Posts tonen met het label Ezau. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ezau. Alle posts tonen

maandag 9 mei 2016

Geestelijke bagage van een afhaker

Sarah, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Soms vraag je je af het het toch kan dat één lid van een gelovig gezin afhaakt. Het is heel heilzaam om allereerst te bedenken dat het juist heel bijzonder is dat al die gezinsleden, ouders en/of kinderen, wél in het spoor van Gods geboden willen gaan. Want van nature hebben we daar allemaal geen zin in. Schieten we in de lach als God Zijn belofte bekendmaakt, net als bij Sara. Haar kleinzoons zijn allebei ook uit háár voortgekomen… Gods Geest brengt daar verandering in; niet slechts een goede opvoeding, hoewel die wel dienstbaar kan zijn. Niettemin blijft die vraag knagen: waarom die dochter of die zoon nu juist niet?

Soms betreft het nog niet eens een dwars, uit de band springend kind. Hoe is het mogelijk dat kinderen met dezelfde opvoeding, te midden van dezelfde liefde en geborgenheid, toch zulke verschillende wegen kunnen gaan. En dat de tranen van ouders daar geen enkel effect in lijken te hebben. De wil om toch althans voor de vorm in het spoor mee te gaan, ontbreekt en zo maken deze afhakers zich ook nog eens onbereikbaar voor Gods reguliere instrumenten, waarmee Hij mensen tot geloof beweegt. Zou er nog bagage zijn die ze meenemen? En welk effect heeft dat?

"En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader?
Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende."
Genesis 27 : 38a 

Kostelijke kleding

Wij weten te weinig af van dat eerstgeboorterecht. Ik vermoed dat daar meer achter zit, dan in onze vertalingen staat. Het is wel van enig belang daar nog een keer bij stil te staan, omdat juist ook hierin het breekpunt ligt in Ezau's leven. Ik kom hierop, door een merkwaardige zin in het vijftiende vers van Genesis 27: "Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan." Waarom heb ik hier altijd overheen gelezen? Uit de zondagsschoolverhalen en de kinderbijbels had ik altijd het idee dat Rebekka gewoon een van Ezau's werkjassen van de kapstok pakte en die Jacob aantrok. Zo rook hij naar Ezau, naar wilde dieren en naar buitenlucht. Maar dat staat hier niet. En wie er wat lectuur omheen leest uit de apocriefe hoek en de joodse geschriften, krijgt daar toch wel een heel ander beeld bij.
Wat zijn dat voor kleren? En wat maakte die oude plunje van Ezau (als het dat tenminste was) tot 'kostelijk'? En waarom hingen die kleren bij Rebekka in huis? Om met dat laatste te beginnen: we moeten bedenken dat men in aparte tenten leefde. Zelfs Rebekka en Izaäk. De broers waren inmiddels al op leeftijd (rond de 70 jaar!) en ze hadden elk hun eigen huishouden, inclusief personeel. Maar… vader Izaäk was het stamhoofd. En hoewel hij nu op sterven lijkt te liggen, zal hij nog enkele decennia leven, want pas als Jacob terug is in Kanaän zal hij overlijden (Rebekka is dan reeds overleden). Als we bedenken dat ze elk in eigen tenten leefden, is het des te opvallender dat Rebekka die kleren van Ezau in háár tent had liggen.
In diverse buitenbijbelse bronnen wordt gesproken over deze klederen als waren dit gewaden die te maken hadden met dat eerstgeboorterecht. De oudste was de priester in het gezin en zou zijn vader opvolgen. Die vader was de priester die – denk hierbij aan Ezau's kleinzoon Job (althans dat beweren bepaalde geschriften) – offerde voor zijn kinderen. Hij deed die heilige verrichtingen en droeg dan bij die gelegenheden gepaste kleding: kostelijke of kostbare klederen. Deze gewaden waren als het ware een afschaduwing van de latere priestergewaden.
Te zijner tijd zou ook Ezau deze kleding gaan dragen (of wellicht deed hij dat al in plaats van zijn vader die op bed lag). Hij was dus ook daarin al prima op te hoogte van wat het inhield om de eerstgeborene te zijn. Zijn vader had hem op die taak vast en zeker goed voorbereid. Maar… helaas, die kleding leverde hem niet de inhoud van dit ambt. Zijn hart was er niet bij; sterker nog: hij verachtte dit eerstgeboorterecht voor een bord linzensoep. En terecht noemt Paulus hem een hoereerder, want voor God is verbondsbreuk gelijk aan overspel.
Die kleding werd – zo beweert men – bewaard van generatie op generatie, in manden of koffers met geurige kruiden (van het veld!). En dat was de geur die Izaäk wilde ruiken, toen hij Jacob vroeg hem te kussen. Hij rook die geur en die kende hij uit eigen bevinding. Hoewel Jacobs stem niet klopte, de geur van deze kleding klopte wel en dus wat het goed, dacht hij. Bizar dat deze heilige klederen worden ontheiligd door Rebekka en Jacob! "Uw vloek zij op mij, mijn zoon!", zei Rebekka; en het is gebeurd: ze zou haar zoon na deze dag nooit meer zien in dit leven.

Geestelijke bagage

Zijn vader had Ezau voorbereid op de taak van 'priester'. Dat eerstgeboorterecht was echt wel iets waar tekst en uitleg bij werd gegeven. De stamhouder werd door zijn stamvader ingewijd. En ten laatste ontving hij de zegen als bezegeling; zo ongeveer moet je het zien, vermoed ik. Het merkwaardige is dat in de zegeningen van Izaäk met geen woord wordt gerept over de Messias. Laten we eens kijken wat de jongens beiden meekrijgen en waarin die zegeningen van elkaar afwijken.

Jacob: 
"Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most. Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!" (Genesis 27 : 28-29)
  1. dauw (vruchtbaarheid)
  2. vettigheid (rijke oogsten)
  3. gediend worden
  4. bescherming tegen vloek en uitdeling van zegen

Ezau: 

"Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn. En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken." (Genesis 27 : 39b-40)
  1. vettigheid (rijke oogsten)
  2. dauw (vruchtbaarheid)
  3. dienstbaar zijn
  4. zelfverdediging en opstand
Als Ezau tóch weigerde om onder Jacobs vleugels te gaan zitten, dan zou hij altijd onzeker zijn van zijn bestaan. Dat was natuurlijk onverteerbaar voor zo'n selfmade man, zo'n zelfstandige avonturier. Ezau zou zich ook niet willen laten bedienen door de priesterlijke dienst van zijn jongere broer. Hij had er simpelweg niks mee. Het was hem allemaal te bekrompen; hij vond het poespas. Leuk als je er waarde aan hecht, maar geef mijn portie maar aan fikkie. Ten diepste was Ezau arm… maar zijn macht en zelfredzaamheid verblindden hem om dit te kunnen zien. Afhankelijk zijn van een onzichtbare God en een leugenachtige broer? Nee, dank je!

Merkwaardige houdingen

Tot slot nog een paar opmerkingen bij de houding van Izaäk, Rebekka en Ezau. Wellicht zitten daar lessen in voor ouders of (dreigende) afhakers.

Izaäk trekt voor

"…toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik! […] Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede. […] En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het! […]" (Izaäk in Genesis 27:1b, 8 en 24) en "En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem…" (Rebekka in Genesis 27:13).
Bovenstaande teksten laten zo schrijnend duidelijk zien dat Rebekka echt Jacob claimde, maar dat Izaäk Ezau zíjn zoon noemde. Ik keur de houding van Rebekka niet goed, maar wat is de houding van Izaäk in deze enorm vreemd. Hij geeft overduidelijk de voorkeur aan Ezau (en wat moet dat voor Jacob zijn geweest, toen zijn vader dacht dat hij Ezau was! Hij hoorde met eigen oren de liefdevolle klank in de stem van zijn vader, die exclusief voor Ezau bedoelde klank!) En dat, terwijl Rebekka haar verdriet tegenover Izaäk zo duidelijk had geklaagd over de houding van Ezau. Hoe zouden ouders juist elkaar tot steun moeten zijn in zulke situaties. Hoe zouden ze allereerst de eenheid van het huwelijk boven de voorkeur voor een van de kinderen moeten stellen en elkaar vermanen om juist géén voorkeur te hebben! Kinderen voelen dat haarfijn aan en… maken daar meer dan eens misbruik van!


Rebekka slaat door

"En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?" (Genesis 27 : 46)
Daar zijn ouders met gekrenkte trots soms meesterlijk in: in de slachtofferrol kruipen. Ik snap dat je soms met je handen in het haar zit, niet weet waar het heen moet. Ik snap Rebekka, dat die heidense vrouwen – met hun wulpse uiterlijk en wellicht hooghartige bezitterigheid – haar een doorn in het oog zijn. Het is wel even háár zoon waar zij mee samenleven! En hóe?! Zij heeft de pijn van het baren doorstaan, haar leven er voor over gehad om deze stevige tweeling te baren… en die twee denken er zomaar plezier mee te kunnen maken! Die heidinnen hebben geen belofte aan God gedaan… Rebekka en Izaäk wel. O! Dat maakt het leven wel even anders.
Maar hoe ik het ook begrijp… het is volgens mij toch vooral een zwak van sommige moeders dat ze met allerlei dingen dreigen als het leven de verkeerde kant op lijkt te gaan. Wat zijn dat voor woorden: "Waarom zou ik dan nog leven?" Heb je als moeder dan niet een té hoge dunk van je onmisbaarheid? Ezau is stevig volwassen… biologisch gezien heeft hij zijn moeder al lang niet meer nodig. Je kunt een kind met geld en dreigementen niet een kant uit dwingen. En ik zou haast zeggen… met liefde lukt het ook niet altijd. Soms leg je het af tegen satan, die je kind in zijn greep heeft. En is er niet de weg open om 'eruit te stappen', maar om 'het hoger op te zoeken': het gebed "Heere, behoud naar Uw belofte mijn kind! Mijn kind ligt geestelijk gezien op zijn sterven!" En bidt vooral dat je het bij de HEERE kunt laten… juist als Hij vertoeft, verbeidt Hem!


