Posts tonen met het label Farao. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Farao. Alle posts tonen

vrijdag 8 juni 2018

De door de bouwlieden verworpen Hoeksteen komt in beeld


Hoofdstuk 11


En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land. Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
Handelingen 7 : 33-35

Mozes was niets in zichzelf. Hij moest voor God zijn schoenen uitdoen. Daarmee erkende hij zijn nederige plek en eerbiedigde hij God als de Overste en Rechter aller zielen. Eerbied… in onze dagen een uitgestorven begrip. Of niet?

De opbouw van de preek
Lange tijd vraag je je af wat Stefanus met deze preek beoogt. Houdt hij een lesje vaderlandse geschiedenis voor zijn luisteraars? Allerlei interessante figuren passeren de revue en Mozes spant in zekere zin wel de kroon. Maar dat hij juist Mozes uitkiest heeft een doel.
Niet Mozes’ wonderlijk geleidde leven was het uitgangspunt voor deze episode uit de vaderlandse geschiedenis. Ook niet Mozes bijna goddelijke positie! Weliswaar sprak hij persoonlijk met God en God sprak met hem zoals een man met zijn vriend spreekt. Dat boeide die ‘gelovigen’ wel erg, maar dát beoogde Stefanus niet.
Hij trekt zijn luisteraars mee in de preek. Ze zien zichzelf opgenomen worden in dit verhaal. Dit was Mozes, hún leider. En wat heeft die man niet een voorname positie gehad?! Een soort Willem van Oranje, een bevrijder. Er borrelt een soort chauvinisme boven. Ze voelden zich als volk, door God uitgekozen, heel wat!
Maar juist wanneer ze zich zo laven aan hun chauvinisme, geeft Stefanus een verrassende wending aan zijn betoog. Kun je het eigenlijk wel een preek noemen? Het lijkt haast wel een juridisch betoog! Zou Stefanus misschien zo’n achtergrond hebben gehad, als griekse Jood?
Even geeft hij een venijnige steek; wie zal het hebben opgemerkt? Want hij gaat toch nog even door op dat chauvinisme in de volgende verzen, waarin hij Mozes’ grote daden nog verder optelt.
Maar let even op die steek: “Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.”
Mozes wordt allereerst neergezet als een ‘miskende’. “Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld?” Daarmee doelt hij niet op die twee Joodse ruziemakers, maar op de houding die het volk elke keer weer jegens Mozes en ook jegens Aäron toonde. Waar baseer ik dat op? In Exodus 4 : 21 komen Mozes en zijn broer bij Farao vandaan en inmiddels zijn de instructies van Farao al uitgegaan dat het volk maar zelf stro moet gaan regelen. Ze zijn er dus op achteruit gegaan! “Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag. En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen. En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.”
“Ja, lekker zeg! Wij dachten dat jullie ons kwamen helpen, maar we zakken dieper weg in de modder van de slavernij! God zal jullie oordelen over dit geknoei!”

Eerbied voor God
Wat opvalt in Exodus 3 en Exodus 4 is dat Mozes gewend is met God te twisten. Hij is soms zelfs nukkig tegen God. Eerst wilde hij niet naar Egypte, want ja… ze zouden hem daar doden! Toen had hij allerlei smoesjes over zijn voordrachtskunst die niet op orde was. “Mijn praten zal geen indruk maken bij Farao.” Mozes kende de hofetiketten en hij wist wat hem te wachten stond. Aäron wist dat niet. Dus wat Mozes zei, sneed wel hout, maar het boeide God niet. Omdat niet Mozes, maar God een betoog ging houden. Dat is het grote verschil. En als het er dan eindelijk van komt en het volk zich tegen Mozes en Aäron keert, vat Mozes dat op als een persoonlijke afwijzing. Zijn commentaar aan het adres van God is ferm: “Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden? Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.”
Mozes doet hier niet echt onder voor het volk! Hij verwijt God snel en scherp. Is dat een herkenbare houding? Is dat een genetisch bepaalde manier van reageren, die in het Joodse volk zit? Of een trek die in alle mensen na Genesis 3 zit?
Waar is de eerbied voor God, die hij toonde bij de brandende braambos? Daar viel hij op de grond voor God en beefde. Dat zelfde bevende rietje heeft nu best een grote mond tegen God! Of is dat een te ongenuanceerde conclusie?
Zijn wij refo’s misschien te veel geïndoctrineerd door ‘eerbied’ en durven we niet met God de twisten? Met Hem in gesprek gaan en onze frustraties, visies en moeiten te bespreken? Is de zogenaamde deemoedige refo-manier van ‘geloven’ een onnatuurlijke godsdienst die gelijk is aan alle godsdiensten van de heidenen? Moeten wij misschien van de Joden leren om met God te spreken als een man met zijn vriend spreekt? Weliswaar in het besef dat we ‘stof en as’ zijn, maar toch ook onze gevoelens eerlijke uiten. Proberen we in de kerk misschien niet heel braaf tegen God te doen en schijnheilig ‘eenswillend’ met God te zijn, terwijl we diepweg heel andere gevoelens hebben? Zou God die dieper liggende gevoelens niet kennen? Houden we Hem voor de gek en proberen we met onze houding Hem gunstig te stemmen? Vind wat je vindt, maar Mozes is een open boek! Mozes is namelijk ook die man die het niet met God eens is als Hij het oordeel over het volk aankondigt. Dat vinden we toch zo’n mooie Messias-gestalte?

De Messias wordt zichtbaar
Ja, de Messias wordt zichtbaar in dit tekstgedeelte. Er komt een bevrijder en verlosser naar het volk toe, maar hun houding is “wat heb jij over ons te zeggen?” Mozes komt tot het zijne (zijn broedervolk) maar ‘de zijnen’ (zijn broeders) hebben hem niet aangenomen. Ze hebben de duisternis van de slavernij liever dan het licht. Weg met hem! Hij paste niet in hun plaatje dat zij van de Messias hadden!
Dit is de kant die Stefanus op wil met deze geschiedenis, die het volk zo goed kende. Zou het volk dat op dat moment al hebben begrepen? Stefanus is een man die constructief denkt en tijdens het preken scherp in de gaten blijft houden waar hij heen wil. Gezegend als je onder zulke predikers mag zitten, zondag aan zondag. Ook als ze dingen aanroeren die je niet zo welgevallig zijn. Die je chauvinisme onderuit halen en eerlijk voor God maken!

donderdag 3 mei 2018

Belofte in contrast met realiteit

Hoofdstuk 7


Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte; totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
Handelingen 7 : 17-19


Je zou het haast vergeten: Gods belofte stond nog recht overeind, maar was nog steeds niet vervuld. Het grote patroon dat God aan het tekenen was (de weg naar de vervulling) lijkt een weg de diepte in, waarin alle hoop dreigt te vervliegen. Wie niet nóg dieper leert zien of vermoeden, kan enkel schreeuwen: “HEERE, het gaat de verkeerde kant op!”
 

De ontknoping van Gods plan
Wat is het fascinerend om Stefanus bezig te zien. Hij gaat hier nog even naast zijn volksgenoten zitten en maakt duidelijk dat hij één met hen is. Hij neemt zijn hoorders mee het dal van de slavernij is. Dit stukje geschiedenis delen ze samen: ze zijn tot slaven gemaakt en de maatschappij waarin ze toen leefden, was uit op hun uitroeiing!
Het tweede aspect dat Stefanus hier inbrengt is voor ons ook heel herkenbaar! Hij wijst op de ‘groei’ van het volk en koppelt dat aan ‘God gedenkt aan Zijn belofte’. Hoewel dat een keiharde waarheid was, is die associatie heel gevaarlijk. Ook vandaag is men heel gefocust op ‘groei’ die het bewijs zou moeten vormen voor Gods bemoeienis met ons. Er moeten grote kerken worden gebouwd; hoe rechtser hoe groter de gebouwen en hoe imposanter het vertoon naar de wereld buiten de kerk. Er worden veel rechtszaken gevoerd om die bouw er door te drukken. Want als de kerkmensen die grote gebouwen zien en de expansie ervaren, krijgen ze een ­positieve kick. Het materiële ‘bewijs’ moet het geestelijke ‘bewijs’ staven. Maar hoe gevaarlijk is dat? Het is maar zeer de vraag of een grote gemeente, een eigen kerk­gebouw en een ‘eigen’ dominee (voor zolang die in je gemeente blijft!) ook een zegen is in geestelijk opzicht. Is het niet zo dat het materialisme aan de rechtse kant van de kerk het grootst is? Om nog maar te zwijgen over collecteopbrengsten en rommelmarkten en verkopingen die abominabele bedragen opleveren; maar waar wordt dat geld aan besteed? Aan het orgelfonds? Of de vergroting van het kerkgebouw? Aan de kerkvoogdij? Of aan de diaconie? Of de evangelisatiecommissie die er mee aan het werk kan in de wijk buiten de kerkmuur?
Terwijl God naar de afronding van Zijn plan gaat en dichterbij de inwisseling van Zijn belofte komt, groeit de ­bevolking in Gosen explosief. Maar dat moest anders geduid worden dan ‘zie je wel: God is met ons’. Het had een andere reden! Er zou verdrukking komen en God zorgde voor steun, schouder aan schouder! En precies dáár richt de satan zijn pijlen op!

