Posts tonen met het label God de Zoon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label God de Zoon. Alle posts tonen

woensdag 13 juni 2018

Afgoderij heeft iets zieligs


Hoofdstuk 13

Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte; zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want
wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Handelingen 7 : 38-41
Afgoderij heeft iets zieligs, zoals Stefanus het op een haast conference-achtige manier beschrijft. Zoals John Piper eens zei tijdens zijn speech ‘Don’t waste your time’, over mensen en hun American Dream, die een leven lang druk waren met hun schelpenverzameling en op de Jongste Dag tegen de grote Schepper van het heelal zeiden: “Here it is, Lord, my shell collection. Look, Lord, my shell collection.” Aandoenlijk bijna!
Holle godsdienst
Stefanus blijft nog even bij Mozes stilstaan, maar eigenlijk schildert hij iets uit dat met het volk te maken heeft. Iets vervelends, wat ze liever niet meer hoorden. Hij haalt geen oude koeien uit de sloot, trouwens. Want zonden die bedekt zijn moeten we niet meer boven tafel trekken. Zo gaat God er ook niet mee om. Maar hier herhaalt zich de geschiedenis. Daarom snijdt Stefanus deze oude wond, met die open zenuw, weer open. Maar… we hebben hier toch niet te maken met een gouden kalf op zo iets? Maakt Stefanus niet een karikatuur van de hele situatie? Is hij wel fair bezig?
Hij gebruikt de geschiedenis van het gouden kalf – hoe merkwaardig is het dat juist dit symbool als prijs voor de beste film wordt gebruikt! – om iets aan te tonen in het handelen van het Joodse volk ten opzicht van … hemzelf? Nee, ten opzichte van Jezus! Hij neemt zijn luisteraars mee, bij de buitenkant van hun godsdienst vandaan, naar de binnenkant. De holle binnenkant. Ze volgen Gods geboden, maar hoe? Is dat voor ons misschien op voorhand al een les?

Ongehoorzaamheid
Wie was Mozes? In het voorgaande heeft hij Mozes uitgeschilderd als een profeet. Een speciale profeet zelfs. Want, zegt hij nu in vers 38, deze Mozes was in gesprek met de Engel des HEEREN (let op dat hij het hier niet heeft over ‘God’ in het -algemeen, maar over ‘God de Zoon’!).
Het volk had tegen Mozes gezegd dat die maar met God moest praten, want zij konden de aanwezigheid van God niet verdragen. Ze werden er doodsbang van. Onthoudt dat element: bang voor God!
Je zou dus verwachten dat het volk ontzag liet merken voor Mozes. Hij had wel eerbied voor God, maar was niet bang. Hij durfde bij God te zijn, zelfs veertig dagen lang! Terwijl zij met een paar minuten al niet meer wisten waar ze blijven moesten. Zij hebben dus heel duidelijk gevoeld (!) dat ze voor God niet konden bestaan. Van zo’n houding mag je toch goede vruchten verwachten? Wordt zo’n houding in onze kringen ook niet erg aangeprezen en bewierookt?
Wat zich daar op die berg Sinaï heeft afgespeeld wist het volk niet. Maar Mozes kwam wel met twee bewijsstukken naar beneden: de Stenen Tafelen, de platte stenen van het Verbond, zoals deze uitdrukking in de Basisbijbel wordt vertaald. Het woord ‘lu-ach’ betekent plank, tableau of plaat. Deze stenen waren niet zo groot als een grafzerk, want dan kon Mozes ze niet helemaal meenemen naar beneden. Waren ook geen grote granieten billboards met een heel verhaal erop. Het waren twee platte stenen, die draagbaar waren, en waarop aan de voor- en de achterkant Tien Woorden stonden gekerfd. Tweemaal dezelfde woorden: een kopie dus. Schilderijen en afbeeldingen van Mozes met twee enorme zerken met gebod 1-4 op de ene en 5-10 op de andere steen zijn puur fictie.

