Posts tonen met het label Zoon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zoon. Alle posts tonen

zaterdag 28 april 2018

Leven vanuit Gods beloften

Hoofdstuk 3


“En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, ­vierhonderd jaren.
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
HANDELINGEN 7 : 5-7

Veel mensen zijn gevoelig voor ‘status’. Ze zijn pas iets wanneer ze iets ­tastbaars hebben of bij iets aanwijsbaars horen. Een christen is iemand die zijn ‘status’ ontleent aan iets dat niet tastbaar is en perspectief heeft vanwege ­Iemand Die niet aanwijsbaar en bewijsbaar is.
Belofte zonder bezit“Zo, hier is het dus.” Abraham keek om zich heen. Dit was dus het Beloofde Land dat God hem in bezit zou geven. Het zag er goed uit. Maar het vreemde was dat er mensen woonden die bij elk grassprietje konden aantonen dat dat stuk land van hen was. Abraham stond in ‘zijn’ land, maar hij had er nog geen schep grond in eigendom!
Heb je je weleens bedacht hoe vreemd dat voor hem moet zijn geweest? Bijna onwezenlijk. Thuis, maar alles is vreemd en onbekend. Hij mocht er vrij rondlopen en bouwde er zelfs vriendschappen op met de plaatselijke bevolking, maar… zíj waren de eigenaren van het land; niet Abraham!
Het tweede dat wél beloofd was, maar dat hij ook niet in bezit had was een eigen zoon. God lijkt aan dit probleem voorbij te gaan als Hij al beschrijft hoe Abrahams nazaten in ballingschap zullen komen en zelfs in slavernij terecht zullen komen; voor maar liefst vier lange, lange eeuwen!

De eerste ballingschapStefanus zoomt nog een stukje dieper in. Abraham leefde als een vreemdeling in zijn eigen huis… en nog vóór hij er zich thuis kon voelen, sprak God al over een vier eeuwen durende ballingschap in een of ander ‘slavenhuis’. Het volk, uit Abraham gesproten, zou een slavenvolk worden! En God, zo betoogt Stefanus, voorzei al dat ze kwalijk behandeld zouden worden. Mooi is dat! Het uitverkoren volk van God krijgt, nog vóór het is geboren, te horen dat ze zullen worden mishandeld.
Waarom doet Stefanus dit zó? Waarom zoomt hij hier al in op de slavernij die later zou komen? Waarom wil hij deze link leggen tussen ‘volk van God zijn’ en ‘kwalijk behandeld worden’? Het wordt niet echt duidelijk in dit gedeelte. Het blijft daarom gissen. Maar Stefanus moet al iets hebben gezien van wat Paulus later zo knap, maar best ingewikkeld, onder woorden brengt in de brief aan de Galaten: “Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus. En dit zeg ik: Het verbond dat tevoren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis teniet te doen.”
De Kanttekenaars zetten ons op dat spoor. Stefanus wil stapje voor stapje naar Christus zien te komen. Jullie beroemen je op de wet van God, maar weet je wel dat de belofte al veel ouder is? En dat die belofte niet gericht is op het tijdelijke: het land, of de zoon van Abraham? Nee, al die beloften hebben een dieper en verder weg liggend doel: Jezus Christus. Je zou de preek van Stefanus dus met recht een Christo­centrische preek mogen noemen. En dat is best lastig, vanuit het Oude Testament, in de context die de Joden er telkens aan willen hangen. Begrijpelijk is wat rabbijn Lody van de Kamp onlangs zei: de Messias van de Joden is een ándere dan die van de Christenen. Hij had die zin niet andersom kunnen uitspreken, want Jezus de Messias, de Koning der Kerk is werkelijk de Joodse Messias. Daarmee gaan we niet op het spoor zitten van ‘de kerk in plaats van Israël’. Zeker niet! Maar we moeten onze Joodse broers en zussen wakker schudden. En dat is wat Stefanus gaat doen. Hij probeert eerst aanknopings­punten te verzamelen. Om die tenslotte allemaal in te brengen bij zijn slotbetoog!
Wat hij hier preekt over ballingschap of vreemdelingschap kenmerkt helemaal het Christelijk geloof. Wij zijn hier op aarde omringd door vrienden en bloedverwanten, maar we zijn vreemdeling en bijwoner. En niet alleen dat: wij zullen ook ondervinden dat men ons kwalijk behandelt. Omdat we een volk zijn met een belofte van God op zak. Het is niet de bedoeling dat we gaan pronken met die belofte, maar dat we er werkzaam mee zijn bij God!

