Posts tonen met het label Kanaän. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kanaän. Alle posts tonen

dinsdag 1 mei 2018

Het geweten en Gods oordeel over een heel volk?

Hoofdstuk 5


En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs. Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
Handelingen 7 : 11-13



Als rechtgeaarde gereformeerden belijden we met een zekere ­stelligheid dat God zonden straft. Zeker zonden, die blijk geven van een groot, nationaal verval. Maar hoe gaan we om met geesteloosheid in de kerk, terwijl er zonden aan de hand worden gehouden? Of terwijl er zonden worden verzwegen ‘om erger te voorkomen’?


Is honger een oordeel?Stefanus blijft doorzagen over Jozef en zijn grote broers. De mensen moeten haarfijn hebben aangevoeld dat hij dat met een speciaal doel doet. Het is zo merkwaardig dat we aan het einde van Petrus’ Pinksterpreek onder het volk ‘verslagenheid in het hart’ opmerken, terwijl aan het einde van Stefanus’ preek straks de bom barst. In dezelfde stad, misschien zelfs dezelfde mensen en zo’n totaal andere uitwerking! Is Stefanus provocerender bezig dan Petrus? Had hij niet beter een mildere, liefdevoller toon aan kunnen slaan, zoals Daniël: “Wij en onze vaderen…”?
Stefanus gaat niets uit de weg, maar bouwt zijn preek stapje voor stapje op naar een statement. Laten we zien wat hij met de geschiedenis van Jozef en zijn broers gaat doen.
Hij verlaat even het spoor ‘Jozef in Egypte’ en neemt zijn hoorders mee terug naar Kanaän: “En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.” Eerst stelt hij dat de honger in zowel Egypte als Kanaän heerste. Een internationale ramp. Daarna zegt hij dat er ‘grote benauwdheid’ was. Waar? In die beide landen? Natuurlijk zal dat de angst zijn voor de hongerdood. Maar waarom was er angst bij Jacob en zijn zonen? Zij hadden toch een belofte van God gekregen? Tenslotte zegt Stefanus dat ‘onze vaders’ geen eten konden vinden om hun honger te stillen. Wel, dan zou je verwachten dat er op volgt: “En zij riepen tot de HEERE en Hij verloste hen.” Maar niets is minder waar!
Nomaden trekken toch altijd, op zoek naar eten voor de kudde? Blijkbaar wisten ze dat in Egypte ook honger was. Waarom gingen ze dan niet de andere kant op? Waarom bleef Jacob vastzitten aan zijn plek? Wilde hij het graf in Machpéla niet verlaten? Werd de setteling hem nu fataal? Of wilde hij niet vertrekken, omdat hij bleef hopen op Jozefs terugkeer? Immers, als hij weg zou trekken, zou Jozef hem nooit meer terugvinden!
En de broers… Zou nu werkelijk bij geen van hen de gedachte zijn komen bovendrijven dat deze hongersnood hen weleens zou kunnen overkomen vanwege hun leugenachtigheid? Zelfs Jona kwam tot die belijdenis en liet zich in zee werpen. Maar niets van dat al! De hongersnood bleef in de clan van Israël een op zichzelf staand voorval.
 
Jacob treedt opDan is daar dat verrassende bericht dat er in Egypte volop koren is. Het zijn niet de ‘patriarchen’, maar het is vader Jacob die het initiatief neemt om daar koren te gaan kopen. We horen de elf broers niet tegenstribbelen, maar het is toch ondenkbaar dat geen van hen op dat moment aan Jozef heeft gedacht? Minstens tien van die elf moeten toch de mogelijkheid open hebben gehouden dat Jozef nog in leven kon zijn?
Natuurlijk konden ze niet weten hoe het met Jozef was afgelopen. Ze moeten zich hebben ingebeeld dat, als ze hem ergens als slaaf zouden tegenkomen, ze vanuit hun positie als ‘zelfstandige ­veehouders’ wel ‘boven’ hem ­stonden en hem konden negeren. Maar het feit dat ze hem in de ogen zouden moeten kijken op dat moment moet toch een onrustmakend gevoel hebben gegeven. Zoals er vandaag tot in de kerken mensen zijn die diepweg precies weten waar ze mee bezig zijn, maar een ander ‘gezicht’ op zetten, een masker, om zich een houding te geven.
Ze gingen voor de eerste keer en kwamen geheel anders terug. Jozef had zijn broers ontmoet, maar de broers hadden Jozef nog niet ontmoet. Ze waren slechts op de hoogte van een bedreigende en strenge onderkoning, die als een Big Brother alles van hen leek te weten.
En terug bij Jacob in Kanaän was het lachen over het gekochte graan en het leven dat dat graan vertegenwoordigde, hen wel vergaan. Er stond hen een loodzware taak te wachten: Benjamin moest mee. Hij was weliswaar voor hen het kleine broertje, maar moet toch een volwassen kerel zijn geweest op dat moment!

