Posts tonen met het label Jozef. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jozef. Alle posts tonen

woensdag 2 mei 2018

Leven en sterven in het geloof

Hoofdstuk 6


En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.
Handelingen 7 : 14-16




‘Jozef zien’ was een wens die vader Jacob eigenlijk allang niet meer op zijn verlanglijstje had staan. Hij had zich verzoend met het gemis van zijn lieveling en manifesteerde zijn liefde voor Jozef vrijwel zeker in zijn liefde voor Benjamin. Hoe groot was de schok die Jacob moest incasseren, toen bleek dat zijn zoon Jozef tóch nog leefde. Opeens stond er weer een oude wens bovenaan zijn verlanglijstje!
 

Ontboden
 Je kunt zeggen van Stefanus wat je wilt, maar hij verliest zich niet in details. Hij is een prediker van de grote lijnen. En dat luistert soms heel prettig.
In een paar krachtige lijnen tekent hij de oude vader Jacob, die te horen krijgt dat zijn zoon Jozef nog leeft. Ja, wat meer is: hij is onderkoning in Egypte, het land waar nog koren te koop is en waar hoop nog bestaat! Het blijft niet bij een gerucht over het in leven zijn van zijn zoon. Nee, er komt een persoonlijke boodschap bij Jacob thuis, waarin hij wordt ‘ontboden’ in het paleis van Jozef, de grootvizier.
Henk Stoorvogel schrijft in ‘Onderweg met Jozef’: “In Genesis 45 : 8* vat Jozef de positie, die hij van farao heeft gekregen, samen in drie titels: 1. Belangrijkste raadsman van de farao, 2. Bestuurder van het hele hof en 3. Heerser over heel Egypte. De titel ‘Belangrijkste raadsman van de farao’, vaak (beter) weergegeven met ‘Vader van de farao’ betekent letterlijk ‘Vader van de god’. Aangezien farao als goed gold kreeg Jozef de titel ‘Vader van de god’. Deze eretitel wijst op zijn ­belangrijke adviesrol richting de farao in het algemeen en de interpretatie van de dromen en het voorstellen van het ­reddingsplan in het bijzonder. De titel’ Bestuurder van het gehele hof’, of ‘Heer over heel zijn huis’ houdt in dat Jozef het gezag kreeg over alle landerijen en graanopslagplaatsen van de koning. […] De derde titel die Jozef kreeg was de meest verstrekkende: ‘Heerser over heel Egypte’. Als ‘Heerser over heel Egypte’, of ‘Groot­vizier over Egypte’, gaf Jozef leiding aan de regering, was hij verantwoordelijk voor de be­noeming en het ontslag van ambte­naren, was hij verantwoordelijk voor alle financiën en goederen van Egypte, controleerde hij de toegang tot de farao en had hij de supervisie over alle bouwprojecten, industrie en landbouw in Egypte. Ook was een onderdeel van deze functie het behartigen van alle relaties met omliggende volken. Vandaar dat de broers uit Kanaän ook eerst langs Jozef moeten voor ze graan kunnen kopen. Normaal […] werden deze functies […] verdeeld over twee personen, om te voorkomen dat één persoon te veel macht kreeg. Vanaf de regering van farao Sesostris II komt het echter voor dat een en dezelfde persoon beide titels krijgt. Wellicht was Jozef de eerste die deze eer te beurt viel.”

Ontmoeten
In deze positie had Jozef zich gemakkelijk kunnen verheffen boven de familie die hem had uitgespuwd en die de oorzaak was van al die jaren vol misère. Maar nee, hij wendt zijn positie aan om hen zo snel mogelijk bij zich te krijgen! Hij maakt zijn broers (letterlijk vertaald uit het grieks) tot apostelen (apostelló) om zijn vader te gaan roepen (metakaleó). Typisch het werk van een gezondene: mensen roepen namens de ­Uitnodiger. Het komt ervan: Jacob ontmoet zijn doodgewaande zoon. En hoe! Hij roept het uit: “Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!” Jozef valt zijn vader om de hals en ‘weende lang aan zijn hals.’
Maar op dat alles, datgene wat zo ingrijpend en aangrijpend is in deze ­geschiedenis, gaat Stefanus niet verder in. “En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.” Hij snelt door naar de begrafenis van Jacob en eigenlijk ook direct naar de begrafenis van Jacobs zonen, ‘onze vaders’.
Wel spreekt Stefanus over het aantal waarmee de familie naar Egypte komt: ‘vijfenzeventig zielen’. In Genesis 46 daarentegen wordt een opsomming gegeven van alle mensen die Egypte binnenkomen: zeventig zielen. Het blijft wat vaag, maar in de Kanttekeningen staat: “Anderen menen dat Stefanus boven de zeventig nog zou gerekend hebben de vier huisvrouwen van Jakob, en de twee zonen van Juda in Kanaän gestorven, zonder Jakob zelven mede te rekenen.”

Ontslapen
Ten slotte spreekt Stefanus over het graf van Jacob en zijn zonen. En daarover bestaat nogal verwarring. Abraham kocht een grafspelonk bij Hebron, de spelonk van Machpéla. Maar kocht Jacob een graf bij Sichem, het later Sichar, van Hemor. Over dát graf spreekt Stefanus hier. En hij beweert dat ook de andere broers van Jozef daar begraven zijn. Ook hier geven de Kanttekeningen enig inzicht in: “…Abraham heeft te Hebron een spelonk gekocht van Efron, den zoon van Zohar, tot begraving zijner doden, Gen. 23:16, in welke ook Jakob heeft willen begraven zijn, Gen. 49:29, 30, en alwaar ook schijnt dat de gebeenten van enige andere voorvaders van Sichem overgebracht zijn. […] het graf, dat van deze zonen van Hemor, den vader van Sichem, namelijk door Jakob gekocht was, Gen. 33:19.”
Jacob heeft dus dat graf voor zichzelf gekocht, maar in Genesis 49 blijkt dat hij toch voor Machpéla heeft gekozen. Als later het volk Israël naar het Beloofde Land terugkeert, nemen ze wel eerst de grafkist van Jozef mee om zijn gebeente uiteindelijk in Sichem bij te zetten in de familiegrot. Alleen de beenderen van Jozef zijn in Egypte gebleven tot de Exodus. Zijn broers zijn wel direct in Kanaän – en dus waarschijnlijk in Sichem – begraven.
Jozefs grafkist was tijdens de slavernij-periode een teken van hoop op Gods belofte, dat Hij Zijn volk zou terugbrengen. En vóór die slavernij was, aldus ds. René van Loon, diezelfde kist een teken van waarschuwing om zich niet te zeer te settelen in Egypte. Want dat was maar een ‘tijdelijke woning’. Het Beloofde Land was hun eigenlijke thuis! Mooie lijn, niet? Dat heeft ons vandaag ook iets te zeggen, met het zicht op het Vaderland hierboven!

dinsdag 1 mei 2018

Het geweten en Gods oordeel over een heel volk?

Hoofdstuk 5


En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs. Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
Handelingen 7 : 11-13



Als rechtgeaarde gereformeerden belijden we met een zekere ­stelligheid dat God zonden straft. Zeker zonden, die blijk geven van een groot, nationaal verval. Maar hoe gaan we om met geesteloosheid in de kerk, terwijl er zonden aan de hand worden gehouden? Of terwijl er zonden worden verzwegen ‘om erger te voorkomen’?


Is honger een oordeel?Stefanus blijft doorzagen over Jozef en zijn grote broers. De mensen moeten haarfijn hebben aangevoeld dat hij dat met een speciaal doel doet. Het is zo merkwaardig dat we aan het einde van Petrus’ Pinksterpreek onder het volk ‘verslagenheid in het hart’ opmerken, terwijl aan het einde van Stefanus’ preek straks de bom barst. In dezelfde stad, misschien zelfs dezelfde mensen en zo’n totaal andere uitwerking! Is Stefanus provocerender bezig dan Petrus? Had hij niet beter een mildere, liefdevoller toon aan kunnen slaan, zoals Daniël: “Wij en onze vaderen…”?
Stefanus gaat niets uit de weg, maar bouwt zijn preek stapje voor stapje op naar een statement. Laten we zien wat hij met de geschiedenis van Jozef en zijn broers gaat doen.
Hij verlaat even het spoor ‘Jozef in Egypte’ en neemt zijn hoorders mee terug naar Kanaän: “En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.” Eerst stelt hij dat de honger in zowel Egypte als Kanaän heerste. Een internationale ramp. Daarna zegt hij dat er ‘grote benauwdheid’ was. Waar? In die beide landen? Natuurlijk zal dat de angst zijn voor de hongerdood. Maar waarom was er angst bij Jacob en zijn zonen? Zij hadden toch een belofte van God gekregen? Tenslotte zegt Stefanus dat ‘onze vaders’ geen eten konden vinden om hun honger te stillen. Wel, dan zou je verwachten dat er op volgt: “En zij riepen tot de HEERE en Hij verloste hen.” Maar niets is minder waar!
Nomaden trekken toch altijd, op zoek naar eten voor de kudde? Blijkbaar wisten ze dat in Egypte ook honger was. Waarom gingen ze dan niet de andere kant op? Waarom bleef Jacob vastzitten aan zijn plek? Wilde hij het graf in Machpéla niet verlaten? Werd de setteling hem nu fataal? Of wilde hij niet vertrekken, omdat hij bleef hopen op Jozefs terugkeer? Immers, als hij weg zou trekken, zou Jozef hem nooit meer terugvinden!
En de broers… Zou nu werkelijk bij geen van hen de gedachte zijn komen bovendrijven dat deze hongersnood hen weleens zou kunnen overkomen vanwege hun leugenachtigheid? Zelfs Jona kwam tot die belijdenis en liet zich in zee werpen. Maar niets van dat al! De hongersnood bleef in de clan van Israël een op zichzelf staand voorval.
 
Jacob treedt opDan is daar dat verrassende bericht dat er in Egypte volop koren is. Het zijn niet de ‘patriarchen’, maar het is vader Jacob die het initiatief neemt om daar koren te gaan kopen. We horen de elf broers niet tegenstribbelen, maar het is toch ondenkbaar dat geen van hen op dat moment aan Jozef heeft gedacht? Minstens tien van die elf moeten toch de mogelijkheid open hebben gehouden dat Jozef nog in leven kon zijn?
Natuurlijk konden ze niet weten hoe het met Jozef was afgelopen. Ze moeten zich hebben ingebeeld dat, als ze hem ergens als slaaf zouden tegenkomen, ze vanuit hun positie als ‘zelfstandige ­veehouders’ wel ‘boven’ hem ­stonden en hem konden negeren. Maar het feit dat ze hem in de ogen zouden moeten kijken op dat moment moet toch een onrustmakend gevoel hebben gegeven. Zoals er vandaag tot in de kerken mensen zijn die diepweg precies weten waar ze mee bezig zijn, maar een ander ‘gezicht’ op zetten, een masker, om zich een houding te geven.
Ze gingen voor de eerste keer en kwamen geheel anders terug. Jozef had zijn broers ontmoet, maar de broers hadden Jozef nog niet ontmoet. Ze waren slechts op de hoogte van een bedreigende en strenge onderkoning, die als een Big Brother alles van hen leek te weten.
En terug bij Jacob in Kanaän was het lachen over het gekochte graan en het leven dat dat graan vertegenwoordigde, hen wel vergaan. Er stond hen een loodzware taak te wachten: Benjamin moest mee. Hij was weliswaar voor hen het kleine broertje, maar moet toch een volwassen kerel zijn geweest op dat moment!

