, te bezoeken.
24 En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
25 En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, ­zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?
27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den ­Egyptenaar omgebracht hebt?
29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.


Paulus (Hebreeën 11)
23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie ­maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.
24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden;
25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te ­worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;
26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke.


Mozes (Exodus 2)
2 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.
3 Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij leide het knechtje daarin, en leide het in de biezen, aan den oever der rivier.
5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.
6 Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreën!
9 Toen zeide Farao’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.
10 En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao’s dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.
11 En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.
12 En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand.
13 Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste?
14 Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!
15 Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Farao’s aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.


Accentverschillen
 Zijn alle verschillen in de Bijbel bewijzen dat Gods Woord niet klopt? Zeker niet! Het zijn vaak accentverschillen, dienstbaar aan de boodschap die men ermee wil geven. De geschiedenis kennen we, maar kijk naar dit detail… het zegt ons dat…
We zien dat Mozes van zijn moeder of zus heeft gehoord dat men hem ‘schoon’ vond. Paulus neemt dat ook over, maar Stefanus zegt ‘uitnemend schoon’ wat kan worden vertaald met ‘goddelijk schoon’!
Mozes zwijgt over zijn opleiding aan het hof. Alleen dat de prinses hem haar zoon noemde en hem de naam ‘Mozes’ gaf. Dat was overigens niet zijn hebreeuwse naam! Paulus zegt dat hij weigerde om haar zoon te worden genoemd. Dat is het adoptiekind dat zich gaat oriënteren op zijn werkelijke afkomst en zijn biologische ouders. Maar weigeren is wel een te sterk woord, want hij heeft het goed gehad aan het hof en werd er zelfs generaal! Paulus blijft bij het contrast tussen ‘zonde’ en ‘wereld’ en laat Mozes zich distantiëren van dit decadente leven. Loochent hij daarmee dat Mozes intellectueel en staatkundig is ontwikkeld door God, om straks Zijn volk – een grote mensenmassa – door de woestijn te loodsen? Nee, dat niet, maar je krijgt wel het gevoel dat hier de concrete geschiedenis wat wordt ­vertekend voor een ánder doel.
Paulus verzwijgt ook Mozes’ moord­aanslag op de Egyptische slavendrijver. Hij wil van hem geen zeloot maken; geen geus, of verzetsstrijder, zouden wij zeggen.
Hij richt zich meer op de daden die Mozes in het geloof deed. Maar… slaat hij dan niet een beetje door, wanneer hij zegt over Mozes: “Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke”? Maakt hij Mozes daarmee toch niet, onbedoeld, tot een zeloot die zijn moord begaat vanuit een ideologie om zijn eigen volk boven anderen te stellen? Dat gevaar is er zeker en Paulus is zelf ook zo’n extremist geweest in zijn ‘eertijds’. Als mensen dat vandaag de dag tegen je zeggen, mag je daar zeker wel wat toegeeflijk in zijn: hier was Mozes net zo min op zijn plek als Jacob toen hij loog tegen zijn vader Izak!
Als er dan vervolgens staat dat Mozes ‘zich overeind hield door te zien op de Onzienlijk God’, dan is het begrijpelijk dat mensen soms afhaken. Al vergeten ze dat hier twee verschillende gebeurtenissen worden bedoeld: de vlucht van Mozes na de moord (met vrees) was een andere dan de exodus, waarbij Mozes inderdaad niet meer vreesde voor de koning van Egypte!
De woorden in de ­Hebreeënbrief zijn geen betoog naar ongelovigen, maar een stimulans voor gelovigen. De boodschap is niet ‘ik vertel je precies wat er is gebeurd’, maar ‘kijk, zo gingen gelovigen er vroeger ook al mee om!’
Over accent- en interpretatieverschillen kun je eindeloos discussiëren. Maar als je die verschillen uit hun context haalt mis je de boodschap die werd bedoeld! Dan mis je ook de boodschap van de Heilige Geest, Die je iets wilde leren.

Was was Mozes’ echte naam?

De prinses heeft Mozes willen claimen door hem ‘mijn zoon’ te noemen en hem zelfs van zijn identiteit te beroven door hem een ‘nieuwe naam’ te geven.
Over de naam ‘Mosje’ en ‘Mozes’ is al heel veel nagedacht. Op Christipedia kun je lezen: “De naam ‘Mozes’ ontving hij van Farao’s dochter en betekent ‘uitgetrokken’, indien ontleend aan het Hebreeuwse werkwoord ‘mashah’ (= uittrekken), of de naam betekent ‘uit het water gered’, indien ontleend aan de Egyptische ­woorden ‘mo’ (= water) en ‘yses’ (= gered, behouden), ‘uit het water gered’.”
Echter, op Wikipedia wordt de vinger gelegd bij de onwaarschijnlijkheid van deze taalkundige constructie: “De naam Mozes werd afgeleid van het Egyptische werkwoord ‘mś’ / ‘mśj’ (“dragen”). Het is een verkorte vorm van de Egyptische naamvorm zoals Toetmosis “geboren uit Thot”, waarbij het element dat de god benoemt, is weggevallen en betekent dus letterlijk: “geboren uit [een naamloze god]”. In de Hebreeuwse Bijbel is de herinnering aan de Egyptische herkomst van de naam overgeleverd in het verhaal waarin de dochter van de farao het kind een naam geeft, waarbij haar een etymologie in de mond wordt gelegd die teruggaat op de Hebreeuwse stam mšh ­(“uittrekken”): “ik heb hem uit het water gehaald”. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat een dochter van de farao kennis van Hebreeuwse etymologie zou hebben; mogelijk berust deze herkomst op een legende. Bovendien kan objectief worden vastgesteld dat de context strijdig is met deze etymologische herleiding, die een passieve vorm van het werkwoord mšh is, die de betekenis “die [er]uit getrokken werd” doet verwachten. Ook werd Mozes nergens aangeduid met de uit de morfologie volgende betekenis “de [er]uit trekkende”.”

Blijkbaar is de zogenaamde wetenschapper niet voldoende op de hoogte van de Bijbel. Want er zit wel degelijk een lijn in dat ‘uit het water trekken’ en het ‘uit het slavenhuis trekken’. Gods Woord serieus nemen is wat anders dan ‘elk detail kloppend en passend krijgen’. De Heere Jezus wijst tot slot op dit probleem in Johannes 5: “44 Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt? 45 Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. 47 Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?”

De grote vraag blijft: wat doe ik met Gods Woord? Geloof ik het van kaft tot kaft of gebruik ik liever een ‘leesbril’ zodat mijn verstand het kan plaatsen? De Bijbel lezen zonder geloof is onmogelijk. Dan ontgaan je duizenden details die zo enorm essentieel zijn! God ontgaat je dan…

woensdag 25 april 2018

Twee geesten tegenover elkaar

Hoofdstuk 1


En de Hogepriester zeide: “Zijn dan deze dingen alzo?”
Handelingen 7 : 1

Op het eerste gezicht een onbeduidende tekst. Gewoon een vraag of de aanklachten die de Grieken uitten tegen Stefanus klopten. Maar is dat zo? Laten we eens goed naar de plaats van de tekst kijken en naar de persoon die hier spreekt.

De plaats van de tekstWie alleen dit hoofdstuk leest, zal niets merkwaardigs zien in deze woorden. Een soort inleiding op het dispuut tussen de Joodse leidslieden en Stefanus. Maar er is nogal wat aan vooraf gegaan. De hele aanstelling van Stefanus tot diaken zelfs! Daar gaan we straks dieper op in. Eerst bladeren we een vers terug in de Bijbel.
Er hadden dreigende en venijnige beschuldigingen beklonken in de raadszaal in Jeruzalem. Stefanus had iets gezegd over Jezus. Dat was natuurlijk bloedlink! ‘Jezus’ was een beladen naam daar. En al helemaal wát Hij gezegd had. O ja, het waren opnieuw valse beschuldigers die waren opgetrommeld om te getuigen. De geschiedenis leek zich te herhalen! Hoor maar: “En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op ­lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.”
Eveneens valse getuigen hadden dat ook tegen Jezus getuigd, misschien wel in deze zelfde raadszaal: “Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen” (Mattheüs 26:61).
Gelogen was het nog niet eens. Immers in Lukas 19: 43 kun je lezen wát Jezus had gezegd: “Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden ­benauwen; en zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.”
Jezus’ woorden waren een steek in hun hart, om hen tot inkeer te brengen. Maar dit had hen juist verhard! Men stond nu vlak voor de vervulling van deze woorden: de verwoesting van Jeruzalem! Na de beschuldiging had Jezus gezwegen. Zou dat een leefregel zijn: niet in het verweer gaan? Zou ook Stefanus blijven zwijgen? Het lijkt erop. De mensen houden hun adem in. Lees Handelingen 6:15 maar: “En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.”
Iedereen ziet dat er iets bijzonders met Stefanus gebeurt. Zijn glanzende gezicht intrigeert de mensen en niet hij maar zij zwijgen… En het is juist dít aspect dat je moet beseffen, bij het lezen van het eerste vers van hoofdstuk 7! Iedereen is onder de indruk en concludeert: dit lijkt wel het gezicht van een engel. De hemel is heel dichtbij; God is heel dichtbij! En precies op dít moment opent juist de Hogepriester zijn mond: “Zijn deze dingen alzo?”

De persoon die spreektHier spreekt de man die gezalfd is tot Hogepriester over Gods volk. Dat zalven was maar niet zomaar een formaliteit. Het was de visualisering van de vervulling met de Heilige Geest. Deze man zou, vanwege die vervulling, bij uitstek in staat moeten zijn om Gods werk van mensenwerk te onderscheiden! Hij zou het moeten kunnen beoordelen vanuit zijn eigen geestelijke ervaring. Niet dat je kunt oordelen over harten, ook al ben je een priester, maar je kunt wel haarfijn ­aanvoelen of dit uit God is of niet. Nog even los van wat er tegen Stefanus werd betoogd. De Hogepriester kon ook dat gezicht zien… als hij zijn ogen er maar niet voor gesloten had gehouden. Immers, de omstanders zijn er direct door getroffen.
Is dat geen gevaarlijke mogelijkheid? Zo dicht bij Gods werk en het tóch duiden als satanswerk?! De Hogepriester staat hier als gezalfde tegenover… ja, tegenover nóg een gezalfde! Ook Stefanus gezalfd. Hem was – evenals de zes andere diakenen – de handen opgelegd door de apostelen. En zo was ook hij vervuld met de Heilige Geest en toegerust voor zijn taak. Maar over Stefanus lezen we nog vóór dat moment al dat hij vervuld was met de Heilige Geest! Hij was geen vroomprater, geen uitwendige vrome, maar aan hem merkte iedereen dat hij was vervuld met de Geest van God.
Nu staan hier twee gezalfden tegenover elkaar. Toen David tegenover Saul stond – toen die hem naar het leven stond – ­wilde hij zijn hand niet aan het leven slaan van de gezalfde des Heeren. En deze man?