De bedreiging van Gods beeld
Het volk hield de traditie gaande. Vaders vertelden de verhalen van vroeger aan hun kinderen. De verhalen over oud-oom of oud-vader Joseph ben Jacob, die van slaaf tot onderkoning werd verheven! Jozef; zijn naam betekent ‘vermeerderen’. Hij werd geëerd met zijn Egyptische naam ‘Tsaphnat-Panéach’, Behouder des levens. En zo eerden zijn volksgenoten daar in Gosen hem, generatie na generatie.
In hem manifesteerde zich het beeld van Gods belofte: de Messiach! Jozef was het niet, want hij stierf, maar hij was er wel een voorbode van, een type!
Het volk groeide en boogde op een onaantastbare positie, omdat de HEERE met hen was. Ze vermenigvuldigden zeer. Was dat niet de vervulling van de belofte die in Jozefs naam zat? En werden ze hier in een ver en vreemd land niet door de God van het Verbond, de Eeuwige, rijk gezegend?
Maar terwijl zelfgenoegzaamheid post vat, gaat God er een andere weg mee. Hij kijkt niet tevreden naar dat volk dat lekker groeit en hun dingen veilig stelt, maar Hij gedenkt aan Zijn belofte aan Abraham. De belofte dat het volk in ernstige slavernij zou vallen, maar daarna, op Zijn bestemde tijd, zou worden bevrijd en terug zou keren naar het Beloofde Land. Gods klok tikte door en wees tien voor twaalf aan!
De vraag is dus: wie is er bezig om het beeld van God scheef te trekken onder het volk? Wie tekent nu een verkeerd beeld van Gods handelen? Is dat de ‘koning die Jozef niet heeft gekend’ en goddeloze besluiten neemt en het volk op een weg ‘van God los’ plaatst? Of is dat het volk dat verkeerde conclusies trekt uit de groei van het volk en het passief en conservatief bogen op een gezegende geschiedenis?

De vernietiging van Gods volk
Stefanus gaat deze vraag nog even uit de weg en lijkt bij zijn volksgenoten te blijven zitten en hen aan te stoten: “Weet je nog wat ons is aangedaan door die loeder van een Farao?” Maar je kunt niet om de vraag heen: waarom richt het oordeel zich dan juist op die grote ‘vermenigvuldiging van het volk’? Let er daarom goed op dat het volk juist dáárin wordt getroffen, waarop zij zich zo verhieven: hun groepsgrootte, het aantal leden van het volk.
Heel begrijpelijk is de redenering van Farao. Hij ziet dat volk groeien en zal een volkstelling hebben uitgevoerd, waaruit bleek dat er meer Hebreeuwse mannen waren dan Egyptische mannen. Daarbij waren die Hebreeën (dat heeft ook te maken met hun eetgewoonten en levensstijl) gezonder en sterker. De decadente dynastieën van de Farao’s, het aanzien van de Egyptische beschaving in de Oudheid, wereldwijd, heeft hen juist ondermijnd.
De Hebreeën daarentegen leefden sober, gezond en tevreden. Hoewel dat laatste ook een ‘zelfgenoegzaam’ karakter begon te krijgen. En was juist dat niet eenzelfde uitholling en ondermijning als bij de Egyptenaren?
Maar de Farao kon niet leven met deze denkbeeldige bedreiging van zijn macht. Hij zette een raar plan op: alle jongetjes moesten worden uitgeroeid. Waarom? Stefanus gaat aan deze vraag voorbij en zegt: “Opdat ze zich niet konden voortplanten.” Maar had de Farao er niet slimmer aan gedaan als hij de meisjes had uitgeroeid? Dan waren er geen jongetjes meer geboren ook! Had dat met zijn godsdienst te maken? Moesten jongetjes aan de goden van de Nijl worden geofferd en accepteerden die gode geen meisjes-offers? Dat zou kunnen. Want anders had die Farao een rare misrekening gemaakt. Mannen blijven veel langer vruchtbaar dan vrouwen en met het uitroeien van jongens zou hij pas op de heel lange termijn enig resultaat boeken. Wilde hij snel resultaat dan moest hij zorgen dat er geen baar­moeders meer waren. Satan, want hij is de genius achter dit plan, doet soms zeer domme dingen, door gebruik te maken van het beperkte mensenbrein!
Gods plan daarentegen ging onverwijld verder en zou tot zijn vervulling komen. Daar zagen de Hebreeën echter nog niets van. En dat is ook vandaag de dag nog precies zo! Als de kerken leeglopen zegt dat helemaal niet dat Gods plan zal mislukken. Sterker nog: als alle ‘kracht’ die wij menen te hebben – in het manifesteren van zuilen en fronten – wordt afgebroken, kon de HEERE weleens iets veel mooiers aan het voorbereiden zijn. Door lijden tot heerlijkheid. Het is een eeuwenlange repeterende waarheid. Let dus op de horizon, waar God een stip op heeft gezet. Die stip zal eenmaal een stad met paar’len poorten blijken te zijn. Het gaat er van komen. Wis en waarachtig!

dinsdag 1 mei 2018

Het geweten en Gods oordeel over een heel volk?

Hoofdstuk 5


En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs. Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
Handelingen 7 : 11-13



Als rechtgeaarde gereformeerden belijden we met een zekere ­stelligheid dat God zonden straft. Zeker zonden, die blijk geven van een groot, nationaal verval. Maar hoe gaan we om met geesteloosheid in de kerk, terwijl er zonden aan de hand worden gehouden? Of terwijl er zonden worden verzwegen ‘om erger te voorkomen’?


Is honger een oordeel?Stefanus blijft doorzagen over Jozef en zijn grote broers. De mensen moeten haarfijn hebben aangevoeld dat hij dat met een speciaal doel doet. Het is zo merkwaardig dat we aan het einde van Petrus’ Pinksterpreek onder het volk ‘verslagenheid in het hart’ opmerken, terwijl aan het einde van Stefanus’ preek straks de bom barst. In dezelfde stad, misschien zelfs dezelfde mensen en zo’n totaal andere uitwerking! Is Stefanus provocerender bezig dan Petrus? Had hij niet beter een mildere, liefdevoller toon aan kunnen slaan, zoals Daniël: “Wij en onze vaderen…”?
Stefanus gaat niets uit de weg, maar bouwt zijn preek stapje voor stapje op naar een statement. Laten we zien wat hij met de geschiedenis van Jozef en zijn broers gaat doen.
Hij verlaat even het spoor ‘Jozef in Egypte’ en neemt zijn hoorders mee terug naar Kanaän: “En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.” Eerst stelt hij dat de honger in zowel Egypte als Kanaän heerste. Een internationale ramp. Daarna zegt hij dat er ‘grote benauwdheid’ was. Waar? In die beide landen? Natuurlijk zal dat de angst zijn voor de hongerdood. Maar waarom was er angst bij Jacob en zijn zonen? Zij hadden toch een belofte van God gekregen? Tenslotte zegt Stefanus dat ‘onze vaders’ geen eten konden vinden om hun honger te stillen. Wel, dan zou je verwachten dat er op volgt: “En zij riepen tot de HEERE en Hij verloste hen.” Maar niets is minder waar!
Nomaden trekken toch altijd, op zoek naar eten voor de kudde? Blijkbaar wisten ze dat in Egypte ook honger was. Waarom gingen ze dan niet de andere kant op? Waarom bleef Jacob vastzitten aan zijn plek? Wilde hij het graf in Machpéla niet verlaten? Werd de setteling hem nu fataal? Of wilde hij niet vertrekken, omdat hij bleef hopen op Jozefs terugkeer? Immers, als hij weg zou trekken, zou Jozef hem nooit meer terugvinden!
En de broers… Zou nu werkelijk bij geen van hen de gedachte zijn komen bovendrijven dat deze hongersnood hen weleens zou kunnen overkomen vanwege hun leugenachtigheid? Zelfs Jona kwam tot die belijdenis en liet zich in zee werpen. Maar niets van dat al! De hongersnood bleef in de clan van Israël een op zichzelf staand voorval.
 