Jozef treedt opEigenlijk verwacht je een tussenkopje dat ‘Juda treedt op’ is getiteld. Maar Stefanus volgt een heel andere lijn. Hij noemt Benjamin niet; hij zegt niets over Simeon, over Ruben of Juda. Nee, hij schildert de broers voor de ‘tweede reize’, de tweede keer op reis, om uiteindelijk weer bij de grimmige onderkoning te verschijnen. Daar staan de helden met hun beknelde gewetens! Gaat er nog geen lampje bij hen branden?
Dit zou de dag hebben kunnen worden dat ze alle elf met een hartstilstand voor Jozefs troon zouden liggen. Neergeveld door de kracht van Jozef, toen hij zei: “Ik ben Jozef!” Wat gebeurde er precies met de ‘patriarchen’? Ik denk dat tien van hen direct dachten: dit is het einde! Maar één van hen dacht: nu komt alles goed! Want mijn broer zal nu alles goed maken! ­Benjamin is de enige die niets te vrezen had. Hij had zijn broer niets kwaads berokkend. Hij had de liefde van Jozef al eerder die dag gevoeld, maar nog niet kunnen plaatsen. Maar nu Jozef zich openbaart, weet hij: het komt goed!
Het geweten van Benjamin zal zeker niet brandschoon zijn geweest, maar de ‘verschijning van zijn broer’ was een grote en zeer verheugende dag! Als Jozef had gezegd: “Komt in gij gezegende mijns vaders”, dan had Benjamin geen schrik of angstige schaamte gevoeld. Omdat hij een rechte relatie met Jozef had. Voel je de lijn naar de Messias, onze geliefde Heere en Zaligmaker Jezus Christus en Zijn Bruid?
Maar deze dag is voor Jozef ook een ingrijpende dag. Hij maakt zich niet allen bekend aan zijn broers, maar “het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar”!
Nu kwam Farao erachter dat Jozef een Hebreeër was, in zekere zin een Kanaäniet! De latere Farao zou heel anders reageren toen na 40 jaar bekend werd dat Mozes zo’n vervloekte Hebreeër was.
Voor Jozef had dit nog vervelend kunnen uitpakken. Maar het werd weer door de HEERE op wonderlijke wijze tot iets goeds omgebogen. En die schijnheilige broers? Ze vonden het leven! Jozef wilde zelfs niet eens een hard woord tegen hen spreken. Het was feest, “want deze mijn broers en… mijn vader leven nog! Kom, laten we feest vieren! Feest, zoals we nog nooit hebben gevierd! Geen hongersnood maar een onverzadigbare vreugde!” Jozef leeft en zij met hem! Zie je die peilloze diepte van overeenkomt met Jezus?

maandag 30 april 2018

Jozef als eye-opener

Hoofdstuk 4

En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen. En de patriarchen nijdig zijnde, verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem, en verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypte; en hij stelde hem tot een overste over Egypte en zijn gehele huis.
Handelingen 7 : 8-10


Was Stefanus een theologisch goed opgeleide diaken? Kunnen we hem met Paulus vergelijken? Had hij een grote Bijbelkennis, of eigenlijk een doorwrochte kennis van de Thora en de profeten? Het zijn vragen die boven komen drijven, bij het ‘beluisteren’ van zijn preek. Wat hadden we graag een download van deze ‘kerkdienst gemist’ gehad om hem nog eens te kunnen naluisteren en zijn intonatie als ook zijn passie te beluisteren! De centrale vraag is: vanuit welke kennis van de Schrift bouwt hij zijn preek op? Welke lijnen trekt hij precies?

Het verbond als basis
De besnijdenis is voor de Joden tot op de huidige dag een kloof ten opzichte van de rest van de wereld. In de besnijdenis manifesteert zich Gods persoonlijke Verbond met Zijn Eigen volk. Dat het Christendom stelt dat ‘in de plaats van de besnijdenis nu de Heilige Doop is gekomen’ is voor de Jood niet alleen een ergernis, maar zelfs een bewijs van de dwaalleer van het Christendom.
Het is ook maar zeer de vraag of de Doop de besnijdenis heeft vervangen. Is het niet duidelijk uit de Schrift te halen dat de Doop voor de ‘gojim’ (de volken) is, die Christen zijn geworden, maar dat over de besnijdenis niets staat opgetekend voor de Joden? Sterker nog, uit Handelingen 21 krijg je sterk de indruk dat Paulus zich als Jood duidelijk moet blijven houden aan de wetten van Mozes, maar dat de gelovigen uit de heidenen slechts wordt opgedragen om geen vlees te eten, afkomstig uit de offerdienst van de afgodentempels, geen vlees te eten waaruit het bloed niet geheel is weggelopen en dat ze geen hoererij en ontucht mogen bedrijven. Even daarvoor, Handelingen 15, gaat het over het Eerste Apostelconvent waar men besluit: “Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen.”
Maar waar het in al die dingen om gaat is Gods Verbond, dat we zeer serieus moeten nemen. We moeten ons niet verliezen in haarkloverij, maar recht en eerlijk voor de HEERE zijn, door Zijn Verbond te eerbiedigen, door de doen wat Hij van ons vraagt. Aan Abraham beval de HEERE dat hij voor Zijn aangezicht moest wandelen en oprecht moest zijn.
De opdracht tot het besnijden van zijn gezin en zichzelf heeft hij serieus genomen en is hij blijkbaar blijven doen. Zodoende zegt Stefanus: “Alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag…” Alzo, dus op die manier, het trouw doen wat de HEERE in  Zijn Verbond had gevraagd. Heel het doen en laten van Abraham kwam voort uit Gods Verbond.

Het geloof is niet erfelijkMaar… Gods Verbond serieus nemen en onvoorwaardelijk in Hem geloven, Hem volgen en gehoorzamen, is niet iets dat vanzelf van vader op kind overgaat. Elk kind moest daarin weer onderwezen worden. Elke nieuwe generatie moest de HEERE weer opnieuw leren kennen en ontdekken dat God al een Verbond met hem of haar had gesloten, vóórdat hij of zij was geboren!
Kijk maar: ‘alzo’ gewon Abraham zijn zoon Izak, ‘alzo’ gewon Izak zijn zoon Jacob en alzo gewon Jacob zijn twaalf zonen, die hier (net als hun voorvaders) ‘patriarchen’ worden genoemd. Daarmee nam Stefanus de twaalf stammen allemaal serieus. Hij zette ze op één rij. Ze hadden allemaal dezelfde opvoeding gekregen; weliswaar van verschillende moeders, maar allen van één aartsvader: Israël, de Jacob met Gods Pniël-belofte op zak!

Het zijspoor van JozefDus verwacht je dat die twaalf zonen ook allen hetzelfde spoor zullen volgen. We weten dat Ismaël een eigen weg ging, maar ja, die lag buiten Gods bijzondere belofte, de belofte van de Messias. God was er ook kraakhelder over geweest: in Izak zal die belofte voortgaan; niet in Ismaël! Zeker, Hij zou ook Ismaël zegenen ­vanwege dat Verbond met Abraham. Maar toch anders! En ook Ezau ging zijn eigen weg, want de meerdere zou de mindere dienen! Ook dat was kraakhelder. Maar dat had voor Ezau niet behoeven te betekenen dat hij ook zijn eigen pad zou trekken. Hij had Jacob kunnen dienen. Als hij maar wilde!
Echter, als de zonen van Jacob worden geboren, lezen we niet vooraf van een speciale positie voor Juda! Het lijkt erop dat dat nog lange tijd onduidelijk is gebleven. Die twaalf zonen stonden allemaal op eenzelfde manier ten opzichte van dat Verbond van God!
Hoe bijzonder is het daarom dat Stefanus in zijn preek juist een uitstapje naar Jozef maakt. Jozef heeft nooit een eigen stam gekregen; wel zijn twee zonen. Waarom pikt hij er dan juist Jozef uit om even bij stil te staan?
Jozef is binnen het gezin bij uitstek de vertegenwoordiger van de aanstaande slavernij en verdrukking. En nota bene die elf broers (let ook op dat getal en denk aan de discipelen van Jezus waarbij dat precies andersom was!) zijn daar actief de oorzaak van. De elf patriarchen, zoals Stefanus ze noemt, zijn allen (nou, misschien op Benjamin na!) de verdrukkers. Zij zijn het die hun broer Jozef verkopen en alvast in het latere ‘diensthuis Egypte’ laten ­brengen. Wat zij hem aandoen, zal hen later zelf in alle hevigheid overkomen.

Het verbondsplan van God
De hele geschiedenis van Jozef was een open zenuw in het bestaan van Israël. Een doodgezwegen zonde, die later voor enorm veel angst heeft gezorgd. Jozef heeft zich niet gewroken op zijn broers. God heeft al de stammen van Israël laten voelen wat zij hun broer Jozef hadden aangedaan.
Wij kennen dat niet zo erg meer, maar in het Oosten leefde en leeft veel meer de vloek en de zegen die zich voortzet in de lijn der geslachten. De slavernij was dus in zekere zin een straf. Maar ook een leerschool, die God wilde gebruiken; niet om Zijn ­Verbondsvolk uit te roeien maar juist in het leven te behouden.
Als je vraagt naar het waarom, blijft de Bijbel zwijgen. God wijst in Zijn Woord alleen aan dát het zo is. Hij heeft het kwade omgezet in iets enorm goeds: het behoud voor verloren zondaars.
Is dat ook niet het Evangelie dat het hele Nieuwe Testament kleurt tot in onze dagen toe? Waarom zou je dát Evangelie dan de mond willen snoeren met allerlei dogmatisch gebrabbel? Alle activiteit van God binnen het Verbond is één groot bewijs van Zijn welmenendheid! En het wacht – zoals er in elk verbond twee ­partijen zijn – op een antwoord van jou!
Jozef is de pijnlijke open zenuw voor de toehoorders van Stefanus. Het was een episode in hun geschiedenis waar ze niet graag aan herinnerd wilden worden. Maar Stefanus neemt geen blad voor de mond.

vrijdag 30 maart 2018

De gezalfde gehangen tussen hemel en aarde

De loyale van de royale - XII

…en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-san. Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
1 Samuël 31 : 10-12

Wat me trof in deze verzen? Misschien wel het meest trieste: dat iedereen zijn handen aftrekt van de gezalfde des Heeren! Wat je ook van Saul kunt zeggen, David was er kraakhelder over: hij is en blijft de gezalfde, de ‘christos’ zoals het in het Nieuwe Testament zou worden genoemd. En hoe extreem is dat in Jezus de Gezalfde werkelijkheid geworden. Hij werd uitgespogen door alles en iedereen. In tegen­stelling tot Saul niet door Eigen schuld. Nee, Hij werd tot zonde gemaakt!
Het tweede is: het erbarmen dat uit Gilead kwam. De mannen van Jabes waren de enige die zich vermanden en op pad gingen om de lichamen van de gezalfde en zijn zoons te zoeken en veilig te stellen van de verdergaande spot en smaadheid.

Ik zie in hen een lijn naar Jozef van Arimathea en Nicodémus lopen. Met name Jozef heeft zich vermand en eiste van Pilatus het lichaam van Jezus. Dat was waarlijk een heldendaad, want daarmee bekende hij zodanig kleur, dat hem dat zijn plek in de Joodse Raad zou kosten. Wie wilde een vervloekte in zijn graf hebben liggen? Maar het kon Jozef niet meer schelen: Hij wilde Zijn Jezus zelf begraven. Daarover de volgende keer. Arimathea… het is de griekse vertaling van Rama(th) en dat brengt ons terug bij Samuël, die er was geboren!
Op eenzelfde manier als Jozef zien we nu de mannen van Jabes naar Beth-San (of Beth-Shan of Beth-Sean) gaan. Die naam betekent overigens ‘Huis van Rust’! Deze stad lag vlakbij Gilboa, aan de oostkant van het gebergte, dichtbij de Jordaan. Jabes daarentegen lag aan de overkant van de Jordaan. Dus er is niet persé een logische verbinding tussen Beth-San en Jabes dan alleen dat het beiden het gebied van Manasse betrof, aan weerskanten van de Jordaan.

Bij de stad gekomen nemen ze de opgehangen dode lichamen van Saul en zijn zonen mee. De lichamen hingen daar als afschrikwekkend voorbeeld naar de joodse bevolking natuurlijk. Maar er zullen ook Filistijnen hebben gewoond in dat gebied, zoals we in de vorige tekst lazen. Als je de Bijbeltekst leest lijkt het voorspoedig te zijn verlopen. Ze nemen de lichamen mee… maar bedenk dat ze de dag ervoor al zijn gesneuveld en nu al enige tijd in de hitte aan de muur hingen. De lucht moet vreselijk geweest zijn; een lucht die je je leven lang zult onthouden. Maar de mannen van Jabes schrikken er niet voor terug.