Jozef treedt opEigenlijk verwacht je een tussenkopje dat ‘Juda treedt op’ is getiteld. Maar Stefanus volgt een heel andere lijn. Hij noemt Benjamin niet; hij zegt niets over Simeon, over Ruben of Juda. Nee, hij schildert de broers voor de ‘tweede reize’, de tweede keer op reis, om uiteindelijk weer bij de grimmige onderkoning te verschijnen. Daar staan de helden met hun beknelde gewetens! Gaat er nog geen lampje bij hen branden?
Dit zou de dag hebben kunnen worden dat ze alle elf met een hartstilstand voor Jozefs troon zouden liggen. Neergeveld door de kracht van Jozef, toen hij zei: “Ik ben Jozef!” Wat gebeurde er precies met de ‘patriarchen’? Ik denk dat tien van hen direct dachten: dit is het einde! Maar één van hen dacht: nu komt alles goed! Want mijn broer zal nu alles goed maken! ­Benjamin is de enige die niets te vrezen had. Hij had zijn broer niets kwaads berokkend. Hij had de liefde van Jozef al eerder die dag gevoeld, maar nog niet kunnen plaatsen. Maar nu Jozef zich openbaart, weet hij: het komt goed!
Het geweten van Benjamin zal zeker niet brandschoon zijn geweest, maar de ‘verschijning van zijn broer’ was een grote en zeer verheugende dag! Als Jozef had gezegd: “Komt in gij gezegende mijns vaders”, dan had Benjamin geen schrik of angstige schaamte gevoeld. Omdat hij een rechte relatie met Jozef had. Voel je de lijn naar de Messias, onze geliefde Heere en Zaligmaker Jezus Christus en Zijn Bruid?
Maar deze dag is voor Jozef ook een ingrijpende dag. Hij maakt zich niet allen bekend aan zijn broers, maar “het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar”!
Nu kwam Farao erachter dat Jozef een Hebreeër was, in zekere zin een Kanaäniet! De latere Farao zou heel anders reageren toen na 40 jaar bekend werd dat Mozes zo’n vervloekte Hebreeër was.
Voor Jozef had dit nog vervelend kunnen uitpakken. Maar het werd weer door de HEERE op wonderlijke wijze tot iets goeds omgebogen. En die schijnheilige broers? Ze vonden het leven! Jozef wilde zelfs niet eens een hard woord tegen hen spreken. Het was feest, “want deze mijn broers en… mijn vader leven nog! Kom, laten we feest vieren! Feest, zoals we nog nooit hebben gevierd! Geen hongersnood maar een onverzadigbare vreugde!” Jozef leeft en zij met hem! Zie je die peilloze diepte van overeenkomt met Jezus?

vrijdag 27 april 2018

Met de deur in huis

Hoofdstuk 2


En hij zeide: “Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in ­Mesopotamië, eer hij woonde in Charran;
En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran.
En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.”
Handelingen 7 : 2-4

Als jij je zou moeten verweren tegen medegelovigen die menen dat jij een dwaalleraar bent, waar zou je dan beginnen in het gesprek? ­Stefanus begint met vader Abraham van wie ze allen afstammen. De vraag is: waarom? Hij lijkt haast met de deur in huis te vallen.
Het publiek aangesproken
Na de vraag van de Hogepriester, of het klopte wat er werd beweerd, neemt de beklaagde Stefanus vrijmoedig het woord. Hij spreek zijn publiek aan met ‘broeders’ en met ‘vaders’. Dat is opmerkelijk. Met ‘broeders’ spreekt hij zijn leeftijdsgenoten aan, maar wist de grens uit tussen hun verschillende afkomst. Stefanus de Griek had een andere – en voor sommigen zelfs een inferieure – komaf, dan de geboren en getogen Joden in Jeruzalem.
Met ‘vaders’ spreekt hij op een respectvolle manier de ouderen en de eerbied­waardigen in zijn publiek aan. Zo komt hij heel dichtbij. Van daaruit kan hij ze ook gemakkelijk meenemen naar hun gemeenschappelijke origine: onze vader Abraham. Hoewel niet duidelijk is of Stefanus een directe afstammeling van Abraham is, is deze wel zijn geestelijke stamvader.
Even tussen twee haakjes: hij heeft wel direct de aandacht; zijn maiden-speech wordt niet onderbroken en iedereen kan hem volgen in zijn betoog. Ze kennen de materie, ze herkennen de namen en kunnen plaatsen wat hij zegt. Dat is een heel belangrijk aspect bij het preken!

