Posts tonen met het label Machir. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Machir. Alle posts tonen

vrijdag 13 april 2018

Een stukje Jonathan dichtbij

De loyale van de royale - XVIII


En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
2 Samuël 9 : 1


Er staat nog één ding te wachten, dat met Jonathan te maken heeft. Het is de belofte die David en Jonathan elkaar deden; een verbond dat werd gesloten voor Gods aangezicht en waarbij Jonathan zijn kinderen in handen van David beval. Het heeft even geduurd voordat David zover kwam.
Eerst heeft David zeven jaar in Hebron geregeerd over een klein deel van het volk Israël. Maar na die zeven jaren zien we in hoofdstuk 5 van dit Bijbelboek de rest van Israël naar Hebron afreizen om David te onderhandelen. En inderdaad: hij werd daarna ook door hen tot koning gezalfd en verhuisde naar Jeruzalem.

Hij laat er een prachtig paleis van cederhout (en steen) bouwen en wanneer hij uitrust van die klus, gaan zijn gedachten aan het werk. Jij kunt Jeruzalem wel als hoofdstad uitkiezen, maar moet God daar dan geen plek in hebben? David zonder God is eigenlijk minder dan een herdersjongen… Vandaar zijn wens (we lezen dat in hoofdstuk 6) om de ark – die nog altijd in het huis van Abinadab stond, na het debacle van de zonen van Eli en de plagen in Filistea – op te gaan halen en naar Jeruzalem te brengen. Een feest van jawelste en David is bij die optocht de voorganger; hij is in een opperste, geestelijke, stemming. Hij is één met zijn volk, zoals God de mensen ziet. Maar… Michal ziet hem ook dansen en springen voor de ark. Nota bene zijn lievelingsvrouw! Zij is het die hem het felst op zijn hart trapt. Waarom doet zij dat? Dat is moeilijk te peilen. Wel is het antwoord van David scherp en de conclusie van de Bijbelschrijver verpletterend: “Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht des HEEREN, Die mij verkoren heeft voor uw vader en voor zijn ganse huis, mij instellende tot een voorganger over het volk des HEEREN, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht des HEEREN. Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden.” Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haar dood toe.” Als we het boek van Jill Eileen Smith mogen geloven heeft David haar opgesloten in haar kamer in het vrouwenverblijf en nooit meer als zijn vrouw behandeld. Of dat een goede zaak was, is maar zeer de vraag, maar hierbij laten we het.

Opnieuw knaagt er iets aan David, wanneer hij op zijn troon zit. Hij woont in een prachtig paleis, maar waar staat de ark van God nu helemaal? In een tent, naast dat mooie paleis. David voelt de onbalans en daarom spreekt hij voor de oren van Nathan, de profeet, de wens uit een paleis voor de HEERE te bouwen, een tempel. We weten dat dat niet mocht doorgaan, maar hij krijgt wel de belofte dat zijn zoon (die moest nog geboren worden, maar dat wist David toen nog niet) die tempel zal bouwen.

Dan volgt een hoofdstuk van veldslagen, buit-vergaren en een grootse rijkdom van David. Mogelijk heeft hij dat allemaal gezien in het licht van de later te bouwen tempel. Maar het geeft hem duidelijk geen voldoening. Er ontbreekt iets aan. En dan lezen we in hoofdstuk 9 dat moment dat David zich opnieuw kwetsbaar opstelt en terugdenkt aan zijn hartsvriend Jonathan.

David had beloofd dat, wanneer hij eindelijk aan de regering zou komen, hij Jonathan de beste plek zou geven en zorg zou dragen voor diens kinderen; zeker als Jonathan er dan niet meer was. En dat laatste is het geval. Jonathan kan hij niet meer levend eren. De kroonprins die zich on der man naar Gods hart stelde is roemloos gesneuveld en eervol begraven in Jabes. “Zouden er nog kinderen of kleinkinderen van hem leven?” Je zou verwachten dat dat het was wat David zou zeggen, maar hij zegt iets anders: “Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe?” En dat ‘hem’ slaat toch echt op Saul! Weliswaar ‘om Jonathans wil’, maar toch…
En dan is daar opeens een oud-werknemer van Saul: Ziba. Als hem de vraag van David wordt gesteld weet hij nog wel iemand te noemen: nota bene een zoon van Jonathan! Dat is het mooiste dat David kon overkomen! Er bestaat een directe zoon van zijn vriend, aan wie hij al zijn liefde en zorg kwijt kan. Ik vermoed dat hij met deze Mefibóseth nog blijer is geweest dan met al zijn zonen tot nu toe…