Saul en zijn zonen moesten daar hangen en droegen deze boodschap uit: “hier had jij kunnen hangen…” Deze indoctrinatie pasten de Filistijnen toe om mensen te ontmoedigen tegen hen in opstand te komen. Ook Jonathans lichaam moest deze boodschap uitdragen!
Hoe anders is de boodschap van Jezus’ lichaam op deze Goede Vrijdag waarop wij het evangelie van Golgotha mogen horen: “Hij in mijn plaats zodat ik nooit zo ontluisterd zal worden als Hij”. Goed wil je geen angst inboezemen maar juist Zijn liefde voor jou laten zien in Zijn Zoon. Zie je het verschil? Wat Jonathan nooit kon, laat staan Saul, dat kan Jezus wel.

dinsdag 25 oktober 2016

Opbaring voor een openbaring

"En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte."
Genesis 50 : 26

Het lichaam van Jozef wordt gebalsemd en opgebaard; illustratie uit de Holman Bijbel uit 1890

Gisteren zag ik een harde, zelfverzekerde en dictatoriale man. Zijn toon was dwingend, zijn gezicht emotieloos en zijn optreden was hard. Achter dat masker zat een mens met heftige levenservaringen; een mens die niet kon omgaan met tranen en emoties en die alles in eigen hand wilde houden. Er flitste door mij heen: als zo iemand in een rolstoel terecht zal komen, of erger… op zijn sterfbed, hoe zal dat dan voor hem zijn (en voor zijn omgeving)? Misschien wel eens goed om over na te denken, juist als je je in deze karakter-tekening herkent.
Jozef is waarschijnlijk geen hard en heerszuchtig mens geweest (al weten we dat natuurlijk niet 100% zeker). Niettemin had hij een heel heftig leven achter de rug, waarin familiebinding en presoonlijke hechting onder druk hebben gestaan. Overleven moet ook voor hem een mechanisme zijn geweest. Natuurlijk was er het geloof in God en Gods merkbare nabijheid. Maar laten we niet uitvlakken dat zelfs de meest intens gelovende mens kapot kan gaan aan kleinering en onrecht. We mogen het zeker aan God danken dat Jozef het geloof heeft behouden en ook de liefde tot zijn broeders.
Daarnaast heeft God hem rijk gezegend en grote macht gegeven. Maar al die macht heeft niet kunnen voorkomen dat ook hij op zijn sterfbed terecht kwam. Het was gedaan met Jozef. Hoe heerlijk hij ook in aanzien was, hij was nu een hulpbehoevende. Echter, hij weet dat sterfbed te gebruiken om zijn nabestaanden te troosten en zijn laatste wil bekend te maken. Daarin spreekt hij groot van de HEERE. Tot dat… zijn laatste adem zijn neusgaten verlaat, zijn longen niet meer volgezogen worden en zijn hart staakt met kloppen. Honderdtien jaar heeft zijn hart hem gesteund, maar nu staakt het en sijpelt het leven weg. Jozef is gestorven; overleden. En nu?

Zorg voor zijn ziel

De Bijbel zwijgt meer dan eens over de ziel van de overledene. In de gelijkenis van de rijke man en de 'arme' Lazarus krijgen we een inkijkje (in door Jezus met wijsheid gekozen woorden die voor ons mensen enigszins te bevatten zijn en dus niet persé letterlijk letterlijk zo behoeven te zijn) in het hiernamaals. Ook Jozef zal in de 'schoot' van opa Abraham zijn gedragen door de engelen. Die figuurlijke uitspraak lijkt te zijn ontleend aan de woorden van God 'in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden' en de geestelijke kinderen die uit Abrahams heup zouden voortkomen. Jozefs ziel is weliswaar in de hemel, maar daarmee is het nog niet klaar. Zijn lichaam blijft nog achter op aarde. Op de Jongste Dag zal dat lichaam, dat men nu aan het balsemen is, opstaan in een vernieuwde hoedanigheid, een herschepping. En lichaam en ziel zullen verenigd worden. Dan pas zal het compleet en eeuwig heel zijn.

Zorg voor zijn lichaam

Maar terwijl de ziel voor God verschijnt ontfermen de deskundigen zich over Jozefs lichaam. Het moet naar de gebruiken van Egypte gebalsemd worden. En na lange tijd (is het zeventig dagen?) begraven worden in een graf dat zich in de directe nabijheid van de nu heersende farao bevindt. De bekende rituelen zullen door de vaardige Egyptenaars zijn uitgevoerd en ik vermoed dat Jozefs familie het allemaal met een zekere scepsis heeft staan te bekijken.
Wat een overdreven zorg voor een dode en wat een bijgelovige handelingen allemaal. Althans, dat is het beeld dat bij me opkomt. Dat zou ook een hele juiste reactie zijn geweest. Of moeten we vaststellen dat ze al aardig gewend waren in Egypte en al deze dingen heel normaal zijn gaan vinden? Misschien wel een eye-opener voor ons; onze tijd is vergeven van oude en nieuwe rituelen (omdat men God ten diepste kwijt is). Rituelen zijn in en dat merk je bij ongemakkelijke momenten als overlijden en begraven, maar ook bij kerkdiensten waarin het Woord niet meer of niet écht centraal staat. Ik denk aan overdoop en aan handoplegging die een bijzondere emotie moeten oproepen, zodat het geloof weer tastbaar wordt en eigenlijk (ten diepste) niet meer geloven is doch 'aanschouwen'. Het moet allemaal emotioneler, tastbaarder. En ergens hoor je er die hang in die het volk Israël ook had toen het gouden kalf moest worden gemaakt. Een onzichtbare God is 'uit' en 'lastig uitlegbaar'. Velen haken af als iets ze niet aanstaat of als God op Zich laat wachten. Hij is je hondje niet!

Zorg voor zijn toekomst

Wat Jozefs familie ook heeft gedacht, ze wísten in ieder geval beter. Jozefs lichaam werd niet verafgood, maar 'bewaard' tot de exodus. Geen grafmaker vol attributen voor de lange reis naar de eeuwige horizon. Met recht kan Jozefs graf een 'wachtkamertje' worden genoemd. Het zou nog wel een flinke tijd duren (was het 1 eeuw of langer?), maar het lichaam lag er in afwachting. En dat heeft Jozef heel duidelijk kunnen maken aan zijn broers, voor hij overleed.
Het uiteindelijke graf was ook bekend bij de nabestaanden: Sichem. Wij Nederlanders zijn niet zo van de familie-verhalen en -tradities (hoewel…), maar Joden kennen dat heel sterk. Ik heb me laten vertellen dat families als Kahn, Cohen en Duhen etc. nazaten zijn van de stam van Levi (ik vind het juist daarom interessant omdat mijn overgrootmoeder ook Duhen heette). Er wordt beweerd dat zij de overlevering van de priesterdienst nog kennen. En wanneer ooit die derde tempel er zal staan, weet elke Leviet wat hem te doen staat.
Wat Jozef betreft: het bevel voor de toekomst van zijn sarcofaag is ook prima van vader op zoon doorgegeven. Luister maar wat er gebeurt bij en na de exodus:
  • "En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israëls bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!" (Exodus 13:19)
  • "Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden." (Jozua 24:32)
Die eed, die Jozef liet zweren, werd dus écht gehouden en serieus genomen. Wat je er ook van vindt, dit moet ons Christenen toch wel aanspreken. De Heere Jezus roept ons op om niet te zweren, maar laat uw 'ja' ook 'ja' zijn. Houdt je belofte en wees eerlijk en oprecht/transparant. Hij heeft ons ook getoond dat Zijn Vader doet wat Hij belooft. De HEERE noemt Zich Jahweh, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal. Wel hier wordt door Zijn volk dat beeld vertoond. Tot zover Jozef en diens beeldtenis van de komende Christus. Zijn onbeschrijfelijk en diepe vermogen om lief te hebben die hem in zoveel ellende hadden gestort. Geen kort lontje, maar steeds weer het goede zoekend voor zijn volk. Een echte Zaphnath Paäneah. Een schaduw van Christus, Die als Hem kwaad werd gedaan niet terugschold maar het overgaf in de handen van Hem Die rechtvaardig en ook accuraat oordeel velt: Zijn Vader.

  1. Jozef wilde in Egypte begraven worden; maar liet wel zweren dat zijn lichaam in Sichem zou worden herbegraven. Heeft dat ons in 2016 nog iets te zeggen?
  2. Jozef werd begraven. Heeft dat ons in 2016 nog iets te zeggen?
  3. Jozef werd als een hoogwaardigheidsbekleder begraven. Niettemin moest hij sterven zoals elk ander mens (ook een bedelaar). Wat zegt ons dat over het sterven? Mag er een zeker status en deftigheid getoond worden bij een begrafenis?

zaterdag 17 september 2016

Wie heeft er nu de leiding?

"En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft."
Genesis 50 : 24

Het graf van Jozef in Nablus meerdere keren doelwit van vernielingen door Palestijnen
https://brabosh.com/2013/01/28/pqpct-mxs/ Vanwaar die haat tegen Jozef? Vanwaar die haat tegen de Joden?
Is het niet omdat God grote plannen met dat volk heeft en ook ten uitvoer zal gaan brengen?


Sommige mensen in de kerk menen dat met hun arbeid alles staat of valt. Als zij er niet meer zijn, dan gaat alles ten onder. Zij stellen zichzelf op een hoog voetstuk (of worden door anderen daarop gehouden) en menen inderdaad dat het voortbestaan van Gods Koninkrijk van mensen afhangt. Kijk dat politici of managers dat menen, kan ik nog begrijpen. Die zijn stuk voor stuk (althans voor zover zij zonder God in deze wereld leven en werken) te dom en te kortzichtig om van genade te leven. Maar binnen de kerk zou dat toch geheel anders moeten zijn.

De woorden die Jozef spreekt in zijn sterfbedspeech zijn bijzonder fijnzinnig en helder. Jozef denkt op de lange termijn; en dat is een stuk langer dan dat er in deze moderne samenleving wordt vooruit gedacht. Jozef is visionair zonder eigen bijbedoelingen; hij laat zien dat het allemaal door zal gaan zónder dat hij daar één vinger naar uitsteekt. Tenslotte stelt Jozef bij zijn toekomstperspectieven de HEERE op het voor Hem bedoelde voetstuk. Er gebeurt niet zomaar iets willekeurigs; God gaat geschiedenis schrijven en vervult ál Zijn beloften.

Zonder Jozef

Toekomstplannen maken is zo hip dat ik me soms weleens afvraag of we wel écht met de toekomst bezig zijn. Prestigeprojecten, zoals de aanpassing van de donorwet zijn schering en inslag. Het geeft veel mensen ook een kick als een trendwatcher ergens een uitspraak over doet. Blijkbaar weet zo iemand zó charismatisch te spreken (of de toekomst naar zijn hand te zetten) dat hij adoratie afdwingt. Ik snap soms niet dat mensen zó dom kunnen reageren en als een kip zonder kop ergens achteraan lopen. Nog meer verbaas ik me over hoe weinig de trendwatcher in beeld is, wanneer de trends uitblijven of anders uitpakken.
In zekere zin lijkt Jozef ook een visionair. Eigenlijk zelfs een profeet. In Hebreeën 11 : 22 wordt het zo omschreven: "Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der kinderen Israëls, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente." Maar wat is ervan terecht gekomen? Jozef sprak wel over Gods daden die na zijn dood zouden plaatsvinden, maar de broers zijn allen gestorven zonder dat God één vinger uitstak, zo lijkt het althans.
Jozef verschilt echter heel duidelijk van de hedendaagse trendwatchers en visionairs. Hij meldt heel eerlijk: "Ik ga sterven en val dus weg als jullie 'Behouder-des-levens', maar God… gaat grote dingen doen!" Hoe machtig Jozef ook was, hoeveel hij ook in de melk te brokkelen had, het zal zonder hem geschieden. Hij is hier weer gewoon die eenvoudige jongen – ondanks zijn visionaire dromen en de uitgekomen interpretaties daarvan – die hij in zijn jeugd ook was. Twee voeten op de grond. "Ik ben maar een mens. Maar moet je eens horen wat de HEERE gaat doen! Och, man… als ik daarover nadenk dan duizelt het me!" We komen in het volgende vers nog op deze zelfde woorden terug.


