Posts tonen met het label zegen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zegen. Alle posts tonen

dinsdag 13 februari 2018

Zegen, verbond en scheiding

De vriend van de gezalfde - VII

Toen zeide Jónathan tot David: Ga in vrede; hetgeen dat wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in der eeuwigheid. Daarna stond hij op en ging heen; en Jónathan kwam in de stad.
1 Samuël 20 : 42-43


Waar christenen vandaag de dag nogal door worden ‘bedwelmd’ is de hang naar rust en comfort. Het kerkelijk ‘huisje-boompje-beestje’ zou je kunnen dus vertalen met ‘kerkgebouwtje-orgeltje-predikantje’. Misschien nog hier en daar de wens van bloeiend jeugdwerk, kringwerk en ontmoeting. Als we al die dingen kunnen ‘afturven’ zou er volgens sommigen sprake zijn van een ‘geslaagde gemeente’. Mooi als de ­gemeente ook nog wat groeit; hoewel sommige gemeenteleden dat zien als een bedreiging van het moeizaam verworvene! Dus is het wel belangrijk dat de aanwas uit ‘een bepaalde hoek’ komt.
Misschien dat er op landelijk niveau nog de behoefte is aan wat zendingswerk, zodat we ook naar andere kerken kunnen laten zien dat we echt wel meetellen en aan de ‘Weg’ timmeren. Meestal blinken afgescheiden kerken uit in een mager tot ontbrekend evangelisatiewerk. Dat geeft te veel onrust; het kost doordenking en eigenlijk komt het dan opeens aan op een levend geloof. Als dooddoener wordt dan maar snel gezegd dat ‘God het moet doen’. Dat is mooi makkelijk!
Als Jonathan David laat gaan en hem vrede wenst, weet hij heel goed dat het leven na deze scheiding voor hen beiden allesbehalve vredig, rustig en comfortabel zal zijn. De vrienden en zwagers zullen elkaar geen dag uit hun gedachten verliezen; dat betekent dus ook dagelijks pijn ervaren! Bij David komt daar nog bij dat hij zijn vrouw, Jonathans zuster, zal moeten achterlaten. Zit ze soms al gevangen in Sauls kerker? Is hun woonvertrek beveiligd door Sauls trawanten? Of is ze misschien reeds uitgehuwelijkt aan Palti, zoon van Lais uit Gallim? De Kanttekeningen verwijten naast Saul en Palti ook Michal dat zij met deze ‘daad’ kwaad heeft gedaan. Het is maar zeer de vraag of de vrouw in deze tijd iets te willen had!

De afspraak die Jonathan en David hadden gemaakt en waar ze een verbond over hadden gesloten, wordt opnieuw herhaald. Voor Gods aangezicht laat Jonathan David beloven dat die zal zorgen voor Jonathans kinderen, wanneer David koning zal zijn. Tot de dood ons scheidt? Nee, hun vriendschap reikt ver daar voorbij! Is die belofte een verkapte vorm van verzekering, die bepaalde kerkelijke groeperingen zo afkeuren? Zeker niet. Hier bekrachten vrienden hun vriendschap en bevelen elkaar hun kinderen aan. Hoewel we dat niet lezen over David; simpel omdat die nog geen kinderen had. Sterker nog: David zegt tegen Jonathan ook niet: “Jonathan, mijn vriend, wil jij voor mijn Michal zorgen, nu ik moet vluchten? Bescherm haar en houd haar bij Saul weg!” Niets van dat al! Vond de HEERE het niet nodig dit in de Bijbel te vermelden? Of heeft David er echt niets over gezegd? Of ging hij er vanuit dat Jonathan zijn uiterste best wel voor haar zou doen?

Daarna maakten ze elkaar los uit hun emotionele omhelzing. De afstand tussen de vrienden groeide van millimeters naar centimeters, van decimeters naar meters. Weldra verdween David tussen de eerste bomen en struiken van het woud. Toen Jonathan tussen de bomen niets meer zag bewegen keerde hij terug naar de realiteit, zoals later de discipelen Jezus zagen heengaan naar de hemel en nog bleven kijken, hoewel een wolk Hem al uit het blikveld had gehaald. Langzaam keerde Jonathan zich om. Keek nog eenmaal naar de bomen waar­tussen David was verdwenen. Weg! Voor altijd? Wat zullen de ­gedachten zijn geweest die door zijn hoofd zijn gegaan? Wat zullen de gevoelens zijn geweest toen hij schoorvoetend terug liep naar het paleis? Hij kwam weer in de stad, maar je moest niet vragen hoe! De vrienden waren gescheiden en David vluchtte naar een veilige stek, weg van de levensbedreigende Saul.