Gods Geest in Stefanus
In vers 5 van hoofdstuk 6 staat nog iets: “Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes…” Het is opmerkelijk dat deze aspecten alleen van Stefanus worden genoemd; je mag verwachten dat ze ook golden voor de zes anderen. Immers als er ambtsdragers moeten worden gekozen is het zaak dat we omzien naar mensen vol van de Heilige Geest en van geloof; en niet enkel naar mensen die enthousiast en positief zijn.
Maar wat houdt dat ‘geloof’ in? Als je de Kanttekeningen leest krijg je een beetje een domper: “Geloof: getrouwheid, die in dit ambt voornamelijk vereist wordt.” Het is inderdaad een mogelijke vertaling van dit griekse woord ‘pistis’.  Maar het woord komt toch van ‘peitho’ dat ‘zich laten overtuigen’ of ‘overreden’ betekent, als ook ‘geloven’. De Kanttekeningen lijken dit woord iets teveel af te zwakken.
Het is ook juist deze vastberadenheid, vurigheid en gedrevenheid die we een vers verderop tegenkomen: “En Stéfanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.” Ook nu staan deze dingen er weer alleen van Stefanus, maar dat zal zijn omdat met hem deze geschiedenis verder gaat. Echter, de dingen die Stefanus deed vielen wel op en wekten jaloezie. Zoveel is wel duidelijk. Het is juist ook de jaloezie die de wortel is van de aversie tegen hem. En aanvoerder van die zonde is… de Hogepriester.

Verzet tegen de GeestStefanus en de andere zes diakenen zijn Grieken; met reden gekozen, zodat zij des te beter de Grieksen konden bedienen. Want juist bij hen begon het protest, omdat de apostelen hen te vaak in de kou lieten staan, toen ze het te druk kregen.
En nu komen er juist uit de hoek van de ‘buitenlanders’ vooraanstaande mensen in opstand tegen de krachten en wonderen die Stefanus deed door de Heilige Geest: “En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der ­Libertijnen, en der Cyreneërs, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus. En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.”
Stefanus pareerde met grote kracht de stekelige vragen van deze ‘wijze’ mannen. Had hij dat moeten doen? Veroorzaakte hij zo niet onnodige aversie tegen het geloof? Was dat nou nodig? Dat zijn terechte vragen, niet om dan maar met ‘nee’ te antwoorden; maar juist om eerlijk na te denken over ‘hoe sta ik in de kerk?’ Ben ik in staat om de polemiek met stekelige ­dwalingen aan te gaan voor de zaak van Christus? Ben ik in staat en bereid om het zuivere Woord van God te laten klinken in een milieu waar eigenzinnige godsdienst de boel verzuurt en verziekt? Mag de zaak van Jezus Christus mij wat kosten en oefen ik mij in geloof, Geest en standvastigheid?

De inwijding van Stefanus als diaken, door Vitore Carpaccio, 1511, Staatliche Museen, Berlin

maandag 26 februari 2018

Je hand versterken in God


De loyale van de royale - II


Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud. Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. En hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel. En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des HEEREN; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
1 Samuël 23 : 15-18


Soms zijn er momenten dat je het plaatje weer helder en compleet hebt: zo zal het gaan en zo is het goed. Terwijl zo vaak de structuur van het leven een raadsel voor je is en niets is wat het lijkt. Gods plan? Is dat er eigenlijk wel? Wat zie je ervan? En áls God dan een plan heeft en dat zogenaamd ‘onwederstandelijk’ uitwerkt… waarom gaat het dan schijnbaar totaal de verkeerde kant op? Waarom blijven mensen om je heen voortdurend vreemde keuzes maken en waarom lijken zovelen zo vaak te slapen? Als God al een plan had, waarom stelt niemand de vraag: “God, hoe zit het met dat plan? Dit gaat toch niet goed zo?” Vind je dat een brutale vraag?
Ik ga er niet over in discussie, maar als je dat brutaal vind, zou ik toch adviseren je vragen te stellen en te laten zien dat je leeft. Niet om daarmee antwoorden te ­vergaren en het plaatje weer passend te krijgen, maar om minder God te zijn en meer van Hem afhankelijk.
Er is namelijk een levensgroot verschil in het stellen van vragen en het uiten van frustratie over onbegrepen wegen. Je kunt er arrogant en brutaal mee richting een ‘lege’ hemel roepen, zoals Gerard Reve:
Graf te Blauwhuis – voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Gerard Reve (1923-2006) – Uit: Nader tot u
Maar beter is om met je vragen naar God gaan en eerlijk je kleine mensenverstandje aan Hem laten zien. Dat wij de antwoorden niet ­weten is eigenlijk vanzelfsprekend. Omdat jij en ik de grote lijn van God niet kunnen overzien. Die spanningsboog is te groot. Maar als wetenschappers zich kunnen vastbijten in ‘berekende zekerheden’ van miljoenen jaren terug, waarom kan een christen dan niet, ondanks alle tegenstrijdige zichtbaarheden, vast blijven staan op Gods plan?

Jonathan trekt met zijn vader Saul en een fors leger richting de plek waar men David vermoedt. Dat moet me een dwaze vertoning zijn geweest! Een leger van soldaten met een goed verstand, hollend achter een krankzinnige leider die slechts één doel heeft, dat weinig onder doet voor Hitlers doel: Gods verbond moet onwaarschijnlijk worden en Zijn volk uitgeroeid. Als God mensen aan de kant schuift om beter bij Zijn doel te komen, zullen de reacties tweeërlei zijn: óf verblinde en drieste haat óf gebrokenheid met gerustheid en tranen.
Saul vervult duidelijk het eerste voorbeeld. En je zou verwachten dat Jonathan daardoor in totale wanhoop terecht komt. Maar toch is dat niet zo. Hij weet David te zitten en sluipt weg uit het leger. Zou zijn wapendrager weer bij hem zijn?

Die actie van Jonathan was niet zonder risico. Het staat er in de Bijbel een beetje romantisch en kort beschreven, maar allereerst liep hij het risico dat zijn vader hem als deserteur en/of collaborateur zou zien en botweg laten doden. Vervolgens is het ‘David opzoeken’ niet slechts een taak van uitvogelen waar hij zich schuilhoudt, maar ook zijn wachtposten, die op scherp staan, passeren. Hen overtuigen dat hij geen spion is van zijn vader, maar de hartsvriend van hun leider! De meeste van de meute rondom David had juist aversie tegen Saul, dus diens zoon zouden ze zeker niet ontzien! Maar…we lezen niets van overleggingen bij Jonathan. Hij gaat op zoek en vindt zijn vriend.
Het eerste dat Jonathan doet is David geruststellen. Niet met zichtbare feiten, maar met geloofszekerheden: “Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden…” Daar was, met dat leger van Saul voor de ‘deur’, allerminst reden toe om dat klakkeloos aan te nemen, maar toch… Daarnaast belijdt Jonathan iets dat we nog niet eerder zo stellig hebben gehoord: “…gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn…” Wij weten hoe het gaat aflopen, maar deze twee mannen weten dat nog niet. Daarmee ontdekken we dus hoe Jonathans gestalte is: hij blijft loyaal aan de royale (de huidige koning, maar ook aan de nieuwe koning!). Hij biedt zich aan om dienstbaar te zijn voor de nieuwe koning. Dat is geen desertie, maar een belijdenis aan David: ik buig voor Gods plan en val Hem bij!

Jonathan voegt er nog iets schijnbaar onheilspellends bij: “…ook weet mijn vader Saul zulks wel.” Saul heeft het door. Die informatie heeft iets raar in zich: immers, als Saul de twee vrienden door had en wist wat Davids positie was, zou hij dan Jonathan niet gevangen hebben gezet of zelfs gedood? Allerminst zou hij hem toch hebben meegenomen op zijn strooptocht om David op te sporen? Maar… Jonathan is er tóch bij en weet zelfs ongezien weg te komen om David te spreken. Zouden ze een geheim afgesproken teken hebben gehad, zodat Jonathan zo gemakkelijk contact kon leggen met David?
De geheime missie van Jonathan had niet slechts tot doel om de boodschap over te brengen en David te waarschuwen: “Pas op, mijn vader weet dat jij de nieuwe koning zult zijn!” Jonathan had ook niet tot doel om zijn eigen hachje te redden en zijn toekomst bij David veilig te stellen. Alhoewel het er wel erg op lijkt! Nee, Jonathan komt bij David om hem te troosten en moed in te spreken. Onder allerlei dekmantels en schijnbare vormen van eigenbelang zat het hart voor de goede zaak: het plan van God zou doorgaan. De vrienden troosten elkaar en sluiten voor Gods aangezicht een verbond. Want we lazen een vers eerder al: “…hij versterkte zijn hand in God.” En die ‘hij’ is hier Jonathan, terwijl ‘zijn’ zowel op hemzelf als op David kan duiden. En dat laatste is het meest waarschijnlijk. Jonathan kon David niets geven dat hem versterkte. Maar hij wees zijn vriend op de machtige God Die ze beiden dienden. Soms kun je iets betekenen voor je vriend/vriendin door iets te doen dat zichtbaar is. Soms is het enige dat je kunt doen: wijzen op de HEERE en Zijn beloften. De zalfolie was voor David  niet iets dat hem uit de problemen redde; hij moest het doen met de betekende zaak die in het teken verborgen zat: de belofte van God.

Toen gingen de vrienden weer uiteen: “David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.” God bleef Dezelfde en dat verbond hen beiden: hoe de weg ook zou gaan. David bleef vluchteling, maar Jonathan ging naar huis… Naar huis? Niet terug naar het leger?

zaterdag 14 oktober 2017

Geloof heeft dagelijks onderhoud nodig

“En nu heb Ik het u gezegd eer het geschied is,
opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.”
Johannes 14 : 29

Let eens op hoe goed Jezus je ‘gereedschapskoffer' heeft gevuld, voor het geval dat…


Onderwijs is er enerzijds op gericht dat je dingen gaat begrijpen. Maar anderzijds is het meer dan eens gericht op de toekomst, waarin je kennis in de praktijk gaat brengen. Je krijgt dus vooraf informatie, kennis, die je van pas gaat komen, als je in de praktijk tegen situaties aanloopt waarin je naar oplossingen op zoek moet gaan.

