Posts tonen met het label genade. Alle posts tonen
Posts tonen met het label genade. Alle posts tonen

donderdag 21 december 2017

Als God je vader aan de kant schuift

De fan van de muzikant - I


Toen zeide Samuël tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.
1 Samuël 15 : 28


De eerstvolgende keer dat we de naam van Jonathan weer lezen in de Bijbel, is pas in hoofdstuk 18, na de overwinning op Goliath. Al direct in het eerste vers lezen we: “Het geschiedde nu, als hij (David) geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.” David is op dat moment nog slechts ‘de muzikant’ aan het hof. Nou ja, hij heeft dan weliswaar een reus ‘omgelegd’, maar dat is ook het enige. Meer dan dat heeft Jonathan niet van David meegemaakt. En de klik die Jonathan heeft ervaren in Davids woorden is ook al bijzonder, want zo geweldig zijn die woorden van David niet: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, den Bethlehemiet.” Dus… onmiskenbaar is de Heilige Geest hier aan het werk, waardoor deze twee zielen aan elkaar worden verbonden.

Maar wat ging eraan vooraf? Hoewel de naam van Jonathan niet wordt genoemd in de voorgaande hoofdstukken, is hij er wel degelijk bij! En die gebeurtenissen zijn onmiskenbaar van invloed op het innerlijke leven van Jonathan. Laten we even teruggaan naar waar we gebleven waren: hoofdstuk 14. In de laatste verzen lezen we: Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde. De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal. En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël. En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.
Allemaal interessante gegevens, die van invloed zijn over de toekomstige geschiedenissen van zowel Jonathan als David! Slechts kort: Saul ontwikkelt zich als een strateeg, en misschien zelfs als een dictator. Met een neus voor goede militairen: mannen waarop hij kan vertrouwen (dat zie je vaker bij dit soort leiders). Jonathan is één van die leiders en dat is wel opmerkelijk als je het voorgaande in dit hoofdstuk leest! Immers, Jonathan lag beter bij het volk dan Saul zelf. Dat had ook Jonathans leven kunnen kosten.
Ook lezen we de naam van Sauls neef, Abner, die later bij David een vooraanstaand – en afgewezen – generaal zal zijn. En tenslotte lezen we er de naam van Michal, de latere vrouw van David; let wel: zijn liefste maar meest moeilijke vrouw!
Maar dan gaat hoofdstuk 15 met Saul een diep dal in. Samuël wordt naar Saul gestuurd met een opdracht van God. Er gaat dus oorlog komen met de Amelekieten. Daarnet zagen we al in het veertiende hoofdstuk: “En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde.

Welnu, daar gaat het vandaag over. Hoofdstuk 15 begint met: “Toen zeide Samuël tot Saul: de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN. Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit Egypte opkwam. Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe. Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda.”
Let erop dat Saul hier wordt ingezet om een zaak van God uit te voeren en niet persé een zaak van Saul en het volk. Het vermoeden bestaat dan ook dat Saul in deze actie niet zo’n zin had, want de eer zou voor God zijn. Er was voor hem geen eer en dus ook geen voordeel te behalen uit deze slag. En dat maakte dat hij de opdracht van God vrij en naar eigen inzicht interpreteerde. Hij brengt de boodschap van Samuël nog wel over op het krijgsvolk: “Dit verkondigde Saul het volk”.

We kennen de geschiedenis: Saul houdt zich maar gedeeltelijk aan de opdracht: hij brengt Agag als eigen overwinningstrofee mee. Met nog een forse buit, ter compensatie. En het schijnheilige voorwendsel dat een deel van die buit bestemd was voor een offer aan God. En hij geeft er in vers 15 het volk nota bene de schuld van!
Samuël is furieus. “Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE vannacht tot mij gesproken heeft. […] Is het niet alzo, toen ge klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israël geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israël gezalfd heeft? En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet. Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?”
Saul handhaaft zich. Hij geeft daarnaast nogmaals het volk de schuld van de buit, die is meegenomen, maar huichelt daar een ­religieus argument bij: het offeren van een dankoffer in Gilgal.
En dan volgt de nekslag voor Saul. Samuël veroordeelt hem scherp en kondigt het oordeel aan: “Heeft de HEERE lust aan brand­offeren, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des ­HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen. Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.”

Saul denkt er met een schuldbelijdenis en een ‘sorry’ vanaf te komen, maar hij rekent mis. Hij denkt te heersen over de profeet, door hem te gebieden mee te komen voor het offer. Maar Samuël weigert: “Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN ­verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn.” Die klanken ‘de HEERE heeft u verworpen’ gaan een eigen leven leiden in Sauls hoofd en ze brengen hem tot waanzin en uitzinnigheid. Hij probeert het probleem nog fysiek de baas te blijven, door Samuël bij zijn jas te grijpen. Die draait zich echter met zoveel geweld om, dat er een stuk van zijn mantel afscheurt. En die gescheurde flard wordt direct de illustratie bij het vervolg van zijn preek: “De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij. En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.”

