Posts tonen met het label HEERE. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HEERE. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

maandag 4 juni 2018

Als God spreekt wordt het stil


Hoofdstuk 10

En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos. Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem, zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
Handelingen 7 : 30-32

Stefanus markeert de periode dat Mozes in Madiam (Midian) was als 40 jaar. Zowel in Exodus als in Handelingen blijft het die periode ademloos stil tussen Mozes en God. De Bijbel wijdt daar geen woorden aan, maar het is wel een aangrijpende werkelijkheid! Als God zwijgt, blijft het doodstil, maar als Hij spreekt komt er leven.

Niet vergeten
Toen het onlangs onweerde, was onze jongste bang. Ik legde uit dat de HEERE Zijn stem laat horen (zoals Psalm 29 zingt) en dat Hij Zijn grootheid laat merken. Maar het is niet direct de bedoeling dat je bang wordt. De HEERE wil dat we Hem niet vergeten. “Maar dan hoeft Hij me niet zo te laten schrikken! Ik denk heus wel aan Hem,” zei hij met verontwaardigde stem.
We vergeten God zo gemakkelijk, omdat Hij Zich niet in ons leven infiltreert. De normale dagelijkse omgang met Hem in het gebed, het zingen, het overdenken en vooral het Bijbellezen is de reguliere communicatie waarvan de HEERE Zich bedient. Als je geen gebruik maakt van Zijn normale middelen, is de kans groot dat je Hem niet hoort in je leven. En als Hij dan tóch van Zich laat horen, maakt dat diepe impact! Een donderslag bij heldere hemel, als het goed is. Je gaat merken – als je tenminste iets van het leven met Hem kent – wat je mist en je gaat verlangen naar Zijn merkbare aanwezigheid in je leven.
Hoe het bij Mozes precies was, vertelt de Bijbel ons niet. Mozes zelf zwijgt er ook over in Exodus. Hij vertelt alleen dat hij naar Midian vlucht en er zijn vrouw ontmoet. Ze is de dochter van een priester en later zal blijken dat deze priester ook iets met God heeft al blijft het raadselachtig wát dat dan precies is.

God hoort
Mozes en Zippora krijgen er twee zonen. De geboorte van de eerste wordt door Mozes zo beschreven: “en hij [Mozes] noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.” Je zou zeggen: een tamelijk egoïstische gang van zaken. Zippora wordt er niet in gemoeid; dit kind krijgt een naam die iets van Mozes zelf tot uitdrukking brengt. Mozes voelt zich hier duidelijk niet op zijn plek. Speelt hij een slachtofferrol? Het blijft vaag.
Pas in Exodus 18 vertelt Mozes meer over zijn kinderen, als zijn schoonvader hem bij de berg Sinaï bezoekt: “Zo nam Jethro, Mozes’ schoonvader, Zippora, Mozes’ huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had), met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land); en de naam des anderen was Eliëzer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao’s zwaard. Toen nu Jethro, Mozes’ schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had, zo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.”
Schreef Mozes eerst nog ‘Ik ben een vreemdeling geworden, later schreef hij dus ‘Ik ben een vreemdeling geweest. Die andere toonzetting vinden we ook in de naamgeving van zijn jongste zoon terug. Al is het niet duidelijk wanneer hij dit zo schreef: bij de geboorte of pas nadat hij uit Egypte is weggetrokken met het volk. Dus na de vervulling met de Heilige Geest Die hem vaardig maakte om naar de nieuwe Farao te gaan en hem te confronteren met zijn harde hart.
In ieder geval laat Mozes in zijn zoon Eliëzer iets zien (of horen) over God: Hij is mij tot Hulp geweest en heeft mij verlost. God heeft gehoord en heeft ongezien naar hem. En precies dat is ook aan de orde, ten opzichte van het volk. Als Mozes aan het einde van Exodus 2 schrijft over de geboorte en naamgeving van zijn zoon Gersom, staat er direct achteraan: God hoorde het klagen van Zijn volk, God dacht aan Zijn verbond en Hij kende Zijn volk!

God komt in actie
Hoe gaat God daar ‘handen en voeten’ aan geven? Gaat Hij met Zijn verderfengel naar beneden en doodt Hij het hele Egyptische volk, zoals Mozes deed met die slavendrijver? Mozes meende de Messias, de Verlosser, te zijn. Dus is zijn optreden ook het beeld dat mensen moeten krijgen van een Verlosser: grof geweld, de botte bijl, dood en verderf… uitroeien die hap!
Gaat God zo te werk? Achteraf gezien zou je misschien zo iets kunnen denken, als je de tiende plaag uit zijn verband rukt. Echter, daar ging een lange weg aan vooraf! Zijn optreden begint in de woestijn met een ontmoeting van de man die denkt te zijn uitgeschakeld, maar die God heeft uitgekozen om deze grote taak te gaan uitvoeren. Was Mozes dus de meest perfecte persoon om deze klus te klaren? Wat God onder de indruk van Mozes durf en kracht? Is Mozes de man naar Gods hart? God zegt er niets over maar zijn zwijgen hierover is veelzeggend!

Mozes’ sollicitatiegesprek
In het normale leven solliciteer je op een vacature en bied je jezelf aan. Je noemt je pluspunten en als het goed is ook je min- of leerpunten. En dan is het oordeel aan de man of vrouw achter de tafel of ze met je verder willen of niet. Maar soms wordt je uitgenodigd voor een gesprek over een ontstane vacature. En dat is er in dit deel van de preek van Stefanus aan de hand.
Mozes schreef in Exodus 2 dat de Farao (eigenlijk zijn pleegopa) stierf; deze Farao had hem willen doden, omdat hij zich misdragen had jegens een personeelslid van zijn organisatie.
Als je gevraagd wordt voor een gesprek kan het zijn dat je je vereerd voelt. Je denkt misschien wel: ze zien zeker iets in mij, waardoor ze een gesprek willen. Maar dat beeld gaat bij de geschiedenis van Mozes bij de brandende braamstruik finaal onderuit. Mozes wordt getriggerd door een brand in een struik. Niet zozeer dat zo’n brand vreemd was. Het is er smoorheet en droge dingen vatten makkelijk vlam. Maar hij zijn aandacht wordt getrokken doordat die brand niet snel uitgaat. De struik wordt niet verteerd door het vuur! Mozes kende het woestijnleven inmiddels heel goed. Dit opmerkelijke voorval kwamen niet overeen met zijn ervaringsdeskundigheid.
Hoe groot is de schrik, wanneer hij dichterbij komt en ontdekt dat dit geen gewoon vuur is. Het is de Engel des HEEREN, Die zich openbaart in deze struik. Vuur! Geen toevallig symbool!
De interesse die Mozes aanvankelijk had voor deze brandende struik, slaat om in angst. Hij valt bevend op de grond en durft niet langer naar de vlammen te kijken. De vraag die bij me bovenkwam is: werd Eliëzer na of vóór dit fenomeen geboren? Is dit het moment geworden waarop Mozes voor het eerst weer iets van God ervoer in zijn leven? Is deze ontmoeting met de Eeuwige voor Mozes een bekering geworden? Of is dit een vervolgfase in zijn leven met de God van zijn voorouders Abraham, Izak en Jacob? Mozes stamde uit Levi en elke Israëliet had weer andere roots, maar zij hadden allen drie gemeenschappelijke voorouders: Abraham, Izak en Israël (Jacob).

God spreekt
Mozes weet direct Wie hij voor zich heeft. Het is echter zeer merkwaardig wat we in het vervolg lezen, wanneer Mozes naar het volk moet gaan. In Exodus 3 : 13 lezen we: “Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?”
Dat is toch raar? Mozes wist direct Wie God was, toen Hij zei: “Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs.” Maar wanneer God tegen hem zegt: Jij moet naar je volk gaan en zeggen dat Ik je heb gestuurd, komt Mozes met die tegenwerping: maar ze zullen naar Uw Naam vragen; wat moet ik hen dan zeggen? Begrijp je waarom dit voor Mozes een probleem is?
Een nog interessantere vraag is: zou het volk echt naar Gods naam hebben gevraagd? Ze wisten toch wel Wie de HEERE was? Ze kenden Hem toch als de God van het verbond, de God van Abraham, Izak en Jacob? Kende Mozes zijn eigen volk wel? Hij had toch nooit een van zijn volksgenoten gesproken? Was het misschien omdat Mozes zelf in Egypte was opgegroeid met allerlei goden. Zat het probleem dus niet zozeer bij het volk, maar meer bij Mozes? Ik denk van wel.
Waarom? Kijk maar verder in het vierde hoofdstuk van Exodus. Mozes vertelt aan zijn schoonvader dat hij zijn ‘broeders’ wil gaan bezoeken in Egypte. Jethro laat zijn schoonzoon gaan en Mozes neemt zijn vrouw en zonen mee. Onderweg overnachten ze in een herberg. God komt hem daar ‘tegen’ en wilde hem doden. Dat had te maken met het feit dat Mozes zijn zonen niet had besneden. Mozes kwam in het nauw en zijn vrouw voert als enige vrouw in de geschiedenis de besnijdenis uit! Daarmee is God tevreden. Te meer opmerkelijk daar er hier sprake is van een ‘vrouw in het ambt’!
Later op de reis, komen ze bij de Berg van God, de Sinaï en daar wordt Mozes bevestigd in zijn roeping: Aäron komt hem daar tegemoet en ze omhelzen elkaar. Bedenk even dat Aäron zijn broer al tachtig jaar niet heeft gezien! Hij heeft zijn broer nooit bewust meegemaakt. Toch herkent hij hem. Dit zou er op wijzen dat hij Mozes heeft gekend als ‘die generaal in het leger van Egypte’. Dat moet het verhaal zijn geweest dat in de familie werd rondverteld. De broers herkennen elkaar ook door het werk van de Heilige Geest, Die herkenning creëert tussen broeders!

