Posts tonen met het label ootmoed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ootmoed. Alle posts tonen

donderdag 23 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Zij gingen beiden tezamen

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Vanaf nu doen ze er weer het zwijgen toe. De laatste klim is woordenloos, als ik de Bijbel letterlijk neem. Maar daarboven moet Abraham toch uit de doeken gaan doen hoe de gang van zaken zal zijn bij dit brandoffer. Hoe dat precies zit met God en dat 'voorzien in een lam'.


We lezen van Henoch dat hij wandelde met God. Hij en God waren als het ware een onafscheidelijk duo, al gaande over de aarde. Waar Henoch was, betrok hij God erbij en uiteindelijk liepen ze zo de hemel in, thuis bij God. En eigenlijk lees ik iets dergelijks ook over Abrahams wandel met de HEERE. God zei: "Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht"; dat klinkt nog afstandelijk, alsof Hij op een afstand toekijkt wat Abraham allemaal doet. Maar wanneer de HEERE Sodom en Gomorra wil verdoen, pleegt de HEERE vertrouwelijk overleg met Abraham: "Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft." (Gen. 18:17-19). God praat, zo schrijf een van de apostelen, met Abraham zoals een man met zijn vriend. Abraham wordt door een andere apostel dan ook 'een vriend van God' genoemd. Er zijn daandeweg dwarsverbindingen tussen God en Abraham ontstaan. En ik mag aannemen andersom ook. Want juist als die dwarsverbindingen er wederzijds zijn, gaat het goed. Maar als Abraham nalatig wordt, gaat het mis in zijn leven.

Dwarsverbindingen

Velen denken dat het gebed de dwarsverbindingen zijn in het leven van het geloof. Dat is niet onwaar, maar slechts een deel van de waarheid. Als het contact met de HEERE slechts uit vaste, dagelijkse gebedsmomenten bestaat, dan blijft ons leven een gatenkaas. Een gatenkaas aan mogelijkheden om de HEERE te vergeten. Te veel mensen, jongeren én ouderen, maken nog onderscheid tussen het geestelijk leven en het dagelijks aardse leven. Waarom niet een dag vol met dwarsverbindingen? Het Avondmaalsformulier spreekt over 'van nu voortaan… leven', maar dat betekent niet dat dat beperkt blijft tot de afgemeten geestelijke momenten. De praktijk van het leven moet doorspekt zijn met aandacht voor de HEERE; Hem erbij betrekken. Natuurlijk moet je je werk aandachtig en geconcentreerd doen. Maar waarom moet dat betekenen dat je dat niet communiceert met de HEERE? Ik merk zelf dat als daar de slof in komt, in alles de slof komt. Elke muur krijgt soliditeit door dwarsverbindingen. Hoeveel te meer de muur van het geloof.

Doelbewust

Abraham en Izak lopen niet maar wat doelloos over die berg te struinen. Ze gaan gericht hun weg en met dat einddoel is de HEERE ook verweven. Hij is de Reden waarom zij hier zijn. Is dat geen mooie lijn naar ons persoonlijk leven? God is de Reden waarom we hier zijn en – zoals Paulus het preekte op de Areopagus: "… in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij." Als wij Hem HEERE noemen, zouden we ons dan niet passend voor Hem gedragen? Niet slaafs, maar met de liefde van ons hart. En… het heeft wat gekost dat we zó met Hem mogen wandelen over Zijn aardrijk richting Zijn heerlijkheid. Dat is nog eens doelbewust leven!