Contrast
Wel, die stenen waren dus ook de bewijsstukken dat Mozes daar iets met God had gecommuniceerd; of eigenlijk: dat God iets concreet had opgedragen aan Mozes. Hij kwam daar niet naar beneden van een gezellig onderonsje, maar met een missie!
Hoe groot is dan het contrast, wanneer je Mozes met die heilige opdracht van de grote en barmhartige God van het Verbond (God de Zoon Zelf, die later díe Profeet zou worden, waarover Mozes zou spreken!) de berg ziet afkomen en beneden die janboel rondom dat gouden kalf ziet! Het is alsof je na een indringende en bewogen preek, de kerk uitloopt en keihard de radio aanzet met deathmetal- of hardcoremuziek. Het zout van de tranen nog op je wangen, maar je ogen klappen dicht en je headbangt op de satanische cadans van de beat.
Het is dit mega-contrast waarover Mozes zo fulmineert en woest de zo heilige stenen neersmijt in het dal. Ze barsten uiteen, maar het blust de toorn in Mozes niet. Er moet meer gebeuren. Ook Mozes vormt een contrast in zich. Zijn toorn explodeert tegen een heel volk. Heb je je wel eens afgevraagd waarom zo’n massa van duizenden mensen zo onder de indruk is van die ene man die daar dwars door hun feestje komt stuiven?
Nee, zijn gezicht glansde niet, zoals dat later wel gebeurde toen Mozes opnieuw op de berg bij God was en opnieuw twee stenen met de Tien Woorden kreeg. Nee, deze eerste keer is er aan Mozes niet zo iets te zien. Maar stiekum denk ik wel dat Stefanus deze geschiedenis als een hint gebruikt naar zijn eigen glanzende gezicht, dat ze nog maar enkele minuten geleden hebben kunnen zien!

Aversie
Ongehoorzaamheid is een naar woord. Maar dekt dat de lading van wat Israël hier onderaan de Sinaï deed? Is daarmee gezegd wát hun intentie was? Nee. Daarom zet Stefanus resoluut het mes in deze stinkende wond! “Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte…” Ze waren niet maar was wereldgelijkvormigheid aan het plegen. Ze kantten zich tegen Mozes (en daarmee tegen God Zelf) en verlangden weer terug naar Egypte (en uitten dus een aversie tegen Gods Beloofde Land)! En dat is desastreus!
Daarbij is het dus aandoenlijk om te zien dat ze hun goud bij Aäron komen brengen en dat hij er een beeld van gaat maken van een afgod die hij zich nog herinnert uit Egypte. Een stoer stierkalf.
Zo dan, daar heb je je god die lekker voor je uit gaat. Al hadden ze honderd jaar gewacht, dat kalf was nooit van zijn plek gekomen. Ze hadden het nota bene zelf in elkaar gesmolten. En kijk eens… ze vallen voor het beeld neer en dansen er als een stel bezetenen rond.
Zielig
Jeremia steekt er in hoofdstuk 10 al de gek mee – hoewel zijn profetie vooral bedoeld is als troost voor Gods volk dat wordt aangevallen – als hij kijkt naar wat de heidenen allemaal bedenken om maar niet in de HEERE te geloven. Ze zijn niet alleen van God los, maar ze willen dat ook koste wat het kost blijven. Daarom vullen ze die leegte zo krampachtig gedreven in met afgoderij: “Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan […] In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden. Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning […] Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.”
En hij zegt eigenlijk ongeveer hetzelfde als Jesaja in hoofdstuk 40 deed: “Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen? De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele. Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?”

En ook Daniël moet names God iets dergelijks zeggen tegen Belsazar, wanneer hij uitlegt wat er met die woorden ‘mene, mene, tekel, upharsin’ op de muur wordt bedoeld: “…de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.”

Stefanus vat de geschiedenis met het gouden kalf als volgt samen: “En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.”

