Posts tonen met het label Kapernaüm. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kapernaüm. Alle posts tonen

donderdag 9 februari 2017

Jezus claimt satans terrein

"En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar […] En als de zon onderging, allen die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, brachten die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op en genas dezelve."
Lukas 4 : 39a en 40

Als de zon ondergaat en de duisternis aanbreekt is er juist werk aan de winkel voor Jezus. Hoewel Hij oproept om te werken zolang het dag is, is Hijzelf 24/7 bereikbaar!


Ik ben iemand die vaak ergens een plaatje bij probeert te hebben. Soms zie ik – geholpen door mijn fantasie soms – tijdens een preek zomaar voor me hoe een en ander is gegaan. Dat levert soms ook vragen op, die anderen niet direct hebben. "Hoe was dan dit…?" "En vind je het niet raar dat …?" Of: "Dat moet toch enorm dit of dat zijn geweest voor de mensen die erbij stonden?"

Vandaag probeer ik een plaatje te krijgen van de Heere Jezus Die aan het werk is. Hoe deed Hij dat en wat gebeurt hier nu eigenlijk 'achter' deze ogenschijnlijk dorre opsomming van dingen die Jezus' deed. Er vallen mij een paar dingen op; en een van die dingen lezen we al in het vorige vers. Ik werd getriggerd door het 'boven' in vers 39 en het 'onder' in vers 40. Jezus staat niet zomaar aan een ziekbed, maar Hij staat er letterlijk en figuurlijk boven. Immers… Hij is nooit ziek geweest. Hij heeft enkel onze 'krankheden' op Zich genomen. Hij stond er toch boven. Hoewel… we lezen er eigenlijk nergens over, maar als Hij ook gestorven is, zou Hij dan ook weleens verkouden zijn geweest? Misschien vind je dat een rare vraag, maar er staat in de Bijbel dat Hij in alles ons gelijk werd, in alles is verzocht geweest, maar nooit 'in zonden' is gevallen. Dat is wat anders dan 'nooit ziek zijn'. Immers, Hij was ook weleens moe, verdrietig en angstig?! Hmm een gedachte voor nader onderzoek. Nú richt ik mij enkel op hóe Jezus te werk ging.

Jezus' werkhouding

Zoals gezegd beginnen we met iets dat bij me bleef haken in vers 39. Hij stond 'boven' de zieke. De Kanttekeningen wijzen op Jezus' houding: met Zijn hoofd over de zieke gebogen om haar aan te spreken. Dat is vreemd. Immers in de tekst staat dat Hij niet de zieke, maar de ziekte bestrafte en dus aansprak. Dat is trouwens wel iets waar we voortdurend op moeten letten. Jezus leert ons de ziekte, de zonde, in de ander te bestraffen, maar niet de persoon zelf te verwerpen. Paulus spreekt over een geestelijk strijd (foutieve meningen, dwalingen, ketterijen en kwalijke houdingen en visies) en niet een strijd tegen vlees en bloed (mensen en groeperingen).
Jezus stond 'boven' de ziek(t)e en gaf daarmee ook Zijn machtspositie aan. De ziekten raakten Hem niet lijfelijk, maar innerlijk. Het was de puinhoop die wij mensen ervan gemaakt hebben, terwijl de schepping juist Gods eer en glorie moest bedoelen. Wij maakten door de zonde een karikatuur van de Schepper. Begrijp je dat? Als iemand naar de schepping keek, dan wist hij of zij hoe de Schepper was. Zoals wij naar Jezus kijken en dan weten hoe Zijn Vader is. Wij kennen God de Vader door Zijn Zoon. Wij kennen God de Schepper door Zijn schepping. Maar dat laatste schept een misvormd beeld! Daarom staat Jezus daar ook geestelijk 'boven', zodat Hij dat beeld weer kan herstellen. Op dát punt was Hij ons niet gelijk. Dat moeten we ook altijd weer scherp hebben. Want anders gaan we Jezus imiteren met allerlei genezingscapriolen. Als wij de gave van genezing ons toeëigenen zonder dat we door Hem boven de ziekte zijn gesteld, dan lopen we het risico dat die ziekte (of satan) ons zal vernietigen; denk aan de zonen van Sceva. En wat voor beeld van God laten we dán achter?

Jezus' werktijd

Jezus werkte op de sabbath. Want Hij zei dat de rustdag er voor de mens was en niet de mens voor de rustdag. Zoals zondekennis geen doel in zichzelf is, maar tot Christus moet UIT-leiden, zo moet ook de rustdag geen doel in zichzelf zijn, maar tot God UIT-leiden. Dat 'UIT' gebeurt ook letterlijk in onze tekst. Mensen gaan uit hun sabbat-confortzone en komen tot Jezus. Echter… let eens op de tijd, wanneer ze dat doen!
Er staat heel zorgvuldig bij 'als de zon onderging'. Dat luidde namelijk het einde van de sabbat in. Verplaats je even in die doodzieke personen; die moesten maar ff hun … ophouden. Wet is wet; regel is regel. Niet op de sabbath! Maar zodra de zon ondergaat, komen de Kapernaümmers in actie en brengen hun geliefde zieken bij Jezus. Want ja, als Jezus een duivel (de aanjager van ziekten en de dood) de baas is, dan is Hij dus ook satans werktuigen de baas: de ziekten zelf. Nu is dat een prachtig beeld: de zieken bij Jezus brengen. Daarin worden we ook gestimuleerd tot voorbede voor elkaar, als er ziekte en nood is. Je kunt zeggen: dat is het beste dat je doen kunt. Maar ik wil er ook op wijzen dat deze mensen het met verwachting deden. Wat voor soort verwachting het dan ook was, ze verwachtten écht iets van Jezus, omdat ze eerder die dag Zijn almacht hadden gezien. En – dat zal tot ergernis van satan zelf zijn geweest – misschien dat de mensen wel zijn aangespoord door het 'evangelie van satan'! Wat zeg je nou? Ja. Want wat riepen die duivelen? "Ik ken U Wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods." Daar vergaloppeerde satan zich. Hij had krijsend Jezus op afstand willen houden, maar daarmee dreef hij de mensen juist dichter naar Jezus toe. Zijn diabolistisch werk brak hem bij de handen af. Gaaf om dat te zien, vind je niet? En dat juist op het moment dat de zon onder ging, toen de duisternis (symbool van satans heerschappij) leek in te zetten! Jezus werkt altijd… in het licht van de dag en in het duister van de (geestelijke) nacht.

Jezus' werkwijze

Tot slot nog iets over de manier waarop Jezus te werk gaat. Je kunt die zieke mensen als gewone patiënten zien, maar dat is wel wat oppervlakkig. Jezus had satan weggestuurd, de deur gewezen. En… satan ging! Maar betekende dat dat zijn rijk dus verbroken was? Probeerde satan niet per direct om zijn macht te claimen? Daarom moeten we in al die ziekten die bij Jezus worden gebracht ook de illustraties zien van satans claim op zijn territorium. Jezus was uit Zijn territorium (de hemel) gekomen en had Zich bewogen op vijandelijk terrein. De dictatuur van satans regime liet zich niet zomaar wegsturen. Akkoord, hij vertrok op staande voet, toen Jezus hem gebood te verdwijnen. Maar vertrekken is nog geen capitulatie.
Zie ze komen: die kranken die met verscheidene ziekten bevangen waren. Wie brengen hier die zieken? Letterlijk uit de tekst genomen zijn dat de mensen die 'kranken hadden', dus een vader die een doodziek of gehandicapt kind had, de man die een vrouw had die na haar zoveelste bevalling verlamd was geraakt, of een tienerzoon die zijn vader al was verloren en een moeder had die blind was; noem maar op… Al die mensen komen met hun zieke geliefden.
Maar is dit ook niet een demonstratie van die uitgeworpen duivelen? Zo van: "U kunt ons wel willen uitdrijven, maar kijk eens hoeveel macht wij toch nog hebben!" Als we deze zieken niet in dat perspectief zien, staren we ons alleen blind op 'gewone' patiënten; hooguit slachtoffers. Hier is meer aan de hand. De satan wil zich handhaven. Een les voor vandaag, waarin mensen neigen naar genezing met het wapen van het gebed. Wat is het dat we willen bestrijden? Wat is het waartoe wij dan geroepen worden? Is het de ziekte-uitdrijving of is het het gebed dat een wapen is? Het laatste woord zal er nog niet over gezegd zijn, maar men toch vaak vooral bezig met symptoombestrijding (de ziekte) en veel minder met de aanpak van de oorzaak (de zonde).
En Jezus? Laat Hij Zich afpoeieren? Hij legde ze de handen op (zoals Hij dat ook bij de weggestuurde (let op die woordspeling) kinderen deed) én geneest ze. Lees: geneest ze volkomen én allemaal. Zou je deze Jezus niet volgen? Zou Hij geen zeggenschap over jouw hele leven mogen hebben? Als Hij jouw leven regeert vindt er genezing plaats; heelheid, volkomenheid en reinheid. Wat een contrast met Zijn tegenstander, onder wiens bewind jij en ik zijn geboren. Het moet er van komen, die machtswissel. Maar wat een voordelen heeft het!