Met God

Toch denk je onwillekeurig: had Jozef dat met al zijn rijkdom en macht niet zelf kunnen realiseren? Denk je dat nooit eens? Hoe moeilijk was het nou om dat volk (het was toen nog niet zo groot als in de tijd van Mozes) te leiden en weer thuis te brengen in Kanaän? Dat had die hele ondrukking in Egypte (het slavenhuis) gescheeld.
Ik denk dat Jozef het had gekund. Hij had de capaciteit qua leidinggeven (denk aan zijn organisatietalent bij de voorbereidingen op de zeven hongerjaren). Hij had het geld, de moed en het leiderstalent (dat ook bij de begrafenis van zijn vader duidelijk naar voren kwam). En toch zou Jozef het volk niet in Kanaän brengen.
Ik moest onwillekeurig aan David denken, die de tempel niet mocht bouwen. David was de perfecte man met de juiste talenten. Hij was een keigoede liturg, een prima leider en manager, een gedreven bouwer én een dogmatisch en exegetisch goed onderlegd theoloog. En toch zegt God: "Nee, jij gaat dat niet doen. Jouw zoon gaat Mijn tempel bouwen." Waarom?
Was David niet geestelijk genoeg? Was David te zondig? Was David te oud? God heeft ons niet veel verteld over Zijn overwegingen; enkel dat er teveel bloed aan Davids vingers kleefde, maar ik denk niet dat dat alléén de doorslag gaf. Echter… God mag het bepalen, het is immers Zijn huis?!
Zo ook met Jozef. Er lijkt een intiem gesprek tussen God en Jozef te zijn geweest. Je proeft het een beetje uit de manier waarop Jozef het verwoordt.
Dat juist hij met die troostende en hoopvolle woorden komt mag ons toch wel verbazen? "Juda… gij zijt het," had vader Jacob geprofeteerd. Maar Juda doet er het zwijgen toe. Levi dan, de aanstaande priesterstam? Ja, maar nu dus nog niet. Jozef gaat hier als enige spreken. En let op: zijn dode lichaam zal het bewijsmateriaal en geloofsobject worden, dat getuigt van geloof, hoop en liefde. Ze moeten hem tijdelijk balsemen en begraven in Egypte, maar op Gods tijd weer uit zijn graf ophalen en meenemen naar huis. Ik kom daar een volgende keer nog op terug. Ik zeg er alleen dit bij: de ark des verbonds trok voorop en de ark (zelfde woord als kist) van Jozef werd ergens verderop in de stoet meegedragen.
God ging voorop. Hij had de leiding en maakte gebruik van niet Jozef maar Levi (Mozes). Maar ook Mozes heeft het volk niet in Kanaän kunnen brengen. Waarom niet? Dominee P.J. Teeuw (toen uit Veenendaal, nu uit Papendrecht) preekte daar jaren geleden over in de Evangelisatie van Haastrecht. Dat moest 'Jozua' (lees Jezus) doen. Die droegen dezelfde naam. Opmerkelijk dat Jozua een rechtstreekse nazaat van Jozef was (via Efraïm; lees Numeri 13:8).
Echter al die leiders zijn overleden en wezen dus heen naar de Messias, Jezus. Hij is de Enige Die in staat is Zijn volk Thuis te brengen. "Ik sterf, maar God…" vind ik wel het machtigste woorden-koppel uit dit gedeelte. Hij moet wassen, maar ik minder worden. God is de enige die kan zeggen: Ik sterf nooit. Je moet wel oliedom zijn om Hem de leiding van je leven niet toe te vertrouwen. Vind je niet?
  1. Heb je weleens moeite met Gods leiding in je leven? Welke dingen vind je fijn? Welke zaken beknellen je of zijn een warboel voor je?
  2. Wat vind je van mensen die zich trendwatcher of visionair noemen? Wat vind je ervan als mensen door anderen visionair worden genoemd? Professor Aalders bijvoorbeeld werd zo genoemd; en zo zijn er nog wel meer geweest. Mensen zijn gevoelig voor hogere begaafdheid bij anderen, of zie jij het anders?
  3. Vind je Jozefs sterfbedspeech mooi of mager? Welk verschil merk je tussen hem en zijn vader?

vrijdag 16 september 2016

Sterven en leven met eeuwigheidsperspectief

"En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; …"
Genesis 50 : 24a


Talloze graven voor de Golden Gate in Jeruzalem; wachtend op de komst van de Messias.
Hoe begraven wij tegenwoordig onze doden? Ook in de verachting van de Komende?

Hoeveel mensen zouden bij volle bewustzijn sterven? Althans, hoevelen zullen er aanvoelen dat ze gaan sterven? Ik weet het niet, maar vermoedelijk zijn dat er niet heel veel. Ik vermoed dat de meesten zwoegend voor hun leven, of snakkend naar adem wegzinken in de dood. Een lang ziekbed is niet altijd een bewust toeleven naar het einde. Een coma of beneveling door morfine zijn gemakkelijker voorstelbaar. Ook de aftakeling door dementie behoort tot de mogelijkheden die misschien wel dagelijks voorkomen. Hoeveel gelegenheid is er dan om jouw geliefden nog toe te sprekende van de Komende en het eeuwigheidsperspectief dat je in dit leven hebt (of had moeten hebben)?

"Gedenk aan je Schepper," adviseerde Salomo, "nog vóórdat de gebreken van de ouderdom zich aandienen." Je zou er ook aan toe kunnen voegen: en weest bereid om te sterven, vóórdat je verongelukt, plotseling sterft door een hartstilstand of in een onbereikbaar psychisch gebied belandt door een hersenbloeding. Hoewel de dood in het walgelijk modernisme een goede vriend moest zijn geworden – de dood zou bij het leven horen, aldus deze dwaallichten – denken weinigen over hun sterven na. Ja, als je na de dood niets wilt hebben (dood = dood) dan moet je er inderdaad maar niet aan denken dat er tóch wel iets zou zijn. Het is voor de atheïst ook vele malen afgrijselijker te denken aan de mogelijkheid dat er misschien tóch iets zou kunnen zijn, dan voor de christen om te denken aan de mogelijkheid dat alles bij de dood ophoudt (hoewel hij gelukkig beter weet). Maar… denken we ook weleens na over het feit dat na onze dood onze kinderen/familie/vrienden verder moeten? We zijn vaak egocentrisch gericht op onze eigen zaligheid, maar wat laten we na? In de bijbelstudies van vandaag en de komende keren wil ik vanuit dat perspectief naar Jozef kijken en luisteren. Noem het 'The Joseph Legacy'.

Confronterend

Nadenken over 'ik sterf' wanneer je dochter 'op alledag loopt'? Nadenken over de dood, als misschien wel vandaag juist het léven centraal staat? Nou, beginnen te leven is tevens beginnen te sterven; dat dan weer wel. Cole Porter maakte ooit een vreemdsoortig liedje dat begon met de woorden "Every time we say goodbye, I die a little". Elk afscheid is een stukje sterven. We zijn daar misschien wel te zeer aan gewend. Vroeger emigreerden mensen (soms alleen slechts naar een andere provincie), niet wetend of ze elkaar ooit nog zouden zien. Tegenwoordig zijn afstanden niets en is alles bereikbaarder dan ooit. Is het niet fysiek, dan wel digitaal (mail, app, skype etc.).
De betrekkelijkheid van alles wordt niettemin vandaag de dag wel heel erg verbloemd! Over de dood moet niet te zwaar worden nagedacht. Tuurlijk, je moet je dingen regelen voor je kids en je vrienden (mocht je plots overlijden), maar als dat gedaan is kun je volop leven zonder één gedachte aan het einde. En wat zal dat einde zijn? Is dat een nieuw begin, in de vorm van reïncarnatie? Of een nieuw begin vanuit de Bijbelse eeuwigheidsgedachte? Ik ben zo benieuwd hoe Jozef dat zal hebben gezien. In ieder geval confronteert hij zijn familie er mee. En hoe!

Constaterend

Jozef is zich bewust van het feit dat zijn stervensuur nadert. Daarin is hij misschien wel in een bijzondere positie; niet ieder krijgt dat zicht op zijn of haar dood. Wat Jozef niet doet is angstig en gestrest raken. Hij voelt zijn einde, zijn ontbinding (zoals Paulus dat noemt) naderen en dat schept een diepe vreugde. Niet dat hij dan van alle ellende in dit leven af is; immers hij moet toch ook zijn kinderen, zijn klein- en achterkleinkinderen loslaten! Maar hij mag over dood en graf heen zien. Hij constateert als nooit te voren dat Gods dubbele bevrijding aanstaande is: Jozefs aardse huis wordt afgebroken en hij mag een huis bij God in de hemel gaan bewonen, het hemels Kanaän. Maar daarnaast: het volk van Israël zal – na een diepe vervolging en onderdrukking – weer huiswaarts gaan, naar het aardse Kanaän.

Conformerend

Ook valt het me op dat Jozef niet van alles aangrijpt om zijn levenseinde op te rekken. Hij conformeert zich aan Gods tijd en richt zich op zijn geliefden in opdracht van God Die hem nog een boodschap geeft om door te geven. God had hem verder doen zien dan dit aanstaande stervensmoment. Hij had Jozef een opdracht gegeven om nogmaals zijn broederen te troosten met warme woorden over Gods ontferming. Het zou er echt van gaan komen dat God ze uit deze eerste ballingschap, hier in Egypte, zou terugbrengen naar het beloofde land, waarover overgrootvader Abraham al zulke enorm rijke beloften had gekregen. Overgrootvader Abraham… die was toch al jaren overleden? Ja, en toch… en toch… hij had de toekomst van verre gezien en Christus’ Dag bewonderd. Hij had reeds omhelsd, wat nog in het verschiet lag. Moet je eens over nadenken. Omhels jij zo ook wel eens het zalig hemelleven? Zo, alsof je er al bent?

Contrasterend

Jozef wel. Hij mag verrukt spreken over Gods naderend optreden en handelen. En werkelijk waar, dat moeten troostvolle woorden zijn geweest voor zijn nabestaanden! Woorden die hout sneden, harten troffen en perspectief boden. Want… dat terugkeren naar Kanaän was geen doel op zich. Er was een reden. Sommigen staren zich blind op het land Israël, alsof dat koste wat kost moet worden gekoesterd. Maar het grondgebied van Israël is geen eindstation, doch een ontvangsthal voor de Messias! Toen, in de volheid des tijds (en dat lag voor Jozef en de zijnen nog ver in de toekomst) en straks voor Zijn wederkomst. Dat lag voor de mensen uit het Oude Testament als 1 punt op elkaar, maar wij staan ertussenin en zien de steeds groter wordende afstand tussen 'Komst' en 'Wederkomst'. Niettemin ligt er een onverbrekelijke lijn tussen die beiden 'Komsten'. En daarin ligt eveneens een contrast. Christus’ eerste komst was er een van genade en bijeenvergadering; Zijn tweede komst zal er een zijn van oordeel en scheiding.
Alle oog zal Hem zien. Jozef en de zijnen hadden wel de beloften, en zagen ook in de verte, alsof die dag al zeer binnenkort kon aanbreken, maar concreet waren hun beelden nog niet. En wij? Wij staan achter Christus’ eerste komst… is voor ons Zijn wederkomst een realiteit? En welk beeld staat er op ons netvlies? Hoe ziet in 2016 dat grote verlangen eruit, waarover de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het slot spreekt?  
"Zie, ik sterf…" En dan? Al worden er vandaag 10.000 baby's geboren, zou ik dan niet over mijn eigen sterven nadenken? En is elke geboorte niet een moment waarop de dood heel dichtbij kan zijn? Laten we daar niet gering over denken. Het gaat vaak goed, maar er zijn helaas ook andere voorbeelden. Dankbaarheid aan God Die moeder en kind spaarde is wel op zijn plaats.

Zes jaar geleden wenste een predikant mijn vrouw een gezegende baring, toen ze op het laatst liep van onze jongste. Gezegende baring… eigenlijk vóór die tijd nog nooit van gehoord. Maar wat een bijzonder rijke wens is dat. Dat baren niet een worsteling alleen is, maar onder Gods zegenende hand nieuw leven voortbrengen dat wellicht fysiek Zijn komst zal meemaken. In ieder geval een leven ter wereld brengen, dat gestempeld mag zijn van hetzelfde perspectief als dat van Jozef: "Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken…" Zo gaat hij in de volgende Bijbelstudie verder. Opvoeden met eeuwigheidsperspectief; wat ben je dan best af!
  1. Wat verwacht jij van het sterven? Wat verwacht jij van Christus' wederkomst? Wat verwacht jij van de hemel?
  2. Hoe denk je dat God de dood ziet? Hoe kun je tegen de modernistische stroom in roeien, die de dood bij het leven vindt horen?
  3. Praat jij met je 'broeders' (gezinsleden, echtgenoot/echtgenote, kinderen) over sterven? Loop je ook tegen moeilijkheden op? Deel je die met anderen?

woensdag 7 september 2016

Hoe Jozef een aartsvader werd

"En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren."
Genesis 50 : 23

Als je van de mensen in de dagtekst een foto zou maken, zou je vier generaties zien. Op de foto hierboven staan ook vier generaties: allen met de naam Johannes Hermanus Gunning; overgrootvader was predikant, zoon J.H. Gunning jr (rechts) werd ook predikant en later professor in de theologie; zoon J.H. Gunning JHzn (links) werd o.a. predikant in de Sint Jan te Gouda; diens zoon, de dopeling die bij overgrootvader op zijn knieën ligt – eveneens een J.H. – werd echter belastingambtenaar; maar diens zoon werd ook weer predikant. Bron: RefDag

Je kunt deze tekst als een feitelijke mededeling beschouwen, maar toch is er meer over te zeggen. Dat doen de Kanttekeningen ook en het is wel aardig om die als leidraad voor onze overdenking te gebruiken. Kinderen krijgen en je kleinkinderen zien opgroeien is een zegen. Zelf sta ik op het punt om voor de eerste keer opa te worden en ik probeer me in de denken hoe dat zal zijn.