Maar wie was Mefibóseth? We lezen over hem in 2 Samuël 4 een bericht dat hem opeens in de geschiedenis plaatst. Op een heel rare plek gaat het opeens over hem. Tussen de beschrijfing van de knechten van Isbóseth gaat het opeens over zijn neefje Mefibóseth! Daarna vervolgt de geschiedenis weer met de moord op Isbóseth door deze twee knechten. Maar Waarom wordt hier opeens Mefibóseth te berde gebracht? Dat blijft vaag, maar ik wil toch een poging wagen.
Eerst worden de twee moordenaars beschreven die uit de stam van Benjamin waren. Ook wordt ingezoomd op Isbóseth, die het rijk van zijn vader Saul voortzette. Dat leek voor Mefibóseth een stuk veiligheid. Immers, het koninkrijk bleef in de familie en het gevaar van de dood was daarmee geweken. Want… toen het bericht van de dood van Saul en Jonathan (en de twee andere zonen van Saul) de stad ­Jizreëel bereikte, sloeg de schrik om het hart van Mefibóseths ­verzorgster. Ze wist ook wel hoe de hazen liepen; dit werd het ­moment van Sauls tegenstander, David. Blijkbaar had ze David nog nooit ontmoet en had Saul ook de verhalen over David nooit eerlijk ingekleurd. Blijkbaar had hij nooit verteld hoe David zijn leven had gespaard, terwijl hij alleen maar op Davids dood uit was.
Die angst is indirect ook op Mefibóseth overgebracht. We lezen nergens over zijn moeder, Jonathans vrouw. Zou ze al overleden zijn? Het gaat alleen over de voedster. De opvoeding was, om wat voor reden ook, uitbesteed. En dat heeft sporen getrokken. Want als het goed is zou Mefibóseths moeder hem goede dingen over David hebben kunnen vertellen. Zij zou hem kunnen vertellen over het verbond dat papa Jonathan met oom David had; juist over de zorg en bescherming van hem, Mefibóseth!
De voedster kent alleen maar angst voor David. En als dan dat aangrijpende doodsbericht de stad bereikt, is ze ten einde raad. Ze pakt de vijfjarige Mefibóseth op (zat hij te spelen in huis of speelde hij met vriendjes op straat?) en in de haast dat… Ja wat? De kinderbijbels stellen het vaak voor dat de kleine jongen nog een baby was, die door zijn ‘tante’ werd opgepakt en toen liet ze hem uit haar handen vallen. Maar we hebben het hier over een jochie van vijf dat prima kon lopen. Sleurde ze hem mee? Of spoorde ze hem overmatig aan tot rennen en struikelde hij, waardoor hij niet alleen een been brak, waarschijnlijk zelfs de spieren en zenuwen scheurde? Wel vreemd, want hij is nog jong en lenig. Of was hij al gehandicapt? Of vluchtten ze langs een berghelling en viel hij in een soort ravijn?
De details ontbreken, maar het verhaal dat ik altijd in mijn hoofd had lijkt niet te kloppen.
Mefibóseth… zijn naam betekent ‘die schande verbreidt’. Dat is een tamelijk uitzichtloos levensmotto! Zijn leven wordt ingekleurd door zaken waar hij niets aan kon doen. Hij was kleinzoon van een hater van God en Zijn knecht. Zijn vader sneuvelde terwijl Mefibóseth nog maar vijf jaar was! En zijn moeder ontbreekt in het hele verhaal. Tenslotte is er geen toekomst door zijn blijvende handicap. Zijn voedster, zeg maar zijn peettante, zal blijvend voor hem hebben gezorgd vanuit een gestalte van schuldbesef om wat ze hem heeft aangedaan en een gestalte van overdadige bescherming! Ook wordt hij in 1 Kron. 8:34 Merib-baal genoemd, dat ‘uitstraling van Baäl’ betekent.
En dat is niet zomaar opgelost, wanneer David aan de macht komt. Eerst is oom Isboseth aan de macht; het is een periode van zeven jaar waarin Mefiboseth min of meer weer veilig is, maar een benauwde opvoeding geniet, pijn en verdriet doorleeft. En na zeven jaar, dat lezen we in hoofdstuk 4, wordt Isboseth vermoord, onthoofd en de moordenaars brengen zijn hoofd bij David! En Abner is in ­onderhandeling met David, dus breekt er weer een periode van angst aan! Dan is Mefibóseth 12 jaar!
Vervolgens verstrijken er wat jaren, maar het beeld dat deze Mefibóseth een oude man is als hij bij David wordt geroepen, is niet terecht. Hij zal ongeveer 20 jaar zijn geweest! Inmiddels woont hij in Lodebar bij ene Machir in huis. Machir is de zoon van Ammiël en die naam heeft ook de vader van Bethseba, met wie David later trouwt; maar het is niet bekend of deze Machir een broer van haar was. In ieder geval komen we Machir nog wel een keer tegen, als David moet vluchten voor zijn zoon Absalom; dan helpt hij David, samen met Barzillaï, met voedsel en beddegoed.