Onze vader Abraham
Veel preken beginnen met een duidelijk voorbeeld voor jongeren, doeners en hen die snel zijn afgeleid. In Stefanus’ dagen was dat nog niet de gewoonte, maar je zou eigenlijk kunnen zeggen dat zijn preek één aaneenschakeling van voorbeelden is. Hij begint bij Abraham. Waarom?
Dat is een lastige vraag. Op de site van OudeSporen* staat een Bijbelstudie over dit gedeelte waarin het volgende staat:
“Stefanus is het werktuig van de kracht van de Heilige Geest die getuigt van de ­verheerlijkte Christus, die nu zó aan Israël werd voorgesteld, nadat ze Hem al verworpen hadden in Zijn vernedering. Vanaf de val tot de zondvloed werd de mens, hoewel hij niet zonder getuigenis werd gelaten, overigens aan zichzelf overgelaten. Er waren geen bijzondere wegen en instellingen van God. Het resultaat was de zondvloed, die om zo te zeggen kwam om de aarde van haar verschrikkelijke verontreiniging en geweldpleging te zuiveren. Op de nieuwe aarde begon God Zich met de mens bezig te houden. Bij Noach zien we hoe de regering werd opgedragen aan de mens. Maar bij Abraham, dat iemand door verkiezende genade werd uitgeroepen en Gods beloften ontving, toen de wereld de demonen diende. Dat was het begin van de geschiedenis van Gods volk. […] Hij [Stefanus] begint dus met hun geschiedenis vanaf het begin van Gods weg, namelijk vanaf Abraham, die werd uitgeroepen door de openbaring van de God der heerlijkheid. Abraham was wel traag om te gehoorzamen, maar hij werd ten slotte door Gods geduldige genade in Kanaän gebracht. Niettemin was hij een ­vreemdeling in het beloofde land; en slavernij zou het deel van zijn nakomelingen zijn, totdat God in genade tussenbeide kwam. Het deel van de gezegende patriarch was dus niet dat hij de beloften bezat, maar dat hij een vreemdeling was. Terwijl het deel van zijn nakomelingen gevangenschap zou zijn, totdat God hen met een sterke arm zou verlossen. Niets is zo treffend als de kalme verhevenheid boven omstandigheden die Stefanus openbaart. Hij vertelt de Joden een geschiedenis die ze niet konden ontkennen, een geschiedenis waarop ze zich ­beroemden. Maar die geschiedenis veroordeelde hen geheel en al. Ze deden precies zo als hun vaders.”

Preken als Jezus
Hoewel dus de insteek van deze preek best scherp was, nuanceert Stefanus zijn woorden wat door dat woordje ‘onze’. Hij zet zich naast zijn publiek. Tegelijk grijpt hij ook terug naar iets dat erg leefde bij de Joden: “wij zijn Abrahams kinderen”. Ze beroemden zich graag op hun afkomst. Daar had Jezus ook eens de vinger bij gelegd: “Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken Abrahams doen.” (Johannes 8:39). Zou Stefanus deze woorden toen ook hebben gehoord en daarom juist bij deze Abraham zijn begonnen in zijn preek?

Charran en Kanaän
Stefanus spreekt over Charran, dat je moet lezen als de fonetische vertaling van het Hebreeuwse ‘Haran’, dat je als ‘Charan’ uitspreekt. Haran… dat was zijn broer, zowel als de plaats onderin Turkije, vlak boven Syrië, waar ze vanuit Ur naartoe reisden. Had Haran die plaats naar zichzelf genoemd? Dat lijkt haast niet, want hij moet al in Ur zijn gestorven. Toen God Abraham riep, vertrok hij uit Ur en nam zijn vader Terah mee, alsmede zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot, de zoon van Haran.
In Haran bleef Abraham om niet erg duidelijke redenen hangen; het overlijden van zijn vader Therah bracht hem weer in beweging op de weg van Gods belofte. Het is duidelijk dat God welmenend roept, maar dat de mens niet per definitie volgt. Niettemin legt Stefanus de vinger bij het accent ‘gehoorzaamheid’ en stelt Abraham als een goed voorbeeld voor. Stefanus zou zo instemmen met de Hebreeënbrief: “Door het geloof is ­Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte. Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” (Hebreeën 11 : 8-10).

Het dispuut of twistgesprek met Stefanus, geschilderd door Vittore Carpaccio, 1514, 147 x 172 cm,
Pinacoteca di Brera, Milaan

woensdag 7 september 2016

Hoe Jozef een aartsvader werd

"En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren."
Genesis 50 : 23

Als je van de mensen in de dagtekst een foto zou maken, zou je vier generaties zien. Op de foto hierboven staan ook vier generaties: allen met de naam Johannes Hermanus Gunning; overgrootvader was predikant, zoon J.H. Gunning jr (rechts) werd ook predikant en later professor in de theologie; zoon J.H. Gunning JHzn (links) werd o.a. predikant in de Sint Jan te Gouda; diens zoon, de dopeling die bij overgrootvader op zijn knieën ligt – eveneens een J.H. – werd echter belastingambtenaar; maar diens zoon werd ook weer predikant. Bron: RefDag

Je kunt deze tekst als een feitelijke mededeling beschouwen, maar toch is er meer over te zeggen. Dat doen de Kanttekeningen ook en het is wel aardig om die als leidraad voor onze overdenking te gebruiken. Kinderen krijgen en je kleinkinderen zien opgroeien is een zegen. Zelf sta ik op het punt om voor de eerste keer opa te worden en ik probeer me in de denken hoe dat zal zijn.