Het is als een gereedschapskist: er zit gereedschap in ‘voor het geval dat…’; niet alle gereedschap heb je nodig. Soms kies je welbewust je gereedschap uit, als je je klus van te voren goed inschat. Maar… voor onvoorziene gevallen neem je extra spullen mee. Dat kan je goed van pas komen! Precies dát doet Jezus in onze tekst. “Ik vertel je nu alvast dingen, die straks zullen gaan gebeuren (Hij geeft ze doelgericht onderwijs!). Normaliter zul je dan in verwarring, angst en paniek geraken. Maar met deze informatie (knoop het goed in je oren), kun je die situatie aan!”

Jezus’ voorzienigheid

Er zal van alles gaan gebeuren met Jezus én met Zijn discipelen. Zij zullen van elkaar gescheiden gaan worden. Jezus zal dan niet meer direct met hen communiceren. Eigenlijk hebben ze na een driejarige stage het moment van de Meesterproef bereikt. Nu zal moeten blijken of ze in staat zullen zijn zelfstandig te leven en te geloven. Jezus voorziet dat dat niet zal gaan. “Zonder Mij kunt gij niets doen,” had Hij gezegd. En zo is het ook. Maar Hij maakt van Zijn jongeren geen marionetten of robots. Zij zullen tóch, ondanks hun onvermogen, zelfstandig verder moeten. Hij zal niet meer als een Herder bij hen zijn. Zij zullen zelf onderherders gaan worden. Maar hoe moet dat?
Jezus voorziet dat zij dat niet zullen kunnen en toch roept Hij ze tot die grote hoogte. En nog voor dat de vragen, de vertwijfeling en angst zouden kunnen toeslaan, rust Hij hen toe: “Ik vertel je nu alvast dingen, die straks zullen gaan gebeuren…” Waaruit bestaat dat gereedschap dat Hij in hun gereedschapskoffer stopt?

Het vermoede paniekmoment

Het zal bruikbaar gereedschap blijken te zijn, wanneer al deze voorspelde dingen zullen gaan gebeuren. Eerlijk gezegd, met eerbied en kort door de bocht gereageerd, als ik de evangeliën lees, bekruipt mij het gevoel dat Jezus de situatie toch te rooskleurig heeft ingeschat. Want er zijn niet weinig paniekmoment geweest, na deze Paasmaaltijd; echter de discipelen hebben hun gereedschapskoffers potdicht laten zitten. Prima gereedschap aan boord, maar gebruiken: ho maar!
Wat dacht je van het moment van de gevangenneming in Gethsémané? Natuurlijk is zo'n toestand met fakkels, speren en zwaarden in een spookachtige hof of griezelig donker bos natuurlijk wel iets om een snellere hartslag van te krijgen. En die meute van soldaten en overpriesters was nu niet bepaald liefelijk om te zien. Maar in plaats van de gereedschapskoffer open te maken, vluchten ze allemaal een andere kant op, bang voor hun hachje.
En dan is daar de dag van het oordeel, de kruisiging en de begrafenis. Als ze er al bij waren, dan stonden de discipelen van verre en in het beste geval sloegen ze zich van radeloosheid op de borst. Daar hing nu hun Meester! Gereedschap aanwezig, maar ongebruikt retour.
En in de dagen daarna hebben ze hooguit hun gereedschap gebruikt om de deuren van de opperzaal nóg hermetischer te sluiten. Maar was er nu niemand, die opstond en zei: “Broeders, dit is het wat Jezus zei, toen Hij nog bij ons was! Laten we onze gereedschapskoffers eens openmaken en zien wat erin zit!”

Liefde en geloof

En dan zijn daar die rare woorden: “opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt”. Geloofden ze nog niet? Was het nog allemaal niets met hen? Moesten ze nog uitverkoren worden? Nog op een toeleidende weg geplaatst worden. Nog allerlei stadia van ‘al Gods kinderen’ doorwandelen voordat het allemaal eens mocht gaan aanvangen?
Je zou haast over dat woordje aan het begin van dit vers heen lezen: “En…” Er zit dus een directe verbinding tussen dit vers en het voorgaande. Lees het zo: “Gij hebt gehoord dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen en kom weder tot u… En nu heb Ik het u gezegd eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.” Jezus toonde hen de lange lijn, de grote rode draad van de geschiedenis die Hij zou gaan schrijven. Wereldgeschiedenis, die hun bevattingsvermogen te boven zou gaan. Juist dát wist Hij als geen ander.
Hier praten we niet over kleingeloof, maar dit was onbevattelijk voor hen. Wij hebben enorm veel meer van Christus mogen zien. Wij hebben Zijn grote rode draad in tal van preken en boeken mogen uitgeschilderd krijgen (en wat heeft het bij je gedaan?). Maar zij niet. Voor hen was het volslagen ongedacht en niet passend in hun denkvermogen.

In het vorige vers ging het over 'als zij Hem zouden hebben liefgehad…', nu gaat het over 'zullen gaan geloven'. Dat liefhebben had alles te maken met Hem dieper kennen, Hem meer en meer bewonderen en adoreren. Het geloven in onze dagtekst, is niet het zaligmakend geloof ontvangen, maar is meer het standvastig groeien in het geloof. De Kanttekeningen spreken over 'versterkt worden in het geloof'. Het is niet negatief bedoeld, maar juist positief. Op de groei gericht. Een koffer met gereedschap om te kunnen groeien.
Eigenlijk heeft God elk menselijk lichaam even zo geschapen: het is op de groei samengesteld. Een baby wordt tandeloos geboren, maar zijn of haar melkgebit én blijvende gebit zitten al verborgen in hun 'gereedschapskoffer van de mond'. Zo is het ook met het leven van het geloof. Het is niet opeens volwassen, uitgegroeid. De ervaringen met Jezus rijpen je.
En telkens weer kom je erachter dat Hij al iets in je had neergelegd voor later, als het zo ver zou zijn. Als je in je leven daar of daar zou vastlopen. “Ik zeg nu alvast dingen tegen je, die straks van pas zullen gaan komen. Nu leg je ze nog terzijde, omdat je niet weet wat je ermee moet. Maar straks! Moet je eens opletten. Normaliter zal een mens zonder Mij dan in verwarring, angst en paniek geraken. Maar met deze kennis van Mij (knoop het goed in je oren), kun je die situatie aan! Je leert ervan, zult er verder mee komen, standvastiger groeien en… je zult er anderen mee versterken! Een klein onderherdertje mogen wezen, onderweg naar het Huis van Mijn Vader!” Het is geen doe-het-zelf-koffer, trouwens! Dit vers staat in de context van de komende Heilige Geest. “Die zal het uit het Mijne nemen (denk aan de gereedschapskoffer!), en zal het u verkondigen (toepassen)” (Johannes 16).

woensdag 6 september 2017

Wat Jezus wil vertellen

Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.”
Johannes 14 : 25
Het laatste Avondmaal, geschilderd tussen 1495–1498 door Leonardo da Vinci (4,6 m x 8,8 m);
locatie: Santa Maria delle Grazie

Dit ogenschijnlijk weinigzeggende vers markeert een keerpunt in de gebeurtenissen rond de discipelen. Jezus komt tot een afronding en luidt een nieuw accent in. Als Hij spreekt over ‘deze dingen’, wat bedoelt Hij dan?

Je zou kunnen zeggen dat het hele voorgaande gesprek daartoe behoort. De dingen die Jezus vertelde over Zijn aanstaande hemelvaart; Zijn afwezigheid en toch weer in zekere zin Zijn aanwezigheid door de Heilige Geest; de eenheid tussen Hem en de Vader. Maar ik denk dat Hij vooral doelt op dat liefhebben van Hem en hoe je dan omgaat met Zijn geboden, Zijn gehele Woord.

Het klinkt allemaal heel theoretisch, maar na dit vers zullen we gaan zien dat met die theoretische kennis die Hij nu in hen legt, de Heilige Geest straks aan de slag gaat. Zijn geboden onthouden en onderhouden gaat het effect hebben van een toenemende liefde en aanbidding van Hem over Zijn liefde en wijsheid, waarmee Hij alles tot in detail in de hand heeft in ons leven!

Het is deze Herder en Leraar, Die inderdaad alles tot in detail weet en bestuurt, Die ons aan Zijn tafel nodigt. Waarom? Omdat Hij ons door en door kent en concludeert dat we dat nodig hebben. Als Hij met macht en toch ook met takt spreekt tegen Zijn jongeren die tamelijk in verwarring zijn, hoeveel te meer zal Hij met macht en takt spreken rondom het Avondmaal? Als Jezus spreekt wordt niet persé alles in één keer duidelijk, maar je krijgt er wel voldoende overdenking en beleving uit, dat je er weer tegen kunt. Hij nodigt aan tafel en geeft niet alleen uitleg in woorden, maar ook in daden. Hij laat de tekenen van Zijn lijden zien. Ja, Hij toont ze zelfs aan blinden door te laten smaken/proeven hoe Hij is én hoe Zijn Vader is. Want Ze zijn één, de Vader en de Zoon nietwaar? Dat had Jezus daarnet nog gezegd!

Hij laat je merken dat Hij van je af weet en van je houdt. Tilt je uit boven de golven van dit leven, boven het tumult dat er misschien wel in je eigen huis of hart is. Hij laat je even vanuit een ander perspectief kijken naar het leven van alle dag; ook naar jouw leven met Hem en misschien moet daar wel wat rechtgezet worden naar de toekomst toe. En… het belangrijkste, Hij zet je weer stil bij wat Hij Zelf deed om jou zalig te maken: Zie je dat? Vergeet je het niet? Stempelt dit je leven? En merken anderen door jou iets van Mij? Wat mag ik van je vragen? Hoe ver laat je me toe in je leven? Vertrouw je me? Voel je hoe goed Ik het met je meen? En voel je veilig bij Mij. Vertel me maar wat er aan scheelt. Kom maar bij Mij. Kijk, deze dingen heb Ik tot je gesproken en Ik heb het zelfs voor je zwakke geloof gevisualiseerd. Zodat je niet meer hoeft te twijfelen… En zodat de Heilige Geest je verder kan leiden. Niet alleen met de kennis van nu, maar vooral ook met de wetenschap van straks…

maandag 5 juni 2017

Jezus' hemelvaart luidt een nieuw tijdperk in

"Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij."
Johannes 14 : 1

Nieuwe situaties kunnen voor verwarring zorgen. Maar Jezus speelt daar alvast op in!