Wie is hier nu God?
Sprak hij eerst in de dagtekst nog over ‘onze vaderen’, nu zegt hij allen ‘zij maakten’, ‘zij brachten offers’ en ‘zij verheugden zich in het werk van hun handen’. Die cynische toon moet het volk niet zijn ontgaan. Het doet aandoenlijk aan. “Kijk dan, ze hakken, smeden en versieren een beeld alsof het een cupcake is! En dat selfmade ding zetten ze neer, gaan er in een kringetje omheen staan (er gebeurt niets) en opeens, als bij toverslag, is het het een god. Een machtig god nog wel, die voorop gaat en de hele meute loopt er achteraan richting … ja, richting Egypte zou je denken. Naar huis. Toch?
Gek genoeg maken ze nog geen aanstalten om op reis naar huis te gaan. Ze blijven daar onderaan die berg hangen. Het gaat niet erg hard met die god voorop. Of is het de levende God Die hen bij deze plek houdt, om ze te laten zien Wie Hij werkelijk is? Dat wordt geen fijne les, maar wel een heel leerzame. Hoe smaakt water moet goudpoeder? Dat is nog gevaarlijk ook! Inwendige besmetting. Metaaldeeltjes in je buik en vaten. Een langszame maar gestadige dood vermoedelijk. Niemand heeft het overleefd. Sterker nog, er waren er die diezelfde dag nog door de stam van Levi zijn gedood! Kon dat gouden kalf dat allemaal niet verhinderen? Flikkerde er geen bliksem uit de egyptische goden-hemel toen Mozes dat gouden kalf aan poeier sloeg? Nee, het bleef ademloos stil. En opnieuw is er tussen die duizenden niemand die Mozes een halt toe roept. Wie is hier nu God?
Een predikant zei eens: dat gouden kalf was geen afgod, maar de zichtbaar -gemaakte vertoning van God. Men had moeite met een onzichtbare God. En hoe actueel is dat? Maar mag God nog zijn zoals Hij wil zijn? Maakt dat eigenlijk iets uit? Moet Hij passen in ons voorstellingsvermogen? Of kan Hij even goed God zijn, als Hij onzichtbaar is? Het lijkt er in deze geschiedenis op dat ze Mozes als de belichaming van God zagen. Toen de zichtbare Mozes weg bleef waren ze God kwijt. Zit daar niet een lijn in die we vandaag de dag terugzien in de kerk? Zijn ook vandaag niet heel veel rechtzinnige mensen ‘godsdienstig’ bezig met een zichtbare God in ‘houdingen’, in ‘staten’, in  ‘ervaringen’, in ‘predikers’, in ‘oudvaders’, in ‘klanken’ en ‘tale Kanaäns’. “Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. […] Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.” Wat een God. De levende God! Onze God!

zaterdag 9 juni 2018

De profeet voorzegt de Profeet

Hoofdstuk 12

Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
Handelingen 7 : 36-37

Het is opmerkelijk hoeveel Stefanus verzwijgt van Mozes. Hij heeft het niet over Mozes’ halstarrige houding, zijn driften en zijn moedeloosheid over het ongeloof van het volk. Hij schildert hem enkel uit als een profeet die tekenen en wonderen deed. Het lijkt wel alsof Stefanus zichzelf een beetje uittekent voor de oren van het opgehitste volk.
Zondigen tegen beter wetenWaarom staat Stefanus zo uitgebreid stil bij Mozes. Ik had die vraag nog niet goed overdacht, maar in de Kanttekening las ik dit: “Hier toont Stefanus dat hij tegen Mozes niet leert als hij Jezus Christus predikt, dewijl Mozes zelf van Hem geprofeteerd heeft.” Met het diep ingaan op Mozes laat Stefanus dus zien dat hij niets tegen Mozes heeft. Zijn eerste beschuldigers zeiden in hoofdstuk 6: “Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.” De ­beschuldigers die daarna kwamen zeiden: “Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de ­Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.” Stefanus laat dus ook zien in dit verweer dat Mozes een goed zicht had op Jezus Christus!
Stefanus doet alsof Mozes zelf al die wonderen deed. Hij wil Mozes geen goddelijke eer geven, maar hij zoomt in op die wonderen waar tegenover het volk juist zoveel ongeloof en haat stelt!
Dat is de zonde die voor Stefanus ‘live’ werden uitgeleefd door de massa die hem naar het Sanhedrin heeft geleid. Ja, het Sanhedrin zélf betreedt met vast tred hetzelfde pad, als waarmee ze ook Jezus en al de profeten van het Oude Testament de dood in hebben gedreven.

