Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

donderdag 21 juni 2018

God wil bij mensen wonen


Hoofdstuk 15
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Welken ook onze vaders ontvangen hebbende,
met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten,
die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen,
tot de dagen van David toe;
Dewelke voor God genade gevonden heeft,
en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
En Salomo bouwde Hem een huis.
Handelingen 7 : 44-47
O ja, Stefanus had lelijke dingen gezegd over de tempel. Stefanus?
Ze beschuldigden hem ervan, terwijl Jezus het had gezegd!
Bij verstek werd Jezus dus eigenlijk veroordeeld in Stefanus.
Maar… had Stefanus dan een hekel aan de tempel? Bijzonder is dat hij juist in zijn preek bijzondere aandacht heeft voor het huis van God.
Een paar jaar geleden bracht het bekende koor ‘Vox Jubilans’ uit Waddinxveen een bijzondere bewerking uit van Psalm 5. De bewerking was gemaakt door André van Vliet en geweldig getoonzet. De climax zat hem in het laatste vers, dat in de normale zetting van de psalm werd gezongen, maar in kracht opbouwend, zodat de rillingen je over de rug lopen bij de laatste regel:

’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Wonderlijk genoeg staand die woorden niet in de onberijmde tekst! Daar blijft God als het ware nog op afstand, maar in de berijming komt Hij zelfs bij Zijn volk wonen. En – misschien ligt het aan mij – dat aspect krijgt vooral een diepere dimensie bij de wederkomst. Dan zal God definitief bij Zijn volk wonen, op een manier die zelfs het Paradijs te boven gaat!

Huis van Go(u)d
Op de zondagsschool kon je vroeger punten sparen en die inleveren. In een van de hoogste klassen koos ik boekje met de titel ‘Huis van Go(u)d’. Op het omslag staat ook het woord ‘Welkom’… dat vond ik toen al bijzonder. Welkom in Gods huis! De titel was in goud gedrukt en de u van Goud was outline gemaakt, waardoor je dus zowel ‘God’ als ‘Goud’ kon lezen.
Het is inmiddels in heel wat talen vertaald en nog steeds te koop bij de Zakbijbelbond. Het boekje vertelt over de tempel en is mooi geïllustreerd: “De tabernakel, het heiligdom van het volk van Israël vóór de tempel, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen, worden in woord en beeld gebracht en toegelicht in het licht van de Bijbel. Een prachtige brochure over de geestelijke betekenis van de tabernakel, voorzien van full colour foto’s van een model van de tabernakel, dat vervaardigd is door een goudsmid. Leerzaam en praktisch voor jong en oud. Kan ook uitstekend gebruikt worden voor evangelisatie.”
Juist bij deze tabernakel zet Stefanus in en laat zien dat God opdracht gaf tot het maken van een huis voor Hem. Hijzelf maakte daarvoor de ontwerptekening en de al eerder genoemde Bezaleël en Oholiab werden door God begiftigd met Zijn Geest en waren in staat dit kunstwerk te maken conform het ontwerp. God wilde wonen bij mensen en Hij maakte voor Zichzelf een huis, maar schakelde daar mensen bij in! Het hele volk wordt er zelfs bij betrokken door hun giften en praktische inzet!

God wil bij mensen wonen
Over dat mysterie gaat de kinderbijbel die we op dit moment met onze kinderen lezen: ‘God wil bij mensen wonen’. Een sterke titel met een bezondere vertelwijze.
Laat dat wonder eens op je inwerken. De heilige God die in de onbeschrijfelijk grootse en heerlijke hemel woont, gaat wonen in een kleine tent. Zeker, het blonk er enorm van goud en er was van alles te zien, dat iets vertelde over God Zelf. Maar het is toch in geen verhouding met de heerlijkheid die God in de hemel heeft?
Stefanus gaat weer in de wij-vorm verder: “De tabernakel was te midden van onze voorvaderen in de woestijn. Zo had God het geïnstrueerd aan Mozes, conform de afbeelding (werktekening) die Hij aan Mozes had laten zien op de berg. Onze voorvaderen hebben die tabernakel ook gekregen; wat een wonder! En Jozua bracht die tabernakel mee in het land dat voorheen door heidenen werd bewoond. Die werden verdreven door God en Hij gaf dat land in ‘betere handen’ zo leek het: de handen van onze voorvaderen!”
Ik interpreteer de toonzetting van Stefanus een beetje, maar dat is wel zo’n beetje de strekking van zijn woorden! Die heidenen met hun eigengemaakte goden werden uit de weg geruimd en God wilde er een beter land van maken, door er Zijn volk in de laten wonen. Zijn volk zou toch een betere godsdienst moeten kennen, nietwaar? Stefanus maakt geen toepassing op zijn woorden. Ik vermoed dat hij die toepassing overlaat aan zijn luisteraars die slim genoeg waren.
Hij slaat ook de hele periode van de richters over; zelfs Saul wordt niet genoemd. Een boekwerk vol met zwarte bladzijden. Nee, hij steekt in een keer door naar David, de man naar Gods hart. Die kreeg er zin in om een huis voor God te bouwen.
Zelf woonde hij in een prachtig paleis. Hij was een herders jongen geweest en was niet veel luxe gewend. Hij was aan het hof gekomen bij Saul; daar was waarschijnlijk meer luxe. Hij was opgetrokken met Jonathan, een boerenzoon die vroeger op de boerderij in Gibea ook niet veel goud en glitter gewend was. Maar beide jongens waren godvrezend en ze wisten dat de tabernakel er nog steeds was, bij Samuël.
Die tent kenden ze, al zal die er waarschijnlijk niet meer zo hebben uitgezien als die eerste. De algemene mening is dat er inmiddels een ‘tijdelijk houten gebouwtje’ was met de entourage van de tabernakel. Dat gebouwtje kon ook gemakkelijk worden afgebroken en verplaatst; daarom vinden we dat heiligdom nu eens in Gilgal, dan weer in Silo, in Nob en vervolgens in Gibeon. Dat was enige jaren geleden voor mij wel een verrassing; ik had er nooit zo bij stilgestaan. Ik geef graag een fragment weer van christipedia.nl hierover:

Sinds Saul al de bewoners van de priester-stad Nob (1 Sam. 22: 19) liet ombrengen, verliezen wij het vaste spoor van het vervoerbare heiligdom uit het oog. Wel bericht de Kroniekschrijver dat het te Gibeon gestaan heeft, totdat de tempel van Salomo gereed was en dat Salomo en het volk aldaar plachten te offeren op het door Bezaleël vervaardigde, koperen Brandofferaltaar (2 Kron. 1:3-6, 13;
1 Kron. 21: 29).
Onder Eli, Samuël, David en Salomo zijn Tabernakel en Ark gescheiden geweest, misschien als teken van het ongenoegen van de Heer daarover, dat het volk van het Verbond niet leefde naar Zijn Wet.
David bracht de Ark in de stad van David “op haar plaats”, in het binnenste van de tent, welke hij daartoe had opgeslagen
(2 Sam. 6:17): “Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers. (HSV)
Bedoeld wordt zonder twijfel een andere tent dan de Mozaïsche Tabernakel; de handeling van David is alleen goed te begrijpen, wanneer de Mozaïsche Tabernakel destijds niet meer bestond. Deze Davidische hut bedoelde de koning toen hij tot Nathan sprak hetgeen wij lezen in 2 Sam. 7: 2; zij komt sedertdien herhaaldelijk in de geschiedenis voor (zie 2 Sam. 15: 25; 1 Kon. 1:39; 2: 28v; vgl . 1:50vv.; 3: 15) en werd later met haar toebehoren en met de Bondsark uit de stad Davids in de tempel van Salomo gebracht en daar bewaard. Ook de Kroniekschrijver maakt meermalen melding van deze Davidische Tabernakel (1 Kron. 16: 1; 6: 32; 9: 21; 23:32; 2 Kron. 5: 5). Een nadere omschrijving hebben wij van Davids tabernakel niet. Toch verdienen enkele -bijzonderheden de aandacht.
Vooreerst, dat David in 2 Sam. 7: 2 van zijn tent dezelfde uitdrukking bezigt, waarmede in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de afzonderlijk tapijten aangeduid worden (Statenvert, gordijnen); ten tweede, dat in het woord van God tot Nathan, 2 Sam. 7:6, de Godswoning met twee woorden (tent en woning) aangeduid wordt, welke in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de gewone uitdrukkingen zijn voor het geitenharen en het byssus-dekkleed (alleen of met inbegrip van het houten getimmerte), evenals zij ook in Ps. 78:60 van het heiligdom te Silo gebruikt worden. Ten derde zij herinnerd, dat Nathan geen onderscheid maakt tussen de Davidische en de Mozaïsche tent. Men kan uit een en ander afleiden, dat beide grote overeenkomst met elkaar zullen gehad hebben, te meer daar David zijn tent niet inrichtte volgens eigen goeddunken maar volgens de overgeleverde traditie. Hij zal ze ook wel rijk versierd hebben, waarmede 2 Sam. 7: 2 niet in tegenspraak is.
Toen Salomo’s tempel voltooid was, kregen de overblijfsels van de tabernakel een plaats in één van de zijvertrekken van de tempel (1 Kon. 8 :4, 2 Kron. 5 :5).
De door Mozes opgerichte tabernakel was eenvoudiger dan de door Salomo -gebouwde tempel, die Gods tentwoning als heiligdom verving. De tempel week op allerlei punten van de Tabernakel af.

De toekomst
Het is vooral de profeet Ezechiël die iets heeft geschreven over Gods aanwezigheid in de toekomst. Die aanwezigheid wordt ook ‘tabernakel’ genoemd, zeg maar Zijn woning of aanwezigheid bij de mensen. Israël zal weer in het Beloofde Land worden verenigd tot één volk, onder één Herder (de grote Zoon van David) en Gods tabernakel zal voor altijd bij hen zijn (hoor je daar diezelfde woorden uit Psalm 5 weer terug? Zou de berijmer dit in gedachten hebben gehad?
“Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
(Ezechiël 37 : 26-28, HSV)
In Hebreeën 8 en 9 gaat het ook over de tabernakel als beeld van de hemel. Dat was de plek waar Christus binnenging met Zijn Eigen bloed. Het is juist deze tabernakel waarin Stefanus zo meteen een inblik krijgt. Even schoof God het voorhangsel van het Heilige der Heilige weg en zag Stefanus de troon van God. Niet de ark waarop God op aarde woonde, maar de hemelse troon van God.