Maar terug naar onze tekst. David wil zijn liefde bewijzen aan Jonathan, door diens zoon te verzorgen. Er blijken overigens nog meer zonen van Saul; om de een of andere reden wordt alleen Mefibóseth genoemd en gehaald. In die zin heeft hij de dag van zijn leven zou je zeggen. Maar niets is minder waar. Met lood zijn schoenen verlaat hij Lodebar… al zal hij waarschijnlijk geen schoenen hebben gedragen. In het paleis gekomen en de troonzaal binnengeleid, werpt hij zich voor de troon neer en meent dat zijn laatste uur heeft geslagen. Waarom?
Hij was onkundig van het verbond tussen David en Jonathan. En ja, als je dat buiten beschouwing laat, dan heb je inderdaad enkel te vrezen. Leven zo ook niet heel veel kerkmensen, de Christus niet echt kennen? Ze doen hun plicht, eigenlijk alleen om God uit handen te blijven. Niet opvallen, bescheiden en plichtsgetrouw je ding doen. Mocht je God tegenkomen dan heb je wisselgeld op zak.
Moet je je voorstellen wat er door David is heengegaan, toen hij daar de zoon van Jonathan zag binnenkomen. Zou hij Mefibóseth als baby nog hebben gekend? Of is die na Davids vlucht geboren? ­Misschien heeft Jonathan het David nog wel verteld, toen ze elkaar voor het laatst in de wildernis ontmoetten: ‘Ik heb een zoon, David!”

Maar let op wat Mefibóseth doet: hij buigt zich voor David. Die noemt zijn naam: “Mefiboseth!” (hoor je de liefde en bewogenheid in zijn stem?) En Mefibóseth zei: “Zie, hier is uw knecht.” De verloren zoon. Net zo iets als Maria Magdalena bij het graf van Jezus. Ze hoorde de stem wel, maar herkende hem niet. Begreep niet wat er tegen haar werd gezegd. Evenzo Mefibóseth.
David is blij met hem: “Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.” Maar wat doet Mefibóseth? “Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?” Zie je hoe groot de slag in het gezicht van David is? Hier voor hem ligt de zoon van zijn beste vriend! En die noemt zich ‘dode hond’. David gaat er niet op in. Moet je in geestelijke zin ook eens over nadenken! Wat denk je met al die deemoed te weeg te brengen bij God? Niets.