Jacob treedt opDan is daar dat verrassende bericht dat er in Egypte volop koren is. Het zijn niet de ‘patriarchen’, maar het is vader Jacob die het initiatief neemt om daar koren te gaan kopen. We horen de elf broers niet tegenstribbelen, maar het is toch ondenkbaar dat geen van hen op dat moment aan Jozef heeft gedacht? Minstens tien van die elf moeten toch de mogelijkheid open hebben gehouden dat Jozef nog in leven kon zijn?
Natuurlijk konden ze niet weten hoe het met Jozef was afgelopen. Ze moeten zich hebben ingebeeld dat, als ze hem ergens als slaaf zouden tegenkomen, ze vanuit hun positie als ‘zelfstandige ­veehouders’ wel ‘boven’ hem ­stonden en hem konden negeren. Maar het feit dat ze hem in de ogen zouden moeten kijken op dat moment moet toch een onrustmakend gevoel hebben gegeven. Zoals er vandaag tot in de kerken mensen zijn die diepweg precies weten waar ze mee bezig zijn, maar een ander ‘gezicht’ op zetten, een masker, om zich een houding te geven.
Ze gingen voor de eerste keer en kwamen geheel anders terug. Jozef had zijn broers ontmoet, maar de broers hadden Jozef nog niet ontmoet. Ze waren slechts op de hoogte van een bedreigende en strenge onderkoning, die als een Big Brother alles van hen leek te weten.
En terug bij Jacob in Kanaän was het lachen over het gekochte graan en het leven dat dat graan vertegenwoordigde, hen wel vergaan. Er stond hen een loodzware taak te wachten: Benjamin moest mee. Hij was weliswaar voor hen het kleine broertje, maar moet toch een volwassen kerel zijn geweest op dat moment!

Jozef treedt opEigenlijk verwacht je een tussenkopje dat ‘Juda treedt op’ is getiteld. Maar Stefanus volgt een heel andere lijn. Hij noemt Benjamin niet; hij zegt niets over Simeon, over Ruben of Juda. Nee, hij schildert de broers voor de ‘tweede reize’, de tweede keer op reis, om uiteindelijk weer bij de grimmige onderkoning te verschijnen. Daar staan de helden met hun beknelde gewetens! Gaat er nog geen lampje bij hen branden?
Dit zou de dag hebben kunnen worden dat ze alle elf met een hartstilstand voor Jozefs troon zouden liggen. Neergeveld door de kracht van Jozef, toen hij zei: “Ik ben Jozef!” Wat gebeurde er precies met de ‘patriarchen’? Ik denk dat tien van hen direct dachten: dit is het einde! Maar één van hen dacht: nu komt alles goed! Want mijn broer zal nu alles goed maken! ­Benjamin is de enige die niets te vrezen had. Hij had zijn broer niets kwaads berokkend. Hij had de liefde van Jozef al eerder die dag gevoeld, maar nog niet kunnen plaatsen. Maar nu Jozef zich openbaart, weet hij: het komt goed!
Het geweten van Benjamin zal zeker niet brandschoon zijn geweest, maar de ‘verschijning van zijn broer’ was een grote en zeer verheugende dag! Als Jozef had gezegd: “Komt in gij gezegende mijns vaders”, dan had Benjamin geen schrik of angstige schaamte gevoeld. Omdat hij een rechte relatie met Jozef had. Voel je de lijn naar de Messias, onze geliefde Heere en Zaligmaker Jezus Christus en Zijn Bruid?
Maar deze dag is voor Jozef ook een ingrijpende dag. Hij maakt zich niet allen bekend aan zijn broers, maar “het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar”!
Nu kwam Farao erachter dat Jozef een Hebreeër was, in zekere zin een Kanaäniet! De latere Farao zou heel anders reageren toen na 40 jaar bekend werd dat Mozes zo’n vervloekte Hebreeër was.
Voor Jozef had dit nog vervelend kunnen uitpakken. Maar het werd weer door de HEERE op wonderlijke wijze tot iets goeds omgebogen. En die schijnheilige broers? Ze vonden het leven! Jozef wilde zelfs niet eens een hard woord tegen hen spreken. Het was feest, “want deze mijn broers en… mijn vader leven nog! Kom, laten we feest vieren! Feest, zoals we nog nooit hebben gevierd! Geen hongersnood maar een onverzadigbare vreugde!” Jozef leeft en zij met hem! Zie je die peilloze diepte van overeenkomt met Jezus?

maandag 29 augustus 2016

Bij de HEERE weet je écht waar je aan toe bent

"… maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! […]
Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!"

Genesis 50 : 17b en 18


De verloren zoon wilde ook een dienstknecht zijn vanwege zijn zonden; maar zover kwam het niet.

Als ik de verzen van vandaag even op mij laat inwerken, komt als vanzelf het beeld van de verloren zoon mij voor ogen. Die zoon die koste wat het kost terug wilde naar zijn vader en zich voornam dat hij dan maar een huurling van zijn vader moest worden. Die woorden komen hem echter niet over de lippen. Zijn vader kust ze als het ware weg. Zie het intense geluk in zijn vaders ogen: zijn zoon gevonden is, terwijl hij verloren was! De broers echter gebruiken wel tot tweemaal toe dat woord 'slaaf' of 'knecht'. Ze hullen zich in nederigheid en ootmoed, als ze hun rechtvaardige broer benaderen.

Misschien is het goed te beseffen dat zij dat niet hadden hoeven doen. Ze hadden in een hoek in Gosen kunnen wegkruipen en net doen of ze er niet waren. Ze hadden kunnen doen alsof hun neus bloedde, maar dat deden ze niet. Ze zochten bewust het contact met Jozef. Blijkbaar op advies van vader Jacob. Eerst citeren ze hun vader, vervolgens benadrukken ze dat ze kinderen van één Vader (hun hemelse Vader) zijn en daarom hoop mogen hebben op vergeving. Vervolgens komen ze zelf bij Jozef en werpen zich voor hem neer, net als Mefiboseth deed. Of wat dacht je van Esther? 'Komen we om dan komen we om, maar we zullen tot de (onder)koning gaan!"

Doelbewust gaan

Zoals al eerder gezegd, er waren heel wat redenen om niet te gaan. Wilde je geen onrust creëren of risico’s lopen, dan moest je niet het contact met Jozef zoeken. Hoewel, Jozef was toch ook maar onder Farao gesteld? Dus moesten ze dan misschien liever via Farao de dingen veilig stellen. Konden ze niet lobbyen aan het hof van Farao? Dan was de kans op een veilige plek voor de toekomst veiliggesteld. Maar nee, ze kiezen voor het risicovolle contact met Jozef.
De hele reis naar de begraafplaats van Jacob was het er blijkbaar niet van gekomen, maar nu ze terug zijn worden ze innerlijk gedrongen om hun broer op te zoeken en alles op het spel te zetten. Waarom doen ze dat? Ik denk toch dat ze dat met het oog op de toekomst deden. Een zekere vorm van langetermijn-denken. En dat is toch een verstandig besluit. Niet alleen zij, maar ook hun kinderen en kleinkinderen moesten hier een veilige plek hebben. Mocht Jozef ze nog met rust laten, Jozefs kinderen zouden wellicht nóg intenser wraak kunnen nemen voor hun vader! Daar hadden zij al helemaal geen invloed op. Ongetwijfeld hadden Efraïm en Manasse ook al een goede positie aan het hof. Wie weet welke ellende dat zou gaan betekenen.
Al die voors en tegens tegens terzijde schuivend, besluiten ze tóch te gaan. Op het risico af dat ze zouden worden gedood, of op zijn minst in de gevangenis te worden gegooid, mochten hun voorgevoelens waarheid worden. Dat doelbewuste, onverschrokkene mag toch wel onze houding zijn wanneer we naar God gaan. Niet vrijpostig of brutaal, maar voortvarend, doelbewust en aanhoudend. "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd," adviseert en stimuleert Paulus in Hebreeën 4 : 16.

Welbewust dienen

Ik zei daarnet: waarom geen gelobby aan het hof van Farao? Waarom zo doelbewust naar broer Jozef? En wat denken ze te bereiken met hun dienstknechtspositie? Nou, let er eens op dat ze zich heel bewust in de handen van Jozef werpen: "Zie, wij zijn u tot dienstknechten"! Niet: "Anders willen best wel voor jou werken of zo…" Nee, zonder enig voorbehoud: "We zijn jouw knechten, jouw slaven, jouw eigendom." Alle eigen rechten worden opgegeven. Wat je ook van die broers vindt en wat wellicht ook hun diepere en diepste motieven zijn geweest (ik kan me voorstellen dat ze niet allemaal even intens en volkomen waren in hun uitlevering), toch zijn ze een prachtige illustratie voor elke afgedwaalde: Ga terug; kom doe het maar!
Bij dat woordje 'u' moest ik denken aan David, die door God werd gestraft voor zijn hoogmoedige plan om het volk te tellen. Hij moest kiezen uit drie straffen en hij kon eigenlijk niet kiezen. Hoor wat hij zei: "Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen." (2 Sam. 24 : 14).
De broers hadden wel een hekel aan die altijd vrome en brave Jozef, maar alles overziende moesten ze erkennen dat hij een oprechte en barmhartige broer was. Met Farao, de wispelturige despoot (hoewel hij zich in deze geschiedenissen nog wel van een positieve kant heeft laten zien, vind ik), wist je het maar nooit. Maar van Jozef wisten ze nog wel hoe hij vroeger was. Dat zou kunnen zijn veranderd door het leven hier en de omstandigheden waarin hij hier terecht kwam, maar toch…

Nou, mocht je bij Jozef nog aarzelen, bij de HEERE weet je écht waar je aan toe bent. Geen betere plek, geen kloppender hart en geen warmer omhelzing te verwachten. De vader uit de gelijkenis stond op de uitkijk… Wat denk je? Was dat een nietszeggend sprookje? Of vertelde Jezus daar iets wezenlijks over Zijn Vader? In deze week van Voorbereiding op het Heilige Avondmaal worden we opgeroepen om te zien of er soms afstand is tussen de HEERE en ons hart. En er is weinig fantasie voor nodig om te bekennen dat die afstand er zeker is en dat het hoog tijd is voor de bediening van het Avondmaal. Terug naar Huis, terug naar het Vaderhart. En alles wat er tussenin staat moet opgeruimd. "Zie, wij zijn U tot knechten!" Geen nieuwe slavernij, maar welbewust dienen in de vrijheid van de kinderen Gods. Verlang je daar ook naar?