Was daarmee het ‘probleem Saul’ nu opgelost? Had het plan van Jonathan ertoe geleid dat we met een happy end te maken hebben? Heeft Saul afgedaan voor zijn zoon en trekken de beide vrienden de wijde wereld in, na de vijand te hebben verslagen? Nee, aan de situatie is ten diepste niets veranderd. De een is ‘weggegaan’ omdat er geen toekomst meer was aan het hof. Hij ging de weg van een vluchteling met weliswaar een belofte van God op zak, maar de realisatie van die belofte was nog totaal niet zichtbaar; eerder het tegendeel. “Zou de HEER’ Zijn gunstgenoten,” dacht ik, “dan altoos verstoten? Niet goed­gunstig zijn voortaan? Nimmer ons meer gadeslaan? Zouden Zijn ­beloftenissen verder hun vervulling missen, vruchtloos worden afgewacht van geslachte tot geslacht?” (Psalm 77).
De ander, Jonathan, bleef op zijn post en was ervan overtuigd dat hij het daardoor enorm moeilijk zou krijgen. Zijn omstanders zouden het een wijs en historisch juist besluit noemen, maar hijzelf voelde elke dag de pijn van deze scheiding. David daarentegen zou in de loop van de tijd mensen om zich heen krijgen die maar wat blij met hem waren. Die waren Saul om allerlei andersoortige (duistere) redenen ontvlucht. Hun ­motieven waren heel verschillend, maar vaak wezensvreemd aan die van David. Dat zou hem later diverse keren in ­problemen en in verleiding brengen om de macht eerder te grijpen dan Gods tijd! Je kunt er dus niet je vinger op leggen wát nu de juiste beslissing is geweest. Er was eigenlijk ook geen ‘juiste beslissing’. En als je het enkel menselijk bekijkt, zou je denken dat het onverenigbare motieven waren van David en Jonathan. Maar wie dieper heeft leren zien, weet dat dat toch kan.

Blijft de vraag: waarom bleef Jonathan aan het hof? Waarom ging hij niet mee met David? Samen sterk, toch? Hoe kon hij nu toch met een oprecht gemoed zijn vader Saul dienen en diens bevelen uitvoeren? Hoe kun je je ten dienste stellen van leiders die een totaal andere visie op de gang van zaken hebben? Die de bouw, fundering en bloei van Gods gemeente niet werkelijk op het oog hebben, maar op de achtergrond eigen belangen behartigen? Hoe kun je omgaan in de gemeente met mensen die ideeën hebben die haaks op die van jou staan? Waarvan je misschien zelfs vermoed dat ze onoprecht zijn? Dat ze jou misschien wel van onzuiverheid beschuldigen, terwijl ze zich zelf verschuilen achter dode orthodoxie? Of achter ‘enthousiasme’ zonder inhoud’? Wat te doen als zulke figuren in e gemeente worden ­‘gevolgd’ en worden aangezien voor ‘waarheidsvrienden’.

Het gevaar is dat je op eenzelfde manier te werk gaat als zij; en voor je het weet denk je dat jíj het moet doen… Het is niet jóuw gemeente, maar die van Jezus Christus. Die psalm van daarnet zingt verder, nadat de dichter zich afvroeg of God Zijn genade had vergeten: Ik zei daarna; “Dit krenkt mij ’t leven; maar God zal verand’ring geven; d’Allerhoogste maakt het goed; na het zure geeft Hij ’t zoet.” Is dat een soort pep-talk? De dichter zei immers ook: “dit krenkt mij…”, dat is: als God écht zou zijn veranderd, dan is mijn geloof ijdel en dat is schade! Hij geeft een praktisch advies: ’k Zal gedenken, hoe voor dezen ons de HEER’ heeft gunst bewezen; ’k zal de wond’ren gadeslaan, die Gij hebt van ouds gedaan; ’k zal nauwkeurig op Uw werken en derzelver uitkomst merken; en, in plaats van bitt’re klacht, daarvan spreken dag en nacht.