Nog drie laatste details: Mefibóseth had een ‘kleine jongen, Micha’. Blijkbaar was hij al getrouwd, maar woonde in bij Machir. Dat blijft vaag.
En later komen de Gibeonieten bij David. Ze waren bijna uitgeroeid door Saul in diens Jehu’s ijver. Ze eisen wraak en David geeft hen de bastaardzonen van Saul, die worden opgehangen! De Bijbel tekent hierbij aan dat David Mefibóseth spaarde! Opnieuw bewees hij goeddadigheid.
Later als David vlucht speelt Ziba, de knecht van Mefibóseth een achterbakse rol en lastert over zijn heer, omdat die in Jeruzalem bleef. David gelooft hem maar half, maar neemt Mefibóseth toch de helft van zijn bezit af. En Mefibóseth laat het zo… Eigenlijk een beetje zijn ‘grondhouding’: een minderwaardigheidscomplex.

woensdag 7 september 2016

Hoe Jozef een aartsvader werd

"En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren."
Genesis 50 : 23

Als je van de mensen in de dagtekst een foto zou maken, zou je vier generaties zien. Op de foto hierboven staan ook vier generaties: allen met de naam Johannes Hermanus Gunning; overgrootvader was predikant, zoon J.H. Gunning jr (rechts) werd ook predikant en later professor in de theologie; zoon J.H. Gunning JHzn (links) werd o.a. predikant in de Sint Jan te Gouda; diens zoon, de dopeling die bij overgrootvader op zijn knieën ligt – eveneens een J.H. – werd echter belastingambtenaar; maar diens zoon werd ook weer predikant. Bron: RefDag

Je kunt deze tekst als een feitelijke mededeling beschouwen, maar toch is er meer over te zeggen. Dat doen de Kanttekeningen ook en het is wel aardig om die als leidraad voor onze overdenking te gebruiken. Kinderen krijgen en je kleinkinderen zien opgroeien is een zegen. Zelf sta ik op het punt om voor de eerste keer opa te worden en ik probeer me in de denken hoe dat zal zijn.

Grootouder worden is één kant van de zaak; dan is het jouw 'bloed' dat je verder ziet stromen. De andere kant van de zaak is dat jouw kinderen nu gaan beginnen te ervaren, wat jij al enige tijd achter je hebt liggen. Hun leven gaat zich nog verder verzelfstandigen. Zij zijn naast jouw kinderen nu ook de ouders van jouw kleinkinderen. In de moderne westerse samenleving staan grootouders meestal aan de zijlijn (of ze fungeren als goedkope oppas in de plaats van hun werkende kinderen) en maken op afstand de ontwikkeling van hun kleinkinderen mee. Opa's en oma's moeten zich vooral niet te zeer bemoeien met de opvoeding van hun kleinkinderen, want anders ontstaat er polarisatie.
Maar vroeger was dat anders; in Jozefs tijd – zo blijkt uit de dagtekst – was opa Jozef er voluit bij betrokken. Jozef kan met recht een aartsvader worden genoemd. En soms denk ik: zijn we in het moderne westen misschien iets heel waardevols kwijt geraakt? En wel zo: zijn grootouders nog in staat om net als Jozef (en Jacob en Izak en Abraham) werkelijk iets te betekenen in het leven van kinderen en (achter)kleinkinderen? Dat gaat verder dan alleen cadeautjes geven, spelletjes doen en verwachten dat de kleinkinderen keurig bij je op visite komen. Aartsvader en -moeder zijn betekent een uitstraling hebben die door Gods Geest wordt gegeven en gebruikt, waarlangs niet jij maar de HEERE iets kan uitwerken in het leven van de volgende generaties. Dat zijn pittige gedachten die ik ook over mijn eigen leven moet leggen. Een spiegel, een realiteit die verootmoediging uitwerkt.