Slotopmerking
David wilde een blijvend huis voor God maken, maar hij mocht dat niet. Zijn zoon, de vrede-koning, mocht dat wel. En toch gaat Stefanus in het volgende gedeelte in op het feit dat God niet gebonden is aan een plek, waar Hij zou wonen. De eerste tabernakel was 30 el lang en 10 el breed, maar Salomo bouwde een tempel die tweemaal zo groot was: 60 el bij 20 el! En nog was dat voor God maar een klein hutje (het woord hebreeuwse tabernakel kan ook worden vertaald met hut). Niettemin moet je je erover verwonderen dat God tóch bij mensen wil wonen. Als we daarvan meer doordrongen zouden zijn en ook leven in het besef dat Hij bij ons woont, dan zouden we ook een intenser en dieper leven kennen. Dan zijn we ons ook meer bewust dat Hij erbij is in onze zorgen en ellende. Maar ook in de gesteggel in de kerk en het gediscussieer over details die niet relevant zijn. Het gekke is: hoewel we geen tabernakel meer kennen, toch ís Hij bij ons. Waar twee of drie in Zijn Naam bij elkaar zijn, ís Hij er ook! Elke kerkdienst en elke bijbelstudieavond. Ja zelfs in onze binnenkamer. Hoe relevant is dit besef in onze gemeenten en ons persoonlijk leven? Juist met het zinderende verlangen naar Zijn eeuwigblijvende aanwezigheid?

vrijdag 27 april 2018

Met de deur in huis

Hoofdstuk 2


En hij zeide: “Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in ­Mesopotamië, eer hij woonde in Charran;
En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran.
En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.”
Handelingen 7 : 2-4

Als jij je zou moeten verweren tegen medegelovigen die menen dat jij een dwaalleraar bent, waar zou je dan beginnen in het gesprek? ­Stefanus begint met vader Abraham van wie ze allen afstammen. De vraag is: waarom? Hij lijkt haast met de deur in huis te vallen.
Het publiek aangesproken
Na de vraag van de Hogepriester, of het klopte wat er werd beweerd, neemt de beklaagde Stefanus vrijmoedig het woord. Hij spreek zijn publiek aan met ‘broeders’ en met ‘vaders’. Dat is opmerkelijk. Met ‘broeders’ spreekt hij zijn leeftijdsgenoten aan, maar wist de grens uit tussen hun verschillende afkomst. Stefanus de Griek had een andere – en voor sommigen zelfs een inferieure – komaf, dan de geboren en getogen Joden in Jeruzalem.
Met ‘vaders’ spreekt hij op een respectvolle manier de ouderen en de eerbied­waardigen in zijn publiek aan. Zo komt hij heel dichtbij. Van daaruit kan hij ze ook gemakkelijk meenemen naar hun gemeenschappelijke origine: onze vader Abraham. Hoewel niet duidelijk is of Stefanus een directe afstammeling van Abraham is, is deze wel zijn geestelijke stamvader.
Even tussen twee haakjes: hij heeft wel direct de aandacht; zijn maiden-speech wordt niet onderbroken en iedereen kan hem volgen in zijn betoog. Ze kennen de materie, ze herkennen de namen en kunnen plaatsen wat hij zegt. Dat is een heel belangrijk aspect bij het preken!

Onze vader Abraham
Veel preken beginnen met een duidelijk voorbeeld voor jongeren, doeners en hen die snel zijn afgeleid. In Stefanus’ dagen was dat nog niet de gewoonte, maar je zou eigenlijk kunnen zeggen dat zijn preek één aaneenschakeling van voorbeelden is. Hij begint bij Abraham. Waarom?
Dat is een lastige vraag. Op de site van OudeSporen* staat een Bijbelstudie over dit gedeelte waarin het volgende staat:
“Stefanus is het werktuig van de kracht van de Heilige Geest die getuigt van de ­verheerlijkte Christus, die nu zó aan Israël werd voorgesteld, nadat ze Hem al verworpen hadden in Zijn vernedering. Vanaf de val tot de zondvloed werd de mens, hoewel hij niet zonder getuigenis werd gelaten, overigens aan zichzelf overgelaten. Er waren geen bijzondere wegen en instellingen van God. Het resultaat was de zondvloed, die om zo te zeggen kwam om de aarde van haar verschrikkelijke verontreiniging en geweldpleging te zuiveren. Op de nieuwe aarde begon God Zich met de mens bezig te houden. Bij Noach zien we hoe de regering werd opgedragen aan de mens. Maar bij Abraham, dat iemand door verkiezende genade werd uitgeroepen en Gods beloften ontving, toen de wereld de demonen diende. Dat was het begin van de geschiedenis van Gods volk. […] Hij [Stefanus] begint dus met hun geschiedenis vanaf het begin van Gods weg, namelijk vanaf Abraham, die werd uitgeroepen door de openbaring van de God der heerlijkheid. Abraham was wel traag om te gehoorzamen, maar hij werd ten slotte door Gods geduldige genade in Kanaän gebracht. Niettemin was hij een ­vreemdeling in het beloofde land; en slavernij zou het deel van zijn nakomelingen zijn, totdat God in genade tussenbeide kwam. Het deel van de gezegende patriarch was dus niet dat hij de beloften bezat, maar dat hij een vreemdeling was. Terwijl het deel van zijn nakomelingen gevangenschap zou zijn, totdat God hen met een sterke arm zou verlossen. Niets is zo treffend als de kalme verhevenheid boven omstandigheden die Stefanus openbaart. Hij vertelt de Joden een geschiedenis die ze niet konden ontkennen, een geschiedenis waarop ze zich ­beroemden. Maar die geschiedenis veroordeelde hen geheel en al. Ze deden precies zo als hun vaders.”

Preken als Jezus
Hoewel dus de insteek van deze preek best scherp was, nuanceert Stefanus zijn woorden wat door dat woordje ‘onze’. Hij zet zich naast zijn publiek. Tegelijk grijpt hij ook terug naar iets dat erg leefde bij de Joden: “wij zijn Abrahams kinderen”. Ze beroemden zich graag op hun afkomst. Daar had Jezus ook eens de vinger bij gelegd: “Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken Abrahams doen.” (Johannes 8:39). Zou Stefanus deze woorden toen ook hebben gehoord en daarom juist bij deze Abraham zijn begonnen in zijn preek?

Charran en Kanaän
Stefanus spreekt over Charran, dat je moet lezen als de fonetische vertaling van het Hebreeuwse ‘Haran’, dat je als ‘Charan’ uitspreekt. Haran… dat was zijn broer, zowel als de plaats onderin Turkije, vlak boven Syrië, waar ze vanuit Ur naartoe reisden. Had Haran die plaats naar zichzelf genoemd? Dat lijkt haast niet, want hij moet al in Ur zijn gestorven. Toen God Abraham riep, vertrok hij uit Ur en nam zijn vader Terah mee, alsmede zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot, de zoon van Haran.
In Haran bleef Abraham om niet erg duidelijke redenen hangen; het overlijden van zijn vader Therah bracht hem weer in beweging op de weg van Gods belofte. Het is duidelijk dat God welmenend roept, maar dat de mens niet per definitie volgt. Niettemin legt Stefanus de vinger bij het accent ‘gehoorzaamheid’ en stelt Abraham als een goed voorbeeld voor. Stefanus zou zo instemmen met de Hebreeënbrief: “Door het geloof is ­Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte. Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” (Hebreeën 11 : 8-10).

Het dispuut of twistgesprek met Stefanus, geschilderd door Vittore Carpaccio, 1514, 147 x 172 cm,
Pinacoteca di Brera, Milaan

vrijdag 13 april 2018

Een stukje Jonathan dichtbij

De loyale van de royale - XVIII


En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
2 Samuël 9 : 1


Er staat nog één ding te wachten, dat met Jonathan te maken heeft. Het is de belofte die David en Jonathan elkaar deden; een verbond dat werd gesloten voor Gods aangezicht en waarbij Jonathan zijn kinderen in handen van David beval. Het heeft even geduurd voordat David zover kwam.
Eerst heeft David zeven jaar in Hebron geregeerd over een klein deel van het volk Israël. Maar na die zeven jaren zien we in hoofdstuk 5 van dit Bijbelboek de rest van Israël naar Hebron afreizen om David te onderhandelen. En inderdaad: hij werd daarna ook door hen tot koning gezalfd en verhuisde naar Jeruzalem.

Hij laat er een prachtig paleis van cederhout (en steen) bouwen en wanneer hij uitrust van die klus, gaan zijn gedachten aan het werk. Jij kunt Jeruzalem wel als hoofdstad uitkiezen, maar moet God daar dan geen plek in hebben? David zonder God is eigenlijk minder dan een herdersjongen… Vandaar zijn wens (we lezen dat in hoofdstuk 6) om de ark – die nog altijd in het huis van Abinadab stond, na het debacle van de zonen van Eli en de plagen in Filistea – op te gaan halen en naar Jeruzalem te brengen. Een feest van jawelste en David is bij die optocht de voorganger; hij is in een opperste, geestelijke, stemming. Hij is één met zijn volk, zoals God de mensen ziet. Maar… Michal ziet hem ook dansen en springen voor de ark. Nota bene zijn lievelingsvrouw! Zij is het die hem het felst op zijn hart trapt. Waarom doet zij dat? Dat is moeilijk te peilen. Wel is het antwoord van David scherp en de conclusie van de Bijbelschrijver verpletterend: “Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht des HEEREN, Die mij verkoren heeft voor uw vader en voor zijn ganse huis, mij instellende tot een voorganger over het volk des HEEREN, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht des HEEREN. Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden.” Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haar dood toe.” Als we het boek van Jill Eileen Smith mogen geloven heeft David haar opgesloten in haar kamer in het vrouwenverblijf en nooit meer als zijn vrouw behandeld. Of dat een goede zaak was, is maar zeer de vraag, maar hierbij laten we het.

Opnieuw knaagt er iets aan David, wanneer hij op zijn troon zit. Hij woont in een prachtig paleis, maar waar staat de ark van God nu helemaal? In een tent, naast dat mooie paleis. David voelt de onbalans en daarom spreekt hij voor de oren van Nathan, de profeet, de wens uit een paleis voor de HEERE te bouwen, een tempel. We weten dat dat niet mocht doorgaan, maar hij krijgt wel de belofte dat zijn zoon (die moest nog geboren worden, maar dat wist David toen nog niet) die tempel zal bouwen.

Dan volgt een hoofdstuk van veldslagen, buit-vergaren en een grootse rijkdom van David. Mogelijk heeft hij dat allemaal gezien in het licht van de later te bouwen tempel. Maar het geeft hem duidelijk geen voldoening. Er ontbreekt iets aan. En dan lezen we in hoofdstuk 9 dat moment dat David zich opnieuw kwetsbaar opstelt en terugdenkt aan zijn hartsvriend Jonathan.