Veertig jaar wonderen
Hoe ver kun je gaan, als je tegenover veertig jaar wonderen, hulp en zegen even zoveel jaren dwarsliggen en opstand zet? Over die veertig jaar omzwerving wilden de Joden maar liever niet te veel horen. Je mocht spreken over hun afmatting, hun ‘afzien’ en hun lijden, zowel in dorst en honger als in verdrukking van vijanden. Maar je mocht niet spreken over de oorzaak van die dingen: ongeloof en botte tegenstand. Was het niet juist deze Mozes die voor het volk had gepleit toen God dat hele zooitje had willen wegvagen?

Veertig jaar tekenen
Het waren niet alleen wonderen die door Mozes werden verricht. Wonderen staan niet op zichzelf! Daar zouden we vandaag de dag ook eens meer bij moeten stilstaan. De wonderen van genezing zijn geen doel op zich. De wonden van uitredding hebben een ander doel dan ‘lekker leven’ en ‘doorgaan met waarmee je bezig was’. Dat nare woordje ‘bekering’ (tot inkeer komen) zit er onlosmakelijk aan verbonden.
Nee, er is ook sprake van ‘tekenen’, zo zegt Stefanus. Die veertig jarige reis door de woestijn stond bol van allerlei hints en heen­wijzingen naar iets anders. Naar Iemand anders! Eigenlijk moet je zeggen dat het volk veertig jaar lang langs al die hints en heenwijzingen heen heeft geleefd. Hoeveel tekenen krijg je vandaag de dag mee van God? Niet alleen elke zondag, maar toch zeker ook juist die dag?!


Mozes’ profetieën
Wat was Mozes eigenlijk? Een prins, een generaal, een leider, een held… en ja toch ook een moordenaar! Hij was ook de kroniekschrijver van het volk Israël; zijn kronieken lezen we in Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Je zou hem ook de ‘man van de wet’ kunnen noemen. Maar kennen we hem ook als een profeet? We hebben zijn Psalm, Psalm 90, de Oudejaarspsalm. Het is die man, die zulke diepe en prachtige dingen kon zeggen over God:
“Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.”
“Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
“Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.”
“Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij ­verschrikt.”
“Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.”
“Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.”
“Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.”
“En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons”


De Messias
Hoe veelkleurig praat hij over God?! Maar luister eens wat Mozes, aldus Stefanus, zegt over de Messias! Hij zegt: “De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij…” Hij heeft dus al voorzegt dat de Messias niet een ­opzienbarend figuur zal zijn. Het zal een soort Mozes zijn. Gewoon iemand uit het volk! Let daar dus op, want voor je het weet kijk je ‘over Hem heen’ en ga je voorbij aan Zijn aanwezigheid. Dat ‘als ik’ duidt zeker ook, volgens Stefanus op de wonderen die de Messias zal doen, net als Mozes. Aan Mozes’ wonderen en tekenen hadden ze voorbij geleefd; zo zal het ook gaan met de Messias!
Johannes wist Mozes niettemin wel te ­onderscheiden van Jezus, als hij schrijft in Joh. 1:17-18 “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Er is verschil. Mozes gaf de wet van God door. Maar wat Mozes niet kon, kon Jezus: genade van God aanbrengen! En… het grootste verschil met Mozes is, dat Jezus God heeft gezien. Mozes kon het niet aan, maar Jezus wel. Sterker nog, Hij kende God door en door. Wat een verschil is dat?! Daarom was Hij bij uitstek zo geschikt om genade aan te brengen. Omdat Hij de ingrediënten van genade kende! Moet je eens over nadenken.