Geboren uit jouw kinderen

De tekst spreekt over 'het derde gelid' en over kinderen van Jozefs kleinzoon Machir (achterkleinkinderen dus). In de Kanttekeningen wordt opgemerkt: "Hebr. kinderen der derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kindskinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16. Ps. 128:6. Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, Gen. 48:19." 
Je kunt ook denken aan de Tien Geboden waarin wordt opgemerkt dat de HEERE de zonde der vaderen bezoekt (of dat de zonde effect heeft) tot in "het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten". Daar heeft het een geladen betekenis. Bij Job is het vooral de zegen, wanneer hij – na al zijn kinderen te zijn kwijtgeraakt – zelfs nog zijn achterkleinkinderen heeft mogen zien. Dezelfde zegen die ook in Psalm 128 wordt beloofd.
Je achterkleinkinderen mogen zien is meer dan een bereikte status: het maakt je al kleiner en de vreugde en dankbaarheid zijn voor God. Die kinderen te zien geboren worden is het bewijs van Gods zegen over jouw leven. Genade wordt zichtbaar en tastbaar!
Er is nog iets dat me opvalt in de tekst. Er lijkt zich – of ik moet mij vergissen – een soort tegenstelling of wedijver te voltrekken in de verschillende bewoordingen over enerzijds Manasse en anderzijds Efraïm. Wedijver is misschien niet het juiste woord, maar wellicht gradatieverschil. Efraïm wordt als eerste genoemd, hoewel hij van deze twee de jongste was; Manasse was de eerstgeborene aldus Genesis 48 : 14. Efraïm is vooropgezet en de zegen van vader Jacob wordt zichtbaar in het feit dat Jozef ook van Efraïm kinderen mocht zien in het derde gelid (achterkleinkinderen, de kleinkinderen van Efraïm). Ik haal even Numeri 26 erbij (en ook 1 Kronieken 7 biedt zo'n aardig overzicht):
28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31 En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
33 Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
Efraïm kreeg minstens drie zonen: Sutélah, Becher en Tahan. In 1 Kronieken 7 wordt direct de lijn voorgezet met Sutélah, telkens 1 zoon. Sutélah kreeg volgens Numeri een zoon Eran en volgens 1 Kronieken 7 ook nog een zoon Bered. Met die nazaten van Bered loopt het niet zo goed af; niettemin ontvingen ze wel een duidelijk zegen van Jozua, dat ze de Filistijnen zouden overwinnen. Het vreemde was namelijk dat Manasse en Efraïm aanvankelijk 1 lot kregen toen het land Kanaän werd verdeeld. Het gebied werd al snel te klein en ook de zegen van vader Jacob kwam hierdoor onder druk te staan. Ze kwamen daarom bij Jozua (die ook een nazaat van Efraïm was) die hen zegende en het gebergte bij Gath ook gaf, belovend dat ze onoverwinnelijk zouden zijn voor de filistijnen. Maar dat is wel beproefd geworden. Terug naar de tekst: Jozef heeft deze Eran en waarschijnlijk ook Bered dus nog zien geboren worden en opgroeien. Hij heeft ze vast ook op schoot gehad als tastbare bewijzen van Gods goedheid en trouw.
Nu naar Manasse. Hoewel hij de eerstgeborene was, werd hij toch op de tweede plaats gezet. Niettemin had Jacob gezegd: "Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij (Manasse) zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden." Die zegen heeft Jozef, die bij die zegening aanwezig was, bewaarheid zien worden toen Manasse (klein)kinderen kreeg. Enkel Machir wordt genoemd, als kind van Manasse. Hij kreeg een zoon Gilead. Jozef heeft Gilead dus nog gezien; sterker nog, hij heeft een bijzondere band met hem gehad (hij werd op Jozefs knieën geboren; daarover straks). Gilead bracht een groot volk voort dat uiteenviel in de nazaten van zijn kinderen: Jezer, Helek, Asriël, Sechem, Semida, Hefer. Die laatste had een zoon die enkel dochters had; daar lezen we over in Numeri 26, wanneer zij eigenlijk geen erfdeel ontvangen, bij de verdeling van het land Kanaän.