dinsdag 7 februari 2017

Koortsachtig of Koortsvrij?

"En Jezus opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar. En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonden aan opstaande, diende henlieden."
Lukas 4 : 38-39

Jezus bestraft de koorts zoals Hij de verkopers in de tempel bestrafte: "Jullie ontheiligen Mijn Vaders huis!" Tegen de koorts heeft Hij wellicht gezegd: "Jij koorts, jij ontheiligt Mijn Vaders schepping!"

Het lijkt alsof er iets totaal nieuws gebeurt. De eredienst op de sabbath is afgelopen. Nieuw hoofdstuk. Maar let erop dat het nog steeds sabbath is, als Jezus de synagoge verlaat en met Petrus meegaat. Gisteren las ik ergens iets over Petrus die Jezus al vanuit Nazareth zou zijn gevolgd. Het lijkt haast alsof hij Jezus 'mee op de koffie' heeft gevraagd uit de kerk. Ken je dat? Een stel of een alleenstaande/alleengaande meenemen voor een goed gesprek over de preek. Of over andere geestelijke zaken die in de gemeente spelen of in het persoonlijk leven. Een goede gewoonte.
Maar… als Petrus al die tijd Jezus zou zijn gevolgd (we weten het immers niet zeker) dan liep hij aldoor met die zorg voor zijn schoonmoeder in zijn achterhoofd. Meer aannemelijk is dat Petrus naar de synagoge is gegaan om Jezus op te wachten. Wat een hoop moet die man gekregen hebben toen hij meemaakte dat Jezus een duivel uitwierp! Als Jezus een duivel het zwijgen kon opleggen, dan zou hij toch zeker de zware koorts van zijn schoonmoeder kunnen wegnemen, nietwaar?

Opnieuw een bestraffing

Jezus woonde al een week of langer in Kapernaüm. En Petrus' schoonmoeder lag niet in haar eigen huis, maar in Petrus' woning op bed. Petrus is volgens mij de enige van wie we weten dat hij getrouwd was (geweest) toen hij Jezus’ discipel werd. Was hij weduwnaar? Of liet hij zijn gezin lange tijd alleen, terwijl hij met Jezus het land doortrok? Ik las deze dagen het boek over ds. Laurus Boone die een hele stapel gemeenten tegelijk moest bedienen in Zeeland en het grootste deel van de week op pad was om de mensen te bezoeken. Hij liet ook zijn vrouw en kinderrijke gezin achter. Er waren er meer – oefenaars en predikanten – die zo dagen aaneen van huis waren voor het Koninkrijk van God.
Dat is toch niet normaal, was de eerste reactie die in mij opkwam. Maar toen ik bedacht dat heel veel vaders ook lange tijd van huis zijn, in het buitenland zitten voor zaken, en hun vrouw met de kinderen achterlaten, dacht ik: waar kun je dan beter mee bezig zijn? Zijn al die zakenreizen wel echt zo nodig?
Toen ze het huis binnenkwamen stonden er mensen om het bed van 'oma'. Ze was doodziek. Toen ze Jezus zagen, bogen ze zich ootmoedig voor Hem neer en vroegen hem: "Ontferm U over haar, Heere!" Streek Jezus over het lichaam? Smeerde Hij slijk over haar? Zalfde Hij haar met olie? Nee. Net als in de synagoge sprak Hij slechts één machtswoord. In de tekst staat dat Hij de ziekte bestrafte. Nu niet tegen een duivel; hoewel… Onder de foto schreef ik: Jezus bestraft de koorts zoals Hij de verkopers in de tempel bestrafte: "Jullie ontheiligen Mijn Vaders huis!" Tegen de koorts heeft Hij wellicht gezegd: "Jij koorts, jij ontheiligt Mijn Vaders schepping!"

Nu een andere reactie

Opnieuw een wonder in Kapernaüm. De dokters hadden hun pogingen gestaakt en de familie op het ergste voorbereid. Er was geen hoop meer. Maar toen kwam Jezus. Eén woord van de Meester en … de zieke is genezen. Niet half, niet een beetje, maar totaal!
En als het ware zit je al te wachten op het refrein: "En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht…" en "Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt, en zij varen uit?" Wat is dat toch met die Jezus uit Nazareth? Praatjes op de straatjes van Kapernaüm, opnieuw? Nee…
Een nieuw couplet zet zich in: "…de koorts verliet haar; en zij van stonden aan opstaande, diende henlieden"! Een dienst van dankbaarheid aan Jezus. Een dankoffer. Wat een verschil met die Rumormill die onderwijl door het dorp waardt! Want ja, dat gaat tegelijk door. Terwijl Petrus' schoonmoeder Jezus dient, kwebbelen talloze praatzieken in Kapernaüm over dat wonder in de synagoge. Wat een wereld van verschil.
Jezus' bestrafte eerst de satan zelf. Nu bestraft Hij de gevolgen van de zonde. Er komt een moment dat Hij Zijn jongeren zal bestraffen omdat ze te weinig geloof hebben en zelfs niet met Hem kunnen waken. De kring sluit zich steeds verder. Maar … met als doel het behoud van zondaren. Als je dat doel uit het oog verliest, zie je enkel het wonderteken, dat een illustratie moest zijn bij Jezus' werkelijke 'reisdoel' vanuit de hemel.
Dat 'uit het oog verliezen' kan zich uiten op verschillende manieren. Maar de grote overeenkomst is dat je Jezus' woorden hoort, Zijn wonderen ziet, maar Hem niet dient! Ben je nog koortsachtig bezig om dikke verhalen over Jezus te vertellen of… ben je 'koortsvrij' gesproken door Hem? Neem dan een voorbeeld aan Petrus' schoonmoeder, daar in dat huisje in Kapernaüm.

vrijdag 20 januari 2017

Waarom bang voor Jezus?

"En er kwam een verbaasdheid over allen, en zij spraken tezamen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit?"
Lukas 4 : 36
Angst is een slechte raadgever. Angst verwachten we in de nabijheid van satan, maar niet in Jezus' aanwezigheid. Hoe komt het dat de mensen in Kapernaüm bang worden als Jezus een duivel uitdrijft?