God kennen
Maar let dan op wat er gebeurt, als ze bij het volk komen en de oudsten (de voormannen of zo je wilt de ouderlingen) uitnodigen voor een vergadering. “En Aäron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks. En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israëls bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.”
Het volk lijkt hier direct te weten Wie de HEERE is. Daarover is geen discussie maar pure ootmoed en aanbidding. De onkunde zat dus echt bij Mozes. Hij had slechts een heel beperkte visie op de God van zijn voorvaderen, omdat hij de eerste veertig jaar van zijn leven geen enkel nader onderwijs over God had ontvangen. Ik vermoed dat zijn schoonvader hem meer heeft verteld over de HEERE. Het blijft een raadsel wie en wat Jethro precies was, maar Mozes moet het getroffen hebben met zijn schoonvader. En eigenlijk ook met diens dochter, zijn vrouw Zippora!
Ik had erbij willen zijn toen Mozes God persoonlijk ontmoette. Wat zal er precies door hem heen zijn gegaan? Hoe heeft de HEERE zijn hart geraakt. Het zou ook mijn hart hebben geraakt.
Die bevende houding van Mozes – ik vertelde dat ook aan onze jongste zoon – heeft Mozes ook leren nuanceren. Zeker, hij bleef diepe eerbied voor God houden. Maar er kwam jaren later ook het moment waarop hij de ‘brutale’ vraag aan God stelde: Toon mij nú Uw heerlijkheid!” Niet als een bevel, maar als een diepe wens om zo dicht mogelijk bij God te zijn. Hem in de ogen te kijken. Dat heeft Mozes ook leren vragen in zijn leven. Een hartelijk wens om intimiteit met de HEERE. Is dat niet bij uitstek een heerlijke wens in een voorbereidingsweek voor het Heilig Avondmaal? Maar is dat eigenlijk niet een wens die elke dag van ons leven zou moeten stempelen? Want dat moment gaat aanbreken! Dan wordt het echt stil. Dan zullen we Hem zien zoals Hij is! Dan kijkt Hij mij in de ogen, zonder dat ik mijn ogen hoef neer te slaan. Dan kijk ik Hem in de ogen en kijk in een zee van barmhartigheid en overweldigende liefde. Herken je dat?

woensdag 7 maart 2018

Jezelf in de nesten werken

De loyale van de royale - VIII

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij en zijn hart beefde zeer. En Saul vraagde den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten.
1 Samuël 28 : 5-6


Op een van de heuvels langs de vlakte van Jizreël staat een man. Hij kijkt uit over de vlakte, maar zijn blik reikt verder, naar Sunem, vlak onder Naïn in het stamgebied van Issaschar. De man is ver van huis. Hij heeft zijn legers vanuit Gibea ver naar het noorden getrokken, vanwege een grootse aanval van de Filistijnen, die meer langs de zeekant naar het noorden zijn getrokken. De Filistijnen hadden zich in Afek, vlakbij Joppe, verzameld. De verspieders van de man hadden niet alleen de troepenbeweging feilloos in kaart gebracht voor hem, maar ze hadden er ook nog een ontstellende ontdekking bij vermeld: David heeft zich met zijn leger gevoegd bij een van de Filistijnse koningen, Achis. Daarom herkennen we de man op de heuvel niet direct als Saul!
Het is een andere Saul die hier observeert. Of eigenlijk… hij kijkt uit op een enorme blinde muur. Waar zijn woeste kracht nog wel eens een overwinning afdwong op de Filistijnen, is hem nu alle moed in de schoenen gezonken? Vanwege de overmacht? Nee, die is niet heel veel groter dan in de voorgaande jaren. Vanwege het ontbreken van kundige legeraanvoerders? Ook dat is niet het probleem. Het eigenlijke probleem wordt verwoord in de tekst van vandaag: “De HEERE antwoordde hem niet.” En Saul had nog wel zo gebeden! Hij had de HEERE gevraagd hoe hij dit moest aanpakken. Maar het bleef stil.

Dat God zwijgt is voor Saul onheilspellend. En bijgelovig als hij is geworden, heeft dat enorm vat op hem. Wij zeggen misschien wel veel te gemakkelijk ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’, maar er zit wel een diepe van waarheid in, ook al wordt dat keihard ontkend. Elk mens zoekt zekerheid. Is het niet in God dan is het wel in de utopie dat Hij niet bestaat. Het probleem met Saul is echter dat hij voluit weet dat God bestaat en daar ook geen moment aan twijfelt. Maar God zwijgt tegen hem, omdat Saul niet naar Hem luistert. Die houding kun je met recht ‘in de nesten werken’ noemen. Zijn leven is één ondoordringbare kluwe van problemen geworden.

Maar er is nog iets dat Saul aan de rand van de waanzin brengt: daarginds, in de achterhoede van de Filistijnen bevindt zich David. En God is wel met David! Sauls verspieders hebben hem dat mogelijk met angst in het hart gemeld, maar het was essentiële informatie! Wat zij en dus ook Saul niet wisten is dat David zich ook de nesten had ­gewerkt, door zich bij Achis aan te sluiten. Hij wilde via zelfgekozen wegen de veiligheid van zijn groep waarborgen en zicht die opnieuw bij Achis. Deze stond op het punt om ten strijde te trekken tegen Israël en David wilde zijn betrouwbaarheid bewijzen; daarom zei hij met een grote mond dat hij met Achis wilde meetrekken. Even daar gelaten of hij daar een even dubbel plan mee had als Jonathan aan Sauls kant.

Toen de verschillende Filistijnse legers zich in Afek verzamelden, waren er weer een aantal die David herkenden. Het lijkt het verhaal van Petrus wel in de zaal van Kajafas! David gokte veel te hoog; maar de HEERE maakte dat de andere Filistijnse vorsten hem absoluut niet mee wilden hebben. Hij zou hen zo van achteren kunnen aanvallen als zijn vooraan in strijd waren met Saul en zijn leger. Nu was Davids leger niet zo groot als de duizenden der Filistijnen. Maar men hield wel rekening met Davids bijzondere kracht die hij van God had ontvangen! Moet je horen wat David veinst, wanneer Achis hem toch moet zeggen dat de anderen hem niet mee willen: “Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw ­aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer den koning?” Nota bene!
Of had hij mee willen vechten om Saul te kunnen beschermen? Hoe dan ook, Saul is doodsbenauwd voor de Filistijnen bij wie hij nog steeds David vermoedt. Zou Jonathan daar bij hem hebben gestaan? Nergens wordt zijn naam genoemd, maar er gebeuren een hele hoop dingen die iets met hem móeten hebben gedaan! Ook hij moet hebben geweten van Davids aanwezigheid daar ginds in het leger van de Filistijnen. Dat heeft hem wellicht met vreugde vervuld, maar toch…

En dan is daar dat moment dat Saul de wijk neemt tot het rijk van de duisternis. Als dan God zwijgt, dan zal hij kijken of de satan spreekt. Toen Samuël stierf had hij – uit krankzinnige angst voor het boven­natuurlijke – de waarzeggers en de duivelskunstenaars laten doden. Zo meende hij dat het rijk van satan ook het zwijgen werd opgelegd en zo kon hij vrij zijn gang gaan. Maar gek genoeg vraagt hij nu om een waarzegster. Waarom juist om een vrouw? En als hij die zo secuur had uitgeroeid, waarom vermoedde hij er dan toch nog eentje? Moet je indenken hoeveel risico zijn knechten liepen, toen zij hem antwoord gaven: “In Endor is er nog wel eentje”. Endor! Dat betekende dat hij met een boog om de legers van de Filistijnen moest, want Endor lag recht naar het noorden, vlak onder het Thaborgebergte. Ze moesten de zijtak van de Jordaan over en dan over het gebergte rechts van Sunem. Een niet ongevaarlijke tocht, maar het ‘lukt’.

We weten hoe het afliep. Daar ontmoette hij een spirituele simulatie van Samuël; Sauls wordt ondanks zijn vermomming herkend door de waarzegster, waarmee ze aantoont ‘betrouwbaar’ te zijn. Maar de boodschap is verpletterend. En ondanks al dat spirituele komt Saul niet tot verandering maar verhardt hij in zijn weg. Zou Jonathan hier ook bij zijn geweest? Ik vraag het me af. Wat een kluwe van losse eindjes is zijn leven geworden. Hij heeft zich in de nesten gewerkt.

woensdag 31 januari 2018

Vrienden voor het leven... en ver daar voorbij


De vriend van de gezalfde - II

Toen zeide Jónathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld. En die beiden gingen uit in het veld.
1 Samuël 20 : 11


Er volgen een aantal vreemde verzen, die wat merkwaardig op ons overkomen. Bijvoorbeeld dit vers. Waarom zegt Jonathan dit? David had een vraag gesteld, maar Jonathan lijkt die te ontwijken. “Ja, lekker! Hoe zal ik te weten komen dat je vader je wat dreigends als antwoord zal geven? Denk even na, Jonathan: je vader zal je beletten naar buiten te vluchten om het mij te verklappen! Nee, dat is geen complot­theorie, maar gewoon nuchter nadenken. Denk even na over de gevolgen en stel je plan bij!”
Jonathan geeft geen antwoord, maar trekt David aan zijn mouw. Even tussendoor: waar stonden ze op dát moment? Achter een schuurtje bij het paleis? Of in een donkere hoek van de paleisstal, met de deur op een kier, zodat David elk moment kon wegspurten? Geen idee, maar wellicht zo iets. Want nu stelt Jonathan voor om naar het veld te gaan. Het veld. Daar had David eerder verborgen gezeten, weet je nog? “…de plaats waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling…” (1 Sam. 20 : 19, met een verwijzing naar 1 Sam. 19 : 2).

Wat me ook opviel was die dubbeling: “Die beiden gingen uit…” Een tijd geleden maakte ik een bijbelstudie over Abraham en Izak die de berg opgingen voor het aanstaande offer: “en zij beiden gingen samen.” (Gen. 22). Het staat daar zelfs tweemaal in één hoofdstuk! Twee individuele geesten, die er geheel verschillend ‘in staan’, maar wel toelopen naar een moment van eenheid. Daar was het ‘beiden samen’, hier is het ‘die beiden’. Het lijkt een lading te hebben. Welke?
En dan het gegeven dat ze naar het veld gingen. Natuurlijk een bekende plek, die gemarkeerd wordt door een steen met de naam ‘Ezel’, waarover we laten nog verder zullen denken. Maar dat ‘in het veld gaan’ heeft ook iets geladens! In Genesis 4 zie ik eveneens twee mannen ‘in het veld’ gaan; met dodelijk afloop! Zal het niet door David zijn heengegaan? Mogelijk. Maar ook zie ik Izak in Genesis 24 in het veld: “…om te bidden in het veld.” En twee verzen verderop komt zijn toekomstige vrouw eraan en vraagt aan Eliëzer: “Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt?” ‘In het veld’ heeft iets intiems, maar altijd weer met een randje ‘verbond’ erbij. Daar komt het erop aan wat we doen met Gods verbond. Kaïn en Abel… Abraham en Izak… Izaäk en Rebekka… maar ook Jonathan en David.
Het veld. Ik houd ervan om over de velden buiten de stad het gewicht van de ruimte te ervaren. Het drukt als het ware op je en geeft je tegelijk een enorme vrijheid. Daar is er niets meer dat tussen jou en God in staat. Daar loop je voor Zijn aangezicht en ben je je bewust van Zijn blik op je. Hij weet het al lang, maar hij wil het van je horen. En rustig ook zonder woorden… maar open en eerlijk.

