Posts tonen met het label profeet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label profeet. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

zaterdag 9 juni 2018

De profeet voorzegt de Profeet

Hoofdstuk 12

Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
Handelingen 7 : 36-37

Het is opmerkelijk hoeveel Stefanus verzwijgt van Mozes. Hij heeft het niet over Mozes’ halstarrige houding, zijn driften en zijn moedeloosheid over het ongeloof van het volk. Hij schildert hem enkel uit als een profeet die tekenen en wonderen deed. Het lijkt wel alsof Stefanus zichzelf een beetje uittekent voor de oren van het opgehitste volk.
Zondigen tegen beter wetenWaarom staat Stefanus zo uitgebreid stil bij Mozes. Ik had die vraag nog niet goed overdacht, maar in de Kanttekening las ik dit: “Hier toont Stefanus dat hij tegen Mozes niet leert als hij Jezus Christus predikt, dewijl Mozes zelf van Hem geprofeteerd heeft.” Met het diep ingaan op Mozes laat Stefanus dus zien dat hij niets tegen Mozes heeft. Zijn eerste beschuldigers zeiden in hoofdstuk 6: “Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.” De ­beschuldigers die daarna kwamen zeiden: “Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de ­Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.” Stefanus laat dus ook zien in dit verweer dat Mozes een goed zicht had op Jezus Christus!
Stefanus doet alsof Mozes zelf al die wonderen deed. Hij wil Mozes geen goddelijke eer geven, maar hij zoomt in op die wonderen waar tegenover het volk juist zoveel ongeloof en haat stelt!
Dat is de zonde die voor Stefanus ‘live’ werden uitgeleefd door de massa die hem naar het Sanhedrin heeft geleid. Ja, het Sanhedrin zélf betreedt met vast tred hetzelfde pad, als waarmee ze ook Jezus en al de profeten van het Oude Testament de dood in hebben gedreven.

Veertig jaar wonderen
Hoe ver kun je gaan, als je tegenover veertig jaar wonderen, hulp en zegen even zoveel jaren dwarsliggen en opstand zet? Over die veertig jaar omzwerving wilden de Joden maar liever niet te veel horen. Je mocht spreken over hun afmatting, hun ‘afzien’ en hun lijden, zowel in dorst en honger als in verdrukking van vijanden. Maar je mocht niet spreken over de oorzaak van die dingen: ongeloof en botte tegenstand. Was het niet juist deze Mozes die voor het volk had gepleit toen God dat hele zooitje had willen wegvagen?

Veertig jaar tekenen
Het waren niet alleen wonderen die door Mozes werden verricht. Wonderen staan niet op zichzelf! Daar zouden we vandaag de dag ook eens meer bij moeten stilstaan. De wonderen van genezing zijn geen doel op zich. De wonden van uitredding hebben een ander doel dan ‘lekker leven’ en ‘doorgaan met waarmee je bezig was’. Dat nare woordje ‘bekering’ (tot inkeer komen) zit er onlosmakelijk aan verbonden.
Nee, er is ook sprake van ‘tekenen’, zo zegt Stefanus. Die veertig jarige reis door de woestijn stond bol van allerlei hints en heen­wijzingen naar iets anders. Naar Iemand anders! Eigenlijk moet je zeggen dat het volk veertig jaar lang langs al die hints en heenwijzingen heen heeft geleefd. Hoeveel tekenen krijg je vandaag de dag mee van God? Niet alleen elke zondag, maar toch zeker ook juist die dag?!


Mozes’ profetieën
Wat was Mozes eigenlijk? Een prins, een generaal, een leider, een held… en ja toch ook een moordenaar! Hij was ook de kroniekschrijver van het volk Israël; zijn kronieken lezen we in Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Je zou hem ook de ‘man van de wet’ kunnen noemen. Maar kennen we hem ook als een profeet? We hebben zijn Psalm, Psalm 90, de Oudejaarspsalm. Het is die man, die zulke diepe en prachtige dingen kon zeggen over God:
“Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.”
“Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
“Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.”
“Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij ­verschrikt.”
“Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.”
“Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.”
“Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.”
“En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons”