Ezau recht zijn rug

Ezau is, net als zijn oma Sara, iemand die eerst wil zien en dan pas geloven. Echter er is wel een groot verschil. Voor Ezau is geloven ongrijpbaar – in tegenstelling tot Sara – en geloven kan op geen enkele manier concurreren met zinnelijkheid en het uitleven van al je lusten. Hij heeft oma Sara nooit gekend, maar daarin had ze hem als een echte oma vast weleens apart genomen. "Jongen, ik zie dat de wereld zo trekt. Ik herken dat, toen we nog in Ur woonden. Ik wilde niet weg, maar de HEERE werd ons te sterkt en ik heb er nooit één dag spijt van gehad. Wil je horen hoe ik dat ervaren heb? Ik bid elke avond voor je, jongen."
In een eerder hoofdstuk schreef ik dat Ezau, toen het bedrog van Jacob en de gestolen zegening uitkwam, boos wegging. Hij vertrok naar oom Ismaël en nam daar zijn derde vrouw. Het blijft op mij overkomen als 'extra tarting van zijn ouders en Jacob'. Eigenlijk één grote schreeuw: "Bekijken jullie het allemaal… ik haat jullie… ik ga lekker mijn eigen weg!" Maar wie schetst mijn verbazing als de Kanttekeningen bij Genesis 28 : 9 schrijven: "Het schijnt dat Ezau dit gedaan heeft, menende zijn vader te behagen, met een vrouw te nemen uit zijn geslacht." Hmm… dan zou ik mijn beeld van Ezau toch nog moeten bijstellen. Zou hij dan toch…?
Tot slot komt Ezau jaren later zijn gehate broer weer tegen en de twee vallen elkaar om de hals en… huilen opnieuw (Genesis 33 : 4)! Jacob wilde met een enorm geschenk aan zijn broer zijn excuses aanbieden. Ik snapte nooit zo goed waarom Ezau dat weigerde. Hij was toch zo op bezit en macht uit? Hier kreeg hij het zo kado. Tot ik bedacht dat hij een kleinzoon van zijn opa is. Wat zei op Abraham ook alweer tegen de koning van Sodom, na die glorieuze veldslag in Genesis 14? "Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit; zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!" Zou het dan toch zo zijn dat Ezau zijn rug recht en juist van Jacob never een kado zou willen accepteren, opdat Jacob later niet zou kunnen zeggen: "Ja, maar ik heb Ezau toch ook wel een beetje rijk gemaakt." Ik hoop dat ik het mis heb, maar aan de houding van Ezau's nakomelingen jegens het volk van Israël is die nukkige en vaak zelfs vijandige houding telkens weer af te lezen. Ezau recht zijn rug, totdat de HEERE zijn trotse nek vertrapt, helaas. Laat dat een heftige les zijn.

zaterdag 7 mei 2016

Zwijgen of liegen?

Abraham, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Wat was Ezau's beeld van zijn familie? In zijn tienerjaren was opa Abraham overleden. Wat had die voor indruk nagelaten op hem? Ezau kon tamelijk goed opschieten met zijn vader Izaäk, maar waaruit bestond dat 'goed opschieten' eigenlijk? Uit zijn voorkeur voor Ezau's kookkunst en jachtverhalen? Het was vooral de aanwezigheid van zijn moeder en zijn 'hypocriete' broer die Ezau voortduwden op de weg die hij was ingeslagen. Maar had hij daar reden toe? En keek hij wel eens in de spiegel?

Ik ben toch zo benieuwd hoe die eerste vijftien jaren van Ezau eruit zagen en welke rol opa Abraham daarin heeft gespeeld. Ezau moet hem goed hebben gekend (voor zover een tiener zijn opa of oma écht innerlijk kent) en hij moet bijvoorbeeld dat verhaal over de offering op Moria hebben gehoord. Hoe zal opa dat hebben verteld? En hoe zal Ezau dát hebben geïnterpreteerd? Als je niet geestelijk kunt kijken, dan zou je bij die geschiedenis toch een wreed en meedogeloos beeld van God kunnen krijgen, nietwaar? En hoe zal Rebekka dat allemaal hebben geïnterpreteerd? Zij was ook met een ander godsbeeld grootgebracht dan Izaäk.

"En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren,
en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon!
En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!
En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.
Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog,
en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad; en maak mij smakelijke spijzen,
zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.
[…] en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht."
Genesis 27 : 1-4 en 5b

Ezau en Abraham

Opnieuw citeer ik het 'Boek des Oprechten' over die eerste jaren van Ezau in de nabijheid van opa Abraham:
HOOFDSTUK 26
17. De jongens groeiden op tot hun 15e jaar, en zij kwamen in de gemeenschap der mensen. Esau was een sluwe en bedrieglijke man, en een bedreven jager in het veld, en Jakob was een oprecht en wijs man, wonende in tenten, een schaapherder en lerend de voorschriften des Heren en de geboden van zijn vader en des des Heren en de geboden van zijn vader en moeder.18. Isaäk en de kinderen van zijn huishouding woonden met zijn vader Abraham in het land Kanaän, zoals God hen had geboden.21. Abraham gaf alles wat hij had aan zijn zoon Isaäk, en hij gaf hem ook al zijn schatten.
22. Hij gebood hem, zeggende: Weet en begrijpt u niet dat de Heer de God van hemel en aarde is, en dat Hij Zijns gelijke niet heeft?
23. Hij was het die mij nam uit mijn vaders huis, en uit mijn maagdschap, en die mij alle vreugde op Aarde gaf; die mij bevrijdde uit de raad der goddelozen, want op Hem vertrouwde ik.
24. Hij bracht mij naar deze plaats, en bevrijdde mij uit Ur Casdim; en Hij zei tot mij: Aan uw zaad zal Ik al deze landen geven, en zij zullen het erven indien zij Mijn geboden houden, Mijn inzettingen en Mijn gerichten die Ik u heb geboden, en die Ik hen zal gebieden.
25. Daarom nu mijn zoon, hoor naar Mijn stem, en houd de geboden van de Heer uw God die Ik u gebood, wijk niet af van de goede weg hetzij naar rechts of naar links, opdat het u welga en uw kinderen na u voor altijd.
26. Gedenk de wonderlijke werken des Heren, en Zijn vriendelijkheid die Hij ons heeft bewe- zen door ons te bevrijden uit de handen onzer vijanden, en de Heer onze God liet hen in onze handen vallen; en houd u aan alles wat ik u geboden heb. Keer u niet af van Gods geboden, en dien niets naast Hem, opdat het u en uw zaad na u wel zal gaan.
27. Onderricht u uw kinderen en uw zaad deze voorschriften des Heren en Zijn geboden, en leer hen de rechte weg die zij moeten gaan opdat het hen welga voor altijd.
28. Isaäk antwoordde zijn vader en zei tot hem: Dat wat mijn Heer mij heeft geboden dat zal ik doen, en ik zal niet afwijken van de geboden van de Heer mijn God, ik zal alles houden wat Hij mij gebood. Abraham zegende zijn zoon Isaäk, en ook zijn kinderen; en Abraham leerde Jakob de voorschriften van de Heer en Zijn wegen.
29. Het was in die tijd dat Abraham stierf, in het 15e levensjaar van Jakob en Esau, de zonen van Isaäk, en al de dagen van Abraham waren 175 jaren, en hij stierf in goeden ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd verzameld tot zijn volkeren, en zijn zonen Isaäk en Ismaël begroeven hem.
30. Toen de inwoners van Kanaän hoorden dat Abraham dood was, kwamen zij allen met hun koningen en vorsten en al hun mannen om Abraham te begraven.
31. Alle inwoners van het land van Haran, en al de families van het huis van Abraham, en al de vorsten en groten. De zonen van Abraham bij de bijvrouwen, allen kwamen, toen zij hoorden van Abrahams dood, en zij beantwoordden Abrahams vriendelijkheid en troostten zijn zoon Isaäk, en zij begroeven Abraham in de spelonk die hij kocht van Efron de Hettiet en zijn kinderen als een erf-begraafplaats.
32. De inwoners van Kanaän, en al diegenen die Abraham hadden gekend, weenden een geheel jaar over Abraham, en mannen en vrouwen treurden over hem.
33. Ook alle kleine kinderen, en de inwoners des lands, weenden vanwege Abraham, want Abraham was goed geweest voor hen allen en oprecht voor God en mensen.
34. En er stond niemand op die God vreesde zoals Abraham, want hij had God gevreesd vanaf zijn jeugd, en had de Heer gediend, en was al Zijn wegen gegaan tijdens zijn leven vanaf zijn kinderjaren tot de dag van zijn dood.
35. De Heer was met hem en bevrijdde hem uit de raad van Nimrod en zijn volk, Toen hij oorlog voerde met de vier koningen van Elam, overwon hij hen.
36. Hij voerde al de kinderen der Aarde tot de dienst Gods, en hij leerde hen de wegen des Heren, en deed hen de Heer kennen.
37. Hij plantte een bos met een wijngaard erin, en hij had in zijn tent altijd eten en drinken klaar voor voorbijgangers zodat dezen zich konden verkwikken in zijn huis.
38. En de Heer God bevrijdde de gehele Aarde vanwege Abraham.
39. Het was na de dood van Abraham dat God zijn zoon Isaäk zegende en zijn kinderen, en Hij was met Isaäk zoals Hij was geweest met zijn vader Abraham, want Isaäk hield al de geboden des Heren zoals zijn vader Abraham. Isaäk keerde zich niet af naar rechts of naar links van het goede pad.
Twee dingen vallen op. Abraham schijnt Jacob en Ezau OOK gezegend te hebben. Dus Ezau wíst wat zo'n zegen inhield. Hij leerde van opa dat ze de geboden van de HEERE moesten houden en niet afwijken! Dus ook geen leugen hanteren! En hij leerde van hem dat de HEERE zo goed is dat Hij het ook verdient om gediend te worden! Het tweede was dat er specifiek staat dat Abraham speciaal Jacob onderrichtte (vers 28). Abraham had helder dat Jacob de 'meerdere' moet zijn. Dit moet de 15-jarige Ezau geweten, zo niet gehoord, hebben. Als dit geschrift enigermate waarheid bevat op dit punt – en ik geloof dat in deze aspecten zeker – dan wist Ezau al op zijn 15e hoe de geestelijke vork aan de steel zat.

Onderricht en relaties

Volgens dit apocriefe boek is Jacob drie jaar later een poosje buitenshuis geweest bij zijn verre voorvader Sem. Daar heeft hij als het ware alle familiegeschiedenissen en de onderwijzingen van God uit de 'eerste hand' meegekregen:
HOOFDSTUK 28
17. Hierna stierf Sela de zoon van Arpaksad in dat jaar, dat het 18e levensjaar van Jakob en Esau was; en al de dagen dat Sela leefde waren 433 jaren en hij stierf.
18. In die tijd stuurde Isaäk zijn jongste zoon Jakob naar het huis van Sem en Heber, en hij leerde de voorschriften des Heren, en Jakob verbleef 32 jaren in het huis van Sem en Heber, en zijn broer Esau ging niet mee want hij had er geen zin in, en hij bleef in zijn vaders huis in het land Kanaän.
Eveneens vertrok Ezau voor korte tijd uit het huis van Izaäk en Rebekka en leerde heel andere dingen in de wereld:
19. Esau was voortdurend op jacht in het veld om thuis te brengen wat hij te pakken kon krijgen; aldus deed Esau al de dagen.
20. Esau was een sluwe en bedrieglijke man, iemand die de harten van mensen stal en hen verlokte, en Esau was moedig in het veld, en hij ging in de loop van de tijd zoals gebruikelijk op jacht; en hij kwam tot aan het veld van Seir ofwel Edom.
21. Hij bleef in het land Seir jagen in het veld gedurende een jaar en 4 maanden.
22. Esau zag daar In het land Seir de dochter van een man uit Kanaän, haar naam was Judith, de dochter van Beëri, zoon van Efer, uit de families van Heth de zoon van Kanaän.
23. Esau nam haar als vrouw, en hij ging tot haar in; Esau was veertig jaren oud toen hij haar nam. Hij bracht haar te Hebron op het land van zijn vader en ze woonden daar.
24. Het geschiedde in die dagen, in het 110e levensjaar van Isaäk, dat is het 50e levensjaar van Jakob, in dat jaar stierf Sem de zoon, van Noach; Sem was 600 jaren oud bij zijn dood.
25. Toen Sem stierf keerde Jakob terug naar zijn vader te Hebron in het land Kanaän.
Hoe uiteenlopend kunnen de resultaten van opleiding en onderricht zijn. Hoe groot zijn de invloeden van vrienden en relaties in het leven van een mens. Zelfs van een 'zelfstandige denker' als Ezau.

