Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen

dinsdag 6 februari 2018

De emoties lopen hoog op

De vriend van de gezalfde - VI

Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde en hij viel op zijn aangezicht ter aarde en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander en weenden met elkander, totdat het David gans veel maakte.
1 Samuël 20 : 41


In de vorige Bijbelstudie zagen we dat degene zonder Gods belofte aan het hof bleef en dat degenen mét Gods belofte juist zal moeten weggaan. Je zou toch zeggen: ik heb Gods belofte gekregen dus wat kan me gebeuren? Het is juist Jonathan die het gevaar liep om in de plaats van David te worden gedood. En juist híj blijft! Hoe kan dat? Dat zegt iets over het onverzettelijk karakter van Jonathan. Maar ook iets over zijn rotsvaste geloof dat ook daar de HEERE zijn leven in handen houdt. Ook hij kon met zijn God over de muur van Sauls moord­dadigheid springen. Maar als Gods weg niet óver die muur zal gaan, maar juist dóór die muur, dan is het voor hem ook goed. Daarom zullen we hem de komende keer, in het volgende vers, ook zo ­nadrukkelijk horen spreken met David over zijn kinderen. Hij beveelt ze in de handen van de man naar Gods hart.

Dat betekent overigens niet dat dat zonder emoties gaat. De situatie wordt zelfs hyper-emotioneel. En daar is alle ruimte voor. Vriendschap, zelfs onder Gods kinderen, is niet iets rationeels, maar het raakt je hart. Al eerder zagen we dat de harten van Jonathan en van David zich met elkaar verbonden. Ze zijn als het ware één met elkaar. Het benadert de band van het huwelijk. Daarom zijn er sommigen die op een dwangmatige manier deze twee mensen naar voren willen schuiven als boegbeelden van de homo-beweging. We zullen te zijner tijd nog zien dat David die band met Jonathan zelfs omschrijft als “uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.” Daar zullen we op dát moment dieper op ingaan.

Voor nu gaat het in de dagtekst om de emotionele kant van hun vriendschap. Jacques Herb zong in 1972 een aanvechtbaar refreintje:
Maar een man mag niet huilen
ook al heeft hij verdriet.
Een man mag niet huilen
als een ander het ziet.
Hij moet alles vergeten
en zich nooit laten gaan!
Nee, een man mag niet huilen,
zelfs geen enkele traan.
Wie maakte de emoties? Zijn die van na de zondeval? Of schiep God de man en de vrouw met hun emoties? Toen God Adam en Eva ter verantwoording riep in het Paradijs, sprak Hij slechts over zweet en smart (pijn). Dat laatste gaat vaak gepaard met tranen. Maar geen van tweeën hebben met tranen van emotie te maken. Of je moet fysieke pijn ook een emotie noemen, maar dat is niet helemaal juist.
Emotie komt voort uit het hart. Boosheid en agressie, zowel als liefde, vreugde, bewogenheid en verdriet. Een lach is een uiting van een stapel(tje) leuke of vreugdevolle dingen; een traan is hetzelfde, maar dan van een stapel(tje) verdriet, teleurstelling, frustratie als ook geroerdheid (bijvoorbeeld door muziek of diepe woorden), vreugde en verlangen (naar iemand op aarde of naar God in de hemel).

Denk nog even terug aan het moment dat Jonathan en David hier, op deze plek, hun plannetje opzetten om duidelijkheid te krijgen over Sauls motieven jegens David. Wat had David al niet met Saul meegemaakt? Zijn leven was al een paar keer bijna afgesneden ­(ondanks Gods belofte dat David koning zou worden! Een met zalf bezegelde belofte nog wel!). En wat had Jonathan niet een moeite gedaan om zijn vader vrij te pleiten bij David, alsmede dat hij David vrijpleitte bij zijn vader. Het beeld van je vader bij te moeten stellen is geen gemakkelijke zaak. Zeker niet als je merkt dat de situatie van nu zo haaks staat op die van vroeger. Je jeugdherinnering aan scherven door de realiteit van het heden.
Jonathan heeft pijnlijk moeten vaststellen dat zijn vader er echt niet voor terugdeinst om mensen die hem in de weg staan uit de weg te ruimen. Zelfs zijn eigen zoon is zijn leven niet zeker. Ten diepste maakte het ook niet uit of Saul nu zijn speer dreigend ophief of ook daadwerkelijk wierp. De motivatie achter de daad was hetzelfde.
Ook David moet nog een sprankje hoop hebben gehad op een goede afloopt. Met welke emotie moet Jonathan tot driemaal toe hebben geroepen “Verder! De pijl ligt véél verder!” tegen zijn jongen! Dat moet hem door merg en been zijn gegaan. Ook door het merg en been van David, daar tussen de struiken. Het was voor David niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: hij moest weg! De wegen van Jonathan en hem zouden uiteen gaan. En misschien wel voorgoed. We zullen in een van de komende keren zien dat ze elkaar nog éénmaal hebben ontmoet, maar dat is dan ook wel het enige!