Terug naar Jonathan en David. Daar in het veld konden ze vrijuit spreken. Ik citeer even de Basisbijbel:
Toen vroeg David Jonatan: “Wie zal het me komen vertellen als je vader kwaad wordt?” 11 Jonatan antwoordde: “Kom mee naar buiten, het veld in.” Ze liepen samen het veld in. 12 Daar antwoordde Jonatan: “Ik zweer bij de Heer, de God van Israël: morgen of overmorgen zal ik rond deze tijd naar mijn vader gaan. Dan zal ik bij hem uitzoeken, hoe hij over je denkt. Als ik een goed bericht voor je heb, zal ik je een boodschap sturen en het je in het geheim laten weten. 13 De Heer mag mij straffen als ik me niet houd aan wat ik zeg. Als mijn vader van plan is je te doden, zal ik het je laten weten. Ik zal je laten gaan, zodat je veilig kan vertrekken. Ik wens je toe dat de Heer met je zal zijn, zoals Hij met mijn vader is geweest. 14 Ik weet dat jij met de Heer leeft. Daarom vertrouw ik er op dat je me niet zal doden als ik nog in leven ben als jij koning wordt. 15 En ook dat je goed zal zijn voor mijn kinderen wanneer de Heer al je vijanden heeft vernietigd.” 16 Toen sloot Jonatan een verbond met David en zei: “Ik hoop dat de Heer over je vijanden zal oordelen.” 17 En Jonatan liet David het opnieuw zweren. Want David was zijn allerbeste vriend en hij hield heel veel van hem.

“Als jij koning wordt…” Jonathan wist het! Had David het hem eerder toevertrouwd? Jonathan maakt gebruik van zijn verbond met David en vertrouwt erop dat hun vriendschap het gevreesde aanstaande dal kan doorstaan. Maar hij houdt er zelfs nog rekening mee dat hijzelf het niet zal overleven: “…als ik nog in leven ben…” Hij beveelt zelfs zijn kinderen aan de zorg van David aan. En dat aspect moeten we goed onthouden! Want David onthoudt dat ook goed!

Zie je de omslag in vertrouwen? David wilde zekerheid bij zijn vriend, maar nu vraagt die vriend juist zekerheid bij David. Die laatste zin is wel lief, maar erg zwak. De SV vertaalt het met: “…want hij had hem lief met de liefde zijner ziel.” Zielsverbondenheid. Dat gaat diep. Later (vers 23) zal Jonathan zeggen: “En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben, zie, de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid!” Ze hadden een eeuwige beloften aan elkaar gegeven en de nakoming van die belofte is voor Gods aangezicht genomen. Dus zijn ze er beiden aan gehouden. Maar zou het ook niet zo zijn dat de HEERE voor eeuwig ‘het cement’ van hun vriendschap zal zijn? Wauw! Dat is me een vriendschap voor het leven… en ver daar voorbij!

dinsdag 30 januari 2018

Twee vrienden en het verbond met de HEERE

De vriend van de gezalfde - I

Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood gij mij; waarom zoudt gij mij toch tot uw vader brengen?
Toen zeide Jónathan: Dat zij verre van u. Maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou ­overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?
1 Samuël 20 : 8 en 9



De twee zwagers staan bij elkaar. De spanning hangt in de lucht boven het paleis. Althans, dat voorvoelt David. Jonathan wil er eigenlijk niet aan… Daarom maken ze een plan en proberen zo helder te krijgen hoe (schoon)vader Saul erin staat. Tot die tijd houdt David zich schuil. Je vraagt je wel even af: waar is Michal? Hoe zal zij deze onzekere tijden hebben doorleefd? Heeft haar vader haar gevangen gezet? Saul zal haar namelijk later uithuwelijken aan “Palti, den zoon van Lais, die van Gallim was” (1 Sam. 25 : 44).

Het is opmerkelijk dat deze twee hartsvrienden toch enige ongelijkheid laten zien. David is weliswaar gezalfd door de HEERE, maar hij beschouwt zijn vriend en zwager nog steeds als de kroonprins. Hij wist immers niet wanneer en hoe de HEERE hem het koninkrijk zou geven?! David beseft ook zijn kwetsbare positie en de broosheid van hun vriendschap. Nou, broosheid… de vriendschap staat onder druk, omdat David vermoedt dat Jonathans vader kwalijke plannen smeedt!
Dat is een risico voor elk soort vriendschap. Je kunt kwalijke en ongrijpbare tactieken vermoeden, maar als je je vinger er niet op kunt leggen, moet je maar afwachten of anderen je geloven. Of anderen het ook zo zien. En zo niet, wat dan? Moet je anderen dan gaan overtuigen of houdt het gebod van God (“Gij zult geen vals getuigenis geven…”) dan toch in dat je er niets over communiceert, omdat je anders niet het ‘voordeel van die (kwaadwillende) ander’ bevordert?
Eigenbelang is een lastig ding. Het beïnvloedt heel snel je reine visie op de zaak en het beoogde doel: de lof aan de HEERE. Kijk, David had alle reden om Saul uit de weg te ruimen, omdat Saul anders hém uit de weg zou ruimen. David is niet zo naïef dat hij gewoon naar het paleis gaat en zegt: “Als de HEERE wil dat ik koning wordt, dan zal Hij me ook wel beschermen.” Je moet ook je verstand gebruiken. Maar hoe krijgt hij Jonathan zover dat die het probleem óók doorziet?

David beroept zich tegenover Jonathan op het verbond met de HEERE. Sterker nog, hij attendeert Jonathan erop dat díe hem in het verbond met de HEERE heeft betrokken: “…want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht…” Voor Gods aangezicht weet David zich begrepen, veilig en oprecht. Daarom durft hij ook te zeggen tegen Jonathan: “Als ik een misdaad op mijn geweten heb (en hij laat in het midden wáár die misdaad, die zonden, dan uit zouden bestaan), doodt me dan hier ter plekke! Maar breng me niet bij die onrechtvaardige rechter Saul.” David klampt zich hier aan zijn vriend vast, want hij weet dat díe weet dat David oprecht en onschuldig is.
Dat laat Jonathan dan ook snel weten: “Dat nooit! Ik jou doden? Nee, daarvoor ben je mij te dierbaar, vriend en zwager! Ik ken je goed genoeg om te weten dat jij niets hebt misdaan.” Helaas zegt Jonathan er nog niet bij dat het probleem dan dus bij zijn vader ligt. Hij hoopt er nog steeds op dat David het mis heeft. Is dat ‘lief’-zijn? Is dat ‘het voordeel van de twijfel geven’? Is dat ‘tot het uiterste gaan om iemand tot redelijkheid te bewegen’? Of is dat toch zwakheid en ongeloof?

Want wees nu eerlijk! Jonathan kende zijn vader nu toch wel zo onderhand? Al die feiten die we hier in de voorgaande hoofdstukken de revue hebben laten passeren heeft Jonathan toch ook meegemaakt en kunnen beoordelen? Jonathan heeft toch al lang zijn conclusies kunnen trekken? Waarom kijkt hij weg? Waarom toont hij zich zo afwachtend, zo weinig de held die hij in het begin was? Zijn vader werd behekst door een boze geest van God, maar is de kracht van de Heilige Geest misschien ook van hem verdwenen? Is het vuur weg en mist hij de kracht en overredingskracht die hoort bij het werk van de Geest?

Dat kan vandaag de dag nog steeds zo gaan. Je komt in een situatie te staan, waarin je dacht medestanders te hebben voor de zaak van Christus, maar opeens blijken die zogenaamde ‘mede­standers’ verdwenen. Ze deinzen terug voor de conclusie en de consequenties. Ze zeggen wel stellige dingen, maar brengen die niet tot uitvoer. Op dát moment spelen er dingen op de achtergrond mee die onzichtbaar maar wel voelbaar. Niet iedereen is blijkbaar in staat om karakter te tonen. Hoewel je daar rekening mee moet houden is het wel fnuikend.
Te weinig mensen hebben een eigen en goed onderbouwde mening. Te veel mensen laten zich leiden door wat ze zien, horen en voelen en maken dán hun afwegingen. Vooral het gevoel: “Het zal toch niet zo zijn dat…” of “Ik kan me niet voorstellen dat…” Het moge duidelijk zijn dat ons voorstellingsvermogen een zeer onbetrouwbaar object is. Hierin is David voor Jonathan wel een confronterend ­voorbeeld. David herinnert zijn maatje aan het verbond dat ze samen voor Gods aangezicht sloten. Maar ook daar gaat Jonathan niet op in. Hij laat zich leiden door aantoonbare feiten en voorvallen. Hij ontkent niet, maar hij beaamt ook niet. Hij richt zich niet op de HEERE, maar komt slechts met een plan de campagne: ik ga mijn vader op de proef stellen, zodat duidelijk zal worden wat zijn motief is. Maar diep van binnen blijft hij hopen dat David ongelijk heeft. Daarom maakt het David ook niet gerust!

zaterdag 23 december 2017

Waar is Jonathan nu?

De fan van de muzikant - IV

Toen Saul en het ganse Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich en vreesden zeer.
1 Samuël 17 : 11


Ook het verhaal van Goliath (hoe groot was die reus nou eigenlijk?) is een echt kinderbijbelverhaal. Toch zul je merken dat veel details uit de Bijbel geromantiseerd en anders geïnterpreteerd zijn in de kinder­verhalen.
Waar moet je deze geschiedenis plaatsen? Hoeveel tijd zat er tussen het vorige hoofdstuk en dit? Dat wordt niet erg duidelijk. Het zou zelfs kunnen zijn dat deze geschiedenis er ergens tussenin hoort. Hoe het ook zij: er is opnieuw oorlog met de Filistijnen en de beide legers staat in een patstelling bij het Eikendal.

Om die patstelling te doorbreken gaan de Filistijnen ‘spelen’ met de Israëlieten. Dat aspect is belangrijk in deze geschiedenis. Ze gaan een conferance opvoeren, een slapstick, waarmee zich zichzelf vermaken, de Israëlieten belachelijk maken. En ja, zoals dat in de conferancewereld ook vaak gaat, dan moet God er ook aan ­‘geloven’. Omdat zij zelf andersgelovig zijn en van dat geloof vast overtuigd (dankzij de vele overwinningen die ze hebben behaald), maken ze de God van Israël belachelijk.
Juist dát aspect is in deze geschiedenis de rode draad. En eerlijk gezegd maken de Israëlieten geen goede, standvastige indruk van het leven met de God van Abraham, Izak en Israël! Hun angstige houding is antireclame voor de Almachtige.