Waarom zou je het goede kiezen?

Ik stop voorlopig met citeren, maar je zou hoofdstuk 29 nog eens moeten lezen. Want dat volgt precies op het voorgaande. Nog drie verzen dan, die samenvallen met onze tekst van vandaag…

1. Isaäk de zoon van Abraham werd oud en bedaagd, en zijn ogen zwak vanwege zijn jaren; zij waren dof en hij kon niet meer zien.
2. Toen riep Isaäk zijn zoon Esau, zeggende: Ik bid u, neem uw wapens, uw pijlkoker en uw boog, sta op en ga uit in het veld en jaag mij een wild- braad, en bereid mij. een smakelijk gerecht en breng het mij zodat ik kan eten en u zegenen vóór mijn dood nu ik zo oud en grijs geworden ben.
3. Esau deed aldus; nam zijn wapen ging naar het veld om te jagen op wildbraad, zoals gebruikelijk, om het bij zijn vader te brengen zodat die hem zou zegenen.

Het vervolg kennen we. Ezau gaat en zwijgt. Er is op dat moment nog níet gelogen! Hoewel… Had Ezau mogen gaan? Is het verzwijgen van belangrijke informatie ook niet een vorm van liegen? Want daardoor stuur je moedwillig aan op een andere loop van de gebeurtenissen. En Ezau wist heel goed wat die loop van de gebeurtenissen juridisch gezien had moeten zijn! Later noemt Ezau het 'de tweede keer dat hij bedrogen is door Jacob'. Hij heeft het verkopen van het eerstgeboorterecht aangemerkt als 'bedrog'. Maar hij had er zijn 'handtekening' onder gezet.
En hoogst waarschijnlijk is moeder Rebekka daar getuige bij geweest. Want zij is de eerste die in actie komt. Echter… zonder eerst Izaäk haar man tot de orde te roepen. Vervolgens maakt Jacob geen enkel protest over dit leugenspel en speelt het tot het laatst toe uit. Zo leerde Ezau na afloop geen berouw, evenmin om het goede te kiezen.
Echter… Izaäk speelt een misschien wel veel crucialere rol. Hij roept zijn zoon en lijkt weliswaar niet geweten te hebben van de verkoop van het eerstgeboorterecht. Maar hij wist wel van Gods belofte. Hij roept Gods Naam niet aan over deze zegening. Zijn vader had hem toch ook wel een en ander over de tweeling duidelijk gemaakt?
Ezau heeft heel goed geweten wat het effect en de impact van een vaderlijke zegen is; immers opa had hem ook gezegend voordat hij stierf? Dat zou Jacob later ook met de zonen van Jozef doen. Ook daar kruist hij zijn armen en zegent de jongste als eerste.
Ezau lijkt op dit punt toch op de vrouw van oudoom Lot die haar rijkdommen en aardse schatten niet kon loslaten. Ezau wilde met godsdienstigheid iets verdienen, net als Judas. En toen dat niet lukte koos hij voor een spoor van God af. Hoeveel afhakende verbondskinderen denken ook in termen van een verdienmodel, als het gaat over de dienst aan de HEERE? Denk ook aan de oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon.

Ezau in tranen?

Als Ezau terugkeert en merkt dat de zegen al vergeven is aan zijn jongere broer, wordt hij boos. Maar Paulus schrijft in de brief aan de Hebreeën: "Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht." Je krijgt er bijna zelf tranen van in je ogen. Zielig toch?
Maar wat waren dat voor tranen? Krokodillentranen? De Kanttekeningen schrijven: "Namelijk zegening; of hetzelve, namelijk berouw van zijn vader. Want dat Ezau geen berouw van zijn eigen misdaad heeft gezocht, blijkt daaruit, dat hij terstond daarna Jakob naar zijn leven heeft gestaan." Ezau zet alles op alles om toch zijn bezit en vergankelijk vermogen veilig te stellen. Ontgaat het hem nog net op het laatste ogenblik, zeg! Om gek van te worden. En wie kan hij aanwijzen als schuldige? Jacob? Ja, die moet dood. Maar misschien ook God? Ik vrees van wel. God kan hij niet bejagen, maar Jacob moet plaatsvervangend boeten.
En wat is dat: hij vond geen plaats des berouws? Is God dan toch zo'n tiran, zo'n despoot bij wie je maar nooit weet waar je aan toe bent? Bevestigt God hier nu niet precies waar Ezau altijd al een sterk vermoeden van had? Als je niet uitverkoren bent kun je er toch niets aan doen; dus leef dan maar zoals je dat graag had gedaan. En… als God je wel uitverkoren heeft, net zoals Jacob, dan maakt het ook niet uit of je gelogen en gezondigd hebt. God vergeeft het toch wel. Nou, hij is er al direct achter: God heeft hem verworpen. Kon Ezau er wat aan doen? God is het Die verdoemt; wie zal het keren?
Nou… ik vraag me af of Ezau dat heeft gedacht. Hij vond 'geen plaats des berouws' doelt toch vooral – lees de Kanttekeningen – een plek van berouw "bij zijn vader Izak, alzo dat Izak berouw zou gehad hebben over het zegenen van Jakob. Want dit berouw was het dat Ezau met tranen zocht, gelijk Gen. 27:36, enz. te zien is." In vers 34 lezen we: "zo schreeuwde hij (Ezau) met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!" Die tranen waren van korte duur. Zodra hij merkt dat de zaak beklonken is door leugen (voorbijgaand aan zijn eigen leugen van nalatigheid in informatieverstrekking over die verkoop van het eerstgeboorterecht) is hij hels. Jacob, die vuile bedrieger moet dood! Heet hij daarom ook geen Jacob, hielenlichter? Het verbondskind raakt in de knoop met Gods rechtvaardigheid, maar gaat voorbij aan zijn eigen goddeloze leven dat van Gods afvoert; tegen beter weten in. 
Zijn de discussies met afhakers hier ook niet vaak een afspiegeling van? De hand in eigen boezem is een gepaste houding van élk verbondskind. En het hart open en het gebed omhoog voor dezen die verblind raken en God af willen zweren! Denkend: dat had mij ook kunnen overkomen. Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke genade dat Hij mij ervoor heeft behoed!

woensdag 4 mei 2016

Ezau's religieuze ontwikkeling

Ezau, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis;
Ezau is de enige van wie er twee
aparte foto's in de serie staan
De vraag die blijft hangen is: waarom breken kinderen uit een godvrezend gezin opeens met het geloof? Een sluitend en definitief antwoord zal nooit kunnen worden gegeven, als we Genesis 3 buiten beschouwing laten. Deze serie over Ezau is ook niet bedoeld om een passend antwoord op alle vragen te geven, maar wel om het leven van Ezau eens goed te bekijken. Zitten er hier en daar wellicht lessen?

We zijn toegekomen aan één van de twee meest bekende geschiedenissen in het leven van Ezau: de verkoop van zijn eerstgeboorterecht. Toen ik dit voorval op de zondagsschool moest vertellen zag ik, dankzij wat Paulus in de Hebreeënbrief schrijft, de lijn met de Doop: de verbondsbreuk van afhakers.
Toch is het goed om een voorstelling te maken van deze geschiedenis en eerst te zíen wat er gebeurt, voordat we proberen te begríjpen wat er gebeurt. Die overbekende geschiedenis riep voor mij toch wel een paar vragen op. Je bent zo gewend aan de voorstelling die je bij deze geschiedenis had door de vertellingen van vroeger op school en op de zondagsschool. Ook de kinderbijbel doet een duit in het zakje om het plaatje op een bepaalde manier in te kleuren, maar daarmee zijn mijn vragen nog niet beantwoord.

"Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.
En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?
Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag!
en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel;
en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen;
alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
Genesis 25 : 31-34

Wat houdt dat eerstgeboorterecht in?

Wat me opviel bij de voorbereiding van een overigens eenvoudige vertelling was dat er zo weinig over het eerstgeboorterecht in de Bijbel staat. De oudste zoon kreeg het grootste deel van de erfenis; hij mocht het bedrijf van vader voortzetten. Zo was zíjn toekomst min of meer veiliggesteld; de overige gezinsleden moesten een eigen bestaan zien op te bouwen met het kindsdeel dat zij ontvingen. Maar… aan die eerstgeboorte zat ook een zegen verbonden. Wij kennen dat niet meer; we zijn erg geneigd onze kinderen gelijkwaardig te beoordelen. Voortrekkerij is verboden; en dat is maar goed ook. Echter, met onze 21e-eeuwste ogen en vooroordelen kijken we niet onbevangen naar de situatie van toen.
De oudste zoon was de stamhouder, de eerredder, de oudedagvoorziening van ouders. Hij had de leiding, als ouders het niet meer konden. De eer redden van de ouders (als die door omstandigheden in de problemen waren gekomen, betekende soms ook jezelf op de tweede plaats stellen. Jouw vermogen offeren voor de eer van je vader. Dat klinkt ons in deze tijd vreemd in de oren. Wie doet zoiets nog? Wat betekent voor ons een naam? Maar als we dat niet begrijpen, ja als we dat loslaten, snappen we ook niet waarom we Gods naam moeten heiligen en zuiver houden; waarom Zijn Naam boven die van ons staat.
De eerstgeborene kreeg wel heel veel, maar had ook tot taak de zorg voor de stam op zich te nemen. Iets daarvan zien we later bij Jacob gestalte krijgen. Na zijn vlucht heeft hij zijn moeder Rebekkan nooit meer gezien, maar toen hij terugkeerde naar huis – in bezit van een groot opgroeiend gezin en een forse veestapel – ontfermde hij zich over de al eerder genoemde voedster van Rebekka, Debora. Zolang vader Izaäk nog leefde, was hij de baas. Maar toen hij overleed zal hij ook de zorg voor de nederzetting hebben overgenomen, inclusief de zorg voor het vee en de knechten van zijn vader.
Maar… het lijkt erop dat aan die eerstgeboorte ook de eerstgeboortezegen werd gekoppeld. De aartsvaderlijke zegen die voorspoed, geluk en rijkdom haast dwingend wenst, ja belooft. Gekoppeld aan het houden van Gods geboden en het wandelen met deze God binnen de grenzen van het Verbond. En… de belofte dat uit jou nageslacht de Messias zal geboren worden. Hoe dat precies zat kan een theoloog beter uitleggen. Maar zo ongeveer zat het. De verwachting van de Messias was essentieel!