Als de jongen wegrent naar Gibea, naar het paleis, kan David het niet langer meer uithouden. Hij komt tevoorschijn en valt voor zijn vriend en zwager Jonathan neer. Vind je dat geen merkwaardige houding? Hij valt hem niet direct om de hals, maar buigt zich in een waar eerbetoon ter aarde. Ook driemaal. Eerbetoon omdat Jonathan nog steeds de kroonprins is? Of omdat hij zijn leven geriskeerd heeft?
Dan breekt David en Jonathan kan zich ook niet langer meer bedwingen. Ze vallen elkaar om de hals en laten hun tranen de vrije loop. Er lijkt geen einde aan te komen: “totdat het David gans veel maakte”. Een groot geween… Intens verdriet, een uiting van totale leegstroom aan emoties, voor Gods aangezicht. Dat dan weer wel!

donderdag 1 februari 2018

De twee vrienden en het teken van de Ezel-steen

De vriend van de gezalfde - III

Daarna zeide Jónathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uw zitplaats zal ledig gevonden worden. En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af
en ga tot de plaats waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling; en blijf bij den steen Ezel.
1 Samuël 20 : 18-19

Het lijkt haast wel een jeugddetective. Maar die steen is toch wel een bijzonder ding in dit verhaal. Eerst maar even naar de strekking van dit gedeelte. Jonathan bespreekt zijn plan met David; een plan dat moet worden gemaakt, zodat David en hij los van elkaar kunnen acteren, teneinde de boodschap helder over komt, maar niemand enig risico loopt. Het plan begint met de plaatsbepaling (vers 18-19); vervolgens de uitvoering ervan (vers 20-22) en tenslotte de bezegeling van dat plan (vers 23). Voor deze Bijbelstudie beperken we ons tot de plaats.

De vraag die David had gesteld was (vers 10): “Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt?” Jonathan had hem aan zijn mouw getrokken en mee naar buiten genomen. Mee naar een specifieke, bekende plek. De Kanttekeningen vertellen dat het de plek is “waar gij en ik gewoon zijn naartoe te gaan, als wij wat heimelijks met elkander te spreken hebben.” Samen een vaste, stille, plek hebben waar de vreugde of verdriet van je hart deelt, is een mooie gewoonte. De binnenkamer is een ruimere plek dan alleen het kamertje in je huis waar je stil met God bent. Het is een unversele plek, waar je Gods nabijheid het meest effectief voelt. Hannah ging naar de tabernakel bij Eli, maar Jezus zocht vaak een plek op de berg. En dat zijn nog plaatsen waar je zélf naartoe wordt getrokken, om stil te zijn met God. Maar heb je ook zulke plekken, of gebieden, waar je het prettig vindt met je hartsvriendin of hartsvriend te praten? Een plek die makkelijk te bereiken is en toegankelijk voor beiden. Het kan zelfs een tafeltje in een bistro zijn. Maar met voldoende privacy, zodat emoties zich onbelemmerd een weg kunnen banen.

De tijd die Jonathan noemt is ‘drie dagen’. Hij spreekt zelfs over ‘uitblijven’. Dus David moet zich gedeisd, buiten beeld, houden. Immers, ze hadden een plan gemaakt, waarbij David het feest van de nieuwe maan(d) zou gaan vieren bij zijn thuisfront. Vandaag de dag is dat sneller te controleren, met mail, sms en whatsapp; of wat dacht je van face-time? Drie dagen moest David zich onzichtbaar maken, maar… in de buurt blijven. Daarna zouden ze elkaar hier zien.

Ondertussen zou de maaltijd in het paleis beginnen, terwijl de stoel, of rustbank, van David leeg zou blijven. “Men zal u missen”, stelde Jonathan geheel realistisch. De andere paleisbewoners zouden hem missen, zoals Davids vrouw Michal. Rare situatie eigenlijk! Ook Jonathans moeder zou hem missen en natuurlijk de hogere militairen en de trawanten, het elitekorps van Saul. Die stonden immers op scherp om bij elke kleine aanwijzing op David aan te vallen.
Maar de belangrijkste persoon die David zou moeten missen is koning Saul. Davids lege plek zou bij hem vragen moeten oproepen, omdat Saul het meest geëerd wordt als iedereen onvoorwaardelijk en van ganser harte gehoor zou geven aan de uitnodiging voor deze maaltijd. Daarover zou hij misschien zijn wenkbrauwen fronsen om vervolgens verbaasd te informeren: “Hé, waar is David eigenlijk? Weet iemand waar hij blijft?” Voor die situatie had Jonathan een antwoord klaar liggen dat David had gedicteerd: “David heeft van mij zeer begeerd, dat hij tot zijn stad Bethlehem mocht lopen; want aldaar is een jaarlijks offer voor het ganse geslacht.” Als Saul verder geen dubbele agenda zou hebben, zal hij natuurlijk antwoorden: “O, goed hoor!”
Maar als hij toch andere plannen met deze maaltijd heeft, en juist David vlakbij wenste om hem uit de weg te gaan ruimen, dan zal hij ziedend zijn, omdat David hem doorzien heeft. Saul zal zich ­opvreten omdat David hem te glad af is en wellicht zal hij nog extra verbolgen zijn omdat hij deze streep door zijn rekening zal wijten aan Gods Geest, die Saul heeft verlaten en David beschermt. Let daarom op hoe hij reageert! Want als hij ‘ontstoken’, zwaar geïrriteerd of ziedend, zal reageren, dan weet je dat hij ‘het kwaad ten volle besloten heeft’. Het kwaad: de moord op zijn schoonzoon en concurrent.

