zaterdag 17 september 2016

Wie heeft er nu de leiding?

"En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft."
Genesis 50 : 24

Het graf van Jozef in Nablus meerdere keren doelwit van vernielingen door Palestijnen
https://brabosh.com/2013/01/28/pqpct-mxs/ Vanwaar die haat tegen Jozef? Vanwaar die haat tegen de Joden?
Is het niet omdat God grote plannen met dat volk heeft en ook ten uitvoer zal gaan brengen?


Sommige mensen in de kerk menen dat met hun arbeid alles staat of valt. Als zij er niet meer zijn, dan gaat alles ten onder. Zij stellen zichzelf op een hoog voetstuk (of worden door anderen daarop gehouden) en menen inderdaad dat het voortbestaan van Gods Koninkrijk van mensen afhangt. Kijk dat politici of managers dat menen, kan ik nog begrijpen. Die zijn stuk voor stuk (althans voor zover zij zonder God in deze wereld leven en werken) te dom en te kortzichtig om van genade te leven. Maar binnen de kerk zou dat toch geheel anders moeten zijn.

De woorden die Jozef spreekt in zijn sterfbedspeech zijn bijzonder fijnzinnig en helder. Jozef denkt op de lange termijn; en dat is een stuk langer dan dat er in deze moderne samenleving wordt vooruit gedacht. Jozef is visionair zonder eigen bijbedoelingen; hij laat zien dat het allemaal door zal gaan zónder dat hij daar één vinger naar uitsteekt. Tenslotte stelt Jozef bij zijn toekomstperspectieven de HEERE op het voor Hem bedoelde voetstuk. Er gebeurt niet zomaar iets willekeurigs; God gaat geschiedenis schrijven en vervult ál Zijn beloften.

Zonder Jozef

Toekomstplannen maken is zo hip dat ik me soms weleens afvraag of we wel écht met de toekomst bezig zijn. Prestigeprojecten, zoals de aanpassing van de donorwet zijn schering en inslag. Het geeft veel mensen ook een kick als een trendwatcher ergens een uitspraak over doet. Blijkbaar weet zo iemand zó charismatisch te spreken (of de toekomst naar zijn hand te zetten) dat hij adoratie afdwingt. Ik snap soms niet dat mensen zó dom kunnen reageren en als een kip zonder kop ergens achteraan lopen. Nog meer verbaas ik me over hoe weinig de trendwatcher in beeld is, wanneer de trends uitblijven of anders uitpakken.
In zekere zin lijkt Jozef ook een visionair. Eigenlijk zelfs een profeet. In Hebreeën 11 : 22 wordt het zo omschreven: "Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der kinderen Israëls, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente." Maar wat is ervan terecht gekomen? Jozef sprak wel over Gods daden die na zijn dood zouden plaatsvinden, maar de broers zijn allen gestorven zonder dat God één vinger uitstak, zo lijkt het althans.
Jozef verschilt echter heel duidelijk van de hedendaagse trendwatchers en visionairs. Hij meldt heel eerlijk: "Ik ga sterven en val dus weg als jullie 'Behouder-des-levens', maar God… gaat grote dingen doen!" Hoe machtig Jozef ook was, hoeveel hij ook in de melk te brokkelen had, het zal zonder hem geschieden. Hij is hier weer gewoon die eenvoudige jongen – ondanks zijn visionaire dromen en de uitgekomen interpretaties daarvan – die hij in zijn jeugd ook was. Twee voeten op de grond. "Ik ben maar een mens. Maar moet je eens horen wat de HEERE gaat doen! Och, man… als ik daarover nadenk dan duizelt het me!" We komen in het volgende vers nog op deze zelfde woorden terug.


Met God

Toch denk je onwillekeurig: had Jozef dat met al zijn rijkdom en macht niet zelf kunnen realiseren? Denk je dat nooit eens? Hoe moeilijk was het nou om dat volk (het was toen nog niet zo groot als in de tijd van Mozes) te leiden en weer thuis te brengen in Kanaän? Dat had die hele ondrukking in Egypte (het slavenhuis) gescheeld.
Ik denk dat Jozef het had gekund. Hij had de capaciteit qua leidinggeven (denk aan zijn organisatietalent bij de voorbereidingen op de zeven hongerjaren). Hij had het geld, de moed en het leiderstalent (dat ook bij de begrafenis van zijn vader duidelijk naar voren kwam). En toch zou Jozef het volk niet in Kanaän brengen.
Ik moest onwillekeurig aan David denken, die de tempel niet mocht bouwen. David was de perfecte man met de juiste talenten. Hij was een keigoede liturg, een prima leider en manager, een gedreven bouwer én een dogmatisch en exegetisch goed onderlegd theoloog. En toch zegt God: "Nee, jij gaat dat niet doen. Jouw zoon gaat Mijn tempel bouwen." Waarom?
Was David niet geestelijk genoeg? Was David te zondig? Was David te oud? God heeft ons niet veel verteld over Zijn overwegingen; enkel dat er teveel bloed aan Davids vingers kleefde, maar ik denk niet dat dat alléén de doorslag gaf. Echter… God mag het bepalen, het is immers Zijn huis?!
Zo ook met Jozef. Er lijkt een intiem gesprek tussen God en Jozef te zijn geweest. Je proeft het een beetje uit de manier waarop Jozef het verwoordt.
Dat juist hij met die troostende en hoopvolle woorden komt mag ons toch wel verbazen? "Juda… gij zijt het," had vader Jacob geprofeteerd. Maar Juda doet er het zwijgen toe. Levi dan, de aanstaande priesterstam? Ja, maar nu dus nog niet. Jozef gaat hier als enige spreken. En let op: zijn dode lichaam zal het bewijsmateriaal en geloofsobject worden, dat getuigt van geloof, hoop en liefde. Ze moeten hem tijdelijk balsemen en begraven in Egypte, maar op Gods tijd weer uit zijn graf ophalen en meenemen naar huis. Ik kom daar een volgende keer nog op terug. Ik zeg er alleen dit bij: de ark des verbonds trok voorop en de ark (zelfde woord als kist) van Jozef werd ergens verderop in de stoet meegedragen.
God ging voorop. Hij had de leiding en maakte gebruik van niet Jozef maar Levi (Mozes). Maar ook Mozes heeft het volk niet in Kanaän kunnen brengen. Waarom niet? Dominee P.J. Teeuw (toen uit Veenendaal, nu uit Papendrecht) preekte daar jaren geleden over in de Evangelisatie van Haastrecht. Dat moest 'Jozua' (lees Jezus) doen. Die droegen dezelfde naam. Opmerkelijk dat Jozua een rechtstreekse nazaat van Jozef was (via Efraïm; lees Numeri 13:8).
Echter al die leiders zijn overleden en wezen dus heen naar de Messias, Jezus. Hij is de Enige Die in staat is Zijn volk Thuis te brengen. "Ik sterf, maar God…" vind ik wel het machtigste woorden-koppel uit dit gedeelte. Hij moet wassen, maar ik minder worden. God is de enige die kan zeggen: Ik sterf nooit. Je moet wel oliedom zijn om Hem de leiding van je leven niet toe te vertrouwen. Vind je niet?
  1. Heb je weleens moeite met Gods leiding in je leven? Welke dingen vind je fijn? Welke zaken beknellen je of zijn een warboel voor je?
  2. Wat vind je van mensen die zich trendwatcher of visionair noemen? Wat vind je ervan als mensen door anderen visionair worden genoemd? Professor Aalders bijvoorbeeld werd zo genoemd; en zo zijn er nog wel meer geweest. Mensen zijn gevoelig voor hogere begaafdheid bij anderen, of zie jij het anders?
  3. Vind je Jozefs sterfbedspeech mooi of mager? Welk verschil merk je tussen hem en zijn vader?