Moet je je even indenken hoe fors die dolkstoot in Sauls trotse hart moet zijn geweest! Zijn concurrent (want zo zal hij hem blijven zien) waardeert God als ‘beter dan hij’! Wat Saul daaroverheen smeekt heeft iets aandoenlijks en afschrikwekkends tegelijk: “eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israël; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.” Zie daar de ware aard van Saul. Zijn werkelijke motief is: hoe zien de mensen mij! Niet: hoe ziet de HEERE mij? Ken je ook zulke mensen uit je omgeving of ben jij er zelf een? Dat je met al je vroomheid en godsdienstigheid alleen maar leeft voor de buitenkant en voor de mensen. Wat een in en in diep triest mens ben je dan. Beklagenswaardig. Je merkt er iets van hoe kil en gevoelloos de satan mensen zijn greep houdt! Juist daarom zo meelijwekkend!

Samuël laat zich verbidden; de HEERE niet! Niettemin slaat hij Agag dood, waar iedereen bij staat. Daarmee eerde hij Saul zeker niet. Want iedereen heeft kunnen zien hoe verbeten zijn gezicht moet hebben gestaan. Iedereen… ook Jonathan. En te vrezen is, dat hij ook de woorden van Samuël heeft gehoord. Het moet haast. Dat oordeel had namelijk ook impact op Jonathans leven… hoewel… Misschien heeft Jonathan (en misschien ook Saul wel) nog het idee gehad dat de HEERE op hem doelde. Uw ‘naaste’ die ‘beter is dan gij’… Die wapendrager, zie je hem staan? Keek hij nou verwachtingsvol naar zijn ­meester Jonathan? Interpreteerde hij die woorden ook op Jonathan? We weten het niet, maar vermoeden het slechts.

Jonathan was een randfiguur, latent aanwezig, in deze intens aangrijpende geschiedenis. Iedereen lijkt tot de orde van de dag over te gaan, alsof er geen mokerzwaar oordeel boven het koningshuis hangt: “Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibea-sauls.” Over Samuël en over de HEERE lezen we nog wel wat inhoudelijks, maar over Saul niet. “En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.”

Raakt dit je? Voel je hoe nauw het luistert in het leven met de HEERE? Voel je ook hoe scherp en zwaar die woorden van God zijn, die Saul in één veeg aan de kant schuift? En merk je ook hoe intens beklagenswaardig en verloren je bent, als God je aan de kant schuift? Je zou haast vergeten dat er nog ruimte tot bekering was. Wat zou juist dít aspect met Jonathan hebben gedaan?

dinsdag 30 augustus 2016

Intensief luisteren naar Gods stem; ken je dat?

"En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?"
Genesis 50 : 19

GOUDA. De leerlingen van het Hoornbeeck College kwamen gisteravond in Amersfoort, Apeldoorn, Gouda (foto), Kampen en maandagmiddag in Rotterdam bijeen om het schooljaar te openen. Het beeld raakte me door de verschillende (soms ongeïnteresseerde) luisterhoudingen Beeld Martin Droog


Je houdt de adem in, als je de broers zo ziet liggen op de grond. Ja, wij weten anno nu eigenlijk teveel, zodat we de spanning in deze verzen niet meer zo kunnen voelen. Wij weten immers hoe het afloopt, maar de broers nog niet. Als je je een moment inleeft in hun positie, waarin zij het ergste vrezen, hóe groot is dan het contrast wanneer Jozef gaat spreken.

Als Jozef zegt "Vreest niet", dan heeft hij gevoeld dat er wel degelijk angst was voor een slechte afloop. De broers hadden hun verzoek eerst indirect ingediend en daarna waren ze zelf de zaal van Jozef binnengebracht, al dan niet door Jozef uitgenodigd dan wel gedaagd. Het blijft wat vaag hoe het er precies aan toe ging, maar niets in het voorspel liet de broers iets voelen van een goede afloop. Eigenlijk net zo, zoals het ging vóórdat Jozef zich aan hen openbaarde, 17 jaar geleden. Ongetwijfeld zijn de beelden uit die tijd diverse keren door hun hoofd geschoten.
Maar nu klinkt Jozefs stem; een stem die niet alleen woorden dicteert, maar ook kleur geeft aan die woorden door middel van sociale en emotionele klank. Reken maar dat de broers al bij het eerste woordje ál hun voelsprieten uitstaken, om te proeven hoe Jozefs stemming was. Vraag vooraf: zitten we ook zo in de kerk? Luisteren we ook zo intens? (Zie de afbeelding hierboven).