Deemoed

Het woord 'deemoed' bedoel ik positief, in de betekenis van 'ootmoed' en 'onderworpenheid'. Het valt mij zo op dat Izak verder geen vragen meer stelt, maar zich deemoedig aansluit bij zijn vader. In de tekst staat: "Zo gingen zij beiden tezamen".
'Zo', dat betekent zoveel als 'dus', een conclusie. Het antwoord van Abraham was afdoende, al bleef veel onduidelijk. Maar Izak kon met zijn vader de toekomst aan. Ligt daar geen waardevolle overeenkomst met het Avondmaal? Als wij geroepen worden om onszelf te verloochenen, ons kruis dus op te nemen achter Christus aan, dan zijn echt niet alle vragen opgelost. Maar dan mogen wij, meer nog dan Izak, zeker weten dat de uitkomst goed zal zijn. Dat kost inderdaad zelfverloochening. Je zult maar met grote levensvragen rondlopen en geen antwoorden weten.
Wat mag het Avondmaal dan bij uitstek een bezegeling, verzekering, zijn dat de HEERE echt niets uit de hand loopt. Hij weet raad en jij komt waar Hij je hebben wil. Waar? "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld." Herken je dat gebed uit Johannes 17? Wat een rijk gebed. En precies bij deze Heiland worden we aan tafel genodigd om nog eens ferm onderstreept te krijgen dat het écht waar is! Dat vervult mijn hart temeer met deemoed.

donderdag 14 juli 2016

Jozefs houding tegenover de Farao

"Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende: Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren."
Genesis 50 : 4-6

Mensen die God niet vrezen zijn nog niet per definitie onontvankelijk voor een vriendelijk, ootmoedig verzoek. Zelfs een wereldheerser als Farao, die zich als god liet vereren. Farao had achting voor Jozef en zag het voordeel dat hij van deze Joodse dienaar had. Daarom had hij hem ook zo'n hoge positie gegeven. Alleen blijkt vandaag dat Jozef duidelijk ónder Farao stond. Maar ook dat Farao welwillend was tegenover Jozef. We behandelen vandaag slechts een deel van het tekstgedeelte hierboven: Jozefs vraag via zijn dienstknechten aan Farao en Farao's akkoord op Jozefs verzoek om zijn vader te mogen begraven. Farao kende Jozefs vader wel; jaren geleden had Farao's voorganger hem ontmoet, toen Jozef hem zijn levensgeschiedenis vertelde en zijn vader aan Farao voorstelde.

Jozef stelt zijn vader Jacob aan Farao voor; gravure, 1864, Sir Edward Poynter (1836-1919)


Aanvankelijk dacht ik dat Jozef aan Farao mededeelde dat hij zijn vader ging begraven. Maar dat staat er niet. Jozef vroeg het netjes aan Farao. Dat is al opmerkelijk. Maar toen ik nog beter las, zag ik dat Jozef de vraag niet direct aan Farao stelde, doch via het hofpersoneel. Waarom? Tussen Jozef en Farao zat toch immers niets? Er was immers niemand zo belangrijk als Jozef in heel Egypte, op Farao na dan…