  1. Waarom kozen de broers voor die dienstknecht-positie? Wat zal dat met Jozef hebben gedaan?
  2. Wij kennen biecht en penetentie niet of nauwelijks meer sinds de Reformatie. Missen we daar iets aan, of zou dat toch weer moeten worden ingevoerd?
  3. Mag je tot God vluchten om de straf te ontgaan/in de hemel te komen? Waarom dien jij de HEERE eigenlijk? Of dien je hem nog niet?

woensdag 20 juli 2016

De begrafenisstoet van Jacob

"En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte; daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir."
Genesis 50 : 7-9

Dat is me een uitvaart geweest! Een enorme colonne, als je het zo leest. Het heeft wel wat, al ben ik zelf meer van de bescheiden, liefst zo stil mogelijke begrafenissen. De massa mensen uit het land van Egypte hadden een dubbele functie. Ze moesten nogal een forse reis maken, nietwaar? En kijk eens… de kleine kinderen blijven thuis, zeker niet zonder bewaking lijkt me. En ook het vee blijft achter in Gosen. Waarom?

De begrafenisstoet tijdens Jacobs begrafenis, hier getekend met opmerkelijk veel Egyptisch vertoon


We zagen al eerder dat de huidige farao op een wat grotere afstand stond tot de inmiddels al op leeftijd gekomen Jozef. Was het achterdocht die hem liet bedingen dat de kleintjes en het vee in Egypte moesten blijven? En… zit er nog wel een geestelijk les in deze verzen? Of blijft het een historische beschouwing. Ik weet het op dit moment nog niet, maar ik hoop dat we er wat mee kunnen, praktisch en geestelijk.

Een kleine exodus

Al eerder noemde een uitlegger deze begrafenis een kleine exodus. En dat was het. Wat een volk! En niet de eerste de besten begeleiden de baar van Jacob! Jozef voorop, hij is de begrafenisondernemer die door vader Jacob was aangewezen en geïnstrueerd.
Vervolgens Farao's knechten, de hofdienaren en edelen van het land. Er staat zelfs 'ál' Farao's knechten. Heel Egypte loopt leeg? De Kanttekeningen nuanceren: "Dat is, het merendeel, te weten allen die beschikbaar waren en van huis konden wezen." Ze verwijzen naar Mattheüs 3 : 5 waar tot Johannes de Doper komt "geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan"; dat zal ook niet letterlijk iedereen geweest zijn. Maar toch, zoveel als mogelijk.
En blijf daarbij bedenken dat hier een vader van een vooraanstaand politicus werd begraven; niet de politicus zelf. Ik word daar toch wel een beetje stil van. God zorgt, zo zullen we straks zien, voor een koninklijke begrafenis.
Ook de 'oudsten', de geleerden, raadgevers en de mannen van staat en naam, trekken mee. Ze worden als twee groepen beschreven: die van Farao's huis en die van het land. Misschien moet je het zien als de landsregering aan het hof en de plaatselijke en provinciale regeringsadviseurs.
Daarna komt Jozefs huis aan de beurt. Daarvan trekt Jozefs eigen gezin mee: Asnath, zijn vrouw en de twee oudste zonen Efraïm en Manasse met hun gezinnen. Ook personeelsleden en allerlei functionarissen uit het paleis van Jozef sluiten zich aan in de rij. Ook hier zullen er een paar zijn achtergebleven om alles wat er te regelen was in goede banen te leiden.
En ja, dan komen opeens Jozefs broers te voorschijn met hun huisgezinnen, voor zover ze sterk en capabel waren. Ze vormen, aldus Mozes die dit heeft beschreven, de achterhoede. Opmerkelijk deze lage en laatste plaats. We hebben ze de afgelopen tijd ook al zo weinig gehoord en nu dan ook weer helemaal achteraan. Alsof het niet hun eigen vader was die hier werd begraven, maar een vage bekende.


Een koninklijke begrafenis


Psalm 45 zingt: "Straks leidt men haar (lees hier 'hem') in statie uit haar (zijn) woning…" Het is weliswaar een bruiloftslied, maar ik vind dit ook zo'n machtige psalm voor een begrafenis. Want men leidt hem inderdaad uit zijn woning naar… de Koning! En let erop dat dat een beeld was dat de Egyptenaars best wel herkenden. Dat begeleiden van een dode naar het eeuwige kende zij, weliswaar in een andere hoedanigheid. Het schouwspel hier op aarde, de tocht naar het aardse graf, was een afspiegeling van de tocht naar de eeuwige gelukzalige bestemming: de hemel.
Was dat bij de Egyptenaars altijd nog een mystieke en mysterieuze gebeurtenis, voor Jacob en Jozef was alles kraakhelder: hier werd het lichaam van een koningskind begraven in verderfelijkheid, opdat het op de Jongste Dag zou worden gemaaid (de opstanding) in onverderfelijkheid.
En de ziel werd niet gewogen op een weegschaaltje, maar was in dit leven reeds vrijgekocht! De mens Jacob ging reeds naar zijn eeuwig Huis… en zijn lichaam wachtte tot de dag van de vereniging. Die begrafenis hoorde er helemaal bij!

Een incompleet gezelschap

Heel terloops lijkt het er te staan: "alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen" Natuurlijk, we begrijpen het eigenlijk direct. Die kleintjes kunnen zo'n tocht door de woestijn (let erop dat het bijna dezelfde route is als die het volk later onder Mozes zal maken) niet aan. Ook het vee zou omkomen; dat vormt eerder een struikelblok dan dat het iets toevoegt. Vertrouwd personeel, wellicht wat moeders ook, bleven bij de kleintjes achter en bij het vee.
Als je vers 9 leest dan is het geen woord te veel gezegd, als daar staat dat de stoet omschreven kan worden als een 'zeer zwaar leger' met ruiters en wagens. Een militaire colonne.
Niks om kwetsbare kinderen en zwangere vrouwen bij te hebben. Het was me nogal een gevaarlijke tocht. Want we weten dat ze met die hele colonne ook door vijandelijk gebied moesten trekken, ook door Edom. Zouden er nog nazaten van Ezau meetrekken; hij was immers de tweelingbroer van Jacob? Of was er al helemaal geen contact meer tussen de broers? Was Ezau al overleden? De Bijbel zwijgt erover, maar zo'n vraag kan tijdens het nadenken wel boven komen drijven. Zoveel volk, maar je broer en zijn familie ontbreken. En als ik aan Egypte denk, dan denk ik ook aan de nazaten van Ismaël die hier ergens moeten hebben gewoond. Zouden zij ook nog zijn meegetrokken? Of was er ook geen contact meer met hen?
Nog even over die achterblijvers. Zou dat allemaal echt alleen om praktische redenen zijn geweest of… is het toch ook wat tactiek van Farao Eje om er voor te zorgen dat ze allemaal t.z.t. weer terug zullen komen? Immers, als Jozef niet meer terugkeerde zou dat toch nog enigszins een gemis voor Egypte zijn. Maar sterker nog: Jozef wist als geen ander waar Egyptes zwakke plekken zaten en hoe de organisatie van het land precies in elkaar stak. Als hij in de woestijn een vijandelijk leger zou organiseren, zou hij met weinig moeite het land kunnen veroveren; immers hij had nu een zeer zwaar heir ter beschikking? Even dacht ik aan die coup-poging in Turkije. Maar misschien zie ik het te somber en moeten we dat zware heir dat Farao meegeeft positief duiden. Farao zelf echter gaat niet mee!