Zouden David en Jonathan niet hebben gerekend met de ­mogelijkheid dat Saul, aangeblazen door satan, Jonathans dubbelrol doorzien heeft? Want je kunt natuurlijk van Saul zeggen dat hij een dubbele agenda had, maar Jonathan had dat in zeker opzicht ook. Al duiden wij dat positief natuurlijk, maar toch. Nee, het lijkt erop dat ze beiden toch uitgaan van die ontmoeting die óf verlossend zal zijn voor beiden, óf een definitief einde zal betekenen van hun contact.
Beiden spreken ‘drie dagen’ af: een periode die duidelijk moet maken hoe de hazen lopen bij Saul. Drie dagen wachten! Je komt die ‘drie dagen’ enorm vaak tegen in de Bijbel: Jacob met zijn gespikkelde schapen bij Laban, de schenker en de bakker bij Jozef in de gevangenis, Esther voordat ze naar de koning ging, Jona in de vis, het volk bij Jezus, Jezus in het graf, Paulus verblind in Damaskus… Drie dagen op Gods antwoord wachten. Weliswaar door de middellijke weg, maar toch Zijn antwoord. Met alle consequenties van dien. Niet halsoverkop, niet in een dolle bui of in een vlaag van ­verstandsverbijstering, maar in zekere zin weloverwogen en duidelijk.
Ook niet passief, lijkt me, al lees ik er niets over. De aanbevolen gebedshouding is dat we ‘wachten’ op (verlangend uitzien naar) de HEERE. En dat wachten moest elders, op een niet nader bepaalde plek gebeuren. Maar na die drie dagen, zo lezen we in vers 19, moest David zo snel mogelijk terugkomen naar ‘deze plek’. Dat is die plek, zagen we gisteren, waar hij eerder zich verborgen had gehouden, toen Jonathan met zijn vader over David sprak. Tóen had Saul nog klip en klaar gezegd dat hij ‘natuurlijk David niets wilde aandoen’.

En daar op die plek staat een markeerpunt, een steen, die de naam ‘Ezel’ draagt. Natuurlijk niet vernoemd naar ons dier, de ‘ezel’. Nee, het hebreeuwse woord ‘ezel’ (het is dus onvertaald gebleven) betekent ‘vertrek’ of ‘weggaan’. Het lijkt erop dat David en Jonathan die steen toen, of drie dagen later, die naam gaven. Want het wordt genoemd een ‘gedenksteen tussen Rama en Nob’. De Kanttekeningen leggen hierbij uit: “bij den steen die den weg aanwijst, dat is, een steen die aan den weg staat en wijst den reizenden man wat weg hij moet ingaan” of “den steen van den gang”. De steen die de wegwijst. Misschien heel eenvoudig een ‘wegwijzer’: linksaf nog 3 kilometr naar Nod, rechtsaf nog 2 kilometer naar Rama… zo iets.
Hier, bij deze steen, vragen ze eigenlijk aan God: “HEERE, wijst U ons de richting aan die we zullen moeten opgaan”. Straks zal blijken wát die richting zal worden. “HEERE, wat wilt U dat ik doen zal?” Echte vriendschappen kennen zulke stenen. Je deelt er je kwetsbaarheid en je vragen. En het kan zijn dat je beiden een verschillende richting zult moeten inslaan. Uiteenlopende wegen. We hebben dat met onze vrienden ook ervaren in 2004, toen de een de PKN in moest gaan en wij de HHK. Maar de vriendschap bleef. Een verschillende roeping, fystiek uiteengedreven, maar… geestelijk bleef er de band.
Het teken van de ‘Ezel-steen’ vormt ook een markeringspunt in je vriendschap. Je kunt er weer naar teruggaan en die momenten herbeleven. Maar vooral Gods zorg en erbarmen samen belijden en bezingen. Stel dat je naar zo’n steen terug moet gaan en er pijnlijk aan wordt herinnert dat je een zondige weg bent ingeslagen! Bekeersteen.

woensdag 31 januari 2018

Vrienden voor het leven... en ver daar voorbij


De vriend van de gezalfde - II

Toen zeide Jónathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld. En die beiden gingen uit in het veld.
1 Samuël 20 : 11