Let erop dat de dichter, na tegen zichzelf te hebben gepraat, tot God gaat praten en Hem alles vertelt! Dat lost niet altijd de problemen op zoals die ook niet werden opgelost voor Jonathan, maar het laat de HEERE wel alle ruimte om aan te geven hoe we de weg, die Hij ons wijst, moeten vervolgen. Hij is namelijk de Enige Die Zijn doel nooit mist maar altijd uitkomt waar Hij zijn wil! Soli Deo Gloria.

maandag 22 mei 2017

Wees gezegend en wees een zegen

"Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt."
Genesis 22 : 17-18 



Je grenzen stellen, dat is vandaag de dag belangrijk. Dan weet je allemaal waar je aan toe bent. Duidelijkheid scheppen. De Rijdende Rechter heeft er de handen vol aan en meer dan eens moet het kadaster tot op de millimeter nauwkeurig bepalen waar de erfgrens van iemands perceel loopt. Maar wat nu als je ruimte te kort komt? In het normale leven moet je kopen of onderhandelen. Aan Abraham wordt al perceelvergroting gegarandeerd, nog voor hij 1 korrel zand bezit. Hij zal een goed geolied familiebedrijf runnen met talloze nazaten. Maar… bijna had hij geen kind meer gehad. Opgeofferd aan God, de Almachtige.

Het is juist vanwege die offervaardigheid, dat de HEERE Abraham toespreekt en zegen belooft. Toch betreden we hier een spanningsveld. Dit klinkt namelijk als een verdienmodel! God gehoorzamen levert rendement op. Dat correspondeert niet met het reformatorisch dwangmatige dat het toch vooral onverdiend, verbeurd (verklaard?), moet zijn. Geen verdienste van onze kant… hoe zit dat toch?

Verdiend door gehoorzaamheid?

Dat oer-roomse maar evengoed oer-menselijke en na-paradijselijke verlangen om iets te verdienen! Genegenheid, goodwill, adoratie, aanbidding van mensen, liefst zo hooggeplaatst mogelijk. Want wees eerlijk: het streelt je ego meer, wanneer de koning voor je buigt dan wanneer een bedelaar voor je buigt. Dat zullen de meeste mensen niet zo zeggen, maar dat zit diepweg in elk mensenbrein ingebakken sinds Genesis 3. Noem het de random-software van satan. Het is in ons brein geïmplementeerd en op willekeurige, onbewaakte ogenblikken zet het zichzelf in werking. En voor je de gedachte kunt hebben "nou dan kun je dus niks aan doen": we vinden het nog prettig ook!
Iemand vroeg me onlangs wat het 'schatten verzamelen in de hemel' inhield. De vraag was ontstaan tijdens een gesprek op een bijbelkring, waar iemand had gezegd dat er niveau's, trappen van verhoging, in de hemel zijn, zoals er ook trappen van vernedering zijn in de hel. In die laatste plaats zal de wroeging bij een wilde heiden anders zijn dan bij een moedwillig onbekeerde refo die Jezus een te gemakkelijke weg vond. In de hemel is er ook zo iets, maar dan de andere kant op. Er zijn teksten die daar aanleiding voor geven, maar ik denk dat we er niet te zeer over moeten nadenken. En we moeten er al helemaal geen verdienmodel in proberen te ontdekken!
Echter, in onze tekst staat het er dan toch maar, onomwonden: "…Ik zal u grotelijks zegenen… naardien (omdat) gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt"! Daar kon je als oud-testamentisch verbondskind dan ook zeker van zijn: God gehoorzamen betekende Zijn zegen ontvangen. Dat zijn we in de nieuw-testamentische tijd wat kwijt geraakt. Sterker nog: het is in een verdacht licht gesteld door met name ultra-calvinisten. Het wordt structureel weggezet als remonstrants. Christus heeft alles verdiend! Jij en ik verdienen niks dan de dood en verdoemenis. Maar is dat wel Bijbels?
Hoe zit het dan met de Tien Geboden? Met dat gebod bijvoorbeeld van het eren van je ouders (en overheden): "Eert… opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft"? Een soort voort wat, hoort wat, lijkt het wel. Maar wie zo tegen de HEERE en Zijn dienst aankijkt, zit blijkbaar ook met zijn onbekeerde gezicht in de kerk, om een 'pluspunt' af te vinken, in de zin van: zo die kunnen we ook weer afstrepen voor de eeuwigheid. Dat is nou precies de oudste zoon uit de gelijkenis: ik heb altijd gediend… en ik heb nog nooit iets gehad! Dienen om loon. Een arbeider kan zo in elkaar steken, maar een kind zal in een rechte relatie tot zijn vader of moeder niet zo reageren. En in het geestelijke al helemaal niet! Dan is het je lust en je leven – in navolging van de Heere Jezus – om je Vader blij te maken met je daden. Dan heb je het ook niet meer zo druk over 'stukwerk' en dat al je goede werken maar vuil en verwerpelijk zijn voor God. Dat soort dingen zeg je enkel, als iemand beweert iets te kunnen verdienen. Maar als je daar al van overtuigd bent, stimuleer je de ander om goede werken voort te brengen. Omdat je weet dat de HEERE er blij van wordt!