David had beloofd dat, wanneer hij eindelijk aan de regering zou komen, hij Jonathan de beste plek zou geven en zorg zou dragen voor diens kinderen; zeker als Jonathan er dan niet meer was. En dat laatste is het geval. Jonathan kan hij niet meer levend eren. De kroonprins die zich on der man naar Gods hart stelde is roemloos gesneuveld en eervol begraven in Jabes. “Zouden er nog kinderen of kleinkinderen van hem leven?” Je zou verwachten dat dat het was wat David zou zeggen, maar hij zegt iets anders: “Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe?” En dat ‘hem’ slaat toch echt op Saul! Weliswaar ‘om Jonathans wil’, maar toch…
En dan is daar opeens een oud-werknemer van Saul: Ziba. Als hem de vraag van David wordt gesteld weet hij nog wel iemand te noemen: nota bene een zoon van Jonathan! Dat is het mooiste dat David kon overkomen! Er bestaat een directe zoon van zijn vriend, aan wie hij al zijn liefde en zorg kwijt kan. Ik vermoed dat hij met deze Mefibóseth nog blijer is geweest dan met al zijn zonen tot nu toe…

Maar wie was Mefibóseth? We lezen over hem in 2 Samuël 4 een bericht dat hem opeens in de geschiedenis plaatst. Op een heel rare plek gaat het opeens over hem. Tussen de beschrijfing van de knechten van Isbóseth gaat het opeens over zijn neefje Mefibóseth! Daarna vervolgt de geschiedenis weer met de moord op Isbóseth door deze twee knechten. Maar Waarom wordt hier opeens Mefibóseth te berde gebracht? Dat blijft vaag, maar ik wil toch een poging wagen.
Eerst worden de twee moordenaars beschreven die uit de stam van Benjamin waren. Ook wordt ingezoomd op Isbóseth, die het rijk van zijn vader Saul voortzette. Dat leek voor Mefibóseth een stuk veiligheid. Immers, het koninkrijk bleef in de familie en het gevaar van de dood was daarmee geweken. Want… toen het bericht van de dood van Saul en Jonathan (en de twee andere zonen van Saul) de stad ­Jizreëel bereikte, sloeg de schrik om het hart van Mefibóseths ­verzorgster. Ze wist ook wel hoe de hazen liepen; dit werd het ­moment van Sauls tegenstander, David. Blijkbaar had ze David nog nooit ontmoet en had Saul ook de verhalen over David nooit eerlijk ingekleurd. Blijkbaar had hij nooit verteld hoe David zijn leven had gespaard, terwijl hij alleen maar op Davids dood uit was.
Die angst is indirect ook op Mefibóseth overgebracht. We lezen nergens over zijn moeder, Jonathans vrouw. Zou ze al overleden zijn? Het gaat alleen over de voedster. De opvoeding was, om wat voor reden ook, uitbesteed. En dat heeft sporen getrokken. Want als het goed is zou Mefibóseths moeder hem goede dingen over David hebben kunnen vertellen. Zij zou hem kunnen vertellen over het verbond dat papa Jonathan met oom David had; juist over de zorg en bescherming van hem, Mefibóseth!
De voedster kent alleen maar angst voor David. En als dan dat aangrijpende doodsbericht de stad bereikt, is ze ten einde raad. Ze pakt de vijfjarige Mefibóseth op (zat hij te spelen in huis of speelde hij met vriendjes op straat?) en in de haast dat… Ja wat? De kinderbijbels stellen het vaak voor dat de kleine jongen nog een baby was, die door zijn ‘tante’ werd opgepakt en toen liet ze hem uit haar handen vallen. Maar we hebben het hier over een jochie van vijf dat prima kon lopen. Sleurde ze hem mee? Of spoorde ze hem overmatig aan tot rennen en struikelde hij, waardoor hij niet alleen een been brak, waarschijnlijk zelfs de spieren en zenuwen scheurde? Wel vreemd, want hij is nog jong en lenig. Of was hij al gehandicapt? Of vluchtten ze langs een berghelling en viel hij in een soort ravijn?
De details ontbreken, maar het verhaal dat ik altijd in mijn hoofd had lijkt niet te kloppen.
Mefibóseth… zijn naam betekent ‘die schande verbreidt’. Dat is een tamelijk uitzichtloos levensmotto! Zijn leven wordt ingekleurd door zaken waar hij niets aan kon doen. Hij was kleinzoon van een hater van God en Zijn knecht. Zijn vader sneuvelde terwijl Mefibóseth nog maar vijf jaar was! En zijn moeder ontbreekt in het hele verhaal. Tenslotte is er geen toekomst door zijn blijvende handicap. Zijn voedster, zeg maar zijn peettante, zal blijvend voor hem hebben gezorgd vanuit een gestalte van schuldbesef om wat ze hem heeft aangedaan en een gestalte van overdadige bescherming! Ook wordt hij in 1 Kron. 8:34 Merib-baal genoemd, dat ‘uitstraling van Baäl’ betekent.
En dat is niet zomaar opgelost, wanneer David aan de macht komt. Eerst is oom Isboseth aan de macht; het is een periode van zeven jaar waarin Mefiboseth min of meer weer veilig is, maar een benauwde opvoeding geniet, pijn en verdriet doorleeft. En na zeven jaar, dat lezen we in hoofdstuk 4, wordt Isboseth vermoord, onthoofd en de moordenaars brengen zijn hoofd bij David! En Abner is in ­onderhandeling met David, dus breekt er weer een periode van angst aan! Dan is Mefibóseth 12 jaar!
Vervolgens verstrijken er wat jaren, maar het beeld dat deze Mefibóseth een oude man is als hij bij David wordt geroepen, is niet terecht. Hij zal ongeveer 20 jaar zijn geweest! Inmiddels woont hij in Lodebar bij ene Machir in huis. Machir is de zoon van Ammiël en die naam heeft ook de vader van Bethseba, met wie David later trouwt; maar het is niet bekend of deze Machir een broer van haar was. In ieder geval komen we Machir nog wel een keer tegen, als David moet vluchten voor zijn zoon Absalom; dan helpt hij David, samen met Barzillaï, met voedsel en beddegoed.

Maar terug naar onze tekst. David wil zijn liefde bewijzen aan Jonathan, door diens zoon te verzorgen. Er blijken overigens nog meer zonen van Saul; om de een of andere reden wordt alleen Mefibóseth genoemd en gehaald. In die zin heeft hij de dag van zijn leven zou je zeggen. Maar niets is minder waar. Met lood zijn schoenen verlaat hij Lodebar… al zal hij waarschijnlijk geen schoenen hebben gedragen. In het paleis gekomen en de troonzaal binnengeleid, werpt hij zich voor de troon neer en meent dat zijn laatste uur heeft geslagen. Waarom?
Hij was onkundig van het verbond tussen David en Jonathan. En ja, als je dat buiten beschouwing laat, dan heb je inderdaad enkel te vrezen. Leven zo ook niet heel veel kerkmensen, de Christus niet echt kennen? Ze doen hun plicht, eigenlijk alleen om God uit handen te blijven. Niet opvallen, bescheiden en plichtsgetrouw je ding doen. Mocht je God tegenkomen dan heb je wisselgeld op zak.
Moet je je voorstellen wat er door David is heengegaan, toen hij daar de zoon van Jonathan zag binnenkomen. Zou hij Mefibóseth als baby nog hebben gekend? Of is die na Davids vlucht geboren? ­Misschien heeft Jonathan het David nog wel verteld, toen ze elkaar voor het laatst in de wildernis ontmoetten: ‘Ik heb een zoon, David!”

Maar let op wat Mefibóseth doet: hij buigt zich voor David. Die noemt zijn naam: “Mefiboseth!” (hoor je de liefde en bewogenheid in zijn stem?) En Mefibóseth zei: “Zie, hier is uw knecht.” De verloren zoon. Net zo iets als Maria Magdalena bij het graf van Jezus. Ze hoorde de stem wel, maar herkende hem niet. Begreep niet wat er tegen haar werd gezegd. Evenzo Mefibóseth.
David is blij met hem: “Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.” Maar wat doet Mefibóseth? “Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?” Zie je hoe groot de slag in het gezicht van David is? Hier voor hem ligt de zoon van zijn beste vriend! En die noemt zich ‘dode hond’. David gaat er niet op in. Moet je in geestelijke zin ook eens over nadenken! Wat denk je met al die deemoed te weeg te brengen bij God? Niets.

Nog drie laatste details: Mefibóseth had een ‘kleine jongen, Micha’. Blijkbaar was hij al getrouwd, maar woonde in bij Machir. Dat blijft vaag.
En later komen de Gibeonieten bij David. Ze waren bijna uitgeroeid door Saul in diens Jehu’s ijver. Ze eisen wraak en David geeft hen de bastaardzonen van Saul, die worden opgehangen! De Bijbel tekent hierbij aan dat David Mefibóseth spaarde! Opnieuw bewees hij goeddadigheid.
Later als David vlucht speelt Ziba, de knecht van Mefibóseth een achterbakse rol en lastert over zijn heer, omdat die in Jeruzalem bleef. David gelooft hem maar half, maar neemt Mefibóseth toch de helft van zijn bezit af. En Mefibóseth laat het zo… Eigenlijk een beetje zijn ‘grondhouding’: een minderwaardigheidscomplex.

vrijdag 30 maart 2018

De gezalfde gehangen tussen hemel en aarde

De loyale van de royale - XII

…en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-san. Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
1 Samuël 31 : 10-12

Wat me trof in deze verzen? Misschien wel het meest trieste: dat iedereen zijn handen aftrekt van de gezalfde des Heeren! Wat je ook van Saul kunt zeggen, David was er kraakhelder over: hij is en blijft de gezalfde, de ‘christos’ zoals het in het Nieuwe Testament zou worden genoemd. En hoe extreem is dat in Jezus de Gezalfde werkelijkheid geworden. Hij werd uitgespogen door alles en iedereen. In tegen­stelling tot Saul niet door Eigen schuld. Nee, Hij werd tot zonde gemaakt!
Het tweede is: het erbarmen dat uit Gilead kwam. De mannen van Jabes waren de enige die zich vermanden en op pad gingen om de lichamen van de gezalfde en zijn zoons te zoeken en veilig te stellen van de verdergaande spot en smaadheid.