Welkom thuisTenslotte spreekt Stefanus over het moment, allemaal al vier eeuwen van te voren beloofd, waarop het volk van God weer thuis mag komen: “…daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
Er was er nog niet eentje geboren van die ‘zij’ die zullen uitgaan! En nu al spreekt God over de terugkeer uit de slavernij en dat ze weer tot hun doel zullen komen: “Mij dienen”. En nog wel op ‘deze plaats’! Stefanus stelt het haast voor, zoals het ons ook voor ogen staat, als wij onze ogen hier op aarde zullen sluiten: we zullen van hier uitgaan (heengaan) en we zullen onze HEERE dienen op de plek die Hij ons aanwijst en belooft!
Gods beloften komen heel vaak in de knel met de werkelijkheid. Althans, zo bekijken wij het. Maar God werkt zo vaak door de onmogelijkheden heen, dat is haast meer regel dan uitzondering. Echter, nog nooit is er één van Zijn beloften níet uitgekomen. Zou daarom de eeuwige heerlijkheid voor ons ook niet de mooiste en heerlijkste belofte zijn, waarnaar wij rijkhalzend uitzien? Thuiskomen bij de Vader. Verlang jij er ook naar? Voor Stefanus zou het nog hooguit een uur duren!

dinsdag 12 december 2017

Sauls eerste offer en zijn ­bereidheid tot een mensenoffer

De zoon van de boerenkoning - XV


Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost,
al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.
En niemand uit het ganse volk antwoordde hem.
1 Samuël 14 : 39


Er wordt een grote slag geslagen onder de Filistijnen. En je zou denken: de HEERE is met Israël, dus wat kan er fout gaan? Als het volk de overwinning ruikt en de buit ziet, kunnen ze niet meer. Ze vreten zich gek aan het eten dat zomaar voor het grijpen ligt en staat. Ze slachten in het wilde weg en eten het vlees van de dieren halfgaar, terwijl het bloed er nog in zit; omdat ze zich geen tijd gunnen het vlees fatsoenlijk te koken of te braden. Dat was verboden!
Terecht grijpt Saul in als er iemand komt klikken: “Zie, het volk verzondigt zich aan den HEERE, etende met het bloed.” Dat verzondigen zit hem dus in het eten van bloed. Puur de wetsregel. Er wordt niet gesproken over het hart van het volk! Saul vermaant het volk met forse woorden, alsof hij zelf zo’n heilige was. Weliswaar geeft hij het goede voorbeeld nu. En zie daar… hij loopt verder het vrome pad op: hij gaat een altaar bouwen en laat een dankoffer brengen aan de HEERE. Heel sinister staat daar dat zinnetje bij: “Dat was het eerste altaar dat hij den HEERE bouwde.” Hij was al enige tijd koning, en dit was nog maar het eerste altaar dat hij voor God bouwde. Dat heeft ons iets te zeggen. Wanneer roepen wij de HEERE aan, als we een moeilijke klus moeten doen? Wanneer we verantwoordelijkheden moeten dragen die al gauw onze draagkracht te boven gaan?! Komt het er überhaupt wel van? Of moet de HEERE ‘hopen’ op een goede afloop, waarna Hij nog even snel de dank krijgt toegespeeld?

Maar dan gaat het mis. Saul wil weer aan de slag (letterlijk: de slag tegen de Filistijnen). Het is al iemand die zijn eten op heeft; hij heeft ervoor gebeden, alvorens het naar binnen te werken. Maar als hij de laatste kruimels uit zijn baard veegt, staat hij op om aan het werk te gaan. De hogepriester voelt zich gepasseerd en roept: “Laten we eerst nog tot God in het gebed gaan.” Je kunt wel denken dat je aan de slag moet, maar wat wil de HEERE? Nou, die vraag wil Saul dan nog wel stellen, voor de vorm. Wat is er tegen een beetje vroomheid? Dat ligt altijd al gevoelig bij het verbondsvolk. God een beetje te vriend ­houden; je kunt niet weten… Baat het niet dan schaadt het zeker niet.
Maar als Saul, via de door God aangegeven middelen, een antwoord van God vraagt, blijft het stil. En let erop dat dat telkens een waanzinnigheid bij Saul teweeg brengt. Kijk maar, later, in 1 Sam. 28:6!
Als God Zich niet laat commanderen, is Saul uitzinnig van woede en angst. Want ja, daarmee verlies je je gezicht voor de mensen (en daar is hij o zo gevoelig voor!).