Wat is dat nu? Luidt Jezus toch een nieuwe religie in, zo vlak voor Zijn lijden, sterven, opstanding en hemelvaart? Geloven in God deden de Joden toch al? Wat bedoelt Jezus dan met die woorden 'gelooft ook in Mij'?

Je kunt weleens van die teksten tegenkomen die, als je er een tijdje naar kijkt iets heel raars lijken te zeggen. Geloven in God én nu ook geloven in Jezus? Het klinkt haast alsof er een wijziging in het geloof gaat plaatsvinden. Gek genoeg zwijgen de Kanttekeningen hier over dit verwarrende.

Een nieuwe situatie!

Duidelijk is dat er iets staat te gebeuren: Jezus' lijden en sterven. Jezus weet als geen ander dat Zijn discipelen nog altijd krampachtig aan het Joodse plaatje van de Messias vasthouden. Daar past geen lijden en sterven in. Laat staan hemelvaart, als een soort vertrek uit oorlogsgebied. Enkel de heerlijkheid, macht en majesteit horen in dat plaatje thuis.
De komende uren zullen er ingrijpende dingen gaan plaatsvinden – die de meeste discipelen al wel voorvoelen – die hun geloof dreigen uit te wissen. Jezus is satan voor en spreekt op voorhand van troost, van vertrouwen (houdt dat laatste woord even vast, want het geloof in het tweede deel van dit vers, kun je ook vertalen met vertrouwen; de discipelen krijgen een soort dubbele verankering voor hun vertrouwen).
Dat Jezus Zich zorg heeft (ondanks Zijn almacht, alwetendheid en alomvattende zorg en gebed voor hen) voor hen in die verwarring blijkt als Hij later in dit gesprek nog een keer onderstreept dat er verwarrende gevoelens zullen bovenkomen. En Hij legt er ook alvast bij uit, waarom Hij hen nu reeds wat instructies daaromtrent geeft: lees maar in vers 27 en 28:
Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.
Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weder tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.
Dus wijzen op de Vader is essentieel in deze troostwoorden. Juist ook in onze dagtekst. Maar… dat moet gezegd, Jezus wijst ook al op iets nieuws: de Trooster, de Heilige Geest. Ik heb geen idee of ze begrepen waar Jezus het over had. Kenden zij de Heilige Geest? Later, in het boek Handelingen, zullen we mensen tegenkomen die wel de doop van Johannes kenden, maar nog nooit hadden gehoord dat er een Heilige Geest was. Jezus benadrukt dus in onze tekst de band tussen Vader en Zoon!

Een nieuwe geloof?

Nee, er is geen sprake van nieuw geloof. Maar deze tekst zit wel enorm ingewikkeld in elkaar. Ik ga wat citeren uit de Bijbelverklaring van Dächsel en zal dat in een paar regels beknopt samenvatten. Het aardige van Dächsel is dat hij, door woordjes en zinnen tussen te voegen, de Bijbeltekst wat begrijpelijker maakt:
Nadat de Heere het bijzonder gesprek met Petrus in Hoofdstuk 13: 36-38 gehouden had, richtte Hij Zich volgens het bericht in Luk. 22: 35-38 weer tot al Zijn discipelen tezamen. Hij wilde hun toespreken met het oog op de scheiding, die hen in Hoofdstuk 13: 33 was
aangekondigd en die voor hen een tijd van zware verzoeking en van velerlei moeilijkheden zijn zou. Hij versterkte hen met deze woorden: Uw hart wordt niet ontroerd, zodat u zich door hetgeen nog deze nacht zal beginnen te geschieden, tot wanhoop zoudt laten brengen. Jullie geloven in God; en is uw geloof van de juiste aard, dat u op Hem vertrouwt en bij hetgeen Hij doet en laat plaats hebben niet twijfelt aan Zijn wijsheid, goedheid en rechtvaardigheid, geloof ook in Mij; meen niet dat het geheel en al met Mij gedaan is, wanneer Ik uit het land van de levenden door een smadelijke dood wordt weggenomen.
De ontroering zal heftig opsteken, wanneer ze hun Meester zullen zien lijden en sterven. Maar Jezus wil, naast het wijzen op de Trooster, de Heilige Geest (nog abstract), eerst de nadruk leggen bij het geloof (concreet)! Opmerkelijk. Blijkbaar kan het geloof nooit teveel verwachten! In de verklaring van Dächsel wordt aangetekend bij 'gelooft ook in Mij':
Op verschillende wijzen kan men deze laatste woorden vertalen daar beide woorden "gelooft" als 2e pers. meervoud van de tegenwoordige tijd en van de gebiedende manier kunnen worden vertaald. V. Oosterzee heeft in zijn "Leven van Jezus": "Geloof in God, geloof ook in Mij". Desgelijks wil ook Stier tegenover de Lutherse vertaling: "Geloof u in God, geloof ook in Mij. " die met de onze overeenstemt. Dächsel verdedigt de laatste met deze woorden: woordelijk luidt de tekst: "Geloof in God en in Mij geloof. " Dit moet verstaan worden, volgens de Hebreeuwse manier van construeren, zó dat het tweede "geloof" het gevolg te kennen moet geven van het eerste "geloof", terwijl, als twee bevelen moesten worden opgevolgd, het tweede bevel zich aan het eerste niet in de imperativus maar in het futurum moest aansluiten. In het eerste lid nu staat om goede redenen het werkwoord vooraan, want de bedoeling is, om tegenover de angst, die zich van hen wil meester maken en de velerlei verkeerde gedachten, zoals die bij Luk. 24: 19 vv. voorkomen, het vertrouwen op God te plaatsen; in het tweede lid staat daarentegen de persoon vooraan, om wie het geheel zich beweegt. Onmiddellijk op Hemzelf, zo wil de Heere zeggen, hun vertrouwen te stellen, zou de discipelen zeker moeilijk zijn, als zij Hem aan het kruis zouden zien hangen; maar zij moesten het vertrouwen op God toch niet verliezen, zij moesten aan Zijn goedheid, wijsheid en gerechtigheid vasthouden, dan zou ook hun geloof in Hem, de Heere Christus, weer opleven. Wij mogen niet nalaten er op te wijzen hoe Christus Zich hiermee goddelijke waardigheid toekent, dat de discipelen eveneens in Hem moesten geloven, zoals zij in God geloven. Als Hij niet waarachtig God was met de Vader, dan zou het geloof vals zijn en afgoderij: want van het hart van de mensen mag niet vertrouwen noch zich verlaten dan op de enige God.
Het geloof in Jezus is dus een testcase voor Gods betrouwbaarheid én een bewijs voor Jezus' godheid. Mochten zij momenten van twijfel moeten ondergaan, dan moesten ze onverkort blijven geloven in God de Vader. En dan blijven opletten hoe het allemaal zou aflopen. Wat zit Jezus troostonderwijs toch wijs in elkaar! Elk puzzelstukje zal straks minutieus op zijn plek vallen.
En dwars door die momenten van twijfel heen zal God alleen maar sterker en heerlijker in hun ogen worden!
En… zo worden ze al een beetje geoefend in het 'geloven zonder te zien'. Jezus móest wel aan Zijn discipelen verschijnen, anders zou dat geloof toch in vertwijfeling blijven hangen. Zijn openbaring aan Zijn jongeren had dus ook dát aspect. Temeer zullen ze op het geloof kunnen teren (zonder te zien) als ze straks, na Jezus' hemelvaart, de wereld worden ingezonden. Elk onderwijs kent stappen, opbouw en progressie. Met Pinksteren zullen zij er nog een leerpunt bij krijgen: "Gijlieden gelooft in God en in Mij? Gelooft ook in de Heilige Geest!"

maandag 8 mei 2017

Briefje uit de hemel

"Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel en zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE…"
Genesis 22 : 15-16a
 
Persoonlijk vind ik de regenboog altijd weer een indrukwekkende brief uit de hemel!

maandag 27 maart 2017

Passief en actief geloof

"En zij kwamen ter plaatse die hem God gezegd had, en Abraham bouwde aldaar een altaar; en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar boven op het hout."
Genesis 22 : 9





Gisteren in de dankzeggingsdienst op het Heilig Avondmaal vroeg de predikant zich af of de Heere Jezus iets zou hebben geuit van de pijn die Hij leed, toen Hij werd gekruisigd. Bebloed vanwege de geseling, was het geronnen bloed gaan vastzitten aan de purperen spotmantel. Deze werd Hem van de rug gerukt, waardoor de rug werd opengereten en zo werd de Heere Jezus naakt op het hout gespijkerd. Foltering ten top! Hij voor mij… hoe indringend juist op een Avondmaalszondag!

Als ik in deze tekst Izak beschouw, hoor ik hem evenmin geluid of protest maken. Het uiten van pijn is eigenlijk een protest tegen de foltering. Je maakt geluid om uiting te geven (een vocale uitweg te zoeken) voor de felle energiestoot die de pijn is, veroorzaakt door de verwonding die wordt aangebracht. Wie zou daar iets tegen hebben? Zou jij het iemand verwijten, als hij geluid maakt, wanneer er spijkers door de zenuwbanen in zijn polsen worden gejaagd?
Ik herinner me het moment waarop de drain uit mijn buik moest worden getrokken, na een galoperatie. "Dit is even niet leuk," zei de zuster. Ik moest een hap lucht nemen en op mijn tanden bijten; ik was op het ergste voorbereid, maar toen ze de drain in haar handen had vroeg ik verrast: "Was dat het?" Misschien was ik teveel op iets ergs voorbereid… kleinzerig als mannen kunnen zijn. Maar dat staat in zo'n onmetelijk contrast met de stilte op Golgotha als Jezus wordt gekruisigd. Laat staan dat ik verwacht dat Hij nog tot zevenmaal een woord van erbarmen en genade spreekt terwijl Hij aan eigen gewicht hangt aan de spijkers in het kruis.

Die beiden gingen tezamen

Wat in de tekst allereerst opvalt is dat Izak en Abraham gezamenlijk aankomen op de precieze plek die God had uitgekozen en aan Abraham had gewezen. Tot zover kun je spreken dat ze samenop gingen. Van Izak lezen we op geen enkele manier dat hij met tegenzin kwam; hij wist tot dat moment nog niet wat hem te wachten stond. We zouden het eerder dan ook van zijn vader verwachten dat er tegenzin in hem opkomt. Toch lezen we ook dat niet.
Toen de wijzen uit het oosten naar Israël kwamen om de geboren Koning der Joden te aanbidden c.q. te verwelkomen, werden zij 'gaande gemaakt' door een ster en vlakbij Bethlehem bevestigd door een ster. We lezen dat ze verblijd werden toen ze die ster weer zagen, die ze herkenden uit het oosten. Een dergelijk teken moet er van de hemel zijn geweest, om Abraham duidelijk te maken waar de offerplaats precies was. Waarschijnlijk heeft Izak die engel niet gezien, maar Abraham wel. We lezen in vers 11: "Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel…", alsof het een bekende – weliswaar nog niet genoemde Aanwezige – was in de geschiedenis. En iets moet Abraham in die verschijning bemoedigd hebben. Als keek de engel toe hoe Abraham te werk ging en met hoeveel toegewijdheid aan God. Bedenk dat de Engel des HEEREN veelal wordt gebruikt voor God de Zoon! Hij kijkt toe, hoe Izak bijna de weg gaat die Hij Zelf eeuwen later tot het einde zal gaan afleggen!