Ik zie in hen een lijn naar Jozef van Arimathea en Nicodémus lopen. Met name Jozef heeft zich vermand en eiste van Pilatus het lichaam van Jezus. Dat was waarlijk een heldendaad, want daarmee bekende hij zodanig kleur, dat hem dat zijn plek in de Joodse Raad zou kosten. Wie wilde een vervloekte in zijn graf hebben liggen? Maar het kon Jozef niet meer schelen: Hij wilde Zijn Jezus zelf begraven. Daarover de volgende keer. Arimathea… het is de griekse vertaling van Rama(th) en dat brengt ons terug bij Samuël, die er was geboren!
Op eenzelfde manier als Jozef zien we nu de mannen van Jabes naar Beth-San (of Beth-Shan of Beth-Sean) gaan. Die naam betekent overigens ‘Huis van Rust’! Deze stad lag vlakbij Gilboa, aan de oostkant van het gebergte, dichtbij de Jordaan. Jabes daarentegen lag aan de overkant van de Jordaan. Dus er is niet persé een logische verbinding tussen Beth-San en Jabes dan alleen dat het beiden het gebied van Manasse betrof, aan weerskanten van de Jordaan.

Bij de stad gekomen nemen ze de opgehangen dode lichamen van Saul en zijn zonen mee. De lichamen hingen daar als afschrikwekkend voorbeeld naar de joodse bevolking natuurlijk. Maar er zullen ook Filistijnen hebben gewoond in dat gebied, zoals we in de vorige tekst lazen. Als je de Bijbeltekst leest lijkt het voorspoedig te zijn verlopen. Ze nemen de lichamen mee… maar bedenk dat ze de dag ervoor al zijn gesneuveld en nu al enige tijd in de hitte aan de muur hingen. De lucht moet vreselijk geweest zijn; een lucht die je je leven lang zult onthouden. Maar de mannen van Jabes schrikken er niet voor terug.

Saul en zijn zonen moesten daar hangen en droegen deze boodschap uit: “hier had jij kunnen hangen…” Deze indoctrinatie pasten de Filistijnen toe om mensen te ontmoedigen tegen hen in opstand te komen. Ook Jonathans lichaam moest deze boodschap uitdragen!
Hoe anders is de boodschap van Jezus’ lichaam op deze Goede Vrijdag waarop wij het evangelie van Golgotha mogen horen: “Hij in mijn plaats zodat ik nooit zo ontluisterd zal worden als Hij”. Goed wil je geen angst inboezemen maar juist Zijn liefde voor jou laten zien in Zijn Zoon. Zie je het verschil? Wat Jonathan nooit kon, laat staan Saul, dat kan Jezus wel.

En ze verdeelden zijn klederen onder zich

De loyale van de royale - XI

Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
1 Samuël 31 : 8

Ook het aspect van ‘kleding verdelen’ of ‘spullen verdelen’, nadat die zijn ontvreemd, komt in deze geschiedenis aan de orde. Het staat er zo expliciet dat het me direct opviel. Het is niet vreemd dat ik direct moest denken aan het gebeuren op een andere berg. Niet op Gilboa maar op Golgotha…
De dag na de veldslag bij Gilboa komen de ‘aasgieren’ die alles wat bruikbaar is meenemen. De Filistijnen trekken over het slagveld en roven alles weg wat maar enigszins bruikbaar is. Terecht wordt het hier ‘plunderen’ genoemd.

Op deze strooptocht vinden ze niet alleen iets bruikbaars, maar ook treffen ze bekenden aan: Saul en zijn zonen. Het is niet bekend hoe ze die herkenden. Blijkbaar was toen ook al gebruikelijk dat men met vlaggen en andere onderscheidingen werkte om tijdens de strijd direct te zien wie bij welk leger hoorde.
Een van de dingen die de strijders van elkaar onderscheidden was natuurlijk hun werktenue, hun uniform. De pantsers, helmen en schilden van de Israëlieten weren in vorm en detail duidelijk onderscheiden van die van de Filistijnen. En zelfs kenden ze het onderscheid in rang. Daardoor worden naast Saul ook zijn zonen (als prinselijke legeraanvoerders) direct herkend. Direct zien ze de waarde van zowel de tenues als de personen die ze tot hun dood droegen.

De gesneuvelden, Saul en zijn zonen, worden ontkleed. Een ieder roofde wat hij wilde, als overwinningstrofee. Want wees eerlijk, dat tenue zullen ze niet hebben gedragen in de volgende strijd!
Maar die lichamen, het lijkt haast IS wel, zijn hen even waardevol als de spullen. Al hebben ze Saul en zijn zonen niet levend in handen kunnen krijgen, ze kunnen zich nu wel uitleven op hun dode lichamen. En dat is precies wat satan voortdurend doet. Hij leeft zich uit op wat hij niet levend in handen heeft kunnen krijgen. De lichamen worden meegenomen om tentoongesteld te worden. En, hoe bizar (!), het lichaam van Saul wordt onthoofd. Hij was in zijn leven een kop groter dan zijn volksgenoten. Ook dat zal voor hen een herkenningspunt zijn geweest. Maar in zijn dood wordt hij aan zijn volk gelijkgesteld.
“En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk. En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth (Dagon)…” Nota bene!

Jezus is als het ware ook de overwinningstrofee van de hel. Maar zijn het de romeinen die Hem bespottelijk maken? Is Hij voor de romeinen de overwinningsschat? Het lijkt er op dat Hij dat van Zijn eigen volk is! De soldaten verdelen wel Zijn klederen en werpen er het lot over “wat een iegelijk wegnemen zou” (Markus 15). Dat was wegens de profetie, zoals Mattheüs vertelt in hoofdstuk 27.
Jonathan en Jezus delen hetzelfde lot. Naakt worden ze als een stuk vuil behandeld. Met dit verschil dat Jonathan het niet levend heeft meegemaakt. Maar wie was die profeet die dit verzegd had? We lezen het in Psalm 22, de psalm van David! “Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.” Dacht hij aan Jonathan toen hij over Jezus, zijn grote Zoon, profeteerde?

woensdag 28 maart 2018

Hij heeft liefgehad tot het einde

De loyale van de royale - IX

En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
1 Samuël 31 : 2

Bij de dood van Jonathan wil ik wat uitvoerige stilstaan. Vooral in deze Stille Week voor Pasen. Omdat ik enkele mooie overeenkomsten, zij het gebrekkige, tussen Jezus en Jonathan. Over Jezus lezen we in Johannes 13 : 1b die bijzonder diepe woorden: “…alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.” Bij Jonathan zien we eenzelfde houding. Hij bleef David liefhebben, maar bleef evenzeer strijden aan de zijde van zijn vader. Hier in dit hoofdstuk, zien we hem nog eenmaal loyaal aan de royale: hij bleef zijn vader trouw, ondanks wie Saul was.

In deze strijd moet hij zich ook bewust zijn geweest van het feit dat David zich in dat andere kamp bevond. Wat zal dat met hem hebben gedaan? Je hartsvriend in het leger van de vijand?! Echter, hier moeten we de lijn van Jezus loslaten. Jonathan streed niet tegen de vijand om zijn geliefde vriend en diens trouwelingen te bevrijden. Hij offerde zich niet op om mensen vrij te krijgen uit de klauwen van de Filistijnen. Wat hem wel bewoog blijft helaas duister. Dat zal te maken hebben gehad met zijn visie op hoe het koninkrijk uiteindelijk bij David terecht zou komen. Immers, als de Filistijnen zouden winnen dan zou David nooit koning van Israël worden. En als hij dat wel werd, zou hij vooral afhankelijk blijven van de vijanden.
Naar Jonathans overleggingen kunnen we enkel gissen. Wat ons wel opvalt is dat hij zijn leven inzet in deze strijd. Een strijd die zijn vader niet ziet zitten. Niet voor niets week hij uit naar een tovenares om zekerheid te verkrijgen over de afloop. Die afloop moet Jonathan ook geweten hebben, al was hij er waarschijnlijk niet bij toen Samuël uit de dood ‘opstond’.
Jonathan heeft niet veel van de strijd meegemaakt. Hij is, zo lijkt het althans, een van de eersten die sneuvelen. Samen met zijn broers strijdt hij, maar sneuvelt. Alle drie delven het onderspit. En Saul blijft achter terwijl de strijd voortwoedt! Is Saul dan de ‘messias’ van Israël? Of wordt dit zijn moment van inkeer en bekering?

Jonathans lichaam wordt dodelijk geraakt en smakt neer tussen de lichamen van de andere gesneuvelden. Over zijn wapendrager lezen we niets. Maar hoe hij er ook aan toe was, Jonathan vraagt niet aan zijn wapendrager om hem te doden! Dat is een groot verschil. Hij is niet bang voor de dood. Hij heeft voor zijn kinderen een ‘verzekering’ afgesloten bij David en weet ze bovendien veilig in Gods handen.
Hij sluit zijn ogen. Wat zal er door hem zijn heengegaan? Of is hij op slag dood geweest? Wat waren zijn laatste woorden? De Bijbel zwijgt erover. Laat staan dat we weten wat zijn laatste gedachten waren. Zijn strijd is gestreden en de overwinning leek verkeken.

Geen sterven met een gewin voor al de zijnen. Hoe anders is dat met Jezus. Hij was evenmin bang voor de dood. Van Hem weten we dat Hij daadwerkelijk het doel van Zijn strijd voor ogen hield. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Hoe diep zijn die woorden. Hoe ver blijft Jonathan hier achter! Jezus stierf ook voor Jonathan. Want die kon onmogelijk Gods Koninkrijk binnengaan door zijn eigen trouw en vriendschap aan David! Ook hij moest het hebben van Davids grote Zoon: Jeshua Meshiach, dé Koning der Joden!

woensdag 28 februari 2018

Waar bleef Jonathan?

De loyale van de royale - III

David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
1 Samuël 23 : 18b


Bijna alle vertalingen vertalen het hebreeuwse ‘bayith’ (of ‘beith’) met ‘huis’ en dat doet je denken dat Jonathan ‘naar huis ging’, naar ‘zijn verblijf in het paleis in Gibea’. Je denkt er zijn vrouw en kinderen bij, want die waren er ook, immers?! In de uitleg van Oude Sporen las ik hierover het volgende: “Wat Jonathan van zijn vader zegt, maakt de vreselijke afval van Saul duidelijk. Saul handelt tegen beter weten in. Na dit gezegd te hebben sluiten ze opnieuw een verbond. Dan komt de definitieve scheiding. Jonathan gaat weer naar zijn huis en David vlucht verder. Van Jonathan lezen we niet dat hij terugkeert naar het paleis, of dat hij plaats neemt in de gelederen van de vervolgers van David, maar dat hij naar zijn huis gaat. Hij is geen volgeling van de vervolgde David, maar ook geen vervolger. We kunnen wel een hard oordeel over Jonathan vellen, maar laten we daar maar voorzichtig mee zijn. Zijn liefde voor David is op vele wijzen gebleken. We horen David op indrukwekkende wijze getuigen van zijn liefde voor Jonathan (2 Sam. 1:26). Van de kant van David is er geen enkel verwijt naar Jonathan. Laten wij dat dan ook maar niet doen."