Waarom willen mensen Jezus een wonder zien doen en zijn ze vervolgens bang als Hij dat doet? Waarom toont God Zijn almacht aan mensen, die daar zogenaamd op zitten te wachten, en gaan zij vervolgens aan het redeneren of dat nou wel écht Gods werk was of hun eigen inbeelding? Waarom zitten mensen op een bericht uit de hemel te wachten en horen zij elke zondag 'gewoon' Gods stem, maar blijven zij toch in duisternis zitten terwijl ze mokken: "Het zal nog wel niet Gods tijd zijn om mij te bekeren. Dan blijf ik nog maar eerlijk onbekeerd."
Mijn moeder had altijd een uitdrukking, wanneer ik iets zocht dat gewoon vlak voor me lag, maar ik keek er stomweg overheen: "Ik zocht naar het paard en ik zat erop." Grappig gezegde voor slechte zoekers. Maar in geestelijk opzicht zitten er wat een mensen in de kerk te wachten op iets dat al lang is gebeurd en voortdurend gebeurt! Net als de Joden wachten op de komst van de Messias, Die nu al ruim 21 eeuwen geleden ís gekomen! Veel kerkmensen verschillen niet zo veel van de Joden.
De rijke man werd door Abraham in de hemel vermaand, na zijn vraag: "Nee, maar als er nou iemand uit de doden zou opstaan, Lazarus bijvoorbeeld, dan zou mijn familie het wel geloven!" Abraham zei: "Dan zullen ze nog niet geloven. Ze hebben Gods Woord en daar moeten ze het mee doen. Zelfs als er een engel uit de hemel voor hen zou staan, zullen ze nog niet genoeg overtuigd raken van wat het Woord helder en duidelijk zegt." Mensen zoeken naar het 'paard', het bovennatuurlijk of hyperspirituele of overbevindelijke, maar ze 'zitten' er gewoon op. Of eigenlijk… ze zitten eronder: het Woord ís Gods stem. Geloof het Woord; geloof God op Zijn Woord!

Bang voor Jezus' werken

Dat woord 'verbaasdheid' in onze tekst brengt nogal wat onduidelijkheid te weeg. Iemand die wij verbaasd zien kijken, trekt zijn wenkbrauwen op en staart ongelovig naar iets of iemand, waarvan hij niet kan geloven dat hij het goed ziet of hoort. Verbaasd kun je zijn over iemand die zegt niet te zullen komen en toch opeens voor je deur staat. Verbaasd kun je zijn over de boodschap dat je je diploma niet hebt gehaald, hoewel je nog wel dacht dat je de examens goed had gemaakt. Verbazing is in onze begrippen een reactie van verrassing (aangenaam of onaangenaam) bij processen die anders lopen dan verwacht.
Nu komen er in het Nieuwe Testament drie woorden voor 'verbaasd zijn' voor:
  1. ektham'beo - schrik aanjagen, verschrikken, verdoofd van schrik;
  2. enne'os - stom, met stomheid geslagen, sprakeloos van schrik;
  3. tham'beo - ontsteld zijn, verbazen, schrik aanjagen, bang zijn.
Dat laatste woord wordt in onze tekst gebruikt en komt van thambos dat verstomming, ontzetting en verbazing betekent. Dat is niet zomaar een verbaasde blik, zo van: "Nou zeg, dat is ook wat!" De schrik slaat hier mensen om het hart. Wat gebeurt hier?! Mensen zijn in één klap uit hun comfortzone. Ja, dat is typisch Jezus' manier van werken. En als je dat niet fijn vindt, moet je vooral ver bij Hem vandaan blijven.
Je ziet dat de mensen in de tekst ook doen. Ze gaan tegen elkaar praten, om dat nare, onrustige gevoel maar snel kwijt te raken. "Wat is dit? Hij zei niets spectaculairs, maar toch ging die boze geest met de staart tussen de benen weg! Snap jij dat nou?" Dit hebben ze nog nooit gezien. Ik vermoed dat ze weleens vaker een duiveluitdrijving hebben meegemaakt, maar dan zoals dat heden ten dage ook wel voorkomt, met veel tumult en kabaal, geschreeuw en geweld. Niet zoals hier bij Jezus: één woord slechts. "Eén woord van de Meester…", zong Esther Tims:

de mensen verdringen zich
de kinderen wringen zich
erdoor om vooraan te kunnen staan
de spanning trilt hier in de lucht
overal gaat het gerucht
de Meester komt eraan
 
en een man aan de kant van de weg gezet
verstoken van 't licht van de zon
hij hoorde:"'t is Jezus van Nazareth
en hij schreeuwde zo hard als hij kon
Jezus, Jezus help mij
Jezus, Jezus help mij
 
de mensen bestraften hem
spreek niet met zo'n luide stem
stil en hou je fatsoen
maar hij riep des te harder
en toen Jezus hem naderde
zei Die: wat zal Ik doen
 
en de man langs de kant van de weg gezet
hij gooide zijn mantel opzij
liep tastend naar Jezus van Nazareth
klampte zich vast en hij zei;
Meester Meester dat ik ziende word
Meester Meester dat ik ziende word
 
één woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en ik kan zien
één woord van de Meester
één wonder mischien
één woord was voldoende
en hij kon zien
 
ben je ooit als een ding aan de kant gezet
en is jou het licht niet gegund
als je hoort: daar is Jezus van Nazareth
roep dan zo hard als je kunt:
Jezus, Jezus help mij
Jezus Jezus help mij
 
één woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en je zult zien
één Woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en je zult zien

Bang voor Jezus' woorden

"En God sprak en het was er", lezen we in het Scheppingsevangelie (Genesis 1). Geen der elementen kende angst. Ze kwamen niet als gedweëe slaven tevoorschijn, of als dode machines op commando. O, ik had erbij willen zijn, toen God de Zoon schiep: "Bloemen!" En plots verschenen er kleurige stipjes op de grauwe aarde, werden bergen bekleed en ingekleurd als bij toverslag. Eén woord van de Schepper! En niet te vergeten al die diertjes. Man, al die kleuren bedenken… dat gaat toch je verstand te boven?! Ja, wij kennen de kleuren en weten precies wat de lichtfrequentie is van paars of van oranje, maar bedénken van kleuren is nog wel wat anders. Uit het niets kleur bedenken, vormen bedenken, materie bedenken, leven bedenken, emotie, klank en smaak bedenken. En nergens bespeur ik angst in die vers-geschapen wereld. Het staat er te pronken tot Gods eer, glunderend er te mogen zijn!
Maar hier herschept Jezus een zieke ziel tot een gedienstige geest en een bevrijd lichaam. En er komt angst, onrust en verwarring. Waarom? Probeer daar eens over na te denken: waarom ontstaat er verwarring?
In de vorige Bijbelstudie wees ik op die bezetene in Gardara, waarin een overvloed aan duivelen zat. Die vroegen, toen Jezus hen wilde uitdrijven, of ze in die groep varkens mochten varen; toen Jezus dat toestond daverde de hele kudde de vernietiging in. Geen rituele slachting, maar een duivelse vernietiging van het geschapene. Dood, dood, dood en kapot moet alles! Dat is het keurmerk van de firma Hel, die wordt gerund door CEO satan.
Maar, zo zei ik in die vorige Bijbelstudie, hier wordt satan gemuilband en weggestuurd. En zonder commentaar vertrekt hij ook. Of… fungeren deze luisteraars in de synagoge als een soort kudde, waarin satan vaart? Paniek, verwarring, angst, ontsteltenis; de bangheid slaat hen om het hart. 'Angst is een leugenaar' staat er op de plaat bovenaan deze Bijbelstudie. En leugens komen bij de vader (de bedenker of de bron) der leugens, de satan, vandaan. Angst is wezensvreemd aan God de Vader, aan Zijn Zoon én aan Zijn Geest.
Er werd iets gezocht in die woorden van Jezus. En de mensen zaten er niet ver naast. Waardoor komt het toch dat Jezus met zoveel macht spreekt? De duivel was voor hen altijd al een te machtige vijand geweest. Vijanden konden soms met angst vervullen, maar… ze wisten zich als Gods Verbondsvolk toch altijd sterker. Maar satan, dat is een ander verhaal! En nu komt er Een uit Nazareth nota bene, Die met één scheppingswoord (en zonder veel poespas) satan de deur wijst!
Gek genoeg zou hen dat blij moeten maken, voor de man in kwestie als ook voor henzelf. Maar… er ontstaat angst en onrust. Het werk – let er maar op in het vervolg van de geschiedenis – van Jezus wordt beredeneerd.
Misschien moest er op die muur in de plaat hierboven staan: "Redeneren is liegen"; het is Gods werk proberen te vatten in je eigen piepkleine verstandje. En dat maakt angstig; omdat het kinderlijk vertrouwen weg is en je er koste wat het kost een labeltje aan wilt hangen. Zo van: kijkt dat is het, zo zit het! Geloof is van een heel andere orde. Moet je eens over nadenken als je weer in de kerk zit te luisteren naar de preek! Of als je zelf Gods Woord leest en overdenkt.

zaterdag 10 december 2016

Kijk naar jezelf, dominee!

