Posts tonen met het label Vader. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vader. Alle posts tonen

donderdag 1 maart 2018

Het spanningsveld tussen respect en provocatie

De loyale van de royale - V


“Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.
En David scheidde zijn mannen met woorden en liet hun niet toe dat zij opstonden tegen Saul.”
1 Samuël 24 : 6 en 8a


In de vorige Bijbelstudie hoorden we David zingen: “Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid”, nog vóór dat de redding zichtbaar was! Wel, die redding kwám! Vanuit ongedachte hoek. Geen verderfengel van God die het leger van Saul sloeg, of die Saul doodde of ernstig ziek maakte. Saul lijkt vaak op Hitler, die ongedurig was en dán hier, dán daar een offensief begon, wanneer het niet snel genoeg ging. Hij was gemakkelijk af te leiden, als het hem teveel moeite dreigde te kosten.
Een boodschapper slaat alarm: “Haast u en kom, want de ­Filistijnen zijn in het land gevallen” (1 Sam. 23 : 27). Direct laat Saul alles vallen waarmee hij bezig was (het uitkammen van het gebied, waar David zich verborgen hield; hij was hem al héél dicht genaderd, want ze hadden hem reeds omsingeld, zie vers 26!).

Als Saul vertrokken is naar het Filistijnse offensiefgebied, trekt David met zijn leger verder naar het oosten, naar Engédi, tegen de Dode Zee aan. Maar let op: ook die troepenbeweging wordt direct gerapporteerd aan Saul. En zodra hij die Filistijnen weer in hun hok heeft teruggejaagd, jakkert hij terug naar de wildernis bij de Dode Zee.

Nu neemt hij ‘uitgelezen’ mannen mee. Zijn elitetroepen. Hoewel dit er zo’n 3.000 zijn, is het niet zeker of Jonathan hier bij is. Toch denk ik dat hij er bij zal zijn geweest. Om twee redenen. Ten eerste kennen we Jonathan als een expert in het beklimmen van rotsen (samen met zijn wapendrager). Ten tweede zal hij zijn uiterste best hebben gedaan om argumenten te geven voor zijn deelname aan deze operatie. Zo kan hij de troepenbeweging ietwat beïnvloeden.
Ik moest denken aan het onverklaarbaar onopgeloste recherche-werk naar de Bende van Nijvel. Waarom verliep het onderzoek zo raar en is de bende zelfs na dertig jaar nog niet opgerold? Omdat er zich figuren bij bevonden die diep waren geïnfiltreerd bij de politie en zelfs een vinger in de pap hadden bij het politieonderzoek naar de bende!
Nu is Jonathan geen crimineel, maar hij gebruikt wel deze tactiek, waarbij hij de mogelijkheid optimaal kan benutten om deze actie te doen mislukken. Maar… voor Saul zal zijn klim-capaciteit een doorslaggevend argument zijn geweest.

Er is nóg een reden, waarom ik aanneem dat Jonathan hierbij zal zijn geweest. Jonathan krijgt namelijk van David, zonder dat die het zich bewust zal zijn geweest, een stimulerend voorbeeld van loyaliteit aan de verdorven, maar gezalfde koning.
Ook Saul is blijkbaar goed in staat te klimmen, maar ik kan het beeld niet van mijn netvlies krijgen dat hij vooral een voorhoede voor zich wil blijven houden. Te meer is het opvallend dat hij zich terugtrekt in een spelonk om ‘zijn voeten te bedekken’ of ‘zijn gemak te nemen’, ofwel ‘naar het secreet (toilet) te gaan’. We lezen niet dat de spelonk onder controle is na een grondige inspectie. Nota bene ín het gebied waar hij David vermoed, volgens de boodschap van een verrader, gaat hij zomaar een spelonk in.
Misschien verwachtte hij een felle aanval van David in plaats van een defensieve, terugtrekkende manoeuvre; maar de vorige acties van David hadden hem toch wel wijzer moeten maken?
Bij zijn grote boodschap heeft Saul niemand nodig. Zijn elitekorps zal bij de ingang van de spelonk zijn blijven staan, in afwachting van een offensief van Davids krijgers. Maar let op wat er ‘onzichtbaar’ in de spelonk gebeurt!

De mannen bij David houden elkaar vast. Ze zien de gewraakte koning de spelonk binnenkomen en staan op scherp. De spanning is te snijden. Omdat hún ogen wel aan het donker gewend zijn, zien zij juist goed wat er gebeurt. Saul hurkt in het schemer, met zijn rug naar hen toe. De mannen stoten David aan en fluisteren bijna onhoorbaar: “Kijk nou toch! Dit is de dag waarop de HEERE tot u zegt: Let op, Ik geef u uw vijand in handen en u mag met hem doen wat u wilt!”
Wat een verleiding is dat voor David! De mannen wrijven in hun handen als ze David als een kat naar Saul zien sluipen. Bijna waren ze al overeind gesprongen, in de verwachting dat het hoofd van Saul over de spelonkvloer zou rollen, zoals jaren geleden het hoofd van Goliath werd afgehakt. Maar er wordt geen hoofd afgehakt, enkel wordt een stuk uit de mantel van Saul geknipt. Een herkenbaar stuk, dat wel!

Maar moet je lezen wat er met David gebeurt als hij deze ­provocerende daad verricht: “Davids hart sloeg hem, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.” Kan dat wel, provoceren? Past zo’n daad van lef wel in de context van de dienst aan de HEERE? David kruipt met bonzend hart weer terug naar zijn mannen en Saul veegt zijn achterste af, trekt zijn jas weer recht, om zich bij zijn mannen te voegen en verder te trekken in het rotsgebied.

Zijn mannen vinden het maar onzin en ze mokken. Ja, ze klonten samen om hun ongenoegen te uiten over Davids zwakheid. Maar die is resoluut en jaagt zijn mannen uit elkaar: “Aan me nooit niet dat ik mijn vingers brandt aan de gezalfde van God!” David heeft blijkbaar meer discipline bij zijn mannen ingescherpt dan Saul, want ze gehoorzamen hem met eerbied en respect. Ze volgens hem naar buiten, het pad op achter Saul. En daar krijgen zowel zij als Saul en Jonathan een les.

David roept Saul na. De Bijbel zegt er verder niets over, maar ik had toch wel willen voelen wat Davids hart doet; willen zien hoe David zijn woorden kiest… hoeveel adrenaline er door zijn lichaam giert, als hij roept: “Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie dat er in mijn hand geen kwaad noch overtreding is en ik tegen u niet gezondigd heb. Nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.”

Hij zegt ‘vader’, lees schoonvader. Daarmee treft hij Saul op een zwak punt en brengt hij Jonathan in één klap bij de les die hij wil leren: immers Jonathan en zijn broers zijn de echte zonen van Saul! Maar wat zal de uitdrukking in de ogen van David zijn geweest toen hij Saul die afgesneden lap liet zien? Probeer je dat eens in te denken. Zou daar geen spoortje van ironie in hebben gezeten? En wat dacht je van die woorden ‘geen kwade bedoelingen bij mij’, ‘ik zondig niet tegen u’ en dat ‘en toch jaagt u op mij als op een prooi!’ Hij zet zichzelf haast weg als een heilige en laat Saul de conclusie trekken dat die wel een super ontaard demoon moet zijn, zonder enige vorm van rechtvaardigheid.
Mocht je dat niet met me eens zijn, omdat het je beeld van David zou aantasten, dan moet je even doorlezen naar vers 15: “Beste Saul, wie jaag je na? Een dooie hond? Of een klein vlooitje?” Wij zouden dat een brutale opmerking vinden. Provocerend, niet? Goliath zei nog: “Hé, ben ik een hond, dat je met een stok naar me toekomt?” Maar David zegt: “Doe geen moeite, koning, ik ben maar een dode hond!” Onthoudt die opmerking, want de zoon van Jonathan zal die later herhalen, maar dan minder cynisch.

Is dat nou een respectvolle vorm van discussiëren, zoals wij dat graag zien in de 21e eeuw? David let op je woorden. Ook al zeg je: “Koning doe toch niet zoveel moeite om mij te vangen. Het is het allemaal niet waard!” Eigenlijk bedoel je: “Stop maar, want God is met mij; tegen Hem moet je het altijd afleggen!” Is dit soort aanvallende conversatie misschien wel juist veel passender bij christenen van nu?

donderdag 15 februari 2018

Loyaal zijn terwijl je vader jou openlijk afvalt

De loyale van de royale - I

Toen zeide Saul tot zijn knechten die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden en oversten van honderden stellen? Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt en niemand voor mijn oor ­openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart. Want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.
1 Samuël 22 : 7-8


De volgende keer dat we Jonathans naam in de Bijbel tegenkomen is pas in hoofdstuk 23. Maar… dan hebben we over één aspect heen gelezen! De tekst van vandaag zet ons stil bij een ingrijpend moment.

In hoofdstuk 21 zien we David wegvluchten nadat zowel Samuël als Jonathan hem niet meer kunnen beschermen. Op zich zou je hem vogelvrij kunnen noemen, maar al snel blijkt dat hij niet alleen over de wereld trekt. Aanvankelijk zijn er slechts een paar jongens bij hem, maar later is hij aanvoerder van een fikse bende van circa 400 man!

De eerste plek die hij bezoekt is Nob, waar op dat moment de tabernakel met de ark staat. David gaat hier de fout in door Achimélech te bedriegen. Dat is natuurlijk uit zelfbescherming, maar dit zal uitlopen op een bloedbad! Terwijl David staat te smoezen met de priester, is daar een man die in de tabernakel komt offeren: Doëg. David lijkt hem niet te hebben herkend (vers 22 echter laat zien dat David het probleem Doëg tóch al voorzag), maar Doëg heeft David wél herkend! Als David, na wat juridisch heen en weer gepraat met de priester, vertrekt met de toonbroden (en Jezus zal daar later nog iets over zeggen!) en het gigantische zwaard van Goliath is hij zich niet bewust van de sporen die hij daar heeft achtergelaten.

Vervolgens zoekt David zijn heil bij Achis, nota bene in Gath, de stad van Goliath. Zie je hem lopen met dat kapitale zwaard van de overwonnen reus? “Hé kijk, daar heb je de moordenaar van broer Goliath,” stoot een inwoner van Gath zijn buurman aan. “Is hij het echt?” “Zeker weten! Weet je nog van dat liedje?” Hij neuriet de wijs van het deuntje dat de meisjes in Israël al dansend op straat zongen: “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?”
Aan het hof komen er een paar klagen bij koning Achis. Ze hebben David écht wel herkend. Moet je horen wat ze zeggen: “Is deze niet David, de koning des lands?” (vers 11). Zouden ze bedoelen ‘de schoonzoon van de koning’, zoals de Kanttekeningen ons willen laten geloven of zou het gerucht toch ook al hier zijn aangekomen dat David de gezalfde opvolger van Saul is?
We kennen de ellendige situatie waarin David hier terechtkwam: dat hij zich als een bezetene aanstelde en zo ontkwam uit deze stad. Maar fraai is het allemaal niet. Een kat in het nauw… En toch dichtte hij ook psalm 34 bijvoorbeeld: “Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech (dat is de koningstitel; hij heette Achis), die hem wegjoeg, dat hij doorging.” Merkwaardig!

Toen vertrok hij (hoofdstuk 22) naar de spelonk van Adullam. Geen paleis, geen beschutting in barakken, maar een kille spelonk in de bush-bush! En let dan op wat er gebeurt: zijn broers hoorden dat hij daar was en ook zijn vader en moeder, ja de hele huishouding uit Bethlehem pakt zijn en haar biezen en vertrekt naar Adullam, ongeveer halverwege tussen Bethlehem en Gath. Je snapt dat die hun conclusie hebben getrokken over hun veiligheid, nu Saul driftig op zoek is naar David. Dan is ook de familie van David niet meer veilig! En kort daarop: “En tot hem vergaderden alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.” Denk je eens in wat dat allemaal betekent daar in die wildernis: ­logistiek (het verplaatsen en huisvesten van deze grote groep) en het voorzien van eten, drinken en kleding! Kort is David met deze groep nog in Moab geweest. In de Kanttekeningen wordt gewezen naar connecties die er wellicht nog zijn geweest met familie van Davids overgrootmoeder Ruth. Maar de profeet Gad stuurt David weer terug.

En die hele troepenverplaatsing komt ook Saul (en Jonathan) in losse brokken en onvolledig (want pas na deze verzen legt Doëg een ontbrekend stukje in Sauls puzzel) ter ore. En dan komen we bij de tekst van vandaag. Eerst had Saul via zijn spionnen of verkenners gehoord dat David herkend was in Gath. Later zullen hem ook andere tipgevers hebben verteld over de tocht naar Moab en de terugkeer in Juda. Saul zit op de uitkijk op een heuvel bij Gibea. De bekende speer heeft hij in zijn hand. En het is precies op dit moment dat Saul zijn trawanten een voor een aankijkt, met de speer op de grond tikkend om de spanning wat op te voeren: “Luister, mannen van Benjamin! Denken jullie soms dat die zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden zal geven? Denken jullie soms dat hij van jullie allemaal aanvoerders in zijn leger zal maken? Waarom anders zijn jullie allemaal tegen mij? Het is een samenzwering! Waarom heeft niemand mij gezegd dat mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isaï? Niemand van jullie trekt zich iets van mij aan! Niemand van jullie waarschuwt mij dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgestookt. Hij loert op een kans om mij te doden!”