Als de Filistijnen nog slechts hadden gehoond met het volk Israël dan was het nog maar de vraag of God had ingegrepen. Maar nu wordt Zijn heilige naam getart en belachelijk gemaakt. Er wordt een beeld van Hem gegeven als van een ‘dode god’ of een ‘angstig wezen’ of van een ‘onmachtig godje’.
Nogmaals, ook hier komt de naam van Jonathan niet voor. Misschien dat je de vorige geschiedenissen wat vergezocht vond om er Jonathan bij te halen (hoewel daar toch wel goede redenen voor waren); echter, juist bij déze geschiedenis had ik toch wel de naam van ­Jonathan verwacht!

Het is geen nieuws dat het volk bang is. Zo lang Saul in beeld is leren we het volk al kennen als angsthazen, die liever wegkruipen dan moedig de confrontatie aangaan en de oorlogen des HEEREN wil gaan voeren. Niks geen ‘met mijn God dring ik door benden’ of ‘met mijn God spring ik over een muur’! Maar meer dan eens maakte Jonathan dan het verschil.
Dus: waar is hij nu? Is ook hij, met zijn wapendrager, bevangen door angst? Waar is de Jonathan die, door een twintigtal Filistijnen neer te sabelen, de hele menigte van het leger van de vijand op de vlucht sloeg? Als dan niemand durft, is daar opeens David. Was hij zo dapper, zo heldhaftig? Ja, dat was hij wel, maar we zagen in een vorig hoofdstuk dat hij gezalfd was en dat de Geest des HEERE vaardig over hem werd. Saul was weliswaar gezalfd, maar de Geest was van hem geweken, maar David was daadwerkelijk vervuld van de Heilige Geest!

We lezen het antwoord op de vraag uit het vorige hoofdstuk: “Wie moest er nu voor de schapen zorgen?”. Vers 15 zegt: “Doch David ging heen en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.” Dat plaatst deze geschiedenis wat meer naar voren óf het is inderdaad zo dat hij regelmatig aan het hof was, maar ook zijn werk als schaapherder in de woestijn bleef uitoefenen.

Hoor maar wat grote broer Eliab er in toorn uitgooit, als hij dat irritante broertje David zo verontwaardigt tegen de mensen in het kamp hoort ‘preken’: “Waarom zijt gij nu afgekomen en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen opdat gij den strijd zaagt.” Hé ­irritantje, ga liever op je eigen schaapjes passen en laat ons het grote werk maar doen. Vertel mij wat voor een buitenbeentje jij bent met je ammonitische roots. Je bent gewoon altijd druk bezig om ons een hak te zetten en het met je vrome gezicht altijd beter te doen. We horen er de wrevel in doorklinken van de broers van Jozef; en Isaï en Jacob zijn de ‘slechte’ vaders die hun zonen maar slecht in toom kunnen houden.

David antwoord zijn schamperende broer op kalme wijze: “Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?” Ik kom hier niet zomaar voor mijn eigen plezier! Onze vader heeft mij naar jullie toegestuurd. Dus…

Je kunt zeggen: Moet dat nou zo, broertjes? Maar die woordenwisseling heeft wel gevolgen: Saul krijgt te horen wat David hier zegt. En vanwege die woorden laat hij hem halen. Dat is wel vreemd… Saul kende David toch al? Of moeten we deze geschiedenis inderdaad toch iets eerder plaatsen dan het moment waarop David wordt ontboden aan het hof om harp te spelen?
Saul hoort het verhaal, dat de soldaat vertelt, aan en laat David bij zich roepen. David steekt meteen van wal. Hij heeft de defaitistische stemming geproefd en snapt er werkelijk niets van. Als je de HEERE vreest en dient, dan is die god-loze houding toch niet mogelijk? “En David zeide tot Saul: Geen mens ontvalle het hart om zijnentwil (Goliath). Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden” (vers 32).

Tot hiertoe even. Wij vragen ons af: Waar is Jonathan nu? David vroeg zich in alle ernst af: Maar waarom maken mijn broers hier geen einde aan? De werkelijke geestelijke strijd is soms wel een strijd tegen vlees en bloed. En teveel mensen schuwen die strijd omdat ze bang zijn hun onoprechte gezicht te verliezen. Doe er niet aan mee! Maar volg David, want het imago van God wordt aangetast. Daarom!

zaterdag 29 juli 2017

And in that Day

“In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.”
Johannes 14 : 20



And in that Day
(Isaiah 2, Micah 4, Philippians 2)

And in that day every knee shall bow
Every tongue confess that Christ is Lord
He has conquered death for evermore
And in that day all the earth shall see
All the world will know that Christ is King
He has conquered death and He is Lord

Earth shall hear His voice and feel His power
And His glory shall be seen in every land
For His Kingdom shall reach out to every nation
And our King of Kings
Shall reign over all the world.

And in that day Zion shall rejoice
For the Word of God shall be made known
All His Word goes from Jerusalem.
And in that day every tongue shall praise
All creation are to greet their King
Jesus Christ is risen and He is Lord.

Earth shall hear His voice and feel His power
And His glory shall be seen in every land
For His Kingdom shall reach out to every nation
And our King of Kings
Shall reign over all the world.
And our King of Kings
Shall reign over all the world.


Zie je ook zo uit naar die dag waarop Jezus alles zal rechtzetten wat wij mensen krom hebben gemaakt? De dag waarop Zijn gerechtigheid de aarde zal vervullen. Met als gevolg dat de schapen van de bokken zullen gescheiden worden. Dat wel. Maar in ieder geval dat Hij zichtbaar regeert en dat niets Zijn heerlijkheid meer zal verderven en verstoren!

Het verlangen naar die dag is weliswaar een geloofselement, een wezenlijk onderdeel van de leer die de kerk behoort uit te dragen. Predikanten behoren de mensen op te roepen zich voor te bereiden op die dag. En als het goed is leren zij de mensen die dag ook met een groot verlangen te verwachten. Want ja, als zij zelf die dag met vrees en beven tegemoet zien, dan moet je er niet gek van opkijken dat de gemeente dat ook gaat doen.
Maar, dan moet er wel wat positiefs te verwachten zijn. Want als je Jezus negeert in dit leven, zul je er toch alvast over na moeten denken hoe dat zal zijn als Hij plots voor je staat. Wat ga je dan zeggen? Waar is je grote, vrome of vuile, mond dan mee gevuld? Maar ik ga ervan uit dat je van de HEERE, God de Drieënige, met heel je hart houdt, en Hem elke dag wilt volgen. Nou, dan is er zeker wat te verwachten. Op die dag, of zoals Adrian Snell het zong vanuit de engelse vertaling: "And in that Day…"

Over welke dag gaat het?

De term 'op die dag' heeft altijd iets geladens in de Bijbel. Ergens sluimert daar onder die woorden het moment waarop God Zich zal bewijzen. God koos een dag uit, waarop Hij óf de mensen erachter liet komen dat er buiten Hem geen leven is (bijvoorbeeld het einde van Zijn geduld met Zijn ontrouwe verbondsvolk Israël), óf de dag waarop Hij de dingen in vervulling zou laten gaan, zodat er geen twijfel meer overbleef.
Die geladen term, raakte mij direct in de dagtekst. Sommige dagen zijn speciaal, voelen bijzonder, zoals mijn verjaardag vandaag. Ik houd niet van veel visite, maar innerlijk beleef je die dag wel anders dan de 364 voorgaande en ook de 364 volgenden. De dag kent een bepaalde lading die het midden houdt tussen dankbaarheid en kwetsbaarheid. En veel verjaardagsgekakel overstemt dat gevoel…
Maar als het gaat over de dag die God uitkiest om Zich speciaal te laten gelden, dan gaat dat verder dan alleen 'het voelt anders'. Dan gaan er werkelijk dingen gebeuren, die je als mens maar amper of zelfs niet kunt overzien. Als je bedenkt dat God een moment uitkoos om Zijn volk uit Egypte te verlossen, dan is dat moment het einde van Zijn geduld met Egypte, met de Mizraïm. Als je bedenkt dat God een speciaal moment uitkoos om Zijn verbondsvolk (!) juist in ballingschap te zenden, inclusief Daniël en Hadassah, omdat het Hem negeerde, dan huiver je. Wat zal zich dán ontketenen?
Maar over welke dag heeft Jezus het? Je zou denken: de Jongste Dag en ik denk dat die gedachte niet persé verkeerd is, maar daarover zometeen. Volgens de Kanttekeningen gaat het over het moment ná Zijn opstanding en hemelvaart. Al direct bij Zijn opstanding, hoe onwerkelijk ook, drong het tot de discipelen door hoe hecht en intiem de Vader en de Zoon zijn. Stapje voor stapje begonnen de stukjes op hun plaats te vallen. Maar het bleef nog beperkt. Dat 'op zijn plaats vallen' ging in een versneld tempo, toen de Heilige Geest was uitgezonden. Vandaar dat het ook zo nodig was voor hen dat Jezus heenging naar de Vader. Dan zou namelijk ook dat tweede aspect op z'n plaats vallen: "Gij in Mij, en Ik in u". Met de uitstorting van de Heilige Geest wás Hij ín hen.


De vreugde van die dag

Toch zal alles zijn heerlijke vervulling gaan krijgen als Jezus weerkomt. Dan pas zal God echt alles zijn én in allen. Dan is er de volmaakte harmonie, zoals die er tussen de Vader en de Zoon was en is. Want dan verdwijnt de twijfel, het onbegrip, de ongerechtigheid en de onrechtvaardige gedachten en interpretaties over God en Zijn daden.
Wat een vreugde moeten deze woorden Jezus juist hier hebben gegeven! Hij zit hier klem voor Zijn lijden en sterven! En Hij spreekt hier zo heerlijk van het moment van Zijn opstanding en verheerlijking bij de Vader! Als kwam er geen moment van "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Verlaten? Eenheid, intieme eenheid juist; daar spreekt Jezus met verve over!
En wat een verrukking moet Hem de Jongste Dag hier reeds verschaft hebben! Wat Hij nu ging doen, sterven voor de zonde, maar ook de opstanding en hemelvaart, zou op die dag (in thát day!) volmaakt op Zijn plaats vallen. Dan zal rijp en groen, bok en schaap, erkennen dat God toch gelijk had!

Dan zal alle knie zich voor Hem buigen. 
Dan zal elke tong (taal) belijden dat Hij Jezus, de Gezalfde Messias en HEERE is. 
Dan zal Hij de dood voor eeuwig overwinnen
(hoewel Hij dat al op Golgotha had gedaan) en verdrijven. 
En op die dag zal heel de aarde zien, en de hele wereld weten
(lees liever 'toegeven' of 'be-amen') dat Christus Koning is
en dat Hij écht overwonnen heeft de dood.
Er blijft maar één belijdenis over: Christus is HEERE! 