Die beiden gingen alleen

En hier zal het moment zijn aangebroken dat Abraham openheid van zaken geeft aan Izak. Ik lees niet van geroep, gehuil of een rennende Izak, de berghelling af richting de beneden wachtende knechten: "Help! Help! Mijn vader is gek geworden! Hij wil me doden!" De Kanttekenaren schrijven hier een tere uitleg en attendering bij: "Merk hier de bijzondere lijdzaamheid en gehoorzaamheid van Izak, die zonder twijfel van zijn vader daartoe tevoren was overreed."
Ook Izak is gewillig gemaakt. Wie zou het hem nadoen? Genade! En dan gaat vader Abraham aan het werk. Zou Izak hem nog geholpen hebben bij het stapelen van de ruwe, ongelijke stenen? Bij het sorteren van het hout? Bij het aangeven van de touwen? In de tekstwoorden zie ik alleen een actieve Abraham. Izak is de passieve. We lezen dat Abraham zijn zoon vastbond. Opnieuw de Kanttekeningen: "Gelijk de beesten ter offerande aan hun vier voeten gebonden worden, alzo heeft Abraham zijn zoon Izak aan handen en voeten gebonden (zoals enigen menen), omdat het Hebreeuwse woord van de offeranden gebruikt zijnde zulks dikwijls betekent." Bedenk dat ook Jezus Christus aan handen en voeten bevestigd is geworden aan het hout van het kruis!

Lam Gods, dat zo onschuldig,
zo moedig en geduldig,
aan 't schand'lijk kruishout lijdt,
verdienen niet mijn zonden
die striemen en die wonden?
Ja 'k weet, dat Gij onschuldig zijt!

Niet Gij, neen ik moest sterven
en 's Vaders liefde derven
in eindeloze pijn!
Toen sloegt G' op mij uw ogen
in godd'lijk mededogen,
en wildet mijn Verlosser zijn.

Gun, dat 'k U dankbaar nader,
o Midd'laar bij de Vader.
Wat is uw liefde groot!
Gij wildet mij hergeven
het eeuwig, hemels leven,
en stierf daartoe die wrede dood.

O Godslam, nooit volprezen,
leer mij de zonde vrezen,
waarvoor Gij stierft aan 't kruis!
Deel mij uw zaal'ge vrede,
ja, deel m' uw hemel mede
en leid mij eens in 't Vaderhuis.
Tot slot nog een opmerking van de apostel Jacobus over dit gebeuren. In hoofdstuk 2 van zijn zendbrief schrijft hij in het 21e vers: "Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?" Daar staat een van de allerlangste Kanttekeningen bij; die moet je maar eens lezen. Hiermee wordt Abraham er een voorbeeld van dat het geloof zonder de werken dood is; maar hij is daarentegen geen bewijs dat de werken boven het geloof gaan! Tegelijk wordt ook deze geschiedenis niet als het enige bewijs voor Abrahams onvoorwaardelijk geloof gezien, maar in vers 23 zegt Jacobus dat Abraham al eerder van zijn geloof in de HEERE getuigde door God op Zijn woord te geloven over de aanstaande geboorte van Izak! En juist dit bewijs van Gods betrouwbaarheid moet Abraham nu gaan offeren!
Wij moeten maar geen bijzondere tekenen en momenten van God in ons leven koesteren als bewijzen dat het wel goed zit. We kunnen niet leven van 'eens bekeerd te zijn geweest', maar we worden geroepen tot een voortdurend vernieuwd geloof en een groeien in de genade. Daar zit geen enkel eindpunt in, geen gearriveerdheid, maar een verlangen naar het 'aanschouwen' waarin het geloven zal overgaan!

woensdag 15 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Aanbidding of offer?

"En Abraham zeide tot zijn jongens: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.
Genesis 22 : 5
 
Aanbidding is offer en offer is aanbidding

"Blijf bij hier met de ezel…" Ooit hoorde ik over een schoonhovens predikant die ruim een eeuw geleden afscheid preekt met die tekst. Toen hij 'gij' zei knikte hij naar de kerkenraad en toen hij 'ezel' zei, knikte hij naar zijn collega met wie hij totaal niet kon opschieten. Ze zouden nog bijna 15 jaar met die achterblijvende predikant blijven zitten. Als ik deze tekst lees, moet ik altijd weer aan die anekdote denken.

Niettemin is de tekst van een totale andere ingrijpendheid. En waar ik door ben getroffen is de dingen die Abraham tussen de regels door zegt. Iets van zijn innerlijk gloort naar buiten. Iets van Hebreeën 11 lijkt zichtbaar te worden. Opnieuw wil ik er ook de heilsgeschiedenis van onze Heere Jezus Christus naast leggen. Kijk maar eens mee.

Heengaan tot daar…

De opdracht die Abraham kreeg was dat hij zijn zoon moest offeren. Aldoor lijkt Abraham te hebben gezwegen; hooguit wat spaarzamelijke instructies te hebben gegeven, maar niet meer dan dat. Nu echter is hij iets spraakzamer. Er klinkt een bevel: "Blijven jullie hier bij de ezel!" Blijkbaar is er óf één ezel in het spel óf doelt Abraham hier enkel op zijn eigen ezel (maar… waarom zwijgt hij dan over de ezel van Izak?). Vermoedelijk diende de ezel slechts als 'bagagekarretje' of 'lastdier' en werd de tocht geheel te voet afgelegd.
Vervolgens wijst hij schuin omhoog, naar de plaats waarvan hij weet dat God daar op hem wacht. Het is verder dan een steenworp afstand vermoed ik, maar toch. In Mattheüs 26 : 36 lezen we eenzelfde lijn: "Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben."
Nadat Hij negen van zijn discipelen heeft achtergelaten, neemt Hij er drie mee. Dan begint Zijn emotie ook zichtbaar te worden, de angst voor de toorn van Zijn Vader en de scheiding die er zal zijn tussen Hem en de Vader! "En […] begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide Hij tot de drie vertrouwelingen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij." Abraham geeft niet zo'n instructie: "blijf hier en bid met mij". Hij zegt slechts: "Wij zullen daar aanbidden."
Vader en zoon zullen heengaan tot aan die plek daar. Abraham wist precies waar hij zijn moest. Hij zoekt niet eerst het gebed om licht en kracht, maar gaat door. Zo ging het ook op de reis vanuit Ur. De tussenstop in Haran had hem het leven van zijn vader gekost. Geen oponthoud maar onvoorwaardelijk gaan tot het einddoel is bereikt. Dat is een wijze les voor elke pelgrim die op weg is naar het Nieuw Jeruzalem. Soms klinkt Gods stem ter aansporing: "Haast u, om uws levens wil!" Soms ook is het zien van het reisdoel voldoende om gaande te blijven. Doorgaan, levend vanuit het volbrachte werk van Christus "totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden."

Wederkeren

De grootste geloofsmoed komt openbaar als Abraham het woord 'wederkeren' in zijn mond neemt in combinatie met het woordje 'wij'. Misschien wel duizendmaal heeft Abraham zich het moment voor de geest proberen te toveren dat hij 'alleen' weer terug zal moeten keren tot Sara, zonder Izak! Maar dwars door die spookbeelden heen – die toch de meest aannemelijke realiteit zullen zijn – zegt hij: "Blijf hier totdat wij allebei weer terug zijn bij jullie". Niemand ging er verder nog mee. Dus wat Abraham ook zal hebben gedacht en geloofd, hij sprak de verwachting uit dat hij niet alleen zou terugkeren. En het woordje 'wij' laat zich niet anders uitleggen dan dat dat én Abraham én Izak zal zijn.
God had hem op geen enkele wijze een hint gegeven die sprak van een escape in deze verzoeking. Nergens lees ik dat Abraham gaat pleiten bij God, zoals hij dat wel deed voor het goddeloze Sodom, vanwege zijn neef Lot. Abraham is gegaan en spreekt – hoe zullen die woorden geklonken hebben? – van een gezamenlijke terugkeer. In de komende verzen zal meermalen de nadruk worden gelegd op het feit dat 'die beiden samen' gingen. Een soort dubbelop om het accent nog verder aan te zetten.
Vreemd dat Abraham reeds zónder belofte deze belijdenis doet. Terwijl de HEERE zoveel beloften heeft gedaan waar kerkmensen niets of nauwelijks iets mee doen. Hoevelen twijfelen bijvoorbeeld aan het feit dat Jezus eens zal wederkeren? Hij heeft het wel gezegd, een belofte gedaan (en Zijn woorden hebben altijd de lading van een eed in zich), maar rekenen we er ook mee? Roepen we ook om Zijn terugkeer? Gaat ons verlangen naar Hem uit?

Aanbidden of offeren?