Er volgen een aantal vreemde verzen, die wat merkwaardig op ons overkomen. Bijvoorbeeld dit vers. Waarom zegt Jonathan dit? David had een vraag gesteld, maar Jonathan lijkt die te ontwijken. “Ja, lekker! Hoe zal ik te weten komen dat je vader je wat dreigends als antwoord zal geven? Denk even na, Jonathan: je vader zal je beletten naar buiten te vluchten om het mij te verklappen! Nee, dat is geen complot­theorie, maar gewoon nuchter nadenken. Denk even na over de gevolgen en stel je plan bij!”
Jonathan geeft geen antwoord, maar trekt David aan zijn mouw. Even tussendoor: waar stonden ze op dát moment? Achter een schuurtje bij het paleis? Of in een donkere hoek van de paleisstal, met de deur op een kier, zodat David elk moment kon wegspurten? Geen idee, maar wellicht zo iets. Want nu stelt Jonathan voor om naar het veld te gaan. Het veld. Daar had David eerder verborgen gezeten, weet je nog? “…de plaats waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling…” (1 Sam. 20 : 19, met een verwijzing naar 1 Sam. 19 : 2).

Wat me ook opviel was die dubbeling: “Die beiden gingen uit…” Een tijd geleden maakte ik een bijbelstudie over Abraham en Izak die de berg opgingen voor het aanstaande offer: “en zij beiden gingen samen.” (Gen. 22). Het staat daar zelfs tweemaal in één hoofdstuk! Twee individuele geesten, die er geheel verschillend ‘in staan’, maar wel toelopen naar een moment van eenheid. Daar was het ‘beiden samen’, hier is het ‘die beiden’. Het lijkt een lading te hebben. Welke?
En dan het gegeven dat ze naar het veld gingen. Natuurlijk een bekende plek, die gemarkeerd wordt door een steen met de naam ‘Ezel’, waarover we laten nog verder zullen denken. Maar dat ‘in het veld gaan’ heeft ook iets geladens! In Genesis 4 zie ik eveneens twee mannen ‘in het veld’ gaan; met dodelijk afloop! Zal het niet door David zijn heengegaan? Mogelijk. Maar ook zie ik Izak in Genesis 24 in het veld: “…om te bidden in het veld.” En twee verzen verderop komt zijn toekomstige vrouw eraan en vraagt aan Eliëzer: “Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt?” ‘In het veld’ heeft iets intiems, maar altijd weer met een randje ‘verbond’ erbij. Daar komt het erop aan wat we doen met Gods verbond. Kaïn en Abel… Abraham en Izak… Izaäk en Rebekka… maar ook Jonathan en David.
Het veld. Ik houd ervan om over de velden buiten de stad het gewicht van de ruimte te ervaren. Het drukt als het ware op je en geeft je tegelijk een enorme vrijheid. Daar is er niets meer dat tussen jou en God in staat. Daar loop je voor Zijn aangezicht en ben je je bewust van Zijn blik op je. Hij weet het al lang, maar hij wil het van je horen. En rustig ook zonder woorden… maar open en eerlijk.

Terug naar Jonathan en David. Daar in het veld konden ze vrijuit spreken. Ik citeer even de Basisbijbel:
Toen vroeg David Jonatan: “Wie zal het me komen vertellen als je vader kwaad wordt?” 11 Jonatan antwoordde: “Kom mee naar buiten, het veld in.” Ze liepen samen het veld in. 12 Daar antwoordde Jonatan: “Ik zweer bij de Heer, de God van Israël: morgen of overmorgen zal ik rond deze tijd naar mijn vader gaan. Dan zal ik bij hem uitzoeken, hoe hij over je denkt. Als ik een goed bericht voor je heb, zal ik je een boodschap sturen en het je in het geheim laten weten. 13 De Heer mag mij straffen als ik me niet houd aan wat ik zeg. Als mijn vader van plan is je te doden, zal ik het je laten weten. Ik zal je laten gaan, zodat je veilig kan vertrekken. Ik wens je toe dat de Heer met je zal zijn, zoals Hij met mijn vader is geweest. 14 Ik weet dat jij met de Heer leeft. Daarom vertrouw ik er op dat je me niet zal doden als ik nog in leven ben als jij koning wordt. 15 En ook dat je goed zal zijn voor mijn kinderen wanneer de Heer al je vijanden heeft vernietigd.” 16 Toen sloot Jonatan een verbond met David en zei: “Ik hoop dat de Heer over je vijanden zal oordelen.” 17 En Jonatan liet David het opnieuw zweren. Want David was zijn allerbeste vriend en hij hield heel veel van hem.