Geen macht tot kwaaddoen

Hoewel Jozef begint met de woorden "Vreest niet", wil ik toch achteraan dit vers beginnen, om zo Jozefs intentie voor die eerste twee woorden te proeven. Wat is de reden, waarom hij zegt "Vreest niet"? Het motief volgt na het redengevend voegwoord 'want'. "Ben ik in de plaats van God?" Wat een merkwaardige woorden! Toen de knecht van Naäman met een brief namens de koning van Syrië bij de koning van Israël kwam, scheurde die laatste zijn kleren en zei: "Ben ik dan God?" Met andere woorden "Ik ben toch zeker God niet?! Hoe kan ik ooit aan dit verzoek voldoen?" Bedoelt Jozef met zijn woorden ook zo iets?
Nou, in zekere zin wel, maar dan niet op zo'n onverschillige en lompe manier. Lees de Kanttekeningen maar: "Dat is, ben ik God, Die de macht zou hebben u kwaad te doen, (u) die God door mij goed doen en behouden wil?" Hij zegt dus eigenlijk: "Als de HEERE nu enkel goed wil doen aan jullie en jullie behoud zoekt, zou ik jullie dan kwaad kunnen doen?" Dat is een bijzondere redegeving, nietwaar? Jozef houdt zich verre van wraak, omdat hij merkt dat de HEERE – ondanks de gemene streken van de broers – bezig is met een groter en heerlijker plan: het behoud en een heel volk. Ja, nog een stap verder: de HEERE is hard bezig om de weg te banen naar de Messias!
Jozef had – menselijker wijze gesproken – alle reden om wraak te nemen. Hij had er zelfs de macht toe, omdat de broers strafbare feiten hadden gepleegd. Hun verzoek dat met angst voor Jozef gepaard ging, alsmede met een verwrongen beeld van hem, had evenzeer reden kunnen zijn om hen op te pakken en uit de weg te ruimen. Elk mens zou uit zijn vel zijn gesprongen, denk ik. Heb je eerst zo'n hele rit naar en van de begraafplaats in Kanaän gemaakt; blijken ze achter je rug om een plannetje gesmeed te hebben, nota bene met de woorden van je overleden vader als stok achter de deur; niet meer te verifiëren. Hebben ze al die jaren dat ze daar in Gosen bivakkeerden, hun kaken op elkaar gehouden, en komen ze nu opeens en tekenen Jozef af als iemand die op wraak zint?! Terwijl hij alleen maar goed deed aan hen!

Geen vrees voor wraak

Maar Jozef toont geen wraak. Al de ellende die hij ook – buiten de schuld van de broers om – hier in Egypte heeft moeten verduren (door toedoen van die zinnelijke heks (de vrouw van Potifar) en door de vergeetachtigheid van de schenker) heeft Jozef kunnen plaatsen en achterlaten in Gods raadsplan. En dat verrijkt hem zó dat het hem de 'macht' tot wraak ontneemt. "Zou ik kwaad doen, terwijl God goed wil doen? Onmogelijk!" Wat een les! In tal van situaties in ons dagelijks leven. Het zoeken naar Gods plan en het zicht op Zijn Vaderlijk handelen weerhoudt ons van kwade gedachten of zelfs van wraakgierige gevoelens. Zou je dat ook willen?

Ik kan niet nalaten te kijken naar de meerdere Jozef, onze Heere Jezus Christus. Hem onder ogen komen doet toch zeker niet onder voor het Jozef onder ogen komen? "Ja ik sloeg Hem die wonden, ik veroorzaakte al die pijn en smaad en gaf Hem die doornenkroon." Als je dat ziet, hoe zou je Hem dan onder ogen kunnen komen?
Nog een stap verder: als je de zondeval niet een zaak van Adam en Eva laat zijn, maar een zaak van jouw eigen hart… hoe zouden je God de Vader dan onder ogen kunnen komen? Echter, waar Jozef voor de broers nog enigszins onberekenbaar had kunnen zijn, daar is de HEERE de betrouwbare. Wie tot Hem komt wordt nooit onverrichter zake weggestuurd. Hij laat geen bidder staan. Zelfs wil ik bestrijden dat Hij mensen maar lekker laat wachten – wat sommige uiterst rechtsen wel willen beweren. Zo is de HEERE niet. Hij is gaarne vergevende en dus ook actief en intensief bereid. Het lag niet aan de aarzeling van God of Zijn sarcastisch, treiterend laten wachten, als we verloren gaan. Weliswaar kan Hij Zijn kinderen op de proef stellen. Abraham moest lang wachten op een kind; maar niet zonder de voortdurende belofte. Het kruis dat hij – en ieder die Jezus volgt – krijgt opgelegd, is te dragen.
Gods beloften – die spreken van de wil en bewogenheid van de HEERE om goed te doen – weerhouden Hem van wraak. Ja wraak is er wel, wanneer wij Hém laten wachten of zelfs wegtheologiseren. Wraak is er als we Hem botweg en brutaal negeren of zelfs voor dood verklaren. Maar niet als we tot Hem de toevlucht nemen. En zeker niet als ons hart vol liefde tot Hem uitgaat. Waar denk je dat die liefde vandaan komt? Waar denk je dat die drang om de toevlucht tot Hem te nemen vandaan komt? Bij Hemzelf vandaan! Zou Hij dan laten wachten op wat Hij Zelf in jou heeft gewerkt? Hij vindt gunst en niet in wraak Zijn lust; de hitte van Zijn gramschap (wraak) is op Golgotha geblust. Geen veilige plek dan aan Zijn Vaderhart!
  1. Kijk eens kritische naar jouw motivatie bij het lezen van Gods Woord. Ben je benieuwd wat de HEERE jou te zetten heeft?
  2. Let eens op je luisterhouding. Zou jouw houding van invloed kunnen zijn op de concentratie en nieuwsgierigheid/begeerte van anderen om je heen?
  3. Hoe goed is het om juist ook in een week van Voorbereiding op het Heilige Avondmaal, stil te staan bij en te mediteren over Christus’ verlossingswerk. Kom je daar voldoende aan toe? Waar zou je behoefte aan hebben?

donderdag 10 december 2015

Waarom we niet altijd een bevestiging krijgen

 
"Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft.
En de mens geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging heen."
Johannes 4 : 50

Wat zou je zulk soort nieuws graag uit Jezus' mond horen! "Ga heen, je geliefde is gezond", "Ga heen, je problemen zijn over" of "Ga heen, je kind is wedergeboren". Zou je het geloven, als Hij het je zei, zonder dat je dat ter plekke kon checken? Zou je niet twijfelen, als je zulke berichten kreeg; toch ergens in je achterhoofd een reserve? Of – en dat is ook mogelijk – zou je na zo'n bericht achterover gaan leunen, omdat wedergeboorte onuitwisbaar en onverbrekelijk is? Daarmee zou je een gearriveerd christen zijn; maar kan dat wel?