Saul heeft haarfijn in de gaten dat er iets aan de hand is. Er moet iets gebeurd zijn, waarover God vertoornd is geweest. En let er maar op, dit soort mensen gaat altijd aan het spitten bij anderen: “Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt en ziet waarin deze zonde heden geschied zij.” Er klinken forse woorden uit Sauls mond als hij zijn volk voor zich ziet. Hij spaart niemand, al zou het zijn zoon Jonathan zijn: “Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.” Vermoedde hij al iets? Was hij gebelgd over het succes van zijn zoon, terwijl hijzelf niets voor elkaar kreeg? Merkte hij een soortgelijke jaloezie als ook Kaïn in zich bemerkte jegens Abel? Dat zou best eens kunnen.

Wrevel is een venijnig gif. Als dingen niet lukken in de gemeente of in een persoonlijk leven, en bij andere (gemeenten) lukt dat wel, dan is wrevel een groot gevaar. Als mensen een bepaalde positie in de gemeente hebben, maar anderen worden meer gevraagd om hun mening dan zij… Als ideeën worden doorgedrukt, maar tegen­argumenten blijven venijnig overeind staan… Als bepaalde zonden en ­houdingen worden aangewezen, maar ambtsdragers kijken weg… Als predikanten worden aangesproken op onvoorzichtige en vooral ondoordachte, zogenaamd geestelijke termologiën en ideeën… De lange tenen van de godsdienst, waar het echte leven uit is; ja, waar het nooit in heeft gezeten. Geen hervorming of reformatie; geen bekering maar een doldriest doordraven op een doodlopende weg. Als je dit soort dingen ­signaleert, is het ­oppassen geblazen!

Saul deinst er niet voor terug om zijn zoon te doden, als die de zonde zou hebben begaan, waardoor Saul geen contact met God kan maken. We zien hier iets transparant worden van Christus die de dood in ging voor vijanden van Hem en van Zijn Vader; zondaren die geen contact meer konden krijgen met Zijn Vader. Niet uit eigen belang, maar omdat Hij Zijn volk – in tegenstelling tot koning Saul – zo intens en welmenend liefheeft. Daar gaan we in het volgende hoofdstuk nog wat dieper op in.
Grote tegenstelling vormt het volk, waarover we in de dagtekst lezen: “niemand uit het ganse volk antwoordde hem.” Niemand verraadt Jonathan. Geen “Kruisigt Hem!” Geen “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” Nee, ze nemen Jonathan als het ware in bescherming tegen zijn vader! Daar schuilt deels angst voor Saul achter, maar zeker ook eerbied voor die oprechte en dappere zoon van de boerenkoning.

woensdag 11 oktober 2017

“Wees blij, want Ik ga naar Mijn Vader!”

“…Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.”
Johannes 14 : 28b
 
De zekerheid van Christus’ opstanding gaf Hij vooraf Zelf!

Ik moet toch nog even terugkomen bij het vers van afgelopen keer! Dat komt door de opmerking die in de Kanttekeningen bij de StatenVertaling wordt gegeven. Die gaat in op dat “indien gij Mij liefhadt…” Er zit – misschien nog wel in meerdere mate voor ons dan voor de verwarde discipelen – een kritische ondertoon in Jezus’ woorden. Wij mensen kunnen zo met onszelf en onze situatie bezig zijn, dat we de hoofdlijn uit het oog verliezen. Vandaar dat ik er nog even op terugkom.

Waar gaat het over? Er zit een toon in Jezus' woorden ‘indien bij Mijn liefhadt’, die bij me is blijven hangen. Vanwaar dat ‘verwijt’, terwijl de discipelen zo in verwarring waren? Waar is Jezus' erbarmen? Zeker, Hij staat vlak voor Zijn grote lijden en heeft naar de mens gesproken ‘genoeg’ aan Zichzelf. Maar Hij is ook God. En juist deze woorden spreekt Hij naar Zijn godheid! Waarom dat verwijt?