Een ootmoedig verzoek

Je zult maar slaaf zijn geweest en onderkoning zijn geworden. Menigeen zou daar bepaald hautain van worden. Je zult maar de belangrijkste in het hele land zijn, onder de koning. Menigeen zou met die macht niet altijd even fair omgaan. Hoe opmerkelijk is het dat Jozef – wanneer hij zijn vader wil begraven – niet een mededeling aan Farao doet, maar een nederige vraag stelt. Zijn ootmoedige houding past wel bij ons kinderbijbel-beeld van Jozef, maar de Bijbel laat soms wel zien dat Jozef ook best arrogant kon zijn. En soms was hij ook voor zijn broers best een irritante brave Hendrik.
Die fraaie veelkleurige mantel had hij echt niet hoeven aantrekken, toen hij zijn broers ging opzoeken… je snapt dat het hen al op afstand irriteerde, toen ze hem zagen aankomen. En dan die grootspraak over zijn dromen. Zijn moeder en vader temperden hem daarin een beetje, omdat ze ook wel zagen dat de naïeve onbevangenheid waarmee Jozef die dromen vertelde, kwaad bloed zette bij zijn halfbroers.
In het huis van Potifar en Potiféra heeft hij geleerd dat hij met zijn oprechte houding niet altijd vrienden maakte; hoewel het natuurlijk wel in hem te prijzen is dat hij trouw bleef aan de HEERE en bang was om te zondigen. In de gevangenis in Egypte heeft hij geleerd dat hij van genade moest leven. Hij werd door zijn betrouwbare levenshouding gewaardeerd door de cipier, maar hij moest ook leren om goodwill bij medegevangenen op te bouwen. En wat stelde de HEERE hem op de proef: het duurde lange tijd voordat de schenker weer aan Jozef dacht!
Nadat hij de dromen van Farao had uitgelegd, gaf hij God de eer. Zijn hele leven aan het hof is ook een verwerkingsproces geweest van zijn voorgaande leven; denk alleen al aan de namen die hij zijn oudste twee zonen gaf (zie vorige bijbelstudie). Gods kinderen zijn geen standaard heiligen. Ze hebben allemaal wel ergens scherpe kantjes zitten, die er gaandeweg het leven afgaan. En soms ook niet.
In de tekst van vandaag verraste mij het nederige verzoek van Jozef aan Farao. Hij kon bevelen wat hij wilde en kreeg alles gedaan. In zijn positie vloog al het personeel voor hem. Nog maar pas geleden, in de voorgaande verzen, gaf hij bevel aan de top-apothekers aan het hof van Farao (!) om zijn vader te balsemen en ze gingen direct voor hem aan de slag. Geen moeite werd gespaard. Echter, nu de begrafenis aanstaande is, meldt hij zich niet even af bij Farao, maar vraagt netjes goedkeuring om te vertrekken: "Als ik dan nu genade gevonden heb in uw ogen…" Hij wist dat hij genade had gevonden in hun ogen, maar hij verbond daar geen automatische consequenties aan. Weten dat je de gerespecteerde in de gemeente of onder je collega's bent, moet nooit tot gevolg hebben dat je maar zo je gang kunt gaan!

Een indirect verzoek

Er zit nog iets merkwaardigs in de tekst. We weten dat de farao's zich als god lieten vereren. Opmerkelijk is het dat deze Farao (wie hij ook was, daar zijn de geleerden nog steeds niet goed uit) zijn eigen dromen toch niet kon uitleggen en daarom dus helemaal geen god kon zijn. Je zou voor de aardigheid daarover eens een enorm interessante verhandeling moeten lezen die ik op internet vond. Wat je ervan vindt, vind je ervan, maar duidelijk is dat Jozef al heel wat jaren in Egypte is en inmiddels ook enkele Farao's heeft meegemaakt. Dat vergeten we vaak, doordat er constant 'Farao' wordt gezegd; dat is echter maar een titel. Hun namen verschilden. Hiervoor genoemd artikel pleit ervoor dat Jozef ten tijde van Amenhotep IV (alias Echnaton), de vader van de overbekende Toetanchamon (die van het beroemde gouden masker) leefde. Diens vader Amenhotep III was een machtig koning; tijdens diens leven werd Jozef op 17-jarige leeftijd naar Egypte verkocht (Gen. 37:2). Toen Jozef de dromen van Farao uitlegde en werd verhoogd was hij 30 jaar (Gen. 41: 46). En díe Farao was duidelijk niet in staat om goddelijk te zijn. Hij werd als minder capabel beschouwd en dat werd Echnaton ook. Hij was een monotheïst (iemand die alleen Aton als god wilde erkennen; hij liet alle meergodendomsuitingen verwijderen uit stèles en andere monumenten) en waarschijnlijk had hij daarom wel iets gemeen met Jozef. Die twee mochten elkaar wel. Maar vandaag lezen we dat Jozef indirect een vraag aan Farao stelt. Was die band op dat moment dan anders? De Kanttekeningen wijzen erop dat een rouwende niet zomaar bij Farao mocht komen. Dat is best een aardig argument, maar ik denk dat de relatie met de huidige Farao niet zo hecht was als die tussen Jozef en Echnaton. Inmiddels hebben we ook Toetanchamon (hij regeerde maar kort) gehad en is Eje de nieuwe Farao. Onder Toetanchamon (zijn naam werd veranderd van Toetanchaton in Toetanchamon) werd het meergodendom weer ingevoerd en werd Amon als oppergod weer 'uit de kast gehaald'.
Jozefs positie ten opzichte van de Farao was dus anders geworden. En dat lijkt mede een belangrijke reden waarom Jozef de vraag via het personeel (waaronder nog vertrouwelingen van Jozef werkten) stelt, om zo ingang bij Farao te vinden. Hij kon niet bogen op zijn positie, maar stelt zich – en dat is een goede eigenschap – als ootmoedig dienaar onder de regering van Farao Eje.