Nog één ding viel me op: Abraham spreekt hier niet over 'offeren' maar over 'aanbidden'. In het kader van die twee woorden vond ik een mooie eye-opener:
„We kennen allemaal wel van die dagen waarop God zo ver weg lijkt. David wilde aanbidding van God daar niet afhankelijk van laten zijn: ‘O mijn ziel, wat buigt g’u neder, waartoe zijt g’ in mij ontrust; zoekt het oud vertrouwen weder: zoek in ‘s Hoogsten lof uw lust’, (Ps. 42 berijmd). Daarom ligt in het onderwijs over aanbidding het accent deels op offeren (‘Wie lof offert, eert Mij en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien’, Ps. 50:23.) De eerste keer dat het woord aanbidding in het Oude Testament wordt gebruikt, is in Genesis 22: Abraham die Isaäk gaat offeren. Wíj zeggen dat Abraham in gehoorzaamheid de berg opging om te offeren, maar Abraham zei dat hij met Isaäk de berg opging om te aanbidden (vs. 5). Dat is uitermate moeilijk. Maar hij maakte de keuze om God te aanbidden met zijn gehoorzaamheid. Eenmaal boven op de berg voorziet God en leert Abraham dat gehoorzamen, offeren en aanbidden de toegang vormen tot Gods voorziening. Dat leert ons dat God aanbidden een levensstijl, een keuze is. Omstandigheden veranderen, maar de Here blijft altijd Dezelfde. Hij is voortdurend onze aanbidding waard. Het leven van een gelovige, van een aanbidder, moet gebaseerd zijn op geloof. Maar als je je realisme baseert op je gevoelens of op omstandigheden, of op zintuiglijke waarneming, kom je tekort. We kúnnen God niet behagen zonder geloof. Daar mogen we veel meer vanuit leren leven. Je kunt financiële noden hebben. Leven we dan vanuit wat onze bankrekening ons vertelt, of durven we te geloven dat God Degene is Die zal voorzien? God wacht tot we Hem leren durven vertrouwen en gaan handelen vanuit geloof. Hetzelfde geldt voor het aanbidden van Jezus. Laten we dat afhankelijk zijn van gevoel of omstandigheden, of eren we Hem op basis van Wie Hij is? Dan is er altijd reden om Hem te aanbidden. Niet-christenen hebben vijf zintuigen, christenen hebben er één extra: geloof (Hebr. 11:6).“

woensdag 20 januari 2016

Jezus’ werken bemerken en toch twijfelen

Johannes in de gevangenis zit vol twijfels over Jezus


"En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus,
zond twee van zijn discipelen…"
Mattheüs 11 : 2

Johannes Uijtenbogaert, naamgenoot van de Doper en opvolger van Arminius als voorman der Remonstranten, heeft door de kerkelijke strijd van die dagen een sticker op zijn hoofd gekregen die theologisch juist was, maar die een zeer merkwaardige oorzaak had. De kwestie tussen Remonstranten en Contraremonstranten maakte dat Uijtenbogaert moest vluchten voor zijn leven. Hij was om zijn leer niet meer welkom. Maar wat lag er ten diepste ten grondslag aan deze verbanning? Uijtenbogaert was hofprediker en had Prins Maurits – die wij als held zo hoog hebben staan – gewezen op diens levenswandel. De prins hield er op sexueel gebied een tamelijk losbandig leven op na en had diversen bastaardkinderen in zijn omgeving rondlopen, terwijl hij nooit getrouwd is geweest! De grimmige haat over Uijtenbogaerts terechtwijzing uitte zich in een theologisch conflict, waardoor hij op theologische gronden verbannen werd. Eenzelfde lot wachtte Johannes de Doper. Evenals Jozef in het gevang (uit de film over zijn leven), heeft hij wellicht uitgeroepen: "Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?"

Bevelen geven

Gaf Jezus in het voorgaande hoofdstuk Zijn bevelen, Johannes geeft in onze dagtekst ook een bevel. Laten we nog even kort teruggaan naar het vorige hoofdstuk. Waar bestonden die bevelen uit?
  • Jezus stuurde Zijn jongeren heel specifiek naar de Joden en niet naar de Samaritanen of naar de heidenen (vers 5-6);
  • Omdat ze midden tussen de wolven werden uitgezonden (let op dat Hij juist de Joden wolven noemt!), moesten ze zo voorzichtig als de slangen zijn en zo oprecht als de duiven (vers 16);
  • Als ze zouden worden overgeleverd aan het kerkelijke of wereldlijke gericht, dan moesten ze zich niet druk maken over wat ze moesten zeggen, want de Heilige Geest zou hen woorden geven (vers 17-20);
  • Ze moesten beseffen dat ze niet méér waren dan hun Meester en om die reden zouden ze verdrukking moeten ondergaan: Jezus volgen brengt haat met zich mee (vers 24-25);
  • Ze moesten niet bang zijn voor de mensen die slechts het lichaam slechts konden te doden. Ze moesten God vrezen, Die zowel lichaam als ziel kan verderven. Tegelijk mochten Jezus' troostwoorden over Gods zorg voor musjes hen juist versterken in die dagen (vers 28-31);
  • Ze moesten leren dat het beeld dat door de eeuwen heen door toedoen van de dwaalleer der godsdienstige leiders over de Messias was geschapen, niet klopte met Wie Jezus werkelijk was: "Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard" (vers 34).
Met name de verwarring rond dit laatste punt zien we bij Johannes in de gevangenis post vatten. Daarom geeft ook hij zijn bevelen. Hij roept twee discipelen (waren het Johannes en Jacobus of twee andere van zijn discipelen die Jezus juist nog níet volgden?) en stuurt ze met deze brandende vraag naar Jezus. Hij brengt zijn vragen en twijfels aan het juiste adres. O, wat ben ik blij dat ik deze grote prediker hier zó aantref in de gevangenis. Ook hij kende momenten van twijfel en aanvechting. Wat is de satan juist ook in de afzondering listig en gemeen! Hoe goed is het om in tijden van aanvechting en twijfel contact te blijven houden met anderen die met je mee kunnen bidden en vechten. Hoe belangrijk is het dus échte geestelijke vrienden te hebben en niet alleen gezelligheidszoekers en lozepraatjesmakers als kring om je heen te hebben!

Wonderen werken nog geen geloof

"Als ik nou eens een briefje uit de hemel kreeg, dan, ja dan zou ik wel geloven." Ik vraag het me werkelijk af. Wonderen hebben niet per definitie het effect van geloof en bekering. Johannes hoorde (!) van Jezus werken. Dit betreft "wondertekenen of mirakelen", aldus de Kanttekeningen. Maar het zijn juist deze tekenen die Johannes aan het twijfelen brengen. Ze kloppen niet met het plaatje dat hij op zijn geestelijk netvlies had zitten.
Hij had het aldoor gehad over de Messias met de wan in Zijn hand en de bijl bij de wortels van de boom. Johannes leefde in de vaste overtuiging dat de Messias kwam afrekenen. En dat Hij de vrede, de shalom, kwam herstellen in Israël. Dan kon het niet anders of de Romeinen moesten er finaal aan. Ze zouden door diezelfde bijl in stukken worden gehakt. En ze zouden met Gods wan worden weggezeefd uit het verbondsvolk. De dorsvloer zou worden gezuiverd. En laten we wel zijn, daar was geen woord van gelogen, alleen … Johannes vergiste zich was in de tijd, in het moment.
Dat was ook niet zo vreemd, want sinds enkele eeuwen hadden de geestelijke leiders van het volk zulke dingen verkondigd. Daarom konden de farizeeën zo slecht geloven dat Jezus de Messias was. Hij klopte niet in hun plaatje. Ook bij de profeten ligt een deel van Johannes probleem. De meeste profeten zagen Christus' eerste en tweede komst in één moment samenvallen. Hun woorden waren zeker door de Heilige Geest geïnspireerd, maar satan had in de daarop volgende tijd zijn verderfelijk zaad van vertekening gestrooid: "Is het niet zo dat God gezegd heeft dat de Messias dit of dat zou doen en die of die gedaante zou hebben? Nou, wat zie je daarvan?"
De profeten en de ouden uit het Oude Testament hadden gezegd dat de Messias vrede zou aanbrengen. Maar Jezus geeft nota bene aan dat Hij níet gekomen is om vrede te brengen op de aarde, maar veeleer verdeeldheid.

Echter… een vraag stellen aan Jezus kan zomaar licht laten vallen op duistere plaatsen in het Woord. Let maar eens op wat er in de komende teksten gaat gebeuren. En ook Johannes mocht in al zijn aanvechting weten en ervaren dat hij vele musje te boven ging. Ook zijn haren waren allen geteld en de Vader ging hem weldra thuishalen. Inderdaad door een bijl- of zwaardslag. Zo hij gepreekt had, kwam hij aan zijn eind. Maar hij mocht ingaan in de vreugde zijns Heeren: "Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld" (Mattheüs 25 : 34b). Met de val van de bijl viel tegelijk het kwartje voor Johannes!

vrijdag 11 december 2015

Jezus bevestigt Zijn belofte exact


Op onze pelgrimstocht door het leven zijn er af en toe ontmoetingen die ons bemoedigen en het zicht op Thuis versterken.


"En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft. Zo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was; en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het op dezelve ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft."
Johannes 4 : 51-53a

In vers 47 en 49 zagen we dat Chûsas het woord 'afkomen' gebruikte. Dat heeft letterlijk de betekenis van naar beneden komen. Echter, Jezus ging niet mee naar beneden. Hij stuurde de man naar beneden en liet hem vergezeld gaan van Zijn Heilige Geest. De roeping van de man lag nog tot aan zijn sterven hier beneden. En dat geldt ook voor ons. Dat neemt niet weg dat Jezus ons bij tijden optrekt uit de diepten van dit aardse bestaan en ons even aan Zijn hart drukt, als voorproef van de eeuwige heerlijkheid. Een van die 'knuffels', met eerbied gesproken, ondervindt de man onderweg, terwijl hij de weg afdaalt van Kana naar Kapernaüm.

De volharding van vandaag

Toen God Abram riep uit Ur – en later uit Haran – gaf Hij hem slechts een bevel om te vertrekken. En hij ging, zonder iets te zien van waar God hem uiteindelijk zou brengen; geen idee waar hij uit zou komen en – naar ik vermoed – ook vast weleens twijfelend of het allemaal wel waar was wat hij had gehoord. Die reis duurde ettelijke jaren; wat een momenten zijn daarin geweest waar de satan had  kunnen binnendringen in het geloofsleven van Abram. De Bijbel zwijgt erover; stelt slechts dat hij volhardend doorreisde in het geloof, zonder de stad te zien of te kennen waarheen hij op weg was.
Deze hoveling Chûsas – laten we maar aannemen dat hij het is – wordt ook op pad gestuurd, zonder dat hij zekerheid heeft over de situatie van zijn lieve zoon. Er was nog geen WhatsApp, geen SMS of andere datacommunicatie om verbinding te hebben met het thuisfront. Hij had ook geen snelle Ferrari om zo snel mogelijk naar Kapernaüm te sjezen. Hooguit reed hij op een rijdier, maar dat is niet aannemelijk als we op de tijden letten die we lezen in de tekst. Want we lezen dat de reis van 25-40 kilometer nog niet ten einde is, als hij de volgende dag tijdens zijn afdaling zijn knechten tegenkomt, die inmiddels ook al een flink stuk hebben omhoog gelopen!
Tot dat moment moet zijn innerlijke gemoedsgesteldheid het doen met geloof, zonder aanschouwen. Het staat er slechts in een paar woorden, maar het is goed dat we daar even goed bij stilstaan. Herken je dat? Dat je niet kunt overzien waar het heen zal gaan in dit leven; dat het niet troost, wanneer je speculeert dat zekerheid misschien over een week, een maand of een jaar zal komen? Deze man heeft in onze ogen alles tegen qua religieusiteit ten opzichte van ons; maar hij mag een goed voorbeeld voor ons zijn. Hij gaat vandaag reeds in het geloof en de HEERE rekt die spanningsboog van dat geloof niet tot het oneindige op; luister maar.