Dictators denken super achterdochtig in complotten. Daarin maken ze meer dan eens fouten, maar door angst in te boezemen houden ze het zinkend schip nog een tijdje varend. Het verwijt knalt door de lucht als een zweep: “Mijn zoon (hij noemt de naam van Jonathan niet eens!) verraadt mij en spant samen met ‘mijn dienaar’ (David).” Als ik mij niet vergis staat Jonathan hier gewoon bij, al staat dat hier niet. Hoe dan ook: deze woorden zijn hem binnen 24 uur ter ore gekomen. En hij vlucht niet. Hij blijft in de nabijheid van zijn vader. Opnieuw verwonderen we ons over Jonathans gedrag. Hij blijft trouw aan zijn vader en laat aan niets merken dat hij Davids kant kiest. Is dat halfslachtig? Had hij misschien nog diepweg een hoopje dat het toch allemaal nog goed zou komen met Saul?
Nee, hij bleef loyaal aan de royale, de gezalfde koning. En… David bleef dat ook. “Den ko-ho-ho-honing van Hispanje heb ik altijd geëerd!”, zong Willem de Zwijger. Zo iets moet het zijn geweest. Hier wordt het spanningsveld zichtbaar tussen meedeinen en verzet. Op het scherpst van de snede tussen lange- en kortetermijnvisie.

David heeft gekozen voor de afstand, omdat hij in levensgevaar verkeerde. Dat begrijpen we allemaal. Maar Jonathan, zoveel wordt nu wel duidelijk, staat er niet heel veel beter voor! Hij daarentegen blijft op zijn post en blijft loyaal. Hij blijft niet om zoveel mogelijk verzet te plegen en te saboteren. Nee hij blijft zelfs, waar mogelijk, meewerken. Is hij een soort Nicodémus? Een soort Jozef van Arimathéa? Ik hef de spanning niet op door de vragen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Denk er maar eens over na… misschien helpen deze twee paradoxale keuzes je wel om Gods weg te gaan.

dinsdag 12 december 2017

Sauls eerste offer en zijn ­bereidheid tot een mensenoffer

De zoon van de boerenkoning - XV


Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost,
al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.
En niemand uit het ganse volk antwoordde hem.
1 Samuël 14 : 39


Er wordt een grote slag geslagen onder de Filistijnen. En je zou denken: de HEERE is met Israël, dus wat kan er fout gaan? Als het volk de overwinning ruikt en de buit ziet, kunnen ze niet meer. Ze vreten zich gek aan het eten dat zomaar voor het grijpen ligt en staat. Ze slachten in het wilde weg en eten het vlees van de dieren halfgaar, terwijl het bloed er nog in zit; omdat ze zich geen tijd gunnen het vlees fatsoenlijk te koken of te braden. Dat was verboden!
Terecht grijpt Saul in als er iemand komt klikken: “Zie, het volk verzondigt zich aan den HEERE, etende met het bloed.” Dat verzondigen zit hem dus in het eten van bloed. Puur de wetsregel. Er wordt niet gesproken over het hart van het volk! Saul vermaant het volk met forse woorden, alsof hij zelf zo’n heilige was. Weliswaar geeft hij het goede voorbeeld nu. En zie daar… hij loopt verder het vrome pad op: hij gaat een altaar bouwen en laat een dankoffer brengen aan de HEERE. Heel sinister staat daar dat zinnetje bij: “Dat was het eerste altaar dat hij den HEERE bouwde.” Hij was al enige tijd koning, en dit was nog maar het eerste altaar dat hij voor God bouwde. Dat heeft ons iets te zeggen. Wanneer roepen wij de HEERE aan, als we een moeilijke klus moeten doen? Wanneer we verantwoordelijkheden moeten dragen die al gauw onze draagkracht te boven gaan?! Komt het er überhaupt wel van? Of moet de HEERE ‘hopen’ op een goede afloop, waarna Hij nog even snel de dank krijgt toegespeeld?

Maar dan gaat het mis. Saul wil weer aan de slag (letterlijk: de slag tegen de Filistijnen). Het is al iemand die zijn eten op heeft; hij heeft ervoor gebeden, alvorens het naar binnen te werken. Maar als hij de laatste kruimels uit zijn baard veegt, staat hij op om aan het werk te gaan. De hogepriester voelt zich gepasseerd en roept: “Laten we eerst nog tot God in het gebed gaan.” Je kunt wel denken dat je aan de slag moet, maar wat wil de HEERE? Nou, die vraag wil Saul dan nog wel stellen, voor de vorm. Wat is er tegen een beetje vroomheid? Dat ligt altijd al gevoelig bij het verbondsvolk. God een beetje te vriend ­houden; je kunt niet weten… Baat het niet dan schaadt het zeker niet.
Maar als Saul, via de door God aangegeven middelen, een antwoord van God vraagt, blijft het stil. En let erop dat dat telkens een waanzinnigheid bij Saul teweeg brengt. Kijk maar, later, in 1 Sam. 28:6!
Als God Zich niet laat commanderen, is Saul uitzinnig van woede en angst. Want ja, daarmee verlies je je gezicht voor de mensen (en daar is hij o zo gevoelig voor!).

Saul heeft haarfijn in de gaten dat er iets aan de hand is. Er moet iets gebeurd zijn, waarover God vertoornd is geweest. En let er maar op, dit soort mensen gaat altijd aan het spitten bij anderen: “Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt en ziet waarin deze zonde heden geschied zij.” Er klinken forse woorden uit Sauls mond als hij zijn volk voor zich ziet. Hij spaart niemand, al zou het zijn zoon Jonathan zijn: “Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.” Vermoedde hij al iets? Was hij gebelgd over het succes van zijn zoon, terwijl hijzelf niets voor elkaar kreeg? Merkte hij een soortgelijke jaloezie als ook Kaïn in zich bemerkte jegens Abel? Dat zou best eens kunnen.

Wrevel is een venijnig gif. Als dingen niet lukken in de gemeente of in een persoonlijk leven, en bij andere (gemeenten) lukt dat wel, dan is wrevel een groot gevaar. Als mensen een bepaalde positie in de gemeente hebben, maar anderen worden meer gevraagd om hun mening dan zij… Als ideeën worden doorgedrukt, maar tegen­argumenten blijven venijnig overeind staan… Als bepaalde zonden en ­houdingen worden aangewezen, maar ambtsdragers kijken weg… Als predikanten worden aangesproken op onvoorzichtige en vooral ondoordachte, zogenaamd geestelijke termologiën en ideeën… De lange tenen van de godsdienst, waar het echte leven uit is; ja, waar het nooit in heeft gezeten. Geen hervorming of reformatie; geen bekering maar een doldriest doordraven op een doodlopende weg. Als je dit soort dingen ­signaleert, is het ­oppassen geblazen!

Saul deinst er niet voor terug om zijn zoon te doden, als die de zonde zou hebben begaan, waardoor Saul geen contact met God kan maken. We zien hier iets transparant worden van Christus die de dood in ging voor vijanden van Hem en van Zijn Vader; zondaren die geen contact meer konden krijgen met Zijn Vader. Niet uit eigen belang, maar omdat Hij Zijn volk – in tegenstelling tot koning Saul – zo intens en welmenend liefheeft. Daar gaan we in het volgende hoofdstuk nog wat dieper op in.
Grote tegenstelling vormt het volk, waarover we in de dagtekst lezen: “niemand uit het ganse volk antwoordde hem.” Niemand verraadt Jonathan. Geen “Kruisigt Hem!” Geen “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” Nee, ze nemen Jonathan als het ware in bescherming tegen zijn vader! Daar schuilt deels angst voor Saul achter, maar zeker ook eerbied voor die oprechte en dappere zoon van de boerenkoning.

zondag 12 november 2017

Handelen uit angst brengt ­levensgrote schade


De zoon van de boerenkoning - VII


Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid. Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.
1 Samuël 13 : 13-14


We hebben nu al zes hoofdstukken stilgestaan bij deze geschiedenis, maar … waar is God? Jonathan komt eigenlijk maar spaarzaam om de hoek kijken, maar waar is God Zelf? Wel, dat vroeg Saul zich ook af. Ik vraag me nog steeds af hoe die band tussen Jonathan en zijn vader moet zijn geweest… Die moet toch iets bij zijn vader gemist hebben?

Het eerste dat Saul zich afvroeg was: Waar blijft Samuël?! Het is al de zevende dag en hij is er nog niet. Uit angst is hij zelf maar aan de slag gegaan en heeft laten offeren op eigen bevel. Uit angst. Saul zegt er zelf over: “Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.”
Hoe groot huichelaar kun je zijn. Hij zegt gewenste en braaf-klinkende dingen, maar het snijdt geen hout. Samuël noemt het zot!

De afspraak om in Gilgal samen te komen en zeven dagen op Gods boodschap te wachten (want het was niet alleen een offerfeest) was dus een heilige opdracht. Het lijkt er toch sterk op dat dit een afspraak van God met Saul was, dat zodra er nood was, hij naar Gilgal zou gaan en zou wachten op Samuël, die het Woord van de HEERE zou spreken. De gang naar Gilgal was voor Sauls reputatie dus eigenlijk een afgang, want hij kwam er zelf niet uit. Je mag het dus best een dapper besluit vinden dat hij naar Gilgal ging. Je mag hem ook nog wel prijzen omdat hij wilde wachten. Maar zijn geduld werd op de proef gesteld, mede door de weglopende manschappen.
Waar lag Sauls vertrouwen? Bij het volk of bij de HEERE? Wat het offeren essentieel of een ritueel voor hem? Hij maakte de dienst aan de HEERE tot een toverdienst. Met God aan je kant kon je de Filistijnen overwinnen. Waar heb ik dat eerder gehoord? Het moet Samuël nog helder in zijn herinnering liggen, toen hij nog maar een paar jaar in Silo was, gebeurde er ook zo iets: de zonen van Eli hadden zomaar de ark meegenomen. Dat betekende ook dat zij het Heilige der Heilige hadden ontheiligd. Maar … God was al vertrokken! De houten kist met bladgoud bood geen soulaas! Samuël moet verdriet van die twee zonen van Eli hebben gehad. Maar nu zit hij in dezelfde situatie: ook zijn zonen blijken onbetrouwbare jongens! Het is niet voor niets dat het volk een koning wilde. Dit heeft Samuël ook ­persoonlijk geraakt.

Waar was God in dit alles? Wel, hier was het Woord van de HEERE door de mond van Zijn knecht Samuël en het loog er niet om. Let er even op dat ook Jonathan hier bij stond, waarschijnlijk! Zijn vader werk koning en hij werd kroonprins, maar wel omdat een ander aan de kant werd geschoven: Samuël en zijn zonen. De plek die vader Saul innam, behoorde eigenlijk… eigenlijk aan God Zelf toe!
En wat zegt Samuël daar over Jonathans vader? “Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk…”
Dit raakte ook Jonathan persoonlijk. Zijn vader werd aan de kant geschoven door God, nota bene! Maar dat had ook consequenties voor hemzelf! Deze testcase had het koninkrijk bij Saul kunnen ­bestendigen, maar Saul is gezakt voor zijn geestelijk examen. Hij handelde uit vrees… omdat hij zijn betrouwen stelde op de macht van het getal, van zijn volk. Hij steunde op zijn elite-korps en niet op de HEERE. En dat had direct gevolgen voor Jonathan.

Samuël zien we vanaf de vorige hoofdstukken in een wat nurkse houding zakken. Hij lijkt een zuurpruim te worden die in hoofdstuk 12 toonde hij nog eenmaal dat de HEERE hem direct verhoorde door die donder en regen te geven. Daarmee was het bijgelovige volk direct weer onder zijn ‘macht’. We zien telkens een machtsstrijd tussen de staatkundige macht en de geestelijke macht. Dat moet ergens tussen Saul en Samuël ook hebben gespeeld, lijkt het haast. Bij het vertrek, aan het einde van hoofdstuk 12, drukt Samuël het volk en de koning nog eenmaal op het hart: “Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.” Het lijkt haast dat hij de afloop al weet. En hier in hoofdstuk 13 blijkt hij gelijk te krijgen!