Natuurlijk verwijten we Jonathan niets; maar zijn houding trekt wel onze aandacht: hoe ging hij te werk en hoe kon hij dat volhouden zonder zijn geweten geweld aan te doen? We maken het ons makkelijk door het woord ‘bayith’ dus te vertalen met ‘huis’, zodat hij duidelijk niet bij Saul zijn verblijf hield. Maar hoe logisch is dat? Hoe gevaarlijk ook? Als hij echt naar huis ging, dan zou er een moment komen waarop vader Saul terugkeerde. En als hij David dan niet had gevangen, zouden de rapen gaar zijn. Jonathan kon onmogelijk ‘thuis blijven’ (net als David later zou doen en de zonde met Bathséba beging). Dat zou namelijk een veel duidelijker positiekeuze ten opzicht van zijn vader laten zien. Met het ‘niet mee gaan met het leger van zijn vader’ liet hij zien dat hij zich distantieerde van diens beleid. En als je Saul een beetje kent is dat een super riskante situatie.
Maar dat woord ‘bayith’ kan vele meer betekenen. Naast ‘huis’ of ‘verblijfplaats’ betekent het ook ‘schuilplaats voor dieren’, ‘familie’ of ‘huishouden’. Zelfs kan het soms ‘tempel’ betekenen. In de Bijbel zit het woord ook in ‘diensthuis’. Niet alles is toepasbaar op onze tekst, maar de tekst sluit zeker niet uit dat hij terugging naar zijn tent in het legerkamp die voor die tijd zijn ‘thuis’ vormde. Vlakbij zijn vader. Zou hij juist daar niet veel beter tot nut voor David kunnen zijn? Misschien wel de enige tent in het kamp waarin een voortdurend gebed voor David opklom tot God! En hij kon met enige omzichtigheid invloed uitoefenen op zijn vader, als diens rechterhand.
Want laten we eerlijk zijn: in 1 Samuël 31 komen we Saul gewoon weer tegen mét zijn zonen. Ze strijden tegen de Filistijnen en moeten het onderspit delven. Niks geen ingewikkelde familie-intriges en ruzies tussen Saul en Jonathan. Het meest logische is dus dat Jonathan een dubbelrol speelde en hij is ook de enige geweest die precies wist waar het heen ging: David zou koning worden en linksom of rechtsom zou zijn vader van het toneel worden verwijderd door God.

Vandaag de dag wordt nogal eens gedacht dat je met een zekere vorm van ‘verdraagzaamheid’ en ‘liefde’ meer kunt bereiken dan met een aanvallende houding tegen vijandig gezinde typen. Een top­crimineel van onze dagen (Holleeder) bezigde een interessante kreet die ik in het volgende fragment uit een wetenschappelijk onderzoek terugvond: “Sun Tzu, de Chinese generaal, filosoof en schrijver van het beroemdste boek over militaire strategie, gebruikte naar verluidt regel­matig de beroemde zin: ‘Houd je vrienden dichtbij, maar je vijanden dichterbij,” zo stellen de onderzoekers. En de proefpersonen gaven daar goed gehoor aan. “Zij gaven aan dat hun ‘vijanden’ dichterbij waren, maar alleen wanneer deze vijanden een bedreiging vormden. Ons onderzoek suggereert dat we onze vijanden psychisch dichter bij ons houden door onze representatie van de fysieke wereld, in dit geval de fysiek afstand, te veranderen.” En dat is evolutionair helemaal niet zo’n slecht idee. Men kan beter te fel op een dreiging reageren dan te laat reageren en zelf het onderspit delven.” Het veranderen van die fysieke afstand is dus: dichter bij die zogenaamde ‘vijand’ gaan staan om beter en sneller te acteren.

Natuurlijk kun je stellen dat dat in het geloof niet zo te werk gaat en strategie eigenlijk een vorm van ongeloof in Gods almacht is. Maar is dat zo? Ook al geloven we onomstotelijk in de almacht van God dan wachten we de problemen toch niet af? Als de HEERE oproept tot ‘bid én werk’ dan houdt dat toch niet in dat we ons verstand en ons ‘in actie komen’ moeten uitschakelen? En als niemand reageert, terwijl het gevaar aanwijsbaar is dan kun je toch niet alles afdoen met ‘lief zijn’ en ‘de houding van Jezus laten zien’? ­Natuurlijk: toen Hij gescholden werd schold Hij niet terug. Hij was God, maar zelfs als Zíjn persoon in het geding was, zweeg Hij; echter, wanneer Zijn Vader in het geding was kwam Hij in actie. En hoe! Zie hoe Hij het tempelplein leeg veegt met een bos touwtjes. Hoor hoe Hij ageert – haast fulmineert – tegen de zogenaamde schriftgeleerden: “Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid” (Mat. 23:27) en “Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb” (Joh. 10:26). Ja, Hij was God Zelf en kon dat zeggen, maar… willen we ook naar deze kant van Jezus kijken? En zegt ons dat misschien ook wat? Is de beruchte Dordtsche Synode (1618-1619) misschien ook zo’n moment? Zijn wij misschien te zeer aangetast door zogenaamde ‘tolerantie’?

zondag 7 januari 2018

Voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven

De fan van de muzikant - VII

5 En David toog uit, overal waar Saul hem zond; hij gedroeg zich ­voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen des gansen volks en ook in de ogen der knechten van Saul.
7 En de vrouwen spelende, antwoordden elkander en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden.
14 En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en de HEERE was met hem. 15 Toen nu Saul zag dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht. 16 Doch gans Israël en Juda had David lief, want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.
1 Samuël 18 : 5, 7, 14-16


Toen Jezus Zijn discipelen eropuit stuurde, zei Hij tegen hen: “Ziet, Ik zende u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven” (Mattheüs 10:16). Ze moesten altijd oprecht zijn als de duiven. Het woord ‘oprecht’ betekent ‘zonder vermenging met kwaad, vrij van list’ of kortweg ‘niet dubbelhartig’. Maar als eerste noemde hij ‘voorzichtig als de slangen’. Dat is een onduidelijk en haast paradoxaal voorbeeld. Slangen hebben altijd een lading als bij ‘addertje onder het gras’. Juist wel iets dubbelhartigs, je tuint erin, voordat je er erg in heb. Het woord ‘oprecht’ betekent daar ‘verstandig, wijs, bezonnen en bedacht op iemands belangen’. Je hebt dan dus het vermogen om dubbele bedoelingen te doorzien. Hoe passend op David, die vriend van Jonathan werd, maar vijand van Saul!

De grandioze overwinning op Goliath is voor David niet enkel als een pluspunt uitgevallen. Het hele volk is pro-David, maar precies één persoon is hem totaal vijandig gezind: zijn werkgever Saul. Het is zeer waarschijnlijk dat David daar niet alles van heeft meegekregen.
Bij terugkeer van de oorlog en de grote overwinning voor Israël komen de vrouwen en de meisjes de soldaten tegemoet met dans en muziek. Ze zingen een zelf-gecomponeerd lied: “Saul heeft zijn duizenden verslagen…” Een enorm pluspunt voor de koning, die nog niet zo erg veel positieve impact leek te hebben tot voor kort. Het volk komt eindelijk in beweging en eert hem. Dat moet hem goed hebben gedaan. Maar juist op het moment dat hij zich als een Donald Trump gestreeld voelde, gaat het liedje net een streepje te ver: “…en David zijn tienduizenden.” Nota bene tienmaal zoveel eer voor die herder als voor de koning!

Als Saul oprecht als de duiven was geweest, dan had hij David alle eer gegeven. Immers, hijzelf durfde het duel met Goliath niet aan, terwijl hij toch een kop groter was dan de meeste Israëlieten. Maar dat bleek niet toereikend voor de bijna drie meter hoge reus uit Gath. Slechts drie meter lengte was voldoende om Saul en ook Jonathan de moet in de schoenen te doen zinken. Maar het boeide David totaal niet. Hij zag op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof! Met mijn God spring ik over muren… Mijn hemelse Vader kan alles!
En als Zijn naam wordt getart, zal Hij ook moed geven om de spotter te doden. En zo gebeurde het. David wordt in een heldendicht bezongen door de meisjes. Maar ik hoor niet dat hij – net als Paulus en Silas later – tussen te menigte springt en hen sust: ik ben maar ene man van vlees en bloed. Geen lof aan mij, maar aan de HEERE Die de overwinning gaf. Hem komt alle eer. Jammer. Herken je die houding?

De andere dag al heeft die boze geest Saul zover dat hij in een vlaag van verstandsverbijstering een speer richting David gooit. Die ontwijkt hem en speelt blijkbaar gewoon door. Maar nogmaals gooit Saul een speer om hem aan de muur te prikken. Weer mis! In plaats van dat dit Saul tot razernij brengt – dat zou je bij hem wel verwachten – schrikt hij ervoor terug. Hij merkt dat de HEERE met David is en dat de HEERE van hem is geweken. Zou David de nieuwe koning zijn? Saul moet dit toch wel hebben vermoed. Want hij gaat dubbelzinnig door met een moordplan.
En wel zo: hij geeft David een erepositie in zijn leger, maar op een vervaarlijke plaats. Een taktiek die David later op ook Uria zal toe­passen! Maar waar David ook wordt heengestuurd, hij keert iedere keer terug als overwinnaar. Het leek niet op te kunnen!
Dat maakte Saul wanhopig. Maar het maakte Israël buiten zinnen! Geheel Israël en Juda hadden David lief, staat er. We lezen niets over Jonathan, gek genoeg. Maar dit zou dezelfde uitwerking op de kroonprins hebben kunnen hebben. Niettemin worden die twee juist meer naar elkaar toegedreven. En in het komende gedeelte zal blijken dat er nog een extra band wordt gelegd tussen die twee hartsvrienden: de familieband.