Waarom wil Jacob het hebben?

We schilderen Jacob nogal eens af als een doortrapt figuur: de hielenlichter. Hij die je bij de neus neemt, door je een worst voor te houden, maar altijd zelf de winst opstrijkt. Ik heb dat enigszins ook gedaan in de vertelling voor de zondagsschool. Als Ezau doodmoe het kamp komt binnenzeulen met een geschoten hert op zijn schouders, wordt zijn neus geprikkeld door de geur van lekker eten, dat Jacob voor zijn tent, samen met een dienstmeisje, zit te bereiden:
Jacob kijkt zijn broer aan: “Zo broer dat ziet er goed uit. Het water loopt mij in de mond als ik denk aan gebraden hertenvlees!” Jacob likt langs zijn lippen en dat wordt de ongeduldige Ezau teveel. “Man, ik heb zo’n honger en het duurt me veel te lang voor ik eindelijk zelf kan eten. Geef mij eens wat van dat rode daar, die rode prut in je kookpot. Ik kan haast niet meer; ik sta te shaken op mijn benen!”
Schijnheilig kijkt Jacob naar de harige benen van Ezau. Dít is het moment waarop hij al zo lang heeft gewacht! “O, dat kan, hoor,” antwoordt hij zijn broer. Maar als die probeert om de lepel uit de hand van het dienstmeisje te halen, komt Jacob voor zijn broer staan: “Je mag zoveel eten als je wilt, als je mij jouw eerstgeboorterecht verkoopt.”
Jacob blijft met zijn rug naar het dienstmeisje en de geurige kookpot staan en kijkt met sluwe ogen naar zijn broer. Die bedenkt zich geen moment. Met een ruw gegrom en een woest gebaar geeft hij zich gewonnen: “Kan mij dat eerstgeboorterecht schelen? Wat koop ik ervoor? Man ik sterf van de honger! Geef mij wat te eten en sta niet zo te zeuren!” “Nou, rustig even, broer; zweer je me dat je vandaag dit eerstgeboorterecht aan mij geeft in ruil voor dit lekkere gerecht dat we hier aan het maken zijn?” “Wel ja, joh, kan het mij schelen! Kun je een eerstgeboorterecht eten? Dat smaakt nergens naar! Ik wil een goed gerecht en geen geboorterecht. Al dat vrome gedoe over God en Zijn zegen kan me gestolen worden!”
Jacob ziet dat zijn moeder Rebekka alles heeft staan afluisteren. Hij roept haar erbij: “Ezau geeft niks om zijn eerstgeboorterecht, moeder. Hij heeft het me daarnet verkocht en heeft er een eed bij gezworen.” Rebekka is getuige geweest en plots komen de woorden van de HEERE weer bij haar boven, die belofte dat de meerdere de mindere zal dienen. Zou dit de dag zijn waarop de HEERE deze belofte gaat waarmaken? In gedachte verzonken loopt Rebekka terug naar haar tent. Ze bewaart die woorden in haar hart en overlegt in stilte wat de bedoeling van dit alles is.

Maar als we dat doen, dan beperken we Jacobs actie tot het bemachtigen van geld en goed. Dan maken we van hem een tweede Ezau: aardsgericht. Ook als we het eerstgeboorterecht koppelen aan de zegen en de Messias-belofte, maken we van Jacob nog een kortzichtig iemand. De HEERE had beloofd dat de meerdere de mindere zou dienen. Maar betekende dat dan dat Jacob persé dat eerstgeboorterecht moet hebben? Was hij dan nog wel de mindere? Liep hij niet het risico zichzelf door handigheid de meerdere te maken en zo Gods belofte in het nauw te brengen?
En… ik weet zeker dat vader Izaäk regelmatig vertelde van Gods grote daden aan opa en aan verdere voorvaderen. Jacob kon weten dat vader Izaäk zelf ook niet de oudste was en tóch ging de HEERE met hém verder. En wat dacht je van opa Abraham? Ook hij was niet de oudste, maar wel de uitverkorene. Of heel ver terug: Sem… die was ook niet de oudste. De daad van Jacob getuigt er eigenlijk van dat hij twijfelt aan Gods almacht en ingrijpen.
Het enige dat ik kan verzinnen – en we hebben dat gisteren ook al gezien – is dat Jacob heeft gezien dat Ezau opzettelijk een goddeloze weg is ingeslagen en dat zijn ouders daar verdriet van hadden. Zijn moeder zal zeker haar nood bij hem hebben geklaagd. Ezau heeft zich het eerstgeboorterecht onwaardig gemaakt. Als hij dat toch zou behouden, dan zou hij met zijn goddeloze levensstijl de hele familie naar de knoppen helpen. Er is in Ezau's gedrag alleen maar schade te vrezen. En dat wilde Jacob zien te voorkomen; en hij wilde dat Ezau heel bewust – met een eed – afstand van zijn aanspraak op dat recht deed. Niettemin rekende hij buiten Gods almacht. En toen Izaäk foutief aan het zegenen sloeg, greep Rebekka (maar ook Jacob) naar het wapen van de leugen. Daar ging het echt fout.

Waarom wil Ezau het kwijt?

De derde vraag die bij de voorbereiding van de vertelling bij me boven kwam was waarom Ezau dit doet? Hij had steenstinkendrijk kunnen zijn en hij geeft het voor een bord soep kado. Die is niet wijs, zou je denken. In het apocriefe (hoewel het tweemaal in de Bijbel wordt genoemd!) 'Boek des Oprechten' of 'Sefer Ha-Jashar' staat de volgende verklaring, die ik met een duidelijk kanttekening doorgeef: het is een buitenbijbels boek en ook nog eens een onzekere kopie van het verloren gegane boek; een kopie die in 1613 bij een rabbi in zijn kantoor werd gevonden.
Hoofdstuk 7
28. Nadat Cham zijn eerstgeborene Kus verwekte gaf hij hem de gewaden [dat zijn de klederen die Adam en Eva van God kregen in Genesis 3, LHdK] in het geheim, en zij waren lange tijd bij Kus.
29. Kus verborg ze eveneens voor zijn zoons en broeders, en nadat Kus Nimrod had verwekt gaf hij hem die gewaden omdat hij zoveel van hem hield, en Nimrod groeide op, en toen hij twintig jaren oud was kleedde hij zich met die gewaden.
30. Nimrod werd sterk toen hij zich kleedde met die gewaden, en God gaf hem macht en sterkte, en hij was een geweldig jager op Aarde, ja hij was een geweldig jager in het veld, en hij joeg op dieren en hij bouwde altaren, en daarop offerde hij de dieren voor de Heer.
31. Nimrod maakte zichzelf sterk, en hij verhief zich boven zijn broeders, en hij leverde slag voor zijn broeders tegen al hun vijanden rondom hen.
32. De Heer leverde al de vijanden van zijn broeders in zijn hand, en God maakte hem soms voorspoedig in zijn veldslagen, en hij regeerde op Aarde.
33. Daarom werd het in die dagen eer, gebruik dat, wanneer iemand hen die hij voor de strijd had geoefend liet aantreden, hij placht te zeggen zoals God tot Nimrod, die een machtig jager was op Aarde en die met succes veldslagen leidde die zijn broeders bevrijdde uit de handen hunner vijanden, dat God ons moge sterken en ons bevrijden.
34. Toen Nimrod veertig jaren oud was, was er oorlog tussen zijn broeders en de kinderen van Jafet, zodat zij in de macht waren van hun vijanden.

Hoofdstuk 27
1. In die tijd, na de dood van Abraham, ging Esau vaak naar het veld om er te jagen.
2. Koning Nimrod van Babel, die dezelfde was als Amrafel, ging ook vaak uit om te jagen in het veld met zijn machtige mannen, en om met hen te wandelen in de koelte van de dag.
3. Nimrod observeerde Esau al de dagen, want afgunst had zich al enige tijd in het hart van Nimrod tegen Esau gevormd (vanwege zijn jeugdige kracht).
4. Op zekere dag ging Esau naar het veld om te jagen, en hij zag Nimrod rondlopen in de wildernis met zijn twee mensen.
5. Zijn machtige mannen en zijn mensen waren bij hem in de wildernis, maar zij bewogen zich op een afstand van hem, en zij gingen van hem weg in verschillende richtingen om te jagen, en Esau verborg zichzelf voor Nimrod, en hij hield zich schuil voor hem in de wildernis.
6. Nimrod en zijn mannen die bij hem waren merkten hem niet op, en Nimrod en zijn mannen liepen vaak rond in het veld in de koelte van de dag, en om te weten waar zijn mannen in het veld aan het jagen waren.
7. Nimrod en twee van zijn mannen die bij hem waren kwamen ter plaatse waar Esau zich bevond. Toen Esau plotseling uit zijn schuilplaats te voorschijn kwam, zijn zwaard trok en haastig naar Nimrod rende en zijn hoofd afsloeg.
8. Esau vocht vertwijfeld met de twee mannen die bij Nimrod waren, maar ook hen doodde hij met zijn zwaard.
9. En al de machtige mannen van Nimrod, die hem hadden achtergelaten om naar de wildernis te gaan, hoorden het geschreeuw op afstand, en zij herkenden de stemmen van deze twee mannen, en zij renden naar hen toe om te weten wat er gaande was. Toen zagen ze hun koning en de twee mannen die bij hem waren dood in de wildernis liggen.
10. Zodra Esau de machtige mannen van Nimrod van verre zag naderen, vluchtte hij en ontsnapte daardoor; en Esau nam de kostbare kleding van Nimrod, die Nimrods vader had vermaakt aan Nimrod en waarmee Nimrod de overhand had verkregen over het gehele land, en hij rende weg en verborg die in zijn huis.
11. Esau nam die kleding mee en rende naar de stad vanwege Nimrods mannen, en hij kwam vermoeid en uitgeput van het gevecht in zijn vaders huis, en hij stierf bijna van uitputting toen hij zijn broeder Jakob naderde en voor hem zat.
12. En hij zei tot zijn broeder Jakob: Zie ik ga vandaag sterven. Waarom zou ik dan het eerstgeboorterecht willen hebben? En Jakob handelde verstandig met Esau in deze zaak, en Esau verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob, want het was aldus teweeggebracht door de Heer.
13. Esau verkocht ook aan Jakob Esau’s aandeel in de spelonk in het veld van Makpela, die Abraham als begraafplaats had gekocht van de kinderen van Heth, en Jakob kocht dit alles van zijn broeder Esau voor een bepaalde waarde.
14. Jakob schreef dit alles in een boek, en hij liet dit tekenen door getuigen, en hij zette er een zegel op, en het boek bleef in de handen van Jakob.
15. Toen Nimrod de zoon van Kus stierf, tilden zijn mannen hem op en droegen hem met verslagenheid zijn stad in en begroeven hem, en al de dagen dat Nimrod leefde waren 215 jaren en hij stierf.
16. En de dagen dat Nimrod regeerde over de mensen van het land waren 185 jaren; en Nimrod stierf door het zwaard van Esau met schande en verachting, en het zaad van Abraham veroorzaakte zijn dood zoals hij in zijn droom had gezien.
17. Bij de dood van Nimrod werd zijn koninkrijk verdeeld in vele stukken, en al deze stuk- ken waarover Nimrod regeerde werden teruggegeven aan de verschillende koningen van het land, die ze terugkregen na de dood van Nimrod, en al de mensen uit het huis van Nimrod waren lange tijd in slavernij bij de andere koningen van het land.