Verdiend voor generaties?

En dan dat andere aspect: dat jij iets 'verdient' (of laten we het 'bewerkstelligt' noemen) en dat dat effect heeft op de generaties na jou. De moderne mens wil zijn eigen boontjes graag doppen en spreekt niet graag in verdiensten voor anderen. Daarom heeft hij ook zo'n moeite met het offer van Jezus Christus. Maar Gods kinderen kunnen het er prima mee doen. Wat een diepe dankbaarheid dat Hij wilde gaan waar zij niet konden komen; dat Hij wilde komen waar zij niet konden weggaan.
Nog even terug naar dat gebod 'eert uw vader en uw moeder'. Daar wordt gesproken over de zegen van een lang leven in het land dat God schenkt. Dat gold natuurlijk letterlijk voor het volk van Israël, die het Beloofde Land uit Gods hand kregen. Maar je kunt dat ook prima doorvertalen naar 'het land waar God jou heeft gezet'. Een lang leven… niet om enkel te genieten van veel jaren, maar een lang leven om te besteden in Zijn dienst. En voor dat je het gevaar loopt egoïstisch met dat 'bezit' om te gaan, plaatst de HEERE het in een breder perspectief. Tegen Abraham zegt Hij: "Dit land zal ruim genoeg zijn voor al jouw nazaten, geslachten lang; ze zullen zo talrijk zijn als de zandkorrels van het strand; en mochten ze ruimte te kort komen, dan geef Ik ze macht over het grondgebied van hun vijanden." Abraham werd dus niet alleen persoonlijk gezegend, maar ook zijn nageslacht deelde in deze zegen. Hoe belangrijk was het dus dat dat nageslacht de HEERE ook leerde kennen; de achtergrond van hun zegen te begrijpen en God er om te loven en te danken. Zie je dat zegen niet op zichzelf staat? Zegen is de 'tool' waarmee je aan het werk kunt in Gods wijngaard. Het helpt je om anderen te laten delen in jouw zegen; en zo te doen ervaren dat de HEERE goed is!
Ga je ook zo om met jouw zegeningen? En rust jij ook jouw nageslacht – als je dat hebt – toe om tot zegen te zijn?
Dat eerste stukje van vers 18 heeft natuurlijk nog een duidelijke diepere laag gekregen door de komst van de HEERE Jezus. Daarover gaat het de volgende keer. Voor nu is het belangrijk om zelf tot zegen te zijn en anderen toe te rusten eveneens tot zegen te zijn. Zo wordt Gods Koninkrijk gebouwd, zo wordt de gemeente waartoe je behoort tot zegen en zo worden mensen uit de omgeving getrokken uit het duister van de 'vangodvervreemding'.

donderdag 14 juli 2016

Jozefs houding tegenover de Farao

"Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende: Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren."
Genesis 50 : 4-6

Mensen die God niet vrezen zijn nog niet per definitie onontvankelijk voor een vriendelijk, ootmoedig verzoek. Zelfs een wereldheerser als Farao, die zich als god liet vereren. Farao had achting voor Jozef en zag het voordeel dat hij van deze Joodse dienaar had. Daarom had hij hem ook zo'n hoge positie gegeven. Alleen blijkt vandaag dat Jozef duidelijk ónder Farao stond. Maar ook dat Farao welwillend was tegenover Jozef. We behandelen vandaag slechts een deel van het tekstgedeelte hierboven: Jozefs vraag via zijn dienstknechten aan Farao en Farao's akkoord op Jozefs verzoek om zijn vader te mogen begraven. Farao kende Jozefs vader wel; jaren geleden had Farao's voorganger hem ontmoet, toen Jozef hem zijn levensgeschiedenis vertelde en zijn vader aan Farao voorstelde.