Grootouder worden is één kant van de zaak; dan is het jouw 'bloed' dat je verder ziet stromen. De andere kant van de zaak is dat jouw kinderen nu gaan beginnen te ervaren, wat jij al enige tijd achter je hebt liggen. Hun leven gaat zich nog verder verzelfstandigen. Zij zijn naast jouw kinderen nu ook de ouders van jouw kleinkinderen. In de moderne westerse samenleving staan grootouders meestal aan de zijlijn (of ze fungeren als goedkope oppas in de plaats van hun werkende kinderen) en maken op afstand de ontwikkeling van hun kleinkinderen mee. Opa's en oma's moeten zich vooral niet te zeer bemoeien met de opvoeding van hun kleinkinderen, want anders ontstaat er polarisatie.
Maar vroeger was dat anders; in Jozefs tijd – zo blijkt uit de dagtekst – was opa Jozef er voluit bij betrokken. Jozef kan met recht een aartsvader worden genoemd. En soms denk ik: zijn we in het moderne westen misschien iets heel waardevols kwijt geraakt? En wel zo: zijn grootouders nog in staat om net als Jozef (en Jacob en Izak en Abraham) werkelijk iets te betekenen in het leven van kinderen en (achter)kleinkinderen? Dat gaat verder dan alleen cadeautjes geven, spelletjes doen en verwachten dat de kleinkinderen keurig bij je op visite komen. Aartsvader en -moeder zijn betekent een uitstraling hebben die door Gods Geest wordt gegeven en gebruikt, waarlangs niet jij maar de HEERE iets kan uitwerken in het leven van de volgende generaties. Dat zijn pittige gedachten die ik ook over mijn eigen leven moet leggen. Een spiegel, een realiteit die verootmoediging uitwerkt.

Geboren uit jouw kinderen

De tekst spreekt over 'het derde gelid' en over kinderen van Jozefs kleinzoon Machir (achterkleinkinderen dus). In de Kanttekeningen wordt opgemerkt: "Hebr. kinderen der derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kindskinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16. Ps. 128:6. Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, Gen. 48:19.
Je kunt ook denken aan de Tien Geboden waarin wordt opgemerkt dat de HEERE de zonde der vaderen bezoekt (of dat de zonde effect heeft) tot in "het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten". Daar heeft het een geladen betekenis. Bij Job is het vooral de zegen, wanneer hij – na al zijn kinderen te zijn kwijtgeraakt – zelfs nog zijn achterkleinkinderen heeft mogen zien. Dezelfde zegen die ook in Psalm 128 wordt beloofd.
Je achterkleinkinderen mogen zien is meer dan een bereikte status: het maakt je al kleiner en de vreugde en dankbaarheid zijn voor God. Die kinderen te zien geboren worden is het bewijs van Gods zegen over jouw leven. Genade wordt zichtbaar en tastbaar!
Er is nog iets dat me opvalt in de tekst. Er lijkt zich – of ik moet mij vergissen – een soort tegenstelling of wedijver te voltrekken in de verschillende bewoordingen over enerzijds Manasse en anderzijds Efraïm. Wedijver is misschien niet het juiste woord, maar wellicht gradatieverschil. Efraïm wordt als eerste genoemd, hoewel hij van deze twee de jongste was; Manasse was de eerstgeborene aldus Genesis 48 : 14. Efraïm is vooropgezet en de zegen van vader Jacob wordt zichtbaar in het feit dat Jozef ook van Efraïm kinderen mocht zien in het derde gelid (achterkleinkinderen, de kleinkinderen van Efraïm). Ik haal even Numeri 26 erbij (en ook 1 Kronieken 7 biedt zo'n aardig overzicht):
28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31 En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
33 Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
Efraïm kreeg minstens drie zonen: Sutélah, Becher en Tahan. In 1 Kronieken 7 wordt direct de lijn voorgezet met Sutélah, telkens 1 zoon. Sutélah kreeg volgens Numeri een zoon Eran en volgens 1 Kronieken 7 ook nog een zoon Bered. Met die nazaten van Bered loopt het niet zo goed af; niettemin ontvingen ze wel een duidelijk zegen van Jozua, dat ze de Filistijnen zouden overwinnen. Het vreemde was namelijk dat Manasse en Efraïm aanvankelijk 1 lot kregen toen het land Kanaän werd verdeeld. Het gebied werd al snel te klein en ook de zegen van vader Jacob kwam hierdoor onder druk te staan. Ze kwamen daarom bij Jozua (die ook een nazaat van Efraïm was) die hen zegende en het gebergte bij Gath ook gaf, belovend dat ze onoverwinnelijk zouden zijn voor de filistijnen. Maar dat is wel beproefd geworden. Terug naar de tekst: Jozef heeft deze Eran en waarschijnlijk ook Bered dus nog zien geboren worden en opgroeien. Hij heeft ze vast ook op schoot gehad als tastbare bewijzen van Gods goedheid en trouw.
Nu naar Manasse. Hoewel hij de eerstgeborene was, werd hij toch op de tweede plaats gezet. Niettemin had Jacob gezegd: "Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij (Manasse) zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden." Die zegen heeft Jozef, die bij die zegening aanwezig was, bewaarheid zien worden toen Manasse (klein)kinderen kreeg. Enkel Machir wordt genoemd, als kind van Manasse. Hij kreeg een zoon Gilead. Jozef heeft Gilead dus nog gezien; sterker nog, hij heeft een bijzondere band met hem gehad (hij werd op Jozefs knieën geboren; daarover straks). Gilead bracht een groot volk voort dat uiteenviel in de nazaten van zijn kinderen: Jezer, Helek, Asriël, Sechem, Semida, Hefer. Die laatste had een zoon die enkel dochters had; daar lezen we over in Numeri 26, wanneer zij eigenlijk geen erfdeel ontvangen, bij de verdeling van het land Kanaän.