Een gehonoreerd verzoek

Later, na Jozefs dood zou er een Farao opstaan die Jozef niet had gekend. En dat zou direct desastreus voor het volk van Israël blijken te zijn. Echter Farao Eje wist nog prima wie Jozef was en honoreerde diens verzoek om te vertrekken. En dat moeten we toch positief duiden. Daniël is aan het einde van zijn leven ook niet meer op die positie als die hij had tijdens zijn actieve leven. Toch genoot hij nog achting. En zo was het met Jozef hier ook.
Jozef was aan het begin van de tweemaal zeven jaar (14 dus) 30 jaar. Er waren reeds twee hongerjaren voorbijgegaan toen zijn vader Jacob aan Farao werd voorgesteld. Jacob was toen 130 jaar. Volgens Genesis 47 : 28 leefde hij 17 jaar in Gosen en stierf op 147-jarige leeftijd; dus leefde hij 12 jaar na de hongersnood. Jozef was toen 30 + 14 + 12 = 56 jaar (net op de helft van zijn leven).

Hieronder een lijstje van toen actuele Farao's tijdens de 18e dynastie:

Farao Amenhotep III                                         1391-1353 vC.  'Amon is tevreden'
Farao Amenhotep IV (of Achnaton/Echnaton) 1353-1335 vC.  'Levende ziel van Aton'
Farao Smenkhare                                              1334-1333 vC.  'Krachtig is de Ziel van Re'
Farao Toetanchamon                                        1333-1323 vC.  'Levend evenbeeld van Amon'
Farao Eje                                                          1323-1319 vC.   betekenis onduidelijk

Je ziet dat geen der koningen (op Amenhotep III na) langer dan 18 jaar regeerde (dus langer dan Jozef onderkoning was). Als de stelling waar is dat Jozef tijdens de regering van Echnaton onderkoning werd (wiens zoon (!) Tutanchamon was; Smenkhare is een soort tussentijdse mederegent geweest) dan is het duidelijk dat Eje nog prima wist wie Jozef was. En ook een groot deel van het personeel aan het hof wist dat. Over Jozef – wat hen betreft – niets dan lof. Met dat positieve imago dat hij dankzij de zegen van de HEERE kreeg, verwierf hij ook de goodwill van de toenmalige Farao. De eed die Jozef aan zijn vader had gezworen, bleek voor Farao echt wel heilig, hoewel hij niet gelovig was aan de God van Jozef. We zullen komende keer verder ingaan op de belofte die Jozef aan zijn vader deed.
  1. Jozefs houding is veranderd door de jaren heen. Ootmoed kenmerkt hem meer en meer. Heb jij ook veranderingen in het leven Jozef herkend? En zie je die ook in je eigen leven?
  2. Farao dient de HEERE niet, maar een of meer afgoden; toch respecteert hij Jozefs levenshouding en waardeert hij de eed van Jozef aan Jacob hoog. Herken je dat in je eigen omgeving ook, onder niet-gelovigen of anders-gelovigen?
  3. Welk gevaar zit er in de bijzondere zegen van de HEERE, wanneer je succesvoller wordt dan je collega's of familieleden? Waar zitten jouw valkuilen?

woensdag 2 december 2015

Zijn we verlegen om een opwekking?

Ingaan tot de arbeid van anderen maakt ootmoedig en hoopvol.

"Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt;
anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan."
Johannes 4 : 38

Toch lijkt Jezus hier de dingen andersom te bedoelen dan wij ze gisteren bekeken: wie maaien en wie zaaien? De tekst van vandaag lijkt te zeggen dat al de profeten, Johannes en ook Jezus samenop hebben gearbeid (gezaaid) en dat nu de discipelen mogen gaan maaien. Aan hen dus het loon en met hen genieten en verheugen zich Jezus, Johannes en de profeten van het Oude Testament. Zo zou je het kort kunnen samenvatten.

Jezus stuurt weg om te maaien

In Mattheüs 6:26 wijst Jezus op de vogels: ze zaaien niet en maaien niet maar leven van genade en maken zich geen zorgen. Hun hemelse Vader zorgt voor hen. Het lijkt wel alsof maaien of zaaien er niet toe doen. Echter, dat is slechts zo in die context: geen te grote zorgen maken, want onze hemelse Vader zorgt.
Maaien en ook zaaien doet er wel degelijk toe in het Koninkrijk van God. Sterker nog: Jezus stuurt Zijn apostelen weg om te maaien. Hij doelt niet alleen op de uitzending van de zeventig, maar op de gehele toekomst. Ik las een aardige verklaring waarin indringend wordt opgemerkt dat de Heiland hier bedoelt: "Ik zal jullie uitzenden om te gaan maaien, waar je geen zware arbeid aan heb verricht". De Heiland heeft geen gemeenten gesticht, zelfs niet in Judea! Zijn apostelen zullen dat na Zijn dood gaan doen. En inderdaad… ze komen in Klein-Azië zelfs mensen tegen die nog niet van de Heilige Geest hebben gehoord, maar alleen van… de doop van Johannes! En op meerdere plaatsen, denk ook aan iemand als Lydia, komen ze mensen tegen, waar de Heilige Geest al werkzaam in was. Ze mogen maaien, handenvol! Een geestelijke opwekking van jawelste, ondanks de grimmige vervolgingen van satan.

Jezus wijst op het voorwerk

Om Zijn jongeren te bewaren voor hoogmoed wijst Jezus op het vele voorwerk, van eeuwen daarvoor al, dat is geschied. Hij zet ze op hun juiste plek en leer hen daarmee ootmoedig te zijn. Als Jezus spreekt over 'bearbeiden' en arbeid waar de discipelen toe zullen gaan, dan gebruikt Hij een woord dat betekent 'moe worden door inspanningen, lasten of verdriet'. De maaiers mogen uitgaan tot werk waar zij zelf niet moe van geworden zijn.
Soms hoor je van predikanten die ervaren dat ze op rotsen ploegen en jaren na hun vertrek komt er een opleving in de gemeente. Wat rijk als ze daarvan mogen horen. Dan blijven ze tobben over die gemeente, menend dat er niets van terecht is gekomen. Ze mogen opgewekt zien dat de HEERE doorgaat met Zijn werk.

Elke volksbekering komt ook niet op één dag; daar gaat soms een hele tijd aan vooraf van geestelijke armoede, oplopende honger en begeerte naar het Woord, dorst naar de Geest. Zijn we verlegen om een opwekking? Is er al voorwerk gedaan? Of behoren wij tot degenen die het voorwerk doen? In ons vorige huis heeft mijn vader uren en uren werk gehad aan het rachelwerk boven het plafond. Toen hij klaar was kwam een timmerman en legde in één morgen een prachtig strak plafond. Het was een mooi gezicht, dat strakke plafond, maar ik zag boven die gladde platen altijd de uren werk van mijn vader en was hem dankbaar. Door zijn werk kon het zo snel en zo strak gemaakt worden. Zo is het ook in het Koninkrijk van God. Het voorwerk is uiterst belangrijk. En dat voorwerk begint niet met een grote opwekking, maar heel klein in enkele mensenharten, gezinnen en geestelijke vriendschappen binnen de gemeente. Hoe staat het ermee? Wordt het al tijd voor een opwekking of is er nog veel biddend voorwerk te doen?

