Posts tonen met het label Agag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Agag. Alle posts tonen

woensdag 27 december 2017

Het zielsverbond tussen ­Jonathan en David

De fan van de muzikant - VI

Jónathan nu en David maakten een verbond,
dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
En Jónathan deed zijn mantel af, dien hij aanhad, en gaf hem David;
ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe en tot zijn boog toe
en tot zijn gordel toe.
1 Samuël 18 : 3-4


Het gebeuren rond de dood van Goliath heeft duidelijk sporen in het leven van Saul, David en Jonathan getrokken. Het feit dat David de reus wél heeft durven tegemoet treden moet voor Saul al een stukje aversie hebben opgeroepen. Maar misschien had hij nog gehoopt dat David het niet zou overleven, zodat hij zichzelf kon rechtvaardigen: “Zie je nou wel, het is ook geen doen tegenover zo’n overmacht en tegenover zo’n reusachtig persoon”. In Sauls beleving werd Goliath met zijn bijna drie meter lengte een monsterlijk groot wezen dat de toren van Babel in het niets deed verzinken. Maar in de beleving van Davids pure ziel was Goliath vooral een God-tergende kabouter. Vanuit God gezien was alles een stofje aan de weegschaal!
In die visie ontstond de verwijdering tussen Saul en David, maar ontstond een bijzondere verbondenheid tussen Jonathan en David! Had Jonathan zich geschaamd, omdat hij na die overwinning op de Filistijnen nu opeens de moed niet had om het volk te verlossen? Of heeft hij dat ontbreken aan moed als een vingerwijzing van God gezien? Is hem misschien opeens duidelijk geworden wat de reden was dat hij dit keer niet de moed had om voor Gods zaak te strijden? Kwamen die woorden van Samuël opeens kraakhelder bovendrijven in zijn herinnering: “De Heere heeft vandaag het koningschap van u ­afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan iemand die het meer waard is dan u.” Was het Jonathan gaan dagen, dat deze herder uit Bethlehem wellicht die ‘iemand die het meer waard is dan u’ was? Was het kwartje gevallen toen David het hoofd van Goliath afhakte, en werd Jonathan herinnert aan de hakkende Samuël die Agag evenzo bewerkte?

Wat doet dat bij Jonathan? Heeft hij een aardje naar zijn vaartje? Gistte de jaloezie vanuit zijn binnenste op en begon hij die David ook een vervelend kereltje te vinden? Zocht hij gelegenheid om van hem af te komen? Immers, David was zijn overduidelijke concurrent voor de troon! Niets van dat alles.
Jonathan wordt beheerst door een andere geest; de Geest des HEEREN, Die hem vervult met eerbied en aanbidding van Gods weg. Met David, dat is hem opeens heel duidelijk, krijgt het volk een goede, krachtige en godvrezende koning! Jonathan zou altijd geassocieerd blijven met zijn vader. De eenmansacties die hij ondernam, waren wel succesvol, maar werden niet gevolgd door het overige van het leger! En dat was een veeg teken. Op de actie van David was het hele leger in actie gekomen en hadden een verpletterende nederlaag toegebracht aan de Filistijnen.
David had geen woord teveel gezegd over hoe het met de Filistijnen zou aflopen, nadat hun kampvechter, de reus Goliath, zou zijn gevloerd. De woorden van de HEERE, die David mocht profeteren, waren uitgekomen; tot in detail!

Wat Jonathan nu doet verdient onze aandacht. De Basisbijbel beschrijft dat als volgt: “Jonatan sloot een verbond met David. En hij gaf hem zijn mantel en zijn wapenrusting. Zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.” Let er op dat David de uitrusting van Saul niet aan wilde trekken, maar nu de totale uitrusting van Jonathan als een offer van verbondenheid krijgt uitgereikt. Als David deze uitrusting wel heeft aangetrokken (en dat is zeer goed mogelijk), is dat direct ook duidelijk geworden in het leger van Saul. Ze moeten die uitrusting hebben herkend: de mantel van Jonathan, diens zwaard, boog en zelfs de prinselijke gordel van Jonathan…

Dat er niet bij nog meer mensen een kwartje is gevallen, toen ze daarna David zagen: de nieuwe kroonprins! Ook de nieuwe kleding van Jonathan moet vragen hebben opgeroepen: “Jonathan! Waar is je eigen mantel? Waar je gordel? En waar de boog, waar je zo perfect mee kon schieten? Jonathan, wat is er aan de hand?” Wat zou het antwoord zijn geweest? Een uitwendig, vaag antwoord? Of een mooi geestelijk antwoord over vriendschap en ontferming: de kroonprins en de herdersjongen? Of zouden man en paard zijn genoemd: “Luister mannen, ik doe een stapje terug, want onze God heeft David als de opvolger van mijn vader gezalfd! Hij zal jullie nieuwe koning zijn.”