vrijdag 16 september 2016

Sterven en leven met eeuwigheidsperspectief

"En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; …"
Genesis 50 : 24a


Talloze graven voor de Golden Gate in Jeruzalem; wachtend op de komst van de Messias.
Hoe begraven wij tegenwoordig onze doden? Ook in de verachting van de Komende?

Hoeveel mensen zouden bij volle bewustzijn sterven? Althans, hoevelen zullen er aanvoelen dat ze gaan sterven? Ik weet het niet, maar vermoedelijk zijn dat er niet heel veel. Ik vermoed dat de meesten zwoegend voor hun leven, of snakkend naar adem wegzinken in de dood. Een lang ziekbed is niet altijd een bewust toeleven naar het einde. Een coma of beneveling door morfine zijn gemakkelijker voorstelbaar. Ook de aftakeling door dementie behoort tot de mogelijkheden die misschien wel dagelijks voorkomen. Hoeveel gelegenheid is er dan om jouw geliefden nog toe te sprekende van de Komende en het eeuwigheidsperspectief dat je in dit leven hebt (of had moeten hebben)?

"Gedenk aan je Schepper," adviseerde Salomo, "nog vóórdat de gebreken van de ouderdom zich aandienen." Je zou er ook aan toe kunnen voegen: en weest bereid om te sterven, vóórdat je verongelukt, plotseling sterft door een hartstilstand of in een onbereikbaar psychisch gebied belandt door een hersenbloeding. Hoewel de dood in het walgelijk modernisme een goede vriend moest zijn geworden – de dood zou bij het leven horen, aldus deze dwaallichten – denken weinigen over hun sterven na. Ja, als je na de dood niets wilt hebben (dood = dood) dan moet je er inderdaad maar niet aan denken dat er tóch wel iets zou zijn. Het is voor de atheïst ook vele malen afgrijselijker te denken aan de mogelijkheid dat er misschien tóch iets zou kunnen zijn, dan voor de christen om te denken aan de mogelijkheid dat alles bij de dood ophoudt (hoewel hij gelukkig beter weet). Maar… denken we ook weleens na over het feit dat na onze dood onze kinderen/familie/vrienden verder moeten? We zijn vaak egocentrisch gericht op onze eigen zaligheid, maar wat laten we na? In de bijbelstudies van vandaag en de komende keren wil ik vanuit dat perspectief naar Jozef kijken en luisteren. Noem het 'The Joseph Legacy'.

Confronterend

Nadenken over 'ik sterf' wanneer je dochter 'op alledag loopt'? Nadenken over de dood, als misschien wel vandaag juist het léven centraal staat? Nou, beginnen te leven is tevens beginnen te sterven; dat dan weer wel. Cole Porter maakte ooit een vreemdsoortig liedje dat begon met de woorden "Every time we say goodbye, I die a little". Elk afscheid is een stukje sterven. We zijn daar misschien wel te zeer aan gewend. Vroeger emigreerden mensen (soms alleen slechts naar een andere provincie), niet wetend of ze elkaar ooit nog zouden zien. Tegenwoordig zijn afstanden niets en is alles bereikbaarder dan ooit. Is het niet fysiek, dan wel digitaal (mail, app, skype etc.).
De betrekkelijkheid van alles wordt niettemin vandaag de dag wel heel erg verbloemd! Over de dood moet niet te zwaar worden nagedacht. Tuurlijk, je moet je dingen regelen voor je kids en je vrienden (mocht je plots overlijden), maar als dat gedaan is kun je volop leven zonder één gedachte aan het einde. En wat zal dat einde zijn? Is dat een nieuw begin, in de vorm van reïncarnatie? Of een nieuw begin vanuit de Bijbelse eeuwigheidsgedachte? Ik ben zo benieuwd hoe Jozef dat zal hebben gezien. In ieder geval confronteert hij zijn familie er mee. En hoe!