De Bijbel zwijgt over Jonathan in dit deel van de geschiedenis, maar dit moet er diep bij hem hebben ingehakt. Er zal iemand de plek van zijn vader gaan innemen, die God Zelf ‘een man naar Mijn hart’ noemt. Ik kan me voorstellen dat Jonathan ook nieuwsgierig is ­geworden hoe zo’n persoon eruit zou zien. Ook zijn eigen plek zal dus worden ingenomen door ‘een man naar Gods hart’. Wat zal het worden? Een rivaal of een geloofsgenoot? De hemel houdt haar adem in bij de reactie die Jonathan zal geven. Maar het duurt even voor de aarde die verneemt. De strijd tegen de Filistijnen wacht eerst nog!

donderdag 9 november 2017

Alles voor de eer van je vader

De zoon van de boerenkoning - IV

Doch Jónathan sloeg de bezetting der Filistijnen die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreeën horen. Toen hoorde het ganse Israël zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul naar Gilgal.
1 Samuël 13 : 3-4


Er komen in deze twee verzen drie negatieve karaktertrekken boven: de houding van Saul, de houding van het volk en de houding van de Filistijnen. Vers 3 begint met een stoere mededeling dat Jonathan de bezetting door de Filistijnen verslaat. Nou, er staat ‘sloeg’ dus dat is nog niet persé ‘versloeg’. Je zou het kunnen zien als het peuren in een mieren- of (erger nog) wespennest! Je weet dat ze furieus zullen reageren als je dat doet. Dus… wat ga je doen, als we woest zoemend op je af stormen? Daar moet je vooraf over nadenken! Zou Jonathan dat hebben gedaan? En waar heeft hij strategisch leren denken?

De zoon van de boer, is nu de zoon van de koning! En hij blijkt al direct een aanvoerder van de elite-troepen van zijn vader te zijn. Ook over Saul kun je zo je vragen hebben: waar heeft hij zijn opleiding om te regeren en legers aan te voeren genoten? Waar heeft hij geleerd, wat voordien God Zelf deed: Zijn volk de overwinning geven? Want, ja, Saul moet nu op gaan knappen wat het volk niet meer overlaat aan de HEERE: veiligheid bieden aan de stammen Israëls en weerstand bieden tegen de vijanden rondom. Israël zonder God is ten dode opgeschreven! Dus er rust nogal een taak op Saul. En daarmee is ook Jonathan in een gevaarlijke positie gekomen.
We lezen niet dat Jonathan de HEERE gebeden heeft, voordat hij de strijd begon, maar met enige voorzichtigheid mag je daar wel vanuit gaan.

Geba… het is niet hetzelfde als Gibea, al betekent dat woord eveneens ‘heuvel’. Het ligt zo’n 5 kilometer van Gibea, de woonplaats van Saul en zijn familie. En vlakbij Michmas, waar Saul zich ophoudt, blijkens het vorige vers. Het hoofdstuk begint rommelig. Je moet even doorlezen om te ontdekken dat er dus oorlog is. Of moeten we het duiden als een guerilla-strijd. Korte, felle invallen, om angst in te boezemen bij Israël. Beloerden de Filistijnen het leger van Saul, en kwam Jonathan hen op het spoor en viel hij ze van achteren aan, om daarmee zijn vader te helpen. Het blijft erg onduidelijk wat er nu precies gebeurt.

Feit is dat Jonathan met zijn duizend strijders de Filistijnen – net als dat wespennest – venijnig peurt en een gevoelige slag toebrengt. Het woord ‘slaan’ kan dus wel ‘verwoesten’ betekenen, maar dat blijkt het vanuit het vervolg niet te zijn geweest. Het woord is ook te ­vertalen door ‘verwonden’, ‘getroffen worden’, ‘een slag krijgen’ of gewoon ‘aangevallen worden’. Jonathan heeft een gevoelige klap toegebracht aan de Filistijnen en nu zijn ze razend.
Deze klap is echter geen impuls voor overwinningsgezang en het ontketenen van een verpletterende overwinningsstrijd, maar het lijkt erop dat Saul zich is naar geschrokken. Hij is meer de man van de complottheoriën. Hij blaast zich krankzinnig op zijn bazuin om contact te leggen met het leger én het volk. Hij voorziet dat de Filistijnen in blinde razernij als een ongeleid projectiel tekeer zullen gaan in de omgeving. Geen enkele lof voor Jonathan of voor de HEERE. Want, ga er maar vanuit de Jonathan de Filistijnen een gevoelige klap heeft gegeven. Hij moet iets in zijn genen hebben van zijn dappere opa Kis.
Jonathan heeft ‘slechts’ duizend man bij zich. Maar het is juist Saul, met zijn tweeduizend strijders, die een boodschap rondbazuint aan de Hebreeën (let op die aartsvaderlijke benaming van het volk Israël!). En die boodschap wordt mondeling overgebracht, zó dat Jonathans naam geheel verdwijnt. Dit is het uiteindelijke verhaal: Saul heeft de Filistijnen geslagen…

En ook uit het vervolg van de boodschap wordt duidelijk dat Saul niet zijn verantwoordelijkheid neemt, maar paniekvoetbal pleegt: “Israël is stinkend geworden bij de Filistijnen”. Wat betekent dat? Dat ze zich gehaat hebben gemaakt bij de Filistijnen. Je zou zeggen: dat is toch mooi? Laat Saul nu eens de Filistijnen angst in boezemen! Maar als hij dat zou rondbazuinen, dan zouden in korte tijd de echte details helder worden: Jonathan heeft de Filistijnen een gevoelige klap ­toegebracht. Het is voor de koning, Saul, een vernedering dat niet hij maar zijn zoon de overwinning heeft behaald (of althans de effectieve strategische actie heeft ondernomen, onafhankelijk van zijn vader)! Die Filistijnen zouden dan, zo moet Saul hebben gedacht, kunnen denken dat de koning niet zoveel voorstelt, maar dat je zijn zoon in de gaten moet blijven houden. En voor je het weet schaart het volk – dat zich van een angsthazerige kant laat zien in deze geschiedenis – zich opeens achter Jonathan. Daarom wekt Saul paniek. En uit het vervolg zat dit nog meer gaan blijken!
Het feit dat Saul zo op zijn bazuin blaast en het volk wakker schudt (eigenlijk ‘te hulp roept’) laat zien dat Saul eigenlijk geen strijd durft te voeren, waarvan hij onzeker is over de afloop. Hij lost dit ‘probleem’ (het is maar de vraag of dit echt een probleem was, of dat Saul met diezelfde knikkende knieën hier staat als toen hij tot koning werd gekozen) niet zelf of; hij komt zijn zoon in nood niet te hulp, maar hij probeert het anderen op te laten lossen.

Ten slotte laten de Filistijnen zich kennen als onberekenbaar, als door een wesp gestoken. Het is maar zeer de vraag of Jonathan echt niet wist hoe hij nu verder moest handelen. Het vermoeden bestaat dat hij strategisch heel goed wist wat hij deed. Later zullen we hem zelfs een actie zien ondernemen met enkel zijn wapendrager bij hem. Dan brengen ze de Filistijnen opnieuw een gevoelige klap toe.

Echter… het komt niet zover dat Jonathan kan laten zien wat hij waard is, al heeft hij alles gedaan voor de eer (en de veiligheid) van zijn vader! De paniek slaat toe en het volk slaat op de vlucht. Zouden ze hebben gemerkt dat dit een strijd zonder God in de spits was? Wat had ik graag de gedachten van Jonathan gelezen. Wat had ik graag gezien en gelezen dat hij daar midden op die heuvel op zijn knieën viel en zijn handen ophief naar de hemel, in een roep om de Verlosser! Ik lees het niet, maar houd het toch voor mogelijk. Die heuvel en de Verlosser hebben altijd wel iets met elkaar gehad! Later zou de ­Verlosser de stilte zoeken en zich terugtrekken op de heuvel om Zijn Vader te zoeken in het gebed. En Jonathans latere hartsvriend zou eenzelfde houding kennen…
Om nog even terug te komen op die Verlosser: Die heeft echt alles gedaan voor de eer van Zijn Vader!

woensdag 11 oktober 2017

“Wees blij, want Ik ga naar Mijn Vader!”

“…Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.”
Johannes 14 : 28b
 
De zekerheid van Christus’ opstanding gaf Hij vooraf Zelf!

Ik moet toch nog even terugkomen bij het vers van afgelopen keer! Dat komt door de opmerking die in de Kanttekeningen bij de StatenVertaling wordt gegeven. Die gaat in op dat “indien gij Mij liefhadt…” Er zit – misschien nog wel in meerdere mate voor ons dan voor de verwarde discipelen – een kritische ondertoon in Jezus’ woorden. Wij mensen kunnen zo met onszelf en onze situatie bezig zijn, dat we de hoofdlijn uit het oog verliezen. Vandaar dat ik er nog even op terugkom.

Waar gaat het over? Er zit een toon in Jezus' woorden ‘indien bij Mijn liefhadt’, die bij me is blijven hangen. Vanwaar dat ‘verwijt’, terwijl de discipelen zo in verwarring waren? Waar is Jezus' erbarmen? Zeker, Hij staat vlak voor Zijn grote lijden en heeft naar de mens gesproken ‘genoeg’ aan Zichzelf. Maar Hij is ook God. En juist deze woorden spreekt Hij naar Zijn godheid! Waarom dat verwijt?

Een terecht verwijt

Moet je horen wat ik in de Kanttekeningen las bij die woorden ‘Mijn Vader is meerder dan Ik’: “Namelijk in majesteit of heerlijkheid dan Ik ben in dezen staat Mijner vernedering. En daarom behoort gij u te verblijden, dat Ik heenga om het gebruik derzelver heerlijkheid weder aan te nemen, die Ik bij Hem gehad heb eer de wereld was, dewijl hetzelve ook tot uw zaligheid zal strekken, Joh. 17:5, 24.”
“Met dat ‘uit het lood zijn vanwege het naderend afscheid’, focus je teveel op jezelf. Je zou daarentegen niet jezelf moeten liefhebben (en je bezorgd maken over je eigen leven), maar blij moeten zijn met Mijn aanstaande verhoging! Het draait niet om jou/jullie, maar om Mij, Jezus, en om Mijn Vader! Ik ga iets doen, dat geen mens had kunnen bedenken, laat staan uitvoeren. En… daarna ga ik terug naar Mijn Vader. Ik weet al precies wat er komen gaat. Dat zal Me een gebeurtenis zijn, als Ik terug kom in de hemel, Mijn Thuis! Dan zal de hemel daveren op haar grondvesten. En… de hel zal barsten van venijn en afgrijzen. Mijn gerucht zal al voor Mij uitgaan. Vanaf de heuvel Golgotha zal Ik “Het is volbracht!” uitschallen en Mijn stem zal verder reiken dan welke stem op aarde ook, tot in de hemelse gewesten. Dus wees blij met Mij, want er gloort hoop als ik spreek over ‘Ik ga heen tot Mijn Vader’. Als Ik dat zo zeker kan zeggen, dan hoeft er bij jullie geen twijfel meer te zijn. Ik ga Mijn heerlijkheid tegemoet!”
Jezus spreekt over de heerlijkheid die Hij bij de Vader had, voordat Hij naar de aarde kwam. Maar eigenlijk – het kan in zekere zin niet – zal deze aanstaande heerlijkheid nog veel heerlijker zijn! Dit zal een heerlijkheid zijn waarin Vader en Zoon nagenieten van de grote lakmoesproef van Hun Beider liefde. Ze hebben de wereld, ja zelfs de hel, laten zien hoe onafscheidelijk ze van Elkaar zijn en hoe intens verbonden in liefde. Dat moet me een vreugdegeschal hebben gegeven, op Goede Vrijdag… maar meer nog bij Jezus terugkeer in de hemel! “Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen…”

Een troostvol verwijt

Soms heb je iemand nodig die je aandacht gevangen neemt en je de dingen vanuit een andere hoek laat bekijken. Je staart naar een probleem, bekijkt het voor jouw idee van alle kanten, maar je komt er niet uit. Of je vormt je mening over een kwestie, zet de voors en tegens op een rij en raakt overtuigd van je conclusie. Totdat iemand je opeens vanuit een totaal ongedachte hoek laat kijken, waardoor je conclusies, meningen, standpunten onderuit gehaald lijken. Of, in het eerste geval, het probleem is kleiner dan je dacht, of zelfs helemaal oplosbaar!
In het geval van de ontroering van de discipelen is dat laatste het geval. Jezus had al eerder gezegd: “Uw hart worde niet ontroerd”, maar de beargumentering in de tekst van vandaag, is nóg sterker, overtuigender. Ik ga naar Mijn Vader! Dat had bij de discipelen de schellen van de ogen moeten doen vallen. Jezus sprak enerzijds over heengaan, sterven en gedood worden; over verraad en ergernissen. Maar onomwonden spreekt Hij hier over de weg ‘na de dood’. “Ik ga naar Mijn Vader!” Er ligt grote troost in dit liefdevolle verwijt. Het tipje van de sluier vertoont goud. Maar het lijkt wel of Jezus onmachtig is Zijn jongeren voldoende te troosten. Is dan alles voor niets? Verzwaart dat het lijden nog eens extra voor Hem?
In de volgende tekst zullen we zien dat Jezus dit onderwijs en deze troost 'op voorhand' geeft. Hij zet het alvast in de gedachten/herinnering van Zijn jongeren. Zij zullen zich die dingen opeens gaan herinneren, wanneer de een na de andere voorzegging in vervulling zal gaan. Het effect van troost en vreugde zal dan dubbel zo groot zijn. Inderdaad, daar kunnen ze op dit moment nog niets van bevroeden. Ze staren zich blind op een betonnen muur van verdriet en afscheid. En vlak het niet uit! Het was heftig en het zou nog wel even heftig blijven. Maar daarna…! Daarna zal Hij naar Zijn Vader gaan. Hij, het Hoofd van Zijn Kerk, zal veilig Boven aankomen! Hoeveel te zekerder zal de rest van Zijn lichaam daar aankomen. “Ik ga naar Mijn Vader!” Je leest er zomaar overheen, maar wát een troost, hoe heerlijk blinkt Jezus’ macht en majesteit. En hoe zeer wordt God de Vader in de Zoon verheerlijkt. Als een trotse peuter die groot opgeeft over zijn aardse vader. Ja, veel meer nog dan dat!

donderdag 5 oktober 2017

Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn?