De Messias horen
Nog één groot verschil lijkt Stefanus hier te onderstrepen. De Messias zal even ongedacht en onverwacht komen als Mozes; eveneens uit het volk gekomen. Maar Stefanus zegt erbij: “Dien zult bij horen.” Wat bedoelt hij – en achter hem Mozes – met deze woorden? Het is zo dat Petrus deze woorden ook gebruikt in zijn Pinksterpreek. Maar ze komen niet bij de discipelen zelf vandaan. Mozes had dit inderdaad gezegd in Deut. 18. Daar stelt hij de profetie en de profeten van het Woord van God tegenover de guichelaars en alle andere afgodenpredikers. “Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen.” En Mozes zegt hier ook stellige dingen over hoe we die profetie moeten duiden: komt het uit, dan blijkt dat het het Woord van God is geweest. Als we er dan niet direct voluit geloof aan hechtten, dan toch zeker na afloop. Het is de zonde tegen de Heilige Geest als we ons verharden en die woorden van God aanwijzen als godslasterlijk. Je merkt dat Stefanus hier tussen de regels door iets aan de Joden vertelt over Jezus’ profetieën!
Het volk was juist door de wet van Mozes gehouden om de profetie te geloven en op te volgen. God had het Zelf geboden! God de Vader had in dit verband ook nog iets specifieks gezegd over Jezus, dat Petrus – als getuige van de verheerlijking van Jezus – in zijn achterhoofd moet hebben gehad, toen hij Mozes’ woorden citeerde: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!”
We hebben in Jezus niet te maken met zomaar een profeet, maar met dé Profeet, ja, met de Zoon van God; een Zoon in Wie de Vader al Zijn welbehagen, Zijn diepste genot en meest intense vreugde heeft. Zou je Hem dan niet horen?

God aanbidden
Zijn niet Jezus’ woorden bij uitstek woorden die je moet gehoorzamen? Wat heeft Hij niet allemaal gezegd over de wet van Mozes? Of over de liefde tót de Vader en de liefde ván de Vader? Hij kende als geen ander de Vader tot in het diepst van Zijn ziel. Hij kende de intenties van Zijn Vader en Hij vertelde ons erover.
In Hem hebben we enorm goed kunnen zien Wie de Vader is. Mozes heeft dat allemaal niet zelf kunnen zien en duiden. Het was de Heilige Geest Die hem daar woorden voor gaf. En het is diezelfde Geest Die Stefanus vol vuur laat preken. Reken maar dat de Joden hier iets van hebben gemerkt. Hier staat niet zomaar een man uit het volk. Hier staat niet zomaar een volgeling van Jezus, maar hier staat een profeet te prediken die Gods Woord brengt.
Ze voelden vanuit Deuteronomium 18 de klem om hier iets mee te doen. Mozes stond voor hen en stelde hen voor de keus: “Wat doe je met Gods Woord, Dat hier wordt gepreekt? Neem je het aan en buig je of verwerp je het en recht je je rug? Deze man kant zich niet tegen mij, Mozes, maar hij valt mij bij. Hij kant zich niet tegen God en Zijn wet, maar hij verkondigt die wet op Gods bevel. Dus… wat doe je?”
Je kunt je levendig voorstellen wat het antwoord werd, toen ze hun oren dichtstopten en briesend op Stefanus aanvielen. Maar voor we verder gaan lezen toch die vraag: Wat doe jij met Gods Woord? Als dat morgen, zondag, gepreekt wordt, leg je het dan aan de kant en vind je het allemaal teveel liefde en teveel Jezus en te weinig de zondige mens en zijn walgingopwekkende zondestaat? Of val je dit Woord bij en leef je op in God, aanbid je Hem nederig, heel je leven, conform Psalm 96?
Aanbidt Hem need’rig al uw leven,
Hem, die, in ‘t heiligdom verheven,
Een Godd’lijk licht van zich verspreidt;
Leer, aarde, voor Zijn majesteit,
Leer voor Zijn aangezichte beven.

maandag 17 april 2017

Plaatsvervangende schaamte

"Toen hief Abraham zijn ogen op en zag om; en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging en nam dien ram en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats."
Genesis 22 : 13



We spreken van 'plaatsvervangende schaamte' wanneer iemand anders zich zou moeten schamen, maar het niet doet. Wij generen ons dan voor zijn of haar gedrag en blozen soms zelfs. Wij schamen ons dan, in plaats van die betreffende persoon. Misschien nog wel het meest omdat die ander blijkbaar niet inziet dat híj of zíj zich had moeten schamen voor wat er gebeurde. Wat een merkwaardige reactie heeft de Schepper in ons innerlijk ingebouwd.