Constaterend

Jozef is zich bewust van het feit dat zijn stervensuur nadert. Daarin is hij misschien wel in een bijzondere positie; niet ieder krijgt dat zicht op zijn of haar dood. Wat Jozef niet doet is angstig en gestrest raken. Hij voelt zijn einde, zijn ontbinding (zoals Paulus dat noemt) naderen en dat schept een diepe vreugde. Niet dat hij dan van alle ellende in dit leven af is; immers hij moet toch ook zijn kinderen, zijn klein- en achterkleinkinderen loslaten! Maar hij mag over dood en graf heen zien. Hij constateert als nooit te voren dat Gods dubbele bevrijding aanstaande is: Jozefs aardse huis wordt afgebroken en hij mag een huis bij God in de hemel gaan bewonen, het hemels Kanaän. Maar daarnaast: het volk van Israël zal – na een diepe vervolging en onderdrukking – weer huiswaarts gaan, naar het aardse Kanaän.

Conformerend

Ook valt het me op dat Jozef niet van alles aangrijpt om zijn levenseinde op te rekken. Hij conformeert zich aan Gods tijd en richt zich op zijn geliefden in opdracht van God Die hem nog een boodschap geeft om door te geven. God had hem verder doen zien dan dit aanstaande stervensmoment. Hij had Jozef een opdracht gegeven om nogmaals zijn broederen te troosten met warme woorden over Gods ontferming. Het zou er echt van gaan komen dat God ze uit deze eerste ballingschap, hier in Egypte, zou terugbrengen naar het beloofde land, waarover overgrootvader Abraham al zulke enorm rijke beloften had gekregen. Overgrootvader Abraham… die was toch al jaren overleden? Ja, en toch… en toch… hij had de toekomst van verre gezien en Christus’ Dag bewonderd. Hij had reeds omhelsd, wat nog in het verschiet lag. Moet je eens over nadenken. Omhels jij zo ook wel eens het zalig hemelleven? Zo, alsof je er al bent?

Contrasterend

Jozef wel. Hij mag verrukt spreken over Gods naderend optreden en handelen. En werkelijk waar, dat moeten troostvolle woorden zijn geweest voor zijn nabestaanden! Woorden die hout sneden, harten troffen en perspectief boden. Want… dat terugkeren naar Kanaän was geen doel op zich. Er was een reden. Sommigen staren zich blind op het land Israël, alsof dat koste wat kost moet worden gekoesterd. Maar het grondgebied van Israël is geen eindstation, doch een ontvangsthal voor de Messias! Toen, in de volheid des tijds (en dat lag voor Jozef en de zijnen nog ver in de toekomst) en straks voor Zijn wederkomst. Dat lag voor de mensen uit het Oude Testament als 1 punt op elkaar, maar wij staan ertussenin en zien de steeds groter wordende afstand tussen 'Komst' en 'Wederkomst'. Niettemin ligt er een onverbrekelijke lijn tussen die beiden 'Komsten'. En daarin ligt eveneens een contrast. Christus’ eerste komst was er een van genade en bijeenvergadering; Zijn tweede komst zal er een zijn van oordeel en scheiding.
Alle oog zal Hem zien. Jozef en de zijnen hadden wel de beloften, en zagen ook in de verte, alsof die dag al zeer binnenkort kon aanbreken, maar concreet waren hun beelden nog niet. En wij? Wij staan achter Christus’ eerste komst… is voor ons Zijn wederkomst een realiteit? En welk beeld staat er op ons netvlies? Hoe ziet in 2016 dat grote verlangen eruit, waarover de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het slot spreekt?  
"Zie, ik sterf…" En dan? Al worden er vandaag 10.000 baby's geboren, zou ik dan niet over mijn eigen sterven nadenken? En is elke geboorte niet een moment waarop de dood heel dichtbij kan zijn? Laten we daar niet gering over denken. Het gaat vaak goed, maar er zijn helaas ook andere voorbeelden. Dankbaarheid aan God Die moeder en kind spaarde is wel op zijn plaats.

Zes jaar geleden wenste een predikant mijn vrouw een gezegende baring, toen ze op het laatst liep van onze jongste. Gezegende baring… eigenlijk vóór die tijd nog nooit van gehoord. Maar wat een bijzonder rijke wens is dat. Dat baren niet een worsteling alleen is, maar onder Gods zegenende hand nieuw leven voortbrengen dat wellicht fysiek Zijn komst zal meemaken. In ieder geval een leven ter wereld brengen, dat gestempeld mag zijn van hetzelfde perspectief als dat van Jozef: "Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken…" Zo gaat hij in de volgende Bijbelstudie verder. Opvoeden met eeuwigheidsperspectief; wat ben je dan best af!
  1. Wat verwacht jij van het sterven? Wat verwacht jij van Christus' wederkomst? Wat verwacht jij van de hemel?
  2. Hoe denk je dat God de dood ziet? Hoe kun je tegen de modernistische stroom in roeien, die de dood bij het leven vindt horen?
  3. Praat jij met je 'broeders' (gezinsleden, echtgenoot/echtgenote, kinderen) over sterven? Loop je ook tegen moeilijkheden op? Deel je die met anderen?

woensdag 7 september 2016

Hoe Jozef een aartsvader werd

"En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren."
Genesis 50 : 23

Als je van de mensen in de dagtekst een foto zou maken, zou je vier generaties zien. Op de foto hierboven staan ook vier generaties: allen met de naam Johannes Hermanus Gunning; overgrootvader was predikant, zoon J.H. Gunning jr (rechts) werd ook predikant en later professor in de theologie; zoon J.H. Gunning JHzn (links) werd o.a. predikant in de Sint Jan te Gouda; diens zoon, de dopeling die bij overgrootvader op zijn knieën ligt – eveneens een J.H. – werd echter belastingambtenaar; maar diens zoon werd ook weer predikant. Bron: RefDag

Je kunt deze tekst als een feitelijke mededeling beschouwen, maar toch is er meer over te zeggen. Dat doen de Kanttekeningen ook en het is wel aardig om die als leidraad voor onze overdenking te gebruiken. Kinderen krijgen en je kleinkinderen zien opgroeien is een zegen. Zelf sta ik op het punt om voor de eerste keer opa te worden en ik probeer me in de denken hoe dat zal zijn.