In het vervolg zullen we Jonathan vooral als Davids schaduw zien. Al in het volgende vers lezen we dat David voortaan meestreed in het leger van Saul. Daarbij was hij wijs en verstandig. Daarom maakte Saul hem aanvoerder van het leger. Het hele volk en alle dienaren van Saul mochten hem graag. Ja… maar de Statenvertaling gebruikt een opmerkelijk woord: David gedroeg zich voorzichtiglijk. Dat kan inderdaad ‘verstandig’ betekenen, maar dat voorzichtige kan ook duiden op het feit dat David begon door te krijgen dat Saul hem in gevaarvolle situaties probeerde te brengen, zodat hij op een veilige manier van hem af kon komen. Want ja, het volk hield hem in ere, maar onderwijl spinde Saul op wraak, zonder dat zijn persoon er schade van zou oplopen. Het net begon zich om David te sluiten. Langzaam… heel langzaam. En juist het volk zou daarin jegens Saul een aanjagende factor zijn! Weliswaar rekende Saul niet met God. Jonathan daarentegen beschermde David als zijn eigen ziel.

donderdag 21 december 2017

Als God je vader aan de kant schuift

De fan van de muzikant - I


Toen zeide Samuël tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.
1 Samuël 15 : 28


De eerstvolgende keer dat we de naam van Jonathan weer lezen in de Bijbel, is pas in hoofdstuk 18, na de overwinning op Goliath. Al direct in het eerste vers lezen we: “Het geschiedde nu, als hij (David) geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.” David is op dat moment nog slechts ‘de muzikant’ aan het hof. Nou ja, hij heeft dan weliswaar een reus ‘omgelegd’, maar dat is ook het enige. Meer dan dat heeft Jonathan niet van David meegemaakt. En de klik die Jonathan heeft ervaren in Davids woorden is ook al bijzonder, want zo geweldig zijn die woorden van David niet: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, den Bethlehemiet.” Dus… onmiskenbaar is de Heilige Geest hier aan het werk, waardoor deze twee zielen aan elkaar worden verbonden.

Maar wat ging eraan vooraf? Hoewel de naam van Jonathan niet wordt genoemd in de voorgaande hoofdstukken, is hij er wel degelijk bij! En die gebeurtenissen zijn onmiskenbaar van invloed op het innerlijke leven van Jonathan. Laten we even teruggaan naar waar we gebleven waren: hoofdstuk 14. In de laatste verzen lezen we: Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde. De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal. En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël. En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.
Allemaal interessante gegevens, die van invloed zijn over de toekomstige geschiedenissen van zowel Jonathan als David! Slechts kort: Saul ontwikkelt zich als een strateeg, en misschien zelfs als een dictator. Met een neus voor goede militairen: mannen waarop hij kan vertrouwen (dat zie je vaker bij dit soort leiders). Jonathan is één van die leiders en dat is wel opmerkelijk als je het voorgaande in dit hoofdstuk leest! Immers, Jonathan lag beter bij het volk dan Saul zelf. Dat had ook Jonathans leven kunnen kosten.
Ook lezen we de naam van Sauls neef, Abner, die later bij David een vooraanstaand – en afgewezen – generaal zal zijn. En tenslotte lezen we er de naam van Michal, de latere vrouw van David; let wel: zijn liefste maar meest moeilijke vrouw!
Maar dan gaat hoofdstuk 15 met Saul een diep dal in. Samuël wordt naar Saul gestuurd met een opdracht van God. Er gaat dus oorlog komen met de Amelekieten. Daarnet zagen we al in het veertiende hoofdstuk: “En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde.

Welnu, daar gaat het vandaag over. Hoofdstuk 15 begint met: “Toen zeide Samuël tot Saul: de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN. Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit Egypte opkwam. Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe. Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda.”
Let erop dat Saul hier wordt ingezet om een zaak van God uit te voeren en niet persé een zaak van Saul en het volk. Het vermoeden bestaat dan ook dat Saul in deze actie niet zo’n zin had, want de eer zou voor God zijn. Er was voor hem geen eer en dus ook geen voordeel te behalen uit deze slag. En dat maakte dat hij de opdracht van God vrij en naar eigen inzicht interpreteerde. Hij brengt de boodschap van Samuël nog wel over op het krijgsvolk: “Dit verkondigde Saul het volk”.