Een terecht verwijt

Moet je horen wat ik in de Kanttekeningen las bij die woorden ‘Mijn Vader is meerder dan Ik’: “Namelijk in majesteit of heerlijkheid dan Ik ben in dezen staat Mijner vernedering. En daarom behoort gij u te verblijden, dat Ik heenga om het gebruik derzelver heerlijkheid weder aan te nemen, die Ik bij Hem gehad heb eer de wereld was, dewijl hetzelve ook tot uw zaligheid zal strekken, Joh. 17:5, 24.”
“Met dat ‘uit het lood zijn vanwege het naderend afscheid’, focus je teveel op jezelf. Je zou daarentegen niet jezelf moeten liefhebben (en je bezorgd maken over je eigen leven), maar blij moeten zijn met Mijn aanstaande verhoging! Het draait niet om jou/jullie, maar om Mij, Jezus, en om Mijn Vader! Ik ga iets doen, dat geen mens had kunnen bedenken, laat staan uitvoeren. En… daarna ga ik terug naar Mijn Vader. Ik weet al precies wat er komen gaat. Dat zal Me een gebeurtenis zijn, als Ik terug kom in de hemel, Mijn Thuis! Dan zal de hemel daveren op haar grondvesten. En… de hel zal barsten van venijn en afgrijzen. Mijn gerucht zal al voor Mij uitgaan. Vanaf de heuvel Golgotha zal Ik “Het is volbracht!” uitschallen en Mijn stem zal verder reiken dan welke stem op aarde ook, tot in de hemelse gewesten. Dus wees blij met Mij, want er gloort hoop als ik spreek over ‘Ik ga heen tot Mijn Vader’. Als Ik dat zo zeker kan zeggen, dan hoeft er bij jullie geen twijfel meer te zijn. Ik ga Mijn heerlijkheid tegemoet!”
Jezus spreekt over de heerlijkheid die Hij bij de Vader had, voordat Hij naar de aarde kwam. Maar eigenlijk – het kan in zekere zin niet – zal deze aanstaande heerlijkheid nog veel heerlijker zijn! Dit zal een heerlijkheid zijn waarin Vader en Zoon nagenieten van de grote lakmoesproef van Hun Beider liefde. Ze hebben de wereld, ja zelfs de hel, laten zien hoe onafscheidelijk ze van Elkaar zijn en hoe intens verbonden in liefde. Dat moet me een vreugdegeschal hebben gegeven, op Goede Vrijdag… maar meer nog bij Jezus terugkeer in de hemel! “Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen…”

Een troostvol verwijt

Soms heb je iemand nodig die je aandacht gevangen neemt en je de dingen vanuit een andere hoek laat bekijken. Je staart naar een probleem, bekijkt het voor jouw idee van alle kanten, maar je komt er niet uit. Of je vormt je mening over een kwestie, zet de voors en tegens op een rij en raakt overtuigd van je conclusie. Totdat iemand je opeens vanuit een totaal ongedachte hoek laat kijken, waardoor je conclusies, meningen, standpunten onderuit gehaald lijken. Of, in het eerste geval, het probleem is kleiner dan je dacht, of zelfs helemaal oplosbaar!
In het geval van de ontroering van de discipelen is dat laatste het geval. Jezus had al eerder gezegd: “Uw hart worde niet ontroerd”, maar de beargumentering in de tekst van vandaag, is nóg sterker, overtuigender. Ik ga naar Mijn Vader! Dat had bij de discipelen de schellen van de ogen moeten doen vallen. Jezus sprak enerzijds over heengaan, sterven en gedood worden; over verraad en ergernissen. Maar onomwonden spreekt Hij hier over de weg ‘na de dood’. “Ik ga naar Mijn Vader!” Er ligt grote troost in dit liefdevolle verwijt. Het tipje van de sluier vertoont goud. Maar het lijkt wel of Jezus onmachtig is Zijn jongeren voldoende te troosten. Is dan alles voor niets? Verzwaart dat het lijden nog eens extra voor Hem?
In de volgende tekst zullen we zien dat Jezus dit onderwijs en deze troost 'op voorhand' geeft. Hij zet het alvast in de gedachten/herinnering van Zijn jongeren. Zij zullen zich die dingen opeens gaan herinneren, wanneer de een na de andere voorzegging in vervulling zal gaan. Het effect van troost en vreugde zal dan dubbel zo groot zijn. Inderdaad, daar kunnen ze op dit moment nog niets van bevroeden. Ze staren zich blind op een betonnen muur van verdriet en afscheid. En vlak het niet uit! Het was heftig en het zou nog wel even heftig blijven. Maar daarna…! Daarna zal Hij naar Zijn Vader gaan. Hij, het Hoofd van Zijn Kerk, zal veilig Boven aankomen! Hoeveel te zekerder zal de rest van Zijn lichaam daar aankomen. “Ik ga naar Mijn Vader!” Je leest er zomaar overheen, maar wát een troost, hoe heerlijk blinkt Jezus’ macht en majesteit. En hoe zeer wordt God de Vader in de Zoon verheerlijkt. Als een trotse peuter die groot opgeeft over zijn aardse vader. Ja, veel meer nog dan dat!

donderdag 5 oktober 2017

Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn?