En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees Uzelven; al wat wij gehoord hebben dat in Kapérnaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland.
Lukas 4 : 23

Er zit een verschil tussen 'je woorden op een goudschaaltje wegen' en 'te werk gaan als een olifant in een porceleinkast'; luisterend naar de verrassende wending in Jezus' preek vraag ik me op voorhand af waar de balans tussen die twee uitersten hier is én of Jezus' opmerking wel iets met die balans te maken heeft


Stel dat jouw predikant zo zou preken; of dat een gastpredikant dit vanaf de preekstoel zou zeggen tegen jullie als gemeente! Jezus zet de dingen op scherp; en met reden. Maar… zou een predikant dat in onze dagen ook kunnen doen, zonder een golf van kritiek over zich heen te krijgen? Zou hij niet met zulke woorden een knuppel in het hoenderhok gooien, wanneer hij vermoedde dat er wrijvingen in de gemeente bestonden? Zou hij niet worden weggezet als een olifant in de porceleinkast?

De vraag is: kijken we echt naar zo'n toneel, hier in de synagoge te Nazareth? Daagt Jezus Zijn luisteraars uit met deze onverwachte wending? Juist, nu Hij merkt dat er een reactie ontstaat op Zijn woorden? En waar daagt Hij hen dan toe uit? Ik ga het me afvragen en er eerst over nadenken, voor ik verder schrijf…

Jezus verongetwijfelt

Het is een dag later en ik heb van alle kanten tegen deze tekst aangekeken. Hij blijft weerbarstig. Al direct in die eerste woorden: "Ongetwijfeld zullen jullie met dit spreekwoord aan komen zetten…" Er zijn communicatietechnieken die dit helemaal geen goede gesprekshouding vinden. Je lijkt al op voorhand in de slachtofferrol te kruipen. Of – en dat kan ook – je sluit al op voorhand de deur naar openheid. Inderdaad kan ik mij irriteren aan mensen die in hun gesprekken herhaaldelijk zeggen: "Je zult wel denken…" Alsof een medemens mijn gedachten kan lezen. Maar ja… hier is niet alleen een Medemens, hier is ook God Zelf aan het Woord!
Jezus’ conclusie lijdt geen twijfel. Hij gebruikt het woord 'ongetwijfeld'. In Zijn geval – en we moeten dat niet klakkeloos nadoen – kende Hij de harten van de mensen vóór Hem. Hij wist dat ze Zijn afkomst niet konden plaatsen; laat staan Zijn exegese over Zichzelf vanuit de profetieën.
Echter, we moeten ook het bredere verband van de tekst in ogenschouw nemen. Want Jezus doelt vanuit de profetie van Jesaja op iets dat onderhuids in Nazareth 'zeurde'. Overal leek Jezus wonderen te toen, maar in Zijn 'vaderland' wonderen doen: ho maar!
Jezus kende dit gerucht en deze onvrede en gaat het aan de kaak stellen. Om er vervolgens duidelijk bij te krijgen waarom men dat vond. Was men bezorgd over de ongenezen zieken in Nazareth, die Jezus ook had moeten genezen; dus het heil van zwakken? Of de sensatie van publiek over bijvoorbeeld een illusionist of goochelaar. Om er dan vervolgens grijzend bij te zeggen: "Ja, dat kan Hij wel, hè?! Hij komt uit ónze stad! Nazareth of all places! Lang zo gek nog niet; jullie met je Galilea der heidenen! Jezus? Zijn moeder woont hier schuin achter in het huisje dat nog van een tante van mijn schoonmoeder is geweest." 'The rumormill' draait op volle toeren in Nazareth en het chauvinisme druipt er vanaf.

Jezus spreekwoordelijkt

Jezus’ woorden zijn niet bedachtzaam, maar ferm. Niet voorzichtig, maar doeltreffend kernachtig. Dat spreekwoord trekt vervolgens onze aandacht. Het gaat over een dokter en een zieke. Het staat niet los, op zichzelf. Het is geen losse flard, maar haakt terug op de Schriftlezing van daarnet: "De Geest des Heeren […] heeft Mij gezonden […] om te genezen…"
Maar bedoelden ze nu: "Wij hebben geen genezing nodig; genees Uzelf!"? Of bedoelden ze: "U mag eerst wel eens bij Uzelf beginnen!"? Dat laatste zou een variant zijn op de splinter en de balk. Het eerst is eerder een 'Vrede, vrede en geen gevaar'-syndroom. 
Nou, wat zoekend in verklaringen krijg ik toch vooral Johannes 1:11 als kern mee: "Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen." Hier kwam Hij 'letterlijk' tot het Zijne, Zijn dorpsgenoten. Maar niet minder in breder verband kwam Hij tot het Zijne. Immers, de mens was door Hem geschapen (Genesis 1) en gemaakt naar Zijn beeld. Hier zeggen zondaars nog "genees Uzelf"; later zullen duivelen krijsen: "komt Gij ons pijnigen vóór de tijd?" In die zin is het spreekwoord dat Jezus gebruikt nog mild. 
Een hoofdstuk verder zal Jezus een soortgelijk spreekwoord gebruiken, wanneer de farizeeën mopperen op Jezus als Hij omgaat met zondaren: "Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn." Hoe zeer is dit ook het commentaar dat christenen door de eeuwen heen kregen en krijgen, wanneer zij wezen en wijzen op volkszonden en misstanden in de kerk. De zonden aanwijzen wordt vaak geassocieerd met 'beter zijn dan'. Je mag pas een eerste steen werpen als je zelf zonder zonden bent. David en Eli hebben zo menigmaal op die wijze gehandeld: ze dachten terug aan hun eigen zonden en bestraften daarom hun kinderen maar niet. 
Maar Jezus wijst ons een treffelijker weg. We moeten juist wel wijzen op misstanden; zwijgen is pas een zonde! Niet vanuit een hooghartige, arrogante houding, maar wel eerlijk en radicaal; op z'n Johannes de Dopers! Vanwege die bijl en de wortel.

Jezus ontchauvinismeert

Direct stoot Jezus door naar de zure ondertoon van het gevoelen in Nazareth. Het onderhuidse is jaloezie over de wonderen die Jezus altijd weer elders en niet in Zijn Eigen stad doet. "Al wat wij gehoord hebben dat in Kapérnaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland." Ze kunnen het maar moeilijk verkroppen dat Jezus Kapernaüm als Zijn woonplaats heeft gekozen. Ze blijven zich beroepen op het feit dat Nazareth Jezus' 'vaderland' is en blijft. Hier is Hij opgegroeid; Hij hoort bij hen (tot op zekere hoogte dan; alleen in Zijn successtories).
Een merkwaardige vorm van chauvinisme; ongezond zelfs. Het riekt er naar dat zij iets met 'hun Jezus' willen worden. Zoals sportverdwaasden op straat roepen – nadat hun favoriete ploeg heeft gewonnen – "Wij hebben gewonnen!" Ze hebben er zelf geen vinger voor verroerd, maar het voelt lekker, dat wij-gevoel. Totdat… hun favoriete club verliest. Dan roepen ze: "Zij hebben verloren!"
Chauvinisme ontstaat lang niet altijd in een tijd van grote bloei. Het is veeleer een symptoom van minderwaardigheidsgevoelen. En door maar heel hard te roepen dat je ondanks alles de beste bent – en kleine meevallers uitvergroot tot mega-successsen – kweek je een gevoel van suprioriteit.
Maar chauvinisme staat juist haaks op Jezus’ grondwet. In Zijn Koninkrijk is de minste de meeste, de laatste de eerste (en andersom). Daar worden mensen nooit wat, maar wordt God Zelf álles en in allen!
Christenen zijn vreemde gasten en bijwoners hier op aarde. Ze geven hoog op over hun hemels vaderland. Een vaderland dat ze nog nooit hebben gezien, maar waar ze met een groot verlangen naar uitkijken. En waarvan ze geloven en weten dat het nooit zal tegenvallen, maar altijd nóg mooier, heerlijker en grootser zal zijn dan ze ooit durfden te dromen.
Voor echte christenen hoeft Jezus helemaal niet persé hier in 'hun' vaderland grote wonderen te doen (het zou natuurlijk wel mooi en heerlijk zijn; dat wel); zij kunnen al genieten van Jezus' wonderen aan de andere kant van de wereld. Juist in die landen, waarin mensen hun leven riskeren en tóch tot geloof in Jezus Christus komen. Ze genieten van de voorgang van Gods Koninkrijk, ondanks marteling en verdrukking. Ze zijn zielsblij als mensen tot geloof komen (ook dichtbij gelukkig, in de eigen kerkelijk gemeente), omdat er een onpeilbare grotere blijdschap in de hemelen is voor elk mens dat tot geloof komt. Daarom! Heerlijk toch, dat er in Kapernaüm zulke wonderen gebeuren?