Nou, een heroïsche sage, vind je niet. De magische kleren van Adam zouden toverkracht kunnen geven en daarmee had Ezau dat hele eerstgeboorterecht niet meer nodig om machtig te zijn. Ik geeft dit lange citaat door als een triviant, omdat heden ten dage nogal wat mensen dit document als betrouwbaar en bijbels doorgeven. Ik vind het vooral interessant, maar het rammelt aan alle kanten, alleen al waar je naar de aardrijkskundige liggingen en tijdsbepalingen kijkt.
Terug naar de Bijbel, naar de Hebreeënbrief. Zo sloot ik mijn vertelling af:
Ken je Paulus? Hij heeft het verhaal van Jacob en Ezau ook gelezen in de Bijbel. En het heeft hem geraakt. Een prachtig en spannend verhaal. Maar wát bedoelde de HEERE met deze geschiedenis? Had Ezau geluk dat hij als eerste werd geboren en kreeg die daarom alles en Jacob niets? Nee. Het eerst­geboorterecht was niet alleen mazzel, maar ook een opdracht. De HEERE wilde Ezau heel veel geven, maar Ezau kreeg ook de opdracht om een voorbeeld te zijn voor zijn familie. Zo’n gezegend man moest aan alles laten zien en merken dat hij de HEERE vreesde. Zijn leven moest eigenlijk een heel duidelijk dankoffer aan God zijn. Zo werd God verheerlijkt en werden mensen via Ezau gezegend.
Hij moest heel dicht bij God leven, want de HEERE wilde juist door Ezau de mensen om hem heen onderhouden en zegenen. De HEERE zegent je niet zomaar. Je krijgt een opdracht om Zijn lof te verkondigen en Zijn Naam te verheerlijken. En, zegt Paulus dan, daar had Ezau geen zin in. Hij verachtte zijn eerstgeboorte­zegen voor een bord eten. En dat is goddeloos, dan ben je een onheilig mens. Dan zul je ook zien dat je met dat verkopen van je bijzondere voorrecht tegelijkertijd álles kwijt bent. Dan leef je zonder God in de wereld en sta je er helemaal alleen voor.

Weet je dat jij ook een belofte hebt gekregen? Toen je werd gedoopt beloofde de HEERE dat Hij jouw God wil zijn. Jij hebt dat net zo min verdiend als dat ongelovige jochie bij jou in de straat. Maar toch koos God jou uit. Weet je dat? Hij wil je rijk zegenen. Maar Hij wil óók dat jouw leven helemaal voor Hem zal zijn. Jouw leven mag anderen tot zegen zijn. Aan jou moeten de mensen kunnen zien en horen hoe goed de HEERE is. De HEERE zegent, zodat jij tot zegen voor anderen kunt zijn. Hij beloont je met het eeuwige leven als je helemaal tot Zijn dienst bereid bent. Wist je dat? En ga je er ook uit leven? Dan ben je een koningskind, dat door de Vader bemind wordt en je bent de rijkste van heel de wereld. Eeuwig rijk!

dinsdag 3 mei 2016

Ezau's ethische ontwikkeling

Farao, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis;
in dit geval Thutmoses III, vader van de
vermoedelijke farao (Amenhotep II) die
tijdens de Exodus regeerde en verdronk
Op ethisch en sexueel gebied kunnen kinderen sterk worden gevormd en beïnvloed door hun ouders. Om enkele voorbeelden te noemen: de uitspattingen van David en Bathséba hebben hun sporen getrokken in de levens van diverse van Davids kinderen. De slappe houding van Eli verergerde de goddeloosheid van Hofni en Pinéhas. De voortrekkerij van Jacob jegens Jozef stimuleerde de jaloezie en goddeloosheid bij zijn andere zonen. De voortdurende verdachtmaking van Jezus door de farizeeën maakte dat een heel volk kon roepen: "Kruist Hem!"
We hebben al even iets gezegd over opa Abraham die God een handje wou helpen met de realisatie van Diens belofte van een zoon. Daar is Ismaël de dupe van geworden. Deze jongen heeft tijdens zijn leven moeten ervaren dat hij er eigenlijk niet behoorde te zijn. Zo sterk heeft God dat niet geaccentueerd, want Hij gaf Ismaël grote zegeningen en beloften voor zijn toekomst. Maar niettemin was zijn moeder zwanger gemaakt en was hij op een oneigenlijke wijze, zeg maar liefdeloos, verwekt. Als jaren later Izaäk wordt geboren ervaart Ismaël heel duidelijk dat hij een tweederangs kind is geworden. Zijn vader zal dat niet zo hebben laten merken, maar dat móet iets met die jongen hebben gedaan. Hij zocht een leven waarin hij voor zichzelf wilde opkomen. "Ik heb niemand nodig… Ik red mezelf wel!"
Zowel bij Abraham als bij Izaäk gebeurde nóg iets raars: beiden hebben op een gegeven moment ontkend dat hun vrouw hun vrouw was! Welk effect had dat op zoon Izaäk en (klein)zoon Ezau?

"Als nu Ezau veertig jaren oud was,
nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet,
en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes."

Genesis 26 : 34-35

"Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend,
en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen;
en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende:
Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;
en dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was,
en naar Paddan-aram getrokken was;
en dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,
Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth."
Genesis 28 : 6-9

Ontrouw 1 en 2

Honger is een kwade rode draad door de geschiedenissen van Abraham, Izaäk en Jacob. Als Abraham enige tijd in het beloofde land woont, weliswaar als vreemdeling, breekt er honger uit. En geloof me, dat is een enorme aanvechting voor hem geweest. Waar is nu Gods belofte? Abraham kiest voor de vlucht; dat kon ook gemakkelijk, want hij was een nomade die voor zijn vee mals gras en water zocht. Die noodzaak gaf hem een reizend bestaan. Al zoekend leek hij af te zakken naar Egypte; maar als ik goed lees in de Bijbel dan lijkt hij toch heel bewust voor Egypte te hebben gekozen. Eerst is hij inderdaad op zoek naar voedsel (Genesis 12 : 9) "gaande en trekkende naar het zuiden." Maar later maakt hij een welbewuste keuze voor Egypte: "En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land."
Of dat goed of slecht was laat ik even in het midden. Maar er gebeurt iets merkwaardigs: "En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was."
Saraï wordt opgenomen in het harem van de Farao met alle gevaren van dien. Daarom wordt ook zo heel duidelijk in de Bijbel onderstreept dat uit die relatie GEEN kind is voortgekomen.
Nadat Farao erachter is gekomen – door plagen van God – dat Sara niet alleen de halfzuster van Abraham is, maar ook zijn huwelijksverbondspartner, weet hij niet hoe deemoedig hij die grote en vreselijke God moet tevreden stellen. Hij geeft enorm veel geschenken aan Abraham en zendt hem weg. En – zo vertelt het apocriefe Boek des Oprechten – farao gaf zijn dochter Hagar als dienstmeisje aan Saraï. Dat liep met een sisser af, zou je denken.
De eerste barst ontstaat reeds in het volgende hoofdstuk, Genesis 13, wanneer de herders van Lot en van Abraham ruzie krijgen. Daar wordt met geen woord over gerept, maar zou het niet zo kunnen zijn dat Lot zich is gaan schamen voor deze ongeloofsdaad van zijn oom? Er staat met dikke woorden "Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud." Ja, hoe komt Abraham aan zoveel rijkdom? Is dat een beloning op zonde? Lot moet dat niet hebben gesnapt. Direct daarop ontstaat dan ook ruzie tussen Lot en Abraham en ze gaan uiteen.
Maar wie schetst onze verbazing als Abraham in Genesis 20 – nota bene na de verbondsvernieuwing en de belofte dat Sara een kind zal krijgen (!) – opnieuw in dezelfde fout valt. Hij heeft een tijd bij de eikenbossen van Mamré gewoond maar trekt verder richting Gerar in het land van de latere Filistijnen. De koning daar (die Abimelech als aanspreektitel heeft, zoals farao de aanspreektitel van de koning van Egypte is) laat zijn oog op de inmiddels 89-jarige Saraï vallen. En hij vindt haar 'schoon'. Ze was op haar oude dag nog een knappe verschijning. Ook hij komt erachter dat Abraham liegt. Maar… in deze geschiedenis is Ismaël al geboren en besneden! Hij heeft dit als 12-jarige jongen meegemaakt. En plots had hij een heel ander beeld van zijn godvrezende en diepgelovige vader! Het mag voor Ismaël nooit een stok zijn om de hond te slaan, maar het heeft er zeker niet aan meegewerkt dat hij de HEERE oprecht ging dienen. En dat zal zijn moeder Hagar natuurlijk ook hebben onderstreept. Is dat nou de dienst aan de HEERE? De goden van Egypte waren wel anders!

Ontrouw 3

Al deze dingen zijn op zich buiten het blikveld van Izaäk gebeurd. Mogelijk heeft zijn broer Ismaël er wel iets over verteld toen ze wat herinneringen ophaalden bij de begrafenis van moeder Saraï (Genesis 23) of wellicht bij die van vader Abraham (Genesis 25).
In Genesis 26 breekt er opnieuw honger uit en maakt Izaäk dezelfde reis als zijn ouders: naar Gerar. "En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Alzo woonde Izak te Gerar."
Izaäk gaat niet voor niets naar Gerar; al weet ik niet precies waarom. Wellicht had het verbond van Abimelech met Abraham daar een bepaalde rol in. En ook in deze geschiedenis gaat de Abimelech van Gerar een verbond aan met Izaäk. Maar eerst verkoopt Izaäk dezelfde leugen als zijn vader: die vrouw is niet mijn vrouw, maar mijn zus. Izaäk loog nog sterker dan zijn vader. Zijn schoonvader was zijn neef en Rebekka was zijn achternichtje.

Naast deze leugen wijs ik op nog één detail: God zegt expliciet tegen Izaäk dat hij níet naar Egypte mag afdalen. Waarom? Het wordt nergens toegelicht. Was het vanwege het voorval van Abraham in Egypte? Ik geloof het niet. Want hij gaat hier wel naar Gerar, waar eenzelfde intrige had plaatsgevonden. Er zijn bronnen die zeggen dat Izaäk in het beloofde land moest blijven van God. Dáár moest zijn toekomst zijn. Men ziet in Hem de contouren van Christus Die in de hemel blijft na Zijn hemelvaart, en op afstand, door Zijn Geest, mensen toebrengt tot Zijn Koninkrijk. Het is mooi, maar waarom mocht Jacob later dan wél naar Egypte gaan? En zou er niet gewoon een praktische oorzaak voor dit verbod kunnen zijn? De oorzaak: Ismaël? Bedenk namelijk dat in deze geschiedenis Ezau en Jacob al zijn geboren en opgroeiende kinderen zijn. Ook zij zien hier gebeuren, wat Ismaël jaren geleden op deze zelfde plek heeft meegemaakt: vader doet alsof moeder niet bij hem hoort. Dit moet Jacob zijn bijgebleven; maar dit heeft ook Ezau sporen getrokken!