Grootouder worden is één kant van de zaak; dan is het jouw 'bloed' dat je verder ziet stromen. De andere kant van de zaak is dat jouw kinderen nu gaan beginnen te ervaren, wat jij al enige tijd achter je hebt liggen. Hun leven gaat zich nog verder verzelfstandigen. Zij zijn naast jouw kinderen nu ook de ouders van jouw kleinkinderen. In de moderne westerse samenleving staan grootouders meestal aan de zijlijn (of ze fungeren als goedkope oppas in de plaats van hun werkende kinderen) en maken op afstand de ontwikkeling van hun kleinkinderen mee. Opa's en oma's moeten zich vooral niet te zeer bemoeien met de opvoeding van hun kleinkinderen, want anders ontstaat er polarisatie.
Maar vroeger was dat anders; in Jozefs tijd – zo blijkt uit de dagtekst – was opa Jozef er voluit bij betrokken. Jozef kan met recht een aartsvader worden genoemd. En soms denk ik: zijn we in het moderne westen misschien iets heel waardevols kwijt geraakt? En wel zo: zijn grootouders nog in staat om net als Jozef (en Jacob en Izak en Abraham) werkelijk iets te betekenen in het leven van kinderen en (achter)kleinkinderen? Dat gaat verder dan alleen cadeautjes geven, spelletjes doen en verwachten dat de kleinkinderen keurig bij je op visite komen. Aartsvader en -moeder zijn betekent een uitstraling hebben die door Gods Geest wordt gegeven en gebruikt, waarlangs niet jij maar de HEERE iets kan uitwerken in het leven van de volgende generaties. Dat zijn pittige gedachten die ik ook over mijn eigen leven moet leggen. Een spiegel, een realiteit die verootmoediging uitwerkt.

Geboren uit jouw kinderen

De tekst spreekt over 'het derde gelid' en over kinderen van Jozefs kleinzoon Machir (achterkleinkinderen dus). In de Kanttekeningen wordt opgemerkt: "Hebr. kinderen der derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kindskinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16. Ps. 128:6. Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, Gen. 48:19.
Je kunt ook denken aan de Tien Geboden waarin wordt opgemerkt dat de HEERE de zonde der vaderen bezoekt (of dat de zonde effect heeft) tot in "het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten". Daar heeft het een geladen betekenis. Bij Job is het vooral de zegen, wanneer hij – na al zijn kinderen te zijn kwijtgeraakt – zelfs nog zijn achterkleinkinderen heeft mogen zien. Dezelfde zegen die ook in Psalm 128 wordt beloofd.
Je achterkleinkinderen mogen zien is meer dan een bereikte status: het maakt je al kleiner en de vreugde en dankbaarheid zijn voor God. Die kinderen te zien geboren worden is het bewijs van Gods zegen over jouw leven. Genade wordt zichtbaar en tastbaar!
Er is nog iets dat me opvalt in de tekst. Er lijkt zich – of ik moet mij vergissen – een soort tegenstelling of wedijver te voltrekken in de verschillende bewoordingen over enerzijds Manasse en anderzijds Efraïm. Wedijver is misschien niet het juiste woord, maar wellicht gradatieverschil. Efraïm wordt als eerste genoemd, hoewel hij van deze twee de jongste was; Manasse was de eerstgeborene aldus Genesis 48 : 14. Efraïm is vooropgezet en de zegen van vader Jacob wordt zichtbaar in het feit dat Jozef ook van Efraïm kinderen mocht zien in het derde gelid (achterkleinkinderen, de kleinkinderen van Efraïm). Ik haal even Numeri 26 erbij (en ook 1 Kronieken 7 biedt zo'n aardig overzicht):
28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31 En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
33 Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
Efraïm kreeg minstens drie zonen: Sutélah, Becher en Tahan. In 1 Kronieken 7 wordt direct de lijn voorgezet met Sutélah, telkens 1 zoon. Sutélah kreeg volgens Numeri een zoon Eran en volgens 1 Kronieken 7 ook nog een zoon Bered. Met die nazaten van Bered loopt het niet zo goed af; niettemin ontvingen ze wel een duidelijk zegen van Jozua, dat ze de Filistijnen zouden overwinnen. Het vreemde was namelijk dat Manasse en Efraïm aanvankelijk 1 lot kregen toen het land Kanaän werd verdeeld. Het gebied werd al snel te klein en ook de zegen van vader Jacob kwam hierdoor onder druk te staan. Ze kwamen daarom bij Jozua (die ook een nazaat van Efraïm was) die hen zegende en het gebergte bij Gath ook gaf, belovend dat ze onoverwinnelijk zouden zijn voor de filistijnen. Maar dat is wel beproefd geworden. Terug naar de tekst: Jozef heeft deze Eran en waarschijnlijk ook Bered dus nog zien geboren worden en opgroeien. Hij heeft ze vast ook op schoot gehad als tastbare bewijzen van Gods goedheid en trouw.
Nu naar Manasse. Hoewel hij de eerstgeborene was, werd hij toch op de tweede plaats gezet. Niettemin had Jacob gezegd: "Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij (Manasse) zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden." Die zegen heeft Jozef, die bij die zegening aanwezig was, bewaarheid zien worden toen Manasse (klein)kinderen kreeg. Enkel Machir wordt genoemd, als kind van Manasse. Hij kreeg een zoon Gilead. Jozef heeft Gilead dus nog gezien; sterker nog, hij heeft een bijzondere band met hem gehad (hij werd op Jozefs knieën geboren; daarover straks). Gilead bracht een groot volk voort dat uiteenviel in de nazaten van zijn kinderen: Jezer, Helek, Asriël, Sechem, Semida, Hefer. Die laatste had een zoon die enkel dochters had; daar lezen we over in Numeri 26, wanneer zij eigenlijk geen erfdeel ontvangen, bij de verdeling van het land Kanaän.