De Messias
Hoe veelkleurig praat hij over God?! Maar luister eens wat Mozes, aldus Stefanus, zegt over de Messias! Hij zegt: “De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij…” Hij heeft dus al voorzegt dat de Messias niet een ­opzienbarend figuur zal zijn. Het zal een soort Mozes zijn. Gewoon iemand uit het volk! Let daar dus op, want voor je het weet kijk je ‘over Hem heen’ en ga je voorbij aan Zijn aanwezigheid. Dat ‘als ik’ duidt zeker ook, volgens Stefanus op de wonderen die de Messias zal doen, net als Mozes. Aan Mozes’ wonderen en tekenen hadden ze voorbij geleefd; zo zal het ook gaan met de Messias!
Johannes wist Mozes niettemin wel te ­onderscheiden van Jezus, als hij schrijft in Joh. 1:17-18 “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Er is verschil. Mozes gaf de wet van God door. Maar wat Mozes niet kon, kon Jezus: genade van God aanbrengen! En… het grootste verschil met Mozes is, dat Jezus God heeft gezien. Mozes kon het niet aan, maar Jezus wel. Sterker nog, Hij kende God door en door. Wat een verschil is dat?! Daarom was Hij bij uitstek zo geschikt om genade aan te brengen. Omdat Hij de ingrediënten van genade kende! Moet je eens over nadenken.

De Messias horen
Nog één groot verschil lijkt Stefanus hier te onderstrepen. De Messias zal even ongedacht en onverwacht komen als Mozes; eveneens uit het volk gekomen. Maar Stefanus zegt erbij: “Dien zult bij horen.” Wat bedoelt hij – en achter hem Mozes – met deze woorden? Het is zo dat Petrus deze woorden ook gebruikt in zijn Pinksterpreek. Maar ze komen niet bij de discipelen zelf vandaan. Mozes had dit inderdaad gezegd in Deut. 18. Daar stelt hij de profetie en de profeten van het Woord van God tegenover de guichelaars en alle andere afgodenpredikers. “Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen.” En Mozes zegt hier ook stellige dingen over hoe we die profetie moeten duiden: komt het uit, dan blijkt dat het het Woord van God is geweest. Als we er dan niet direct voluit geloof aan hechtten, dan toch zeker na afloop. Het is de zonde tegen de Heilige Geest als we ons verharden en die woorden van God aanwijzen als godslasterlijk. Je merkt dat Stefanus hier tussen de regels door iets aan de Joden vertelt over Jezus’ profetieën!
Het volk was juist door de wet van Mozes gehouden om de profetie te geloven en op te volgen. God had het Zelf geboden! God de Vader had in dit verband ook nog iets specifieks gezegd over Jezus, dat Petrus – als getuige van de verheerlijking van Jezus – in zijn achterhoofd moet hebben gehad, toen hij Mozes’ woorden citeerde: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!”
We hebben in Jezus niet te maken met zomaar een profeet, maar met dé Profeet, ja, met de Zoon van God; een Zoon in Wie de Vader al Zijn welbehagen, Zijn diepste genot en meest intense vreugde heeft. Zou je Hem dan niet horen?

God aanbidden
Zijn niet Jezus’ woorden bij uitstek woorden die je moet gehoorzamen? Wat heeft Hij niet allemaal gezegd over de wet van Mozes? Of over de liefde tót de Vader en de liefde ván de Vader? Hij kende als geen ander de Vader tot in het diepst van Zijn ziel. Hij kende de intenties van Zijn Vader en Hij vertelde ons erover.
In Hem hebben we enorm goed kunnen zien Wie de Vader is. Mozes heeft dat allemaal niet zelf kunnen zien en duiden. Het was de Heilige Geest Die hem daar woorden voor gaf. En het is diezelfde Geest Die Stefanus vol vuur laat preken. Reken maar dat de Joden hier iets van hebben gemerkt. Hier staat niet zomaar een man uit het volk. Hier staat niet zomaar een volgeling van Jezus, maar hier staat een profeet te prediken die Gods Woord brengt.
Ze voelden vanuit Deuteronomium 18 de klem om hier iets mee te doen. Mozes stond voor hen en stelde hen voor de keus: “Wat doe je met Gods Woord, Dat hier wordt gepreekt? Neem je het aan en buig je of verwerp je het en recht je je rug? Deze man kant zich niet tegen mij, Mozes, maar hij valt mij bij. Hij kant zich niet tegen God en Zijn wet, maar hij verkondigt die wet op Gods bevel. Dus… wat doe je?”
Je kunt je levendig voorstellen wat het antwoord werd, toen ze hun oren dichtstopten en briesend op Stefanus aanvielen. Maar voor we verder gaan lezen toch die vraag: Wat doe jij met Gods Woord? Als dat morgen, zondag, gepreekt wordt, leg je het dan aan de kant en vind je het allemaal teveel liefde en teveel Jezus en te weinig de zondige mens en zijn walgingopwekkende zondestaat? Of val je dit Woord bij en leef je op in God, aanbid je Hem nederig, heel je leven, conform Psalm 96?
Aanbidt Hem need’rig al uw leven,
Hem, die, in ‘t heiligdom verheven,
Een Godd’lijk licht van zich verspreidt;
Leer, aarde, voor Zijn majesteit,
Leer voor Zijn aangezichte beven.

woensdag 10 februari 2016

Als je Johannes een profeet noemt… wat dan?