Over David staat er in vers 5 dat hij zich ‘voorzichtig’ gedroeg, overal waar Saul hem heenstuurde. Ook in vers 14 staat dat David zich voorzichtiglijk gedroeg op al zijn wegen. En dat de HEERE met hem was. Voorzichtig. Daar heb je dat woord weer. Het kan betekenen ‘verstandig’, ‘inzicht hebben’, ‘begrijpen’, maar ook voorspoed hebben. En ook dat is waar. Maar het betekent ook gewoon ‘voorzichtig zijn’. David kreeg door dat Saul hem wilde ‘elimineren’. David liep niet weg en koos niet voor de meest veilige weg. Zou hij terug hebben gedacht aan de zalving die Samuël namens de HEERE aan hem had gedaan?
Later zou David wel uitroepen: Er komt nog eens een dag dat Sauls plan zal slagen, om mij uit de weg te ruimen. Maar hier merken we van die angst geen spoor. Mogen we dit opvatten als een rotsvast vertrouwen op Gods beloften? Ik denk het wel. En daar is alle reden toe. Want… de HEERE was met hem. En Saul had dat door!

zondag 17 december 2017

De zoon moet sterven en het volk gaat vrij uit

De zoon van de boerenkoning - XV (slot)

Saul nu sprak tot den HEERE, den God Israëls: Toon den onschuldige.
Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrij uit.
Toen zeide Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt.
Saul dan zeide tot Jonathan: Geef mij te kennen, wat gij gedaan hebt.
Toen gaf het Jonathan hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste des stafs, dien ik in mijn hand had;
zie hier ben ik, moet ik sterven?
Toen zeide Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan!
gij moet den dood sterven.
Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote ­verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als de HEERE leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.
1 Samuël 14 : 41-45

Dat God zwijgt wijt Saul aan de zogenaamde goddeloosheid die men heeft bedreven door Sauls gebod te overtreden. Als dan niemand zijn mond wil open doen om te zeggen wie die zonde op zijn geweten heeft, dan gaat Saul over tot het gebruik van het ‘ultieme waarheids-medium’ dat God Zelf heeft aangewezen: het lot. En let dan eens op wat er gebeurt. let vooral op hóe Saul zijn vraag aan God stelt! En… wat (wie) God precies aanwijst!
Om de een of andere reden kiest Saul ervoor om God te laten kiezen tussen ‘het volk’ en ‘hem en zijn zoon’. Vermoedt hij al dat het Jonathan is? Anders maak je toch niet zo’n ruwe tweedeling? Let nu op wie God aanwijst, als ‘de onschuldige’ (letterlijk conform Sauls vraag aan God)!
Het lot – dus Gods aanwijzing van de onschuldige – valt op hem en zijn zoon Jonathan. Nu zou je verwachten dat Saul een onderzoek instelt onder het volk. Want: het volk is dus schuldig! Immers, God zou toch aanwijzen door het lot wie onschuldig was? Lees ook maar wat de Kanttekeningen opmerken: “Saul bidt in 1 Sam. 14:41: Toon den onschuldige, willende zeggen den schuldige. Maar God toont hier dien, die inderdaad onschuldig was, naar luid van Sauls woorden.” Merkwaardig!
Maar Saul heeft al snel zijn conclusies getrokken en hij zet de uitkomst naar zijn hand: het volk  heeft hij nodig voor zijn eigen eer en roem. En Jonathan zit zijn succes in de weg. Hij laat voor de vorm nogmaals loten, maar Saul weet voor zichzelf dat hij het niet kan zijn! De condities voor de loting blijven gewoon dezelfde: de vraag dat God de ‘onschuldige’ opnieuw zal aanwijzen. Immers, Saul zegt enkel: “Werp het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan”. Het lot valt op Jonathan! Juridisch strikt genomen betekent dat dus: Jonathan is onschuldig (zie ook de al eerder aangehaalde Kanttekeningen). Maar Saul gaat verder met zijn contra-uitleg van het lot. Laten we al deze dingen nog éénmaal op een rijtje zetten:
• de 1e loting: het volk is schuldig;
• de 2e loting: Jonathan is onschuldig en Saul is dus schuldig!

En let dan eens op Jonathan: hij legt uit wat hij heeft gedaan en zegt dan enkel: “Moet ik sterven?” Elk vaderhart zou breken; maar Saul verhardt! Dit gaat zijn positie juist versterken voor het volk, meent hij; en hij kan zich zo prima handhaven, als God hier zo duidelijk heeft gesproken, zo denkt hij. Hij zet de uitleg van het lot dus heel duidelijk naar zijn eigen hand.
Jonathan verdedigt zich niet. Let daar op! Hij wijst zelfs niet de onrechtvaardigheid van zijn vader aan. En hij roept zelfs het volk niet tot getuige voor hem, om zich door hen vrij te pleiten. Hij vraagt slechts: “Moet ik steven?”
Of, zoals een hebreeuws leraar ooit eens uitlegde bij Jezus’ woorden ‘Eli, Eli, lama zabachtani?’ ‘Sabachtani’ is Aramees voor ‘verlaten’; ‘Zabachtani’ is Hebreeuws voor ‘offeren’; ‘Azabhtani’ is Hebreeuws voor ‘verlaten’ (lees de Matthaüs Passion): “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij geofferd?” Of… “Moet ik geofferd worden?”

We zien hier in Jonathan iets oplichten, dat we bij Jezus zo intens zulen terughoren: “Zie Ik kom… om Uw wil te doen!” Later zouden het aanvankelijk Davids woorden zijn in de ons bekende
40e Psalm. Maar ze gingen in Jezus zo prachtig in vervulling.
Het was beter dat Eén stierf voor het hele volk, dan dat het hele volk verloren zou gaan! Ook hier in deze geschiedenis. Met dit verschil dat het volk het voor Jonathan gaat opnemen in vers 45. Het volk komt hem te hulp en houdt zich niet afzijdig met de woorden: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Geen “Weg met Hem” of “Kruisigt Hem!” Nee, we lezen in vers 45: “Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.” Jezus draait het om: “Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.”

Niet Izak moest sterven… Niet Jonathan moest sterven… Brandoffers en andere offers voor de schuld voldeden niet aan Gods eis en eer… Totdat Jezus zei: Zie Ik kom… De boekrol is niet alleen met Mijn naam vervuld, maar loopt uit op Mij! “Alzo verloste Jezus het volk, dat het niet stierf.”

zaterdag 18 november 2017

Geen smid en geen zwaard onder Gods volk

De zoon van de boerenkoning - VIII


En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk dat bij Saul en bij Jónathan was; doch bij Saul en bij Jónathan, zijn zoon, werden zij gevonden.
Samuël 13 : 22



Voordat het verhaal begint over de oorlog tussen de Israëlieten en de Filistijnen, wordt er even een pas op de plaats gemaakt. De schrijver van het Bijbelboek (en dus de Heilige Geest) wil ons eerst iets laten zien dat impact heeft op de strijd: er is geen smid!
Je zou zeggen, nou en? Maar in die dagen maakte de smid je landbouwgereedschap, maar hij droeg ook zorg voor de kwaliteit van je wapens. De overheersing van de Filistijnen had tot gevolg dat het beroep van smid verboden was en daarmee raakten zij het hart van de verdediging van het volk! Landbouwgereedschap men laten repareren of vervaardigen door filistijnse smeden. Die vroegen natuurlijk dik geld voor dat werk. Het creëren van productschaarste zorgt voor hogere prijzen!
Dit fenomeen kende de Israëlieten… zo vermoordden de egyptenaren alle joodse jongetjes. En wat dacht je van Richteren 1, waarin twee stammen strijden tegen de kanaänieten en dan de koning, Adoni-bezek, vangen en doen met hem, zoals hij met zijn overwonnen koningen had gedaan: de duimen van zijn handen en voeten afhakken. Daardoor werden die overwonnen weerloos, kwetsbaar en afhankelijk. En dat zagen we ook in 1 Samuël 11, waar Nahas, de Ammoniet bralde: “Dat ik u allen het rechteroog uitsteke…”, waardoor de boogschutters niet meer hun werk konden doen en de strijders geen diepte meer zagen! Venijnig slim.
Het legertje van Saul is nog eens enorm uitgedund tot 600 man! Zo werd een overwinning onmogelijk. Maar… daarbij ontbreken de wapens. Dit moet al een aantal jaren aan de gang zijn geweest, want je kunt niet in een paar dagen de smeden verwijderen uit een land, en dan ook zo’n effect hebben dat er geen zwaard meer in het land is!

Maar let op! Er zijn twee zwaarden: bij Saul en bij zijn zoon Jonathan. Twee zwaarden… waar ken ik dat van? Enkele minuten voor het moment van de worsteling in Gethsémané praat Jezus met Zijn jongeren over de vervolgingen en ontberingen die zullen komen ­vanwege Zijn Naam. “Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.”Het is een merkwaardige tekst die velen al hoofdbrekens gekost heeft. En met name twee verzen verder, roept het vragen op, nadat Jezus heeft gezegd dat in Hem de profetiën moeten worden volbracht en dat ook die profetie in vervulling moet gaan waarin staat dat Hij met de misdadigers ‘gerekend’ wordt: “En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.” Twee zwaarden… Zou Hij aan de geschiedenis van vandaag hebben gedacht? Twee zwaarden… het is genoeg. Teveel misschien zelfs. Nou, zo keek Saul er op zich niet tegenaan, maar blijkbaar zijn zoon Jonathan wel! Dat zal blijken.

Nog een aspect wil ik hier doorgeven, van www.oudesporen.nl (op pagina 143-144): “Een smid is iemand die wapens kan maken, waarvan anderen gebruik kunnen maken. In geestelijke zin is een smid een ­broeder die ons kan leren hoe we met het Woord van God als een wapen moeten omgaan. Een smid is iemand die ons onderwijst over Gods gedachten om daarmee de vijand te verslaan. Als dit alles afwezig is, zal ons geloof niet kunnen toenemen, maar worden we een prooi van de vijand.
Dit is listig bedacht door de Filistijnen. Hierdoor voorkomen zij niet alleen dat Israël oorlogswapens vervaardigt, maar ze maken Israël ook van hen afhankelijk zelfs voor de landbouwwerktuigen. De Israëlieten moeten zich bij de Filistijnen melden om hun gereedschap dat bij de landbouw moet worden gebruikt, gebruiksklaar te maken. Voor de bewezen diensten rekenen de Filistijnen hun prijs.
Voor het gebruik van de ploeg, de bijl en de sikkel, allemaal middelen waarmee het land wordt bewerkt om aan voedsel te komen, is Gods volk afhankelijk van de vijand. De geestelijke les is duidelijk als we bedenken dat de Filistijnen een beeld zijn van naamchristenen ofwel christenen zonder Christus. Wat voor voedsel geeft een Christusloze christenheid aan haar leden? Wat een ellende als we overgeleverd zijn aan naam­christenen voor ons geestelijke voedsel. Wat een ellende als we ­overgeleverd zijn aan verstandelijke redeneringen om de Bijbel te begrijpen.
Het is tragisch als Gods volk afhankelijk is van de Filistijnen voor de opbrengst van de vrucht van het land dat God Zijn volk heeft beloofd en gegeven. Door de tactiek van de Filistijnen is er bij niemand van het volk een wapen te vinden (vgl. Ri 5:8). Zonder zwaard, om de tegenstander vlakbij te doden, en zonder speer, om de vijand op afstand te doden, kan het volk geen enkele tegenstand bieden. De afwezigheid van deze wapens maakt het volk een weerloze prooi voor de vijand.”

zaterdag 28 oktober 2017

Kom uit je comfortzone!