Geboren op jouw knieën

Een merkwaardige uitdrukking. Jozefs moeder had die term ook al in haar mond genomen, toen ze onvruchtbaar bleek. Ze had tegen Jacob gezegd (wij westerlingen zouden dat nooit kunnen begrijpen): "Neem mijn slavin Bilha dan, als je mij niet zwanger kunt maken! Dan moet zijn maar op mijn knieën baren". Net letterlijk natuurlijk, maar toch. Zie je die Bilha staan, terwijl haar meesters dit koud en chagrijnig zegt? Ze moet er direct een beeld bij hebben gehad. Dat betekende geslachtsgemeenschap met naar heer, maar ook de moeite en pijn van de bevalling ten behoeve van het genot van haar meesteres. Dan en Naftali zijn dus het product van Rachels jaloezie richting haar zus Lea. Des te opmerkelijker is dat juist Jozef deze term ook weer gebruikt.
De Kanttekeningen leggen bij deze term uit: "Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid met blijdschap en vermaking placht op zijn schoot te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kinderkens gemeenlijk doet." Op je knieën tekent het beeld dus van op schoot nemen en liefde geven. Dat is wel typisch het beeld van een ouder of zelfs een grootouder. Maar er zit meer in, als je kijkt naar Rachel: bezit of in ieder geval een verbinding die gelijkwaardig is aan ouder-kind. Daarnaast inderdaad ook de intieme relatie. Over Jezus wordt gezegd dat Hij de Zoon van de Vader was, altijd in de schoot des Vaders verkerend en de vermaking was van Zijn Vader. Dat is meer dan alleen een spelletje samen doen met opa: 'ik zie ik zie wat jij niet ziet' of 'hobbelpaard, hobbelpaard… gat in de weg'. Opa, of in Jozefs geval overgrootvader, keek naar het kleine kind en zag er Gods betrouwbaarheid in. Hij knuffelde het kind en liefkoosde zo Gods bewezen trouw aan Zijn belofte! Tegelijk een dankgebed als dankoffer opzendend naar God de Vader: "Heere, het is écht. Wie is aan U gelijk?!"

Zouden we nog steeds zo naar onze kinderen, klein- en achterkleinkinderen kunnen kijken? Zouden we nog steeds zó betrokken kunnen zijn op onze nazaten? Of gaat dat niet meer lukken? Ik geloof – de emancipatie van de jongeren ten spijt – dat de HEERE nog steeds zo kan werken en grote wonderen kan doen. Het gebed en de hartelijke geestelijke betrokkenheid op onze nazaten kan het keiharde modernisme en de emancipatie- en expansiedrang van het westers maatschappelijk denken doen barsten als een gestage waterdruppel een keisteen. Dit goddeloze tijdperk van wetteloosheid kan ons wel voorschrijven wat moet moeten vinden, voelen en doen, maar kan ons nooit de rijkdom van het leven met de HEERE ontnemen. Als Jezus door een dichte deur kan binnenkomen bij Zijn jongeren, dan kan Hij dat vandaag de dag ook bij elke jongere! Laat hen in die zin maar op jouw 'knieën geboren' zijn; ik bedoel: laat ze maar op jouw ziel liggen en neem ze mee in je gebed, probeer ze te bereiken en laat ze merken dat je voor hen bidt; dat hun eeuwig heil jouw persoonlijk aan het hart gaat. Dat is aartsvader en -moeder zijn in de 21e eeuw! En misschien mag je net als Jozef Gods trouw tastbaar zien worden in hen, terwijl ze op 'jouw schoot' zitten. Dan mag je een diep vermaak hebben, door hen heen in God Die machtig is harten te treffen en door te gaan met Zijn zaligmakend werk.

  1. Wat vind je van de hiervoor genoemde visie op geestelijk aartsvader- en -moederschap? Hoe zou jij dat praktisch kunnen maken en wie zou jouw geestelijke betrokkenheid op dit moment het hardste nodig hebben?
  2. Zou je die kennis en ervaring ook op andere opa's en oma's kunnen overbrengen? Zie je ook dingen misgaan in de relatie grootouders-kleinkinderen? Wat zou je daaraan kunnen doen?
  3. Hoe zou je hier ook gestalte aan kunnen geven, ondanks dat je geen kinderen hebt of zelfs niet getrouwd bent?