De profeet Maleachi, geschilderd door Duccio di Buoninsegna; (1308-1311)


"Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.
Want deze is het van denwelken geschreven staat:
Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen."
Mattheüs 11 : 9-10

Jezus is Meester van allen. Zo is Hij ook meester in discussies. Elk woord is enorm wijs gekozen. Het lijkt alsof er zomaar een rijtje wordt afgeroepen: "heen en weer wuivend riet, mens met zachte klederen, profeet", maar elk van die is bewust gekozen. Zo ook het woord profeet. Dat was voor de omstanders en toehoorders een zwaarbeladen woord: profeet!

De derde van de trits

Als derde in het rijtje noemt Jezus 'profeet'. "Wat komen jullie hier doen? Een wervelde prediker beluisteren? Een erudiet prediker aanhoren? Een visionair prediker bewonderen?" Ja, als het die twee vorige opties niet waren, zijn jullie hier dan vanwege het feit dat Johannes een profeet is? Profeet. Dat was Johannes inderdaad; de laatste (als je Jezus even buiten beschouwing laat). Johannes was de grensfiguur, de overgangsambtsdrager van profeet tot prediker. De priesterzoon die het ambt van priester vaarwel zei en doper en prediker werd. Hij was de portier van het Nieuwe Testament. De mensen hebben dat niet goed beseft en toch… en toch zagen ze iets bijzonder in hem. En precies daar gaat Jezus nu op in.

De gewichtigste titel

Profeet is een gewichtige titel. Met een ferme streek tekent Jezus hem uit vanuit de reeds vier eeuwen zwijgende profetieën als Hij Maleachi citeert: "Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen." Door een gewichtig profeet te citeren hangt Hij gewicht aan Johannes' persoon en optreden. En met dit citaat plaatst Hij indirect Zichzelf in het midden. Immers, Johannes is degene die Iemand voor zal gaan, voor gegaan is zelfs! Want hij zit in de gevangenis. En Jezus sluit hier ook aan bij de profetie van Johannes' vader Zacharias, die bezong: "En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heeren, om zijn wegen te bereiden, om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes."
Met het noemen van de titel 'profeet' vat Jezus Johannes' ambt samen. Hij voorzag dingen: de komst van de Messias (al was het beperkt). Hij was tegelijk ook prediker; dat is ook de betekenis van profeet. Hij is een vertolker van Gods wil of woord. Elk woord dat Johannes sprak wat niet uit zijn duim gezogen, maar door Gods Geest ingeblazen. Dat gaf hem ook zo'n gewicht in zijn oordeel. Dat besef mag bij ons best weer eens meer doordringen.

Het zwaarste oordeel

Welnu, er zal geknikt zijn misschien, toen Jezus Johannes een profeet noemde. Ja, hij droeg een kamelenharen mantel. Hij had een opzienbarende levensstijl, haaks op de elite in Jeruzalem. Zijn woorden waren scherp, hard en met macht. En hij had het aldoor maar over de Messias, de bijl, de wan en bekering. Maar wat nu, als Johannes ook echt een profeet was? Wat nu als hij juist die profeet was, die Maleachi voorzag? Jezus citeerde slechts de woorden waar hij engel wordt genoemd. Maar Maleachi noemde hem ook Elia. En dat sloeg in!
Als hij dus werkelijk een profeet was – zoals Jezus Zijn toehoorders wilde laten concluderen – waarom hebben ze hem dan niet geloofd? En als hij dan werkelijk die profeet was die Maleachi had voorspeld, waarom geloofden de mensen Jezus dan niet, voor Wiens aangezicht deze Johannes was heengegaan?
Een preek naast je neerleggen is altijd een mogelijkheid. Maar besef je ook wat je dan naast je neerlegt? Een preek bekritiseren is altijd een optie, maar besef je ook hoe je dat doet? En als die preek terecht bekritiseerd wordt, krijgt dat dan gevolgen? En als een prediker zijn roeping niet verstaat en een rommeltje maakt van zijn preek of een huis-tuin-en-keuken-praatje houdt, dan mag hij daar toch op worden aangesproken? Het is niet om het even hoe we luisteren, het is niet om het even hoe we preken. Het gaat erom: wat doen we met Hem, voor Wiens aangezicht predikers uitgaan… de weg bereidend!