zaterdag 20 juni 2015

Vacht vertrouwen

En Gideon zeide tot God:
Indien Gij Israël door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt;
Zie, ik zal een wollen vlies op den vloer leggen;
indien er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de ganse aarde,
zo zal ik weten, dat Gij Israël door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt.
En het geschiedde alzo; want hij stond des anderen daags vroeg op, en drukte het vlies uit,
en hij wrong den dauw uit het vlies, een schaal vol waters.
En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke;
laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken;
er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw.
En God deed alzo in denzelven nacht;
want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.
Richteren 6 : 36-40

Gisteren zagen we dat Gideon om een teken vroeg, om zeker te weten dat het God Zelf was Die hem deze boodschap stuurde. Beschaamd was hij op de grond gevallen toen de engel het offer op de rots aanstak en verdween. Gideon was voldoende overtuigd, zou je denken. Voorafgaand aan onze dagtekst sprak God opnieuw en gaf een duidelijk bevel aan Gideon. Deze gehoorzaamd en trommelt strijdbare mannen bij elkaar. Gideon lijkt dapperheid en moed uit te stalen. Echter…


Opnieuw een teken

Het is niet van zelfsprekend blijkbaar dat God een opdracht geeft en dat Zijn dienstknechten blindelings aan de gang gaan. In een animatiefilmpje zag ik Gideon in zijn wijngaard lopen met een schapenvacht. Hij vertelde aan een meisje dat naast hem stond dat hij altijd weer twijfelde of hij wel de goede weg bewandelde. Dat zat in hem. Het was als het ware zijn karaktertrek. Gebrek aan vertrouwen? Of is dit een eigenschap die God als een doorn in je vlees kan laten om je ootmoedig en afhankelijk te houden? Aanvankelijk dacht ik dat het Gideon gewoon aan vertrouwen ontbrak, maar nu ik er meer over nadenk zou het toch best kunnen zijn dat God Zelf die zwakheid in Gideons vlees achterlaat om hem afhankelijk te houden. Dan snap ik ook waarom God niet op Gideon en wel op Zacharias boos werd.
Gideon spreek met de HEERE af dat het wollen fleece-kleed nat van de dauw zal worden en de omliggende aarde droog zal zijn. Hij zette direct hoog in, want als hij eerst andersom had gevraagd, had het vocht van de vette wol kunnen afdruipen op de grond, zodat hij niet zeker kon weten of zijn gebed was verhoord. Gideon begint bij het meest onmogelijke: het wollen fleece-kleed nat en de grond droog. Hij speelt op safe, zou je zeggen. En de HEERE toont hem zijn antwoord: ja! Ja, ik zal door jouw hand Israël verlossen.

En een tegengesteld teken

"Word alstUblieft niet boos, HEERE; maar sta mij toe dat U nog om een teken vraag." Gideon vraagt of, door het tegenovergestelde te laten gebeuren, de HEERE extra bevestigen wil dat Hij door Gideons hand de Israëlieten zal bevrijden. "Ontsteek toch niet in toorn…" Het is net als bij Abraham die pleit voor Lot in Sodom en maar door blijft vragen: "Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen aldaar dertig gevonden worden!"
In het filmpje zegt Gideon dat hij met dit dubbelteken van de vacht de bevestiging ontving die hem zekerheid gaf over Gods leiding en weg. Inderdaad komen we geen twijfel en vragen om tekenen meer tegen in Gideons geschiedenis. Al is het ook zo dat de HEERE nóg een teken zal geven in de nacht: de droom van de soldaat die een gerstenbrood van de berg zag afrollen.
Je vraagt je af of Gideon faalangst had. Of niet gewend aan leidinggevende posities. Deze geschiedenis laat zien dat de HEERE die zaken soms wegneemt en soms nog smeulend laat voortbestaan. Gideon wordt gebruikt in Gods plan. Voor hem was het belangrijk te weten dat de HEERE hem de overwinning zou geven. De HEERE zal zorgen dat Gideon niet op zichzelf zou kunnen bogen, door hem een zeer klein legertje te geven. Zo bleef de eer aan God.
Laat dat de les zijn voor ons, als we tot grote en verantwoordelijke taken worden geroepen – misschien wel iets boven onze macht of buiten het gewone werk om – dat we in alles God danken en Hem de eer geven. Met Hem zal het gaan, als Hij ons zendt. Aan Hem de glorie en eer als we onze taken mogen zien slagen. Dat houdt ons klein en maakt Hem groot. Dat maakt ons gaandeweg ook los van 'vacht-vertrouwen' en vestigt in ons meer en meer 'vast vertrouwen'.