Geboren op jouw knieën

Een merkwaardige uitdrukking. Jozefs moeder had die term ook al in haar mond genomen, toen ze onvruchtbaar bleek. Ze had tegen Jacob gezegd (wij westerlingen zouden dat nooit kunnen begrijpen): "Neem mijn slavin Bilha dan, als je mij niet zwanger kunt maken! Dan moet zijn maar op mijn knieën baren". Net letterlijk natuurlijk, maar toch. Zie je die Bilha staan, terwijl haar meesters dit koud en chagrijnig zegt? Ze moet er direct een beeld bij hebben gehad. Dat betekende geslachtsgemeenschap met naar heer, maar ook de moeite en pijn van de bevalling ten behoeve van het genot van haar meesteres. Dan en Naftali zijn dus het product van Rachels jaloezie richting haar zus Lea. Des te opmerkelijker is dat juist Jozef deze term ook weer gebruikt.
De Kanttekeningen leggen bij deze term uit: "Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid met blijdschap en vermaking placht op zijn schoot te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kinderkens gemeenlijk doet." Op je knieën tekent het beeld dus van op schoot nemen en liefde geven. Dat is wel typisch het beeld van een ouder of zelfs een grootouder. Maar er zit meer in, als je kijkt naar Rachel: bezit of in ieder geval een verbinding die gelijkwaardig is aan ouder-kind. Daarnaast inderdaad ook de intieme relatie. Over Jezus wordt gezegd dat Hij de Zoon van de Vader was, altijd in de schoot des Vaders verkerend en de vermaking was van Zijn Vader. Dat is meer dan alleen een spelletje samen doen met opa: 'ik zie ik zie wat jij niet ziet' of 'hobbelpaard, hobbelpaard… gat in de weg'. Opa, of in Jozefs geval overgrootvader, keek naar het kleine kind en zag er Gods betrouwbaarheid in. Hij knuffelde het kind en liefkoosde zo Gods bewezen trouw aan Zijn belofte! Tegelijk een dankgebed als dankoffer opzendend naar God de Vader: "Heere, het is écht. Wie is aan U gelijk?!"

Zouden we nog steeds zo naar onze kinderen, klein- en achterkleinkinderen kunnen kijken? Zouden we nog steeds zó betrokken kunnen zijn op onze nazaten? Of gaat dat niet meer lukken? Ik geloof – de emancipatie van de jongeren ten spijt – dat de HEERE nog steeds zo kan werken en grote wonderen kan doen. Het gebed en de hartelijke geestelijke betrokkenheid op onze nazaten kan het keiharde modernisme en de emancipatie- en expansiedrang van het westers maatschappelijk denken doen barsten als een gestage waterdruppel een keisteen. Dit goddeloze tijdperk van wetteloosheid kan ons wel voorschrijven wat moet moeten vinden, voelen en doen, maar kan ons nooit de rijkdom van het leven met de HEERE ontnemen. Als Jezus door een dichte deur kan binnenkomen bij Zijn jongeren, dan kan Hij dat vandaag de dag ook bij elke jongere! Laat hen in die zin maar op jouw 'knieën geboren' zijn; ik bedoel: laat ze maar op jouw ziel liggen en neem ze mee in je gebed, probeer ze te bereiken en laat ze merken dat je voor hen bidt; dat hun eeuwig heil jouw persoonlijk aan het hart gaat. Dat is aartsvader en -moeder zijn in de 21e eeuw! En misschien mag je net als Jozef Gods trouw tastbaar zien worden in hen, terwijl ze op 'jouw schoot' zitten. Dan mag je een diep vermaak hebben, door hen heen in God Die machtig is harten te treffen en door te gaan met Zijn zaligmakend werk.

  1. Wat vind je van de hiervoor genoemde visie op geestelijk aartsvader- en -moederschap? Hoe zou jij dat praktisch kunnen maken en wie zou jouw geestelijke betrokkenheid op dit moment het hardste nodig hebben?
  2. Zou je die kennis en ervaring ook op andere opa's en oma's kunnen overbrengen? Zie je ook dingen misgaan in de relatie grootouders-kleinkinderen? Wat zou je daaraan kunnen doen?
  3. Hoe zou je hier ook gestalte aan kunnen geven, ondanks dat je geen kinderen hebt of zelfs niet getrouwd bent?

dinsdag 6 september 2016

Welke stip heb jij op je horizon staan?

"Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren."
Genesis 50 : 22






Dit stuk steen is waarschijnlijk een fragment van een beeld van Jozef;
na (computer)reconstructie ziet het er zó uit als hiernaast

"Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen!", zingt Psalm 133. Dat gezamenlijk optrekken en bij elkaar wonen, zich over elkaar ontfermen, is altijd een kenmerk van de christelijke gemeente geweest. Maar, omdat Psalm 133 het in het Oude Testament al onderstreept, lijkt het me een heel normaal, aartsvaderlijk gebruik.

In een week van nabetrachting is het een heel gepast onderwerp om over na te denken. Immers, het laatste deel van het Avondmaalsformulier spreekt daar ook onomwonden over. "Daarbenevens, dat wij ook door dien Geest onder elkander, als lidmaten van één lichaam, in waarachtige broederlijke liefde verbonden worden; gelijk, de Heilige Apostel spreekt: "één brood (is het, zo) zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn". Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen, en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet, en zich ondereen vermengt: alzo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus', onzes lieven Zaligmakers, wil, die ons te voren zo uitnemend heeft lief gehad, allen te zamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen."
Er wordt zelfs nadrukkelijk om gebeden: "Daartoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, door zijn Heiligen Geest.. Amen."