Grootouder worden is één kant van de zaak; dan is het jouw 'bloed' dat je verder ziet stromen. De andere kant van de zaak is dat jouw kinderen nu gaan beginnen te ervaren, wat jij al enige tijd achter je hebt liggen. Hun leven gaat zich nog verder verzelfstandigen. Zij zijn naast jouw kinderen nu ook de ouders van jouw kleinkinderen. In de moderne westerse samenleving staan grootouders meestal aan de zijlijn (of ze fungeren als goedkope oppas in de plaats van hun werkende kinderen) en maken op afstand de ontwikkeling van hun kleinkinderen mee. Opa's en oma's moeten zich vooral niet te zeer bemoeien met de opvoeding van hun kleinkinderen, want anders ontstaat er polarisatie.
Maar vroeger was dat anders; in Jozefs tijd – zo blijkt uit de dagtekst – was opa Jozef er voluit bij betrokken. Jozef kan met recht een aartsvader worden genoemd. En soms denk ik: zijn we in het moderne westen misschien iets heel waardevols kwijt geraakt? En wel zo: zijn grootouders nog in staat om net als Jozef (en Jacob en Izak en Abraham) werkelijk iets te betekenen in het leven van kinderen en (achter)kleinkinderen? Dat gaat verder dan alleen cadeautjes geven, spelletjes doen en verwachten dat de kleinkinderen keurig bij je op visite komen. Aartsvader en -moeder zijn betekent een uitstraling hebben die door Gods Geest wordt gegeven en gebruikt, waarlangs niet jij maar de HEERE iets kan uitwerken in het leven van de volgende generaties. Dat zijn pittige gedachten die ik ook over mijn eigen leven moet leggen. Een spiegel, een realiteit die verootmoediging uitwerkt.

Geboren uit jouw kinderen

De tekst spreekt over 'het derde gelid' en over kinderen van Jozefs kleinzoon Machir (achterkleinkinderen dus). In de Kanttekeningen wordt opgemerkt: "Hebr. kinderen der derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kindskinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16. Ps. 128:6. Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, Gen. 48:19.
Je kunt ook denken aan de Tien Geboden waarin wordt opgemerkt dat de HEERE de zonde der vaderen bezoekt (of dat de zonde effect heeft) tot in "het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten". Daar heeft het een geladen betekenis. Bij Job is het vooral de zegen, wanneer hij – na al zijn kinderen te zijn kwijtgeraakt – zelfs nog zijn achterkleinkinderen heeft mogen zien. Dezelfde zegen die ook in Psalm 128 wordt beloofd.
Je achterkleinkinderen mogen zien is meer dan een bereikte status: het maakt je al kleiner en de vreugde en dankbaarheid zijn voor God. Die kinderen te zien geboren worden is het bewijs van Gods zegen over jouw leven. Genade wordt zichtbaar en tastbaar!
Er is nog iets dat me opvalt in de tekst. Er lijkt zich – of ik moet mij vergissen – een soort tegenstelling of wedijver te voltrekken in de verschillende bewoordingen over enerzijds Manasse en anderzijds Efraïm. Wedijver is misschien niet het juiste woord, maar wellicht gradatieverschil. Efraïm wordt als eerste genoemd, hoewel hij van deze twee de jongste was; Manasse was de eerstgeborene aldus Genesis 48 : 14. Efraïm is vooropgezet en de zegen van vader Jacob wordt zichtbaar in het feit dat Jozef ook van Efraïm kinderen mocht zien in het derde gelid (achterkleinkinderen, de kleinkinderen van Efraïm). Ik haal even Numeri 26 erbij (en ook 1 Kronieken 7 biedt zo'n aardig overzicht):
28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31 En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
33 Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
Efraïm kreeg minstens drie zonen: Sutélah, Becher en Tahan. In 1 Kronieken 7 wordt direct de lijn voorgezet met Sutélah, telkens 1 zoon. Sutélah kreeg volgens Numeri een zoon Eran en volgens 1 Kronieken 7 ook nog een zoon Bered. Met die nazaten van Bered loopt het niet zo goed af; niettemin ontvingen ze wel een duidelijk zegen van Jozua, dat ze de Filistijnen zouden overwinnen. Het vreemde was namelijk dat Manasse en Efraïm aanvankelijk 1 lot kregen toen het land Kanaän werd verdeeld. Het gebied werd al snel te klein en ook de zegen van vader Jacob kwam hierdoor onder druk te staan. Ze kwamen daarom bij Jozua (die ook een nazaat van Efraïm was) die hen zegende en het gebergte bij Gath ook gaf, belovend dat ze onoverwinnelijk zouden zijn voor de filistijnen. Maar dat is wel beproefd geworden. Terug naar de tekst: Jozef heeft deze Eran en waarschijnlijk ook Bered dus nog zien geboren worden en opgroeien. Hij heeft ze vast ook op schoot gehad als tastbare bewijzen van Gods goedheid en trouw.
Nu naar Manasse. Hoewel hij de eerstgeborene was, werd hij toch op de tweede plaats gezet. Niettemin had Jacob gezegd: "Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij (Manasse) zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden." Die zegen heeft Jozef, die bij die zegening aanwezig was, bewaarheid zien worden toen Manasse (klein)kinderen kreeg. Enkel Machir wordt genoemd, als kind van Manasse. Hij kreeg een zoon Gilead. Jozef heeft Gilead dus nog gezien; sterker nog, hij heeft een bijzondere band met hem gehad (hij werd op Jozefs knieën geboren; daarover straks). Gilead bracht een groot volk voort dat uiteenviel in de nazaten van zijn kinderen: Jezer, Helek, Asriël, Sechem, Semida, Hefer. Die laatste had een zoon die enkel dochters had; daar lezen we over in Numeri 26, wanneer zij eigenlijk geen erfdeel ontvangen, bij de verdeling van het land Kanaän.

Geboren op jouw knieën

Een merkwaardige uitdrukking. Jozefs moeder had die term ook al in haar mond genomen, toen ze onvruchtbaar bleek. Ze had tegen Jacob gezegd (wij westerlingen zouden dat nooit kunnen begrijpen): "Neem mijn slavin Bilha dan, als je mij niet zwanger kunt maken! Dan moet zijn maar op mijn knieën baren". Net letterlijk natuurlijk, maar toch. Zie je die Bilha staan, terwijl haar meesters dit koud en chagrijnig zegt? Ze moet er direct een beeld bij hebben gehad. Dat betekende geslachtsgemeenschap met naar heer, maar ook de moeite en pijn van de bevalling ten behoeve van het genot van haar meesteres. Dan en Naftali zijn dus het product van Rachels jaloezie richting haar zus Lea. Des te opmerkelijker is dat juist Jozef deze term ook weer gebruikt.
De Kanttekeningen leggen bij deze term uit: "Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid met blijdschap en vermaking placht op zijn schoot te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kinderkens gemeenlijk doet." Op je knieën tekent het beeld dus van op schoot nemen en liefde geven. Dat is wel typisch het beeld van een ouder of zelfs een grootouder. Maar er zit meer in, als je kijkt naar Rachel: bezit of in ieder geval een verbinding die gelijkwaardig is aan ouder-kind. Daarnaast inderdaad ook de intieme relatie. Over Jezus wordt gezegd dat Hij de Zoon van de Vader was, altijd in de schoot des Vaders verkerend en de vermaking was van Zijn Vader. Dat is meer dan alleen een spelletje samen doen met opa: 'ik zie ik zie wat jij niet ziet' of 'hobbelpaard, hobbelpaard… gat in de weg'. Opa, of in Jozefs geval overgrootvader, keek naar het kleine kind en zag er Gods betrouwbaarheid in. Hij knuffelde het kind en liefkoosde zo Gods bewezen trouw aan Zijn belofte! Tegelijk een dankgebed als dankoffer opzendend naar God de Vader: "Heere, het is écht. Wie is aan U gelijk?!"

Zouden we nog steeds zo naar onze kinderen, klein- en achterkleinkinderen kunnen kijken? Zouden we nog steeds zó betrokken kunnen zijn op onze nazaten? Of gaat dat niet meer lukken? Ik geloof – de emancipatie van de jongeren ten spijt – dat de HEERE nog steeds zo kan werken en grote wonderen kan doen. Het gebed en de hartelijke geestelijke betrokkenheid op onze nazaten kan het keiharde modernisme en de emancipatie- en expansiedrang van het westers maatschappelijk denken doen barsten als een gestage waterdruppel een keisteen. Dit goddeloze tijdperk van wetteloosheid kan ons wel voorschrijven wat moet moeten vinden, voelen en doen, maar kan ons nooit de rijkdom van het leven met de HEERE ontnemen. Als Jezus door een dichte deur kan binnenkomen bij Zijn jongeren, dan kan Hij dat vandaag de dag ook bij elke jongere! Laat hen in die zin maar op jouw 'knieën geboren' zijn; ik bedoel: laat ze maar op jouw ziel liggen en neem ze mee in je gebed, probeer ze te bereiken en laat ze merken dat je voor hen bidt; dat hun eeuwig heil jouw persoonlijk aan het hart gaat. Dat is aartsvader en -moeder zijn in de 21e eeuw! En misschien mag je net als Jozef Gods trouw tastbaar zien worden in hen, terwijl ze op 'jouw schoot' zitten. Dan mag je een diep vermaak hebben, door hen heen in God Die machtig is harten te treffen en door te gaan met Zijn zaligmakend werk.

  1. Wat vind je van de hiervoor genoemde visie op geestelijk aartsvader- en -moederschap? Hoe zou jij dat praktisch kunnen maken en wie zou jouw geestelijke betrokkenheid op dit moment het hardste nodig hebben?
  2. Zou je die kennis en ervaring ook op andere opa's en oma's kunnen overbrengen? Zie je ook dingen misgaan in de relatie grootouders-kleinkinderen? Wat zou je daaraan kunnen doen?
  3. Hoe zou je hier ook gestalte aan kunnen geven, ondanks dat je geen kinderen hebt of zelfs niet getrouwd bent?

dinsdag 6 september 2016

Welke stip heb jij op je horizon staan?

"Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren."
Genesis 50 : 22






Dit stuk steen is waarschijnlijk een fragment van een beeld van Jozef;
na (computer)reconstructie ziet het er zó uit als hiernaast

"Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen!", zingt Psalm 133. Dat gezamenlijk optrekken en bij elkaar wonen, zich over elkaar ontfermen, is altijd een kenmerk van de christelijke gemeente geweest. Maar, omdat Psalm 133 het in het Oude Testament al onderstreept, lijkt het me een heel normaal, aartsvaderlijk gebruik.

In een week van nabetrachting is het een heel gepast onderwerp om over na te denken. Immers, het laatste deel van het Avondmaalsformulier spreekt daar ook onomwonden over. "Daarbenevens, dat wij ook door dien Geest onder elkander, als lidmaten van één lichaam, in waarachtige broederlijke liefde verbonden worden; gelijk, de Heilige Apostel spreekt: "één brood (is het, zo) zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn". Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen, en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet, en zich ondereen vermengt: alzo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus', onzes lieven Zaligmakers, wil, die ons te voren zo uitnemend heeft lief gehad, allen te zamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen."
Er wordt zelfs nadrukkelijk om gebeden: "Daartoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, door zijn Heiligen Geest.. Amen."