vrijdag 19 juni 2015

Doe een teken mij ten goede

"Toen zag Gideon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gideon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht."
Richteren 6 : 22

Al die tijd had Gideon bijna platvloers gesproken tegen de Man die tegenover hem stond. Weliswaar ging er wel een lampje bij hem branden, toen hij merkte dat er iets bijzonders aan deze ontmoeting was. Dit was niet zomaar een man. Wellicht iemand met een dubbele agenda, die met een omweg opeens bij een totaal ongedacht doel wilde komen. Om zeker te weten dat het God Zelf is die tegen hem spreekt, gaat Gideon een offer brengen; een offer van voor hem kostbare artikelen: een geitenbokje een paar koeken. Immers het was oorlog en er was honger?

Zekerheid zoeken

De Man voor hem is voor Gideon – zoveel is wel duidelijk – een profeet. Maar van wie komt de boodschap van deze profeet? Gideon wil zeker weten dat deze boodschap het bevel van God Zelf is. Merkwaardig is dat Gideon om een teken vraagt. Wat zou dat teken zijn? Zowel de Bijbel als de Kanttekeningen gaan daar niet op in. De Kanttekeningen schrijven wel bij teken: "Om mij te verzekeren dat gij van God hiertoe gezonden zijt, opdat ik deze beroeping met een goede conscientie moge aannemen." Maar als we lezen wát Gideon dan gaat doen, lezen we niet meer dan dat hij een gastvrije welkomstmaaltijd gaat maken, zoals ook Abraham deed, toen de drie mannen bij hem op bezoek kwamen, een jaar voordat Izaäk werd geboren en kort voordat Sodom en Gomorra werden verwoest (Gen. 18). Ook bij de aankondiging van Simsons geboorte komen we een dergelijk snel bereid maal tegen (Richt. 13). Het wordt daar een 'offer' genoemd, dat zij aanbieden aan de Man, Die een bijzondere boodschap brengt.
Offer of maaltijd en teken staan naar mijn overtuiging los van elkaar. Deze maaltijd is een betoon van eerbied. Manoach zegt in Richteren 13: "Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden." Gideon kende deze geschiedenis nog niet, want hij leefde heel wat jaren eerder. het lijkt erop dat dit een bepaald gebruik was. Maar het teken, waar Gideon om vraagt, wordt niet nader uitgelegd. Ergens las ik dat Gideon wel vermoedde dat de HEERE hem deze opdracht gaf, maar dat hij iets aan Hem wilde teruggeven: een offer van koeken met saus en een gekookt bokje. Dat offer voldeed nog wel niet helemaal aan de voorschriften die God aan Mozes had gegeven, maar de HEERE zou hem daarover niet hard vallen. De daad van Gideon echter, om wat voor de HEERE te doen werd echter in dat wat ik las bekritiseerd.
Hoe het ook zij, Gideon offert en vraag een teken dat hij echter niet nader specificeert. Misschien dat hij gewoon 'een teken' vroeg: "Laat me maar ergens door zien dat u inderdaad door God gezonden bent." Niet wetend waar hij aan moest denken bij dat teken, gaat Gideon en bereidt het offer. Hij wil met de bevestiging door een teken, zekerheid krijgen over de vraag: is dit echt Gods weg? Ik snap hem heel goed. Als je voor belangrijke keuzes staat en niet weet wat je moet doen, dan is het zo belangrijk zeker te weten dat het de weg van de HEERE is. Je zou een teken willen, een aanwijzing bij het lezen van Gods Woord. En soms gebeurt dat ook. Maar soms blijft het stil of duurt het langer. Blijft echter op de HEERE wachten. Neem in die zin een voorbeeld aan Gideon, die doet wat zijn hand en hart vinden om te doen, maar tegelijk wacht hij met ingehouden spanning op het teken van God.