Jozef stelt zijn vader Jacob aan Farao voor; gravure, 1864, Sir Edward Poynter (1836-1919)


Aanvankelijk dacht ik dat Jozef aan Farao mededeelde dat hij zijn vader ging begraven. Maar dat staat er niet. Jozef vroeg het netjes aan Farao. Dat is al opmerkelijk. Maar toen ik nog beter las, zag ik dat Jozef de vraag niet direct aan Farao stelde, doch via het hofpersoneel. Waarom? Tussen Jozef en Farao zat toch immers niets? Er was immers niemand zo belangrijk als Jozef in heel Egypte, op Farao na dan…

Een ootmoedig verzoek

Je zult maar slaaf zijn geweest en onderkoning zijn geworden. Menigeen zou daar bepaald hautain van worden. Je zult maar de belangrijkste in het hele land zijn, onder de koning. Menigeen zou met die macht niet altijd even fair omgaan. Hoe opmerkelijk is het dat Jozef – wanneer hij zijn vader wil begraven – niet een mededeling aan Farao doet, maar een nederige vraag stelt. Zijn ootmoedige houding past wel bij ons kinderbijbel-beeld van Jozef, maar de Bijbel laat soms wel zien dat Jozef ook best arrogant kon zijn. En soms was hij ook voor zijn broers best een irritante brave Hendrik.
Die fraaie veelkleurige mantel had hij echt niet hoeven aantrekken, toen hij zijn broers ging opzoeken… je snapt dat het hen al op afstand irriteerde, toen ze hem zagen aankomen. En dan die grootspraak over zijn dromen. Zijn moeder en vader temperden hem daarin een beetje, omdat ze ook wel zagen dat de naïeve onbevangenheid waarmee Jozef die dromen vertelde, kwaad bloed zette bij zijn halfbroers.
In het huis van Potifar en Potiféra heeft hij geleerd dat hij met zijn oprechte houding niet altijd vrienden maakte; hoewel het natuurlijk wel in hem te prijzen is dat hij trouw bleef aan de HEERE en bang was om te zondigen. In de gevangenis in Egypte heeft hij geleerd dat hij van genade moest leven. Hij werd door zijn betrouwbare levenshouding gewaardeerd door de cipier, maar hij moest ook leren om goodwill bij medegevangenen op te bouwen. En wat stelde de HEERE hem op de proef: het duurde lange tijd voordat de schenker weer aan Jozef dacht!
Nadat hij de dromen van Farao had uitgelegd, gaf hij God de eer. Zijn hele leven aan het hof is ook een verwerkingsproces geweest van zijn voorgaande leven; denk alleen al aan de namen die hij zijn oudste twee zonen gaf (zie vorige bijbelstudie). Gods kinderen zijn geen standaard heiligen. Ze hebben allemaal wel ergens scherpe kantjes zitten, die er gaandeweg het leven afgaan. En soms ook niet.
In de tekst van vandaag verraste mij het nederige verzoek van Jozef aan Farao. Hij kon bevelen wat hij wilde en kreeg alles gedaan. In zijn positie vloog al het personeel voor hem. Nog maar pas geleden, in de voorgaande verzen, gaf hij bevel aan de top-apothekers aan het hof van Farao (!) om zijn vader te balsemen en ze gingen direct voor hem aan de slag. Geen moeite werd gespaard. Echter, nu de begrafenis aanstaande is, meldt hij zich niet even af bij Farao, maar vraagt netjes goedkeuring om te vertrekken: "Als ik dan nu genade gevonden heb in uw ogen…" Hij wist dat hij genade had gevonden in hun ogen, maar hij verbond daar geen automatische consequenties aan. Weten dat je de gerespecteerde in de gemeente of onder je collega's bent, moet nooit tot gevolg hebben dat je maar zo je gang kunt gaan!