Weer terug in de wereld

Het valt me op – misschien is het toevallig – dat er niet staat dat Jozef en zijn familie bij elkaar in Gosen zijn gaan wonen (afgezonderd van de rest), maar dat ze samenwonen in Egypte. Ze trekken zich niet terug uit de wereld, maar nemen er hun plek gewoon weer in. De broers en hun families gaan als schaapherders aan het werk; ook al waren de Egyptenaars daar niet zo van gecharmeerd. En Jozef vervult zijn leidinggevende functies op regeringsgebied weer.
Onderwijl waren ze zich van elkaars aanwezigheid bewust, ook al schrijft de Bijbel daar niet uitvoerig over. De broers hadden zich dienstknechten van de God van hun vader genoemd. Ze waren zich dus bewust van hun goddelijk beroep en het feit dat de HEERE als de grote Opperherder over hen waakte en voor hen zorgde. En Jozef… diende Eén en Diezelfde God, weliswaar in een sociaal ander milieu en met heel ander soort werk, maar toch! En … ook hij is, net als zijn broers, priester in zijn gezin. Zijn kinderen worden door hem opgevoed in het spoor van Gods geboden en verbond. We lezen in het volgende vers dat zijn kleinkinderen 'op zijn schoot' worden geboren. Niet letterlijk natuur, maar daarover de volgende keer. Hij was dus ook als opa betrokken bij de opvoeding van zijn kinds-kinderen.
Ondertussen leefde hij met toekomstperspectief. Ik vermoed dat hij wel wist dat hij niet meer terug naar Kanaän zou gaan, maar die kleinkinderen zouden er op Gods tijd wél naar toe gaan. En wat als ze helemaal niets van het leven met de HEERE wisten? Wat, als ze helemaal niet wisten wat ze daar dan moesten gaan doen? Bij Joden spreekt dat traditionele en van-generatie-op-generatie-leven veel meer dan bij ons. Hoe ver Joden ook over deze wereld zijn uitgezworven, ze kennen die verbondenheid en leven in een – zij het vaak zionistisch – verlangen naar 'huis'. Geven we dat onze kinderen en kleinkinderen ook door? Na de Avondmaalstafel is er vast en zeker wel wat door te geven, aan te wijzen, te onderstrepen. En er is het samen leven door Eén en Dezelfde Geest. Elkaar liefde bewijzen is wat anders dan zoet en lievig doen. Het is zoeken naar elkaars gezondheid, elkaar opscherpen en betrokken zijn op elkaars zaligheid. In bergtopmomenten en in de dalen van afdwalen. Met het oog op die Dag…

Als het einde komt

In dit ene vers wordt ruim een halve eeuw samengevat. Jozef heeft nog een dikke vijftig jaar zo geleefd in Egypte. Uitziende naar de dag van zijn ontbinding. De Messias Die was beloofd en Die uit Juda zou worden geboren, was nog niet gekomen. Ik weet niet hoe Jozef zich Hem precies heeft voorgesteld. In de volheid des tijds had men in ieder geval een danig vertekend beeld van de Messias. Tóen ze Hem dan uiteindelijk zag, herkenden ze Hem niet eens!
In de tussentijd dat Jozef naar Egypte was verkocht, koos Juda een vrouw uit de Kanaänieten, de dochter van Hira. We kennen de geschiedenis van zijn zoons (één trouwde met Thamar, maar overleed nog voor hij een zoon had; zijn broer Onan wilde geen zoon verwekken bij zijn schoondochter die weduwe was). Let erop dat we dan dus een generatie later zitten, als Thamar uiteindelijk haar schoonvader Juda misleidt, zwanger van hem wordt en een tweeling baart. Dat is allemaal nog in Kanaän gebeurd. Die jonge jongens zijn mee naar Egypte gegaan en daar opgegroeid. Maar hun vader (die eigenlijk ook een beetje hun opa was) was reeds op jaren. Het is zeer aannemelijk (ook omdat Juda een stuk ouder was dan Jozef) dat Juda jaren eerder is overleden dan Jozef. Mogelijk zelfs zijn ál zijn broers al overleden, wanneer Jozef sterft. Gods beloften leken niet uit te komen en tóch verwachtte Jozef de vervulling ervan met een vast geloof. Dat zal ook in de komende verzen blijken.
Jozef sterft – evenals zijn vader, opa en overgrootvader – "in het geloof, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren" (Hebreeën 11 : 13). Jozef met al zijn rijkdom, eer en macht was dus een vreemdeling op aarde. Het beste moest nog komen. En dat brak aan toen hij 110 jaar was! 
Hoe leef jij eigenlijk op aarde? Lijkt dat hier een beetje op? Heb jij – om het hedendaags te zeggen in managementtaal – ook diezelfde stip op jouw horizon staan? Wat is jouw reisdoel?
  1. Neem voor jezelf eens de tijd om te overdenken waar jouw 'stip op de horizon' staat: m.a.w. waar wil je aan het einde van dit leven uitkomen?
  2. Welke plaats neemt daarbij Gods Woord en Gods Geest in?
  3. Wat doe je ondertussen, in het leven van alle dag, met het oog op die toekomst? Merken anderen daar iets van bij jou (horen ze er iets over)?

vrijdag 2 september 2016

Ik zal je onderhouden


"Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden."
Genesis 50 : 21a

Onderhouden: "Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op zijn volkomen offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op den enigen grond en fondament onzer zaligheid wijst, waar Hij onzen hongerigen en dorstigen zielen tot een waarachtige spijs en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijn dood heeft Hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer, namelijk de zonde, weggenomen, en ons den levendmakenden Geest verworven; opdat wij door dien Geest (die in Christus als in het Hoofd, en in ons als zijn lidmaten, woont) met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en al zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid deelachtig worden.

Mooie woorden over de HEERE en Zijn barmhartigheid impliceren nog niet altijd mooie daden van mensen. Jozef kan alles wel mooi op een rijtje hebben – met zijn betoog over Gods plan – en dat ook nog bewogen uitleggen, maar onderwijl kan hij vanuit zijn positie rustig zijn broers uitbuiten of wegjagen. Niet dat ik dat van Jozef verwacht en ik denk ook dat de broers – na Jozefs woorden niet zulke dingen hebben gedacht – maar waar ik op doel is dat woorden met daden gepaard moeten gaan. Daar komt het op aan.
"Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen," zo daagde Jacobus zijn lezers uit. Over die woorden is nogal wat verschil van inzicht. Je kunt er een wedijver in lezen waarbij beiden hun geloof uit hun daden bewijzen. Maar andere uitleggers wijzen erop dat het woord 'uit' in de eerste zin moet worden vertaald met 'zonder'. Dan betekent het: bewijs jij je geloof maar zónder daden, ík zal het bewijzen vanuit mijn daden. Hoe het ook zij, de uitkomst is natuurlijk dat we wel mooie vrome en theologisch/bevindelijk zeer doorwrochten zegswijzen kunnen bezigen, maar dat neemt nog niet weg dat geloof zonder werken dood is. Hoe mooi er ook wordt gepraat. Evenzeer is het waar dat we verloren gaan wanneer we alleen maar mooie werken hebben en geen geloof in Jezus Christus.

Geloven zonder vrees

Terug naar de tekst. Opnieuw benadrukt Jozef dat de broers niet moeten vrezen. Hun woorden ademen klaarblijkelijk angst en vrees uit. Dat wegwuiven van vrees is typisch een karaktertrek van de HEERE; hoewel Hij vrees inboezemt. Dat ligt niet in eerste instantie aan Hem, maar aan onze breuk met Hem. Kijk maar naar Adam en Eva. Toen God naderde (hoeveel tijd heeft er gezeten tussen het eten en de ontmoeting met God?) schrokken ze. Ze duiken niet weg, wanneer ze ontdekken dat ze naakt zijn (dan lossen ze hun probleem enkel op door de aanblik op hun schaamte aan elkaar te onttrekken), maar wanneer God nadert (dan verstoppen ze zich). Hem kunnen ze niet onder ogen komen en ook hun provisorische ondergoed biedt niet voldoende bescherming.
Er zitten ook bij deze ontmoeting tussen de broers en Jozef twee kanten aan die vrees. Hun vrees komt voort uit angst voor de straf of de verdervende reactie van hem die ze onder ogen komen. En hun vrees wordt ook aangejaagd door de spanning die ontstaat vanuit het besef dat ze hier eigenlijk niet mogen komen. De toegang was dicht; althans in hun optiek. Daar konden zij vanuit zichzelf geen enkele verandering in brengen. Zij konden Jozef niet tot barmhartigheid bewegen. In hoeverre niet ergens diepweg toch die drang in hun verootmoediging zat weet ik niet; God weet het. Maar… het stelt ons vooral de vraag: proberen wij die vrees weg te redeneren? Of proberen we met zogenaamde bevindelijke deemoedigheid God tot barmhartigheid te bewegen? Praten we met grote woorden van slijkzoekende vernedering, zodat het hart van God zou moeten breken? Praten we God voor: U heeft helemaal gelijk als U ons zou wegdoen…? Of smeken we Hem om oprechte verootmodiging, wetend dat het ons ten ene male ontbreekt aan puur, ondubbelzinnig berouw?
De HEERE geeft bovenal puur, ondubbelzinnig. Als Zijn Geest je vervult met berouw, hoef je niet te twijfelen of het wel echt is. Als Hij zegt – en daarin is de HEERE beduidend anders dan welk mens ook – "vreest niet", dan is de vrees ook weg; dan valt er niets meer te vrezen. "Nu dan…" Nogmaals, kort samengevat: "Vreest niet!"

Stil en gerust leven

Jozef voegt bij zijn woorden een belofte die hij ook kan waarmaken, gezien zijn macht en invloed: "Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden." Niet vrezen; wees maar gerust, je kunt een stil en gerust leven leiden, daar in Gosen. Jozef spreekt niet over de lengte van deze belofte; die was immers eindig… Jozef zou eens overlijden (hij was nu reeds op leeftijd maar zou zeker nog een halve eeuw leven). Tevens zou het volk niet eindeloos in Gosen blijven; ze moesten eenmaal weer terug naar Kanaän, nietwaar? Voor die tijd belooft hij hen een stil en gerust leven. Hij zal doen wat in zijn vermogen ligt. 'Onderhouden', 'voorzien van ál het nodige' betekent dat.
Ook in het Avondmaal belooft de HEERE, zoals Hij ook in de Doop beloofde, een gezegend leven in Zijn nabijheid. Voor de tijd die wij hier op aarde zijn, maar in nog veel heerlijkere realiteit in het Beloofde Land! Hij belooft, wat Hij ook kan waarmaken, gezien Zijn macht en invloed. Kom maar, zeul geen ballast aan goddeloosheid noch godsdienstigheid mee. Laat Mij je dragen, maar zonder dingen die niet nodig zijn te dragen. Ik zal je voorzien van ál het nodige, om Mij te dienen, anderen tot het heil met jaloersheid te trekken én om eindelijk in het Beloofde Land aan te komen.
Stil en gerust… dat is het vertrouwen van een kind aan de borst van zijn of haar moeder. Het vertrouwen van een kleuter die de hand van zijn of haar vader beet houdt. Al de weg leidt mij mijn Heiland… Jezus ga ons voor! Wie maar de Goede God laat zorgen. Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand loop ik met gesloten ogen naar het onbekende (nu ja, onbekend!) land.
  1. Geloof je de gewisse belofte dat je zonden zijn vergeven om Christus' wil?
  2. Vertrouw je de HEERE op Zijn Woord? En laat je Hem dus voor je zorgen?
  3. Hoe staat het met het verlangen naar het Beloofde Land? Wat is de kern van dat verlangen?

woensdag 31 augustus 2016

Gods plannen hoger dan onze plannen

"Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden."
Genesis 50 : 20

Daar buigen de 'korenschoven' en de 'sterren' voor Jozef

Het blijft voor ons kleine mensenverstand gevaarlijk en moeilijk om Gods plannen na te rekenen. Maar als de HEERE je soms toch iets laat zien van Zijn plannen en doelen met jouw leven, raak je vervuld met aanbidding van God en barmhartigheid naar anderen. Dat zien we hier gebeuren, in onze dagtekst.

De Avondmaalstafel is ook zo'n plek bij uitstek waar de HEERE Zijn kinderen aan het hart drukt en even uittilt boven het alledaagse, om onze hoofden op te heffen naar de hemel, waar Christus is. Dan zie je alles weer even in het juiste perspectief.

Gods goede plannen met zondaren

Jozef windt er geen doekjes om: "Jullie hebben kwade plannen tegen mij bedacht." Je zou de woorden, als je ze zo leest, als dreigend kunnen zien. Echter, ik denk dat de broers aan Jozefs toon wel hoorden dat er iets geweldig moois achteraan kwam. En inderdaad, zo is het ook: "Maar God… heeft het ten goede gedacht!"
Wat moet er een schok door de broers zijn gegaan, denk je niet? Dat ze kwade dingen hadden bedacht, konden ze zelf ook wel bedenken. Denk aan het treiteren van Jozef, het hem niet voor vol aanzien toen hij zijn dromen vertelde. Maar denk zeker ook aan dat moordplan, dat uiteindelijk leidde tot de verkoop van Jozef aan de karavaan die op weg was naar Egypte. Vergeet ook de sinistere leugens niet die ze met elkaar bedachten en waarmee ze vader Jacob alle hoop hadden ontnomen Jozef ooit nog te zien. Dat familieschandaal, dat de doofpot in moest en dat ze – hoe is het mogelijk – altijd onder de stolp hebben kunnen houden. Die leugen is al die jaren niet uitgelekt! Wat een loden last, temeer toen ze die vreemde onderkoning onder ogen kwamen!
Ze hadden er vast en zeker spijt van. Maar nu te horen dat ze met al hun boosaardigheid precies moesten meewerken in Gods plan, dat is toch wel een enorme ontgoocheling. Erachter komen dat je met al je tegenspartelen juist tóch gebruikt werd in Gods grote raadsplan… om stil van te worden. Al dat kwaad gebruikte God om hun behoud veilig te stellen. Dat moet hen geduizeld hebben!