Zou deze enorme organisatie met name een eerbetoon zijn geweest van Jozef aan zijn vader? Dan is het wel helemaal schrijnend dat de broers zo aan de zijlijn staan en zelfs helemaal achteraan in de rij mee sjokken. Alsof ze liever niet hadden meegegaan. Zou dat kunnen? Dat je iemand moet begraven maar je had er liever niet bij geweest? Een nabij familielid begraven, maar je hebt helemaal niets met die persoon? Of erger nog (en dat is dan de omgekeerde situatie van die uit Genesis 50), je moet een broer, zus, vader of moeder begraven, maar die heeft je het hele leven zuur gemaakt. Misschien wel mishandeld, misbruikt, verraden, miskend en genegeerd… Stel dat je dán loopt te midden van een enorme stoet van mensen die allemaal positieve verhalen hebben over de overledene, maar jij denkt stil: je moest eens weten. Ik weet dat dat voorkomt; afschuwelijk. Dit komt zomaar bovendrijven, doordat ik net een aangrijpend boek heb gelezen van Cathy Gohlke, getiteld 'Het geheim van mijn moeder'. Wie dit boek kent, zal het begrijpen; ook wat ik hiermee vanuit dit boek bedoel: de vraag hoe je een overledene nog kunt vergeven…
  1. Als je de massaliteit van de begrafenisstoet op je in laat werken, kun je je afvragen: gaat het er dan nog wel eerbiedig aan toe? Wat vind jij van massale begrafenisplechtigheden? Denk ook aan het gevaar van 'mensverheerlijking'.
  2. Wat is voor jou het belangrijkste uit dit gedeelte? Welke vragen roept dit bij je op?
  3. Heb je wel eens zo'n moeilijke begrafenis meegemaakt, zoals daarnet geschetst? Hoe ga je daarmee om? Stop je dat weg, praat je dat uit met iemand of verwerk je dat op een andere manier?

vrijdag 15 juli 2016

Denk jij wel eens na over je begrafenis?

"…Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf;
in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven!
Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen."
Genesis 50 : 5

Vader Jacob het met Jozef afgesproken hoe hij wilde begraven worden en vooral wáár: in de graftombe of -spelonk van Machpéla. Bij zijn ouders en grootouders en zijn vrouw Lea. Er was voor Jacob veel aan gelegen dat hij juist dáár zou worden begraven; dus de locatie was belangrijk. Ook was het belangrijk bij wie hij werd begraven: bij het verbondsvolk. Tenslotte was het belangrijk dat die begrafenis de sfeer ademde die paste bij Jacob en de HEERE. Daarom bepaalde Jacob nog tijdens zijn leven wíe die begrafenis ging uitvoeren. Nota bene de veregyptischte zoon Jozef! Moet je toch eens over nadenken.

Een Egyptische begrafenis; afbeelding uit het Dodenboek dat rond 1300 v. Chr. werd gemaakt (de tijd van Jozef)


Naast deze elementen, die een bezinning zijn op het begraven worden, staan we ook nog kort stil bij die merkwaardige laatste woorden in onze tekst: "…daarna zal ik weer terugkomen." Als we dat artikel, waar ik gisteren aan refereerden nog eens goed lezen, zullen we zien dat dat niet een terloopse opmerking is, alsof Jozef wilde zeggen: "Het duurt maar even, hoor."

Waar je begraven wordt

Jacob was ervan overtuigd dat hij spoedig ging sterven. Toen hij naar Egypte trok had de HEERE gezegd dat Hij met Jacob zou meegaan. Als Hij met je meegaat, is het de beste weg. Als Hij de weg afsluit, moet je niet proberen koste wat kost toch te proberen om die weg verder te lopen. Maar… als de HEERE je toestemming geeft die weg te vervolgen 'voor een tijd', dan ligt daarin ook de belofte en zekerheid dat Hij met je verder zal gaan of zelfs weer zal terugkeren.
Toen Jacob aan God vroeg of hij naar Egypte mocht verhuizen – zijn vader en opa hadden daar namelijk ook al geen beste ervaringen mee – had God beloofd dat Hij mocht gaan en dat Hij met hem mee zou gaan én… dat Hij Jacob weer terug zou halen. Dat moet Jacob vreemd in de oren hebben geklonken. Hij stelde God geen vragen maar ging gehoorzaam. Achteraf weten we dat deze belofte tweemaal is vervuld: bij Jacobs begrafenis en bij de exodus onder leiding van Mozes.
Jacob had Jozef laten zweren dat hij niet in Egypte begraven wilde worden. Jozef moest dat zweren. Je krijgt de indruk dat hij niet alleen de begeerte uitsprak om 'thuis' in Kanaän te worden begraven, maar ook de afkeer om in Misraïm (Egypte) te worden begraven in ongewijde grond. Hij laat Jozef namelijk uitdrukkelijk beloven dat het níet Egypte mocht worden. En zo geschiedde.
Je denk onwillekeurig: maakt dat nou echt uit in het licht van de Jongste Dag? Het zou mij inderdaad niet echt uitmaken… ik woon nu in Schoonhoven en ben best van deze stad gaan houden. Mijn graf mag hier zijn. Maar als ik ooit nog verhuis naar een ander deel van de wereld, mag mijn graf gerust daar zijn. Je zou nog kunnen overwegen dat je daar wil worden begraven, waar je kinderen je graf enigszins gemakkelijk kunnen bezoeken om hun herinneringen en verdriet daar te kunnen delen.
Maar in het licht van de Jongste Dag maakt het volgens mij niet echt uit waar je ligt begraven. De bazuin zal klinken en de doden, wellicht uit een massagraf of van de bodem der zee, zullen opstaan en de HEERE zien op Zijn heerlijke troon met Zijn duizenden engelen. Dát is waar het heengaat. Ik hoef niet meer begraven te worden voor de Gouden Poort van Jeruzalem… immers de Messias is al gekomen. Voor Jacob was de begraafplek verbonden met de komende Messias. Dat is het verschil.

Bij wie je begraven wordt

Echter… toen mijn vader onlangs werd begraven in het graf van zijn ouders en waarin ook zijn zoon, mijn broer, was begraven (tussen opa en oma in) vond ik het wel een prachtige locatie; en ik was blij dat die mogelijkheid al enige jaren geleden was besproken met mijn ouders, zodat het op dat moment kón gebeuren! Een emotionele binding met de locatie. En ook te midden van mensen, opa en oma en mijn broer, die echt bij mijn vader hoorden. Dat raakte met bijzonder.
Ook Jacob wilde bij zijn ouders, zijn grootouders en bij zijn eerste vrouw begraven worden. Nota bene de vrouw die wel zijn eerste was, maar zijn tweede keus: Lea! Hoe de band met Lea was tijdens hun leven weet ik niet, maar het lijkt een beetje op Hannah - Elkana - Peninnah. De anti-chemie tussen de broers en Jozef moet een doorvertaling zijn geweest van de merkwaardige relationele verhoudingen in Jacobs huwelijksleven. Des te merkwaardiger dat Jacob juist in die spelonk Lea heeft begraven en er zelf ook bij begraven wilde worden. Heeft hij dat gedaan met het oog op de band met ál zijn kinderen. Ik blijf dat graf van Rachel ook apart vinden. Zij is zomaar langs de weg in een graf begraven; waarom ook niet in Machpéla? Als het lichaam van Jacob over zo'n enorme afstand kon worden getransporteerd naar Machpéla, waarom dat van Rachel daar vlakbij Bethlehem dan niet? Ook vind ik het apart als juist Rachel wordt aangehaald bij de kindermoord in Bethlehem. Ter nagedachtenis aan haar worden nog woorden in de Bijbel genoemd; aan Lea niet. Ik durf niet stellig te beweren dat Jacob weloverwogen te werk is gegaan bij de begrafenis van Rachel, maar ik twijfel er wel aan. Niettemin laat hij haar rusten en wil nu zelf, weloverwogen, in het familiegraf begraven worden. Als familieclan in afwachting van de komende Messias. Maar voordat ik daar een conclusie aan verbind, kijk ik met een vraagteken boven mijn hoofd naar de plek waar Jozef in opdracht van Jacob zal moeten worden begraven. Waarom daar? En waarom pas bij de exodus? Veel vragen. Misschien dat het te maken heeft met die dubbele belofte van God dat Hij Israël (Jacob) en Israël (het volk) zal terughalen naar Kanaän. De eerste bij deze begrafenis; de tweede in de gedaante van de mummie van Jozef die bij Sichem zal worden begraven over 400 jaar. Alleen? Of werden er nog anderen bij Jozef begraven? Daarover misschien later.

Door wie je begraven wordt

Nog kort iets over 'door wie je begraven wordt'. Jacob kiest heel bewust en specifiek voor Jozef als uitvaartorganisator. In dit hele hoofdstuk lijkt Jozef de enige die een actieve rol speelt. Geen overleg met de broers; ze lopen er wat sullig achteraan. Niemand die zijn mond open trekt… ze laten het gedwee over zich heenkomen. Ze moeten toezien dat een hele serie Egyptenaren het werk doen en zelfs meereizen naar Machpéla. Dat moet me een lijkstoet geweest zijn!
Voor Jacob maakte het dus best heel erg uit wie de begrafenis deed. Zo wist hij dat het zou plaatsvinden op de wijze die bij hem paste. Een uitvaart moet tot eer van God zijn, maar moet ook iets eigens hebben van de overledene. Heb je al eens zo over je eigen uitvaart nagedacht? Wat wil je bij anderen – collega's, vrienden, familie, bekenden – achterlaten vanuit jouw rouwdienst en begrafenis? Het is de enige mogelijkheid om mensen na je dood nog iets mee te geven. En op dát moment zijn al die mensen het meest ontvankelijk voor het Evangelie. Neem dat eens mee, als je nadenkt over de tekst van je begrafenis (ook al is er menselijkerwijze nog geen reden om aan te nemen dat je vandaag of morgen zult overlijden), de Psalmen en liederen die je zou willen laten zingen? Wie wil je de inhoudelijke leiding geven? Hoe zou je willen dat er gesproken wordt?
Uitvaartorganisaties hebben boekjes waarin je allerlei dingen alvast kunt optekenen, zodat je kinderen en andere nabestaanden niet alle zelf moeten uitvogelen. Goed om af en toe eens stil te staan bij je eigen begrafenis… of schrik je daarvan? Toch is het écht bijbels om te doen; Jacob gaat je hierin voor!