Die tekst had Adrian Snell ook niet van zichzelf… Hij citeerde volledig terecht Gods Eigen Woord (Jesaja 2, Micha 4, Filippenzen 2)! Wat ben je gezegend als jij dat ook doet. En reikhalzend uitziet naar díe Dag van Jezus!

maandag 17 april 2017

Plaatsvervangende schaamte

"Toen hief Abraham zijn ogen op en zag om; en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging en nam dien ram en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats."
Genesis 22 : 13



We spreken van 'plaatsvervangende schaamte' wanneer iemand anders zich zou moeten schamen, maar het niet doet. Wij generen ons dan voor zijn of haar gedrag en blozen soms zelfs. Wij schamen ons dan, in plaats van die betreffende persoon. Misschien nog wel het meest omdat die ander blijkbaar niet inziet dat híj of zíj zich had moeten schamen voor wat er gebeurde. Wat een merkwaardige reactie heeft de Schepper in ons innerlijk ingebouwd.

Eigenlijk kun je spreken na de zondeval van 'plaatsvervangende schaamte' bij God de Zoon, bij Jezus Christus, of, zoals Hij Zich in ons tekstgedeelte openbaart, de Engel des HEEREN. Wij mensen zondigden tegen God en braken met Hem in het Paradijs. En het lijkt wel alsof wij ons helemaal niet bewust zijn van de ernst van ons misdrijf! God de Zoon toonde zulk een diepe plaatsvervangende schaamte naar Zijn Vader toe, dat Hij ons de ogen opende met Zijn offer. En juist dit offer wordt al een beetje geschetst in deze geschiedenis. Wat kunnen we ervan ontdekken in dit vers?

De doornenkroon

Door de roep van de engel staakte Abraham zijn offeractiviteit. Of het de schrik is, of wellicht het gevoel van ongeloof "hoor ik het nou goed?", hij draait zich in ieder geval om, om te zien wie er achter hem staat. Waarschijnlijk werd, nog voor hij de engel zag, zijn blik getrokken naar iets dat aan het woelen was in het struikgewas. Gesnuif, gekraak en geschuur… een ram! De Kanttekeningen wijzen erop dat Abraham bijna direct begreep wat de bedoeling was. Ik kan me voorstellen dat hij het dier geknuffeld heeft… het was immers zijn ongedachte reddingsmiddel voor Izak!
Wat opvalt is de gedetailleerde beschrijving van de toestand, waarin hij de ram vond. Een ram, met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Als je gaat kijken wat die woorden betekenen, dan kun je 'verwarde struiken' vrij vertalen met 'gevlochten takken' en 'hoornen' kun je ook vertalen met 'stralen' of 'stralenkrans' die zich rond het hoofd van een heilige bevinden. Als het ware doemt het beeld van Jezus op, de Heilige met de gevlochten takken met doorns op Zijn hoofd. Zou hierin een heenwijzing naar die bewuste doornenkroon zitten? Opmerkelijk is het in ieder geval dat de details zo aan ons worden vermeld.

De plaatsvervanging

Ook is het wonderlijk, hoe die ram door de struiken werd klemgezet. Het heeft iets 'onvrijwilligs'. Ook deze ram was geen afdoend offer. Wel voor het moment, maar niet volkomen. God had toch net zo goed die ram kalm wachtend naast het altaar kunnen zetten? Die struiken, verwarde struiken, hebben daarom wel wat meer te zeggen, vermoed ik.
Maar… het allermeest springt in het oog dat deze ram voor dit moment plaatsvervangend is voor Izak. Ik lees in deze momenten niets over schaamte bij Abraham. Ook niets van deemoed of ootmoed. Eigenlijk lezen we alleen iets van Gods gedachten over Abrahams offer. Alles in ogenschouw nemend, zou je toch wel net zoveel schaamte verwachten, als Petrus toonde daar aan de Zee van Tiberias: "HEERE, Gij weet alle dingen… Gij weet dat ik U liefheb." Abraham zwijgt echter en handelt.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik, kijkend naar deze scene, plaatsvervangende schaamte ervaar. Als ik daar had moeten staan, zou ik het wel zover gehaald hebben, helemaal tot bovenop die berg? En als ik er had gestaan, vanwege welke schadepost tussen God en mijn ziel zou het dan geweest zijn, waarom Hij dit offer van mij zou vragen? En zou Zijn oordeel over mijn offer ook zo onomwonden positief hebben geklonken? Er doemt het beeld van tegengestelde plaatsvervangende schaamte op. Ik kan niet in de schaduw van Abraham staan.
Maar … die ram kan niet in de schaduw van het Lam staan. Het Lam dat nu zit aan 's Vaders rechterhand en tegelijk staat als geslacht. Het Lam regeert en zal Zijn almacht tonen. Daar was deze stoere, sterk gekruld gehoornde ram maar een kreupel paaslammetje bij. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood zou moeten ondergaan. Dat ik dat zo vaak zo onbewogen kan reciteren! Ik moet mij toch wel schamen, niet? Heb jij dat ook?

vrijdag 14 april 2017

Gods kinderbescherming

"Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen en doe hem niets; want nu weet Ik, dat gij godvrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden."
Genesis 22 : 12



Aan de rechterkant van kerkelijk Nederland wil men beweren dat de mens enkel geneigd is God en zijn/haar naaste te haten. Dat clichée mist zijn effect als men dat vertaalt met boze haat, in plaats van wat het eigenlijk is: God niet op de eerste plaats in je leven te zetten. Dus het is belangrijk dat we duidelijk taal in de kerk spreken anders mist de boodschap compleet zijn doel!

Haten is in onze tijd een té geladen en verkeerd te interpreteren begrip geworden. Als ik iemand haat, omdat hij een verwoestend, destructief gedrag vertoont in een gemeenschap of gezin, of denigrerend en kwetsend naar anderen is op onrechtmatige gronden, dan is mijn liefde compleet geluwd, zo niet uitgeblust. Met alle gevolgen van dien. Uit haat – denk aan geradicaliseerde haat – komt psychische of fysieke doodslag voort. Maar de haat waar ik het hier over wil hebben is het God niet Zijn plek in je leven gunnen, omdat je zelf dan aan de kant moet gaan. Dat is wat er hier speelde. Let maar op.

Abrahams kinderbescherming

God laat Zijn Zoon de naam van Abraham noemen. En Abraham is de persoon die per direct met alle zintuigen in zijn bestaan oplet. "Doe Izak geen kwaad met je offermes! Nu weet ik dat je Mij vreest." Huh? Abraham vreesde God toch wel? Hij werd zelfs een vriend van God genoemd; wie kan dat zeggen? Hij praatte veel met God en God vertelde soms zelfs wat Hij ging doen (denk aan de verwoesting van Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en bijna ook Zoar!). Met wie overlegt God nog meer zulk soort dingen? Nou, Mozes misschien en David… maar dan houdt het toch wel zo'n beetje op. En toch moet dit 'offer' het bewijs voor God worden dat Abraham godvrezend is? Dat woord staat bij ons als één geheel vertaald 'godvrezend', maar dat ziet er erg aards uit. Het moet eigenlijk zijn 'God vrezend'. Vrezen kán 'angst hebben voor' betekenen, maar hier heeft het de betekenis van 'eerbiedigen' of 'vereren'. Voor Abraham stond Izak boven God, zo blijkt tussen de regels door. Misschien als we het Abraham zouden hebben gevraagd, zou hij het niet hebben toegegeven. "Nee, natuurlijk niet. De HEERE is mijn deel, de belangrijkste in mijn leven. Wat zou ik zonder Hem moeten en kunnen?
Maar… Abraham had al een aantal keren laten zien (in Egypte en in Gerar bijvoorbeeld) dat hij niet helemaal blind op de HEERE vertrouwde en zijn eigen ratio toch een tikkeltje serieuzer nam dan Gods vaderlijke zorg voor hem. Daarmee nam hij ook de zorg voor de kwetsbare Izak (immers, Izak was de enige; juist dat woordje typeert zo de angstige kwetsbaarheid die Abraham ervaart als hij naar zijn zoon kijkt) buitenproportionele vormen aan. Maar nog meer gold dat voor de zorg die Abraham had voor zijn eigen leven. Als uit hem de Messias zou moeten worden geboren, dan moest hij ervoor zorgen dat hijzelf in leven bleef. Desnoods offerde hij Saraï op, maar niet zichzelf! Want dan kwam Gods plan in het gevaar.
En daarom stuurde de HEERE aan om Izak aan de totale kwetsbaarheid bloot te stellen, door Abraham bescherming uit te schakelen. Sterker nog: hij zou de doodsoorzaak voor Izak worden. Waar bleef die krampachtige hang naar zorgen nu? Abrahams kinderbescherming (in het licht van de komende Messias) leed schipbreuk en op een radicale manier ook!

Gods kinderbescherming

Hoe moet dat nu? Bijna keelde het mes zijn dierbare jongen, zijn lieveling. Maar… was Abraham dan de enige die van Izak hield? Of moest Izak ook leren meer verwachting te hebben van zijn hemelse Vader?
De woorden die de Engel des HEEREN gebruikt hebben een dubbele lading: "Doe hem niets". Hier openbaart God, zo lezen we in de Kanttekeningen, God Zijn plan. Hij wil iets leren over menselijke zorg en Goddelijke zorg. En Hij wil iets aan ons, eeuwen later, leren over wat er in Abrahams hart leefde. De HEERE stelt Abraham hier tegelijk dus tot een voorbeeld om na te volgen; niet om onze kinderen op te offeren, maar aan Hem toe te vertrouwen. En dat geldt voor allen die ons lief en dierbaar zijn. Ook als ze andere wegen gaan!
Het eerste is dat Abraham zijn zoon niet letterlijk gevaar moet berokkenen, door hem het mes op de keel te zetten. Maar psychisch en geestelijk berokkende hij zijn zoon ook kwaad, door hem boven God te stellen (hem meer zorg toe te vertrouwen dan God Zelf). Hier naderen we het scherpst van de snede, het spanningsveld tussen verantwoordelijkheid en vertrouwen dat in elke opvoeding weer een punt van zorg is.
God prijst Abraham in dit vers, dat hij duidelijk heeft laten zien (aan allen die de geschiedenis eens zullen horen en lezen) dat God op nummer 1 staat. De Kanttekening leggen een link met Psalm 139 en dat is een mooie lijn! Vers 23 van die psalm zingt: "Beproef mij en ken mijn gedachten." Ze me openlijk op de proef, zodat eruit komt wat erin zit: toewijding of niet. En vers 2 van die psalm belijdt: "Gij verstaat (begrijpt en ook ként) mijn gedachten van verre". Ja God weet het wel, maar als we door ons gedrag naar de mensen om ons heen vragen hebben opgeroepen, dan moet het openbaar worden onderstreept. "God weet wel hoe we dat bedoelen," zei eens iemand. Misschien, maar weten de omstanders, met name de ongelovige omstander dat dan ook? Of krijgen ze door ons wazige gedrag een merkwaardig verwrongen beeld van God? Dan wil de HEERE toch graag openlijke helderheid.