Ontrouw 4

Ezau zou eens laten zien dat hij dit soort praktijken er nooit op na zou houden. Hij is net als zijn vader 40 jaar als hij een vaste relatie met een vrouw begint. En ik denk dat ik weinig fantasie gebruik als ik stel dat er al wat losse escapades hebben plaatsgevonden met Ezau en de meisjes. Hij is niet alleen dierenjager maar, als ik mij niet vergis, ook een rokkenjager. En als pa Izaäk daar iets van vindt, dan kan hij ongezouten een verslag van 'Papa in Gerar' krijgen. Natuurlijk gebruikt Ezau hier een stok om de hond te slaan. Want Izaäk heeft in Gerar – in de affaire met al die waterputten en de ruzies eromheen – ook laten zien dat hij de minste kon zijn. Izaäk heeft in zijn leven echt wel laten zien wat de dienst aan de HEERE inhield. En welke vader is zonder zonde? Maar voor afhakers zijn dat geen vergoeilijkende omstandigheden!
Met het huwelijk dat Ezau sluit zet hij een definitieve stap buiten de traditie en het Verbond. Hij trouwt met een heidens meisje: Judith. En… hij treedt in de sporen van Kaïns nageslacht door ook nog een tweede vrouw te nemen: Basmath; hoewel… drukte hij de voetstappen misschien van zijn opa Abraham die naast Sara ook Hagar als vrouw nam? En als Izaäk het idee van Ezau probeerde af te raden, dan zou hij fors de waarheid te horen krijgen: "Kijk eens naar je eigen vader?!" "Ja maar, jongen, je bent besneden. De HEERE heeft recht op je hart en leven." "Daar heb ik niet om gevraagd. Laat mij met rust en geef me de ruimte. Ik zal niet doen alsof Judith en Basmath mijn vrouwen niet zijn. Ik verloochen ze niet! Ze zijn me lief en met hen is het leven ooit saai!" Die zit. Ja, de Kanaänieten kunnen er wat van op sexueel gebied. Sex was hun godsdienst. Wat wil je nog meer… Het lijkt wel alsof ze in de 21e eeuw leven!
Maar… als Jacob de boel bedriegt en nog een extra afscheidszegen krijgt van zijn vader (!), is de maat voor Ezau vol. Hij ziet dat zowel zijn moeder (maar daar had hij toch al nooit wat mee) als zijn vader al hun liefde aan Jacob besteden. Ze voorzien hem van goede adviezen om naar de familie in Paddan-aram te gaan en daar een vrouw te zoeken; vooral niet in Kanaän, net zoals Ezau! Niet handig, want Ezau heeft het gehoord. En hij irriteert zich mateloos aan die schijnheilige broer die 'gehoorzaam' doet wat zijn pappie en mammie zeggen. Jacob gaat netjes in het vrome spoor; ja ja; maar wel met allerlei leugens en slimmigheidjes. Ezau is erin geluisd!
Bruut draait hij zich om en gaat – wat Izaäk niet mocht doen – naar Ismaël. Hij neemt zijn twee vrouwen mee en wellicht zijn er ook al wat kinderen geboren, want waarschijnlijk is Ezau dan al 30 jaar getrouwd! Oom Ismaël ontfermt zich over zijn neef en zal het anti-godsdienstige vuur best hebben aangewakkerd. Tot overmaat van ramp trouwt Ezau met de oudste dochter van Ismaël, die toch ook al op jaren moet zijn geweest. Alleen maar om zijn ouders te stangen. Wat moet daarvan terecht komen?
Voor Rebekka (ik denk vooral dat het haar betreft; moeders zijn daar feller in) en Izaäk waren Ezaus twee eerste vrouwen al een drama: een bitterheid des geestes. Het hield hen wakker en legde een venijnige domper op het gezinsleven. Daaronder is Jacob ook nog 30 (!) gebukt gegaan. Dat kon dan ook best eens de reden zijn dat hij bij zichzelf heeft besloten dat Ezau dat eerstgeboorterecht echt niet meer verdiende; dat moest Jacob op de een of andere manier veiligstellen; anders zouden de bezittingen van vader en moeder zo naar de 'Filistijnen' gaan… En die belofte van de Messias al helemaal!
Maar voor Ezau was het ook zuur om constant te voelen dat zijn vrouwen niet welkom waren. Hij hield van ze en hij had ervoor gekozen. Ja, het was een keuze tegen God en hij kon weten en snappen dat zijn ouders er verdriet van hadden. Maar er wordt in de tekst niet gesproken over stil verdriet, maar over 'bitterheid des geestes'. Dat schuurt tegen haat. Ligt daarin misschien een les voor ouders in dergelijke situaties? Hoe moeilijk dat ook is, hoezeer je niet blij bent met de keuze van je zoon of dochter, laat haat de deur naar je hart niet dichtklappen. Houdt het voor mogelijk dat jouw liefde een brug kan zijn waarover Gods liefde een heidens hart kan bereiken. Hoe moeilijk die weg ook is. In die twee heidense schoondochters kregen Izaäk en Rebekka namelijk ook twee zielen met een eeuwige bestemming: twee schepselen Gods. Ben ik te gemakkelijk in dit oordeel? Ik weet dat dit heel, heel moeilijk kan zijn, maar het is de prijs waard om je hart open te houden voor deze voor jou onwelgevallige schoonkinderen. Gebed is nodig om niet je gevoel, maar je hart te laten spreken. Want de haat van zijn ouders jegens de twee meiden, is voor Ezau de druppel die de emmer doet overlopen: het ontrouwe verbondskind vertrekt en wordt zo onbereikbaar voor zijn ouders. Hoewel hij voor de volle 100% verantwoordelijk is voor zijn eigen daden!

maandag 2 mei 2016

Ezau's professionele ontwikkeling

Jacob, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Om de ontwikkeling van Ezau meer diepte te geven, zette we die af tegen die van Jacob, zijn tweelingbroer. Het was, zo zagen we al, een tweeling met een verschil van dag en nacht. Toch lopen we het gevaar van Jacob een moederskindje te maken en van Ezau een vaderskind. Voor je het weet vind je Jacob lief en heb je medelijden met deze jongen met zijn kwetsbaar zelfbeeld en zet je Ezau weg als een brute brulaap. En je denkt dat je het gelijk aan je kant hebt, want de HEERE zegt toch: "Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat"?
Als we verderop in de Bijbel kennismaken met de familie van moeder Rebekka, dan zullen we een even doortrapt karakter bij Laban zien als bij Jacob en een even dominant heerszuchtig ego als bij Ezau. Als we teruggraven in de levens van Izaäk en Abraham dan komen we evenzeer ruwheid en durf tegen (denk aan de strijd tegen Kedor-Laómer in Genesis 14) bij Abraham als bij Ezau, evenals een doortrapte en berekende handigheid (denk aan de affaire in Egypte en tweemaal bij Abimelech in Gerar; daarover in de volgende Bijbelstudie) bij Abraham en Izaäk als bij Jacob. Karakters laten zich niet altijd zo gemakkelijk in vakjes en lijntjes persen. Laten we daarom eens rustig wat dingen op een rijtje zetten, die van invloed zijn geweest op de professionele ontwikkeling van Ezau; we proberen in deze en de komende overdenking door zijn ogen naar de gebeurtenissen en ontwikkelingen te kijken.




"Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman;
maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten."

Genesis 25 : 27

Uiterlijk

In de vorige Bijbelstudie zagen we dat kinderen bij de besnijdenis officieel hun naam kregen. Ouders spraken dan iets uit van hun innerlijk jegens dit kind. Bij Jacob lijkt dat het 'beethouden van de hiel' te zijn geweest. Iets dat wij gauw associëren met hiellichten of hielenlikken, achterbaks. Het Meertensinstituut over de betekenis van de naam: "Hebreeuws ja'aqob, van onzekere betekenis, mogelijk 'hij zal beschermen', maar in verband met de geschiedenis van Jakob en Esau, de zonen van Isaak, volksetymologisch verklaard als 'hij greep de hiel, hij verdrong (zijn broer), bedrieger' (Genesis 25)."
Ezau daarentegen kreeg een naam vanwege zijn harigheid. Het hebreeuwse woord schijnt 'volledig behaard' te betekenen. Velen denken dat zijn naam doelt op zijn rossige haarkleur. Nu zal hij niet zo rood zijn geweest als de typische engelse roodharigen. Maar toch was hij beduidend meer kastanjekleuriger dan zijn zwartharige broer en stamgenoten. Echter de link met 'rood' vindt pas later plaats, wanneer zijn naam in Edom wordt veranderd (of die naam als bijnaam bij zijn naam wordt gevoegd). Niettemin was hij bij zijn geboorte rossig.
Zijn aanvankelijke aaibaarheid veranderde gaandeweg zijn puberteit in stekeligheid, ruwheid en ruigheid met een ontembare expansiedrang. Hij moest ruimte hebben en niemand die hem op de vingers keek; al helemaal niet iemand (of Iemand) boven zich. Als je de broers naast elkaar zag, zou je niet zeggen dat het een tweeling was. Duidelijk geen eeneïge tweeling. Dat wil overigens niet zeggen dat Jacob geen borsthaar of baardgroei had!

Beroepskeuze

Als Ezau in de nomadennederzetting van zijn vader Izaäk opgroeit, wordt gaandeweg duidelijk dat hij niet in de voetsporen van zijn vader zal treden. Hij ontwikkelt zich als een 'veldman'. Dat moet Izaäk pijn hebben gedaan. Nu had je wellicht toch verwacht dat Izaäk zich zou gaan hechten aan Jacob, die 'in tenten woonde' en 'oprecht' was, wat zoveel betekent als een transparant en zeker ook Godvrezend man, die het rondtrekkende nomadenbestaan was toegedaan, maar die, geestelijk gezien pelgrim, vreemdeling en bijwoner was. Dit was een zoon, zoals je die als vader zou hebben gewenst, nietwaar? Hij gaat helemaal in jouw voetsporen en … hij heeft al jong de HEERE lief. Maar het lijkt erop dat Izaäk continue zocht naar het contact met Ezau.

In het boek 'Jozef en zijn broers' van Thomas Mann (2015) vond ik het volgende geromantiseerde citaat:"Van jou, Jakew, hield de vrouw (Rebekka), vader (Izaäk) hield van mij. Hij at graag van het wild dat ik meebracht, zo was het. 'Ruige,' zei hij dan, 'eersteling, het smaakt me wat jij hebt geschoten en op het opgerakelde vuur voor mij hebt gebraden. Ja, het smaakt me, roodhuid, dank voor de moeite! Jij blijft toch altijd mijn eersteling, en ik zal aan je denken.' Zo en niet anders sprak hij wel honderd en duizend maal. Maar de vrouw hield van jou en zij zei tegen jou: 'Jakewje, mijn uitverkorene!' In moederliefde lig je zachter dan in vaderliefde…" Merkwaardige slotzin.