Horen

Bij het nadenken over deze tekst vond ik een vertaalde preek van Spurgeon over dit gedeelte. Soms heeft Spurgeon een hang naar  inlegkunde en gaan refo's in Holland daarmee aan de haal in het vertalen van zijn preken. Deze preek neigt daar ook naar; er wordt ingegaan op de vonk van geloof bij de man, die Spurgeon ook mogelijk als Chûsas aanwijst. In de preek staan een aantal waardevolle dingen die ik hier en daar inlas. Bijvoorbeeld dit:
"Mogelijk had hij er nooit aan gedacht om Jezus te zoeken als het niet was geweest om die dierbare stervende knaap. Hoe vaak gebeurt het, dat kinderen, ofschoon het geen engelen zijn, nochtans gebruikt worden om beter werk te doen dan engelen zouden kunnen volbrengen; want zij leiden op zoete wijze hun ouders tot God in de hemel. Zij slingeren zich om ons hart, en als wij dan zien dat zij ziek worden, en hun pijnen merken, wordt ons medegevoelend hart door angst en benauwdheid aangegrepen, en wij roepen uit: "O God, spaart Gij mijn kind! Heere, ontferm U over mijn kleine lieveling!" De eerste gebeden die uit menig hart voortkomen, worden, onder Gods bestel, ontlokt door de smart over teer beminde kleine kinderen. Staat er niet geschreven: "En een klein jongsken zal ze drijven?" Zo was het bij deze man; hij werd door de onrust, door de angst om een kind, tot Jezus gebracht. Op dit ogenblik ligt de gedachte mij sterk bij, dat ik tot sommige personen het woord richt, die niet bekeerd zijn, maar hier zijn gekomen, omdat zij in grote benauwdheid verkeren; mogelijk wel, dat één van hun geliefde kleinen wegkwijnt, en hun hart roept tot God, dat, zo het mogelijk is, het dierbare leven gespaard moge blijven. In het huis des gebeds gevoelen zij zich enigermate verlicht, hun hart is anders op het punt om te breken vanwege het verlies, dat zij zozeer duchten. Hoezeer bid ik onze Heere, dat Hij deze onrust moge gebruiken als een middel der genade!"
Wie God wil horen spreken moet wel bij Hem komen: in Zijn huis, maar ook in Zijn Woord en in het gebed. Deze man moet een corrigerend voorbeeld voor je zijn, wanneer het lijkt dat je God niet hoort/bemerkt, maar je toch verder niets onderneemt. In al zijn verdriet en zorg krijgt Chûsas een antwoord op zijn vraag. Maar wat zal hij ermee doen?

Geloven

"Oké, dan zullen we maar snel gaan," besluit Jezus, terwijl Hij de man in de ogen kijkt. Dat zou deze man hebben verwacht; zijn hartekreet vroeg om snelle reactie van Jezus. Hij lijkt wel een beetje op Naäman die bij Elisa aanklopt en alvast in zijn verbeelding bedenkt hoe het zal gaan verlopen. Elisa zal zul of zo zeggen of doen… Niets van dat al: "Was u zevenmaal in de Jordaan…". Deze man had ook zo'n voorstellingsvermogen en dacht dat Jezus wellicht machtig was, maar toch wel lijfelijk aanwezig moest zijn bij zijn zieke zoon. Echter, Jezus stuurt hem met dezelfde stelligheid weg als Elisa met Naäman deed.
“Vele mensen zouden door hun verstandelijke vooroordelen de Heere der genade wel willen binden aan een bepaalde weg om hen te behouden; maar onze Heere wil Zich niet aldus onder bedwang laten brengen; waarom zoude Hij dat ook doen? Hij wil behouden die Hij wil, en Hij wil redden zoals Hij wil. Zijn evangelie is niet: "Gij moet zo en zoveel verschrikkingen en wanhoop ondergaan, en gij zult leven", maar "Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig  worden." Hij komt tot velen en roept hen met kracht door het zacht gefluister van Zijn liefde; zij stellen slechts hun vertrouwen op Hem en genieten onmiddellijk rust. Met weinig treffend gevoel, hetzij van verschrikkelijke, hetzij van opwindende aard, oefenen zij met een kalm gemoed een kinderlijk vertrouwen op hun gekruisigden Heere, en zij vinden het eeuwige leven. Waarom zou het met u niet zo zijn? Waarom zoudt gij uzelf buiten alle troost sluiten door een programma op te stellen en te vragen, dat de vrije Geest Zich daaraan houdt? Laat Hem u behouden gelijk Hij wil. Weg met dwaze vooroordelen!