In die zin hoeven we niet bang te zijn, want Gods bescherming van Zijn kinderen is totaal en waterdicht. Daar kun je zeker van zijn. Misschien kost het je 'gezicht', maar nooit je ziel! Kijk maar, God neemt het direct voor Izak op en neemt hem in Zijn hoede. Er is werk aan de winkel voor Izak, die dit moment zijn leven lang niet zal hebben vergeten, maar… misschien toch wel even dit moment vergat, toen hij Ezau wilde zegenen vóór Jacob. En? Ontbrak het Jacob uiteindelijk aan bescherming? Lees dat prachtige gebed van Jacob in Genesis 32 : 9-13 maar eens, waarin hij zegt: "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!" Wat een vaderlijke zorg van de HEERE! Hem loopt niets uit de hand.

En hoe ingrijpend is deze tekst op een dag als vandaag (Goede Vrijdag) te gedenken dat God Zijn Zoon niet in bescherming nam, maar Hem overgaf in de dood. Om Abraham, Izak en ons te kunnen beschermen tot in eeuwigheid! Hij deed Hém al dat kwaad dat wij deden, om ons te zaligen en te beschermen tegen alle kwaad. Izak kun je misschien als een slachtoffer zien, maar Jezus niet. Luister hoe de Mattheüs Passion het bezingt:
Aus Liebe will mein Heiland sterben,
Von einer Sünde weiß er nichts.
Daß das ewige Verderben
Und die Strafe des Gerichts
Nicht auf meiner Seele bliebe.

donderdag 23 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Zij gingen beiden tezamen

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Vanaf nu doen ze er weer het zwijgen toe. De laatste klim is woordenloos, als ik de Bijbel letterlijk neem. Maar daarboven moet Abraham toch uit de doeken gaan doen hoe de gang van zaken zal zijn bij dit brandoffer. Hoe dat precies zit met God en dat 'voorzien in een lam'.


We lezen van Henoch dat hij wandelde met God. Hij en God waren als het ware een onafscheidelijk duo, al gaande over de aarde. Waar Henoch was, betrok hij God erbij en uiteindelijk liepen ze zo de hemel in, thuis bij God. En eigenlijk lees ik iets dergelijks ook over Abrahams wandel met de HEERE. God zei: "Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht"; dat klinkt nog afstandelijk, alsof Hij op een afstand toekijkt wat Abraham allemaal doet. Maar wanneer de HEERE Sodom en Gomorra wil verdoen, pleegt de HEERE vertrouwelijk overleg met Abraham: "Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft." (Gen. 18:17-19). God praat, zo schrijf een van de apostelen, met Abraham zoals een man met zijn vriend. Abraham wordt door een andere apostel dan ook 'een vriend van God' genoemd. Er zijn daandeweg dwarsverbindingen tussen God en Abraham ontstaan. En ik mag aannemen andersom ook. Want juist als die dwarsverbindingen er wederzijds zijn, gaat het goed. Maar als Abraham nalatig wordt, gaat het mis in zijn leven.

Dwarsverbindingen

Velen denken dat het gebed de dwarsverbindingen zijn in het leven van het geloof. Dat is niet onwaar, maar slechts een deel van de waarheid. Als het contact met de HEERE slechts uit vaste, dagelijkse gebedsmomenten bestaat, dan blijft ons leven een gatenkaas. Een gatenkaas aan mogelijkheden om de HEERE te vergeten. Te veel mensen, jongeren én ouderen, maken nog onderscheid tussen het geestelijk leven en het dagelijks aardse leven. Waarom niet een dag vol met dwarsverbindingen? Het Avondmaalsformulier spreekt over 'van nu voortaan… leven', maar dat betekent niet dat dat beperkt blijft tot de afgemeten geestelijke momenten. De praktijk van het leven moet doorspekt zijn met aandacht voor de HEERE; Hem erbij betrekken. Natuurlijk moet je je werk aandachtig en geconcentreerd doen. Maar waarom moet dat betekenen dat je dat niet communiceert met de HEERE? Ik merk zelf dat als daar de slof in komt, in alles de slof komt. Elke muur krijgt soliditeit door dwarsverbindingen. Hoeveel te meer de muur van het geloof.

Doelbewust

Abraham en Izak lopen niet maar wat doelloos over die berg te struinen. Ze gaan gericht hun weg en met dat einddoel is de HEERE ook verweven. Hij is de Reden waarom zij hier zijn. Is dat geen mooie lijn naar ons persoonlijk leven? God is de Reden waarom we hier zijn en – zoals Paulus het preekte op de Areopagus: "… in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij." Als wij Hem HEERE noemen, zouden we ons dan niet passend voor Hem gedragen? Niet slaafs, maar met de liefde van ons hart. En… het heeft wat gekost dat we zó met Hem mogen wandelen over Zijn aardrijk richting Zijn heerlijkheid. Dat is nog eens doelbewust leven!

Deemoed

Het woord 'deemoed' bedoel ik positief, in de betekenis van 'ootmoed' en 'onderworpenheid'. Het valt mij zo op dat Izak verder geen vragen meer stelt, maar zich deemoedig aansluit bij zijn vader. In de tekst staat: "Zo gingen zij beiden tezamen".
'Zo', dat betekent zoveel als 'dus', een conclusie. Het antwoord van Abraham was afdoende, al bleef veel onduidelijk. Maar Izak kon met zijn vader de toekomst aan. Ligt daar geen waardevolle overeenkomst met het Avondmaal? Als wij geroepen worden om onszelf te verloochenen, ons kruis dus op te nemen achter Christus aan, dan zijn echt niet alle vragen opgelost. Maar dan mogen wij, meer nog dan Izak, zeker weten dat de uitkomst goed zal zijn. Dat kost inderdaad zelfverloochening. Je zult maar met grote levensvragen rondlopen en geen antwoorden weten.
Wat mag het Avondmaal dan bij uitstek een bezegeling, verzekering, zijn dat de HEERE echt niets uit de hand loopt. Hij weet raad en jij komt waar Hij je hebben wil. Waar? "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld." Herken je dat gebed uit Johannes 17? Wat een rijk gebed. En precies bij deze Heiland worden we aan tafel genodigd om nog eens ferm onderstreept te krijgen dat het écht waar is! Dat vervult mijn hart temeer met deemoed.

maandag 27 februari 2017

Lijdenstijd 2017 - Zie, hier ben Ik

"En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!"
Genesis 22 : 1

In de geschiedenis van Izak en Abraham zien we iets oplichten van het offer van Jezus voor Zijn Vader en ons.


Morgen is het de eerste lijdenszondag. Graag wil ik me in de nieuwe stof hierbij bepalen. Ooit vertelde ouderling Verlek, die mij inwerkte in het kerkenraadswerk hier in Schoonhoven, over een goede vriend in Polen die hem een paar keer per jaar een briefje schreef en het elk jaar weer bijzonder vond om de lijdenstijd te beleven. Ik vond dat toen wat overgevoelig, maar ik ben dat toch steeds meer gaan waarderen. De MattheüsPassion heeft me daar erg bij geholpen.

Vanmiddag wees mijn neef Niels mij op de geschiedenis van Abraham en Izak. Een geschiedenis die in de evangeliën een duidelijk accent richting Jezus en de Vader heeft gekregen. Izak mag je zeker een type van Christus noemen. Maar het gesprek prikkelde me om juist in deze nieuwe lijdensweken te beginnen met deze geschiedenis. We zien wel hoe het gaat lopen. Ik hoop dat de stof en overdenking meewerkt aan een onvergetelijke 'Lijdenstijd2017', het voorportaal van Pasen2017.

God verzoekt Zijn vriend Abraham

De Kanttekeningen geven al direct de spanning aan, als ze aantekenen bij 'na deze dingen':
Nadat Abraham zovele beloften ontvangen had, ja, zelfs van de geboorte van den Messias, van welke er geen konden vervuld worden, zo Izak zonder zaad ware gestorven, zo heeft de Heere Abraham aldus willen beproeven, alsof Hij al de voorgemelde beloften had willen vernietigen.
Inderdaad, je zult van God maar een paar stevige beloften hebben ontvangen en het leven lijkt te liegen jegens die beloften! Sterker nog: God lijkt Zijn beloften niet serieus te nemen. Herken je dat misschien ook in je eigen leven? Dat je leven voor je gevoel totaal de verkeerde kant op lijkt te gaan en dat de dingen die gebeuren lijken te stuwen naar te belachelijkmaking van Gods betrouwbaarheid. Dat gaat diep.
Wij hebben ook het Nieuwe Testament. Daar stelt Jakobus: "Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand." (Jakobus 1:13) Hoe zit dat? Nou, deze tekst staat in de context van 'jezelf niet in verleiding brengen'. Let op wat je doet en ga dan niet zeggen dat God je verzoekt, want (dat staat er eigenlijk) God brengt niemand in zondige verleiding.
Dat is dus wat anders dan wat er in de dagtekst staat. God gaat hier het geloof van Abraham op de proef stellen. Misschien wel om eenzelfde reden – het staat er niet – als waarom Hij dat deed bij Job. Om satan uit te dagen en te laten zien dat het geloof dat Hij verwekt het heil van mensen beoogt en zelfs bestand is tegen satans moordenaarswerk. Maar ja… dat wist Abraham (en ook Job) allemaal niet. Abraham moest het enkel doen met het geopenbaarde woord.
En juist dát stelt de dingen zo enorm onder druk. God ging immers met Abraham om zoals een man met zijn vriend! En dat was wederzijds. Vriendschap is gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Maar hoeveel kan zo'n vriendschap eigenlijk hebben? God is – het is een zwak beeld – als de timmerman die het prachtige meubel dat Hij heeft gemaakt, test op het onachtzinnige gedrag van kleine kinderen en andere onvoorzichtige individuen. Maar vergeet daarbij niet dat het voor de geteste vriend wel spannend wordt.
Nog even over dat verzoeken; de Kanttekeningen schrijven hierbij:

God verzoekt de Zijnen als Hij een proef neemt van hun zwakheid of deugd, om door derzelver openbaring hen te vernederen, of te verheerlijken. Zie Deut. 8:2; 13:3. Richt. 2:22. 2 Kron. 32:31. Ps. 139:23, 24. Wat Abraham aangaat, God kende hem volkomenlijk, maar wilde zijn sterk geloof en ongeveinsde gehoorzaamheid op een bijzondere wijze, tot Zijn eer, mitsgaders ten beste van Abraham en Zijn ganse kerk, openbaren. Zie vss. 16, 17.
Ik kan begrijpen als je dit wat té geïnterpreteerd vindt; wat té theologisch 'juist'. Ja, God kende Abraham tot in diens nieren (zijn overleggingen, gevoelens en gedachten). Maar dat wat God bewoog om dit te doen, is slechts geopenbaard in vers 16, waar God stelt dat Abraham álles, zelfs zijn enigste zoon, niet onthield aan God. Abraham gehoorzaamde God onvoorwaardelijk.
Het is natuurlijk een prachtige gedachte dat dit 'tot Gods eer, mitsgaders ten beste van Abraham en (zelfs) Zijn ganse kerk' zou zijn. Maar waarom zwijgen de Kanttekenaren dan over die andere zoon van Abraham, Ismaël? Was Ismaël het bewijs dat Abraham God onvoorwaardelijk vertrouwde? Of was die zoon juist het bewijs dat Abraham graag wilde bijsturen? Of wat dacht je van die geschiedenis in Gerar met Abimelech (daar was nota bene Ismaël bij, terwijl hij zijn vader hoorde zeggen: "Nee hoor, ze is niet mijn vrouw, maar mijn zus!"). Abraham moest zijn betrouwbaarheid jegens Abimelech en Pichol later nog eens extra onderstrepen met een eed (blijkbaar vonden zij Abrahams 'ja' niet direct een echt 'ja').
Kijkend dus naar Ismaël en Abimelech begrijp ik wel een beetje waarom God niet doet alsof er niets is gebeurd; alsof de vriendschap geen krassen of barsten heeft opgelopen. Daarom begint onze tekst ook met "En het geschiedde na deze dingen". Denk je ook niet? Want je kunt de band tussen je medemensen wel weer goedmaken, maar daarmee is de band met de HEERE nog niet hersteld.

Abraham stelt zich beschikbaar aan God

Wat Abraham allemaal zal hebben vermoed vertelt de Bijbel ons niet. Ik kan het hooguit interpreteren of fantaseren. Ik kan doen als: "Wat zou ik doen of voelen?" Maar luister eens wat Abraham ons vertelt: "Zie, hier ben ik". Dat is van een geheel andere orde als "Riep U mij?" of "Joehoe, hier zit ik". De woorden dragen de lading: "Kijkt U maar, HEERE, ik ben bereid om alles te doen dat U van me vraagt." Terecht wordt verwezen naar de houding van Jozef en Samuël. Luisteren we nog een keer naar de Kanttekeningen:
Hebr. Zie ik, te weten ben hier. Een manier van spreken, dengenen eigen die geroepen zijnde, bereid zijn om aan te horen wat hun voorgehouden wordt. Zie vss. 7, 11. Insgelijks Gen. 27:1. 1 Sam. 3:4, 6, enz.
We gaan die woorden dus ook nog terughoren in vers 7, waar Izaäk zich zo gewillig aanbiedt; en in vers 11, waar Abrahams betraande ogen naar zijn lieveling Izak kijken, maar plots verrast oplichten als hij de stem van de engel hoort. Maar de woorden in onze tekst liggen dichterbij de woorden uit vers 7. Bereid en toegewijd zijn voor de HEERE. Jozef leerde het van zijn vader Jacob. Samuël leerde het van Eli en misschien ook wel van zijn moeder Hannah. Van wie leerde Abraham het? Zijn vader Terah was nu niet bepaald een voorbeeld voor hem geweest. Zou hij het niet van de HEERE Zelf hebben geleerd? Die nam hem nogal eens in vertrouwen; over Sodom en Gomorra, maar ook over de keuze van Lot en de toekomst van Abrahams nazaten; of over de vervulling van de belofte dat Abrahams nazaten talrijk zouden zijn als het zand aan de zee en de sterren aan Gods hemelboog.

Er moet iets in de toon van de HEERE hebben geklonken, toen Hij hem aansprak in onze tekst, waardoor Abrahams gemoed direct in de juiste houding kwam. Er sprak niet zomaar iemand, maar de HEERE, Die zo vriendschappelijk met hem, de onbetrouwbare Abraham, omging. Iets in de toon van Gods introductie moet Abraham tegelijk gerust en ongerust hebben gemaakt. Wat zei de HEERE, waarop Abraham kon zeggen: "Zie, hier ben ik"? We lezen die woorden niet in de Bijbel.
Ook Flavius Josephus (pagina 60) (en eigenlijk de Septuagintha) laat onbesproken wát God precies zei tegen Abraham. Maar ik noem hem toch, omdat in die lezing van Gods Woord iets wordt toegelicht over Abrahams houding tegenover God. Abraham zou namelijk ál zijn aandacht op Izak hebben gericht en God niet meer op de eerste plaats hebben staan in zijn leven. Zeker kan dat menselijke interpretatie van de zeventig en van Josephus zijn, maar vers 16 lijkt die gedachte wel te ondersteunen: "Nu weet Ik dat je zelfs je lieve zoon niet aan Mij onthoudt" ofwel "Nu weet ik dat je liefste zoon niet op Mijn eerste plaats in jouw leven staat".
Als God op dat moment tot hem gaat spreken, weet Abraham in één handomdraai: "God spreekt tot mij… hoe lang is het alweer geleden dat ík met Hém sprak?" Misschien herken je dat ook in je eigen leven? Hoe lang is het geleden dat je écht gesproken, onderhandeld, hebt met, de HEERE? Hoe zit het met de vriendschap tussen de HEERE en jou? Weet de HEERE – die weliswaar alwetend is – ook vanuit jouw daden en woorden dat Hij nog steeds op nummer 1 staat? "Zie, hier ben ik" zegt eigenlijk tegen de HEERE zoveel als: "Kijk maar HEERE, ik sta hier en U staat daar op nummer 1. En ziet U wel, er zit niets tussen U en mij in."
In die context hoor ik Jezus in de eeuwigheid zeggen met de woorden van Psalm 40: "Zie, hier ben Ik; Ik kom om Uw wil te doen, Vader." In die context hoor ik Jezus in Gethsémané tegen Zijn Vader zeggen: "Zie, hier ben Ik. Niet Mijn wil, maar Uw wil staat altijd op nummer 1." Wordt je daar niet heel erg stil van?

donderdag 12 februari 2015

Doorakkeren

"…en ga daar in, en zalf Hazaël ten koning over Syrië. Daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, den zoon van Safat, van Abel-mehola, zult gij tot profeet zalven in uw plaats. En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van het zwaard van Hazaël ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, dien zal Elisa doden."
1 Koningen 19 : 15b-17

Abel-Mehola lag tamelijk dicht bij Jizreël, waar Achab woonde!

Kun jij God 'narekenen'? Narekenen is achteraf uitpluizen wat God bewoog en hoe Hij het precies in scene zette om Zijn plan te bereiken. Nee, mijn verstandje is niet capabel om de onpeilbaar wijze God 'na te rekenen'. Ik geef toe dat ik het soms wel wil, om grip op de situatie te krijgen. Maar eveneens geef ik toe dat het me niet lukt en ik het in zekere zin ook maar gelukkig vind dat het me niet lukt. Narekenen… Ik doe wel iets anders achteraf (en straks voor eeuwig): God aanbidden voor Zijn wijsheid, barmhartigheid en lankmoedigheid dat hij zo'n springbok als ik weet te leiden langs Zijn pad. Ik vermoed dat ik op dit punt Elia een hand kan geven.

Bij God vandaan

Gisteren zagen we al dat de HEERE Elia gewoon laat uitpraten; niet in de reden valt en ook niet achteraf gaat corrigeren. Althans… Hij gaat niet in op Elia's wens om er een punt achter te zetten. De HEERE negeert eveneens Elia's statement dat hij de enig overgeblevene is. In plaats daarvan klinkt er een opdracht. Hoe zou het hebben geklonken, daar in de stilte van de Horeb? Welke klank zou Gods stem hebben gehad? Ik vermoed dat de toon warm, begripvol en tegelijk resoluut moet zijn geweest.
God stuurt Elia bij Hem vandaan. Er zijn predikanten die het 'bij God vandaan' als cliché gebruiken. Het kan nergens vandaan komen dan bij God vandaan. Ik weet het niet zeker, maar volgens mij staat die term niet in de Bijbel. Ik vind de klank van die woorden altijd wat bezwerend en kil klinken, alsof God iets geeft dat bij Hem vandaan houdt. Het is de krampachtige bezwering van de dwaling dat wij zouden denken dat ergens uit een vergeten hoekje toch nog iets van ons vandaan moet komen. Ik ervaar het gebruik van bezwerende en rechtzinnige clichées vooral als een remonstrantse kramp om God te bewegen tot een aai over onze gereformeerde bol. Houd je verre van dat soort dingen. Mensen zullen het wel niet zo bedoelen, echter ik heb nu eenmaal een hekel aan clichées, zeker als die degelijk moeten klinken, maar buitenbijbels zijn!
Niettemin zijn er situaties waarin mensen daadwerkelijk bij God vandaan worden gestuurd. Ik denk aan Adam en Eva die worden weggestuurd. En ook Kaïn, evenals Ezau worden min of meer weggestuurd (zij het met een tijdelijk zegen). Elia wordt hier ook weggezonden; bij God vandaan. En let er dan eens op wat de HEERE als opdracht uitspreek!