Maar opdat de wereld wete dat Ik den Vader liefheb,
en alzo doe gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft.
Staat op, laat ons vanhier gaan.
Johannes 14 : 31

Als Jezus je uit je comfortzone roept en aan het werk zet


Al eens eerder zijn we onsamenhangende verzen tegen gekomen. Vandaag een vers, waarover al meerderen hun hoofd hebben gebogen. Had het misschien niet moeten worden opgedeeld in twee verzen? Of houden die twee delen in de tekst verband met elkaar en strooit een vertaling zand in de ogen?

Het lijkt erop dat het gesprek van Jezus met Zijn discipelen ten einde is. Echter, we weten dat het nog minstens twee hoofdstukken door zal gaan. Evenwel is het tafelgesprek afgelopen en is Jezus weer een stap dichter bij Zijn – en eigenlijk óns – lijden!

Maar opdat…

Al direct het eerste woordje 'maar' roept een vraag op. Waar sluit dit bij aan? Met wat vormt dit de tegenstelling? Staat het in tegenstelling met het 'niet meer veel spreken' uit het vorige vers? Of het 'de satan komt eraan en heeft aan Mij niets'? Waarschijnlijk – maar er zijn veel meer mogelijkheden – zal het dat laatste zijn. De satan heeft aan Mij niets, maar dit zal allemaal gebeuren, zodat de wereld kan zien dat Ik Mijn Vader liefheb en gehoorzaam doe wat Hij mij heeft opgedragen.
Toch is er ook nog een andere oplossing voor dit dilemma. Het kan slaan op al de dingen die hiervoor staan beschreven. Maar er zijn ook uitleggers die het naar de toekomst laten wijzen. De zin gaat dan anders vertaald worden: het woordje 'maar' begint eigenlijk een slotconclusie te vormen. Er zal van alles gaan plaatsvinden; de kwartjes zullen later op hun plaats vallen. Nu kunnen jullie nog niet alles bevatten. Maar… (het doel) laten we hier vandaan gaan (en aan het werk gaan), zodat de wereld zal kunnen gaan zien dat Ik Mijn Vader liefheb en doe wat Hij mij heeft opgedragen.
Zo heeft dat 'laten we van hier gaan' een directe verbinding met het voorgaande in dit vers. Het is daarom veel minder een 32e vers, maar het middel, waardoor de wereld iets ongelofelijk moois gaat zien, hoewel het gebeuren afzichtelijk zal zijn. Het kruis en de kruisdood van Jezus zullen de 'masterproof' zijn van Zijn onvoorwaardelijke verbondenheid aan de Vader. Hoe misvormend zijn de diverse films en romans of Jezus die moest lijden… die Hem tekenen als het grote Slachtoffer, daar Hij toch vooral een Schuldoffer was voor de zonde.


Laten we gaan…

Als je het de discipelen had gevraagd, dan zouden ze nog graaf uren en uren zijn gebleven in de opperzaal! Als was het alleen maar om het enge en onzekere uit te stellen. Dat sterven, waar Jezus over sprak, zou dan voorlopig worden uitgesteld. Nee, Jezus schudt ze met deze woorden wakker en toont hen dat het nodig is dat ze nu in beweging komen. Ja waarvoor? Zij komen in beweging om hun Meester de verlaten als het erop aankomt. En Petrus komt in beweging om zijn Meester in de weg te staan en zelfs te verloochenen! Maar… tegen die zwarte achtergrond zal alleen maar sterker uitkomen dat Jezus Zijn Vader onvoorwaardelijk trouw blijft.
Laten we die oproep van Jezus nog eens even op onszelf betrekken. Hoeveel stellen wij in het werk om het hier en nu comfortabel en vast te maken? Hoe sterk zijn wij gebrand op het 'vanhier gaan'? Hier is ons Vaderland niet, toch? Als Jezus eens tegen jou zou zeggen: "Kom, laten we vanhier gaan…", wat zou dat in je hart teweeg brengen? Zou je gaan tegensputteren? Zou je slaafs achter Hem aanlopen, omdat Hij het nu eenmaal van je vroeg? Of… zou je opspringen en roepen: “Eindelijk!”
Jezus zegt: “Laten we vanhier gaan…”. We… wat voor mensen zijn dat? Mensen die er klaar voor zijn? Op dat moment misschien allerminst. Maar later zouden ze gaan, wanneer Jezus hen riep, en waarheen Hij ze riep. Met graagte! Dat is de beste houding. Gereed staan. Vandaag. Alsof Hij elk moment kan komen. Maar ook alsof Hij elk moment kan roepen: “Ga naar die en die plek, en 'voeg je bij de wagen'…” Met dat woord doel ik op wat God tot Filippus zei, die zich bij de Moorman moest voegen. Maar dat geldt voor ons elke dag: als God je een duwtje geeft om die of die aan te spreken; of als Hij iemand voor je zet, die tegen je begint te praten, vragen begint te stellen. “Kom, laten we vanhier gaan”, dat is: kom uit je confortzone en ga aan de slag. Werk aan de winkel!

vrijdag 20 oktober 2017

Speel geen spelletjes met satan!

“Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”
Johannes 14 : 30

Veel christenen onderschatten de gevaarlijke aanwezigheid van satan




In deze tijd waarin Halloween – nota bene op 31 oktober! – heel populair is geworden, lezen we over 'de overste der wereld' die komt. Daarnet zat ik achter een bus met een macabere plaat over een tentoonstelling over Halloween. Afschuw en horror geven mensen tegenwoordig blijkbaar een kick. Het spookhuis van vroeger voldoet niet meer. Hoe meer bizar, spectaculair en stuitend, hoe 'beter'. Hoe ver gaat die invloed van satan, dat mensen er geen probleem in zien?

Wij leven in een tijd, die omgekeerd is aan de tekst. De Koning van hemel en aarde komt en Hij zal alles in de hel wegwerpen, waar Hij niets aan heeft. Dat is de realiteit van de eindtijd. Daartegenover staat de werkelijkheid voor Gods kinderen: "En wij verwachten die dag met een groot verlangen, omdat we eindelijk bij Hem zullen zijn, Die ons heeft liefgehad met een eeuwige liefde!”

Spreken

Allereerst lezen we in de tekst dat Jezus vertelt dat Hij niet veel meer met Zijn jongeren zal spreken. Denk het je eens in dat Jezus het zwijgen ertoe gaat doen. Vind je dat ook niet aangrijpend en beangstigend? Is de situatie 'als God zwijgt' erger dan de hel voor je? Dan vind je Halloween walgelijk en vind je dat soort afbeeldingen, films en games ook weerzinwekkend en godslasterlijk. Dan is elke affiniteit met de hel, de satan en de demonen, iets dat je op grote afstand wilt houden. Jezus zegt in de tekst dat de overste van deze wereld 'niets aan Hem heeft'. Dat kon alleen Hij zeggen. En doordat dat ook zo is, moeten christenen de satan niet onderschatten. Want hij weet juist heel goed dat hij aan hen juist heel veel heeft. Maar daarover zo meteen.
Jezus zal niet veel meer met Zijn jongeren converseren. Dat betekent dat er een breuk aanstaande is en dat ze op eigen benen moeten gaan staan. Daarover was Hij in voorgaande verzen ook al best duidelijk. Toch denk ik dat deze woorden bij de discipelen een 1-dimensionale werkelijkheid hebben opgeroepen: radiostilte met Jezus; nu breekt het 'grote niets' aan. Echter, Jezus had ook gesproken over die andere Trooster, Die dingen aan hen zou leren (dus wel degelijk tot hen zo spreken), Die 'indachtig' zou maken en de kwartjes zou laten vallen (Hij riep Jezus' woorden weer tot leven in hen). Indirect bleef er dus spraken van het 'spreken van Jezus'.

Komen

Jezus doorzag de werkelijk problematiek als geen ander. Hij zag de satan komen. In Lukas 10 komen de zeventig discipelen weer terug bij Jezus, nadat ze overal het evangelie hebben gepreekt en wonderen hebben verricht; en opgetogen vertellen ze: “Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam”. Die euforie ontnam Jezus hen tóen al direct door te zeggen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.”
Jezus richtte toen reeds hun oog op de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Het is mooi als je 'machtiger' bent dan de duivelen, maar daarin ligt geen vastigheid. Je ziet dat terug in heel veel films, strips en games, waarin 'het goede' altijd momenten beleeft dat het niet is opgewassen tegen 'het kwade'. De meeste films lopen goed af, maar ze dragen allen hetzelfde motto: de macht van 'het goede' moet groter zijn dan de macht van 'het kwade'. Altijd weer is er de angst dat 'het kwaad' de kop op steekt. Die angst moet worden weggenomen door tegenkracht.
Maar dat is niet de weg die Jezus wijst. Zo zul je het nooit redden en altijd weer zal het dan ongewis blijven of 'het kwaad' misschien niet toch weer nieuwe wapens heeft uitgevonden, dat het je te slim af is… Zo zal de vernietiging alsnog het laatste woord hebben.
Daarin zie je dat deze wereld behekst is door angst, omdat er in de wereld nooit vastigheid en zekerheid bestaat over de definitieve overwinning. Als de mensheid het in eigen kracht moet fixen, zijn we ten dode opgeschreven. Want vergis je niet: de overste dezer wereld komt (en is gekomen!). Jezus zag hem al uit de hemel vallen. En denk niet dat dat vlak voor de zondeval gebeurde!
Jezus kreeg daar in Lukas 10 een voorproef van Zijn overwinning op Golgotha, over dood, graf en hel heen! En nu breekt dat moment aan, waarop Hij wel dwars door de dood in de heerlijkheid van Zijn Vader zal terugkeren, maar Hij ziet ook Zijn jongeren… die zullen met die 'overste dezer wereld' in conflict gaan komen!
Nogmaals, vergis je niet in de macht van satan. Dat zeg ik niet om je bang te maken, maar speel geen spelletje met hem. Jezus verbiedt het je, omdat je op Hem moet vertrouwen. Doe als Luther – nu we het toch over 31 oktober hebben – die menigmaal door satan werd belaagd en hem telkens weer duidelijk liet merken dat Luthers zekerheid vast lag in Jezus Christus en Die gekruisigd! Maar Luther is er evenzeer een toonbeeld van dat je niet moet spotten met satan. Zijn macht is reëel en vele malen vernietigender dan de sterkste macht van een mens. De pot inkt van Luther kon satan niet wegjagen; zijn zingen van psalmen daarentegen wel!