Ezau maakt zich nuttig als jager, maar… hij was nogal veel weg; met alle gevaren van dien! Met sterke verhalen stelde hij zijn ongeruste ouders tevreden. Een paar dagen binnen het kamp hield hij nog wel uit, maar dan moest hij weer weg. Vrijheid, ruimte, boslucht, wild, gevaar, spanning, het lot tarten. In die weg ontwikkelde hij ook kennis. Het staat nergens, maar hij moet mensen om zich heen hebben gehad. Wellicht ging hij met een paar knechten de wildernis in. Goed mogelijk ook dat hij andere stammen opzocht, om technieken te leren en uit te wisselen. En bij dat alles stonden Izaäk en Rebekka aan de zijlijn. Zij hadden weinig verstand van die dingen; ze zagen hun zoon bezig op terreinen die zij meden; hij kwam in contact met mensen die niet van de clan van Abraham waren. Opeens snapten ze vader Abraham ook beter, toen die specifiek een vrouw voor zijn zoon Izaäk liet zoeken bij de eigen familie in Syrië. Je weet maar niet wat je binnenhaalt aan 'genen' en 'ideologieën'. Ezau wuifde het weg; hij wilde avontuur en vooral veel ruimte. Geen pottenkijkers; hij wilde zijn eigen leven opbouwen, niet in dat bekrompen milieu van thuis. Hij zou het wel redden. Laat mij mijn gang maar gaan!

Specialisatie

In dat vrije leven kwam hij er ook achter, dat de kraan niet vanzelf loopt. Er moest worden gegeten, wilde hij blijven leven. Zijn sterke lichaam was wel wat ontbering gewend, maar na verloop van tijd liet het lichaam wel van zich 'horen': honger! Het jagen was dan ook een specialisme van deze 'veldman', dat allereerst op zijn eigen onderhoud was gericht. En zo af en toe nam hij ervan mee en liet er zijn vader van meeproeven.
Dat jagen komt van een hebreeuws woord dat de betekenis heeft van 'met graagte jacht maken op' of 'voorraad meenemen'. Er zit die gejaagdheid in van 'hamsteren', 'hebben, hebben, hebben' en 'pakken wat je pakken kunt, want morgen is het misschien op'. Hoeveel mannen kennen iets van die oerdrift om je zinnen op iets te zetten, want je wilt het koste wat kost hebben. Misschien is het te duur. Dan probeer je het op een goedkopere manier te krijgen en anders neem je de prijs op de koop toe. "Ik moet en zal die auto hebben…" Hebzucht is de mannelijke vorm van jaloezie. En zeg eens… loopt Ezau daar uiteindelijk nu echt wel zover bij Jacob vandaan? Er is alleen één verschil: Ezau is een kortetermijn-denker. En dat zie je bij meer verbondskinderen die afhaken. "Later zien we wel weer." Of… "Geloof? Dat zit tussen je oren." Maar wat nu als Gods tóch bestaat? "Vraag liever: wat nu als God toch niet blijkt te bestaan? Dan heb je al die tijd bekrompen geleefd… voor niets!"
Nog één ingrijpend moment illustreert dit verschil tussen Jacob en Ezau, de inhalige twins! Als in Genesis 33 de tweeling weer oog-in-oog met elkaar staat en Jacob de toorn van zijn broer handig probeert af te kopen met een grote gift, vraagt Ezau: "Wat is dit allemaal? Voor wie is dit allemaal bestemd?" Jacob maakt duidelijk dat het voor Ezau is. "Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt! Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt. Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam…"
Ezau pocht: "Ik heb veel"… Jacob belijdt, zij het tussen de regels door: "Ik heb alles!" Hij heeft God! Ezau is een heel ander leven gewend en heeft nooit geleerd zich in de ander te verplaatsen. Hij trok altijd zijn eigen spoor. Zijn geste om broer Jacob als bodyguard te begeleiden lijkt sympathiek, maar is een teken van gebrek aan invoelingsvermogen. Hij is niet in staat met zijn ruigheid en bruutheid af te dalen tot 'het zwakkere'. Hij haalt er ten diepste zijn neus voor op. Het is allemaal alleen maar 'lastig' en 'vermoeiend'.

zaterdag 30 april 2016

Jouw naam en Gods naam verbonden

Ismaël, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis

Waarom laat je je kind dopen? Wat is jouw motivatie daarbij? God heeft een stellige motivatie bij de Heilige Doop. Het is een bedenksel van Zijn genadige zondaarsliefde. Laat dat maar eens duizelen in je hart. Maar… wat beweegt jou als vader of moeder, om je kind te laten dopen? Het is goed om dat helder te hebben. Ik ga geen verhandeling houden over de doop, maar ik leg die motivatie van ons 21e eeuwers naast die van vader Abraham, toen hij zichzelf en zijn dertienjarige zoon Ismaël liet besnijden. En trek de lijn ook door naar zijn kleinzoons Jacob en… Ezau!

Het moment van de eerste besnijdenis wijkt wat af van alle navolgende besnijdenissen. Er werden bijna alleen volwassenen en 13-plussers besneden. Merkwaardig trouwens dat God het moment uitkoos, waarop Ismaël 13 was en naar de geldende norm verantwoordelijk voor zijn daden. De latere joodse jongens werden dan 'bar mitswa'. Toen Izaäk werd besneden kreeg hij zijn naam; hetzelfde geldt voor Jacob en Ezau. Dat was een moment waarop de ouders ook emotioneel iets van hun innerlijk deelden jegens dit 8 dagen oude kind!


"En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed;
daarom noemden zij zijn naam Ezau.
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield;
daarom noemde men zijn naam Jakob."
Genesis 25 : 25-26a

De opdracht aan opa Abraham

Toen God in Genesis 17 Zijn verbond met Abram bevestigde en dat van het teken en zegel van de Besnijdenis vergezelde, gaf Hij Abram en Saraï een nieuwe naam. Hij veranderde hun namen respectievelijk in AbraHam en SaraH. Hij voegde er Zijn eigen letter H aan toe. Letterlijk verbond Hij Zijn naam aan die van deze twee mensenkinderen.
Inmiddels was Ismaël 13 jaar en groeide op in een godsdienstig, maar gistend gezin. Dat kwam omdat Abraham 'eigen wegen' had bewandeld en God een handje wilde helpen. Hij bracht daarmee Hagar in problemen (gaf haar een slecht beeld van God en maakte haar blij met een 'dode mus', waar het Gods belofte van de Messias betrof!). Maar hij was ook schuldig aan het bestaan van een jongen, Ismaël, die een fout beeld van de dienst aan de HEERE kreeg. Ik snap het zo, dat Abraham gaat pleiten bij God, voor zijn eerstgeborene Ismaël. En… de HEERE laat Zich verbidden.
De besnijdenis wordt een bevel! Geen discussiepunt over de vraag of je volwassenen zou moeten besnijden of jonge kinderen. Geen discussiepunt over de vraag of je er wel geestelijk aan toe bent en of jij als niet-wedergeboren ouder nu wel of niet mag laten besnijden (lees bij dit alles ook de Heilige Doop!). God geeft een bevel. En wie niet besneden is hoort niet meer bij de 'club'. Die jongen of man moet worden uitgestoten. Heftig, nietwaar? God neemt het Verbond bloedserieus.

De belofte aan oom Ismaël

Met in mijn achterhoofd Ezau, zoom ik hier in op Ismaël, omdat deze oom best veel overeenkomsten vertoont met zijn neefje Ezau. Hoe stellig de HEERE ook aangeeft dat Hij Zijn speciale belofte aan Izak voorbehoudt (let erop dat hier al Izaks naam wordt genoemd!), Hij belooft de spottende Ismaël een forse zegen en voorspoed.
Maar eerst stap ik één hoofdstuk terug. Want toen ontmoette de HEERE Hagar en vertelde haar dat ze een zoon met de naam Ismaël zou baren. "En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen." Hagar geeft God een naam (hij wordt persoonlijk concreet voor haar!!!): 'Lachai-roi', dat is 'Gij, God des aanziens'. In de kanttekening wordt duidelijk gemaakt dat Hager met de naam van de put haar eigen naam met die van God vermengde (belangrijk element van een verbond).
Het gaat mij vooral om wat de engel over Ismaël zegt: 'een mens die lijkt op een wilde ezel'. Een bepaald ruw persoon, zo niet een olifant in een porceleinkast. Een ruziezoeker met iedereen en iedereen heeft ruzie met hem. En toch… toch zal hij 'wonen' recht tegenover zijn broeders. Hij zal ze uitdagen, tarten zelfs, maar men zal hem niet kunnen wegvagen. Eenzelfde belofte zal ook over Izaäk worden uitgesproken, zodat iets gaat oplichten van het eeuwigdurend conflict tussen de Joden en de Arabieren. Ga daar als westerling maar nooit tussenzitten. Echter, als we Genesis 25 lezen zien we dat hij ook tegenover andere 'broederen' woont: "tegenover Egypte", het land waar zijn moeder prinses was, aldus een apocrief boek.
Een hoofdstuk verder dus, maakt de HEERE zijn zegen aangaande Ismaël concreter: "En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen." Dankzij de voorbede van zijn vader zal de HEERE Ismaël zegenen, vermenigvuldigen en 12 vorsten geven, net als de 12 stammen van Israël! Hij zal eveneens tot een groot volk zijn. Maar… ja, het is niet anders godezijdank: ook deze meerdere zal de mindere dienen. De vraag is: wil Ismaël dat? Hoe zal hij hiermee omgaan? Nou, het woord is allereerst aan God: "En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. En hij woonde in de woestijn Paran." Hij laat zien dat Hij verder wil met Ismaël. En Ismaël laat de band met Abraham niet helemaal los, want als Abraham overlijdt is Ismaël erbij bij de begrafenis, samen met Izaäk. Gezamenlijk geven ze hun vader de laatste eer. Maar daarna…?
Het is opmerkelijk dat we na de zegening van Jacob door Izaäk, Ezau verbolgen het kampement van zijn ouders zien verlaten. Waar gaat hij heen? We lezen in Genesis 28:9: "Zo ging Ezau tot Ismaël"! Die twee zullen elkaar helaas goed hebben verstaan, denk je niet?