Geboren op jouw knieën

Een merkwaardige uitdrukking. Jozefs moeder had die term ook al in haar mond genomen, toen ze onvruchtbaar bleek. Ze had tegen Jacob gezegd (wij westerlingen zouden dat nooit kunnen begrijpen): "Neem mijn slavin Bilha dan, als je mij niet zwanger kunt maken! Dan moet zijn maar op mijn knieën baren". Net letterlijk natuurlijk, maar toch. Zie je die Bilha staan, terwijl haar meesters dit koud en chagrijnig zegt? Ze moet er direct een beeld bij hebben gehad. Dat betekende geslachtsgemeenschap met naar heer, maar ook de moeite en pijn van de bevalling ten behoeve van het genot van haar meesteres. Dan en Naftali zijn dus het product van Rachels jaloezie richting haar zus Lea. Des te opmerkelijker is dat juist Jozef deze term ook weer gebruikt.
De Kanttekeningen leggen bij deze term uit: "Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid met blijdschap en vermaking placht op zijn schoot te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kinderkens gemeenlijk doet." Op je knieën tekent het beeld dus van op schoot nemen en liefde geven. Dat is wel typisch het beeld van een ouder of zelfs een grootouder. Maar er zit meer in, als je kijkt naar Rachel: bezit of in ieder geval een verbinding die gelijkwaardig is aan ouder-kind. Daarnaast inderdaad ook de intieme relatie. Over Jezus wordt gezegd dat Hij de Zoon van de Vader was, altijd in de schoot des Vaders verkerend en de vermaking was van Zijn Vader. Dat is meer dan alleen een spelletje samen doen met opa: 'ik zie ik zie wat jij niet ziet' of 'hobbelpaard, hobbelpaard… gat in de weg'. Opa, of in Jozefs geval overgrootvader, keek naar het kleine kind en zag er Gods betrouwbaarheid in. Hij knuffelde het kind en liefkoosde zo Gods bewezen trouw aan Zijn belofte! Tegelijk een dankgebed als dankoffer opzendend naar God de Vader: "Heere, het is écht. Wie is aan U gelijk?!"

Zouden we nog steeds zo naar onze kinderen, klein- en achterkleinkinderen kunnen kijken? Zouden we nog steeds zó betrokken kunnen zijn op onze nazaten? Of gaat dat niet meer lukken? Ik geloof – de emancipatie van de jongeren ten spijt – dat de HEERE nog steeds zo kan werken en grote wonderen kan doen. Het gebed en de hartelijke geestelijke betrokkenheid op onze nazaten kan het keiharde modernisme en de emancipatie- en expansiedrang van het westers maatschappelijk denken doen barsten als een gestage waterdruppel een keisteen. Dit goddeloze tijdperk van wetteloosheid kan ons wel voorschrijven wat moet moeten vinden, voelen en doen, maar kan ons nooit de rijkdom van het leven met de HEERE ontnemen. Als Jezus door een dichte deur kan binnenkomen bij Zijn jongeren, dan kan Hij dat vandaag de dag ook bij elke jongere! Laat hen in die zin maar op jouw 'knieën geboren' zijn; ik bedoel: laat ze maar op jouw ziel liggen en neem ze mee in je gebed, probeer ze te bereiken en laat ze merken dat je voor hen bidt; dat hun eeuwig heil jouw persoonlijk aan het hart gaat. Dat is aartsvader en -moeder zijn in de 21e eeuw! En misschien mag je net als Jozef Gods trouw tastbaar zien worden in hen, terwijl ze op 'jouw schoot' zitten. Dan mag je een diep vermaak hebben, door hen heen in God Die machtig is harten te treffen en door te gaan met Zijn zaligmakend werk.