Een indirect verzoek

Er zit nog iets merkwaardigs in de tekst. We weten dat de farao's zich als god lieten vereren. Opmerkelijk is het dat deze Farao (wie hij ook was, daar zijn de geleerden nog steeds niet goed uit) zijn eigen dromen toch niet kon uitleggen en daarom dus helemaal geen god kon zijn. Je zou voor de aardigheid daarover eens een enorm interessante verhandeling moeten lezen die ik op internet vond. Wat je ervan vindt, vind je ervan, maar duidelijk is dat Jozef al heel wat jaren in Egypte is en inmiddels ook enkele Farao's heeft meegemaakt. Dat vergeten we vaak, doordat er constant 'Farao' wordt gezegd; dat is echter maar een titel. Hun namen verschilden. Hiervoor genoemd artikel pleit ervoor dat Jozef ten tijde van Amenhotep IV (alias Echnaton), de vader van de overbekende Toetanchamon (die van het beroemde gouden masker) leefde. Diens vader Amenhotep III was een machtig koning; tijdens diens leven werd Jozef op 17-jarige leeftijd naar Egypte verkocht (Gen. 37:2). Toen Jozef de dromen van Farao uitlegde en werd verhoogd was hij 30 jaar (Gen. 41: 46). En díe Farao was duidelijk niet in staat om goddelijk te zijn. Hij werd als minder capabel beschouwd en dat werd Echnaton ook. Hij was een monotheïst (iemand die alleen Aton als god wilde erkennen; hij liet alle meergodendomsuitingen verwijderen uit stèles en andere monumenten) en waarschijnlijk had hij daarom wel iets gemeen met Jozef. Die twee mochten elkaar wel. Maar vandaag lezen we dat Jozef indirect een vraag aan Farao stelt. Was die band op dat moment dan anders? De Kanttekeningen wijzen erop dat een rouwende niet zomaar bij Farao mocht komen. Dat is best een aardig argument, maar ik denk dat de relatie met de huidige Farao niet zo hecht was als die tussen Jozef en Echnaton. Inmiddels hebben we ook Toetanchamon (hij regeerde maar kort) gehad en is Eje de nieuwe Farao. Onder Toetanchamon (zijn naam werd veranderd van Toetanchaton in Toetanchamon) werd het meergodendom weer ingevoerd en werd Amon als oppergod weer 'uit de kast gehaald'.
Jozefs positie ten opzichte van de Farao was dus anders geworden. En dat lijkt mede een belangrijke reden waarom Jozef de vraag via het personeel (waaronder nog vertrouwelingen van Jozef werkten) stelt, om zo ingang bij Farao te vinden. Hij kon niet bogen op zijn positie, maar stelt zich – en dat is een goede eigenschap – als ootmoedig dienaar onder de regering van Farao Eje.

Een gehonoreerd verzoek

Later, na Jozefs dood zou er een Farao opstaan die Jozef niet had gekend. En dat zou direct desastreus voor het volk van Israël blijken te zijn. Echter Farao Eje wist nog prima wie Jozef was en honoreerde diens verzoek om te vertrekken. En dat moeten we toch positief duiden. Daniël is aan het einde van zijn leven ook niet meer op die positie als die hij had tijdens zijn actieve leven. Toch genoot hij nog achting. En zo was het met Jozef hier ook.
Jozef was aan het begin van de tweemaal zeven jaar (14 dus) 30 jaar. Er waren reeds twee hongerjaren voorbijgegaan toen zijn vader Jacob aan Farao werd voorgesteld. Jacob was toen 130 jaar. Volgens Genesis 47 : 28 leefde hij 17 jaar in Gosen en stierf op 147-jarige leeftijd; dus leefde hij 12 jaar na de hongersnood. Jozef was toen 30 + 14 + 12 = 56 jaar (net op de helft van zijn leven).

Hieronder een lijstje van toen actuele Farao's tijdens de 18e dynastie:

Farao Amenhotep III                                         1391-1353 vC.  'Amon is tevreden'
Farao Amenhotep IV (of Achnaton/Echnaton) 1353-1335 vC.  'Levende ziel van Aton'
Farao Smenkhare                                              1334-1333 vC.  'Krachtig is de Ziel van Re'
Farao Toetanchamon                                        1333-1323 vC.  'Levend evenbeeld van Amon'
Farao Eje                                                          1323-1319 vC.   betekenis onduidelijk