Ootmoed leren

Maar hoe groot is de schrik als hij niet alleen een teken ter bevestiging krijgt, maar hij daarmee ook iets anders gaat zien. Gideon krijgt een teken. In een flits verdwijnt het offer. God verteert het offer dat op een rots ligt. Wat een bijzondere lijn naar hét offer, Jezus Christus, Die op een rots werd geofferd! Nota bene is deze Engel Christus Zelf! Gideon had de dood verdiend, door zijn twijfelen aan Gods waarachtigheid; het offer wordt echter verteerd en niet hij. Je zou denken: dat is het teken, nu weet je het zeker.
Er komt echter niet alleen zekerheid, maar ook angst en ootmoed. Hij heeft God gezien en zal moeten sterven. Hoe zal hij God onder ogen kunnen komen? De God, Die hij zo even nog voor zich zag? Een verootmoedigende les voor ons!
Gideon valt op de grond en vernedert zich voor de HEERE. Een Engel des HEEREN zien is sterven. Want, wie immers zal God zien en leven? Ook dat ervaarden Manoach en zijn vrouw enkele hoofdstukken verderop. Bij Abraham evenwel lezen we daar niets over. God praatte met Abraham en vroeg Zich hardop af: "Zou Ik iets voor Mijn vriend Abraham verbergen?" Abraham deinsde niet terug om de HEERE herhaaldelijk te smeken voor Sodom en Lot. Geen angst dus, hoewel Abraham spreekt over stof en as.
De HEERE bemoedigt Gideon echter: "Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven!" Nee, want God had een opdracht voor Gideon; zou Hij hem dan wegmaaien door de dood? Nee, Gideon mag vrede, diepe vrede ervaren. Dat neemt niet weg dat het even later tóch tot een dubbele vraag komt om een teken. En opnieuw zeg ik: ik snap Gideon zo goed. Verschillende dingen kunnen op hun plaats vallen, maar toch zoek je naar bevestiging. Niet alleen óf het wel de weg van de HEERE is, maar ook of je die weg wel op de juiste manier gaat. Snap je dat? Ik geloof dat we in die zin om tekenen mogen vragen. Laat het niet uit twijfel voortkomen, maar uit ootmoed, wetend wie je bent; hoe gemakkelijk je dwaalt en eigen wegen inslaat, die lijken op Gods weg.
Zeker, we moeten staan naar volstandig wandelen. Resoluut en dapper, vastberaden in Gods kracht. Maar als er die moment zijn waarop we door de vele bomen van vraagtekens het bos van Gods zekerheid en trouw niet meer goed zien, houdt dan aan in de gebeden aan Gods troon der genade én houdt aan in het lezen…

Heer', wijs mij Uw weg
en leid mij als een kind
dat heel de levensweg
slechts in U richting vindt.
Als mij de moed ontbreekt
om door te gaan,
troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.


Heer', leer mij Uw weg,
die zuiver is en goed.
Uw woord is onderweg
als een lamp voor mijn voet.
Als mij het zicht ontbreekt,
het donker is,
leid mij dan op Uw weg, de weg die eeuwig is.
 

Heer', leer mij Uw wil
aanvaarden als een kind
dat blindelings en stil
U vertrouwt, vrede vindt.
Als mij de wil ontbreekt
Uw weg te gaan,
spreek door Uw Woord en
Geest mijn hart en leven aan.


Heer' toon mij Uw plan;
maak door uw Geest bekend
hoe ik U dienen kan
en waarheen U mij zendt.
Als ik de weg niet weet,
de hoop opgeef,
toon mij dat Christus heel
mijn weg gelopen heeft.

Tekst: Sela