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam,
Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb.”

Johannes 14 : 26
Als gouden de portalen zijn… (Foto: Golden Hall, Stockholm)

Na lange tijd van veel schrijfwerk eindelijk weer ruimte om de bijbelstudieserie te vervolgen. De preek van afgelopen zondag intensiveerde enorm het nadenken over Christus’ hemelvaart: een preek van ds. D.J. Diepenbroek over HC Zondag 18. Maar liefst vier vragen over Hemelvaart, tegenover 1 vraag over Pasen. Dat geeft te denken. Het is vandaag de dag vaak wel andersom.
Maar… hemelvaart staat niet op zichzelf. Daarom spreek Jezus altijd over Zijn hemelvaart, in het licht van Pinksteren en de Wederkomst. De kwestie die ook de opstellers van de Heidelbergse Catechismus heeft aangezet tot het stellen van vier vragen is: waar is Jezus na Pasen? En waar is Hij na Hemelvaart? En waar is Hij na Pinksteren? Wij mensen denken in vormen van ‘plaats’, ‘zijn’ en ‘tijd’. Je bent óf hier óf daar, gisteren of vandaag of straks, maar niet alles tegelijk.
Jezus is naar Zijn menselijke natuur niet meer op aarde, maar zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Dat levert direct veel vragen op voor ons menselijke, beperkte, verstand. Dat gold niet minder voor de discipelen die nóg minder wisten dan wij. Als Jezus in de hemel is, sinds Zijn hemelvaart, dan is Hij toch niet meer hier bij ons op aarde? Hoe kon Hij dan zeggen dat Hij hen niet ging verlaten en dat Hij altijd bij hen bleef? Nog óp de hemelvaartsdag onderstreept Hij dat: “Zie, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld!” Een paar tellen later zagen zij Hem naar de hemel gaan. Wat bleef er nog over van dat woord van Jezus?

Menselijke oplossing

Wij mensen hebben iets gevonden om dat enigszins te begrijpen. Wij zijn op den duur gaan spreken over Jezus’ menselijke natuur en Zijn goddelijke natuur. Die termen waren vóór Jezus’ komst niet bekend. En hoewel dat dus nieuwe aanduidingen waren, ben ik ervan overtuigd dat ze volkomen juist zijn. God geeft ons woorden, om dingen die boven onze macht gaan, uit te drukken. Maar omdat het menselijke woorden voor een goddelijk mysterie zijn, kunnen ze vervelende vragen oproepen, die lastig te beantwoorden zijn. Gelijkenissen en menselijke uiteenzettingen over Gods werk gaan altijd ergens mank. Maar dat moet ons niet weerhouden om bepaalde woorden en uitdrukkingen toch te handhaven.
Zo zullen de eerste tien dagen na de hemelvaart ongetwijfeld zijn gevuld met interpretaties van Jezus’ laatste woorden. Die 120 mensen daar in de opperzaal in Jeruzalem hebben met elkaar gebeden. Jazeker. Maar hoe kun je dingen in je gebed goed verwoorden, zonder er goed over na te denken en met elkaar over te praten? En Jezus' woorden roepen enorm veel gedachten en gevoelens op. Dus er zal ook veel gesprek met elkaar zijn geweest. “Wat wil toch dit zijn?” of “Wat bedoelde Jezus eigenlijk, toen Hij zei…?”. Al die dingen zijn stukje bij beetje op hun plek gaan vallen, vanaf de uitstorting van de Heilige Geest. Hoe kwam dat? Hadden ze nu alles opeens op een rijtje?