Na de begrafenis

Tot slot lezen we die merkwaardige woorden in vers 5: "…dan zal ik wederkomen." Dat staat er niet voor niets. Jozef was duidelijk van positie veranderd, hoewel hij nog wel wat aanzien genoot. Het kwam niet helemaal uit de lucht vallen dat een paar generaties later die toenmalige Farao op generlei wijze wil dat het volk Egypte verlaat.
In Genesis 50 lijkt namelijk ook een soort kleine exodus op handen. En als ik mij niet vergis heeft Farao zijn geverfde wenkbrauwen even hoog opgetrokken. "Weg uit Egypte? Naar Kanaän? Voorgoed?" De woorden van Jozef lijken bedoeld als een soort geruststelling aan het adres van Farao. Om er zeker van te zijn dat ze allemaal weer terugkeerden (Jacobs clan vormde best een aanzienlijk onderdeel uit van de Egyptische samenleving; leverde ook een goede bijdrage; pas later zou de Farao hen als een bedreiging zien, omdat hij Jozef – en dus de motieven van deze bevolkingsgroep – niet had gekend) stuurde Farao ook eigen personeel en troepen mee. Het feit dat Jozef zijn eigen huishouding wilde meenemen zorgde denk ik voor onrust aan het hof van Farao. Ze hadden in Egypte best last van rovers. Ook de Hyksos, een semitische bevolkingsgroep uit Azië, waren een forse bedreiging geweest een tweetal eeuwen geleden. Zulke overheersingen wil je niet nog een keer in je rijk! Vandaar deze voorzorgsmaatregelen wellicht. Jozef echter wil openheid van zaken geven en dat pas een kind van God! Wees transparant en roep met je (wellicht plotse) gedrag geen onnodige vragen op!

  1. Al eens over je eigen begrafenis nagedacht? En ook al eens met anderen over gesproken? Wat vind je daar eigenlijk van?
  2. Welke waarde heeft voor jou de plek waar je begraven zult worden? En wat vind jij belangrijk om na te laten bij anderen?
  3. Is jouw gedrag op je werk transparant, inzichtelijk? Hoe ga je met collega's of gemeenteleden om die liever niet transparant en open willen werken?

donderdag 14 juli 2016

Jozefs houding tegenover de Farao

"Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende: Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren."
Genesis 50 : 4-6

Mensen die God niet vrezen zijn nog niet per definitie onontvankelijk voor een vriendelijk, ootmoedig verzoek. Zelfs een wereldheerser als Farao, die zich als god liet vereren. Farao had achting voor Jozef en zag het voordeel dat hij van deze Joodse dienaar had. Daarom had hij hem ook zo'n hoge positie gegeven. Alleen blijkt vandaag dat Jozef duidelijk ónder Farao stond. Maar ook dat Farao welwillend was tegenover Jozef. We behandelen vandaag slechts een deel van het tekstgedeelte hierboven: Jozefs vraag via zijn dienstknechten aan Farao en Farao's akkoord op Jozefs verzoek om zijn vader te mogen begraven. Farao kende Jozefs vader wel; jaren geleden had Farao's voorganger hem ontmoet, toen Jozef hem zijn levensgeschiedenis vertelde en zijn vader aan Farao voorstelde.

Jozef stelt zijn vader Jacob aan Farao voor; gravure, 1864, Sir Edward Poynter (1836-1919)


Aanvankelijk dacht ik dat Jozef aan Farao mededeelde dat hij zijn vader ging begraven. Maar dat staat er niet. Jozef vroeg het netjes aan Farao. Dat is al opmerkelijk. Maar toen ik nog beter las, zag ik dat Jozef de vraag niet direct aan Farao stelde, doch via het hofpersoneel. Waarom? Tussen Jozef en Farao zat toch immers niets? Er was immers niemand zo belangrijk als Jozef in heel Egypte, op Farao na dan…

Een ootmoedig verzoek

Je zult maar slaaf zijn geweest en onderkoning zijn geworden. Menigeen zou daar bepaald hautain van worden. Je zult maar de belangrijkste in het hele land zijn, onder de koning. Menigeen zou met die macht niet altijd even fair omgaan. Hoe opmerkelijk is het dat Jozef – wanneer hij zijn vader wil begraven – niet een mededeling aan Farao doet, maar een nederige vraag stelt. Zijn ootmoedige houding past wel bij ons kinderbijbel-beeld van Jozef, maar de Bijbel laat soms wel zien dat Jozef ook best arrogant kon zijn. En soms was hij ook voor zijn broers best een irritante brave Hendrik.
Die fraaie veelkleurige mantel had hij echt niet hoeven aantrekken, toen hij zijn broers ging opzoeken… je snapt dat het hen al op afstand irriteerde, toen ze hem zagen aankomen. En dan die grootspraak over zijn dromen. Zijn moeder en vader temperden hem daarin een beetje, omdat ze ook wel zagen dat de naïeve onbevangenheid waarmee Jozef die dromen vertelde, kwaad bloed zette bij zijn halfbroers.
In het huis van Potifar en Potiféra heeft hij geleerd dat hij met zijn oprechte houding niet altijd vrienden maakte; hoewel het natuurlijk wel in hem te prijzen is dat hij trouw bleef aan de HEERE en bang was om te zondigen. In de gevangenis in Egypte heeft hij geleerd dat hij van genade moest leven. Hij werd door zijn betrouwbare levenshouding gewaardeerd door de cipier, maar hij moest ook leren om goodwill bij medegevangenen op te bouwen. En wat stelde de HEERE hem op de proef: het duurde lange tijd voordat de schenker weer aan Jozef dacht!
Nadat hij de dromen van Farao had uitgelegd, gaf hij God de eer. Zijn hele leven aan het hof is ook een verwerkingsproces geweest van zijn voorgaande leven; denk alleen al aan de namen die hij zijn oudste twee zonen gaf (zie vorige bijbelstudie). Gods kinderen zijn geen standaard heiligen. Ze hebben allemaal wel ergens scherpe kantjes zitten, die er gaandeweg het leven afgaan. En soms ook niet.
In de tekst van vandaag verraste mij het nederige verzoek van Jozef aan Farao. Hij kon bevelen wat hij wilde en kreeg alles gedaan. In zijn positie vloog al het personeel voor hem. Nog maar pas geleden, in de voorgaande verzen, gaf hij bevel aan de top-apothekers aan het hof van Farao (!) om zijn vader te balsemen en ze gingen direct voor hem aan de slag. Geen moeite werd gespaard. Echter, nu de begrafenis aanstaande is, meldt hij zich niet even af bij Farao, maar vraagt netjes goedkeuring om te vertrekken: "Als ik dan nu genade gevonden heb in uw ogen…" Hij wist dat hij genade had gevonden in hun ogen, maar hij verbond daar geen automatische consequenties aan. Weten dat je de gerespecteerde in de gemeente of onder je collega's bent, moet nooit tot gevolg hebben dat je maar zo je gang kunt gaan!

Een indirect verzoek

Er zit nog iets merkwaardigs in de tekst. We weten dat de farao's zich als god lieten vereren. Opmerkelijk is het dat deze Farao (wie hij ook was, daar zijn de geleerden nog steeds niet goed uit) zijn eigen dromen toch niet kon uitleggen en daarom dus helemaal geen god kon zijn. Je zou voor de aardigheid daarover eens een enorm interessante verhandeling moeten lezen die ik op internet vond. Wat je ervan vindt, vind je ervan, maar duidelijk is dat Jozef al heel wat jaren in Egypte is en inmiddels ook enkele Farao's heeft meegemaakt. Dat vergeten we vaak, doordat er constant 'Farao' wordt gezegd; dat is echter maar een titel. Hun namen verschilden. Hiervoor genoemd artikel pleit ervoor dat Jozef ten tijde van Amenhotep IV (alias Echnaton), de vader van de overbekende Toetanchamon (die van het beroemde gouden masker) leefde. Diens vader Amenhotep III was een machtig koning; tijdens diens leven werd Jozef op 17-jarige leeftijd naar Egypte verkocht (Gen. 37:2). Toen Jozef de dromen van Farao uitlegde en werd verhoogd was hij 30 jaar (Gen. 41: 46). En díe Farao was duidelijk niet in staat om goddelijk te zijn. Hij werd als minder capabel beschouwd en dat werd Echnaton ook. Hij was een monotheïst (iemand die alleen Aton als god wilde erkennen; hij liet alle meergodendomsuitingen verwijderen uit stèles en andere monumenten) en waarschijnlijk had hij daarom wel iets gemeen met Jozef. Die twee mochten elkaar wel. Maar vandaag lezen we dat Jozef indirect een vraag aan Farao stelt. Was die band op dat moment dan anders? De Kanttekeningen wijzen erop dat een rouwende niet zomaar bij Farao mocht komen. Dat is best een aardig argument, maar ik denk dat de relatie met de huidige Farao niet zo hecht was als die tussen Jozef en Echnaton. Inmiddels hebben we ook Toetanchamon (hij regeerde maar kort) gehad en is Eje de nieuwe Farao. Onder Toetanchamon (zijn naam werd veranderd van Toetanchaton in Toetanchamon) werd het meergodendom weer ingevoerd en werd Amon als oppergod weer 'uit de kast gehaald'.
Jozefs positie ten opzichte van de Farao was dus anders geworden. En dat lijkt mede een belangrijke reden waarom Jozef de vraag via het personeel (waaronder nog vertrouwelingen van Jozef werkten) stelt, om zo ingang bij Farao te vinden. Hij kon niet bogen op zijn positie, maar stelt zich – en dat is een goede eigenschap – als ootmoedig dienaar onder de regering van Farao Eje.