Wat moest hij doen? Er was niets te zien, niets te verifiëren. Als hij nu niet zou aanhouden bij Jezus en naar huis zou gaan, dan zou hij zijn zoon wellicht dood aantreffen. Hij moest Jezus er toch van overtuigen dat Hij écht mee moest?! We lezen er niets van. Er staat dat ontstellende, verrassende en verblijdende: "en de mens geloofde het woord tot hem zeide."
“Merkt op, dat dit geloof zulk een klein geloof was, dat het slechts betrekking had op het genezen van het zieke kind. De koninklijke hoveling wist niet, dat zijn eigen hart genezing van node had; hij bemerkte zijn eigen onkunde aangaande Jezus en zijn blindheid ten opzichte van de Messias, niet; wellicht was het hem onbekend, dat hij behoefte had aan de wedergeboorte; en evenmin verstond hij het, dat de Zaligmaker hem geestelijk leven en licht kon schenken. Hij had weinig kennis van de geestelijke macht van de Zaligmaker, en aldus was zijn geloof zeer beperkt van omvang. Wat hij geloofde was, dat de Heere Jezus, als Hij tot zijn huis wilde komen, zijn kind kon behoeden voor het sterven aan de koorts. Zover was het met hem; en het geloof dat hij bezat, wendde hij terstond aan tot een praktisch gebruik.






Bij Jezus komen met een verzoek – Spurgeon wijst daar ook heel sterk op – verschaft je nog geen recht dat Hij zal horen. Niettemin mag er grote verwachting zijn op Zijn genade. Pleiten op Zijn genade is eerlijk toegeven dat je niets verdient en toch alles verwacht van Hem.
Let op de drangreden, die hij gebruikt. Hij smeekte Jezus om af te komen en zijn zoon te genezen, want deze lag op zijn sterven. Hij stelde geen verdienstelijkheid op de voorgrond, maar bepleitte het diep treurige van het geval. Hij wees er niet op, dat de knaap van aanzienlijke geboorte was – dat zou een zeer slecht pleiten bij Jezus geweest zijn; ook stelde hij niet op de voorgrond, dat het een beminnelijk kind was – dat zou al een onbeduidende drangreden geweest zijn. Neen, hij pleitte, dat hij op zijn sterven lag. Dat hij in zijn uiterste lag, dat was de reden voor de aandrang; het kind was aan de poort des doods, daarom smeekt de vader, dat de deur der genade moge worden geopend. Wanneer gij, mijn vriend, door genade geleerd hebt om op de rechte wijze te bidden, zult gij die feiten op de voorgrond plaatsen, welke uw eigen nood en gevaar openbaren, en niet die, welke u rijk en rechtvaardig zouden doen schijnen. Bedenk hoe David bad. "Heere", zeide hij, "vergeef mijn ongerechtigheid, want zij is groot." Dat is een evangelisch pleiten. De meeste mensen zouden gezegd hebben: "Heere, vergeef mijn onrechtmatigheid, want zij was verschoonbaar en reikte op verre na niet tot de afschuwelijkheid van mijn medemensen." David wist het beter. Zijn geroep luidt: "Vergeef mijne ongerechtigheid, want zij is groot."
Bepleit bij God, arme zondaar, de grootheid van uw nood, het ellendige van uw toestand; zeg, dat gij op uw sterven ligt; zeg, dat de zaak, waaromtrent gij pleit, een zaak van leven of dood is; dit zal een drangreden zijn, die er op berekend is om het hart, dat met oneindig mededogen vervuld is, te bewegen. Iedere tint van goedheid, welke uw trots in verzoeking mocht brengen op de schilderij te werpen, zou ze bederven: leg de zwarte kleuren er maar dik en driedubbel op.
Pleit bij God, terwijl gij u beroept op Zijn genade; want genade is het enige, waarop gij met hope u gronden kunt in uw toenadering tot Hem, gij, die een zondaar zijt, welke nog geen vergiffenis heeft ontvangen. Gij kunt de Heere niet vragen u te zegenen vanwege enigerlei verdienste of waardigheid, die gij bezit, want er is geen spoor van zoiets bij u aanwezig; maar gij zult wijs handelen, wanneer gij uw noden voordraagt. Roep: "o God, wees mij genadig, want ik heb Uw genade van node!" Leg het geval met uw kind bloot en zeg: "Want hij ligt op zijn sterven." Dit is de sleutel, die de deur der genade opent. Volgt gij mij, waarde toehoorders, gij, die niet bekeerd zijt? Is er in ieder geval in u een begeerte om tot de Heere Jezus Christus te komen, al is het dan ook alleen, omdat een tijdelijk leed u zwaar terneer drukt? Een paard heeft geen dozijn sporen nodig om het vooruit te krijgen. Die, welke nu uw zijde wonden, zijn scherp genoeg, en zij worden zo diep ingedrukt, dat gij het wel moet gevoelen. Luistert er naar, opdat er niet een zweep zowel als sporen nodig zijn om u in beweging te krijgen. Indien gij tot het uitverkoren volk des Heeren behoort, zult gij moeten komen, en hoe bereidwilliger gij dit doet, des te beter zal het voor u zijn. Komt terstond. Wees niet gelijk een paard, of gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft; maar komt tot Jezus, terwijl Hij zachtjes trekt. Al is het ook met zulk een zwak geloof, dat gij vreest dat het eerder ongeloof dan geloof is, nadert nochtans tot Hem. Komt juist zoals gij zijt, en ziet biddend naar Jezus op; want in dat bidden zal de hoop, ja de zekerheid der bevrijding liggen. Het grote hart van Jezus zal uw gebed gevoelen en zeggen: "Gaat heen in vrede."