De ontmoeting van morgen

Het is de andere dag. Hoe onwerkelijk zal de situatie in het hart van deze man zijn geweest. De herinnering aan het gesprek met Jezus, gisteren, ligt nog wel vers in zijn geheugen, maar met die herinnering moet hij deze morgen weer verder, op weg naar zijn jongen. Het verlangen naar huis maakt zijn voeten vaardig.
Hij heeft alweer enige tijd gelopen – is het een uur geweest of zijn het misschien wel vijf uren geweest? – als hij in de verte mensen ziet aankomen die hij kent. En wat meer, zij herkennen hem ook! Het zijn knechten uit zijn huishouding. Druk zwaaiend rennen ze de afstand tussen hun heer en zichzelf dicht. Wat kan dat betekenen? De man zal niet direct hun gezichten hebben gezien; het stralen van hun ogen was nog niet waarneembaar. Is het foute boel? Is zijn jongen tóch overleden… aanvechting en twijfel liggen zomaar op de loer, al lezen we er niets van!
Maar ze staan nog niet vlak voor hun heer, als hij al wel weet waarom ze hem tegemoet zijn gelopen: "Uw kind leeft!" Onwillekerug vraag je je af: waarom zijn deze knechten eropuit gestuurd? Want zij zullen niet zelf naar hun heer zijn gelopen; iemand moet hen hebben gestuurd. De jonge zoon? Of de moeder, Johanna? Ze hebben er bewust voor gekozen Chûsas niet langer in het ongewisse te laten. Daar spreekt liefde uit. Hij ging met zo'n bezwaard en bedroefd hart van huis! Nu willen ze hem zo snel mogelijk blij maken. De houding die je vandaag de dag nogal eens tegenkomt, "O, hij zal het vanzelf wel een keer horen", was hen vreemd. Ze waren dolgelukkig en wilden Chûsas er zo snel mogelijk in betrekken. Ze lijken wel op de herders die net uit de stal in Bethlehem komen. Of net als die vrouw uit de gelijkenis die haar penning weer gevonden had; of die herder, die zijn schaap had terug gevonden.

De bevestiging van gisteren

Al met al is er een dag verstreken. Het eerste dat Chûsas doet is vragen naar het tijdstip waarop de jongen is genezen. Zijn knechten weten het hem tamelijk precies te melden en terugrekenend concludeert hij dat die tijd exact overeenkomt met het moment waarop Jezus hem wegstuurde met de mededeling dat zijn zoon was genezen. Sterker nog: de knechten gebruiken dezelfde woorden als Jezus: "Uw zoon leeft!" (al noemen zij hem 'kind' in plaats van 'zoon'). Ze zeggen niet "uw kind is weer gezond", of "hij is weer beter geworden". Ook spreken ze niet over "hij is aan de beterende hand". De stelligheid waarmee Jezus' wonder wordt bekrachtigd is kenmerkend voor het werk van Christus. Geen half werk.
Met name die match met het tijdstip van de genezing is voor de man – wanneer hij werkelijk rentmeester Chûsas is – van doorslaggevend belang geweest. Het moet cijfermatig, exact kloppen. En het klopt! De man komt mij niet over als een zweverig gevoelsmens; meer als een rationele denker. Daarom is het eerste dat hij vraagt niet "Hoe is het gegaan?", maar "Om welke tijd werd mijn zoon gezond?".
De koorts was om zeven uur geweken; dat betekent volgens onze tijdsindeling: rond 13.00 uur. De man had Jezus dus midden op de dag ontmoet, net als die vrouw uit Sichar! Jezus werkt de hele dag! Op het snikheetste moment zelfs. Ik ga ervan uit dat de man niet direct is omgekeerd op dat snikhete moment, maar toch zal hij de vorige dag nog wel een uur of vier hebben kunnen lopen. Ik vermoed dat de knechten vrijwel direct na het wonder van de genezing zijn vertrokken; wellicht wilde Johanna het nog even afkijken, omdat zij niet kon begrijpen wat er zo opeens gebeurde met haar kind. Jezus was er immers nog niet en tóch werd haar zoon opeens gezond! Het leek haar een wonder buiten Jezus om; niets was minder waar.
Maar terugrekenend zullen ze dus vandaag hooguit een uur of twee hebben gelopen en elkaar ergens halverwege in de heuvels van Galilea hebben ontmoet. Merkwaardig dat ze elkaar tegenkwamen; ze moeten van elkaar geweten hebben welke weg gebruikelijk was. De HEERE brengt deze twee groepen reizigers met elkaar in contact en samen mogen ze genieten van de wonderen des HEEREN. Daarna mogen ze samenop naar huis wandelen!
Want Chûsas kon natuurlijk precies vertellen wat er was gebeurd, waardoor zijn zoon gezond was geworden. Zulke ontmoeten mogen er regelmatig zijn: pelgrims die elkaar onderweg spreken en geestelijke ervaringen mogen uitwisselen met elkaar, zodat soms de dingen weer op hun juiste plek vallen en ze goedsmoeds, toegerust mogen voortreizen naar Huis.

zaterdag 5 september 2015

Jezus is ons enige Redmiddel



"Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God."
Johannes 3 : 18

Hoe kan het zijn dat Jezus voortdurend van Zichzelf naar Zijn Vader wijst en toch deze woorden spreekt in de tekst die vandaag voor ons ligt? Johannes de Doper wees van zichzelf af en riep: "Zie het Lam Gods." Jezus sprak legt voordurend uit dat Hij er niet is voor Zichzelf, maar voor de eer van Zijn Vader én om Zijn Vader aan ons te openbaren. Zijn die dingen in tegenspraak? Moet ik in Jezus geloven of in God de Vader?

Jezus en God de Vader

Inderdaad is Jezus Degene Die laat zien Wie Zijn Vader is. Hij vestigt de aandacht niet op Zichzelf. Er is een voortdurende band tussen Hem en de Vader. Hij verheerlijkt Zijn Vader op aarde, maar Zijn Vader verheerlijkt Hem in de hemel. En af en toe onderstreept de Vader dit ook op aarde. Denk maar aan de geschiedenis van de doop van Jezus of de geschiedenis op de berg der verheerlijking. Daar laat de Vader hoorbaar merken dat Hij een enorme vreugde in Zijn Zoon schept, omdat Die Hem verheerlijkt en aanprijst op de aarde. Ja, omdat Die eindelijk doet, wat wij mensen hadden moeten doen: God grootmaken. Die band met de Vader prijst Jezus ook aan ons aan. Wij moeten weer in het reine komen met God en… dat kan: door Jezus!
In Johannes 5 vers 19 zegt Jezus iets wonderlijks: "De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen." Alsof Hij toch niet helemaal God is… Niets is minder waar. Hij wil echter niets anders doen dan wat Zijn Vader doet. Zo één wil Hij met Zijn Vader zijn en blijven. En daarin tekent Hij ons het prototype van al Gods kinderen. Herken je je in die profielschets?

De Joden en God de Vader

De Joden meenden, door Mozes strikt te volgen en de wet uiterst serieus te nemen, dat zij verbonden waren met God in het verbond dat Hij met hun volk sloot. Wat God met het verbond bedoelde was verworden tot een warboel aan wetticisme en eigenwillige godsdienst. Zij meenden dus ook dat er maar één God is en waren blind voor het bestaan van de Zoon en de Heilige Geest. Maar wie geen band met de Zoon en met de Heilige Geest heeft, heeft ten diepste ook geen band met de Vader. Hij volgt God slechts op slaafse wijze maar niet als kind. Talloze keren heeft Jezus daarop gehamerd.
In datzelfde hoofdstuk 5 van het Johannesevangelie zien we dat de Joden Jezus probeerden te doden; eerst vanwege het feit dat Hij een mens op de sabbath had genezen. Dat was voor hen heiligschennis van het sabbathsgebod, dus was Jezus in hun ogen een oproerige zondaar. Maar toen Hij even later zei dat Zijn Vader ook werkt op de sabbath, lezen we: "Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende." Het was voor hen onbestaanbaar dat Jezus de Zoon van God is. En daarmee distantieerden zij zich van zowel het feit dat zij bekering nodig hadden als van het feit dat ze juist deze Jezus nodig hadden om werkelijk kind van God te worden! Jezus wees hen in Johannes 8 op een enorm probleem: "Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet." Hij rekende het hen fel aan dat zij God helemaal niet tot een Vader hadden; ze hadden de satan tot een vader en immiteerden díe. Dat is waarachtig een schokkende boodschap!


De discipelen en God de Vader

Ook de discipelen konden het nog niet allemaal op een rijtje krijgen, al was Jezus' oordeel over hen veel milder, want Hij zegt: "Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Johannes 14:1). Op Judas na, had Hij in hen het leven gewekt en konden zij naar waarheid (al was het nog onder een deksel) zeggen dat ze kinderen van de Vader waren. Het prachtige hieraan is dat zij dus op 'één lijn' stonden met Jezus: ze waren beiden kind van God de Vader.
Meer dan eens vertelde Jezus aan hen dat ze door Hem met de Vader waren verbonden. En ook tegen andere discipelen, ja ook tot de schare zei Jezus dat ze Hem nodig hadden, wilden ze tot de Vader kunnen komen. Aldoor stelt Jezus Zichzelf niet in het middelpunt, maar… is Hij de verbindende schakel tussen mensenharten en Gods hart. Denk maar aan al die bekende teksten als "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven", "Ik ben het Brood des Levens", "Ik ben de deur (!)" en "Ik ben de Ware Wijnstok". Daarmee is Hij het Middel om verbonden te zijn met God de Vader.
Jezus is het enige Redmiddel dat ons verlost van het komende Oordeel. Wie in Hem gelooft zal niet meer worden veroordeeld. Daar staat Hij borg voor! Let erop dat dat in de tegenwoordige tijd staat. Dat betekent dat we nú reeds deelgenoot van zijn, ook al moet het Oordeel nog komen, hét testmoment waarop definitief zal blijken dát Hij het toereikende Redmiddel is.
Maar ook het andere deel van onze tekst staat in de tegenwoordige tijd! Wie níet gelooft in de Zoon, die ís (nu reeds) veroordeeld. Zijn leven manisfesteert zich en ontwikkelt zich onder de vloek. Nou, daar zijn dunkt me de voorbeelden legio van in het leven van alle dag. Als je de verbondenheid met de Vader niet kent, niet dagelijks gemeenschap met Hem oefent, dan is je leven min of meer samen te vatten als een last, een zwaar en altijd weer tegenvallend gebeuren. Het leven valt altijd tegen, omdat het ons niet biedt wat het belooft. Geluk is vluchtig, pret is van korte duur, genieten wordt al snel weer overwoekerd door jaloezie en ontevredenheid. We worden voortgedreven door een tomeloze en rusteloze drang naar nieuwe uitdagingen en nieuwe avontuurtjes.
Daarentegen de levende relatie met God de Vader is een bloem die steeds verder openbloeit. En… om die bloem telkens weer vol in kleur te zetten, voluit tot bloei te brengen en ook vruchtdragend te laten zijn, is er naast het hoorbare Woord van God ook het zichtbare en tastbare Woord van God, de dienst der sacramenten, om ons zwakke geloof te versterken. Wie in de Zoon gelooft heeft niet alleen toegang tot de Tafel, maar die heeft het ook keihard nodig. Elke keer weer. Daar ondervinden we nog eens extra onderstreept de gemeenschap met God, de hernieuwde verzekerdheid van het geloof. Daar leven we op en daar teren we op… totdat Hij komt!

zaterdag 27 juni 2015

Komt eruit wat erin zit?