Een gehonoreerd verzoek

Later, na Jozefs dood zou er een Farao opstaan die Jozef niet had gekend. En dat zou direct desastreus voor het volk van Israël blijken te zijn. Echter Farao Eje wist nog prima wie Jozef was en honoreerde diens verzoek om te vertrekken. En dat moeten we toch positief duiden. Daniël is aan het einde van zijn leven ook niet meer op die positie als die hij had tijdens zijn actieve leven. Toch genoot hij nog achting. En zo was het met Jozef hier ook.
Jozef was aan het begin van de tweemaal zeven jaar (14 dus) 30 jaar. Er waren reeds twee hongerjaren voorbijgegaan toen zijn vader Jacob aan Farao werd voorgesteld. Jacob was toen 130 jaar. Volgens Genesis 47 : 28 leefde hij 17 jaar in Gosen en stierf op 147-jarige leeftijd; dus leefde hij 12 jaar na de hongersnood. Jozef was toen 30 + 14 + 12 = 56 jaar (net op de helft van zijn leven).

Hieronder een lijstje van toen actuele Farao's tijdens de 18e dynastie:

Farao Amenhotep III                                         1391-1353 vC.  'Amon is tevreden'
Farao Amenhotep IV (of Achnaton/Echnaton) 1353-1335 vC.  'Levende ziel van Aton'
Farao Smenkhare                                              1334-1333 vC.  'Krachtig is de Ziel van Re'
Farao Toetanchamon                                        1333-1323 vC.  'Levend evenbeeld van Amon'
Farao Eje                                                          1323-1319 vC.   betekenis onduidelijk

Je ziet dat geen der koningen (op Amenhotep III na) langer dan 18 jaar regeerde (dus langer dan Jozef onderkoning was). Als de stelling waar is dat Jozef tijdens de regering van Echnaton onderkoning werd (wiens zoon (!) Tutanchamon was; Smenkhare is een soort tussentijdse mederegent geweest) dan is het duidelijk dat Eje nog prima wist wie Jozef was. En ook een groot deel van het personeel aan het hof wist dat. Over Jozef – wat hen betreft – niets dan lof. Met dat positieve imago dat hij dankzij de zegen van de HEERE kreeg, verwierf hij ook de goodwill van de toenmalige Farao. De eed die Jozef aan zijn vader had gezworen, bleek voor Farao echt wel heilig, hoewel hij niet gelovig was aan de God van Jozef. We zullen komende keer verder ingaan op de belofte die Jozef aan zijn vader deed.
  1. Jozefs houding is veranderd door de jaren heen. Ootmoed kenmerkt hem meer en meer. Heb jij ook veranderingen in het leven Jozef herkend? En zie je die ook in je eigen leven?
  2. Farao dient de HEERE niet, maar een of meer afgoden; toch respecteert hij Jozefs levenshouding en waardeert hij de eed van Jozef aan Jacob hoog. Herken je dat in je eigen omgeving ook, onder niet-gelovigen of anders-gelovigen?
  3. Welk gevaar zit er in de bijzondere zegen van de HEERE, wanneer je succesvoller wordt dan je collega's of familieleden? Waar zitten jouw valkuilen?

dinsdag 3 mei 2016

Ezau's ethische ontwikkeling

Farao, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis;
in dit geval Thutmoses III, vader van de
vermoedelijke farao (Amenhotep II) die
tijdens de Exodus regeerde en verdronk
Op ethisch en sexueel gebied kunnen kinderen sterk worden gevormd en beïnvloed door hun ouders. Om enkele voorbeelden te noemen: de uitspattingen van David en Bathséba hebben hun sporen getrokken in de levens van diverse van Davids kinderen. De slappe houding van Eli verergerde de goddeloosheid van Hofni en Pinéhas. De voortrekkerij van Jacob jegens Jozef stimuleerde de jaloezie en goddeloosheid bij zijn andere zonen. De voortdurende verdachtmaking van Jezus door de farizeeën maakte dat een heel volk kon roepen: "Kruist Hem!"
We hebben al even iets gezegd over opa Abraham die God een handje wou helpen met de realisatie van Diens belofte van een zoon. Daar is Ismaël de dupe van geworden. Deze jongen heeft tijdens zijn leven moeten ervaren dat hij er eigenlijk niet behoorde te zijn. Zo sterk heeft God dat niet geaccentueerd, want Hij gaf Ismaël grote zegeningen en beloften voor zijn toekomst. Maar niettemin was zijn moeder zwanger gemaakt en was hij op een oneigenlijke wijze, zeg maar liefdeloos, verwekt. Als jaren later Izaäk wordt geboren ervaart Ismaël heel duidelijk dat hij een tweederangs kind is geworden. Zijn vader zal dat niet zo hebben laten merken, maar dat móet iets met die jongen hebben gedaan. Hij zocht een leven waarin hij voor zichzelf wilde opkomen. "Ik heb niemand nodig… Ik red mezelf wel!"
Zowel bij Abraham als bij Izaäk gebeurde nóg iets raars: beiden hebben op een gegeven moment ontkend dat hun vrouw hun vrouw was! Welk effect had dat op zoon Izaäk en (klein)zoon Ezau?

"Als nu Ezau veertig jaren oud was,
nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet,
en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes."

Genesis 26 : 34-35

"Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend,
en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen;
en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende:
Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;
en dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was,
en naar Paddan-aram getrokken was;
en dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,
Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth."
Genesis 28 : 6-9

Ontrouw 1 en 2

Honger is een kwade rode draad door de geschiedenissen van Abraham, Izaäk en Jacob. Als Abraham enige tijd in het beloofde land woont, weliswaar als vreemdeling, breekt er honger uit. En geloof me, dat is een enorme aanvechting voor hem geweest. Waar is nu Gods belofte? Abraham kiest voor de vlucht; dat kon ook gemakkelijk, want hij was een nomade die voor zijn vee mals gras en water zocht. Die noodzaak gaf hem een reizend bestaan. Al zoekend leek hij af te zakken naar Egypte; maar als ik goed lees in de Bijbel dan lijkt hij toch heel bewust voor Egypte te hebben gekozen. Eerst is hij inderdaad op zoek naar voedsel (Genesis 12 : 9) "gaande en trekkende naar het zuiden." Maar later maakt hij een welbewuste keuze voor Egypte: "En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land."
Of dat goed of slecht was laat ik even in het midden. Maar er gebeurt iets merkwaardigs: "En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was."
Saraï wordt opgenomen in het harem van de Farao met alle gevaren van dien. Daarom wordt ook zo heel duidelijk in de Bijbel onderstreept dat uit die relatie GEEN kind is voortgekomen.
Nadat Farao erachter is gekomen – door plagen van God – dat Sara niet alleen de halfzuster van Abraham is, maar ook zijn huwelijksverbondspartner, weet hij niet hoe deemoedig hij die grote en vreselijke God moet tevreden stellen. Hij geeft enorm veel geschenken aan Abraham en zendt hem weg. En – zo vertelt het apocriefe Boek des Oprechten – farao gaf zijn dochter Hagar als dienstmeisje aan Saraï. Dat liep met een sisser af, zou je denken.
De eerste barst ontstaat reeds in het volgende hoofdstuk, Genesis 13, wanneer de herders van Lot en van Abraham ruzie krijgen. Daar wordt met geen woord over gerept, maar zou het niet zo kunnen zijn dat Lot zich is gaan schamen voor deze ongeloofsdaad van zijn oom? Er staat met dikke woorden "Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud." Ja, hoe komt Abraham aan zoveel rijkdom? Is dat een beloning op zonde? Lot moet dat niet hebben gesnapt. Direct daarop ontstaat dan ook ruzie tussen Lot en Abraham en ze gaan uiteen.
Maar wie schetst onze verbazing als Abraham in Genesis 20 – nota bene na de verbondsvernieuwing en de belofte dat Sara een kind zal krijgen (!) – opnieuw in dezelfde fout valt. Hij heeft een tijd bij de eikenbossen van Mamré gewoond maar trekt verder richting Gerar in het land van de latere Filistijnen. De koning daar (die Abimelech als aanspreektitel heeft, zoals farao de aanspreektitel van de koning van Egypte is) laat zijn oog op de inmiddels 89-jarige Saraï vallen. En hij vindt haar 'schoon'. Ze was op haar oude dag nog een knappe verschijning. Ook hij komt erachter dat Abraham liegt. Maar… in deze geschiedenis is Ismaël al geboren en besneden! Hij heeft dit als 12-jarige jongen meegemaakt. En plots had hij een heel ander beeld van zijn godvrezende en diepgelovige vader! Het mag voor Ismaël nooit een stok zijn om de hond te slaan, maar het heeft er zeker niet aan meegewerkt dat hij de HEERE oprecht ging dienen. En dat zal zijn moeder Hagar natuurlijk ook hebben onderstreept. Is dat nou de dienst aan de HEERE? De goden van Egypte waren wel anders!