De zegen aan vader Izaäk

"Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal." Dat zijn de woorden van God aan Abraham. Het was duidelijk dat de HEERE met Izaäk een speciale weg ging. De weg die Hij met Abraham was begonnen… de weg die Hij met Eva en Adam reeds was begonnen: het Vrouwenzaad moest geboren worden! En daarom zouden in die lijn bij uitstek alle geslachten der aarde worden gezegend. Kijk nog één keer naar Ismaël, als voorbeeld hierbij. Als er een feestje wordt gegeven voor Izaäk, wanneer hij gespeend is, lezen we in Genesis 21 dat hij het spotten al geleerd heeft. En dat steekt Sara. Abraham brengt dit probleem bij God en deze antwoordt: "Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is."
Als Izaäk wordt besneden, krijgt ook hij een naam. Een naam die God hem al had gegeven: Izak. Yitschaq betekent 'hij lacht'. Sara uit een stuk ongeloof, Abraham met tranen van dankbaarheid in zijn ogen. Zou Sara het aan Izak hebben uitgelegd, waar zijn naam vandaan kwam? Dat moet me een gesprek zijn geweest! Ik kan me voorstellen dat Izaäk een moederskindje is geworden.
Hoewel, zijn vader is ook een groot voorbeeld van geloofsstandvastigheid geweest! Wat dacht je?! Als Abraham de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, lijkt de weg ten ene male dood te lopen. Maar door de onmogelijkheden heen gebruikt God hem als type van Christus. "God zal Zich een Lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon!" En zo geschiedde. En Izaäk mocht Diens verre voorvader zijn, een drager van de belofte. Een belofte met Toekomst!

vrijdag 29 april 2016

Vaders trots en moeders angst

Izaäk, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Zou het zo kunnen zijn dat ouders juist met die kinderen een mysterieuze band hebben, die het meest van hen verschillen? Je komt natuurlijk plenty moeders tegen die hun dochter precies willen laten zijn zoals zij. Ze zijn nog tieners, als hun moeder eigenlijk niet meer is dan een gelijkwaardige vriendin. Vaders vallen vaak in de valkuil dat hun zoons alleen maar stoere dingen moeten doen. Jongens moeten echte jongen-jongens zijn en meisjes het liefst meisje-meisjes. Maar dat is niet echt een ouder-kind- relatie. Dat is voldoen aan de norm die anderen gesteld hebben. Soms tot frustratie en schade voor het kind!

Van mijn vader mocht ik bepaald speelgoed kopen, dat hij als kind nooit had gehad. Hij kon daarvan genieten en achteraf denk ik weleens, dat hij in mij zichzelf zag spelen. Er zijn ouders die hun kinderen stimuleren in bepaalde wegen die zij zelf nooit hebben kunnen bewandelen. Denk aan opleiding of hobby of reizen. Je moet uitkijken dat de kinderen niet in jouw ideaalbeeld worden geperst, maar ik kan het snappen. Dat hoeft nog niet verkeerd te gaan. Maar… als ik naar Izaäks jeugd en ontwikkeling kijk, vraag ik me in alle ernst af: wát trok hem aan in Ezau? Als Rebekka nu het meest met Ezau zou hebben gehad, had ik dat logisch gevonden, na wat we gisteren ontdekten. Maar juist Izaäk trekt naar Ezau toe en Rebekka lijkt haast een afstand tot hem te bewaren.


"En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond;
maar Rebekka had Jakob lief."
Genesis 25 : 28

Liefde tussen ouders en kinderen

Izaäk en Rebekka hadden hun kinderen lief. Dat is fijn om te lezen. Als dat er niet zou zijn, dan groeiden de kinderen kil en zakelijk op. Dan zou hun geweten niet goed zijn gevormd en hun gevoelsleven verkrampt, zo niet ontwricht zijn geworden. Dan hadden ze niet naar behoren kunnen communiceren, al helemaal niet op het non-verbale vlak.
Maar… er is iets merkwaardigs aan deze liefde. Het woordje 'maar' klinkt haast onheilspellend. Izaäk laat zijn gevoel spreken en neigt naar Ezau; een reactie van de kant van Rebekka volgt direct: "maar Rebekka had Jakob lief." Ik gebruikte het woorden 'neigen', maar ik weet niet of dat wel een juist woord is. Het sust een beetje het onterechte. Het camoufleert het onheuse. Het stigmatiseert haast. Je moet als ouders nooit duidelijk je voorkeur voor een van je kinderen laten merken. Al zal ongetwijfeld bij discussies en confrontaties een en ander duidelijk kunnen worden. Investeer er dan in dat de suggestie van voorkeur zal worden weggenomen!
We moeten bij deze geschiedenis goed in de gaten hebben dat Izaäk en Rebekka niet in één tent woonden. Ze deelden het bed, maar niet elke nacht. Ze hadden elk hun afgebakende leven. We lezen in het laatste vers van het vorige hoofdstuk: "En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood." Rebekka is een en al troost voor Izaäk. Hij is de handelende hier en het lijkt alsof de liefde alleen van hem uitgaat richting Rebekka (en niet andersom); maar ik weet zeker dat dat wél het geval was.

Izaäk en een uiterlijk verschillende tweeling

Izaäk was duidelijk een moederskind en Jacob, ja je leest het goed, moet erg op hem hebben geleken. Misschien dat Izaäk zichzelf in Jacob herkende en daarom juist afstand bewaarde. Zich aanvankelijk niet zo'n zorg over deze jongen maakte: die kwam er wel; hij ging braaf in het spoor. Met Ezau moest je meer voeling houden, ander was je hem kwijt. Ik teken het in met mijn gevoel, want het staat er allemaal niet in Gods Woord. Toch denk ik dat zulke dingen wel kunnen hebben meegewogen.
Er is nog iets. Izaäk lijkt ook een vader die rendement zocht. Hij voedde zijn kinderen op en liet hun verzorging gerust over aan de liefdevolle zorg van Rebekka. Even tussendoor: zou hij het verschil tussen Rebekka en hemzelf hebben opgemerkt? De tekst van vandaag lijkt te suggereren dat alleen Rebekka dit doorhad.
Ezau was voor Izaäk een zoon om trots op te zijn. Wat die allemaal presteerde, uithaalde en durfde! "Ik zou dat zelf vroeger nooit hebben gedurfd," zei de vader met een glimmende trots in zijn ogen. De prestaties van zoonlief werden met deze woorden bijna zijn eigen prestaties. En kijk eens… de vader werd er zelf ook beter van: heerlijk wildbraad! Het personeel in het kampement van Izaäk kon best over weg met potten en pannen, maar dat bleef toch een beetje hangen in 'meer van hetzelfde': lamsvlees of schapenvlees uit de kudde. Groenten van het eigen land. Vruchten van de bomen in de buurt. Maar het vlees dat Ezau meebracht was gekruid met durf en avontuur! Het kwam van ver, dus het was lekker. En de verhalen van zijn expedities maakten het nog eens extra smakelijk.
Izaäk zelf stel ik me voor als een beschaafde, min of meer gladgeschoren jongen; een beetje de oudere versie van Jacob. Maar Ezau! Een en al harigheid. Ja het is waar, af en toe moest hij zijn zoon manen om niet zo luidruchtig en gulzig te zijn. Het is waar, af en toe moest hij wel iets door de vingers zien van Ezau's escapades met de dienstmeisjes of de vrouwen op de markt. Vliegen vangen met stroop… niet met azijn. Niet teveel op Ezau's huid zitten; anders was je hem kwijt. Fantastisch toch, als je zo'n icoon van een zoon hebt? Wie in de wijde omgeving had zo'n bodyguard? En als Izaäk vertelde over de grote daden van de HEERE en iets vertelde over zijn leven met God, dan zag hij het als zaaien… zaaien in het hart van Ezau. Niet te zeer naar vruchtdragen staan. Laat het maar tijd krijgen om te ontkiemen. De HEERE zou vast wel de wasdom geven.



Rebekka en een innerlijk verschillende tweeling

Gek genoeg zou het tussen Rebekka en Ezau weleens hetzelfde kunnen zijn geweest als tussen Izaäk en Jacob. Rebekka zag in die stoere, eigenzinnige en ondernemende tiener, haar eigen beeld: bomen klimmen, boog schieten, wolven jagen, wilde spelletjes met de herders en de jongens uit het kamp. Er zat een willetje in Rebekka; er zit een willetje in de kleine Ezau… De levenservaring van Rebekka heeft haar wijs gemaakt en de gevaren ervan doen zien. Is het vrees van haar om afstand tot Ezau te bewaren? In Jacob ziet ze iets opbloeien, dat bij haarzelf zo vaak onder vuur ligt. Jacob kan urenlang luisteren naar zijn vader. Hij kan ook diepe vragen stellen. Maar… ze merkt dat hij vaak zijn neus stoot bij vader Izaäk. Het alsof Izaäk hem op afstand houdt. Izaäk kijkt vaak vol aandacht richting Ezau, maar ziet soms zijn zoon Jacob niet eens zitten. Die is ook niet zo druk en nadrukkelijk aanwezig.
De vragen die Jacob kan stellen, nadat hij heeft zitten peinzen, verbazen Rebekka. Zulke vragen komen eigenlijk maar zelden bij haar op. Hoe komt die jongen toch aan al die vragen? Wat gaat erin dat koppie om? "Ik weet ook niet alles, maar je mag het mij altijd vragen, hoor!" Ze geeft Jacob een aai over zijn bol en ze merkt direct dat dat hem raakt. Jacob is snel emotioneel. Hij kijkt vaak met een schuin oog naar Ezau. Hij wilde ook wel zo'n stoere Tarzan zijn. Een utopie. Jacob moet leren om met zichzelf tevreden te zijn. Hij mag er zijn zoals hij is. Daar is Rebekka stellig van overtuigd. En dat laat ze hem duidelijk merken. Bij haar mag hij zijn wie hij is… Als hij dan tevreden in slaap valt op haar schoot, ervaart ze dat als iets dat ze terugkrijgt voor haar liefde. Bij Ezau zou ze zoiets nooit krijgen. Langzaamaan verkleven moeder en zoon en hebben ze ook op non-verbaal vlak het vermogen om met elkaar te communiceren, elkaar aan te voelen. Een spel dat Ezau niet snapt en maar kinderachtig vindt. Een verbondenheid die Izaäk geheel lijkt te ontgaan. Hij wordt er ook niet in getraind.

donderdag 28 april 2016

Ezau - een kind van het Verbond

Fotograaf James C. Lewis maakte een serie artistieke foto's, de 'Black Bible Characters', waaronder 'Esau'


Afgelopen zondag hield ik een vertelling op de zondagsschool over Jacob en Ezau. En prompt ging zondagavond de preek over exact hetzelfde gedeelte: Genesis 25 : 19-34! De week ervoor werd ik bijzonder getroffen door de figuur en houding van Ezau. Ezau, een kind van het Verbond. Hoe is het mogelijk dat hij de waarde van dat Verbond niet zag, zijn eigen weg door het leven ging en God niet nodig leek te hebben. Je komt er niet zomaar uit, wanneer je in zijn opvoeding de aanleiding probeert te zoeken; hoewel… Je komt er al helemaal niet uit, als je het probeert te verklaren vanuit de uitverkiezing; hoewel… Ik heb me voorgenomen een serie overdenkingen te gaan maken over 'Ezau - een kind van het Verbond'. Misschien dat ik de serie t.z.t. ga bundelen in een ebook. Om zo de serie extra dienstbaar te maken aan mensen die zo'n Ezau in hun directe omgeving hebben of… zich herkennen in deze man met een autonome drive en hang naar ongebondenheid.