dinsdag 15 december 2015

Een driedubbel wonder in het tweede teken

Rondom het Meer van Galiléa spelen zich veel voorvallen met Jezus af.
Kapernaüm (Capernaum) was jarenlang zijn woonplaats.

"En hij geloofde zelf en zijn gehele huis.
Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judéa in Galiléa gekomen was."
Johannes 4 : 53b-54

Goed kijkend naar de tekst valt mij iets op. Er wordt gesproken over een 'tweede teken'; dat betekent dat er dus ook een 'eerste teken' was. En het woordje 'wederom'; Jezus deed opnieuw een teken in Galiléa, nadat Hij Judéa achter Zich liet. Lees ik dat goed? Betekent dat iets belangrijks? Laten we eens gaan kijken.

Tweede teken, eerste wonder: de genezing

Dit 'tweede teken' blijkt volgens deze geschiedenis, te bestaan uit drie wonderen. Allereerst wordt dus gesproken over 'dit tweede teken'. Wat is het eerste teken geweest? Wel, dat was de verandering van water in wijn op de bruiloft te Kana. De vraag is: waarom wordt dit zo specifiek verteld? Naar mijn weten worden nergens wonderen of tekenen opgeteld. Er wordt ook niet doorgeteld, al zijn er uitleggers die dat wel doen; zij zien in die 'tekenen' die Jezus doet een betekende lijn (die tekenen vertellen samen dus een verhaal).
Dit is wat ik tegenkwam op oudesporen.nl Ik geef er direct bij aan, dat dit dicht bij inlegkunde komt; toch is het wel goed hier notie van te nemen en zo de tekst nog eens te bekijken.

Overzicht van de acht tekenen
  1. Water in wijn veranderd (Joh. 2:1-11): Overvloed van vreugde na het herstel van Israëls relatie met Jahweh in de eindtijd.
  2. Genezing van de zoon van een (Romeinse) hoveling (Joh. 4:46-54): Herstel van een gelovige rest (ook uit de volken), redding van de dood en nieuw leven door het geloof in Jezus’ woord.
  3. Genezing van een man die 38 jaar lang ziek was geweest (Joh. 5:1-18): De macht van de Zoon om levend te maken wie Hij wil, en dat tegenover de krachteloosheid van de wet die door bemiddeling van engelen was gegeven.
  4. Spijziging van de vijfduizend (Joh. 6:1-15): Christus, het ware manna, is het brood uit de hemel dat eeuwig leven geeft aan een ieder die gelooft. Hij is ook de Messias, die de armen van Zijn volk met brood verzadigt (Ps. 132:15).
  5. Jezus loopt op de zee (Joh. 6:16-21): Christus is de Meester van de stormen van de eindtijd, en Hij brengt de Zijnen veilig aan land.
  6. Genezing van de blindgeborene (Joh. 9): De Messias opent de ogen van het blinde volk, opdat zij Zijn heerlijkheid zien en Hem aanbidden (Jes. 35:5).
  7. Opwekking van Lazarus (Joh. 11:1-44): Herrijzenis en herstel van geheel Israël in de eindtijd (Ezech. 37; Dan. 12; Rom. 11:25vv.).
  8. Tweede wonderbare visvangst (Joh. 21:1-14): Een grote menigte uit de volkerenzee wordt ook gered en in het Vrederijk ingevoerd
Wat je hiervan ook vindt, feit is dat er in onze tekst wordt gesproken over 'tweede teken' en niet over 'tweede wonder'. Ik citeer opnieuw die bijbelstudie van Hugo Bouter, die uitlegt wat het verschil is tussen wonder en teken:
"Alle tekenen zijn tegelijkertijd ook wonderen, d.w.z. bovennatuurlijke werkingen van Gods macht. Het gaat hierbij om het opzienbarende effect dat wonderen hebben op degenen die ze waarnemen. Maar niet alle wonderen zijn tegelijk ook tekenen, want de Bijbel koppelt bijzondere lessen aan de tekenen. Er ligt specifiek onderwijs opgesloten in de tekenen, want er worden geestelijke lessen door meegedeeld. Bij de tekenen die in het evangelie naar Johannes beschreven worden, is dit heel duidelijk het geval en is er naast het bovennatuurlijke karakter en de werking van Gods macht steeds een speciale ‘be-teken-is’ op te merken.

De beperkte selectie van tekenen die in dit evangelie zijn beschreven (acht in totaal), heeft als doel dat wij zouden geloven ‘dat Jezus de Christus is, en dat wij gelovend het leven hebben in Zijn naam’ (Joh. 20:30-31). Het gaat steeds om wonderwerken die:
(1) de godheid van Christus onderstrepen,
(2) Zijn heerlijkheid openbaren,
(3) opdat wij door het geloof in Hem en in Zijn werk het eeuwige leven ontvangen.

Tweede teken, tweede wonder: de bekering

Binnen dit tweede teken gebeuren er een aantal dingen. De gezondmaking van de zoon van Chûsas is eigenlijk nog maar het voorportaal van het grote wonder dat daarop volgt: de bekering van Chûsas' hart. De HEERE had, zo zagen we al eerder, de ziekte van de jongen gebruikt om Chûsas bij Hem te krijgen. In een andere bijbelstudie las ik iets dat met nog niet was opgevallen: Jezus had dertig jaar in Nazareth gewoond en toen Hij op Zichzelf wilde gaan wonen, koos Hij Kapernaüm uit. Let erop: dat was ook de woonplaats van Chûsas! Al die tijd had Jezus vlakbij gewoon, maar nu loopt Chûsas de weg van Kapernaüm naar Kana om Jezus om genezing te vragen! Er was dus al 'voorwerk' gedaan door de HEERE. En Chûsas wachtte niet tot Jezus weer thuis was. Het feit dat Jezus juist in Kana was, zou de herinnering aan het eerste teken dat Hij deed kunnen hebben veroorzaakt. Wie weet dat hij zelfs dacht dat, als Jezus dáár is, gebeuren er wonderen; daar moet ik dus bij zijn!
Het verzoek om de genezing van zijn zoon had echter veel ingrijpender consequenties. Zijn hele leven zou veranderen, meer nog dan de gezondheid van zijn zoon. En niet alleen werd Chûsas bekeerd, ook zijn gehele huis(gezin) werd gelovig en diende de HEERE. Net als bij Lydia in Filippi en ook de stokbewaarder daar. En ik vermoed ook bij Cornelius. Wat een enorm wonder. Hier mag een vreemdeling uit de heiden (althans vermoedelijk is hij een Romein). Eerst geloofde de vrouw uit Sichar 'en heel haar stad', nu gelooft een hoveling aan het hof van Herodes 'en heel zijn huis'.
En dan te bedenken dat Jezus daar na verloop van tijd weer vlakbij in de stad gaat wonen. Wat is het heerlijk in de nabijheid van de Heere Jezus te verkeren. Pas na je bekering ga je de diepe waarde daarvan zien en ervaren. Ik snap wel dat Johanna Jezus is gevolgd naar Jeruzalem. Ze wilde net als Maria Magdalena de Heere Jezus vlakbij haar houden. En samen met nog enkele vrouwen zorgden ze voor Hem, onderweg, zodat Hij alle tijd voor de dienst aan Zijn Vader kon hebben. Wat moet dat Jezus goed hebben gedaan. Wat jammer dat de Roomse Kerk deze vrouwen tot half-goddelijk heeft verheven. Het was 'slechts' "al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus".