Je ziet dat geen der koningen (op Amenhotep III na) langer dan 18 jaar regeerde (dus langer dan Jozef onderkoning was). Als de stelling waar is dat Jozef tijdens de regering van Echnaton onderkoning werd (wiens zoon (!) Tutanchamon was; Smenkhare is een soort tussentijdse mederegent geweest) dan is het duidelijk dat Eje nog prima wist wie Jozef was. En ook een groot deel van het personeel aan het hof wist dat. Over Jozef – wat hen betreft – niets dan lof. Met dat positieve imago dat hij dankzij de zegen van de HEERE kreeg, verwierf hij ook de goodwill van de toenmalige Farao. De eed die Jozef aan zijn vader had gezworen, bleek voor Farao echt wel heilig, hoewel hij niet gelovig was aan de God van Jozef. We zullen komende keer verder ingaan op de belofte die Jozef aan zijn vader deed.
  1. Jozefs houding is veranderd door de jaren heen. Ootmoed kenmerkt hem meer en meer. Heb jij ook veranderingen in het leven Jozef herkend? En zie je die ook in je eigen leven?
  2. Farao dient de HEERE niet, maar een of meer afgoden; toch respecteert hij Jozefs levenshouding en waardeert hij de eed van Jozef aan Jacob hoog. Herken je dat in je eigen omgeving ook, onder niet-gelovigen of anders-gelovigen?
  3. Welk gevaar zit er in de bijzondere zegen van de HEERE, wanneer je succesvoller wordt dan je collega's of familieleden? Waar zitten jouw valkuilen?

zaterdag 30 april 2016

Jouw naam en Gods naam verbonden

Ismaël, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis

Waarom laat je je kind dopen? Wat is jouw motivatie daarbij? God heeft een stellige motivatie bij de Heilige Doop. Het is een bedenksel van Zijn genadige zondaarsliefde. Laat dat maar eens duizelen in je hart. Maar… wat beweegt jou als vader of moeder, om je kind te laten dopen? Het is goed om dat helder te hebben. Ik ga geen verhandeling houden over de doop, maar ik leg die motivatie van ons 21e eeuwers naast die van vader Abraham, toen hij zichzelf en zijn dertienjarige zoon Ismaël liet besnijden. En trek de lijn ook door naar zijn kleinzoons Jacob en… Ezau!

Het moment van de eerste besnijdenis wijkt wat af van alle navolgende besnijdenissen. Er werden bijna alleen volwassenen en 13-plussers besneden. Merkwaardig trouwens dat God het moment uitkoos, waarop Ismaël 13 was en naar de geldende norm verantwoordelijk voor zijn daden. De latere joodse jongens werden dan 'bar mitswa'. Toen Izaäk werd besneden kreeg hij zijn naam; hetzelfde geldt voor Jacob en Ezau. Dat was een moment waarop de ouders ook emotioneel iets van hun innerlijk deelden jegens dit 8 dagen oude kind!


"En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed;
daarom noemden zij zijn naam Ezau.
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield;
daarom noemde men zijn naam Jakob."
Genesis 25 : 25-26a

De opdracht aan opa Abraham

Toen God in Genesis 17 Zijn verbond met Abram bevestigde en dat van het teken en zegel van de Besnijdenis vergezelde, gaf Hij Abram en Saraï een nieuwe naam. Hij veranderde hun namen respectievelijk in AbraHam en SaraH. Hij voegde er Zijn eigen letter H aan toe. Letterlijk verbond Hij Zijn naam aan die van deze twee mensenkinderen.
Inmiddels was Ismaël 13 jaar en groeide op in een godsdienstig, maar gistend gezin. Dat kwam omdat Abraham 'eigen wegen' had bewandeld en God een handje wilde helpen. Hij bracht daarmee Hagar in problemen (gaf haar een slecht beeld van God en maakte haar blij met een 'dode mus', waar het Gods belofte van de Messias betrof!). Maar hij was ook schuldig aan het bestaan van een jongen, Ismaël, die een fout beeld van de dienst aan de HEERE kreeg. Ik snap het zo, dat Abraham gaat pleiten bij God, voor zijn eerstgeborene Ismaël. En… de HEERE laat Zich verbidden.
De besnijdenis wordt een bevel! Geen discussiepunt over de vraag of je volwassenen zou moeten besnijden of jonge kinderen. Geen discussiepunt over de vraag of je er wel geestelijk aan toe bent en of jij als niet-wedergeboren ouder nu wel of niet mag laten besnijden (lees bij dit alles ook de Heilige Doop!). God geeft een bevel. En wie niet besneden is hoort niet meer bij de 'club'. Die jongen of man moet worden uitgestoten. Heftig, nietwaar? God neemt het Verbond bloedserieus.