Doen

Hij gaat! Hij gaat! Vind je dat geen wonder? Leg je eigen vertrouwen er eens naast? Als jij hetzelfde zou hebben gedaan, dan nóg zou je het een wonder blijven vinden, omdat je weet hoe groot het wonder in jouw eigen hart zou zijn. Laat staan als je dit niet herkent in je eigen leven en totaal het vertrouwen mist om Jezus op Zijn woord te geloven.
De man ging en we zullen in een van de komende dagen horen en zien dat Jezus hem onderweg toch nog een bevestiging gaf, voordat hij thuis was! Een numeriek, rekenkundig teken zelfs.
Het is zo'n bekend spreekwoord: 'we brengen wel alles bij de HEERE in het gebed, maar we nemen het na het 'amen' voor het merendeel weer op en sjouwen door'. Juist dan, wanneer je niet kunt merken/zien dat God zal verhoren of zelfs al verhoord heeft. Ik blijf dat vertrouwen een lastige zaak vinden; en juist dat doet mij verlangen naar de Jongste Dag, waarop ik nooit meer wantrouwende gevoelens in mijn hart voel opkomen. Wanneer ik Hem altijd en volkomen vertrouw, dien en liefheb.

vrijdag 4 december 2015

Een bekeringsverhaal met extra resultaat

Standbeeld van Andrew Gray (1828-1917) in het Zuid-Afrikaanse Wellington, waar hij op 18 januari 1917 overleed.


En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde:
Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.
Johannes 4 : 39

Twee uit een stad? Nee er staat velen uit die stad geloofden in Hem. Die hadden dan zeker wel een hele lange bekeringsweg afgelegd, door diepe dalen, langs de angsten der hel; het haar zal hen te berge gerezen zijn, geestelijk, nietwaar? Ze zullen de slaande hand des HEEREN wel zwaar hebben gevoeld; in de derde hel verworpen en opgetrokken tot in de zevende hemel? Ik weet niet wie al dat soort termen bedacht heeft, maar ze vinden geen basis en stramien in Gods Woord. Wel lees ik dat hier mensen van een afwijkend joods-achtig geloof tot geloof komen, nadat één van hun stadsgenoten iets bijzonders heeft meegemaakt. Copy-paste-gedrag, zoals je bij veel opwekkingsbijeenkomsten en in veel hypercalvinistische kringen tegenkomt? Een echte GerGem-bekering, zoals ik quasi-rechtzinnige mensen soms hoor zeggen? Laten we liever naar Gods Woord luisteren.

Een grote volksbekering

De vader en naamgenoot van de bekende schotse opwekkingsprediker Andrew Murray, die eveneens werkzaam was in Zuid-Afrika, heeft sterk gebeden om een opwekking maar moest er lang op wachten. L.J. van Valen heeft over hem een boek – 'Geworteld in Zijn liefde' – geschreven en ik citeer iets uit een gesprek met hem, dat voorin een prekenbundel van Murray staat.

"Hij was een veelzijdig en kleurrijk leidersfiguur die van grote betekenis is geweest voor de kerk in Zuid-Afrika. Met veel toewijding gaf hij leiding aan een grote opwekking die er in 1860 plaats had. Van Murray's vader is bekend dat hij veertig jaar lang naar een geestelijke herleving had uitgezien. Elke vrijdagavond trok hij zich in zijn studeerkamer terug om ervoor te bidden. Toen hij de wonderen zag die de Heere in tal van gemeenten deed, riep hij in tranen uit: „Dat ik dit nog mag meemaken..." Murray Jr. merkte in het pastoraat dat mensen zich min of meer gelaten neerlegden bij hun falen en hun inwonende zonden. Meer dan eens hoorde hij gemeenteleden zeggen: ,,We blijven tot het laatst zondaar, nietwaar?" Daar was hij het op zich mee eens, maar de manier waarop zulke uitspraken werden gedaan, wees hij af. Mensen namen er genoegen mee. Zij berustten erin. Ze gebruikten die waarheid als een dooddoener. Na een weg van zoeken en tasten ontdekte Murray dat de Heere ons veel meer in de heiliging wil geven dan wij ons bewust zijn. In de weg van gebed en Bijbelonderzoek breekt Hij de heerschappij van de zonde in ons leven af. Christus is niet alleen de Gekruiste, maar ook de Opgestane. Daarom kunnen wij door de kracht van de Heilige Geest vorderen in de genade. De zonde is er wel, maar hij heerst niet meer over ons"
Overwinningsleven is een ontspoord begrip geworden. Niettemin is het waar – we stonden daar gisteren op de MannenBijbelstudieVereniging in Schoonhoven bij stil vanuit Romeinen 6 – blijven veel mensen hangen in de zonde die nog steeds aankleeft. In Christus zijn we – let erop: in Christus! – meer dan overwinnaars. De zonde is er wel, maar heeft geen recht van spreken meer. Hij is ons tot vijand geworden; we zijn een nieuwe schepping geworden. Het weidt te ver uit om over deze materie verder te schrijven. Wat ik wilde onderstrepen is vanuit het leven van vader en zoon Andrew Murray de begeerte en het verlagen naar een opwekking. Een helder zien wat zonde is, wat zonde doet en waar wij staan – na ontvangen genade – ten opzichte van de macht van de zonde.
De stadsgenoten van de zondares uit Sichar kwamen tot inkeer door het verhaal over de ontmoeting met Jezus. Daarin werd haarscherp duidelijk hoe de Messias te werk ging: Hij zei haar – legde bloot – alles wat ze had gedaan! Eigenlijk is dat de vooruitgeschoven Jongste Dag. Sommigen spreken van 'de vierschaar in het geweten' – een term die een zeer gevaarlijk eigen leven is gaan leiden (evenals dat overwinningsleven), maar het geeft wel iets aan van de kern van de ontmoeting met Jezus. Oog in oog met Hem staan is 'niet meer weten waar je blijven moet, vanwege je zonde'. Maar daar staat geen punt, dat drijft onherroepelijk uit tot Hem, met Wie je oog in oog staat. De vrouw heeft dat ondervonden en komt van die ontmoeting vertellen, met alle gevolgen van dien! Al moet ik er direct bijzeggen dat niet ieder van die mensen uit Sichar kreeg te horen 'alles wat hij/zij gedaan had'. Er zijn er zeker geweest die bij die ontmoeting werden getrokken door de liefde van Christus. Niet ieder ondervindt hetzelfde als hij of zij tot geloof komt. En er zijn er ook die al van jongsaf de HEERE mogen vrezen en liefhebben. Zij zullen gaandeweg hun leven, op een gelijkmatiger manier worden gevormd!