We kennen de geschiedenis: Saul houdt zich maar gedeeltelijk aan de opdracht: hij brengt Agag als eigen overwinningstrofee mee. Met nog een forse buit, ter compensatie. En het schijnheilige voorwendsel dat een deel van die buit bestemd was voor een offer aan God. En hij geeft er in vers 15 het volk nota bene de schuld van!
Samuël is furieus. “Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE vannacht tot mij gesproken heeft. […] Is het niet alzo, toen ge klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israël geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israël gezalfd heeft? En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet. Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?”
Saul handhaaft zich. Hij geeft daarnaast nogmaals het volk de schuld van de buit, die is meegenomen, maar huichelt daar een ­religieus argument bij: het offeren van een dankoffer in Gilgal.
En dan volgt de nekslag voor Saul. Samuël veroordeelt hem scherp en kondigt het oordeel aan: “Heeft de HEERE lust aan brand­offeren, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des ­HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen. Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.”

Saul denkt er met een schuldbelijdenis en een ‘sorry’ vanaf te komen, maar hij rekent mis. Hij denkt te heersen over de profeet, door hem te gebieden mee te komen voor het offer. Maar Samuël weigert: “Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN ­verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn.” Die klanken ‘de HEERE heeft u verworpen’ gaan een eigen leven leiden in Sauls hoofd en ze brengen hem tot waanzin en uitzinnigheid. Hij probeert het probleem nog fysiek de baas te blijven, door Samuël bij zijn jas te grijpen. Die draait zich echter met zoveel geweld om, dat er een stuk van zijn mantel afscheurt. En die gescheurde flard wordt direct de illustratie bij het vervolg van zijn preek: “De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij. En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.”

Moet je je even indenken hoe fors die dolkstoot in Sauls trotse hart moet zijn geweest! Zijn concurrent (want zo zal hij hem blijven zien) waardeert God als ‘beter dan hij’! Wat Saul daaroverheen smeekt heeft iets aandoenlijks en afschrikwekkends tegelijk: “eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israël; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.” Zie daar de ware aard van Saul. Zijn werkelijke motief is: hoe zien de mensen mij! Niet: hoe ziet de HEERE mij? Ken je ook zulke mensen uit je omgeving of ben jij er zelf een? Dat je met al je vroomheid en godsdienstigheid alleen maar leeft voor de buitenkant en voor de mensen. Wat een in en in diep triest mens ben je dan. Beklagenswaardig. Je merkt er iets van hoe kil en gevoelloos de satan mensen zijn greep houdt! Juist daarom zo meelijwekkend!

Samuël laat zich verbidden; de HEERE niet! Niettemin slaat hij Agag dood, waar iedereen bij staat. Daarmee eerde hij Saul zeker niet. Want iedereen heeft kunnen zien hoe verbeten zijn gezicht moet hebben gestaan. Iedereen… ook Jonathan. En te vrezen is, dat hij ook de woorden van Samuël heeft gehoord. Het moet haast. Dat oordeel had namelijk ook impact op Jonathans leven… hoewel… Misschien heeft Jonathan (en misschien ook Saul wel) nog het idee gehad dat de HEERE op hem doelde. Uw ‘naaste’ die ‘beter is dan gij’… Die wapendrager, zie je hem staan? Keek hij nou verwachtingsvol naar zijn ­meester Jonathan? Interpreteerde hij die woorden ook op Jonathan? We weten het niet, maar vermoeden het slechts.

Jonathan was een randfiguur, latent aanwezig, in deze intens aangrijpende geschiedenis. Iedereen lijkt tot de orde van de dag over te gaan, alsof er geen mokerzwaar oordeel boven het koningshuis hangt: “Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibea-sauls.” Over Samuël en over de HEERE lezen we nog wel wat inhoudelijks, maar over Saul niet. “En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.”

Raakt dit je? Voel je hoe nauw het luistert in het leven met de HEERE? Voel je ook hoe scherp en zwaar die woorden van God zijn, die Saul in één veeg aan de kant schuift? En merk je ook hoe intens beklagenswaardig en verloren je bent, als God je aan de kant schuift? Je zou haast vergeten dat er nog ruimte tot bekering was. Wat zou juist dít aspect met Jonathan hebben gedaan?