Weer terug in de wereld

Het valt me op – misschien is het toevallig – dat er niet staat dat Jozef en zijn familie bij elkaar in Gosen zijn gaan wonen (afgezonderd van de rest), maar dat ze samenwonen in Egypte. Ze trekken zich niet terug uit de wereld, maar nemen er hun plek gewoon weer in. De broers en hun families gaan als schaapherders aan het werk; ook al waren de Egyptenaars daar niet zo van gecharmeerd. En Jozef vervult zijn leidinggevende functies op regeringsgebied weer.
Onderwijl waren ze zich van elkaars aanwezigheid bewust, ook al schrijft de Bijbel daar niet uitvoerig over. De broers hadden zich dienstknechten van de God van hun vader genoemd. Ze waren zich dus bewust van hun goddelijk beroep en het feit dat de HEERE als de grote Opperherder over hen waakte en voor hen zorgde. En Jozef… diende Eén en Diezelfde God, weliswaar in een sociaal ander milieu en met heel ander soort werk, maar toch! En … ook hij is, net als zijn broers, priester in zijn gezin. Zijn kinderen worden door hem opgevoed in het spoor van Gods geboden en verbond. We lezen in het volgende vers dat zijn kleinkinderen 'op zijn schoot' worden geboren. Niet letterlijk natuur, maar daarover de volgende keer. Hij was dus ook als opa betrokken bij de opvoeding van zijn kinds-kinderen.
Ondertussen leefde hij met toekomstperspectief. Ik vermoed dat hij wel wist dat hij niet meer terug naar Kanaän zou gaan, maar die kleinkinderen zouden er op Gods tijd wél naar toe gaan. En wat als ze helemaal niets van het leven met de HEERE wisten? Wat, als ze helemaal niet wisten wat ze daar dan moesten gaan doen? Bij Joden spreekt dat traditionele en van-generatie-op-generatie-leven veel meer dan bij ons. Hoe ver Joden ook over deze wereld zijn uitgezworven, ze kennen die verbondenheid en leven in een – zij het vaak zionistisch – verlangen naar 'huis'. Geven we dat onze kinderen en kleinkinderen ook door? Na de Avondmaalstafel is er vast en zeker wel wat door te geven, aan te wijzen, te onderstrepen. En er is het samen leven door Eén en Dezelfde Geest. Elkaar liefde bewijzen is wat anders dan zoet en lievig doen. Het is zoeken naar elkaars gezondheid, elkaar opscherpen en betrokken zijn op elkaars zaligheid. In bergtopmomenten en in de dalen van afdwalen. Met het oog op die Dag…

Als het einde komt

In dit ene vers wordt ruim een halve eeuw samengevat. Jozef heeft nog een dikke vijftig jaar zo geleefd in Egypte. Uitziende naar de dag van zijn ontbinding. De Messias Die was beloofd en Die uit Juda zou worden geboren, was nog niet gekomen. Ik weet niet hoe Jozef zich Hem precies heeft voorgesteld. In de volheid des tijds had men in ieder geval een danig vertekend beeld van de Messias. Tóen ze Hem dan uiteindelijk zag, herkenden ze Hem niet eens!
In de tussentijd dat Jozef naar Egypte was verkocht, koos Juda een vrouw uit de Kanaänieten, de dochter van Hira. We kennen de geschiedenis van zijn zoons (één trouwde met Thamar, maar overleed nog voor hij een zoon had; zijn broer Onan wilde geen zoon verwekken bij zijn schoondochter die weduwe was). Let erop dat we dan dus een generatie later zitten, als Thamar uiteindelijk haar schoonvader Juda misleidt, zwanger van hem wordt en een tweeling baart. Dat is allemaal nog in Kanaän gebeurd. Die jonge jongens zijn mee naar Egypte gegaan en daar opgegroeid. Maar hun vader (die eigenlijk ook een beetje hun opa was) was reeds op jaren. Het is zeer aannemelijk (ook omdat Juda een stuk ouder was dan Jozef) dat Juda jaren eerder is overleden dan Jozef. Mogelijk zelfs zijn ál zijn broers al overleden, wanneer Jozef sterft. Gods beloften leken niet uit te komen en tóch verwachtte Jozef de vervulling ervan met een vast geloof. Dat zal ook in de komende verzen blijken.
Jozef sterft – evenals zijn vader, opa en overgrootvader – "in het geloof, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren" (Hebreeën 11 : 13). Jozef met al zijn rijkdom, eer en macht was dus een vreemdeling op aarde. Het beste moest nog komen. En dat brak aan toen hij 110 jaar was! 
Hoe leef jij eigenlijk op aarde? Lijkt dat hier een beetje op? Heb jij – om het hedendaags te zeggen in managementtaal – ook diezelfde stip op jouw horizon staan? Wat is jouw reisdoel?
  1. Neem voor jezelf eens de tijd om te overdenken waar jouw 'stip op de horizon' staat: m.a.w. waar wil je aan het einde van dit leven uitkomen?
  2. Welke plaats neemt daarbij Gods Woord en Gods Geest in?
  3. Wat doe je ondertussen, in het leven van alle dag, met het oog op die toekomst? Merken anderen daar iets van bij jou (horen ze er iets over)?

zaterdag 3 september 2016

Spreken naar je hart of in je hart?

"Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart."
Genesis 50 : 21b

'Spreken naar iemands hart' is ook een blik gunnen in je eigen hart


Jozef doet meer dan alleen goede dingen beloven. Hij troost zijn broers en spreekt 'naar hun hart'. Wat betekent dat eigenlijk. En ligt daarin ook een lijn naar het Avondmaal? 

Ik houd het deze avond voor de Avondmaalszondag kort. Geef stof door om zelf over na te denken en wellicht zet dat in het licht van het Avondmaal aan het denken. Geeft het een hernieuwd zicht op Christus, de Gastheer.