  1. Wat vind je van de hiervoor genoemde visie op geestelijk aartsvader- en -moederschap? Hoe zou jij dat praktisch kunnen maken en wie zou jouw geestelijke betrokkenheid op dit moment het hardste nodig hebben?
  2. Zou je die kennis en ervaring ook op andere opa's en oma's kunnen overbrengen? Zie je ook dingen misgaan in de relatie grootouders-kleinkinderen? Wat zou je daaraan kunnen doen?
  3. Hoe zou je hier ook gestalte aan kunnen geven, ondanks dat je geen kinderen hebt of zelfs niet getrouwd bent?

dinsdag 3 mei 2016

Ezau's ethische ontwikkeling

Farao, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis;
in dit geval Thutmoses III, vader van de
vermoedelijke farao (Amenhotep II) die
tijdens de Exodus regeerde en verdronk
Op ethisch en sexueel gebied kunnen kinderen sterk worden gevormd en beïnvloed door hun ouders. Om enkele voorbeelden te noemen: de uitspattingen van David en Bathséba hebben hun sporen getrokken in de levens van diverse van Davids kinderen. De slappe houding van Eli verergerde de goddeloosheid van Hofni en Pinéhas. De voortrekkerij van Jacob jegens Jozef stimuleerde de jaloezie en goddeloosheid bij zijn andere zonen. De voortdurende verdachtmaking van Jezus door de farizeeën maakte dat een heel volk kon roepen: "Kruist Hem!"
We hebben al even iets gezegd over opa Abraham die God een handje wou helpen met de realisatie van Diens belofte van een zoon. Daar is Ismaël de dupe van geworden. Deze jongen heeft tijdens zijn leven moeten ervaren dat hij er eigenlijk niet behoorde te zijn. Zo sterk heeft God dat niet geaccentueerd, want Hij gaf Ismaël grote zegeningen en beloften voor zijn toekomst. Maar niettemin was zijn moeder zwanger gemaakt en was hij op een oneigenlijke wijze, zeg maar liefdeloos, verwekt. Als jaren later Izaäk wordt geboren ervaart Ismaël heel duidelijk dat hij een tweederangs kind is geworden. Zijn vader zal dat niet zo hebben laten merken, maar dat móet iets met die jongen hebben gedaan. Hij zocht een leven waarin hij voor zichzelf wilde opkomen. "Ik heb niemand nodig… Ik red mezelf wel!"
Zowel bij Abraham als bij Izaäk gebeurde nóg iets raars: beiden hebben op een gegeven moment ontkend dat hun vrouw hun vrouw was! Welk effect had dat op zoon Izaäk en (klein)zoon Ezau?

"Als nu Ezau veertig jaren oud was,
nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet,
en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes."

Genesis 26 : 34-35

"Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend,
en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen;
en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende:
Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;
en dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was,
en naar Paddan-aram getrokken was;
en dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,
Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth."
Genesis 28 : 6-9

Ontrouw 1 en 2

Honger is een kwade rode draad door de geschiedenissen van Abraham, Izaäk en Jacob. Als Abraham enige tijd in het beloofde land woont, weliswaar als vreemdeling, breekt er honger uit. En geloof me, dat is een enorme aanvechting voor hem geweest. Waar is nu Gods belofte? Abraham kiest voor de vlucht; dat kon ook gemakkelijk, want hij was een nomade die voor zijn vee mals gras en water zocht. Die noodzaak gaf hem een reizend bestaan. Al zoekend leek hij af te zakken naar Egypte; maar als ik goed lees in de Bijbel dan lijkt hij toch heel bewust voor Egypte te hebben gekozen. Eerst is hij inderdaad op zoek naar voedsel (Genesis 12 : 9) "gaande en trekkende naar het zuiden." Maar later maakt hij een welbewuste keuze voor Egypte: "En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land."
Of dat goed of slecht was laat ik even in het midden. Maar er gebeurt iets merkwaardigs: "En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was."
Saraï wordt opgenomen in het harem van de Farao met alle gevaren van dien. Daarom wordt ook zo heel duidelijk in de Bijbel onderstreept dat uit die relatie GEEN kind is voortgekomen.
Nadat Farao erachter is gekomen – door plagen van God – dat Sara niet alleen de halfzuster van Abraham is, maar ook zijn huwelijksverbondspartner, weet hij niet hoe deemoedig hij die grote en vreselijke God moet tevreden stellen. Hij geeft enorm veel geschenken aan Abraham en zendt hem weg. En – zo vertelt het apocriefe Boek des Oprechten – farao gaf zijn dochter Hagar als dienstmeisje aan Saraï. Dat liep met een sisser af, zou je denken.
De eerste barst ontstaat reeds in het volgende hoofdstuk, Genesis 13, wanneer de herders van Lot en van Abraham ruzie krijgen. Daar wordt met geen woord over gerept, maar zou het niet zo kunnen zijn dat Lot zich is gaan schamen voor deze ongeloofsdaad van zijn oom? Er staat met dikke woorden "Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud." Ja, hoe komt Abraham aan zoveel rijkdom? Is dat een beloning op zonde? Lot moet dat niet hebben gesnapt. Direct daarop ontstaat dan ook ruzie tussen Lot en Abraham en ze gaan uiteen.
Maar wie schetst onze verbazing als Abraham in Genesis 20 – nota bene na de verbondsvernieuwing en de belofte dat Sara een kind zal krijgen (!) – opnieuw in dezelfde fout valt. Hij heeft een tijd bij de eikenbossen van Mamré gewoond maar trekt verder richting Gerar in het land van de latere Filistijnen. De koning daar (die Abimelech als aanspreektitel heeft, zoals farao de aanspreektitel van de koning van Egypte is) laat zijn oog op de inmiddels 89-jarige Saraï vallen. En hij vindt haar 'schoon'. Ze was op haar oude dag nog een knappe verschijning. Ook hij komt erachter dat Abraham liegt. Maar… in deze geschiedenis is Ismaël al geboren en besneden! Hij heeft dit als 12-jarige jongen meegemaakt. En plots had hij een heel ander beeld van zijn godvrezende en diepgelovige vader! Het mag voor Ismaël nooit een stok zijn om de hond te slaan, maar het heeft er zeker niet aan meegewerkt dat hij de HEERE oprecht ging dienen. En dat zal zijn moeder Hagar natuurlijk ook hebben onderstreept. Is dat nou de dienst aan de HEERE? De goden van Egypte waren wel anders!