Tweede teken, derde wonder: de lokalisering

Er is nog iets wonderlijks in onze dagtekst. Dit tweede wonder deed Hij opnieuw, toen Hij in Galiléa aankwam, nadat Hij Judéa achter Zich gelaten had. Dat woordje 'wederom' vind ik op een opmerkelijke plek staan. Er staat niet enkel dat Hij een wonder deed, maar dat Hij dat 'opnieuw' deed toen Hij Judéa verwisselde voor Galiléa. Wat kan dat betekenen?
In Judéa had Hij misgunning ervaren en rivaliteit. Zijn tijd was nog niet gekomen en de akker van het geloof was er alles behalve toebereid. Je zou nog kunnen denken dat Hij dit tweede teken op de weg vanuit Judéa naar Galiléa deed, nadat Hij het eerste teken in Sichar had gedaan; dus twee tekenen op dezelfde weg naar Galiléa. Maar dat betekent het niet. Het is een herhaling van een eerder teken.
Was dat dan het teken in Kana? Inderdaad. Voorafgaand aan het verhaal van de bruiloft in Kana (Johannes 2) lezen we in Johannes 1 dat Jezus discipelen uitkiest. En dan lezen we dit in vers 44: "…des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galiléa, en vond Filippus…" Later zal Hij ook Nathanaël vinden die zo stellig zei: "Kan uit Nazareth (lees Galiléa) iets goeds komen?" Ja, daar kon zeker iets Goeds uit voort komen. Nadat Jezus Zijn goddelijke almacht had getoond, door hem te zeggen dat Hij Nathanaël al had gezien, nog voordat Filippus hem riep, nam Hij hem mee op zijn reis naar… Galiléa. Kom dan maar, Nathanaël en zie dat uit Galiléa iets Goeds kan komen. Hij nam hem en de andere discipelen mee naar die bekende bruiloft en toonde hem dat eerste teken van Zijn almacht.
En nu, opnieuw na een reis vanuit Judéa naar Galiléa, toont Hij hem het tweede teken van Zijn almacht. "Opdat gij gelovende het leven hebt!" Kan uit Galiléa iets goeds komen? In ieder geval is uit Judéa niet veel beters te verwachten. Jezus stelt hier Zijn 'geboortegrond' tegenover Zijn 'jeugdomgeving'. En hier prefereert Hij nog tot het uiterste dat verachte Galiléa. Maar laten ze daar niet prat op gaan! Want weldra zullen ze Hem uit de synagoge gooien en gooien ze de deur naar Zijn hart bijna dicht! "En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden!" Hij was gezonden tot het volk dat in duisternis wandelde, opdat het het grote Licht zou zien, maar het heeft niet gewild. Wat een waarschuwing! Zo dicht bij en toch zo ver af!

vrijdag 11 december 2015

Jezus bevestigt Zijn belofte exact


Op onze pelgrimstocht door het leven zijn er af en toe ontmoetingen die ons bemoedigen en het zicht op Thuis versterken.


"En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft. Zo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was; en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het op dezelve ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft."
Johannes 4 : 51-53a

In vers 47 en 49 zagen we dat Chûsas het woord 'afkomen' gebruikte. Dat heeft letterlijk de betekenis van naar beneden komen. Echter, Jezus ging niet mee naar beneden. Hij stuurde de man naar beneden en liet hem vergezeld gaan van Zijn Heilige Geest. De roeping van de man lag nog tot aan zijn sterven hier beneden. En dat geldt ook voor ons. Dat neemt niet weg dat Jezus ons bij tijden optrekt uit de diepten van dit aardse bestaan en ons even aan Zijn hart drukt, als voorproef van de eeuwige heerlijkheid. Een van die 'knuffels', met eerbied gesproken, ondervindt de man onderweg, terwijl hij de weg afdaalt van Kana naar Kapernaüm.

De volharding van vandaag

Toen God Abram riep uit Ur – en later uit Haran – gaf Hij hem slechts een bevel om te vertrekken. En hij ging, zonder iets te zien van waar God hem uiteindelijk zou brengen; geen idee waar hij uit zou komen en – naar ik vermoed – ook vast weleens twijfelend of het allemaal wel waar was wat hij had gehoord. Die reis duurde ettelijke jaren; wat een momenten zijn daarin geweest waar de satan had  kunnen binnendringen in het geloofsleven van Abram. De Bijbel zwijgt erover; stelt slechts dat hij volhardend doorreisde in het geloof, zonder de stad te zien of te kennen waarheen hij op weg was.
Deze hoveling Chûsas – laten we maar aannemen dat hij het is – wordt ook op pad gestuurd, zonder dat hij zekerheid heeft over de situatie van zijn lieve zoon. Er was nog geen WhatsApp, geen SMS of andere datacommunicatie om verbinding te hebben met het thuisfront. Hij had ook geen snelle Ferrari om zo snel mogelijk naar Kapernaüm te sjezen. Hooguit reed hij op een rijdier, maar dat is niet aannemelijk als we op de tijden letten die we lezen in de tekst. Want we lezen dat de reis van 25-40 kilometer nog niet ten einde is, als hij de volgende dag tijdens zijn afdaling zijn knechten tegenkomt, die inmiddels ook al een flink stuk hebben omhoog gelopen!
Tot dat moment moet zijn innerlijke gemoedsgesteldheid het doen met geloof, zonder aanschouwen. Het staat er slechts in een paar woorden, maar het is goed dat we daar even goed bij stilstaan. Herken je dat? Dat je niet kunt overzien waar het heen zal gaan in dit leven; dat het niet troost, wanneer je speculeert dat zekerheid misschien over een week, een maand of een jaar zal komen? Deze man heeft in onze ogen alles tegen qua religieusiteit ten opzichte van ons; maar hij mag een goed voorbeeld voor ons zijn. Hij gaat vandaag reeds in het geloof en de HEERE rekt die spanningsboog van dat geloof niet tot het oneindige op; luister maar.

De ontmoeting van morgen

Het is de andere dag. Hoe onwerkelijk zal de situatie in het hart van deze man zijn geweest. De herinnering aan het gesprek met Jezus, gisteren, ligt nog wel vers in zijn geheugen, maar met die herinnering moet hij deze morgen weer verder, op weg naar zijn jongen. Het verlangen naar huis maakt zijn voeten vaardig.
Hij heeft alweer enige tijd gelopen – is het een uur geweest of zijn het misschien wel vijf uren geweest? – als hij in de verte mensen ziet aankomen die hij kent. En wat meer, zij herkennen hem ook! Het zijn knechten uit zijn huishouding. Druk zwaaiend rennen ze de afstand tussen hun heer en zichzelf dicht. Wat kan dat betekenen? De man zal niet direct hun gezichten hebben gezien; het stralen van hun ogen was nog niet waarneembaar. Is het foute boel? Is zijn jongen tóch overleden… aanvechting en twijfel liggen zomaar op de loer, al lezen we er niets van!
Maar ze staan nog niet vlak voor hun heer, als hij al wel weet waarom ze hem tegemoet zijn gelopen: "Uw kind leeft!" Onwillekerug vraag je je af: waarom zijn deze knechten eropuit gestuurd? Want zij zullen niet zelf naar hun heer zijn gelopen; iemand moet hen hebben gestuurd. De jonge zoon? Of de moeder, Johanna? Ze hebben er bewust voor gekozen Chûsas niet langer in het ongewisse te laten. Daar spreekt liefde uit. Hij ging met zo'n bezwaard en bedroefd hart van huis! Nu willen ze hem zo snel mogelijk blij maken. De houding die je vandaag de dag nogal eens tegenkomt, "O, hij zal het vanzelf wel een keer horen", was hen vreemd. Ze waren dolgelukkig en wilden Chûsas er zo snel mogelijk in betrekken. Ze lijken wel op de herders die net uit de stal in Bethlehem komen. Of net als die vrouw uit de gelijkenis die haar penning weer gevonden had; of die herder, die zijn schaap had terug gevonden.