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam,
Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb.”

Johannes 14 : 26
Als gouden de portalen zijn… (Foto: Golden Hall, Stockholm)

Na lange tijd van veel schrijfwerk eindelijk weer ruimte om de bijbelstudieserie te vervolgen. De preek van afgelopen zondag intensiveerde enorm het nadenken over Christus’ hemelvaart: een preek van ds. D.J. Diepenbroek over HC Zondag 18. Maar liefst vier vragen over Hemelvaart, tegenover 1 vraag over Pasen. Dat geeft te denken. Het is vandaag de dag vaak wel andersom.
Maar… hemelvaart staat niet op zichzelf. Daarom spreek Jezus altijd over Zijn hemelvaart, in het licht van Pinksteren en de Wederkomst. De kwestie die ook de opstellers van de Heidelbergse Catechismus heeft aangezet tot het stellen van vier vragen is: waar is Jezus na Pasen? En waar is Hij na Hemelvaart? En waar is Hij na Pinksteren? Wij mensen denken in vormen van ‘plaats’, ‘zijn’ en ‘tijd’. Je bent óf hier óf daar, gisteren of vandaag of straks, maar niet alles tegelijk.
Jezus is naar Zijn menselijke natuur niet meer op aarde, maar zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Dat levert direct veel vragen op voor ons menselijke, beperkte, verstand. Dat gold niet minder voor de discipelen die nóg minder wisten dan wij. Als Jezus in de hemel is, sinds Zijn hemelvaart, dan is Hij toch niet meer hier bij ons op aarde? Hoe kon Hij dan zeggen dat Hij hen niet ging verlaten en dat Hij altijd bij hen bleef? Nog óp de hemelvaartsdag onderstreept Hij dat: “Zie, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld!” Een paar tellen later zagen zij Hem naar de hemel gaan. Wat bleef er nog over van dat woord van Jezus?

Menselijke oplossing

Wij mensen hebben iets gevonden om dat enigszins te begrijpen. Wij zijn op den duur gaan spreken over Jezus’ menselijke natuur en Zijn goddelijke natuur. Die termen waren vóór Jezus’ komst niet bekend. En hoewel dat dus nieuwe aanduidingen waren, ben ik ervan overtuigd dat ze volkomen juist zijn. God geeft ons woorden, om dingen die boven onze macht gaan, uit te drukken. Maar omdat het menselijke woorden voor een goddelijk mysterie zijn, kunnen ze vervelende vragen oproepen, die lastig te beantwoorden zijn. Gelijkenissen en menselijke uiteenzettingen over Gods werk gaan altijd ergens mank. Maar dat moet ons niet weerhouden om bepaalde woorden en uitdrukkingen toch te handhaven.
Zo zullen de eerste tien dagen na de hemelvaart ongetwijfeld zijn gevuld met interpretaties van Jezus’ laatste woorden. Die 120 mensen daar in de opperzaal in Jeruzalem hebben met elkaar gebeden. Jazeker. Maar hoe kun je dingen in je gebed goed verwoorden, zonder er goed over na te denken en met elkaar over te praten? En Jezus' woorden roepen enorm veel gedachten en gevoelens op. Dus er zal ook veel gesprek met elkaar zijn geweest. “Wat wil toch dit zijn?” of “Wat bedoelde Jezus eigenlijk, toen Hij zei…?”. Al die dingen zijn stukje bij beetje op hun plek gaan vallen, vanaf de uitstorting van de Heilige Geest. Hoe kwam dat? Hadden ze nu alles opeens op een rijtje?

Goddelijke oplossing

Wat de discipelen niet wisten was dat Jezus naar de hemel opvoer en de troonzaal van Zijn Vader is binnengegaan met Zijn offer. Hoewel de Vader Zijn goedkeuring aan dat offer al had gegeven op de eerste Paasdag (door Zijn Zoon op te wekken uit de dood), zag de Vader Hem al van verre aankomen. Hij snelde Zijn troon af en liep Zijn Zoon tegemoet. Hij viel Hem om de hals en kuste Hem. De Vader riep tot Zijn dienaren: “Brengt hier voor het beste kleed en doet het Hem aan en geeft Hem een ring aan zijn hand en schoenen aan de voeten en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze Mijn Zoon was dood, en is weder levend geworden; Hij is om de overtredingen van de gevallen mens verwond, om hun ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die hen de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is hen genezing geworden!" En zij begonnen vrolijk te zijn.
Van dat wat er zich in de hemel heeft afgespeeld, hebben de apostelen af en toe flarden mogen zien. In pure aanbidding en verwondering hebben Paulus, Petrus en Johannes dingen opgeschreven die ons verstand ver te boven gaan. Hoe hebben ze dat toch gekund?

Bovenmenselijk preken

Door wat Jezus in de dagtekst vertelde: “De Heilige Geest zal Mijn Vader naar jullie sturen, namens Mij. Die zal exact doen, wat Ik deed; Hij zal jullie niets nieuws vertellen, maar gaan uitleggen wat Ik jullie deze afgelopen jaren heb verteld. Hij zal – met eerbied – jullie notitieblok zijn, waarop al Mijn woorden staan geschreven. Jullie zijn ze misschien allang vergeten, maar let op als Hij aan het werk gaat! Dan brengt Hij jullie die woorden weer te binnen en zullen de stukjes op hun plaats vallen. Dat heb je nodig, als je anderen over Mij zult willen vertellen. Je zult je op misschien 1 of 2 preken kunnen voorbereiden, maar je zult nooit alles kunnen onthouden en in het juiste perspectief zien. Hij zal het voor je op een rijtje zetten en als je dát gaat ontdekken, zul je kunnen preken met een vrijheid die ongekend is. Je zult dingen kunnen verwoorden, die het menselijk bevattingsvermogen zullen oprekken tot ongekende hoogte. En dat alles zal nog maar een tipje van de sluier zijn. Straks, als jullie voor eeuwig bij Mij zijn, zul je alles gaan begrijpen. En je zult nog dieper zien hoe wijs Mijn Vader is in alles wat Hij deed en doet. Hoe diep Zijn zorg voor jullie en alle mensen is en hoe rijk Zijn toekomst, die Hij heeft uitgedacht.”

Predikers zijn levenslang op school. Ze hebben het uit de eerste hand. Maar als je als gemeentelid wordt meegenomen in een preek, zoals afgelopen zondag over hemelvaart, dan heb je dingen meegemaakt, die zich na afloop maar amper laten vertalen in woorden. Misschien mag je het noemen dat je bent opgetrokken in de derde hemel en het leven van elke dag hebt gezien vanuit Gods oogopslag. Je ziet nog maar de contouren van waar Hij mee bezig is. Maar je proeft al bij benadering hoe het gaat worden. Het tipje van de sluier! Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn?

vrijdag 1 september 2017

Begreep Jezus de vraag van Judas eigenlijk wel?

“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.”
Johannes 14 : 23
 
Hoogsensitieve en hoogbegaafde mensen hebben oog voor detail, vragen door, denken zwart/wit en leggen de lat hoog; waarschijnlijk was Judas de Goede zo iemand en hadden hij een Johannes een bijzondere geloofs-click

Die Judas! Stelt hij een vraag en krijgt hij eigenlijk hetzelfde te horen, als Jezus net vóór die vraag al heeft gezegd. Soms krijg je een antwoord op een vraag, of een voorstel dat op een bepaalde manier is verwoord, waarbij je je afvraagt: “Heb je m’n vraag wel begrepen?” En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat bij Jezus’ antwoorden heel vaak heb: is dit nu het antwoord op de vraag die is gesteld? De invalshoek die Jezus bij Zijn antwoorden kiest, is zeker niet een voor de hand liggende!
Bij een normaal mens zou ik hebben gezegd: “Hebben we het wel over hetzelfde?” of “Je snapt mijn vraag niet.” Maar bij Jezus ga ik toch maar eens goed kijken wát Hij zegt. Want het kan niet zo zijn dat Hij mijn (of Judas’) vraag niet heeft begrepen. Zijn antwoorden zijn niet onze (verwachtte) antwoorden. Daarom ga ik dit antwoord leggen naast vers 21, waar Jezus ogenschijnlijk dezelfde dingen zegt. En we gaan kijken wat dit antwoord Judas – én de discipelen alsmede ons – leert.

Goed luisteren

Allereerst moet ik zeggen dat Judas voor mijn gevoel de enige is die goed heeft geluisterd. Hij ziet al luisterend de verbanden, de lijnen in Jezus’ verhaal. Zijn vraag is dus opgekomen uit een lijn die hij ontdekte, maar niet geheel begreep. Je wordt door het woord ‘openbaren’ misschien op een verkeerd been gezet (als zou Judas een vraag stellen over Jezus’ woorden in vers 21), maar Judas grijpt eigenlijk terug op wat Jezus al een zin of vijf eerder zei. Kijk maar, we luisteren naar Jezus’ woorden vanaf vers 15:
"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven. In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”

Judas luisterde scherp en legde de verbinding tussen het ‘openbaren’ en ‘de wereld kent Mij niet’. Hij voelde de spanning in het ‘de wereld zal Mij niet meer zien, maar gij zult Mij zien’. Hij voelde aan dat er een scheiding gaat komen tussen hen en de wereld. Maar wat hield dat precies in en hoe zou dat dan gaan? Er op de achtergrond van Judas’ vraag vermoed ik zelfs die woorden van Jezus, nog een zin eerder: dat “de Wereld de Heilige Geest níet kan ontvangen” maar dat Hij in Zijn jongeren wél blijft wonen. Dat was voor hem iets wonderlijks. Iedereen kon Jezus toch zien? Gaat er nu dus een scheiding plaatsvinden in een ‘andere dimensie’?
Eerder al had Jezus zo’n zelfde soort scheiding gemaakt, tussen de wereld en de discipelen, toen Hij besloot voortaan in gelijkenissen te spreken en het enkel in de intieme kring van de discipelen toe te lichten. Maar als Jezus nu dus zegt weg te gaan, hoe gaat Hij die exclusieve uitleg dan realiseren? Snap je dat Judas hier iets heel duidelijk ‘aanvoelt’, maar de praktische invulling daarvan nog niet bevat. Luisterde iedereen maar zo scherp. Dan zouden veel preken een beter resultaat in de gemeente hebben. En … zaten maar meer preken zo in elkaar, als Jezus’ preken, dan zouden er misschien ook wel meer goede Judassen in de gemeente opstaan, die vragen stellen over dingen die ze aanvoelen, vermoeden, maar nog niet geheel doorgronden. Die begerig zijn in te zien in de geheimen van God, net als de engelen! Die bidden met de dichter van Psalm 119: “maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere", en “Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen” en “O HEERE! … maak mij verstandig naar Uw woord”. Dan zit je toch op het puntje van je stoel, bij zo’n preek? Dan kun je het toch niet hebben dat mensen slapen tijdens de dienst of direct na de dienst beginnen over het weer of over die of die? Dan kun je het ook niet hebben, als predikanten een preek maken van opgestapelde waarheden, zonder dat daar werkelijk leven in zit!

Tweemaal hetzelfde?

Nu naar die twee ogenschijnlijk dezelfde teksten:
Vers 21: “Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”Vers 23: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.”

Zelf vind ik vers 23 een stuk duidelijker, ook naar alle remonstrantse denkers toe, dan vers 21. Want in vers 23 vloeit het bewaren van Gods Woord voort uit het liefhebben van God Zelf. In beide gevallen wordt de link dus gelegd tussen liefhebben en bewaren. En dat woord ‘bewaren’ is een nogal omstreden begrip.
Het woord kun je uitleggen vanuit de grondtekst als het ‘bewaken’ van een gevangene, of ‘conserveren’ van een kostbaar object. Dan zijn we vooral bezig met het afschermen van dat te beschermen object! Gods Woord wordt dan iets dat streng bewaakt moet worden, afgeschermd met allerlei regeltjes die als een hermetische kluisdeur moeten fungeren.
Je kunt het ook vertalen met ‘reserveren’. Dan loop je het gevaar anderen buiten te sluiten en je reserveert, conserveert of exclusiviseert het zelfs voor een bepaald publiek, waardoor het wel een heel bezitterig gebeuren wordt. Gods Woord wordt dan exclusief voor intimi.
Echter, je kunt het ook opvatten als ‘onderhouden’, dus in de praktijk brengen en er serieus én actief mee omgaan. Wel, het lijkt me duidelijk dat Jezus de liefde tot Hem graag geassocieerd wil zien met het ‘tot uitvoering brengen’ en ‘koesteren’ ja, zelfs ‘liefhebben’ van Zijn geboden, Zijn Woord. Daar heb je smaak in, als je tenminste van Hem houdt! Liefde tot Hem is dus ook liefde tot wat bij Hem vandaan komt: Zijn Woord.