Onder Gods oordeel

God gaat, zo zei ik daarnet, niet in gesprek met Elia. De opdracht die Hij heeft is het antwoord op Elia's wens om met zijn werk te stoppen. "Nee Elia, je taak zit er nog niet op," corrigeert de HEERE in liefde. "Je gaat krijgt drie nieuwe opdrachten, die zalvingen. De eerste zalving betreft Hazaël; hij wordt koning over Aram (of Syrië). De tweede zalving betreft een koning dichterbij: Jehu, de zoon van Nimsi; hij wordt koning over Israël. De derde zalving betreft Elia, de zoon van Safat; hij wordt profeet."
God licht hier een tipje van de sluier over de toekomst op. Hazaël zal zijn vader, de machtige koning van Aram, door een staatsgreep opvolgen. Hij zal het instrument zijn om Gods oordeel over Israël over Achab en diens zoon Joram uit te voeren: oordeel 1. Vervolgens zal het gehele huis van Achab worden uitgeroeid (zoals hij en zijn vrouw Izébel met Gods profeten wilde doen) door een tweede staatsgreep: de van Jehu: oordeel 2. Het laatste oordeel zal door Elia's opvolger Elisa worden voltrokken. Vers 17 is een soort Babuska van oordelen, waarbij het ene vangnet nog nauwer zal worden aangetrokken dan het voorgaande.
"Elia, ben jij op de vlucht voor Achab en Izébel? Hier volgt mijn oordeelsplan: een drievoudige slag over Israël, waarbij Achab en Izébel zullen ervaren dat wie Gods oogappel aanraak, God zelf aanraakt en in beweging doet komen!"

In Gods weg

Nu zou je door een gevoel van wraak kunnen worden getroost: Ha, wie het laatst lacht, lacht het best. Maar niets is minder waar. Elia gaat wel op weg, maar gek genoeg lezen we niet dat hij dit plan geheel zelf gaat uitvoeren. Hij gaat op weg om de derde persoon te zalven: Elisa uit Abel-Mehola (dansvloer van Abel). "Elia, je taak zit er niet op, maar ik vertel je alvast wie je opvolger zal worden: Elisa. Je was toch nog de enige die was overgebleven? Wel, in het stamgebied van Manasse tref je het bewijs aan dat jouw visie tekort schiet en te klein denkt." Wat een troost moet dat voor Elia zijn geweest! Wat is zijn vertrek vanaf Horeb een stuk heerlijker dan zijn komst ernaartoe! Hij is misschien wel een een loden last in zijn schoenen naar de Horeb gegaan, maar nu mag hij op adelaarsvleugels richting Manasse vertrekken. Nota bene tamelijk dicht bij Jizreël! Terug naar het hol van de leeuw… daar ligt de sleutel voor 'hoe het nu verder moet'.
En die andere twee opdrachten? Die heeft Elia nooit meer uitgevoerd. Zijn opvolger Elisa krijgt een ontmoeting met Hazaël (zijn naam betekent in het hebreeuws 'God heeft het gezien') in 2 Koningen 8; daar lezen we ook van de staatsgreep die Hazaël pleegt. En een hoofdstuk verder lezen we van de knecht die Elisa eropuit stuurt om Jehu te zalven. Ook hij zal middels een staatsgreep aan de macht komen. Beiden worden wel ingeschakeld in Gods plan, maar bewandelen geestelijk gezien Gods weg niet! Dat loopt dan ook dramatisch af. Het oordeel middels Hazaël en Jehu wordt nog wat opgeschort, want de HEERE betoont in het uitspreken van het oordeel nog enkele jaren lankmoedigheid! Elia daarentegen mag in Gods weg gaan, nieuwe kracht ontvangen en… doorakkeren.


'Doorakkeren'. Nergens kan men goed aangeven wat het woord betekent. Het is een verwoede ijver om een taaie klus tot een goed einde te brengen. Ik hoor er de klank van een weerbarstige akker in die moet worden geploegd. En dat woord roept associaties op met Elia's werk: werk op Gods akker. Elia wilde er het bijltje (of de ploeg) bij neerleggen, maar nu mag hij zijn opvolger gaan zalven, die… juist aan het ploegen is! Hij krijgt de kracht om 'door te akkeren'. Christenen hebben een lange adem. Eerlijk gezegd faal ik daar nog weleens in! Jij ook? Bid om kracht, om staande te blijven. Want die volhard, díe overwint!


Psalm 63 vers 3, 4 en 5

Dan zou ik, voor Uw Godd'lijk oog,
Uw deugden al mijn leven prijzen,
En in Uw naam mijn zang doen rijzen,
Mijn handen heffen naar omhoog.
 
Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen,
Verzadigd, als met vet en smeer;
Mijn mond zou U vol vreugd, o HEER,
Verheffen in zijn lofgezangen. 


Wanneer ik, op mijn legersteê,
Aan U gedenk in stille nachten,
Dan peinst mijn ziel met al haar krachten,
Hoe Gij voorheen in angst en wee,
Als mij de vijand wild' omringen,
Mij vaardig zijt ter hulp geweest;
Dies zal ik nu ook, onbevreesd,
In schaduw van Uw vleug'len zingen. 


Mijn ziel kleeft U standvastig aan;
Gij ondersteunt mijn zwakke schreden;
Uw rechterhand, vol mogendheden,
Doet mij getroost en veilig gaan.

Maar dezen, die mijn ziel begeren,
Opdat ik tot verwoesting raak',
Staan bloot voor Uw geduchte wraak;
Zij zullen haast ten afgrond keren.

zaterdag 7 februari 2015

Hoe zal ik überhaupt verschijnen voor God?

"En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk."
1 Koningen 19 : 13a


Zijn we nog wel voldoende doordrongen van Gods heiligheid? En zo ja, is ons leven dan ook een heilig leven?


Hoe zul je God kunnen ontmoeten, als zondaar? Ik hoop dat je aanvoelt dat dat niet zomaar gaat. De joden hadden daarvoor een heel duidelijk illustratie in de tabernakel en de tempel: het voorhangsel, dat dikke gordijn dat scheiding maakte tussen God en zondaren. Zelfs geheiligde priester moesten afstand bewaren; enkel de hogepriester, nadat hij zich gereinigd en geheiligd had, mocht eenmaal per jaar in het Heilige der Heilge komen. Heb ik het mis, dat we dat best wel kwijt zijn in onze cultuur en tijd? Sterven is God ontmoeten, maar we stellen het toch niet tot dát moment uit om Hem onder ogen te komen?

Onderwonden

Toen Abraham sprak met de drie 'mannen' die bij hem op bezoek kwamen, onderweg naar Sodom en Gomorra, gebruikte hij een merkwaardig woord: "Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben" (Genesis 18 : 27 en 31). Dat woord komt slechts in Handelingen 19 nog een keer voor, waar duivelbezweerders de Naam van Jezus gebruiken, zonder er in te geloven.
Dat woord 'onderwonden' intrigeerde me vroeger al. Ik zag het heel concreet voor me, dat Abraham een doek om zijn onderlichaam wond, uit diepe eerbied voor de heilige God. Tot ik leerde dat het woord iets totaal ander betekende: ondernemen of aandurven, zo je wilt lef tonen, maar wat Abraham betreft wél met eerbied gemengd. Hij had het aangedurfd om met de HEERE te spreken. En dat liet God toe.
We lezen niet dat Abraham op de aarde viel en zijn gezicht bedekte voor de Heilige God. Hij keek met eerbied de twee engelen na en zag de HEERE naar de hemel terugkeren. Na verloop van tijd keerde hij zich om en liep terug naar zijn tent, bij Sara. Nergens een uiting van verbijstering of angst. Hij had gesproken met God en God sprak met hem als een man met zijn vriend. Wonderlijk toch?

Onomwonden

Toen Mozes veertig dagen en veertig nachten bij God op de berg Horeb was geweest, keerde hij terug tot het volk. Die bedekten hun gezicht, want het gezicht van Mozes was oogverblindend. Het schitterde: "Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken" (Exodus 34:35).
Mozes had het zelf niet door, maar merkte het uit de reactie van het volk. Dat was een aantal jaren geleden wel anders. Toen was God al aan Mozes verschenen bij de braambos. We lezen in Exodus 3 : 6 "Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien."
Het deksel, of de sluier (staat er eigenlijk in de grondtekst) waarmee Mozes zijn gezicht omwond, maakte dat het volk weer durfde te naderen en te luisteren. Blijkbaar moet God Zich wel gedeeltelijk verbergen, om met ons te communiceren. Wel eens goed om over na te denken. Als Hij alles zou tonen van Zijn heerlijkheid, zouden we verteren. Dat vertelde Hij ook aan Mozes, die Gods aangezicht wilde zien (in Exodus 33:20): "Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven." Toch – en daar heb je dat 'onderwinden' weer – durfde Mozes te vragen om Gods aangezicht te zien. Hij begeerde dicht bij de HEERE te zijn. Hij verlangde naar de dag dat het deksel weggenomen zal worden, de scheiding tussen de heilige God en de onheilige mens opgeheven. Ken je dat verlangen? Naar de onomwondenheid?


Om Zijn wonden

Mozes werd door de HEERE in Exodus 33 veiligheidshalve in een kloof van een steenrots gezet, toen Hij voorbijtrok. Elia is op dezelfde plek! In eenzelfde situatie, hoewel zijn begeerten toch anders getoonzet waren dan die van Mozes! Daarom valt Elia nu ook op de grond en wind zijn mantel om zijn gezicht. Zelfs met zijn ogen dicht is de gloed te intens om aan te kunnen. Hoe zou je überhaupt voor God kunnen verschijnen? Die mantel was niet afdoende. Naast dat ze zonden weg moesten tussen Elia en de HEERE, was er nog iets nodig. Er moet nog steeds iets bedekt worden om Gods heerlijkheid te kunnen verdragen, zonder te sterven. Waarmee moet je dan bedekken?
We kunnen God enkel onder ogen komen, doordat onze onheiligheid omwonden, verborgen en verzoend, is door Christus' offer en wonden. Enkel 'in Christus' kan God ons aanzien. En dan niet zo, als menig mens zou reageren: "Nou, okee dan." Maar van harte, volkomen, zonder enige reserve. Anders zou het offer van Christus maar nauwelijks, of net niet, voldoende zijn! Weet je hoe kostbaar Jezus' wonden zijn? Ze zijn je paspoort…


Vind je ook dat we te weinig rekenen met Gods heiligheid? Of ervaar je juist dat het in jouw kerk/gemeente teveel die kant op hangt en dat er dus te weinig aandacht is voor de volkomen verzoening die in Christus is; de verzoening, waardoor wij vrijmoedigheid mogen opvatten om tot de troon der genade te gaan, dagelijks? Zie je hoe belangrijk een evenwichtige preek en een evenwichtig zicht op de HEERE nodig is. Check daarom je bibliotheek, digitaal en papier, of daar de juiste balans in zit. Check wat je hoort, zegt en ervaart. De juiste balans is van levensbelang voor jezelf en voor anderen. Hoe zul je anderen in balans kunnen brengen, als je zelf in onbalans leeft?


Psalm 32 vers 1, 4 en 6

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.
Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren,
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
En die in't vroom en ongeveinsd gemoed,
Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt.


Gij zijt mij, HEER, ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
G' Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar't recht doen hand'len,
En wijzen u den weg dien gij zult wand'len;
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.


Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,
Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd,
Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.