De bevestiging van gisteren

Al met al is er een dag verstreken. Het eerste dat Chûsas doet is vragen naar het tijdstip waarop de jongen is genezen. Zijn knechten weten het hem tamelijk precies te melden en terugrekenend concludeert hij dat die tijd exact overeenkomt met het moment waarop Jezus hem wegstuurde met de mededeling dat zijn zoon was genezen. Sterker nog: de knechten gebruiken dezelfde woorden als Jezus: "Uw zoon leeft!" (al noemen zij hem 'kind' in plaats van 'zoon'). Ze zeggen niet "uw kind is weer gezond", of "hij is weer beter geworden". Ook spreken ze niet over "hij is aan de beterende hand". De stelligheid waarmee Jezus' wonder wordt bekrachtigd is kenmerkend voor het werk van Christus. Geen half werk.
Met name die match met het tijdstip van de genezing is voor de man – wanneer hij werkelijk rentmeester Chûsas is – van doorslaggevend belang geweest. Het moet cijfermatig, exact kloppen. En het klopt! De man komt mij niet over als een zweverig gevoelsmens; meer als een rationele denker. Daarom is het eerste dat hij vraagt niet "Hoe is het gegaan?", maar "Om welke tijd werd mijn zoon gezond?".
De koorts was om zeven uur geweken; dat betekent volgens onze tijdsindeling: rond 13.00 uur. De man had Jezus dus midden op de dag ontmoet, net als die vrouw uit Sichar! Jezus werkt de hele dag! Op het snikheetste moment zelfs. Ik ga ervan uit dat de man niet direct is omgekeerd op dat snikhete moment, maar toch zal hij de vorige dag nog wel een uur of vier hebben kunnen lopen. Ik vermoed dat de knechten vrijwel direct na het wonder van de genezing zijn vertrokken; wellicht wilde Johanna het nog even afkijken, omdat zij niet kon begrijpen wat er zo opeens gebeurde met haar kind. Jezus was er immers nog niet en tóch werd haar zoon opeens gezond! Het leek haar een wonder buiten Jezus om; niets was minder waar.
Maar terugrekenend zullen ze dus vandaag hooguit een uur of twee hebben gelopen en elkaar ergens halverwege in de heuvels van Galilea hebben ontmoet. Merkwaardig dat ze elkaar tegenkwamen; ze moeten van elkaar geweten hebben welke weg gebruikelijk was. De HEERE brengt deze twee groepen reizigers met elkaar in contact en samen mogen ze genieten van de wonderen des HEEREN. Daarna mogen ze samenop naar huis wandelen!
Want Chûsas kon natuurlijk precies vertellen wat er was gebeurd, waardoor zijn zoon gezond was geworden. Zulke ontmoeten mogen er regelmatig zijn: pelgrims die elkaar onderweg spreken en geestelijke ervaringen mogen uitwisselen met elkaar, zodat soms de dingen weer op hun juiste plek vallen en ze goedsmoeds, toegerust mogen voortreizen naar Huis.

woensdag 9 december 2015

Worstelen voor het behoud van je kind

Op deze reliëfkaart van Israël kun je zien dat Kana (Cana) beduidend hoger lag dan Kapernaüm (Capernaum),
hemelsbreed ruim 25 kilometer van elkaar verwijderd; dit voor de beeldvorming bij het tekstgedeelte van vandaag.

"En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.
Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem,
dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.
Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.
De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft."
Johannes 4 : 46b-49

De koninklijke hoveling – laten we hem voor het gemak maar Chûsas noemen – kwam met een dringend en dwingend verzoek bij Jezus. Zijn kind – later zal blijken dat het een zoon was – is stervende. Wat lopen we hard als één van onze kinderen ernstig zie is. Het drukt op ons, als hun gezondheid in gevaar is. Maar hoe zit het met onze zorg om hun geestelijke gezondheid? Want al onze kinderen liggen op sterven (ze zullen eenmaal, en wie weet hoe snel al) moeten sterven; zijn ze bereid om Jezus te ontmoeten? Is hun leven in Zijn hand geborgen?

Een noodkreet

De zieke zoon – hoe oud zal hij geweest zijn? – blijkt met de beste medicijnen niet te genezen. De vader van deze jongen is vast en zeker goed bemiddeld, maar geld baat niet. Zullen de ogen van Johanna haar man hebben gesmeekt af te reizen naar Kana? Zullen de koortsige ogen van de jongen zijn vader gesmeekt hebben naar die grote Medicijnmeester te vluchten?
Zacheüs wilde Jezus ook eens graag zien, maar schaamde zich voor de mensen op straat; daarom klom hij in een vijgeboom. Deze man is er eentje van de hofhouding van de collaborateur Herodes. Mensen zullen vast wel misprijzend naar hem hebben gekeken. 
Een tijd geleden had een overste over honderd uit datzelfde Kapernaüm Jezus ook al eens geroepen voor zijn doodzieke knecht (Mattheüs 8 en Lukas 7); toen waren de overpriesters zelfs nog voor de man in de bres gesprongen bij Jezus: "Hij is waardig, dat Gij hem dat doet; want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd." Zeker was daar voor hen bijzonder veel voordeel bij, dat deze overste zou worden geholpen. Het lijkt erop dat Chûsas een stuk minder populair was tot dit moment.
Na al die denkbeeldige drempels te zijn overgegaan, komt hij dan eindelijk bij Jezus en smeekte Hem dat Hij zijn zoon zou genezen. Die andere hoofdman uit Kapernaüm had benadrukt dat Jezus niet onder zijn dak behoefde in te komen: "Spreek slechts één woord en mijn knecht zal genezen." Zou Chûsas daar iets van hebben meegekregen? Toch vraagt hij – op het risico af dat zijn zoon het niet zou overleven – dat Jezus met hem meegaat naar zijn huis. Er is niettemin haast geboden. Een noodkreet… wat zou dat doen bij Jezus?

Een loze kreet

"Komt allen tot Mij…" heeft de Heiland eens gezegd. Een uitnodiging dat de deur altijd open staat. Bij Hem vind je een luisterend oor. Maar kijk eens naar Jezus' gezicht! Hij kijkt de schare rond, nadat Chûsas zijn noodkreet heeft geuit: "Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven." De Kanttekeningen geven deze tekstverwijzing door uit 1 Korinthe 1, waar we in vers 21-24 lezen:
"Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven; overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods."
De begeerte om iets bijzonders mee te maken beperkt zich eigenlijk niet alleen tot de Joden. Dat zit ons – zeker als we gevoelsmensen zijn – allemaal wel in het bloed. Terwijl de nuchtere Griek – de wat meer filosofische en rationele mens – het pas accepteert, als hij het begrijpen kan. Wat een sta-in-de-wegs! Jezus spreekt over 'tekenen' en 'wonderen'. Teken is een woord dat staat voor 'een gebeurtenis die zo bijzonder, buiten het normale, geschiedt dat het iets bovennatuurlijks duidelijk maakt' of 'een duidelijk teken waardoor je kunt weten dat God dit wil of doet' en wonder betekent 'voorteken' of 'wonderlijke verrichting door iemand'. Die woorden lijken elkaar te overlappen, maar er zit denk ik wel een bepaalde nuancering in deze twee woorden. Vooral het woord 'teken' legt duidelijk ene link met God. Jezus moet eigenlijk bewijzen met deze dingen dat Hij God is.
Het is niet duidelijk of Jezus dit tegen Chûsas zegt, of juist tegen de omstanders, of allebei.
En ik denk dat ik er niet ver naast zit dat het jou en mij meer dan eens is overkomen dat we ook door dit soort begeerten worden overmand en een teken, een briefje uit de hemel, begeren. Juist als het gaat over toekomende dingen. Ons werk, onze gezondheid, ons geestelijk leven en de verdieping daarvan; maar zeker ook de zorgen rond de zielen van onze kinderen of ouders of broers en zussen.
Geloven moet het zonder tekenen en wonderen kunnen. Maar is het Avondmaal er niet een teken van dat de HEERE weet heeft van de zwakheid van ons geloof: daar krijgen we tekenen 'voorgeschoteld' zodat we kunnen smaken en tasten dat het écht waar is!
De woorden van Jezus klinken hier wel als een verwijt; de roep om wondertekenen is ten diepste een loze kreet. Het gaat ons in dat geval om de tekenen op zich en niet om de betekende zaak! Het Avondmaal echter is een liefdevolle neerbuiging van God naar ons zwakke hart. En dat teken mogen we dankbaar gebruiken!