“Als jij koning wordt…” Jonathan wist het! Had David het hem eerder toevertrouwd? Jonathan maakt gebruik van zijn verbond met David en vertrouwt erop dat hun vriendschap het gevreesde aanstaande dal kan doorstaan. Maar hij houdt er zelfs nog rekening mee dat hijzelf het niet zal overleven: “…als ik nog in leven ben…” Hij beveelt zelfs zijn kinderen aan de zorg van David aan. En dat aspect moeten we goed onthouden! Want David onthoudt dat ook goed!

Zie je de omslag in vertrouwen? David wilde zekerheid bij zijn vriend, maar nu vraagt die vriend juist zekerheid bij David. Die laatste zin is wel lief, maar erg zwak. De SV vertaalt het met: “…want hij had hem lief met de liefde zijner ziel.” Zielsverbondenheid. Dat gaat diep. Later (vers 23) zal Jonathan zeggen: “En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben, zie, de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid!” Ze hadden een eeuwige beloften aan elkaar gegeven en de nakoming van die belofte is voor Gods aangezicht genomen. Dus zijn ze er beiden aan gehouden. Maar zou het ook niet zo zijn dat de HEERE voor eeuwig ‘het cement’ van hun vriendschap zal zijn? Wauw! Dat is me een vriendschap voor het leven… en ver daar voorbij!

dinsdag 30 januari 2018

Twee vrienden en het verbond met de HEERE

De vriend van de gezalfde - I

Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood gij mij; waarom zoudt gij mij toch tot uw vader brengen?
Toen zeide Jónathan: Dat zij verre van u. Maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou ­overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?
1 Samuël 20 : 8 en 9



De twee zwagers staan bij elkaar. De spanning hangt in de lucht boven het paleis. Althans, dat voorvoelt David. Jonathan wil er eigenlijk niet aan… Daarom maken ze een plan en proberen zo helder te krijgen hoe (schoon)vader Saul erin staat. Tot die tijd houdt David zich schuil. Je vraagt je wel even af: waar is Michal? Hoe zal zij deze onzekere tijden hebben doorleefd? Heeft haar vader haar gevangen gezet? Saul zal haar namelijk later uithuwelijken aan “Palti, den zoon van Lais, die van Gallim was” (1 Sam. 25 : 44).

Het is opmerkelijk dat deze twee hartsvrienden toch enige ongelijkheid laten zien. David is weliswaar gezalfd door de HEERE, maar hij beschouwt zijn vriend en zwager nog steeds als de kroonprins. Hij wist immers niet wanneer en hoe de HEERE hem het koninkrijk zou geven?! David beseft ook zijn kwetsbare positie en de broosheid van hun vriendschap. Nou, broosheid… de vriendschap staat onder druk, omdat David vermoedt dat Jonathans vader kwalijke plannen smeedt!
Dat is een risico voor elk soort vriendschap. Je kunt kwalijke en ongrijpbare tactieken vermoeden, maar als je je vinger er niet op kunt leggen, moet je maar afwachten of anderen je geloven. Of anderen het ook zo zien. En zo niet, wat dan? Moet je anderen dan gaan overtuigen of houdt het gebod van God (“Gij zult geen vals getuigenis geven…”) dan toch in dat je er niets over communiceert, omdat je anders niet het ‘voordeel van die (kwaadwillende) ander’ bevordert?
Eigenbelang is een lastig ding. Het beïnvloedt heel snel je reine visie op de zaak en het beoogde doel: de lof aan de HEERE. Kijk, David had alle reden om Saul uit de weg te ruimen, omdat Saul anders hém uit de weg zou ruimen. David is niet zo naïef dat hij gewoon naar het paleis gaat en zegt: “Als de HEERE wil dat ik koning wordt, dan zal Hij me ook wel beschermen.” Je moet ook je verstand gebruiken. Maar hoe krijgt hij Jonathan zover dat die het probleem óók doorziet?

David beroept zich tegenover Jonathan op het verbond met de HEERE. Sterker nog, hij attendeert Jonathan erop dat díe hem in het verbond met de HEERE heeft betrokken: “…want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht…” Voor Gods aangezicht weet David zich begrepen, veilig en oprecht. Daarom durft hij ook te zeggen tegen Jonathan: “Als ik een misdaad op mijn geweten heb (en hij laat in het midden wáár die misdaad, die zonden, dan uit zouden bestaan), doodt me dan hier ter plekke! Maar breng me niet bij die onrechtvaardige rechter Saul.” David klampt zich hier aan zijn vriend vast, want hij weet dat díe weet dat David oprecht en onschuldig is.
Dat laat Jonathan dan ook snel weten: “Dat nooit! Ik jou doden? Nee, daarvoor ben je mij te dierbaar, vriend en zwager! Ik ken je goed genoeg om te weten dat jij niets hebt misdaan.” Helaas zegt Jonathan er nog niet bij dat het probleem dan dus bij zijn vader ligt. Hij hoopt er nog steeds op dat David het mis heeft. Is dat ‘lief’-zijn? Is dat ‘het voordeel van de twijfel geven’? Is dat ‘tot het uiterste gaan om iemand tot redelijkheid te bewegen’? Of is dat toch zwakheid en ongeloof?