Smaakt en ziet dat de HEERE goed is

En wat was dat plan dan? Een groot volk in leven houden, terwijl zij een broer wilden doden, of althans elimineren. Had Jozef daar niet in Egypte terecht gekomen, dan hadden zij de hongerdood gestorven.
Ik zocht de dood, maar God schonk het leven! Ik bewandelde een eigen weg die mijn dood had kunnen worden, maar de HEERE zocht mijn behoud! Merkwaardige en ontluisterende ontdekking die in pure aanbidding moet eindigen.
Ja maar, Jozef, doe je niet aan inlegkunde? Hoor wat hij zegt: "gelijk het te dezen dage is". De Kanttekeingen zeggen: "Dat is, gelijk het heden blijkt, en voor alle mensen openbaar is." Kijk dan! Iedereen kan het zien en ervaren dat de HEERE goed is! Juist die boze broers zijn er het bewijs van.
Tja, voor ik mij verhef boven die broers, buig ik mijn hoofd en ben zelf ook het bewijs van Gods goedheid. Ik ben er nog… en dat had ik niet verdiend. Ik kan nu niet direct iets aanwijzen waarom God mij één dag langer zou laten leven. Maar Hij doet het. Dat moet wel uit Hemzelf komen. Dat vertelt ook iets over Zijn innerlijk: Barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Zou ik daarom geen loflied vol aanbidding zingen aan Zijn tafel?
  1. Denk eens na over de woorden uit het Avondmaalsformulier: "Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven." Welke gedachten komen bij je boven en welke teksten hebben voor jou hiermee te maken? Bedenk dat deze Zaligmaker tevens de Gastheer is aan de tafel.

dinsdag 30 augustus 2016

Intensief luisteren naar Gods stem; ken je dat?

"En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?"
Genesis 50 : 19

GOUDA. De leerlingen van het Hoornbeeck College kwamen gisteravond in Amersfoort, Apeldoorn, Gouda (foto), Kampen en maandagmiddag in Rotterdam bijeen om het schooljaar te openen. Het beeld raakte me door de verschillende (soms ongeïnteresseerde) luisterhoudingen Beeld Martin Droog


Je houdt de adem in, als je de broers zo ziet liggen op de grond. Ja, wij weten anno nu eigenlijk teveel, zodat we de spanning in deze verzen niet meer zo kunnen voelen. Wij weten immers hoe het afloopt, maar de broers nog niet. Als je je een moment inleeft in hun positie, waarin zij het ergste vrezen, hóe groot is dan het contrast wanneer Jozef gaat spreken.

Als Jozef zegt "Vreest niet", dan heeft hij gevoeld dat er wel degelijk angst was voor een slechte afloop. De broers hadden hun verzoek eerst indirect ingediend en daarna waren ze zelf de zaal van Jozef binnengebracht, al dan niet door Jozef uitgenodigd dan wel gedaagd. Het blijft wat vaag hoe het er precies aan toe ging, maar niets in het voorspel liet de broers iets voelen van een goede afloop. Eigenlijk net zo, zoals het ging vóórdat Jozef zich aan hen openbaarde, 17 jaar geleden. Ongetwijfeld zijn de beelden uit die tijd diverse keren door hun hoofd geschoten.
Maar nu klinkt Jozefs stem; een stem die niet alleen woorden dicteert, maar ook kleur geeft aan die woorden door middel van sociale en emotionele klank. Reken maar dat de broers al bij het eerste woordje ál hun voelsprieten uitstaken, om te proeven hoe Jozefs stemming was. Vraag vooraf: zitten we ook zo in de kerk? Luisteren we ook zo intens? (Zie de afbeelding hierboven).

Geen macht tot kwaaddoen

Hoewel Jozef begint met de woorden "Vreest niet", wil ik toch achteraan dit vers beginnen, om zo Jozefs intentie voor die eerste twee woorden te proeven. Wat is de reden, waarom hij zegt "Vreest niet"? Het motief volgt na het redengevend voegwoord 'want'. "Ben ik in de plaats van God?" Wat een merkwaardige woorden! Toen de knecht van Naäman met een brief namens de koning van Syrië bij de koning van Israël kwam, scheurde die laatste zijn kleren en zei: "Ben ik dan God?" Met andere woorden "Ik ben toch zeker God niet?! Hoe kan ik ooit aan dit verzoek voldoen?" Bedoelt Jozef met zijn woorden ook zo iets?
Nou, in zekere zin wel, maar dan niet op zo'n onverschillige en lompe manier. Lees de Kanttekeningen maar: "Dat is, ben ik God, Die de macht zou hebben u kwaad te doen, (u) die God door mij goed doen en behouden wil?" Hij zegt dus eigenlijk: "Als de HEERE nu enkel goed wil doen aan jullie en jullie behoud zoekt, zou ik jullie dan kwaad kunnen doen?" Dat is een bijzondere redegeving, nietwaar? Jozef houdt zich verre van wraak, omdat hij merkt dat de HEERE – ondanks de gemene streken van de broers – bezig is met een groter en heerlijker plan: het behoud en een heel volk. Ja, nog een stap verder: de HEERE is hard bezig om de weg te banen naar de Messias!
Jozef had – menselijker wijze gesproken – alle reden om wraak te nemen. Hij had er zelfs de macht toe, omdat de broers strafbare feiten hadden gepleegd. Hun verzoek dat met angst voor Jozef gepaard ging, alsmede met een verwrongen beeld van hem, had evenzeer reden kunnen zijn om hen op te pakken en uit de weg te ruimen. Elk mens zou uit zijn vel zijn gesprongen, denk ik. Heb je eerst zo'n hele rit naar en van de begraafplaats in Kanaän gemaakt; blijken ze achter je rug om een plannetje gesmeed te hebben, nota bene met de woorden van je overleden vader als stok achter de deur; niet meer te verifiëren. Hebben ze al die jaren dat ze daar in Gosen bivakkeerden, hun kaken op elkaar gehouden, en komen ze nu opeens en tekenen Jozef af als iemand die op wraak zint?! Terwijl hij alleen maar goed deed aan hen!

Geen vrees voor wraak

Maar Jozef toont geen wraak. Al de ellende die hij ook – buiten de schuld van de broers om – hier in Egypte heeft moeten verduren (door toedoen van die zinnelijke heks (de vrouw van Potifar) en door de vergeetachtigheid van de schenker) heeft Jozef kunnen plaatsen en achterlaten in Gods raadsplan. En dat verrijkt hem zó dat het hem de 'macht' tot wraak ontneemt. "Zou ik kwaad doen, terwijl God goed wil doen? Onmogelijk!" Wat een les! In tal van situaties in ons dagelijks leven. Het zoeken naar Gods plan en het zicht op Zijn Vaderlijk handelen weerhoudt ons van kwade gedachten of zelfs van wraakgierige gevoelens. Zou je dat ook willen?

Ik kan niet nalaten te kijken naar de meerdere Jozef, onze Heere Jezus Christus. Hem onder ogen komen doet toch zeker niet onder voor het Jozef onder ogen komen? "Ja ik sloeg Hem die wonden, ik veroorzaakte al die pijn en smaad en gaf Hem die doornenkroon." Als je dat ziet, hoe zou je Hem dan onder ogen kunnen komen?
Nog een stap verder: als je de zondeval niet een zaak van Adam en Eva laat zijn, maar een zaak van jouw eigen hart… hoe zouden je God de Vader dan onder ogen kunnen komen? Echter, waar Jozef voor de broers nog enigszins onberekenbaar had kunnen zijn, daar is de HEERE de betrouwbare. Wie tot Hem komt wordt nooit onverrichter zake weggestuurd. Hij laat geen bidder staan. Zelfs wil ik bestrijden dat Hij mensen maar lekker laat wachten – wat sommige uiterst rechtsen wel willen beweren. Zo is de HEERE niet. Hij is gaarne vergevende en dus ook actief en intensief bereid. Het lag niet aan de aarzeling van God of Zijn sarcastisch, treiterend laten wachten, als we verloren gaan. Weliswaar kan Hij Zijn kinderen op de proef stellen. Abraham moest lang wachten op een kind; maar niet zonder de voortdurende belofte. Het kruis dat hij – en ieder die Jezus volgt – krijgt opgelegd, is te dragen.
Gods beloften – die spreken van de wil en bewogenheid van de HEERE om goed te doen – weerhouden Hem van wraak. Ja wraak is er wel, wanneer wij Hém laten wachten of zelfs wegtheologiseren. Wraak is er als we Hem botweg en brutaal negeren of zelfs voor dood verklaren. Maar niet als we tot Hem de toevlucht nemen. En zeker niet als ons hart vol liefde tot Hem uitgaat. Waar denk je dat die liefde vandaan komt? Waar denk je dat die drang om de toevlucht tot Hem te nemen vandaan komt? Bij Hemzelf vandaan! Zou Hij dan laten wachten op wat Hij Zelf in jou heeft gewerkt? Hij vindt gunst en niet in wraak Zijn lust; de hitte van Zijn gramschap (wraak) is op Golgotha geblust. Geen veilige plek dan aan Zijn Vaderhart!
  1. Kijk eens kritische naar jouw motivatie bij het lezen van Gods Woord. Ben je benieuwd wat de HEERE jou te zetten heeft?
  2. Let eens op je luisterhouding. Zou jouw houding van invloed kunnen zijn op de concentratie en nieuwsgierigheid/begeerte van anderen om je heen?
  3. Hoe goed is het om juist ook in een week van Voorbereiding op het Heilige Avondmaal, stil te staan bij en te mediteren over Christus’ verlossingswerk. Kom je daar voldoende aan toe? Waar zou je behoefte aan hebben?

maandag 29 augustus 2016

Bij de HEERE weet je écht waar je aan toe bent

"… maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! […]
Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!"

Genesis 50 : 17b en 18


De verloren zoon wilde ook een dienstknecht zijn vanwege zijn zonden; maar zover kwam het niet.

Als ik de verzen van vandaag even op mij laat inwerken, komt als vanzelf het beeld van de verloren zoon mij voor ogen. Die zoon die koste wat het kost terug wilde naar zijn vader en zich voornam dat hij dan maar een huurling van zijn vader moest worden. Die woorden komen hem echter niet over de lippen. Zijn vader kust ze als het ware weg. Zie het intense geluk in zijn vaders ogen: zijn zoon gevonden is, terwijl hij verloren was! De broers echter gebruiken wel tot tweemaal toe dat woord 'slaaf' of 'knecht'. Ze hullen zich in nederigheid en ootmoed, als ze hun rechtvaardige broer benaderen.

Misschien is het goed te beseffen dat zij dat niet hadden hoeven doen. Ze hadden in een hoek in Gosen kunnen wegkruipen en net doen of ze er niet waren. Ze hadden kunnen doen alsof hun neus bloedde, maar dat deden ze niet. Ze zochten bewust het contact met Jozef. Blijkbaar op advies van vader Jacob. Eerst citeren ze hun vader, vervolgens benadrukken ze dat ze kinderen van één Vader (hun hemelse Vader) zijn en daarom hoop mogen hebben op vergeving. Vervolgens komen ze zelf bij Jozef en werpen zich voor hem neer, net als Mefiboseth deed. Of wat dacht je van Esther? 'Komen we om dan komen we om, maar we zullen tot de (onder)koning gaan!"

Doelbewust gaan

Zoals al eerder gezegd, er waren heel wat redenen om niet te gaan. Wilde je geen onrust creëren of risico’s lopen, dan moest je niet het contact met Jozef zoeken. Hoewel, Jozef was toch ook maar onder Farao gesteld? Dus moesten ze dan misschien liever via Farao de dingen veilig stellen. Konden ze niet lobbyen aan het hof van Farao? Dan was de kans op een veilige plek voor de toekomst veiliggesteld. Maar nee, ze kiezen voor het risicovolle contact met Jozef.
De hele reis naar de begraafplaats van Jacob was het er blijkbaar niet van gekomen, maar nu ze terug zijn worden ze innerlijk gedrongen om hun broer op te zoeken en alles op het spel te zetten. Waarom doen ze dat? Ik denk toch dat ze dat met het oog op de toekomst deden. Een zekere vorm van langetermijn-denken. En dat is toch een verstandig besluit. Niet alleen zij, maar ook hun kinderen en kleinkinderen moesten hier een veilige plek hebben. Mocht Jozef ze nog met rust laten, Jozefs kinderen zouden wellicht nóg intenser wraak kunnen nemen voor hun vader! Daar hadden zij al helemaal geen invloed op. Ongetwijfeld hadden Efraïm en Manasse ook al een goede positie aan het hof. Wie weet welke ellende dat zou gaan betekenen.
Al die voors en tegens tegens terzijde schuivend, besluiten ze tóch te gaan. Op het risico af dat ze zouden worden gedood, of op zijn minst in de gevangenis te worden gegooid, mochten hun voorgevoelens waarheid worden. Dat doelbewuste, onverschrokkene mag toch wel onze houding zijn wanneer we naar God gaan. Niet vrijpostig of brutaal, maar voortvarend, doelbewust en aanhoudend. "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd," adviseert en stimuleert Paulus in Hebreeën 4 : 16.