Een goede voorbeeldhouding

Wat heeft die vrouw precies gezegd? Wat heeft ze precies ondervonden, meegemaakt, doorleefd. De Bijbel vindt het blijkbaar niet nodig daar verder over uit te weiden. De vrouw heeft gewoon letterlijk gezegd; "Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?" Dat was blijkbaar voldoende om de mensen per direct in beweging te zetten. Haar woorden kregen impact door de Heilige Geest. En ik geloof zeker dat haar woorden niet helemaal theologisch feilloos waren gevormd; ze stonden ook nog eens haaks op de theologie over de Messias van die dagen! Dus haar woorden hadden zo'n beetje alles tegen wat je maar kunt bedenken. En kijk eens wat er gebeurt: ze laten alles vallen en snellen de stad uit. Niet één of twee, maar velen!
Er moet nog iets geweest zijn, al staat het er niet met zoveel woorden bij. Ze vertelde – lees het maar in onze tekst: "Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb". Vind je het niet merkwaardig dat zij in levende lijve daar in Sichar is teruggekeerd? Is het niet wonderlijk dat ze nog woorden weet te vinden? Hoe geslagen en door God verbrijzeld was ze? Ik lees er niets van. Ze stond daar, getuigde en was een levend toonbeeld van Gods barmhartigheid en genade. Besef je hoeveel impact dát heeft?
Het is in de gereformeerde gezindten trendy om een verbrijzelend imago van de Godsontmoeting te schetsen en dat anderen op te leggen als maatstaf en regel. Ik kan je verzekeren, deze Samaritaanse vrouw past niet in dát orthodox-gereformeerde plaatje. En toch maakt de HEERE haar tot een toonbeeld, een illustratie, van Wie Hij werkelijk is. De mensen vluchten niet weg, zoals Lot uit Sodom en later zelfs uit Zoar, maar ze snellen naar Christus toe. En het feit dat de vrouw haar stadsgenoten daar deelgenoot van wilde maken – het hen ook zo gunde om bij Jezus te komen – wekte nieuwsgierigheid, verlangen en zelfs aanbidding.
We kunnen met recht verlangen naar een opwekking. Het wordt tijd dat we ons kerkelijk denken – zowel ter linker- als ter rechterzijde van de Koninklijke weg – weer eens goed naast de Schrift gaan leggen. Want we kunnen wel een spectaculaire opwekking wensen, maar als we dat wensen met de afgoden van hyper-calvinistische rechtzinningheid of orthodoxe Godsvertekening dan is er weinig hoop op een opwekking. Die vrouw werd aangezegd wat ze gedaan had, maar ze bleef niet wie ze was! Welke les trek jij er voor jezelf uit?

dinsdag 13 januari 2015

Achab is een slechte journalist

"En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard."
1 Koningen 19 : 1


Beeld van Elia die de Baälspriesters doode bij de berg Karmel


Je kent die geschiedenis toch wel, van Elia op de berg Karmel? Dat hij het volk en koning Achab uitdaagde om eindelijk eens te laten zien wie er nu God is: Baäl of de HEERE? Laten we even meeluisteren met Achab, want hij is het verhaal net aan het vertellen tegen zijn vrouw Izébel.

Achabs verslag van de gebeurtenissen

"Het is een ramp. Elia heeft alle profeten van Baäl vermoord!" Als door een adder gestoken, schiet Izébel met haar vadsige lichaam omhoog. Haar ogen sperren zich wijdopen. "Alle?!" De spiegel valt uit haar handen op de stenen vloer aan stukken. De gouden bokaal met wijn klettert op de grond en de wijn spat alle kanten op. Natuurlijk wist ze wel van de grote bijeenkomst op de Karmel. Maar ze was er zeker van dat Elia geen schijn van kans maakte tegen haar en Baäl. Elia, met zijn gepoch over die God van Israël; ze kan hem niet uitstaan!