"En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht. 
En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet."
Genesis 4 : 3-4a

Vroeg of laat komt eruit wat erin zit, zegt men vaak. Ik betwijfel of dit altijd zó opgaat als hoe men het stelt. En ik twijfel ook, wanneer er iets negatiefs uitkomt, of dat er altijd zó onderhuids heeft gezeten. Er zijn gevallen waarin er karaktertrekken ontstaan die we nog niet kenden of vermoedden. Wat jaloezie losmaakt of wat macht met mensen doet, kan soms een raadsel voor hen zijn. Natuurlijk is alles te verklaren vanuit de erfzonde en is het nog een zegen van genade dat er niet uitkomt wat er aan zonden kunnen zijn. Maar sommige omstandigheden veranderen een mens en maken hem tot een raadsel voor zijn omgeving en voor zichzelf.

Hoe goed was Abel?

Vandaag komen we de beide broers tegen op hun werkterrein. Hoe voeren ze hun werk uit? Beiden hebben een seizoen van hard werken achter de rug en willen de HEERE danken voor Zijn zegeningen. Het is geweldig mooi, wat we lezen bij Job, dat hij voor zijn kinderen offert en bidt, omdat ze mogelijk zondigden tijdens het feestvieren. Maar dit, wat we lezen over de kinderen van Adam en Eva is mooier. Kaïn en Abel hebben zich hun godsdienstige opvoeding eigen gemaakt en offeren nu zelfstandig aan de HEERE. Dat moet een verheugend beeld zijn geweest voor vader Adam en moeder Eva.
Zou Eva diep van binnen misschien meer blij zijn geweest over Kaïn dan over Abel? Van Abel lag het zo in de lijn van hoe en wie hij was. Maar dat ze daar Kaïn ook uit zichzelf God ziet aanbidden en offeren, is dat misschien voor haar toch bijzonderder? Een moeder voelt aan als haar kind innerlijk andere neigingen heeft en keuzes maakt. Als je merkt dat het niet van zelfsprekend is dat je eigen kind de HEERE ook dient, net als jij, dan baart dat zorg en vult dat je gebeden. En als je dan toch ziet dat je kind uit eigen beweging de HEERE een offer wil brengen, kan dat verbazingwekkend verblijden.
Over Abel maakte ze zich veel minder zorgen. Er waren zoveel meer momenten, waarop hij blijk gaf van zijn liefde tot de HEERE. De vragen die hij stelde, de keren dat hij zijn hart luchtte en sprak over wat de HEERE hem had laten zien en horen. Hij hoefde nooit aangespoord te worden tot de dienst aan de HEERE. Bij al dat goede bouwde Abel ook meer goodwill bij zijn ouders, ter compensatie voor de momenten waarop hij toch in zonde viel. Misschien was Abel wel net zo'n jongen als Jozef of Daniël, waarover je eigenlijk maar weinig zondigs leest. Een zegen voor zijn ouders, maar… wel een vertekend beeld van de werkelijkheid van doorsnee kinderen. Ze vormen namelijk helaas uitzonderingen. Ook bij Abel moeten Adam en Eva iets hebben herkend van hun eigen zondeval. Natuurlijk zullen ze hun kinderen gewaarschuwd hebben voor de valkuilen waarin zij zelf vielen, maar er zijn nog zoveel meer valkuilen. Niet in de laatste plaats in het godsdienstige zelf.
Na de preek van vanmorgen over Saulus van Tarsen, moest ik aan diens ouders denken. Wat zullen ze blij zijn geweest over zijn toegewijdheid aan de dienst van de HEERE. Hij was echt een Hebreeër uit de Hebreën, naar de ijver der wet een farizeër; een zoon waarmee je in de kerk voor de dag kunt komen. Voor je het weet een zoon, waarmee je als ouders iets wordt en die zo niet meer voldoende en objectiefwordt bekeken, gestimuleerd en gecorrigeerd. Waar ouders gerust zijn over hun kind, dreigt een levensgroot gevaar dat kinderen met open ogen een verkeerde weg inslaan. Het gevaar van 'veilige scholen', 'veilige jongerenavonden uit eigen kring', 'veilige vrienden' en 'veilige lectuur'.
Hoe Abel is opgevoed vertelt de Bijbel ons niet. Of Adam en Eva hem kritisch ter zijde stonden, weet ik evenmin. Maar bij alles wat we van Abel lezen, moet worden gezegd dat hij buiten het paradijs was geboren en het wonder van Gods Geest in hem niet was te danken aan zijn inspanning en geestelijke geaardheid. Daarentegen was dit offeren voor Abel wel een heel vanzelfsprekende zaak geworden. Hij had geleerd hoe de HEERE gediend wilde worden, door de inscherpende werking van opvoeding en Gods Geest. Het dankoffer dat Abel bracht was, getuige Gods oordeel, een eerbiedige erkentenis van eigen onwaardigheid en diepe vreze des HEEREN. Hij had God lief met een volkomen hart. Gods offers zijn een gans verbroken hart door schuld en genade getekend.

Hoe slecht was Kaïn?

Om maar direct met de deur in huis te vallen, Kaïn was niet slechter dan Abel en Abel was niet beter dan Kaïin. Ik denk dat psychologen een aardig rapport zouden kunnen schrijven over Kaïn en zijn ontwikkeling. Hij groeide op als oudste in het gezin. Moest daarom ook de meeste verantwoordelijkheid dragen en moest die vooral ook al heel vroeg dragen. Hij moest het goede voorbeeld zijn voor de kinderen die na hem werden geboren. Althans, dat is de valkuil in veel gezinnen vandaag de dag en dat hoor ik ook van veel gezinnen uit de generaties voor ons. De cultuur in het oosten was daar in zekere zin ook debet aan, omdat de oudste ook het grootste deel van de erfenis kreeg. Veel oudste zonen zetten het bedrijf van hun vader voort. Of dat ook in het gezin van Adam en Eva zo was, weet ik niet. Er was voor hen nog geen draaiboek over opvoeding. Er was geen vergelijkingsmateriaal met andere gezinnen. Zij moesten het doen met én wat God in hen had overgelaten na de zondeval én wat zij biddend van de HEERE als leiding en advies kregen.
Kaïn – zo vermoed ik uit onze tekst – gaf het goede voorbeeld aan Abel, want er staat dat Kaïn offerde en dat Abel 'ook' offerde. Kaïn gaf het gewenste goede voorbeeld. Nu zou de HEERE toch wel extra blij met hem zijn, zoals zijn ouders ook extra blij met hem zijn, wanneer hij een goed voorbeeld aan de andere broers en zussen geeft. En daar gaat het mis.
De HEERE oordeelt anders dan wij mensen; ook wij als ouders. In dat oordeel werkt de HEERE ook opvoedend. En nu is het de vraag, in het vervolg van de geschiedenis, wat Kaïn daarmee doet. Voor nu is belangrijk te stellen dat beide broers offerden van hun eigen oogst. Het probleem zit hem niet in de dingen die werden geofferd, maar in de selectie ervan en het hart erachter. Dat zal blijken. Er staat dat Kaïn, net als de oudste zoon, netjes volgens de regels offert, maar dat Abel iets extra toevoegt: "van de eerstgeborenen van zijn schapen en hun vet". Dat laatste kan letterlijk 'vet' betekenen, maar het betekent hier vrijwel zeker 'het beste'. En dat kon zowel gelden van dieren als van gewassen. Dus het zat nogmaals niet in wát ze offerden, maar hoe zorgvuldig ze het beste voor de HEERE uitkozen. Later zal de HEERE daarop wijzen als Hij instructies geeft voor de offerdienst in de tabernakel.
In zeker zin zit er een verband tussen Kaïn en Annanias en Zaffira. Of in ieder geval tussen Kaïn en de oudste zoon uit de gelijkenis. Kaïn deed zijn ding, godsdienstig. En daarmee was de kous af. Abel was niet zo snel klaar. En… dat zullen we in de volgende verzen lezen, de HEERE verdoemt Kaïn daarmee niet, maar Hij wijst hem en zijn offer af. Er breekt een leermoment aan; de HEERE laat hem merken dat Hij Kaïn niet alleen nauwlettend in de gaten houdt, maar ook tot rede wil brengen en terug wil roepen. Maar intussen is er iets binnengeslopen in Kaïn. Hij werd niet gewaar dat hij naakt was, zoals zijn ouders dat merkten, maar hij werd gewaar dat hij erbuiten stond. En dat zette kwaad bloed. Net als bij Saul, die merkte dat de HEERE met David was en niet met hem; in zijn beleving was er maar één oplossing: David moest dood. En Kaïn?
En jij, als je merkt dat je hart nog buiten de zegen van de HEERE staat? Wat doet het met je, als je anderen de HEERE met vrucht ziet dienen, terwijl het bij jou koud en leeg blijft? Sla je de Bijbel dan maar dicht en doe je net alsof God niet bestaat? Stop je met de dienst aan Hem, omdat je denkt toch niet aan de juiste verplichtingen te kunnen voldoen? Of roep je tot de HEERE net als Bartimeüs: "Jezus, Gij Zone Davids, ontferm u over mij!" Doe vooral dat laatste, want als de HEERE je van je erbarmelijke staat wil overtuigen, dan wil Hij je juist terugroepen naar Zijn Vaderhart. Geloof je dat?