Ontrouw 3

Al deze dingen zijn op zich buiten het blikveld van Izaäk gebeurd. Mogelijk heeft zijn broer Ismaël er wel iets over verteld toen ze wat herinneringen ophaalden bij de begrafenis van moeder Saraï (Genesis 23) of wellicht bij die van vader Abraham (Genesis 25).
In Genesis 26 breekt er opnieuw honger uit en maakt Izaäk dezelfde reis als zijn ouders: naar Gerar. "En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Alzo woonde Izak te Gerar."
Izaäk gaat niet voor niets naar Gerar; al weet ik niet precies waarom. Wellicht had het verbond van Abimelech met Abraham daar een bepaalde rol in. En ook in deze geschiedenis gaat de Abimelech van Gerar een verbond aan met Izaäk. Maar eerst verkoopt Izaäk dezelfde leugen als zijn vader: die vrouw is niet mijn vrouw, maar mijn zus. Izaäk loog nog sterker dan zijn vader. Zijn schoonvader was zijn neef en Rebekka was zijn achternichtje.

Naast deze leugen wijs ik op nog één detail: God zegt expliciet tegen Izaäk dat hij níet naar Egypte mag afdalen. Waarom? Het wordt nergens toegelicht. Was het vanwege het voorval van Abraham in Egypte? Ik geloof het niet. Want hij gaat hier wel naar Gerar, waar eenzelfde intrige had plaatsgevonden. Er zijn bronnen die zeggen dat Izaäk in het beloofde land moest blijven van God. Dáár moest zijn toekomst zijn. Men ziet in Hem de contouren van Christus Die in de hemel blijft na Zijn hemelvaart, en op afstand, door Zijn Geest, mensen toebrengt tot Zijn Koninkrijk. Het is mooi, maar waarom mocht Jacob later dan wél naar Egypte gaan? En zou er niet gewoon een praktische oorzaak voor dit verbod kunnen zijn? De oorzaak: Ismaël? Bedenk namelijk dat in deze geschiedenis Ezau en Jacob al zijn geboren en opgroeiende kinderen zijn. Ook zij zien hier gebeuren, wat Ismaël jaren geleden op deze zelfde plek heeft meegemaakt: vader doet alsof moeder niet bij hem hoort. Dit moet Jacob zijn bijgebleven; maar dit heeft ook Ezau sporen getrokken!