Goddelijke oplossing

Wat de discipelen niet wisten was dat Jezus naar de hemel opvoer en de troonzaal van Zijn Vader is binnengegaan met Zijn offer. Hoewel de Vader Zijn goedkeuring aan dat offer al had gegeven op de eerste Paasdag (door Zijn Zoon op te wekken uit de dood), zag de Vader Hem al van verre aankomen. Hij snelde Zijn troon af en liep Zijn Zoon tegemoet. Hij viel Hem om de hals en kuste Hem. De Vader riep tot Zijn dienaren: “Brengt hier voor het beste kleed en doet het Hem aan en geeft Hem een ring aan zijn hand en schoenen aan de voeten en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze Mijn Zoon was dood, en is weder levend geworden; Hij is om de overtredingen van de gevallen mens verwond, om hun ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die hen de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is hen genezing geworden!" En zij begonnen vrolijk te zijn.
Van dat wat er zich in de hemel heeft afgespeeld, hebben de apostelen af en toe flarden mogen zien. In pure aanbidding en verwondering hebben Paulus, Petrus en Johannes dingen opgeschreven die ons verstand ver te boven gaan. Hoe hebben ze dat toch gekund?

Bovenmenselijk preken

Door wat Jezus in de dagtekst vertelde: “De Heilige Geest zal Mijn Vader naar jullie sturen, namens Mij. Die zal exact doen, wat Ik deed; Hij zal jullie niets nieuws vertellen, maar gaan uitleggen wat Ik jullie deze afgelopen jaren heb verteld. Hij zal – met eerbied – jullie notitieblok zijn, waarop al Mijn woorden staan geschreven. Jullie zijn ze misschien allang vergeten, maar let op als Hij aan het werk gaat! Dan brengt Hij jullie die woorden weer te binnen en zullen de stukjes op hun plaats vallen. Dat heb je nodig, als je anderen over Mij zult willen vertellen. Je zult je op misschien 1 of 2 preken kunnen voorbereiden, maar je zult nooit alles kunnen onthouden en in het juiste perspectief zien. Hij zal het voor je op een rijtje zetten en als je dát gaat ontdekken, zul je kunnen preken met een vrijheid die ongekend is. Je zult dingen kunnen verwoorden, die het menselijk bevattingsvermogen zullen oprekken tot ongekende hoogte. En dat alles zal nog maar een tipje van de sluier zijn. Straks, als jullie voor eeuwig bij Mij zijn, zul je alles gaan begrijpen. En je zult nog dieper zien hoe wijs Mijn Vader is in alles wat Hij deed en doet. Hoe diep Zijn zorg voor jullie en alle mensen is en hoe rijk Zijn toekomst, die Hij heeft uitgedacht.”

Predikers zijn levenslang op school. Ze hebben het uit de eerste hand. Maar als je als gemeentelid wordt meegenomen in een preek, zoals afgelopen zondag over hemelvaart, dan heb je dingen meegemaakt, die zich na afloop maar amper laten vertalen in woorden. Misschien mag je het noemen dat je bent opgetrokken in de derde hemel en het leven van elke dag hebt gezien vanuit Gods oogopslag. Je ziet nog maar de contouren van waar Hij mee bezig is. Maar je proeft al bij benadering hoe het gaat worden. Het tipje van de sluier! Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn?

vrijdag 1 september 2017

Begreep Jezus de vraag van Judas eigenlijk wel?

“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.”
Johannes 14 : 23
 
Hoogsensitieve en hoogbegaafde mensen hebben oog voor detail, vragen door, denken zwart/wit en leggen de lat hoog; waarschijnlijk was Judas de Goede zo iemand en hadden hij een Johannes een bijzondere geloofs-click

Die Judas! Stelt hij een vraag en krijgt hij eigenlijk hetzelfde te horen, als Jezus net vóór die vraag al heeft gezegd. Soms krijg je een antwoord op een vraag, of een voorstel dat op een bepaalde manier is verwoord, waarbij je je afvraagt: “Heb je m’n vraag wel begrepen?” En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat bij Jezus’ antwoorden heel vaak heb: is dit nu het antwoord op de vraag die is gesteld? De invalshoek die Jezus bij Zijn antwoorden kiest, is zeker niet een voor de hand liggende!
Bij een normaal mens zou ik hebben gezegd: “Hebben we het wel over hetzelfde?” of “Je snapt mijn vraag niet.” Maar bij Jezus ga ik toch maar eens goed kijken wát Hij zegt. Want het kan niet zo zijn dat Hij mijn (of Judas’) vraag niet heeft begrepen. Zijn antwoorden zijn niet onze (verwachtte) antwoorden. Daarom ga ik dit antwoord leggen naast vers 21, waar Jezus ogenschijnlijk dezelfde dingen zegt. En we gaan kijken wat dit antwoord Judas – én de discipelen alsmede ons – leert.