Het verschil in de bovengenoemde twee teksten zit hem vooral in het einde van de teksten: "Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.” en “Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.” Er zit dus een link tussen ‘openbaren’ en ‘woning maken’. In vers 21 sprak Jezus nog over dat Hij Zichzelf ging openbaren, maar in vers 23 doen én de Vader én de Zoon (en eigenlijk ook, het hele Bijbelgedeelte bijeenhoudend, de Heilige Geest) iets. Ze gaan ‘woning maken’ bij of in die persoon die Hem liefheeft. Dat is, volgens Strong, metaforisch gesproken over de Drieënige God, “Die een enorm gezegende invloed uitoefent op de zielen van de gelovigen”. Woningmaken, residentie oprichten, een woonplaats creëren, heeft ook iets ‘blijvends’. In het Oude Testament zou dat denk ik zijn omschreven als ‘tabernakelen’, blijven wonen. Hoe heerlijk is dat, dat God in je blijft wonen (en dat de Heilige Geest in je blijft wonen, vers 16 en 17); dat is een voorproefje van de hemel, zoals Psalm 5 dat bezingt:
’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Vraag en antwoord?

Is het antwoord van Jezus dus een antwoord op Judas’ vraag? Wel, we hebben gezien dat Judas’ vraag niet in eerste instantie opkwam uit Jezus’ laatste woorden in vers 22, maar op de dingen die Hij al eerder heeft gezegd. Er is dus geloof en liefde voor nodig om die inwoning van Jezus in je hart te ontvangen. De wereld, heeft die niet, want ze kunnen ten diepste met die inwoning ook niet uit de voeten. Als God in je hart woont, moet alles eruit. Wil je niet alles eruit gooien, dan is er ook geen ruimte voor Hem.
Maar Judas wijst op nóg iets: dat heel specifieke ‘jullie wel’ maar ‘de wereld niet’! In de komende verzen gaat Jezus daar dieper op in en ja, Judas krijgt een prachtig antwoord op zijn vraag. Zal Judas het begrepen hebben? De Bijbel zwijgt erover.

Het is opmerkelijk dat we Johannes zo expliciet een denker en gevoelsmens noemen en over Judas meestal zwijgen. Ik wil toch graag dit scheefgetrokken beeld rechttrekken en Judas een scherpe luisteraar, hoogsensitief en misschien wel hoogbegaafd, noemen. En Johannes heeft dit wel opgeschreven, maar op dat moment toch net even iets minder door gehad. Ik denk wel dat deze twee ‘hoogbegaafden’ een click met elkaar hebben gehad; dat zie je vaker. Zet twee hoogbegaafden in een grote groep en ze vinden elkaar, vaak zonder veel woorden…
God verbindt harten door Zijn liefde aan Zichzelf en hij verbindt ook harten onderling aan elkaar. Harten die elkaar aanvoelen, elkaar opscherpen, dezelfde soort vragen stellen en dezelfde verrukking, beleving en sensitiviteit kennen met betrekking tot de HEERE en Zijn Woord. Noem het ‘gemeenschap der heiligen’ in een misschien voor de grote massa te kleine, te enge, context. Ik denk dat God daar anders tegenaan kijkt. Die ‘buitenbeentjes’ worden vaak gillend gek in de grote massa van een gemeente, maar blijven er toch bij gehouden door dat gouden gevoelsdraadje dat hen met die ander(en) verbindt. Je zou willen dat de grote massa dat ook zag, begreep en koesterde.

vrijdag 14 juli 2017

Voortschrijdend inzicht

"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden"
Johannes 14 : 15



Gods geboden zijn nu niet bepaald populair. Omdat ze te vaak worden geassocieerd met een gebonden, saai en wettisch leven. Maar bij God werkt dat niet zo! Dat is een leerproces. Wij moeten niet afgaan op de klank en ons zondige gevoel bij het woord 'gebod', 'wet' of 'bevel'. Geloven is toch niets anders dan dat je God de volledige heerschappij over je leven laat hebben? Dat is niet wat ons van nature in de genen zit, maar dat is wel zoals God het bedoelde bij de schepping.

Die opdrachten, geboden, van God waren in het Paradijs ook al aanwezig. Alleen… de mens zocht er niet direct iets achter zocht. Achterdocht was hem wezensvreemd. Als God iets zei tegen Adam (en later ook tegen Eva), dan wist Adam: het is zeer goed! Hij kwam er ook al vrij snel achter dat God inderdaad gelijk had. Elke keer werd weer bevestigd: mijn Schepper heeft het goede met me voor en wat Hij zegt, is echt het allerbeste. Al moet ik ook zeggen dat de mens 'minder best' of 'slecht' nog niet kende vóór de zondeval. Nooit was er een teleurstelling. Nooit een 'beter alternatief'. Sterker nog: in de staat van de vrede met God bestonden er geen alternatieven. Laat staan betere alternatieven.

Alternatief na het Paradijs

Maar opeens lag de wereld aan onze voeten, hoewel de hemel een eeuwigheid was verwijderd. We hadden aternatieven te over, keuzes zonder God. Maar in plaats dat dat een gevoel van vrijheid gaf, leverde dat een gevoel van angst op. Het gevoel dat je, wat je ook kiest, zonder Gods zegen doet. Toch kan ik je zeggen dat dat snel wende. Kaïn was er snel aan gewend dat hij buiten Gods zegen leefde. Hij bouwde zijn eigen stad Nimrod en hij joeg zichzelf een geweldadige weg bij God vandaan.
Zet een kind in een enorm grote speelgoedwinkel, a la ToysRUs, en het verzuipt in keuzes. Als ouders dan alleen maar zeggen: nou, kies maar, wordt dat kind gek van alle mogelijkheden die er zijn. Dat is nog een leuke variant op het leven dat er ontstond na het Paradijs. Ga op een flat van 20 verdiepingen staan en haal het hekje weg op de rand van het gebouw… je zult angst ervaren ervan af te vallen!
Om toch even bij die Kaïn te blijven: hij kon niet overweg met die keuzevrijheid en liep in zijn eigen onverschrokkenheid vast, toen hij zag dat God telkens andere keuzes maakte dan hij. Het begon hem mateloos te irriteren en er ontstond een hartstochtelijke hunker om die God het zwijgen op te leggen. Abel conformeerde zich meer aan Gods richtlijnen en hij ervoer een grootse vrijheid, omdat hij op de goedkeuring van Zijn hemelse Vader kon rekenen. Blijkbaar zijn Gods geboden een prima alternatief, een perfect begaanbare weg, na het verloren Paradijs. Waarom?

Liefde tot Gods geboden

Onlangs stond er Verslag van een Ontmoetingsdag in het RD met de titel 'Het houden van de wet is het elfde gebod'. Dat is een titel die je wenkbrauwen doet fronsen, nietwaar? Daarin werd ingezoomd op de eerste Johannesbrief, waarin liefde gekoppeld is met het houden van Gods geboden. Er is dus een directe relatie tussen de geboden van God en de liefde tot God. Dat hoort bij elkaar. Voordat iemand denkt dat ik doorgezakt word, geen paniek! Want hier wordt iets aangesneden dat ik al zo vaak heb gezegd. Zich rechts noemende mensen denken nogal eens in wetticisme, een soort 'Gods geboden houden om God gunstig te stemmen'. Maar dat is je reinste afgoderij.
In het artikel werd ingegaan op de tekst uit 1 Johannes 3 : 23a "En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus.” Dat soort 'wetticisme' vind ik geweldig. Die opdracht, dat gebod, maakt je werkzaam voor Gods aangezicht. Het is een gebod dat je niet zelf kunt realiseren. Daar heb je Jezus bij nodig. Dat verbindt met Hem en Hij verbindt Zich aan jou. En let op, dan ontstaat er iets wederkerigs. Dan krijg je er zin in om te doen wat Hij graag ziet. Omdat je weet dat het Hem plezier doet.

Gisteren zagen we dat, als we bidden met het doel dat Zijn Vader verheerlijkt wordt, we zullen ontvangen wat we vragen. Een kast vol beloften die echt verzilverbaar zijn! Vandaag wijst Jezus erop hoe wij onze liefde tot Hem tot uitdrukking kunnen brengen: houdt Mijn geboden. Je laat er naar anderen toe mee zien dat die geboden waardevol, ja kostbaar, voor je zijn en geeft zo aan dat Hij alles voor je is. Je laat er naar Hem toe mee zien dat Zijn geboden liefde tot Hem opwekken. Je eert Jezus en daarmee dus Zijn en jouw Vader. Zie je: weer die verbondenheid tussen Jezus en de Vader, Die met jou een drievoudig snoer willen vormen. Zo kijk je heel anders tegen Gods geboden aan. Ze raken niet je uiterlijke leven, maar je hart en liefde! En ze zijn onlosmakelijk verbonden met Gods hart. Als je dat gaat zien, kun je echt spreken van voortschrijdend inzicht!

vrijdag 16 juni 2017

Ik zocht naar mijn paard en ik zat erop

"Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.
Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus?
Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?"
Johannes 14 : 8-9

Polemieken moeten er in de kerk zijn; ze houden haar wakker en scherp. De sfeer van lievigheid onder het mom van 'de ander uitnemender achten dan jezelf' dekt die waarheid niet. Dat gaat totaal ergens anders over. Het juiste begrijpen van Gods Woord roept verzet op. Let maar op: wanneer je een gemeentelid (geen goddeloze heiden, maar een vrome heiden dus) vraagt waarom hij of zij nog steeds zegt geen kind van God te zijn, dan komt er een krampachtig verzet met citaten uit Gods Woord of (en dat vaker) uit oudvaders.
De wereld zal vandaag de dag meestal reageren met "mooi dat jij dat gelooft; ik heb er niks aan"; de godsdienstige wereld (even verloren als die andere) reageert: "Ja, maar er staat toch ook" of "Dat gaat zomaar niet" of "Het moet je gegeven worden! Je kunt jezelf toch niet bekeren?" of "Je dwingt me haast te gaan geloven; zo werkt dat niet!". Linksom of rechtsom is de oproep tot geloof in de Heere Jezus Christus machtsverlies voor jezelf. Je blijkt dan niet zondaar in het grote geheel te zijn, maar voor eigen rekening te liggen, buiten God! En dat wil zelfs de extreemste ultra-calvinist niet accepteren; die wil alles dogmatisch en theologisch zo muurvast praten dat God uiteindelijk de schuld krijgt van zijn of haar eigen onbekeerlijkheid.
De vraag is: is Filippus ook zo'n degelijke prater? Ik neem je ook mee naar de Joden die met Jezus in discussie gingen in Johannes 10; want dat heeft er alles mee te maken!

Een prachtige belijdenis

Laten we voor alles vaststellen dat Filippus' belijdenis een geweldig mooie is! Puur en gepassioneerd. Je zou toch wensen dat alle gemeendeleden deze belijdenis voortdurend op de lippen hebben? "Toon ons de Vader en het is ons genoeg!" Want laten we wel zijn, het gaat ten diepste niet om Jezus, maar om Zijn Vader. De Heilige Geest voert naar Christus, maar Christus voert naar de Vader toe. Als er al onderscheid is in de Heilige Drieëenheid, dan is het zo dat de Vader regeert en Zijn eer is aangetast door onze zonde. Het zicht op de Vader zijn we kwijt, evenals Zijn beeld in ons! En daarom is het verlangen dat Christus ons de Vader laat zien een schitterend verlangen.
Dat zit er niet standaard meer in bij onze geboorte. Dat gaat verder dan van je zondenlast af willen komen (om gered te worden); daar zit namelijk ergens diepweg nog wel een soort eigenbelang in. Nee, je wilt dicht bij de Vader zijn, verlangt naar Hem. Zonder Hem kun je niet meer. Nou, wees eerlijk, er zal er geen een ter wereld zijn die zegt: ja, dat heb ik eigenlijk altijd wel gehad; ik heb dat wel van mijzelf.
Zelf weet ik dat dat verlangen er al heel jong was. Maar dat is wel ergens door opgewekt! De HEERE was al heel vroeg in mijn leven aan het werk (zonder dat je dan een gearriveerd christen wordt; alsjeblieft niet!). Gaandeweg mijn leven hebben mensen, die mijn pad kruisten, daar ook een rol in gespeeld. Je merkt dat je een klik krijgt met mensen die dit verlangen ook kennen. Andere contacten verwateren door de tijd heen, omdat die óf materialistisch gericht waren, óf geesteloos godsdienstig, óf te oppervlakkig (het is wel prima zo… we geloven en onze zonden zijn vergeven… klaar!). Alleen de vriendschappen die wederzijds voedden en opscherpen blijven bestaan. En al die vriendschappen werden op de een of andere manier gekenmerkt door dat verlangen naar de Vader. Het dieper kennen van Hem, Die ons heeft voortgebracht. Maar … niemand heeft ooit God gezien! Hoe zit dat dan?