Welbewust dienen

Ik zei daarnet: waarom geen gelobby aan het hof van Farao? Waarom zo doelbewust naar broer Jozef? En wat denken ze te bereiken met hun dienstknechtspositie? Nou, let er eens op dat ze zich heel bewust in de handen van Jozef werpen: "Zie, wij zijn u tot dienstknechten"! Niet: "Anders willen best wel voor jou werken of zo…" Nee, zonder enig voorbehoud: "We zijn jouw knechten, jouw slaven, jouw eigendom." Alle eigen rechten worden opgegeven. Wat je ook van die broers vindt en wat wellicht ook hun diepere en diepste motieven zijn geweest (ik kan me voorstellen dat ze niet allemaal even intens en volkomen waren in hun uitlevering), toch zijn ze een prachtige illustratie voor elke afgedwaalde: Ga terug; kom doe het maar!
Bij dat woordje 'u' moest ik denken aan David, die door God werd gestraft voor zijn hoogmoedige plan om het volk te tellen. Hij moest kiezen uit drie straffen en hij kon eigenlijk niet kiezen. Hoor wat hij zei: "Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen." (2 Sam. 24 : 14).
De broers hadden wel een hekel aan die altijd vrome en brave Jozef, maar alles overziende moesten ze erkennen dat hij een oprechte en barmhartige broer was. Met Farao, de wispelturige despoot (hoewel hij zich in deze geschiedenissen nog wel van een positieve kant heeft laten zien, vind ik), wist je het maar nooit. Maar van Jozef wisten ze nog wel hoe hij vroeger was. Dat zou kunnen zijn veranderd door het leven hier en de omstandigheden waarin hij hier terecht kwam, maar toch…

Nou, mocht je bij Jozef nog aarzelen, bij de HEERE weet je écht waar je aan toe bent. Geen betere plek, geen kloppender hart en geen warmer omhelzing te verwachten. De vader uit de gelijkenis stond op de uitkijk… Wat denk je? Was dat een nietszeggend sprookje? Of vertelde Jezus daar iets wezenlijks over Zijn Vader? In deze week van Voorbereiding op het Heilige Avondmaal worden we opgeroepen om te zien of er soms afstand is tussen de HEERE en ons hart. En er is weinig fantasie voor nodig om te bekennen dat die afstand er zeker is en dat het hoog tijd is voor de bediening van het Avondmaal. Terug naar Huis, terug naar het Vaderhart. En alles wat er tussenin staat moet opgeruimd. "Zie, wij zijn U tot knechten!" Geen nieuwe slavernij, maar welbewust dienen in de vrijheid van de kinderen Gods. Verlang je daar ook naar?

  1. Waarom kozen de broers voor die dienstknecht-positie? Wat zal dat met Jozef hebben gedaan?
  2. Wij kennen biecht en penetentie niet of nauwelijks meer sinds de Reformatie. Missen we daar iets aan, of zou dat toch weer moeten worden ingevoerd?
  3. Mag je tot God vluchten om de straf te ontgaan/in de hemel te komen? Waarom dien jij de HEERE eigenlijk? Of dien je hem nog niet?

woensdag 17 augustus 2016

Het probleem van kapstokpreken

Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: 
Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende: "Zo zult gij tot Jozef zeggen…"
Genesis 50 : 16-17a

Vader Jacob posthume citeren vraagt voor Jozef vertrouwen in zijn broers

Soms begrijp ik niet waarom de HEERE sommige details niet heeft opgetekend in Zijn Woord. Dan zou een en ander gemakkelijker te verifiëren zijn geweest. De broers – en iedereen weet hoe doortrapt ze vaak zijn geweest – komen opeens aanzetten met een verhaal over dat Jacob zou hebben gezegd dat… Jozef was altijd zo close met zijn vader, zeker deze laatste tijd, vlak voor zijn overlijden. Waarom heeft Jacob nooit een woord gesproken over zijn advies aan de broers?

Laten we eens kijken hoe het geheel wordt ingeleid in deze verzen. We zien dat de broers een opstapje naar Jozef gebruiken; en aan indirecte communicatie heb ik altijd een hekel gehad; maar misschien was er wel een reden voor. Ook komen ze aanzakken met een zogenaamd goed advies van Jacob aan zijn zonen, hoe zij Jozef tegemoet moesten treden, na zijn overlijden. Dat is allemaal niet meer te verifiëren. Eigenlijk spelen de broers, zonder het te beseffen, hoog spel. Jozef zou – en ze vreesden toch dat dat zou gebeuren? – hen zonder pardon hebben kunnen opsluiten in de gevangenis, met al hun mooie praatjes. De spanning blijft er nog even in: de broers zijn aan zet.

Het opstapje

Wat is de reden dat de broers niet direct zelf naar Jozef gaan? Waarschijnlijk woonde Jozef niet vlakbij hen en proberen ze via een personeelslid de boodschap aan Jozef door te geven dat ze hem willen spreken. Er staat immers dat ze 'ontboden áán Jozef'. Ze dienden via een officiële weg een verzoek in om gehoord te worden. Dat tekent de broers op zich wel: ze bewandelen meer dan voorheen de officiële weg en geven daardoor te kennen dat ze hun plaats weten.
Veel christenen doen dat ook. Er wordt in onze kringen nogal denigrerend gedaan over de roomsen die de heiligen – en Maria in het bijzonder – als voorspraak gebruiken om iets bij God gedaan te krijgen. Dat hebben protestanten wel afgeleerd. Toch gebruiken ze nog heel vaak Jezus als Voorspraak, Mediator. Dat is niet helemaal verkeerd, maar toch heeft Jezus de weg geopend waardoor wij direct (zonder bemiddeling) tot God mogen gaan. Daarnaast zie je in veel reformatorische kringen dat er nog steeds via bemiddeling wordt gesproken tegen God. Hij wordt aangesproken in een verkeerde persoonsvorm: derde persoon enkelvoud. De HEERE wordt niet bij Naam genoemd, maar als 'Hij' aangeduid. En in de gebeden wordt veel te vaak geciteerd uit schriftgedeelten die in de derde persoon enkelvoud staan. Voorbeeld; een predikant bidt: "Gij zijt toch die God Die heeft gezegd dat Hij …" Of – en dat is nog veel erger – er wordt in het gebed vooral iets óver God gezegd, in plaats van tegen God. Na een paar zinnen vraag je je af of dit nog een gebed aan God is, of een preek (met ogen dicht) aan de gemeente. Het zijn vaak vroomklinkende vormen die schrijnend laten zien dat het nog maar weinig komt tot een persoonlijke ontmoeting met de HEERE. Zo zou je de aardse koning toch ook niet te woord staan?

Het toonzetting

Voortbordurend op dit laatste maken de broers hier nog een cruciale fout (of is het tactiek?). Ze spreken niet over 'onze vader', maar over 'uw vader'. Als ze over Rachel zouden hebben gesproken dan zouden ze terecht hebben moeten zeggen (Benjamin buiten beschouwing gelaten): "Uw moeder…" Rachel was immers alleen de moeder van Jozef en Benjamin? Maar Jacob was hun aller vader. Is dit bescheidenheid? Valse bescheidenheid soms? Wilden ze met deze niet-bezittelijkheid laten zien dat ze het kindschap eigenlijk onwaardig waren geworden? Hoe moet dit Jozef in de oren hebben geklonken, zeker als hij zijn eigen volbloed-broer daar tussen zou hebben zien staan en deze woorden hebben horen spreken?
Daar zit ook tegelijk een les in voor veel christenen die het 'Onze Vader' schuwen. Ik kan de werkelijke motieven niet proeven, dat kan God alleen. Maar het komt mij nogal eens erg overbevindelijk (en daarmee dus niet-bevindelijk) over als mensen het niet aandurven de HEERE 'Vader' of 'Vader in onze Heere Jezus Christus' te noemen; laat staan 'onze Vader'. Je neemt – op zijn positiefst gezegd – de houding aan van de verloren zoon die besloot dat de vader maar moest toestaan dat de verloren zoon zich niet meer zijn zoon mocht noemen. Mag de vader dat even zelf bepalen? God is toch souverein? Als Hij in Zijn souvereiniteit bepaald heeft dat Hij zondaars wil laten zaligen door Zijn Zoon en dat Hij ze door Zijn Geest tot kinderen wil aannemen, zou Hij dan alsjeblieft Vader genoemd mogen worden? "Onze Vader" nog wel! Of… heb je niks met Christus?

Het advies

Nou, advies… het klinkt, aldus de broers, meer als een bevel! Jacob zou bevel of opdracht hebben gegeven dat de broers na Jacobs dood contact moesten leggen met Jozef. En Jacob zou hen dan precies hebben gedicteerd welke woorden ze tot Jozef moesten spreken. Op grond van het Woord moet ik aannemen dat Jacob dat heeft gezegd; al blijf ik hun woorden dubieus vinden. De Bijbel doet er verder het zwijgen toe, voor wat betreft de authenticiteit van dit bevel. Het wordt simpelweg overstemd door Jozefs reactie… Maar hoe welgemeend zijn klakkeloos geciteerde woorden? "Je vader heeft gezegd dat we tegen jouw maar moesten zeggen dat…" Ik weet het: ik vertrouw die broers nog niet helemaal. Misschien omdat ik vanuit Gods Woord teveel van ze weet. Misschien moeten we ze maar het voordeel van de twijfel geven en is dat meer een les voor mijzelf dan voor anderen…
Niettemin heb ik toch een puntje van zorg over citerende christenen vandaag de dag. Er wordt wat een waarheid geciteerd! Maar wordt er ook voluit uit geleefd? En merk je een kloppend hart achter die citaten? Is Gods Woord een bron van leven of een knip-en-plakboek met mooie citaten, tegelspreuken en clichées? Heel wat preken zijn niet voortgekomen uit bijbelstudie en meditatie, uit schatgraven, maar uit kettingrijgen. Kapstokpreken, een keten van op zichzelf ware uitspraken en zaken, maar … het leven is eruit. Ik vind het prima als een predikant drie kwartier kan volmaken tijdens de preek. Maar als daarvan 2/3 copy-past van eigen werk is, doet het vooral afbreuk. En als van die preek 2/3 of 1/2 het geraamte voor de volgende preek vormt, kun je de volgende keer beter slechts 10-20 minuten preken. De rest heb je de vorige keer al gezegd. Gods Woord is geen confectie-werk of massa-productie; geen Lego®, Knexx® of Meccano®, maar een levend en krachtig Woord van de levende God! Een goede huisheer haalt uit zijn schatten (Gods onuitputtelijke Woord) NIEUWE en OUDE dingen; in die volgorde! Het is geen spitsvondige zoektocht naar nieuwigheidjes, maar daarentegen ook geen herhaling van zetten.

Ik wil toch positief eindigen. Als de jonge Samuël zich afvraagt wat hij moet zeggen tegen God, spelt de oude Eli hem de woorden voor en Samuël zegt ze na. Het moet gezegd dat Eli toch nog wel een levend geloof had en zo ook zijn geestelijke zoon Samuël mocht voorzeggen. Maar daar mocht het niet niet bij blijven. Samuël moest gaandeweg het leven leren om zelf tot God te spreken. En dat heeft hij ook geleerd. Laat je dus niet weerhouden om kleinen in het geloof bij te staan en op weg te helpen, voor te zeggen wat ze tot God zullen spreken. Geef ze advies, maar help ze wel op weg naar zelfstandigheid: een zelfstandig persoonlijke omgang met de HEERE!
  1. Hoe persoonlijk zijn jouw gebeden gericht tot de HEERE? Welke dingen zou je – nu je daar over nagedacht hebt – willen veranderen?
  2. Wat vind jij van de aanspreektitel "Onze Vader'? Spreek daar eens met anderen over door.
  3. Herken je platgetreden paden in de prediking? Hoe ga jij daarmee om?
  4. Heb je anderen weleens geholpen met een gebed? Of met het zien op Christus?