De belofte aan oom Ismaël

Met in mijn achterhoofd Ezau, zoom ik hier in op Ismaël, omdat deze oom best veel overeenkomsten vertoont met zijn neefje Ezau. Hoe stellig de HEERE ook aangeeft dat Hij Zijn speciale belofte aan Izak voorbehoudt (let erop dat hier al Izaks naam wordt genoemd!), Hij belooft de spottende Ismaël een forse zegen en voorspoed.
Maar eerst stap ik één hoofdstuk terug. Want toen ontmoette de HEERE Hagar en vertelde haar dat ze een zoon met de naam Ismaël zou baren. "En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen." Hagar geeft God een naam (hij wordt persoonlijk concreet voor haar!!!): 'Lachai-roi', dat is 'Gij, God des aanziens'. In de kanttekening wordt duidelijk gemaakt dat Hager met de naam van de put haar eigen naam met die van God vermengde (belangrijk element van een verbond).
Het gaat mij vooral om wat de engel over Ismaël zegt: 'een mens die lijkt op een wilde ezel'. Een bepaald ruw persoon, zo niet een olifant in een porceleinkast. Een ruziezoeker met iedereen en iedereen heeft ruzie met hem. En toch… toch zal hij 'wonen' recht tegenover zijn broeders. Hij zal ze uitdagen, tarten zelfs, maar men zal hem niet kunnen wegvagen. Eenzelfde belofte zal ook over Izaäk worden uitgesproken, zodat iets gaat oplichten van het eeuwigdurend conflict tussen de Joden en de Arabieren. Ga daar als westerling maar nooit tussenzitten. Echter, als we Genesis 25 lezen zien we dat hij ook tegenover andere 'broederen' woont: "tegenover Egypte", het land waar zijn moeder prinses was, aldus een apocrief boek.
Een hoofdstuk verder dus, maakt de HEERE zijn zegen aangaande Ismaël concreter: "En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen." Dankzij de voorbede van zijn vader zal de HEERE Ismaël zegenen, vermenigvuldigen en 12 vorsten geven, net als de 12 stammen van Israël! Hij zal eveneens tot een groot volk zijn. Maar… ja, het is niet anders godezijdank: ook deze meerdere zal de mindere dienen. De vraag is: wil Ismaël dat? Hoe zal hij hiermee omgaan? Nou, het woord is allereerst aan God: "En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. En hij woonde in de woestijn Paran." Hij laat zien dat Hij verder wil met Ismaël. En Ismaël laat de band met Abraham niet helemaal los, want als Abraham overlijdt is Ismaël erbij bij de begrafenis, samen met Izaäk. Gezamenlijk geven ze hun vader de laatste eer. Maar daarna…?
Het is opmerkelijk dat we na de zegening van Jacob door Izaäk, Ezau verbolgen het kampement van zijn ouders zien verlaten. Waar gaat hij heen? We lezen in Genesis 28:9: "Zo ging Ezau tot Ismaël"! Die twee zullen elkaar helaas goed hebben verstaan, denk je niet?

De zegen aan vader Izaäk

"Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal." Dat zijn de woorden van God aan Abraham. Het was duidelijk dat de HEERE met Izaäk een speciale weg ging. De weg die Hij met Abraham was begonnen… de weg die Hij met Eva en Adam reeds was begonnen: het Vrouwenzaad moest geboren worden! En daarom zouden in die lijn bij uitstek alle geslachten der aarde worden gezegend. Kijk nog één keer naar Ismaël, als voorbeeld hierbij. Als er een feestje wordt gegeven voor Izaäk, wanneer hij gespeend is, lezen we in Genesis 21 dat hij het spotten al geleerd heeft. En dat steekt Sara. Abraham brengt dit probleem bij God en deze antwoordt: "Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is."
Als Izaäk wordt besneden, krijgt ook hij een naam. Een naam die God hem al had gegeven: Izak. Yitschaq betekent 'hij lacht'. Sara uit een stuk ongeloof, Abraham met tranen van dankbaarheid in zijn ogen. Zou Sara het aan Izak hebben uitgelegd, waar zijn naam vandaan kwam? Dat moet me een gesprek zijn geweest! Ik kan me voorstellen dat Izaäk een moederskindje is geworden.
Hoewel, zijn vader is ook een groot voorbeeld van geloofsstandvastigheid geweest! Wat dacht je?! Als Abraham de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, lijkt de weg ten ene male dood te lopen. Maar door de onmogelijkheden heen gebruikt God hem als type van Christus. "God zal Zich een Lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon!" En zo geschiedde. En Izaäk mocht Diens verre voorvader zijn, een drager van de belofte. Een belofte met Toekomst!