Een scherp verwijt

Van dat niveau was Filippus. Ik denk dat het een goede vriend van ons zou zijn geweest. Filippus stelt tenminste die vraag, die een uiting is van zijn verlangen. Je gaat toch niet zitten wachten tot je eens verlangend gemaakt wordt? Je bent verlangend of je bent het niet. Ik zie jonge mensen in onze gemeente die uit een heel rechts kerkverband komen, maar die dat verlangen wel kennen; en dat verbindt direct. Je hebt er ook die zeggen: "Ik zou meer van dat verlangen moeten hebben; dus wat ik nu heb is nog niks" of "Had ik maar meer verlangen; ik bid er wel om, maar het komt niet". Dat is een stuk triester en een uitzichtloze soort van denken! Maakt die belijdenis van Filippus niets in je wakker?
Maar de wiskunde van Filippus bevalt Jezus niet. Hij krijgt een scherp verwijt. Filippus vraagt om de Vader te zien, maar Jezus lijkt een raar antwoord te geven: "Nu ben ik al zó lang bij jullie (met alle wonderen en preken van dien) en ken je Me nu nóg niet?!
Blijkbaar zit er dus een directe link tussen Jezus en de Vader. En blijkbaar had Filippus (en de overige discipelen met hem) dat kunnen weten! En blijkbaar is die link ook zó belangrijk, dat Jezus er juist hier zoveel nadruk op legt. Dit is een essentieel facet van het geloof; hier staat of valt enorm veel mee. Hier heb je een dubbel houvast (denk aan de eerdere bijbelstudie over het begin van dit hoofdstuk) en een superbelangrijke dwarsverbinding in het geloof.
Waaruit had Filippus dat kunnen weten? Lees Johannes 10 : 22-39, waar die kerntekst staat "Ik en de Vader zijn één!" Jezus had gesproken over Zijn kudde. Hij sprak die tekst uit die in 1990 mijn belijdenistekst werd: "Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij."
Daar had Jezus een haarfijne scheiding aangebracht tussen Zijn kudde en de vijandige Joden. Eerst door te zeggen dat Zijn schapen de stem van een huurling (doelend op de Joodse leidslieden) niet herkennen en dus ook geen affiniteit met hem hebben. Maar daarna wordt die scheiding nog scherper: "Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb." Welke dominee zou zo preken? Goeiemorgen! Moet je eens luisteren hoe Hij daar preekt! Onze kerk zou toch leeglopen? Nou, Jezus preekt dus wel zo, want Hij kent de harten van de mensen voor Hem; dat is wel een verschil, maar toch… Vandaar ook dat scherpe verwijt, die laatst tik op de wang om ze wakker te schudden.

Een duidelijke constatering

Jezus keert terug naar het sommetje van Filippus. "Toen heb ik je al gezegd dat Ik en de Vader één zijn. Dus als je Mij hebt gezien, heb je ook de Vader gezien; ken je Mij, dan ken je als vanzelf Mijn Vader. Twee druppels water! En de Heilige Geest zal dat straks intensief gaan onderstrepen!" Als vanzelf komt de vraag boven: kun jij het meemaken, wat Jezus hier zegt? Of: wat zou jij van de Vader willen zien, dat je nog niet hebt gezien? Kijk dan eerst eens naar Jezus, of je het misschien niet al lang hebt gezien, maar niet hebt waargenomen.
Jezus zegt ergens anders dat niemand tot de Vader komt dan alleen door Hem! Wil je de Vader kennen, liefhebben en bewonderen, dan heb je écht Jezus nodig. Jezus in de hemel, maar evengoed Zijn aanwezigheid hier op aarde dankzij de Heilige Geest. Zie je de band tussen Woord en Geest? Zie je die twee Gereedschappen van God, waarmee Hij iets moois van je wil maken? Waarmee Hij Zijn beeld weer wil herstellen in jou! Wat vraag je dan nog langer "Toon mij de Vader", als je alles te zien krijgt door Jezus, Gods Zoon? Je hebt alles, met eerbied, binnen handbereik.
Er is een flauwe spreuk die als volgt luidt: "Ik zocht naar mijn paard en ik zat erop!" Nou, zo dus!

Mag je die vraag dan niet meer stellen "Toon ons de Vader"? Nou, in een iets andere toonzetting. Zo: laat me in U blijven groeien, bloeien. Laat me meer van U zien, o Vader. Verbind me meer en meer aan U en verlevendig ons geloof in U. Maak me steeds rijkhalzender naar Uw toekomst en laat me hier op aarde tot aan die tijd zoutend zout en lichtend licht zijn. Weerbaar, polemisch, wakker en waakzaam! Altijd een goed woord van U spreken, enthousiast over Wie U bent en laat me geen enkel vuil woord dulden over U; ook geen vrome karikaturen in de kerk! Want dat is vijandig aan U, Die ons bevattings- en beminningsvermogen te boven gaat! Abba, mijn lieve Vader!

zaterdag 10 juni 2017

De weg geweten hebben en niet bewandeld

"En waar Ik heenga, weet gij, en den weg weet gij.
Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet waar Gij heengaat,
en hoe kunnen wij den weg weten?
Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, cen de Waarheid, den het Leven.
Niemand komt tot den Vader dan door Mij."
Johannes 14 : 4-6

Velen weten de Weg écht niet; maar er zijn er die de Weg wel weten, maar niet willen bewandelen!


Ik kan mij niet voorstellen dat Jezus dit zei en dat de discipelen totaal geen idee hadden waar Hij het over had. In de verwarring van het moment wil ik nog wel aannemen dat die verwarring een soort blackout vormde in hun brein. Maar Jezus is toch niet dubbelzinnig in Zijn uitleg?

Soms is het ook vanwege dat andere beeld dat je bij de werkelijkheid hebt, dat je niet goed begrijpt wat er nu wordt gezegd. Je hoort klanken, maar ze corresponderen niet met jouw plaatje in je hoofd. Hoe nodig is het dat de Geest ons voortdurend wakker houdt in het luisteren, opmerken en bijstellen van ons beeld. Je kunt toch geen dag zonder?

Over de weg weggaan

Het is bijzonder opmerkelijk dat juist hier in dit grote tafelgesprek Jezus met verve en passie spreekt over Zijn Vader. Alles wat Hij gaat doen, doet Hij voor de Vader. En alles wat maar enigszins relevant is voor Zijn jongeren is relevant in perspectief tot Zijn Vader.
Hoewel Jezus hier bedekt spreekt over Zijn hemelvaart, is de eerste fase van 'heengaan' toch Zijn sterven. Heengaan heeft ook een daadwerkelijk en duidelijk doel. Je kunt nergens 'heengaan' als er niet een reisdoel voor ogen staat. De zwerver gaat nergens heen; de wandelaar heeft geen direct doel voor ogen; voor die laatste is de route zelfs belangrijker. Het moet een mooie, kleurrijke en prettige route zijn. Maar het einddoel is in de meeste gevallen gewoon weer het beginpunt: thuis. Christenen wandelen wel (met God) maar zijn ten diepste geen wandelaars. Ze zijn pelgrims, zoekend naar de kortste weg naar Huis. En onderweg zijn ze bezig anderen te vertellen over hun reisdoel: de nabijheid van hun Bruidegom en het huis van hun hemelse Vader.
Dus het heengaan van Jezus kan niet alleen op zijn 'heengaan', Zijn dood, worden betrokken. Dat zou erg kortzichtig zijn. Zijn dood was niet het einddoel, maar de essentiële ticketpost om de 'ingangskaartjes' te verwerven. Als de discipelen de afgelopen drie jaar nog niet hadden begrepen waar het naartoe ging, dan wel uit de voorgaande woorden: "Ik ga heen om u plaats te bereiden."

Naar de bekende weg vragen

De in onze ogen ongelovige Thomas maakt van zijn hart geen moordkuil en uit zich direct: "Geen idee, HEERE, waar U heengaan; laat staan dat wij weten langs welke weg dat moet gaan! Hoe zouden wij dat moeten weten?" Ik vraag me even af of hij ook begrepen heeft dat hijzelf (en de anderen) ook op pad moet gaan om het grote Einddoel te bereiken. Het lijkt er nog op dat Hij slechts informatief vraag naar 'langs welke weg Jezus dan zal heengaan'.
Zonder het goed te beseffen vraagt hij naar de bekende weg. En Jezus laat dat duidelijk merken: "Ik ben de Weg, de Waarheid én het Leven." In onze westerse oren misschien wel een antwoord waar we niks mee kunnen. Het lijkt gewoonweg geen antwoord op de vraag. "Hoe zal dat gaan? Langs welke weg; op welke manier?" "Ik ben de Weg…"
Toch denk ik dat Thomas het beter zal hebben gesnapt dan ik op het eerste gehoor. Jezus sprak over "WAAR Ik heenga…" Jezus had een concreet doel voor ogen. Daar konden zij nooit komen. Zelfs niet, als zij begrepen hadden wát Jezus ging bewerken met Zijn lijden en sterven. De heilsfeiten zijn belangrijk om te weten, maar die kennis van zaken is niet zaligmakend. Weten 'dat Jezus voor de zonden is gestorven' is nog niet hetzelfde als 'zalig worden'. Om daar te komen, waar Hij zal zijn, hebben we een borgsom nodig. Jawel, die gaat Hij betalen tijdens Zijn heengaan, maar het gaat uiteindelijk nog ergens Anders heen: de heerlijkheid van de Vader.

Wat heeft Jezus vaak gesproken over het Koninkrijk der hemelen. Zij dachten aards over dat Koninkrijk, maar uiteindelijk wordt hier een forse streep gehaald door hun bekrompen idee daarover. Zijn realiteit was vele malen hoger dan hun voorstellingsvermogen.

De enige weg bewandelen

Daar ooit komen, moet via een weg; dé Weg! Geen toeleidende weg; dat is een mensenverzinsel, zo niet een gruwelijke afgoderij. Er is geen fase waarin wij ons aannemelijk en acceptabel kunnen maken voor God, waarna Hij dan eindelijk… eindelijk… eindelijk eens een keer naar ons zal willen gaan omzien. Sommigen begraven zichzelf in de hel en spreken uit – hoe walgelijk in Gods oren – dat zij wel verloren willen gaan omdat dat terecht is en recht doet aan het zogenaamde recht Gods. De Bijbel die dat leert is erger dan de Koran.
Anderen poetsen zichzelf op door eerst te werken aan hun heiligheid en uiterlijke godsdienstige gestalte. Ze kiezen eventueel ook nog de meest rechtse kerk(en) omdat die in hun ogen wel het dichts bij de hemel zullen zitten. De Koninklijke weg trekt zich echter niets aan van vroomheid. Hoe donkerder de kleding, hoe afzichtelijker het uiterlijk, hoe langzamer de psalmen gezongen, hoe krommer gelopen, hoe lijziger gepraat, hoe afkeurender over anderen, hoe breedsprakiger over eigen zonde en doemwaardigheid, hoe dieper in de drek… hoe verder van de Weg!
Een katholiek, moslim, Jood of heiden kan eerder zalig worden dan zij. God ziet het hart aan. Niet dat opgefokte hart dat walmt van godsdienstijver. Maar het hart dat aan Jezus' voeten valt en uitgeteld is. Zich vastklampt aan Gods voeten en beloften ook al weet het dat het onverdiend is. Op hoop, tegen hoop… op leven en dood! Als je het met minder (of misschien juist met meer) wilt doen, dan heb je nog nooit begrepen wat de ernst van je verlorenheid is.
Jezus is er altijd transparant en duidelijk over geweest dat het niet in de offers zit (dus ook niet opoffering van je geschapen zelfbeeld)… wij hoeven onszelf niet op het hakblok van God te leggen. Dat hele hakblok is er niet! Wij hebben slechts de enige weg te bewandelen: "Komt tot Mij, allen die vermoeid (van opgedofte godsdienstigheid) zijt…"
Kap nou toch eens met al dat rechtzinnige edoch nutteloze gedoe. Maak je in je wangestalte toch niet tot een hele pief in de godsdienst! Maskers af, kerkverband weg. De radicalen van ISIS zullen je niet het hoofd afhakken omdat je tot het Gekrookte Pand, de GerGem of GGiN behoorde, maar omdat je Christen was. En ik vraag me in alle ernst af hoeveel refo's er staande zullen blijven als de hel van ISIS in Nederland zou uitbarsten. Hoeveel zullen er van onze gezindten worden omgebracht vanwege het onopgeefbare geloof in Jezus? Het is te vrezen dat er heel wat meer evangelischen en baptisten zullen omkomen, die standvastig in hun onopgeeflijke vertrouwen op Jezus volharden.
De boodschap is helder: Je weet de weg… bewandel die dan ook! En je zult het Leven vinden: Zijn nabijheid eindeloos genieten!

maandag 17 april 2017

Plaatsvervangende schaamte

"Toen hief Abraham zijn ogen op en zag om; en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging en nam dien ram en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats."
Genesis 22 : 13



We spreken van 'plaatsvervangende schaamte' wanneer iemand anders zich zou moeten schamen, maar het niet doet. Wij generen ons dan voor zijn of haar gedrag en blozen soms zelfs. Wij schamen ons dan, in plaats van die betreffende persoon. Misschien nog wel het meest omdat die ander blijkbaar niet inziet dat híj of zíj zich had moeten schamen voor wat er gebeurde. Wat een merkwaardige reactie heeft de Schepper in ons innerlijk ingebouwd.