Ontrouw 3

Al deze dingen zijn op zich buiten het blikveld van Izaäk gebeurd. Mogelijk heeft zijn broer Ismaël er wel iets over verteld toen ze wat herinneringen ophaalden bij de begrafenis van moeder Saraï (Genesis 23) of wellicht bij die van vader Abraham (Genesis 25).
In Genesis 26 breekt er opnieuw honger uit en maakt Izaäk dezelfde reis als zijn ouders: naar Gerar. "En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Alzo woonde Izak te Gerar."
Izaäk gaat niet voor niets naar Gerar; al weet ik niet precies waarom. Wellicht had het verbond van Abimelech met Abraham daar een bepaalde rol in. En ook in deze geschiedenis gaat de Abimelech van Gerar een verbond aan met Izaäk. Maar eerst verkoopt Izaäk dezelfde leugen als zijn vader: die vrouw is niet mijn vrouw, maar mijn zus. Izaäk loog nog sterker dan zijn vader. Zijn schoonvader was zijn neef en Rebekka was zijn achternichtje.

Naast deze leugen wijs ik op nog één detail: God zegt expliciet tegen Izaäk dat hij níet naar Egypte mag afdalen. Waarom? Het wordt nergens toegelicht. Was het vanwege het voorval van Abraham in Egypte? Ik geloof het niet. Want hij gaat hier wel naar Gerar, waar eenzelfde intrige had plaatsgevonden. Er zijn bronnen die zeggen dat Izaäk in het beloofde land moest blijven van God. Dáár moest zijn toekomst zijn. Men ziet in Hem de contouren van Christus Die in de hemel blijft na Zijn hemelvaart, en op afstand, door Zijn Geest, mensen toebrengt tot Zijn Koninkrijk. Het is mooi, maar waarom mocht Jacob later dan wél naar Egypte gaan? En zou er niet gewoon een praktische oorzaak voor dit verbod kunnen zijn? De oorzaak: Ismaël? Bedenk namelijk dat in deze geschiedenis Ezau en Jacob al zijn geboren en opgroeiende kinderen zijn. Ook zij zien hier gebeuren, wat Ismaël jaren geleden op deze zelfde plek heeft meegemaakt: vader doet alsof moeder niet bij hem hoort. Dit moet Jacob zijn bijgebleven; maar dit heeft ook Ezau sporen getrokken!

Ontrouw 4

Ezau zou eens laten zien dat hij dit soort praktijken er nooit op na zou houden. Hij is net als zijn vader 40 jaar als hij een vaste relatie met een vrouw begint. En ik denk dat ik weinig fantasie gebruik als ik stel dat er al wat losse escapades hebben plaatsgevonden met Ezau en de meisjes. Hij is niet alleen dierenjager maar, als ik mij niet vergis, ook een rokkenjager. En als pa Izaäk daar iets van vindt, dan kan hij ongezouten een verslag van 'Papa in Gerar' krijgen. Natuurlijk gebruikt Ezau hier een stok om de hond te slaan. Want Izaäk heeft in Gerar – in de affaire met al die waterputten en de ruzies eromheen – ook laten zien dat hij de minste kon zijn. Izaäk heeft in zijn leven echt wel laten zien wat de dienst aan de HEERE inhield. En welke vader is zonder zonde? Maar voor afhakers zijn dat geen vergoeilijkende omstandigheden!
Met het huwelijk dat Ezau sluit zet hij een definitieve stap buiten de traditie en het Verbond. Hij trouwt met een heidens meisje: Judith. En… hij treedt in de sporen van Kaïns nageslacht door ook nog een tweede vrouw te nemen: Basmath; hoewel… drukte hij de voetstappen misschien van zijn opa Abraham die naast Sara ook Hagar als vrouw nam? En als Izaäk het idee van Ezau probeerde af te raden, dan zou hij fors de waarheid te horen krijgen: "Kijk eens naar je eigen vader?!" "Ja maar, jongen, je bent besneden. De HEERE heeft recht op je hart en leven." "Daar heb ik niet om gevraagd. Laat mij met rust en geef me de ruimte. Ik zal niet doen alsof Judith en Basmath mijn vrouwen niet zijn. Ik verloochen ze niet! Ze zijn me lief en met hen is het leven ooit saai!" Die zit. Ja, de Kanaänieten kunnen er wat van op sexueel gebied. Sex was hun godsdienst. Wat wil je nog meer… Het lijkt wel alsof ze in de 21e eeuw leven!
Maar… als Jacob de boel bedriegt en nog een extra afscheidszegen krijgt van zijn vader (!), is de maat voor Ezau vol. Hij ziet dat zowel zijn moeder (maar daar had hij toch al nooit wat mee) als zijn vader al hun liefde aan Jacob besteden. Ze voorzien hem van goede adviezen om naar de familie in Paddan-aram te gaan en daar een vrouw te zoeken; vooral niet in Kanaän, net zoals Ezau! Niet handig, want Ezau heeft het gehoord. En hij irriteert zich mateloos aan die schijnheilige broer die 'gehoorzaam' doet wat zijn pappie en mammie zeggen. Jacob gaat netjes in het vrome spoor; ja ja; maar wel met allerlei leugens en slimmigheidjes. Ezau is erin geluisd!
Bruut draait hij zich om en gaat – wat Izaäk niet mocht doen – naar Ismaël. Hij neemt zijn twee vrouwen mee en wellicht zijn er ook al wat kinderen geboren, want waarschijnlijk is Ezau dan al 30 jaar getrouwd! Oom Ismaël ontfermt zich over zijn neef en zal het anti-godsdienstige vuur best hebben aangewakkerd. Tot overmaat van ramp trouwt Ezau met de oudste dochter van Ismaël, die toch ook al op jaren moet zijn geweest. Alleen maar om zijn ouders te stangen. Wat moet daarvan terecht komen?
Voor Rebekka (ik denk vooral dat het haar betreft; moeders zijn daar feller in) en Izaäk waren Ezaus twee eerste vrouwen al een drama: een bitterheid des geestes. Het hield hen wakker en legde een venijnige domper op het gezinsleven. Daaronder is Jacob ook nog 30 (!) gebukt gegaan. Dat kon dan ook best eens de reden zijn dat hij bij zichzelf heeft besloten dat Ezau dat eerstgeboorterecht echt niet meer verdiende; dat moest Jacob op de een of andere manier veiligstellen; anders zouden de bezittingen van vader en moeder zo naar de 'Filistijnen' gaan… En die belofte van de Messias al helemaal!
Maar voor Ezau was het ook zuur om constant te voelen dat zijn vrouwen niet welkom waren. Hij hield van ze en hij had ervoor gekozen. Ja, het was een keuze tegen God en hij kon weten en snappen dat zijn ouders er verdriet van hadden. Maar er wordt in de tekst niet gesproken over stil verdriet, maar over 'bitterheid des geestes'. Dat schuurt tegen haat. Ligt daarin misschien een les voor ouders in dergelijke situaties? Hoe moeilijk dat ook is, hoezeer je niet blij bent met de keuze van je zoon of dochter, laat haat de deur naar je hart niet dichtklappen. Houdt het voor mogelijk dat jouw liefde een brug kan zijn waarover Gods liefde een heidens hart kan bereiken. Hoe moeilijk die weg ook is. In die twee heidense schoondochters kregen Izaäk en Rebekka namelijk ook twee zielen met een eeuwige bestemming: twee schepselen Gods. Ben ik te gemakkelijk in dit oordeel? Ik weet dat dit heel, heel moeilijk kan zijn, maar het is de prijs waard om je hart open te houden voor deze voor jou onwelgevallige schoonkinderen. Gebed is nodig om niet je gevoel, maar je hart te laten spreken. Want de haat van zijn ouders jegens de twee meiden, is voor Ezau de druppel die de emmer doet overlopen: het ontrouwe verbondskind vertrekt en wordt zo onbereikbaar voor zijn ouders. Hoewel hij voor de volle 100% verantwoordelijk is voor zijn eigen daden!