Troosten

Jaren geleden kwam ik bij een echtpaar op huisbezoek. De vrouw had op een standaard in huis het boekje van Petrus Immens 'De godvruchtige avondmaalganger' openliggen. "Ik heb het boekje van mijn moeder gekregen; zij las er altijd in en nu heb ik het," zei ze ons. "Kijk, ik heb het altijd openliggen bij 'Van de bemoediging'; dat heb ik nodig." Daarmee was het gesprek over het boek en de inhoud ervan klaar, voor haar. Het boek zelf las ze niet. Ik vrees dat, als je zo met deze dingen omgaat, troost wel een erg uitgemergeld begrip aan het worden is. Is troost iets magisch? Een boek dat je op een bepaalde bladzijde open legt?
Als Jozef zijn broers troost dan moet hij meer uit de kast halen dan alleen geld en goederen om ze te kunnen onderhouden. In leven houden is blijkbaar niet voldoende; de broers hadden troost nodig; dat had hij wel gezien. Hij gaat dus met hen in gesprek. En ik denk stellig dat hij daarbij niet op zijn troon is blijven zitten, maar naast hen kwam zitten. Hij legde hen zijn hart bloot en maakte actief werk van de band die zij met elkaar hadden. Die bleek door angst omvlochten en dat hecht niet!
Het woord dat er voor 'troosten' is gebruikt betekent naast 'bemoedigen' ook 'medelijden hebben met'. Ik hoor daarin de woorden van de Hebreeënbriefschrijver: "Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde." Deze medelijdende Hogepriester is morgen onze Gastheer. Bij Hem komt je thuis. Hij is in staat alles van je af te nemen… zelfs je zonden. Zou je niet komen?

Naar het hart spreken

Hoe troost Jozef dan? De tekst vertelt dat hij 'naar het hart van de broers spreekt.' Dat is een lastige term. Als je in de Bijbel naar die uitdrukking zoekt, komt je o.a. de volgende drie dingen tegen:
  • We kennen allemaal de geschiedenis van Dina die door Sichem werd verkracht. Toch dankt hij haar niet af (Genesis 34), maar "zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter." Hij probeerde de dingen recht te zetten en haar voor zich te winnen. Hij riep daartoe de overredingskracht van zijn vader in om vader Jacob om toestemming te vragen. Hier zou je nog een zeer dubieus gevoel bij kunnen hebben.
  • Ruth vertelt tegen Boaz dat hij met zijn bewonderende woorden (Ruth 2) over Ruths liefde voor haar schoonmoeder 'naar haar hart heeft gesproken'. Boaz' woorden hebben haar hart geraakt én getroost (vers 13). Ze vraagt of ze mag blijven op zijn akker en ergens daar begint de liefde tussen Boaz en Ruth te ontluiken.
  • Jesaja (40:2) mag een blijde boodschap brengen aan het volk: "Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden." Deze tekst komt nog het dichtst bij onze dagtekst. De tijd van boete en berouw is over. De strafmaat is vol; troostrijke woorden met toekomstperspectief mogen klinken.
Is dat laatste ook niet wat er in het Avondmaal ook gebeurt? Ons hart wordt omhoog geheven, waar Christus is. Hij is boven, het offer is gebracht. Het heeft inderdaad veel, ja alles, gekost, maar de prijs is voldaan, de strafmaat is vol; troostrijke woorden met toekomstperspectief mogen klinken: "Gedenkt en gelooft dat het dierbaar lichaam en het dierbaar bloed van onze Heere Jezus Christus is gebroken en gestort tot een verzoenen van ál onze zonden!" Het Hoofd Christus is boven… eenmaal zal ook het lichaam (de Bruid) thuis worden gehaald.
Naar je hart spreken… Je zou het licht kunnen opvatten als 'juist die woorden spreken dat je graag zou willen horen', maar dat is het niet. Het is 'juist die woorden spreken die voor de Sprekende het juiste effect ín jouw hart geven'. Zoals een boetseerder juist daar zijn vingers in de klei zet, waar hij de juiste vorm wil creëren die hem de meeste vreugde schenkt. Een vat ter ere.
In het troosten heeft God de vrije hand. Hij weet als geen ander de juiste woorden te spreken naar jouw persoonlijk hart. Omdat Hij jouw hart heeft gemaakt, kent en doorgrondt. Lever je maar uit en weest verzekerd van werkelijke troost. De HEERE weet wel hoe dat moet. Aan Zijn tafel een voorsmaak van de eeuwige heerlijkheid. Een vooruitzicht op de Stad die fundamenten heeft. Hij is er de Bouwmeester van. Wát een God en HEERE, wát een Middelaar en Hogepriester, wát een Gastheer en Bruidegom!
Hij heeft je in Zijn hart gesloten, zou Hij dan niet in jouw hart spreken? Daarin toont Hij iets van Zijn Eigen hart. Snap je dat? En in het offer van Christus toont de Vader ons Zijn Eigen hart. Spreek maar HEERE, Uw dienstknecht hoort!

vrijdag 2 september 2016

Ik zal je onderhouden


"Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden."
Genesis 50 : 21a

Onderhouden: "Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op zijn volkomen offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op den enigen grond en fondament onzer zaligheid wijst, waar Hij onzen hongerigen en dorstigen zielen tot een waarachtige spijs en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijn dood heeft Hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer, namelijk de zonde, weggenomen, en ons den levendmakenden Geest verworven; opdat wij door dien Geest (die in Christus als in het Hoofd, en in ons als zijn lidmaten, woont) met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en al zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid deelachtig worden.