Want wees nu eerlijk! Jonathan kende zijn vader nu toch wel zo onderhand? Al die feiten die we hier in de voorgaande hoofdstukken de revue hebben laten passeren heeft Jonathan toch ook meegemaakt en kunnen beoordelen? Jonathan heeft toch al lang zijn conclusies kunnen trekken? Waarom kijkt hij weg? Waarom toont hij zich zo afwachtend, zo weinig de held die hij in het begin was? Zijn vader werd behekst door een boze geest van God, maar is de kracht van de Heilige Geest misschien ook van hem verdwenen? Is het vuur weg en mist hij de kracht en overredingskracht die hoort bij het werk van de Geest?

Dat kan vandaag de dag nog steeds zo gaan. Je komt in een situatie te staan, waarin je dacht medestanders te hebben voor de zaak van Christus, maar opeens blijken die zogenaamde ‘mede­standers’ verdwenen. Ze deinzen terug voor de conclusie en de consequenties. Ze zeggen wel stellige dingen, maar brengen die niet tot uitvoer. Op dát moment spelen er dingen op de achtergrond mee die onzichtbaar maar wel voelbaar. Niet iedereen is blijkbaar in staat om karakter te tonen. Hoewel je daar rekening mee moet houden is het wel fnuikend.
Te weinig mensen hebben een eigen en goed onderbouwde mening. Te veel mensen laten zich leiden door wat ze zien, horen en voelen en maken dán hun afwegingen. Vooral het gevoel: “Het zal toch niet zo zijn dat…” of “Ik kan me niet voorstellen dat…” Het moge duidelijk zijn dat ons voorstellingsvermogen een zeer onbetrouwbaar object is. Hierin is David voor Jonathan wel een confronterend ­voorbeeld. David herinnert zijn maatje aan het verbond dat ze samen voor Gods aangezicht sloten. Maar ook daar gaat Jonathan niet op in. Hij laat zich leiden door aantoonbare feiten en voorvallen. Hij ontkent niet, maar hij beaamt ook niet. Hij richt zich niet op de HEERE, maar komt slechts met een plan de campagne: ik ga mijn vader op de proef stellen, zodat duidelijk zal worden wat zijn motief is. Maar diep van binnen blijft hij hopen dat David ongelijk heeft. Daarom maakt het David ook niet gerust!

woensdag 27 december 2017

Het zielsverbond tussen ­Jonathan en David

De fan van de muzikant - VI

Jónathan nu en David maakten een verbond,
dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
En Jónathan deed zijn mantel af, dien hij aanhad, en gaf hem David;
ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe en tot zijn boog toe
en tot zijn gordel toe.
1 Samuël 18 : 3-4


Het gebeuren rond de dood van Goliath heeft duidelijk sporen in het leven van Saul, David en Jonathan getrokken. Het feit dat David de reus wél heeft durven tegemoet treden moet voor Saul al een stukje aversie hebben opgeroepen. Maar misschien had hij nog gehoopt dat David het niet zou overleven, zodat hij zichzelf kon rechtvaardigen: “Zie je nou wel, het is ook geen doen tegenover zo’n overmacht en tegenover zo’n reusachtig persoon”. In Sauls beleving werd Goliath met zijn bijna drie meter lengte een monsterlijk groot wezen dat de toren van Babel in het niets deed verzinken. Maar in de beleving van Davids pure ziel was Goliath vooral een God-tergende kabouter. Vanuit God gezien was alles een stofje aan de weegschaal!
In die visie ontstond de verwijdering tussen Saul en David, maar ontstond een bijzondere verbondenheid tussen Jonathan en David! Had Jonathan zich geschaamd, omdat hij na die overwinning op de Filistijnen nu opeens de moed niet had om het volk te verlossen? Of heeft hij dat ontbreken aan moed als een vingerwijzing van God gezien? Is hem misschien opeens duidelijk geworden wat de reden was dat hij dit keer niet de moed had om voor Gods zaak te strijden? Kwamen die woorden van Samuël opeens kraakhelder bovendrijven in zijn herinnering: “De Heere heeft vandaag het koningschap van u ­afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan iemand die het meer waard is dan u.” Was het Jonathan gaan dagen, dat deze herder uit Bethlehem wellicht die ‘iemand die het meer waard is dan u’ was? Was het kwartje gevallen toen David het hoofd van Goliath afhakte, en werd Jonathan herinnert aan de hakkende Samuël die Agag evenzo bewerkte?