Eigenlijk kun je spreken na de zondeval van 'plaatsvervangende schaamte' bij God de Zoon, bij Jezus Christus, of, zoals Hij Zich in ons tekstgedeelte openbaart, de Engel des HEEREN. Wij mensen zondigden tegen God en braken met Hem in het Paradijs. En het lijkt wel alsof wij ons helemaal niet bewust zijn van de ernst van ons misdrijf! God de Zoon toonde zulk een diepe plaatsvervangende schaamte naar Zijn Vader toe, dat Hij ons de ogen opende met Zijn offer. En juist dit offer wordt al een beetje geschetst in deze geschiedenis. Wat kunnen we ervan ontdekken in dit vers?

De doornenkroon

Door de roep van de engel staakte Abraham zijn offeractiviteit. Of het de schrik is, of wellicht het gevoel van ongeloof "hoor ik het nou goed?", hij draait zich in ieder geval om, om te zien wie er achter hem staat. Waarschijnlijk werd, nog voor hij de engel zag, zijn blik getrokken naar iets dat aan het woelen was in het struikgewas. Gesnuif, gekraak en geschuur… een ram! De Kanttekeningen wijzen erop dat Abraham bijna direct begreep wat de bedoeling was. Ik kan me voorstellen dat hij het dier geknuffeld heeft… het was immers zijn ongedachte reddingsmiddel voor Izak!
Wat opvalt is de gedetailleerde beschrijving van de toestand, waarin hij de ram vond. Een ram, met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Als je gaat kijken wat die woorden betekenen, dan kun je 'verwarde struiken' vrij vertalen met 'gevlochten takken' en 'hoornen' kun je ook vertalen met 'stralen' of 'stralenkrans' die zich rond het hoofd van een heilige bevinden. Als het ware doemt het beeld van Jezus op, de Heilige met de gevlochten takken met doorns op Zijn hoofd. Zou hierin een heenwijzing naar die bewuste doornenkroon zitten? Opmerkelijk is het in ieder geval dat de details zo aan ons worden vermeld.

De plaatsvervanging

Ook is het wonderlijk, hoe die ram door de struiken werd klemgezet. Het heeft iets 'onvrijwilligs'. Ook deze ram was geen afdoend offer. Wel voor het moment, maar niet volkomen. God had toch net zo goed die ram kalm wachtend naast het altaar kunnen zetten? Die struiken, verwarde struiken, hebben daarom wel wat meer te zeggen, vermoed ik.
Maar… het allermeest springt in het oog dat deze ram voor dit moment plaatsvervangend is voor Izak. Ik lees in deze momenten niets over schaamte bij Abraham. Ook niets van deemoed of ootmoed. Eigenlijk lezen we alleen iets van Gods gedachten over Abrahams offer. Alles in ogenschouw nemend, zou je toch wel net zoveel schaamte verwachten, als Petrus toonde daar aan de Zee van Tiberias: "HEERE, Gij weet alle dingen… Gij weet dat ik U liefheb." Abraham zwijgt echter en handelt.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik, kijkend naar deze scene, plaatsvervangende schaamte ervaar. Als ik daar had moeten staan, zou ik het wel zover gehaald hebben, helemaal tot bovenop die berg? En als ik er had gestaan, vanwege welke schadepost tussen God en mijn ziel zou het dan geweest zijn, waarom Hij dit offer van mij zou vragen? En zou Zijn oordeel over mijn offer ook zo onomwonden positief hebben geklonken? Er doemt het beeld van tegengestelde plaatsvervangende schaamte op. Ik kan niet in de schaduw van Abraham staan.
Maar … die ram kan niet in de schaduw van het Lam staan. Het Lam dat nu zit aan 's Vaders rechterhand en tegelijk staat als geslacht. Het Lam regeert en zal Zijn almacht tonen. Daar was deze stoere, sterk gekruld gehoornde ram maar een kreupel paaslammetje bij. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood zou moeten ondergaan. Dat ik dat zo vaak zo onbewogen kan reciteren! Ik moet mij toch wel schamen, niet? Heb jij dat ook?

donderdag 16 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Persoonlijke en gemeenschappelijke beleving

"En Abraham nam het hout des brandoffers en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen tezamen."
Genesis 22 : 6

Terwijl Izak voor zijn vader uitloopt is dat voor vader Abraham natuurlijk des te zwaarder: hij weet wat er gaat gebeuren; Izak nog niet.


Het komt nogal eens voor dat de omgang met de HEERE slechts persoonlijk wordt beleefd en niet gedeeld. We leven in een individualistische tijd van zowel 'het eigen recht' als 'alles voor jezelf houden'. Dat is misschien dan wel je eerste reactie, maar delen is dubbel genieten. En voor wat betreft lijden is delen half lijden.

In de tekst van vandaag zie ik een vader de berg op klimmen, achter zijn zoon aan. Ze spreken niet of nauwelijks met elkaar. Straks zal Izak de stilte verbreken, maar nu is het nog stil. We lezen slechts van daden. Het hout wordt opgestapeld op Izaks schouders. Gekloofd hout, weet je nog wel? De zware bundel brandhout wordt van de ezel afgenomen en met een zucht en een traan legt Abraham het op zijn lieveling. Maar dan… pakt hij het vuur om dat hout straks aan te steken. En verbeten omklemt hij het heft van zijn mes. Een huivering gaat door zijn lichaam.

Legde het op Izak

Die ezel vind ik in deze geschiedenis zo'n bijzonder dier. Ik kan er niets aan doen, maar steeds zie ik het ezeltje uit Bethfagé voor me. Dominee J.J. Poort mediteerde er eens over en een fragment uit die meditatie – die ooit op CD werd uitgegeven – komt bovendrijven: "Ik wou dat ik dat ezeltje was." Herken je dat?
Vandaag lees ik dat het lastdier wordt ontlast. De zware last die het torste wordt van hem afgenomen en… op de zoon gelegd. Niet de ezel wordt geofferd (ik denk trouwens dat dat nooit had gekund; God heeft geen ezels ten offer geboden). Nee, Izak, de lieveling des vaders wordt 'opgezadeld' met dat brandhout. "Hij voor mij…" Zie je de lijn?
En aldoor blijft het stil. Izak moet het gewicht van dit moment hebben gevoeld, want hij is een gevoelsmens. In dit vers zwijgt hij nog, maar de dingen bij elkaar optellend moet hij in dit vers aan het mediteren zijn geslagen: hout, vuur, mes… maar wát gaan we eigenlijk offeren?
Izak was bepaald geen klein kind meer, zoals vaak op schilderijen wordt gesuggereerd. De Kanttekeningen wijzen er ook op dat juist uit het dragen van zo'n zware last blijkt dat hij tussen de 15 en de 25 moet zijn geweest. Izak is geen weerloos kind; ook als hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij zijn volle verstand, dat wat zijn vader deed goed was!

Nam het in zijn hand

Het is bijzonder te zien dat Abraham het vuur en het mes in eigen hand houdt. Je kunt daar allerlei praktische redenen voor bedenken. Izak is nog jong, hij kan prima dat hout sjouwen. Maar niettemin lees ik er ook zorg in. 'Het vuur en het mes'; het zou een prikkelende boektitel kunnen zijn.
Abraham nam het in zijn hand. Wij refo's leren graag dat we tot God moeten komen met lege handen. Hier komt de vader aller gelovigen met het vuur en het mes in zijn hand. Attributen die hij vaker had gehanteerd. Al vaker had hij offers gebracht. Maar nu…
Dat vuur vond ik nogal merkwaardig. Waarom ontsteek je dat al onderaan de berg? Ik neem althans niet aan dat hij het al van huis had meegenomen. Hij zal beneden zijn tondeldoos – of iets dergelijks – hebben gepakt en brandbaar en traagbrandend spul hebben aangestoken. Met dat brandende vuur is hij omhoog geklommen. Ja toch? Of moet ik 'vuur' lezen als 'spullen om vuur mee te ontsteken'? Dat zou wel logischer zijn, maar ik zie het er niet staan.
De betekenis der woorden bekijkend zou je ook 'portie' of 'deel' kunnen lezen voor 'hand'. Dan zou je het zo kunnen lezen dat Abraham het vuur en het mes voor zijn portie/rekening nam. Izak zorgde voor het hout, Abraham voor de rest. Hoe het ook zij, die twee dingen die Abraham dan voor zijn rekening nam, waren ingrijpende zaken. Het vuur om het hout onder zijn kind aan te steken. Het mes om zijn kind van voren (van boven) mee tegemoet te treden. "Het waren mijn zonden die U al die jammeren aandeden!"

Zij beiden gingen tezamen

Samen… dat woord is uiterst actueel. Vandaag likken de verliezers van de Tweedekamerverkiezingen hun wonden en kijken de winnaars wat ze nu werkelijk hebben gewonnen. Hoe 'gewonnen' men ook heeft, men zal het in de nieuwe regering toch samen met anderen moeten gaan doen. 'Samen' is ook niet zo erg hip in refokringen. Het is vooral erg evangelisch, krijg ik weleens de indruk. In degelijke kringen is men vooral introvert geworden. "Vroeger spraken de mensen nog wel samen over Gods wegen met een mensenziel, maar dat kom je niet veel meer tegen", wordt er dan gezegd. Is dat waar? Of wordt er niet meer gesproken, omdat de kritiek op elkaar het geloof heeft verdoofd? Wordt er überhaupt wel meer gedeeld in het huwelijk dan alleen het bed? Waarom kan men lichamelijk wel intiem zijn (ik hoop althans dat dat nog wel het geval is), maar kan dat op geestelijk terrein niet? Vader en zoon gaan "beiden tezamen" lees ik vandaag. Ik had zo gehoopt dat ze ook veel gedeeld hadden en samen eensgeestes aan het klimmen waren, God tegemoet. Het blijft helaas stil. Straks, ja straks zal er gepraat worden. Zeker als ze thuis bij Sara zullen komen; hoewel dat ook nog een dingetje zal zijn geweest!

Het blijft voor mij elke keer weer een merkwaardige zinsconstructie: "beiden tezamen". Een soort dubbelop. Er zit iets onlosmakelijks in dat woordenkoppel. Abraham kon niet zonder Izak gaan en Izak niet zonder zijn vader. Dat brandhout en het vuur hoorden onlosmakelijk bij elkaar; evenals het mes en… het offerdier.
In gedachte – ik las dat daarnet in een meditatie – zie ik een ander Offerlam gaan. Het lijkt erop dat Hij alleen gaat naar de offerplaats. Ook op een berg: Golgotha. Maar ging Hij werkelijk alleen of gingen die Beiden ook tezamen? En wie was die ander/Ander dan? Je zou kunnen denken aan Simon van Cyrene. Maar nee; ik moet ook hier de Vader en de Zoon Beiden tezamen zien gaan. De Zoon als Offerlam (het laatste en het beste!) met het hout op zijn rug. De Vader met het vuur van Zijn toorn en het mes van Zijn eens rechtvaardig gesproken Woord: de ziel die zondigt zal sterven!
De Zoon ging niet als een weerloze, maar bij Zijn volle verstand; ook als Hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij Zijn volle verstand, dat wat Zijn Vader deed goed was!

donderdag 12 november 2015

Jezus houdt het gesprek gaande

Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de Jacobsbron, 1890, Henryk Siemiradzki (1843-1902),
olieverf op doek; bevindt zich thans in The Lvov Picture Gallery in Lvov (Oekraïne)


"Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet,
en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken,
zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben."
Johannes 4 : 10

Nadat Jezus om drinken had gevraagd, had de vrouw verbaasd en zelfs een beetje cynisch gereageerd. "Hoe bestaat het dat U aan mij vraagt om drinken! U bent een Joodse man en ik een Samaritaanse vrouw! Wees eerlijk, groter verschil en onmogelijkheid bestaat er niet." Ze had Jezus bepaald ongelovig en misschien wel wat spottend aangekeken. Een Jood die dorst heeft… Het machtsevenwicht was geheel aan haar kant. Met haar stadsgenoten had ze misschien niet zoveel op, maar deze Jood mocht voor haar part verdrogen. Wat er ook door haar hart had gespookt aan kwade gevoelens en gedachten, toch houdt Jezus uiterst vriendelijk het gesprek gaande. En, o, wat zal ze daar later diep dankbaar voor zijn geweest; ja, ik geloof dat ze er vandaag de dag in de hemel nog niet over uit kan en God groot om maakt! Wij ook?