Verstoren

Jezus stelt dat de satan wel komt, maar aan Hem niets heeft. Toch zie ik Hem kruipen in de hof; toch hoor ik Hem angstig en afgemat roepen aan het kruis: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Je kunt misschien zeggen dat daar niet de satan aan het werk was, maar dat de breuk met Zijn Vader, vanwege de zondelast, Hem radeloos van angst maakte. Ik wil dat wel be-amen, want vlak naast de macht van satan de macht van de zonde ook niet uit! Toch is het waar dat satan aan Hem niets had.
Satan kwam in de arena van Goede Vrijdag op Jezus aan om Hem uit het zadel te wippen, Hem te laten struikelen in zonde, Hem te verleiden de makkelijke weg te kiezen. Dat zou hem echter niets baten, omdat hij misrekende met de macht van Jezus over zonde en angst.
Maar denk nu niet dat Jezus satan zozeer heeft overwonnen dat hij niets meer kan. De kop van de slang is wel vermorzeld, maar zijn staart kan nog rake klappen uitdelen. Dit ‘monster van Loch Ness’ weet dat zijn tijd nog maar kort is. Daar is de Bijbel duidelijk over. En elke satanische wereldmacht reageerde hetzelfde: als het merkte dat de ondergang nabij was, werden ze nietsontziend en allesverwoestend. Als overwinnen geen optie meer is, dan moet er maar zoveel mogelijk kapot! Als satan Jezus niet heeft kunnen tackelen, dan moeten Zijn kinderen het maar ontgelden. Natuurlijk weet de satan wel dat hij met die actie Jezus’ overwinning niet meer ongedaan kan krijgen. Maar hij zal er alles aan doen om Hem zoveel mogelijk te krenken. En wees eerlijk: onze Heere en Heiland is nergens zo zeer door gekrenkt als dat Zijn bruid Hem ontrouw is, Zijn Vader smaad en een karikatuur van Hem maakt door theologische of ongelovige theorieën. Onze bruidegom is nergens zo door gekrenkt als door het negeren van Hem, het bedroeven en uitblussen van de Geest en het vergeten van de grote Huwelijksdag, de Jongste Dag. Bedenk dat Jezus naar je staat te kijken als je je inlaat met zaken als Halloween, zaken die horen bij het rijk van satan. Voor Hem was de dood naast de Godverlatenheid het meest onterende dat er bestond; hoe kunnen wij er dan een gezellig griezelfeestje van maken? De dood is net als de satan, onze vijand, omdat ze Christus' vijanden zijn!
En voordat je denkt dat ik alleen inzoom op Halloween… dat geldt voor alle zaken die ons van Hem afhouden, die ons Zijn grote Dag doen vergeten en die ons hinderen om de lof aan Hem te brengen in het midden van de gemeente en in ons gezin. Laat niets de relatie met de HEERE verstoren!

zaterdag 14 oktober 2017

Geloof heeft dagelijks onderhoud nodig

“En nu heb Ik het u gezegd eer het geschied is,
opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.”
Johannes 14 : 29

Let eens op hoe goed Jezus je ‘gereedschapskoffer' heeft gevuld, voor het geval dat…


Onderwijs is er enerzijds op gericht dat je dingen gaat begrijpen. Maar anderzijds is het meer dan eens gericht op de toekomst, waarin je kennis in de praktijk gaat brengen. Je krijgt dus vooraf informatie, kennis, die je van pas gaat komen, als je in de praktijk tegen situaties aanloopt waarin je naar oplossingen op zoek moet gaan.

Het is als een gereedschapskist: er zit gereedschap in ‘voor het geval dat…’; niet alle gereedschap heb je nodig. Soms kies je welbewust je gereedschap uit, als je je klus van te voren goed inschat. Maar… voor onvoorziene gevallen neem je extra spullen mee. Dat kan je goed van pas komen! Precies dát doet Jezus in onze tekst. “Ik vertel je nu alvast dingen, die straks zullen gaan gebeuren (Hij geeft ze doelgericht onderwijs!). Normaliter zul je dan in verwarring, angst en paniek geraken. Maar met deze informatie (knoop het goed in je oren), kun je die situatie aan!”

Jezus’ voorzienigheid

Er zal van alles gaan gebeuren met Jezus én met Zijn discipelen. Zij zullen van elkaar gescheiden gaan worden. Jezus zal dan niet meer direct met hen communiceren. Eigenlijk hebben ze na een driejarige stage het moment van de Meesterproef bereikt. Nu zal moeten blijken of ze in staat zullen zijn zelfstandig te leven en te geloven. Jezus voorziet dat dat niet zal gaan. “Zonder Mij kunt gij niets doen,” had Hij gezegd. En zo is het ook. Maar Hij maakt van Zijn jongeren geen marionetten of robots. Zij zullen tóch, ondanks hun onvermogen, zelfstandig verder moeten. Hij zal niet meer als een Herder bij hen zijn. Zij zullen zelf onderherders gaan worden. Maar hoe moet dat?
Jezus voorziet dat zij dat niet zullen kunnen en toch roept Hij ze tot die grote hoogte. En nog voor dat de vragen, de vertwijfeling en angst zouden kunnen toeslaan, rust Hij hen toe: “Ik vertel je nu alvast dingen, die straks zullen gaan gebeuren…” Waaruit bestaat dat gereedschap dat Hij in hun gereedschapskoffer stopt?

Het vermoede paniekmoment

Het zal bruikbaar gereedschap blijken te zijn, wanneer al deze voorspelde dingen zullen gaan gebeuren. Eerlijk gezegd, met eerbied en kort door de bocht gereageerd, als ik de evangeliën lees, bekruipt mij het gevoel dat Jezus de situatie toch te rooskleurig heeft ingeschat. Want er zijn niet weinig paniekmoment geweest, na deze Paasmaaltijd; echter de discipelen hebben hun gereedschapskoffers potdicht laten zitten. Prima gereedschap aan boord, maar gebruiken: ho maar!
Wat dacht je van het moment van de gevangenneming in Gethsémané? Natuurlijk is zo'n toestand met fakkels, speren en zwaarden in een spookachtige hof of griezelig donker bos natuurlijk wel iets om een snellere hartslag van te krijgen. En die meute van soldaten en overpriesters was nu niet bepaald liefelijk om te zien. Maar in plaats van de gereedschapskoffer open te maken, vluchten ze allemaal een andere kant op, bang voor hun hachje.
En dan is daar de dag van het oordeel, de kruisiging en de begrafenis. Als ze er al bij waren, dan stonden de discipelen van verre en in het beste geval sloegen ze zich van radeloosheid op de borst. Daar hing nu hun Meester! Gereedschap aanwezig, maar ongebruikt retour.
En in de dagen daarna hebben ze hooguit hun gereedschap gebruikt om de deuren van de opperzaal nóg hermetischer te sluiten. Maar was er nu niemand, die opstond en zei: “Broeders, dit is het wat Jezus zei, toen Hij nog bij ons was! Laten we onze gereedschapskoffers eens openmaken en zien wat erin zit!”

Liefde en geloof

En dan zijn daar die rare woorden: “opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt”. Geloofden ze nog niet? Was het nog allemaal niets met hen? Moesten ze nog uitverkoren worden? Nog op een toeleidende weg geplaatst worden. Nog allerlei stadia van ‘al Gods kinderen’ doorwandelen voordat het allemaal eens mocht gaan aanvangen?
Je zou haast over dat woordje aan het begin van dit vers heen lezen: “En…” Er zit dus een directe verbinding tussen dit vers en het voorgaande. Lees het zo: “Gij hebt gehoord dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen en kom weder tot u… En nu heb Ik het u gezegd eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.” Jezus toonde hen de lange lijn, de grote rode draad van de geschiedenis die Hij zou gaan schrijven. Wereldgeschiedenis, die hun bevattingsvermogen te boven zou gaan. Juist dát wist Hij als geen ander.
Hier praten we niet over kleingeloof, maar dit was onbevattelijk voor hen. Wij hebben enorm veel meer van Christus mogen zien. Wij hebben Zijn grote rode draad in tal van preken en boeken mogen uitgeschilderd krijgen (en wat heeft het bij je gedaan?). Maar zij niet. Voor hen was het volslagen ongedacht en niet passend in hun denkvermogen.

In het vorige vers ging het over 'als zij Hem zouden hebben liefgehad…', nu gaat het over 'zullen gaan geloven'. Dat liefhebben had alles te maken met Hem dieper kennen, Hem meer en meer bewonderen en adoreren. Het geloven in onze dagtekst, is niet het zaligmakend geloof ontvangen, maar is meer het standvastig groeien in het geloof. De Kanttekeningen spreken over 'versterkt worden in het geloof'. Het is niet negatief bedoeld, maar juist positief. Op de groei gericht. Een koffer met gereedschap om te kunnen groeien.
Eigenlijk heeft God elk menselijk lichaam even zo geschapen: het is op de groei samengesteld. Een baby wordt tandeloos geboren, maar zijn of haar melkgebit én blijvende gebit zitten al verborgen in hun 'gereedschapskoffer van de mond'. Zo is het ook met het leven van het geloof. Het is niet opeens volwassen, uitgegroeid. De ervaringen met Jezus rijpen je.
En telkens weer kom je erachter dat Hij al iets in je had neergelegd voor later, als het zo ver zou zijn. Als je in je leven daar of daar zou vastlopen. “Ik zeg nu alvast dingen tegen je, die straks van pas zullen gaan komen. Nu leg je ze nog terzijde, omdat je niet weet wat je ermee moet. Maar straks! Moet je eens opletten. Normaliter zal een mens zonder Mij dan in verwarring, angst en paniek geraken. Maar met deze kennis van Mij (knoop het goed in je oren), kun je die situatie aan! Je leert ervan, zult er verder mee komen, standvastiger groeien en… je zult er anderen mee versterken! Een klein onderherdertje mogen wezen, onderweg naar het Huis van Mijn Vader!” Het is geen doe-het-zelf-koffer, trouwens! Dit vers staat in de context van de komende Heilige Geest. “Die zal het uit het Mijne nemen (denk aan de gereedschapskoffer!), en zal het u verkondigen (toepassen)” (Johannes 16).