Wat doet dat bij Jonathan? Heeft hij een aardje naar zijn vaartje? Gistte de jaloezie vanuit zijn binnenste op en begon hij die David ook een vervelend kereltje te vinden? Zocht hij gelegenheid om van hem af te komen? Immers, David was zijn overduidelijke concurrent voor de troon! Niets van dat alles.
Jonathan wordt beheerst door een andere geest; de Geest des HEEREN, Die hem vervult met eerbied en aanbidding van Gods weg. Met David, dat is hem opeens heel duidelijk, krijgt het volk een goede, krachtige en godvrezende koning! Jonathan zou altijd geassocieerd blijven met zijn vader. De eenmansacties die hij ondernam, waren wel succesvol, maar werden niet gevolgd door het overige van het leger! En dat was een veeg teken. Op de actie van David was het hele leger in actie gekomen en hadden een verpletterende nederlaag toegebracht aan de Filistijnen.
David had geen woord teveel gezegd over hoe het met de Filistijnen zou aflopen, nadat hun kampvechter, de reus Goliath, zou zijn gevloerd. De woorden van de HEERE, die David mocht profeteren, waren uitgekomen; tot in detail!

Wat Jonathan nu doet verdient onze aandacht. De Basisbijbel beschrijft dat als volgt: “Jonatan sloot een verbond met David. En hij gaf hem zijn mantel en zijn wapenrusting. Zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.” Let er op dat David de uitrusting van Saul niet aan wilde trekken, maar nu de totale uitrusting van Jonathan als een offer van verbondenheid krijgt uitgereikt. Als David deze uitrusting wel heeft aangetrokken (en dat is zeer goed mogelijk), is dat direct ook duidelijk geworden in het leger van Saul. Ze moeten die uitrusting hebben herkend: de mantel van Jonathan, diens zwaard, boog en zelfs de prinselijke gordel van Jonathan…

Dat er niet bij nog meer mensen een kwartje is gevallen, toen ze daarna David zagen: de nieuwe kroonprins! Ook de nieuwe kleding van Jonathan moet vragen hebben opgeroepen: “Jonathan! Waar is je eigen mantel? Waar je gordel? En waar de boog, waar je zo perfect mee kon schieten? Jonathan, wat is er aan de hand?” Wat zou het antwoord zijn geweest? Een uitwendig, vaag antwoord? Of een mooi geestelijk antwoord over vriendschap en ontferming: de kroonprins en de herdersjongen? Of zouden man en paard zijn genoemd: “Luister mannen, ik doe een stapje terug, want onze God heeft David als de opvolger van mijn vader gezalfd! Hij zal jullie nieuwe koning zijn.”

In het vervolg zullen we Jonathan vooral als Davids schaduw zien. Al in het volgende vers lezen we dat David voortaan meestreed in het leger van Saul. Daarbij was hij wijs en verstandig. Daarom maakte Saul hem aanvoerder van het leger. Het hele volk en alle dienaren van Saul mochten hem graag. Ja… maar de Statenvertaling gebruikt een opmerkelijk woord: David gedroeg zich voorzichtiglijk. Dat kan inderdaad ‘verstandig’ betekenen, maar dat voorzichtige kan ook duiden op het feit dat David begon door te krijgen dat Saul hem in gevaarvolle situaties probeerde te brengen, zodat hij op een veilige manier van hem af kon komen. Want ja, het volk hield hem in ere, maar onderwijl spinde Saul op wraak, zonder dat zijn persoon er schade van zou oplopen. Het net begon zich om David te sluiten. Langzaam… heel langzaam. En juist het volk zou daarin jegens Saul een aanjagende factor zijn! Weliswaar rekende Saul niet met God. Jonathan daarentegen beschermde David als zijn eigen ziel.

Een vriendschap op zielsniveau

De fan van de muzikant - V

Het geschiedde nu als hij geëindigd had tot Saul te spreken,
dat de ziel van Jónathan verbonden werd aan de ziel van David;
en Jónathan beminde hem als zijn ziel.
1 Samuël 18 : 1


In stoere heldenverhalen, in boekvorm, strip of film, zijn de ­dappere strijders altijd spierbundels die uitmunten in kracht, slimheid en vooral ongenaakbaarheid. Ze steken met kop en schouders boven de rest uit. Hoewel daar de laatste jaren ook best wel verandering in is gekomen en zijn soms ook zwakke, sullige helden de overwinnaars.

Maar terug naar ons bijbelverhaal: David is niet het lieve jochie met zijn gladgekamde haartjes en zijn satijnen vingertjes die tokkelen op zijn harpje. Niks geen engelachtige verschijning. Met één ferme hauw hakt hij het hoofd van Goliath van diens romp. Het reusachtige hoofd – dat toch wel bijna anderhalf keer zo groot moet zijn geweest als dat van David zelf – rolt bloedend opzij. Het gezicht was sowieso bebloed, vanwege de steen die het voorhoofd van de reus had doorkliefd. De steen was in het voorhoofd gezonken als was dat een pakje boter. Zelfs zo’n gladde steen zal niet een gladde snee hebben achtergelaten, die een vlijmscherp mes zou hebben gemaakt. Het moet een gapende wond zijn geweest met versplinterde stukken schedelbot. En de aanvankelijk angstig opengesperde ogen waren al gesloten bij de klap die het logge lichaam op de grond heeft gemaakt.
Met in zijn ene hand het loodzware en enorme zwaard, bukt hij zich en houdt het hoofd van de reus – hoe zwaar zou het hebben gewogen? – aan diens haren omhoog. Alleen al aan die twee details kun je zien dat David over forse kracht beschikte. Dat hij dat harnas van Saul niet aan kon was niet omdat hij nog een jochie was. Nee, David was de katachtige, niet gebouwd voor logge beschermings­artikelen zoals een maliënkolder of harnas. Hij was, net als Jonathan, meer de besluiper dan de zwaar bepantserde verdediger. Vandaar!