Een hartekreet

Terug naar Chûsas; "Heere, kom af, eer mijn kind sterft!" Het is niet alleen het feit dat zijn zoon ziek is, waardoor hij de druk op Jezus opvoert, maar vooral het feit dat er haast geboden is. "Kom toch snel, voordat mijn kind sterft!" Bedenk daarbij dat de loopafstand meer dan 25 kilometer was!
"Kom af…" (kata'baino): 'naar beneden komen' (die woord wordt wel gebruikt voor hemelse wezens die naar de aarde afkomen); 'gezonden worden' of 'terneer geworpen worden in de diepste toestand van ellende en schande'. Chûsas zal dat laatste er zeker niet bij hebben bedacht, maar het eerste waarschijnlijk wel. De hoogteverschillen in het landschap zullen ervoor gezorgd hebben dat Chûsas sprak van 'afkomen', vanwege dat Kana wellicht een stuk hoger lag dan het bij de zee gelegen Kapernaüm (zie het kaartje bovenaan).
Toch is een vraag aan Jezus om mee te komen vanuit Hem gezien ook een 'afkomen'; Hij moet zich vernederen om bij mensen te komen. En hóe heeft Hij dat gedaan, door te worden geboren in een beestenstal. Hij daalde af in ons menselijk vlees, vanuit Zijn hemelse heerlijkheid. "Daal neer, HEERE, in ons door de zonde verworden bestaan. Kyrie eleison: Heere, ontferm U onzer!"
We weten dat Christus wederkomt. Opnieuw zal Hij neerkomen naar ons (en wij Hem tegemoet…) De kerk roept in toenemende mate: "Kom, Heere Jezus, ja kom haastig!" Maar bij die diep doorleefde uitroep bidt ik toch ook: "Heere, kom af in het hart van mijn kinderen, eer ze sterven!" Vul maar in, wie jij op het oog hebt, die nog gered moet worden. Misschien dat ene kind, die ene zoon, die geestelijk op sterven ligt, met de eeuwigheid voor ogen… Schijnbaar onbereikbaar. "Daal, o Heilige Geest, af in hem, eer mijn kind sterft!" Een hartverscheurende hartekreet in het zicht van de Jongste Dag.

maandag 7 december 2015

De pijn als je geliefden niet geloven

Galilea; we zien de plaatsen Kana, Nazareth, Chorazin, Kapernaüm en Bethsaïda.


"En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;
Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.
Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.
Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had."
Johannes 4 : 43-46a 

Wat een pijn kan het teweeg brengen bij een getrouw predikant, als hij tegenstand ondervindt, wanneer hij het Woord zuiver predikt. Of voor gemeenteleden, die worden tegengewerkt wanneer ze de Schrift aan het Woord willen laten en dwalingen of misvattingen proberen te ontmaskeren. Maar hoe diep is de pijn als leden van je eigen familie of zelfs je eigen gezin – je ouders of je kinderen misschien – de dienst aan de HEERE vaarwel willen zeggen. Dat is een pijn die diep inbrandt en scherpe littekens nalaat.

Niet geliefd in je eigen kring

De Heere Jezus heeft dat ook ondervonden; en hoe diep! Hij had Judea al verlaten na het Pascha en we hebben Hem natuurlijk van nabij meegemaakt de afgelopen dagen in Sichar. Maar nu Hij die stad verlaat met al die geweldig verblijdende indrukken, vervolgt Hij Zijn reis naar Galilea. De plek waar Hij was opgegroeid bleef trekken. Zijn moeder woonde er, Zijn broers en Zijn zussen. Daarom zou je verwachten dat Hij linea recta naar Nazareth reist, wanneer we in vers 43 lezen dat Hij naar Galilea vertrekt.
Maar, dan volgt er een vreemd vers, dat om onduidelijk reden daar lijkt te staan. "Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft." Er lijkt iets te staan in de zin van: Jezus gaat naar Galilea want Jezus had Zelf betoogd dat een profeet juist daar – in Zijn eigen vaderland – níet geliefd is. En dan volgt er ook nog eens op dat de Galileërs Hem toch juist verwelkomden en later zelfs in Hem gingen geloven. Wat een raar spreekwoord van Jezus!
Dat spreekwoord had Jezus ook genoemd in Mattheüs 13. Na de gelijkenissen van de schat in de akker, de parel van grote waarde en het visnet, vertrekt Hij.
"En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?
Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt dan Dezen dit alles?
En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.
En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof."
Er heerst de houding van "wat denkt Hij wel?!". Dit geeft zo triest diep aan welke aversie er tegen Jezus was, juist in Zijn eigen kring, Zijn dorp en familie. Een profeet ontvangt juist in zijn eigen vaderland niet de eer die hij zou moeten krijgen. Sterker nog; het tekstgedeelte sluit af met een aangrijpende conclusie: Hij heeft er weinig wonderen kunnen uitrichten, vanwege hun ongeloof! Hoe aangrijpend en pijnlijk is ongeloof, juist in levens van hen die je lief en dierbaar zijn!

Wel geliefd buiten je eigen kring

Jezus was waarachtig God maar ook waarachtig Mens. De Vader ondersteunde Zijn menselijke gevoelens met hoopgevende reacties. Jezus mocht Zich verheugen in het geloof van Samaritanen. En enkele verzen verder zullen we zien dat er zelfs geloof komt, precies in de buurt van Zijn vaderland. Maar… hoe zit dat nou met dat spreekwoord? Wat had dat spreekwoord te maken met de rest van het tekstgedeelte? Om het tekstverband te snappen, bieden de Kanttekeningen belangrijke uitkomst. "Hier wordt reden gegeven waarom Hij naar Kana en naar andere steden van Galilea ging en niet naar Nazareth. Zie Matth. 13 : 54, 57." Je moet dus ook even doorlezen om te zien waar Jezus uiteindelijk terechtkomt. Hij ging naar Galilea, naar Zijn vaderland, Nazareth. Maar Hij passeerde die stad en koos Kana als einddoel, "want Hij heeft Zelf getuigd, dat een profeet [juist niet] in zijn eigen vaderland geëerd wordt".
Later (Mattheüs 11 en Lukas 10) zullen er ook zulke aangrijpende woorden klinken over Kapernaüm (de stad waar Hij zo vaak verbleef) en Bethsaïda en Chorazin (de steden waar Hij diverse wonderen had verricht):
"En Ik zeg u, dat het dien van Sodom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.
Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.
Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan ulieden.
En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden.
Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft."
Denk het je in: Sodom zal het in de hel verdragelijker zijn dan steden waarin de Heiland Zelf had gepreekt, gepaard gaande met tekenen en wonderen! In die teksten zie je dat er in de rampzaligheid ook trappen zijn, evenals in de heerlijkheid. Hoe diep zal de wroeging zijn voor hen die de weg hebben geweten, maar niet hebben gewild dat Jezus Koning over hen was. En juist dat grijpt je zo aan, wanneer je ziet, hoort of merkt dat mensen die je na aan het hart liggen weigeren om Hem te voet te vallen en met vlijmscherpe woorden of lachend wegwuivend spreken over die onzin van dat geloof in God. Of die Hem krampachtig of onwetend op afstand houden.