Ontrouw 4

Ezau zou eens laten zien dat hij dit soort praktijken er nooit op na zou houden. Hij is net als zijn vader 40 jaar als hij een vaste relatie met een vrouw begint. En ik denk dat ik weinig fantasie gebruik als ik stel dat er al wat losse escapades hebben plaatsgevonden met Ezau en de meisjes. Hij is niet alleen dierenjager maar, als ik mij niet vergis, ook een rokkenjager. En als pa Izaäk daar iets van vindt, dan kan hij ongezouten een verslag van 'Papa in Gerar' krijgen. Natuurlijk gebruikt Ezau hier een stok om de hond te slaan. Want Izaäk heeft in Gerar – in de affaire met al die waterputten en de ruzies eromheen – ook laten zien dat hij de minste kon zijn. Izaäk heeft in zijn leven echt wel laten zien wat de dienst aan de HEERE inhield. En welke vader is zonder zonde? Maar voor afhakers zijn dat geen vergoeilijkende omstandigheden!
Met het huwelijk dat Ezau sluit zet hij een definitieve stap buiten de traditie en het Verbond. Hij trouwt met een heidens meisje: Judith. En… hij treedt in de sporen van Kaïns nageslacht door ook nog een tweede vrouw te nemen: Basmath; hoewel… drukte hij de voetstappen misschien van zijn opa Abraham die naast Sara ook Hagar als vrouw nam? En als Izaäk het idee van Ezau probeerde af te raden, dan zou hij fors de waarheid te horen krijgen: "Kijk eens naar je eigen vader?!" "Ja maar, jongen, je bent besneden. De HEERE heeft recht op je hart en leven." "Daar heb ik niet om gevraagd. Laat mij met rust en geef me de ruimte. Ik zal niet doen alsof Judith en Basmath mijn vrouwen niet zijn. Ik verloochen ze niet! Ze zijn me lief en met hen is het leven ooit saai!" Die zit. Ja, de Kanaänieten kunnen er wat van op sexueel gebied. Sex was hun godsdienst. Wat wil je nog meer… Het lijkt wel alsof ze in de 21e eeuw leven!
Maar… als Jacob de boel bedriegt en nog een extra afscheidszegen krijgt van zijn vader (!), is de maat voor Ezau vol. Hij ziet dat zowel zijn moeder (maar daar had hij toch al nooit wat mee) als zijn vader al hun liefde aan Jacob besteden. Ze voorzien hem van goede adviezen om naar de familie in Paddan-aram te gaan en daar een vrouw te zoeken; vooral niet in Kanaän, net zoals Ezau! Niet handig, want Ezau heeft het gehoord. En hij irriteert zich mateloos aan die schijnheilige broer die 'gehoorzaam' doet wat zijn pappie en mammie zeggen. Jacob gaat netjes in het vrome spoor; ja ja; maar wel met allerlei leugens en slimmigheidjes. Ezau is erin geluisd!
Bruut draait hij zich om en gaat – wat Izaäk niet mocht doen – naar Ismaël. Hij neemt zijn twee vrouwen mee en wellicht zijn er ook al wat kinderen geboren, want waarschijnlijk is Ezau dan al 30 jaar getrouwd! Oom Ismaël ontfermt zich over zijn neef en zal het anti-godsdienstige vuur best hebben aangewakkerd. Tot overmaat van ramp trouwt Ezau met de oudste dochter van Ismaël, die toch ook al op jaren moet zijn geweest. Alleen maar om zijn ouders te stangen. Wat moet daarvan terecht komen?
Voor Rebekka (ik denk vooral dat het haar betreft; moeders zijn daar feller in) en Izaäk waren Ezaus twee eerste vrouwen al een drama: een bitterheid des geestes. Het hield hen wakker en legde een venijnige domper op het gezinsleven. Daaronder is Jacob ook nog 30 (!) gebukt gegaan. Dat kon dan ook best eens de reden zijn dat hij bij zichzelf heeft besloten dat Ezau dat eerstgeboorterecht echt niet meer verdiende; dat moest Jacob op de een of andere manier veiligstellen; anders zouden de bezittingen van vader en moeder zo naar de 'Filistijnen' gaan… En die belofte van de Messias al helemaal!
Maar voor Ezau was het ook zuur om constant te voelen dat zijn vrouwen niet welkom waren. Hij hield van ze en hij had ervoor gekozen. Ja, het was een keuze tegen God en hij kon weten en snappen dat zijn ouders er verdriet van hadden. Maar er wordt in de tekst niet gesproken over stil verdriet, maar over 'bitterheid des geestes'. Dat schuurt tegen haat. Ligt daarin misschien een les voor ouders in dergelijke situaties? Hoe moeilijk dat ook is, hoezeer je niet blij bent met de keuze van je zoon of dochter, laat haat de deur naar je hart niet dichtklappen. Houdt het voor mogelijk dat jouw liefde een brug kan zijn waarover Gods liefde een heidens hart kan bereiken. Hoe moeilijk die weg ook is. In die twee heidense schoondochters kregen Izaäk en Rebekka namelijk ook twee zielen met een eeuwige bestemming: twee schepselen Gods. Ben ik te gemakkelijk in dit oordeel? Ik weet dat dit heel, heel moeilijk kan zijn, maar het is de prijs waard om je hart open te houden voor deze voor jou onwelgevallige schoonkinderen. Gebed is nodig om niet je gevoel, maar je hart te laten spreken. Want de haat van zijn ouders jegens de twee meiden, is voor Ezau de druppel die de emmer doet overlopen: het ontrouwe verbondskind vertrekt en wordt zo onbereikbaar voor zijn ouders. Hoewel hij voor de volle 100% verantwoordelijk is voor zijn eigen daden!