De reus was nog te zwaar bepantserd dat hij zijn schild zelf kon blijven dragen. Dat deed zijn wapendrager (lees 1 Samuël 17 : 41). Luid brallend had hij David getart. Maar dat had David niet aangezet tot daden. Nee, het was omdat Goliath God en Diens kracht en majesteit had gehoond. “Kom maar eens hier, ventje! Dan voer ik je vlees aan de vogels en de wilde dieren!”, had de reus luidkeels gebrald. David had nergens op zijn eigen kracht geboogd. Hij snoefde niet toen hij riep: “Jij komt naar mij toe met een zwaard, een speer en een schild. Maar ik kom naar jou toe namens de Heere van de hemelse legers, de God van het leger van Israël, de God die jij hebt uitgedaagd. Vandaag zal de Heer jou in mijn macht geven. Ik zal je verslaan en je hoofd afhakken. Vandaag zal ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels en de wilde dieren voeren. Dan zal de hele wereld weten dat Israël een God heeft. En al deze mensen hier zullen toegeven dat de Heer niet redt door zwaarden en speren. Want de Heer Zelf strijdt voor ons. Hij geeft jullie in onze macht.”

En zo was het gebeurd. Terwijl het leger van Israël de door angst overmande Filistijnen achternajaagde, ging David iets merkwaardigs doen. In vers 54 lezen we: “David nam het hoofd van de Filistijn mee en bracht het naar Jeruzalem. Maar de wapens van de reus legde hij in zijn tent.” Twee dingen vallen direct op: dat David de wapens van Goliath voor zichzelf houdt aanvankelijk; en dat hij dus een eigen tent had (terwijl we hem toch even daarvoor bij vader Isaï vandaan zagen komen, nietwaar?). Het zwaard zou een overwinningstrofee gaan worden, die David in Nob afleverde om die voor de ark van het ­verbond neer te leggen als offer aan God. David werd er dus nooit zelf groot mee. Later zou hij dat zwaard weer ophalen, toen hij moest vluchten voor Saul. Maar hoe kwam David aan een eigen tent? Of was het de tent van zijn broers? Merkwaardige details!

Maar… het hoofd van Goliath nam hij dus mee naar Jeruzalem. En nadat het leger weer terug was van het verjagen van de Filistijnen en Saul weer in zijn paleis was (of was het de staftent in het leger?) vroeg hij aan David: “Wie is je vader?” Merkwaardige vraag, terwijl hij al eerder, zie het vorige hoofdstuk, een bode naar Isaï had gestuurd met de mededeling dat David bij hem bleef. Er lijken delen van deze hoofdstukken te overlappen en zorgen voor verwarring.

Terwijl David nog met dat grote hoofd van Goliath in zijn hand staat, brengt Abner hem bij Saul, waar hij vertelt wie zijn vader is: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, de Bethlehemiet”. Let op de keuze van zijn woorden! Blijkbaar is er nog meer gezegd. En daar heeft ook Jonathan bij gestaan. Want toen David zijn verhaal had gedaan, sprong er een vonk over in de ziel van Jonathan. Er staat in de tekst dat de ziel van Jonathan werd verbonden aan die van David. Er staat niet dat Jonathan geïnteresseerd raakt in David, of dat hij bewondering voor David ging koesteren (dat is nog introvert) of misschien zelfs verliefd werd op deze sterke held (want die mensen zijn er ook die een homo-relatie tussen Jonathan en David willen bewijzen). Er staat slechts dat er een vriendschapsband ontstaat op zielsniveau. Ondanks dat ­bloedende hoofd van de reus!

Herkende Jonathan iets in David, vanuit zijn eigen geestelijk leven, toen hij hem hoorde praten met zijn vader? Dat zou eens goed kunnen. Maar dat die twee zielen zich aan elkaar verbonden lijkt toch vooral ook een wisselwerking te zijn. Er gebeurt dus niet alleen iets in het hart van Jonathan, maar ook in dat van David. Bijzonder, zulke grote stoere en heldhaftige mannen! Ze blijken in één klap ‘gewoon mens’. Het staat er helaas niet met zoveel woorden, maar het lijkt toch het werk van Gods Geest. Hoe prachtig is dat?!