Eigenlijk kun je spreken na de zondeval van 'plaatsvervangende schaamte' bij God de Zoon, bij Jezus Christus, of, zoals Hij Zich in ons tekstgedeelte openbaart, de Engel des HEEREN. Wij mensen zondigden tegen God en braken met Hem in het Paradijs. En het lijkt wel alsof wij ons helemaal niet bewust zijn van de ernst van ons misdrijf! God de Zoon toonde zulk een diepe plaatsvervangende schaamte naar Zijn Vader toe, dat Hij ons de ogen opende met Zijn offer. En juist dit offer wordt al een beetje geschetst in deze geschiedenis. Wat kunnen we ervan ontdekken in dit vers?

De doornenkroon

Door de roep van de engel staakte Abraham zijn offeractiviteit. Of het de schrik is, of wellicht het gevoel van ongeloof "hoor ik het nou goed?", hij draait zich in ieder geval om, om te zien wie er achter hem staat. Waarschijnlijk werd, nog voor hij de engel zag, zijn blik getrokken naar iets dat aan het woelen was in het struikgewas. Gesnuif, gekraak en geschuur… een ram! De Kanttekeningen wijzen erop dat Abraham bijna direct begreep wat de bedoeling was. Ik kan me voorstellen dat hij het dier geknuffeld heeft… het was immers zijn ongedachte reddingsmiddel voor Izak!
Wat opvalt is de gedetailleerde beschrijving van de toestand, waarin hij de ram vond. Een ram, met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Als je gaat kijken wat die woorden betekenen, dan kun je 'verwarde struiken' vrij vertalen met 'gevlochten takken' en 'hoornen' kun je ook vertalen met 'stralen' of 'stralenkrans' die zich rond het hoofd van een heilige bevinden. Als het ware doemt het beeld van Jezus op, de Heilige met de gevlochten takken met doorns op Zijn hoofd. Zou hierin een heenwijzing naar die bewuste doornenkroon zitten? Opmerkelijk is het in ieder geval dat de details zo aan ons worden vermeld.

De plaatsvervanging

Ook is het wonderlijk, hoe die ram door de struiken werd klemgezet. Het heeft iets 'onvrijwilligs'. Ook deze ram was geen afdoend offer. Wel voor het moment, maar niet volkomen. God had toch net zo goed die ram kalm wachtend naast het altaar kunnen zetten? Die struiken, verwarde struiken, hebben daarom wel wat meer te zeggen, vermoed ik.
Maar… het allermeest springt in het oog dat deze ram voor dit moment plaatsvervangend is voor Izak. Ik lees in deze momenten niets over schaamte bij Abraham. Ook niets van deemoed of ootmoed. Eigenlijk lezen we alleen iets van Gods gedachten over Abrahams offer. Alles in ogenschouw nemend, zou je toch wel net zoveel schaamte verwachten, als Petrus toonde daar aan de Zee van Tiberias: "HEERE, Gij weet alle dingen… Gij weet dat ik U liefheb." Abraham zwijgt echter en handelt.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik, kijkend naar deze scene, plaatsvervangende schaamte ervaar. Als ik daar had moeten staan, zou ik het wel zover gehaald hebben, helemaal tot bovenop die berg? En als ik er had gestaan, vanwege welke schadepost tussen God en mijn ziel zou het dan geweest zijn, waarom Hij dit offer van mij zou vragen? En zou Zijn oordeel over mijn offer ook zo onomwonden positief hebben geklonken? Er doemt het beeld van tegengestelde plaatsvervangende schaamte op. Ik kan niet in de schaduw van Abraham staan.
Maar … die ram kan niet in de schaduw van het Lam staan. Het Lam dat nu zit aan 's Vaders rechterhand en tegelijk staat als geslacht. Het Lam regeert en zal Zijn almacht tonen. Daar was deze stoere, sterk gekruld gehoornde ram maar een kreupel paaslammetje bij. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood zou moeten ondergaan. Dat ik dat zo vaak zo onbewogen kan reciteren! Ik moet mij toch wel schamen, niet? Heb jij dat ook?