Mooie woorden over de HEERE en Zijn barmhartigheid impliceren nog niet altijd mooie daden van mensen. Jozef kan alles wel mooi op een rijtje hebben – met zijn betoog over Gods plan – en dat ook nog bewogen uitleggen, maar onderwijl kan hij vanuit zijn positie rustig zijn broers uitbuiten of wegjagen. Niet dat ik dat van Jozef verwacht en ik denk ook dat de broers – na Jozefs woorden niet zulke dingen hebben gedacht – maar waar ik op doel is dat woorden met daden gepaard moeten gaan. Daar komt het op aan.
"Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen," zo daagde Jacobus zijn lezers uit. Over die woorden is nogal wat verschil van inzicht. Je kunt er een wedijver in lezen waarbij beiden hun geloof uit hun daden bewijzen. Maar andere uitleggers wijzen erop dat het woord 'uit' in de eerste zin moet worden vertaald met 'zonder'. Dan betekent het: bewijs jij je geloof maar zónder daden, ík zal het bewijzen vanuit mijn daden. Hoe het ook zij, de uitkomst is natuurlijk dat we wel mooie vrome en theologisch/bevindelijk zeer doorwrochten zegswijzen kunnen bezigen, maar dat neemt nog niet weg dat geloof zonder werken dood is. Hoe mooi er ook wordt gepraat. Evenzeer is het waar dat we verloren gaan wanneer we alleen maar mooie werken hebben en geen geloof in Jezus Christus.

Geloven zonder vrees

Terug naar de tekst. Opnieuw benadrukt Jozef dat de broers niet moeten vrezen. Hun woorden ademen klaarblijkelijk angst en vrees uit. Dat wegwuiven van vrees is typisch een karaktertrek van de HEERE; hoewel Hij vrees inboezemt. Dat ligt niet in eerste instantie aan Hem, maar aan onze breuk met Hem. Kijk maar naar Adam en Eva. Toen God naderde (hoeveel tijd heeft er gezeten tussen het eten en de ontmoeting met God?) schrokken ze. Ze duiken niet weg, wanneer ze ontdekken dat ze naakt zijn (dan lossen ze hun probleem enkel op door de aanblik op hun schaamte aan elkaar te onttrekken), maar wanneer God nadert (dan verstoppen ze zich). Hem kunnen ze niet onder ogen komen en ook hun provisorische ondergoed biedt niet voldoende bescherming.
Er zitten ook bij deze ontmoeting tussen de broers en Jozef twee kanten aan die vrees. Hun vrees komt voort uit angst voor de straf of de verdervende reactie van hem die ze onder ogen komen. En hun vrees wordt ook aangejaagd door de spanning die ontstaat vanuit het besef dat ze hier eigenlijk niet mogen komen. De toegang was dicht; althans in hun optiek. Daar konden zij vanuit zichzelf geen enkele verandering in brengen. Zij konden Jozef niet tot barmhartigheid bewegen. In hoeverre niet ergens diepweg toch die drang in hun verootmoediging zat weet ik niet; God weet het. Maar… het stelt ons vooral de vraag: proberen wij die vrees weg te redeneren? Of proberen we met zogenaamde bevindelijke deemoedigheid God tot barmhartigheid te bewegen? Praten we met grote woorden van slijkzoekende vernedering, zodat het hart van God zou moeten breken? Praten we God voor: U heeft helemaal gelijk als U ons zou wegdoen…? Of smeken we Hem om oprechte verootmodiging, wetend dat het ons ten ene male ontbreekt aan puur, ondubbelzinnig berouw?
De HEERE geeft bovenal puur, ondubbelzinnig. Als Zijn Geest je vervult met berouw, hoef je niet te twijfelen of het wel echt is. Als Hij zegt – en daarin is de HEERE beduidend anders dan welk mens ook – "vreest niet", dan is de vrees ook weg; dan valt er niets meer te vrezen. "Nu dan…" Nogmaals, kort samengevat: "Vreest niet!"

Stil en gerust leven

Jozef voegt bij zijn woorden een belofte die hij ook kan waarmaken, gezien zijn macht en invloed: "Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden." Niet vrezen; wees maar gerust, je kunt een stil en gerust leven leiden, daar in Gosen. Jozef spreekt niet over de lengte van deze belofte; die was immers eindig… Jozef zou eens overlijden (hij was nu reeds op leeftijd maar zou zeker nog een halve eeuw leven). Tevens zou het volk niet eindeloos in Gosen blijven; ze moesten eenmaal weer terug naar Kanaän, nietwaar? Voor die tijd belooft hij hen een stil en gerust leven. Hij zal doen wat in zijn vermogen ligt. 'Onderhouden', 'voorzien van ál het nodige' betekent dat.
Ook in het Avondmaal belooft de HEERE, zoals Hij ook in de Doop beloofde, een gezegend leven in Zijn nabijheid. Voor de tijd die wij hier op aarde zijn, maar in nog veel heerlijkere realiteit in het Beloofde Land! Hij belooft, wat Hij ook kan waarmaken, gezien Zijn macht en invloed. Kom maar, zeul geen ballast aan goddeloosheid noch godsdienstigheid mee. Laat Mij je dragen, maar zonder dingen die niet nodig zijn te dragen. Ik zal je voorzien van ál het nodige, om Mij te dienen, anderen tot het heil met jaloersheid te trekken én om eindelijk in het Beloofde Land aan te komen.
Stil en gerust… dat is het vertrouwen van een kind aan de borst van zijn of haar moeder. Het vertrouwen van een kleuter die de hand van zijn of haar vader beet houdt. Al de weg leidt mij mijn Heiland… Jezus ga ons voor! Wie maar de Goede God laat zorgen. Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand loop ik met gesloten ogen naar het onbekende (nu ja, onbekend!) land.
  1. Geloof je de gewisse belofte dat je zonden zijn vergeven om Christus' wil?
  2. Vertrouw je de HEERE op Zijn Woord? En laat je Hem dus voor je zorgen?
  3. Hoe staat het met het verlangen naar het Beloofde Land? Wat is de kern van dat verlangen?