Jezus verheerlijkt Zijn Vader

Als er al sprake van machtsevenwicht was, dan maken de komende woorden duidelijk dat dat evenwicht geheel aan Jezus' kant was. Zijn vriendelijke stem heeft een natuurlijk en vanzelfsprekend gezag: "Je hebt half niet door wat hier op dit moment gebeurt! Het ontbreekt je aan twee stukken kennis. Allereerst ken je Gods gave niet. Ten tweede ken je de Persoon voor je niet! Want als dat wel het geval zou zijn geweest, had je totaal anders gereageerd. Dan had je daar niet recht overeind gestaan met je kruik in je handen, maar dan was je op de grond gevallen, aan Mijn voeten en had je Mij gevraagd om de Heilige Geest!"
Allereerst letten we op het feit dat Jezus alle eer aan Zijn Vader geeft. Dat Jezus hier zit, is te danken aan Zijn Vader. Dat Hij überhaupt naar deze plek is gekomen, is te danken aan Zijn Vader. Dat Jezus tenslotte specifiek naar deze vrouw op zoek is gegaan én haar heeft gevonden, ook dat is geheel aan Zijn Vader te danken. Hij profileert Zichzelf dan ook niet als de Messias of het Licht der wereld, maar als 'de Gave Gods'.
Die term komt niet zoveel in de Bijbel voor. In Prediker 3 gaat het eigenlijk om het goed dat God je in het leven geeft. Geniet ervan tot Zijn eer. In het Nieuwe Testament gebruikt Petrus deze term in Handelingen 8, wanneer hij Simon de Tovenaar vervloekt, die dacht dat hij de gave van God (de krachten die Petrus kon doen door de Heilige Geest) wel met geld kon kopen. En ook Paulus doelt op bijzondere gaven van de Heilige Geest, die Timotheüs had gekregen – zo lezen we in 2 Tim. 1 – door de oplegging van Paulus' handen.
Maar hier gebruikt Jezus deze term voor Zichzelf. In de Kanttekeningen staat over 'Gave Gods': "Dat ben Ik, Die door God aan de mensen ben gegeven tot Zaligmaker". Verwezen wordt daar naar Romeinen 8 : 32 waar staat: "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" Paulus beschrijft Christus daar eigenlijk als dubbele Gave, want met Hem krijgen wij nog meer van de Vader. Je snapt wel dat Jezus niets liever doet dan juist op deze punten Zijn Vader grotelijks te verheerlijken. Voel je met Hem mee?

Jezus vestigt de aandacht op Zichzelf

Maar je proeft in de tekst van vandaag toch ook dat Jezus de aandacht op Zichzelf vestigt. Niet om Zelf alle eer te ontvangen, maar simpelweg omdat deze vrouw (en jij en ik eveneens) Hem nodig heeft om ooit met God de Vader in het reine te kunnen komen! Het kan niet buiten Jezus om; daarom!
"Als je zou weten Wie Hij is Die met je spreekt en jou om drinken vraagt, dan…"
Als iemand dat tot je zegt, moeten als het ware de alarmbellen gaan rinkelen. Ik heb blijkbaar iets niet door en de Persoon tegenover mij probeert mij indirect wakker te schudden. Als we naar deze vrouw kijken, lijkt het erop dat ze maar moeilijk wakker kan worden. Hoewel Jezus de aandacht op Zichzelf vestigt gaat het goed beschouwd toch ook om de vrouw; om haar zaligheid en de verwakkering van haar ziel.
Hoe zou ze daar later op hebben teruggekeken? Zou ze de vraag van Jezus ook steeds merkwaardiger zijn gaan vinden? En tegelijk de waarachtigheid van Zijn woorden zijn gaan beseffen?
Je zult toch maar zo'n wonderlijke ontmoeting hebben gehad! Dan heb je wat te vertellen op geestelijk gebied. Zou het? Zou je er iets mee worden? Zou je er 'het échte kind van God' mee uithangen? Zou ze…
Zou ze nog in Samaria hebben gewoond, toen enkele jaren later Filippus daar begon te preken? En een tijd later, toen er vluchtelingen uit Jeruzalem aankwamen, omdat ze op de vlucht waren voor Paulus? Zou Christus ook aan deze vrouw hebben gedacht, Zijn eerste getuige in Samaria, toen Hij zo nadrukkelijk aan Zijn discipelen vertelde: "Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde" (Handelingen 1 : 8). In ieder geval toonde Hij Zijn discipelen dat Israël één moet zijn en dat ook deze Samaritanen erbij horen. Zij werden al ver voor de heidenen in geplant, ja eigenlijk ingeboren.
De volle aandacht op Jezus voorkomt bij de vrouw, zowel als bij elk kind van God, dat ze zelf iets wordt met deze bekering en wedergeboorte. Laat Jezus maar alle aandacht krijgen in je (s)preken en schrijven! Dat de mens zondig is weten we wel en leren we al meer. Maar dát verdient de schoonheidsprijs niet. Jezus, geen Naam is er zoeter en beter voor 't hart!

Jezus verzekert van verhoring

Nog kort aandacht voor de belofte die Jezus verderop zal uitwerken. Nog vóór dat de vrouw kan doorgronden wat Jezus eigenlijk bedoelt, vertelt Hij alvast hoe gewillig Hij is en hoe graag Hij schenkt waar men Hem om bidt. "Jij begeert van Mij… en Ik zal het geven". Hij is er zo verblijd over als mensen tot de ontdekking komen dat er niet alleen een Heiland en Zaligmaker is, maar dat Deze al op de uitkijk staat en popelt (met eerbied) om te redden.
Ben je nog een zwakke in het geloof? Twijfel je nog of Jezus wel wil? Hoe kom je aan zulke gedachten over Hem? Luister dan naar Zijn woorden in onze dagtekst. Hij wil niets liever. Nog voor de bidder is uitgepraat is Hij er vaak al. Ja, soms zegt God het in Zijn Woord nog scherper: "Eer zij roepen, zal Ik antwoorden!"
Kom, alle twijfels en boze of verkeerde gedachten over God overboord! Stel je beeld van God bij. Het is Jezus immers Die Zijn Vader 'toont', uitlegt en uitschildert in Zijn ware karakter. Door de zondeval zijn we heel anders tegen God gaan aankijken; maar daarom ís Hij nog niet zo, zoals het in ons brein door satan is misvormd! Integendeel.

dinsdag 31 maart 2015

Eenheid en gescheidenheid

"Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw. En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt. En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn, gelijk als Wij. Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde."
Johannes 17 : 9-12

'Opdat zij allen een zijn' was de slogan bij de totstandkoming van de PKN. Ik wil Jezus' lijden overdenken en me nu niet in kerkpolitiek verliezen, maar een ding wist en weet ik: dat was niet de werkelijke essentie van Jezus' woorden. Want in diezelfde zinnen klinkt ook gescheidenheid door: "Ik bid niet voor de wereld". En dat wereld meer is dan alles wat buiten de kerk zit, blijkt duidelijk uit Gods Woord. Hoe kan Jezus bidden "Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen", terwijl Hij hier duidelijk aangeeft: "Ik bid niet voor de wereld…"?

Eenheid

Jezus is toch God? Hij is toch almachtig? En alomtegenwoordig? Uit Jezus' woorden lijkt de beperktheid van Jezus te spreken: "Ik kom tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam". Blijkbaar is Jezus niet meer in staat om voor de Zijnen te zorgen, wanneer Hij niet meer op de aarde is, maar bij Zijn Vader in de hemel terug is.
Nou, niets is minder waar. Alleen… Jezus bidt hier en spreekt bevattelijke taal voor Zijn jongeren. Zij konden slechts denken in 'er zijn' en 'er niet zijn'. Wie ergens niet is, kan daar dus ook niets uitwerken. Dat is heel menselijk gedacht, maar ik vermoed dat zij met al hun woorden over dat Jezus 'de Zone Gods was' toch heel menselijke ideeën over Hem hadden.
Met deze 'menselijk bevattelijke' woorden wil Jezus hen troosten, juist als Hij er niet meer is. En dan doelt Hij op zowel zijn grafperiode als de periode tussen Hemelvaart en Pinksteren. Nog maar net had Hij Zijn jongeren vertelt over de 'andere' Trooster Die zou komen. Maar Die is er niet direct!
Al die tijd dat Jezus bij hen was 'bewaarde Hij hen in Gods Naam'. Maar als Hij er voor hen niet is, omdat Hij Zelf verlaten zijn door Zijn Vader – vanwege onze zondenlast – draagt Hij hen aan Zijn Vader op.
Het is opmerkelijk dat er driemaal het woord 'bewaren' in deze teksten staat. Terwijl in de eerste twee gevallen hetzelfde woord wordt gebruikt (tereo), wordt de derde maal een ander woord gebruikt (phulasso). Die woorden worden doorelkaar gebruikt. Waar de herders de wachthouden (phulasso) over hun kudde, bewaken (tereo) de soldaten bij het kruis Jezus en de twee moordenaars. Waar de rijke jongeling beweert dat hij alle geboden van God heeft onderhouden (phulasso), worden de discipelen de wereld ingestuurd om de mensen te leren te onderhouden (tereo) alles wat Hij hen heeft geboden.
Toch komt er een bijzonder aspect om de hoek kijken als je kijkt waar deze woorden oorspronkelijk vandaan komen. Tereo is verwant aan een woord (theoreo) dat 'aandachtig bezien' betekent, als ook 'genieten van iemands aanwezigheid'. Zo bewaarde Jezus de Zijnen in Gods Naam en tot de eer van Zijn Vader. Als het in vers 12 gaat om het bewaren van de uitverkorenen ten opzichte van de 'zoon der verderfenis' en zijn consorten dan zien we dat het woord phulasso verwant is aan 'phule' dat volk of natie betreft. Je kunt alle mensen gelijk beschouwen, maar de ene mens behoort tot de ene natie en de ander behoort tot een ander volk. Je kunt één Europa wensen en net doen of er geen grenzen zijn, maar je wist grenzen niet met eigen hand uit.
Opdat zij allen een zijn is geen menselijke creatie, maar slechts mogelijk als het ook inhoudelijk is zoals Jezus het omschrijft: "Zoals Wij Eén zijn". Dat bindt over kerkmuren, geografische en raciale grenzen heen. Maar alleen dát!

Gescheidenheid

Heel duidelijk bidt Jezus niet voor de wereld. Zij valt buiten Zijn bijzondere bescherming (al regent de HEERE over zowel bozen als goeden). De wereld moet uiteindelijk op 'eigen benen' staan en staat voor 'eigen rekening'. Wie niet in Gods weg gaat kan niet op Zijn zegen hopen. Dat is per definitie onmogelijk. Dat neemt niet weg dat iemand uit de wereld kan worden overgezet in het Koninkrijk van het licht. Je kunt eindeloos je focussen op het 'buitenstaan van de wereld'. Maar beijver veel meer het zendingsbevel dat ook zij binnen mogen zijn die nu buiten staan! Dat is onze roeping.
Passiviteit laat een oneigenlijke gescheidenheid onnodig voortbestaan.
Niemand uit diegenen die de Vader aan Jezus gaf, is verloren gegaan (afgevallen), dan alleen Judas. Hij viel er buiten 'opdat de Schrift vervuld zou worden' Misschien is het beter (duidelijker) dat woordje 'opdat' te vertalen met 'zodat' of 'waardoor'. Dat laatste is niet helemaal direct vertaald, maar geeft wel aan dat met de zonde van Judas een voorzegging in de Schrift is vervuld geworden; wat dus niet inhoudt dat hij willoos als pion op Gods schaakbord is ingezet om dat Schriftwoord maar vervuld te krijgen. Nee, Judas maakt welbewuste keuzen en ook na de zonde zou er vergeving mogelijk zijn; ware het niet dat Judas een andere weg kiest.
Je ziet: het is van tweeën één. Of je begeert de eenheid in Christus en de Vader óf je keert je tegen Hem en behoort tot de gescheidenheid. En denk niet dat het een willekeurig spelletje van Gods uitverkiezing is. Dat mensen voor God evenzeer nummers en pionnen zijn, als in onze huidige samenleving en het verderfelijke bedrijfsleven van groot geld, macht en corruptie. Nee, lees maar wat er in vers 10 staat: "En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt." Doordat de Vader de Zijnen aan Jezus heeft gegeven als bekroning van Zijn werk, wordt Hij in hen en door hun verlossing verheerlijkt.
Zoals een kersverse vader en moeder naar hun pasgeboren kindje kijken en in dat kind hun liefde voor elkaar zien, zo kijk Jezus naar ons en ziet er de liefde van Zijn Vader voor Hem in en vice versa! Maar dat gaat niet buiten dat kindje om… met hoeveel warmte en diepe liefde zullen die ouders dat kindje knuffelen en verzorgen, liefkozen en beschermen. Het is immers het tastbare bewijs en bezit van hun diepste diepten. Zo ook zijn de vrijgekochten verzekerd van Gods omhelzing en verzorging, liefde en bescherming. Ze zijn immers het tastbare bewijs en bezit van Gods diepste diepten. Hoewel God volzalig en algenoegzaam in Zichzelf is, heeft Hij ervoor gekozen Zijn kinderen in die volzaligheid en algenoegzaamheid te betrekken, ja hen erin te trekken. Hier houdt mijn verstand op en blijft een zalig en zoet genieten over; nu in beginsel maar straks onbegrensd en ongetemperd tot in alle eeuwigheid. Dan zijn we een, zoals God Eén is.