Voorzichting dringt het verhaal van Achab tot haar door. Elia had de Baälspriester uitgedaagd. Ze hadden zich de hele dag al druk gemaakt, zelfs gesneden met messen, maar Baäl antwoordde niet. Elia durfde zelfs te spotten: "Misschien is Baäl op reis en hoort hij jullie niet of… nee, dat zal toch niet waar zijn… zou hij slapen?" Dat had toch gewroken moeten worden, spotten met Baäl?
Minachtend kijkt Izébel haar man aan: "En dat heb jij allemaal laten gebeuren? Jij hebt er naar staan kijken en je deed helemaal niets?" Achab schudt zijn hoofd en probeert zich vrij te pleiten. Maar hoe hij ook probeert, hij moet toegeven dat het een belachelijke vertoning was geweest, die 850 profeten en priesters, samen met een koning en een sterk leger, die niet tegen deze ene profeet van de HEERE op konden.
Ze hebben allemaal werkeloos staan toekijken, toen Elia zijn altaar kletsnat liet maken met ik weet niet hoeveel vaten water. Er moest zelfs een greppel om het altaar worden gegraven, omdat anders het hele volk in de modder zou staan; zóveel water! Hij daagde die Baäl tot het uiterste uit.
Elia had tot God geroepen met een grote stem, voor iedereen hoorbaar: "Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt."

En God sprak wél

Toen kwam die verpletterende flits uit de hemel. Gods heiligheid vlamde als een jaloerse toorngloed vanuit de hemel recht op het altaar. Het was erger dan de verhalen die de mensen hadden gehoord over Gods aanwezigheid op de Sinaï, in de tijd van Mozes.

En toen het volk diep onder de indruk op hun aangezicht viel en belijdenis deed: "De Heere is God, de HEERE is God" (let erop dat ze dat tweemaal deden; een dubbele belijdenis), klonk Elias stem radicaal: "Grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome." En de mensen grepen die profeten; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte ze daar als slachtvee! Walgelijk, wat een beeld zit daar op Achabs netvlies! Achthonderdenvijftig doden waren te betreuren. En evenveel gezinnen rouwden over een dode vader of broer.
Izebel is witheet, als ze dit hoort. "En nu?!" Even is Achab bang dat ze een hartaanval zal krijgen van woede. Bleek staat hij voor haar. Hij kent haar toorn, ontvlambaar en explosief als de zwavelputten bij Sodom en Gomorra in de tijd van Loth. Maar hij heeft op de Karmel ook Góds toorn gezien.

Een slechte journalist

En – als we onze dagtekst goed lezen – hij slikte zijn laatste woorden maar in. Zijn laatste woorden? Ja, want we lezen alleen dat Achab vertelt wat Elia allemaal gedaan had; en vooral de moord van de Baälspriesters en -profeten. Hij had Elia in het kwaadste daglicht proberen te stellen, dat maar denkbaar was. Maar hij verzwijgt dat Elia ook iets tegen Achab had gezegd: "Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedigen regen." En toen Achab – zij het met lood in zijn schoenen – naar huis wilde gaan, vuurde Elia hem nog een keer extra aan: "Er is al een wolk als eens mans hand aan de lucht verschenen. Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude." Geen enkel woord van verwijt had uit de mond van Elia geklonken! Alleen maar verrukking over Gods genade en barmhartigheid.

Achab is thuisgekomen, maar van eten en drinken is weinig meer gekomen. Verslagen zit hij in zijn leunstoel. Ondanks zijn woeste baard en gespierd postuur, ziet zijn vrouw hem als een mislukkeling en een slappeling. Als hij terugdenkt aan het gebeuren op de Karmel, ziet hij zichzelf ook als een slappeling… hij had Elia zó kunnen doden. Maar hij durfde niet. Waarom? Zijn knagend geweten geeft het antwoord.


Als je dit nu zo leest, vind jij dan ook dat Achab iets belangrijks verzwijgt? Een journalist moet een objectief en volledig verhaal vertellen, van iets dat is gebeurt. Achab deed dat niet; zijn verhaal is ingekleurd en dus eenzijdig. Het verhaal dat ik je daarnet vertelde is natuurlijk een beetje geromantiseerd, maar als je 1 Koningen 18 eens goed leest – en dan weer naar onze dagtekst kijkt – zie je dat Achab eigenlijk het meest belangrijke verzwijgt: Gods genade voor een ontrouw verbondsvolk.
Het hebreeuwse woord 'zeggen' in de dagtekst, betekent inderdaad 'vertellen', 'berichten' of 'informeren'. Maar het wordt ook gebruikt in de betekenis van 'belijden', 'erkennen' en 'toegeven'. Die laatste betekenissen missen we helaas in Achabs woorden.
Check jezelf eens hoe jij verhalen doorvertelt. En vooral: hoe je over de HEERE spreekt; tegenover kerkmensen en gezinsleden, maar vooral tegenover mensen/jongeren van buiten de kerk. Want misschien is jouw verhaal wel het enige dat zij horen over God!



Psalm 119 vers 7
'k Heb and'ren al de rechten van uw mond
Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen;
Uit al den schat van 't grote wereldrond
Is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen,
Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond,
Door mij betracht, en and'ren aangeprezen.