Goed luisteren

Allereerst moet ik zeggen dat Judas voor mijn gevoel de enige is die goed heeft geluisterd. Hij ziet al luisterend de verbanden, de lijnen in Jezus’ verhaal. Zijn vraag is dus opgekomen uit een lijn die hij ontdekte, maar niet geheel begreep. Je wordt door het woord ‘openbaren’ misschien op een verkeerd been gezet (als zou Judas een vraag stellen over Jezus’ woorden in vers 21), maar Judas grijpt eigenlijk terug op wat Jezus al een zin of vijf eerder zei. Kijk maar, we luisteren naar Jezus’ woorden vanaf vers 15:
"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven. In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”

Judas luisterde scherp en legde de verbinding tussen het ‘openbaren’ en ‘de wereld kent Mij niet’. Hij voelde de spanning in het ‘de wereld zal Mij niet meer zien, maar gij zult Mij zien’. Hij voelde aan dat er een scheiding gaat komen tussen hen en de wereld. Maar wat hield dat precies in en hoe zou dat dan gaan? Er op de achtergrond van Judas’ vraag vermoed ik zelfs die woorden van Jezus, nog een zin eerder: dat “de Wereld de Heilige Geest níet kan ontvangen” maar dat Hij in Zijn jongeren wél blijft wonen. Dat was voor hem iets wonderlijks. Iedereen kon Jezus toch zien? Gaat er nu dus een scheiding plaatsvinden in een ‘andere dimensie’?
Eerder al had Jezus zo’n zelfde soort scheiding gemaakt, tussen de wereld en de discipelen, toen Hij besloot voortaan in gelijkenissen te spreken en het enkel in de intieme kring van de discipelen toe te lichten. Maar als Jezus nu dus zegt weg te gaan, hoe gaat Hij die exclusieve uitleg dan realiseren? Snap je dat Judas hier iets heel duidelijk ‘aanvoelt’, maar de praktische invulling daarvan nog niet bevat. Luisterde iedereen maar zo scherp. Dan zouden veel preken een beter resultaat in de gemeente hebben. En … zaten maar meer preken zo in elkaar, als Jezus’ preken, dan zouden er misschien ook wel meer goede Judassen in de gemeente opstaan, die vragen stellen over dingen die ze aanvoelen, vermoeden, maar nog niet geheel doorgronden. Die begerig zijn in te zien in de geheimen van God, net als de engelen! Die bidden met de dichter van Psalm 119: “maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere", en “Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen” en “O HEERE! … maak mij verstandig naar Uw woord”. Dan zit je toch op het puntje van je stoel, bij zo’n preek? Dan kun je het toch niet hebben dat mensen slapen tijdens de dienst of direct na de dienst beginnen over het weer of over die of die? Dan kun je het ook niet hebben, als predikanten een preek maken van opgestapelde waarheden, zonder dat daar werkelijk leven in zit!

Tweemaal hetzelfde?

Nu naar die twee ogenschijnlijk dezelfde teksten:
Vers 21: “Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”Vers 23: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.”

Zelf vind ik vers 23 een stuk duidelijker, ook naar alle remonstrantse denkers toe, dan vers 21. Want in vers 23 vloeit het bewaren van Gods Woord voort uit het liefhebben van God Zelf. In beide gevallen wordt de link dus gelegd tussen liefhebben en bewaren. En dat woord ‘bewaren’ is een nogal omstreden begrip.
Het woord kun je uitleggen vanuit de grondtekst als het ‘bewaken’ van een gevangene, of ‘conserveren’ van een kostbaar object. Dan zijn we vooral bezig met het afschermen van dat te beschermen object! Gods Woord wordt dan iets dat streng bewaakt moet worden, afgeschermd met allerlei regeltjes die als een hermetische kluisdeur moeten fungeren.
Je kunt het ook vertalen met ‘reserveren’. Dan loop je het gevaar anderen buiten te sluiten en je reserveert, conserveert of exclusiviseert het zelfs voor een bepaald publiek, waardoor het wel een heel bezitterig gebeuren wordt. Gods Woord wordt dan exclusief voor intimi.
Echter, je kunt het ook opvatten als ‘onderhouden’, dus in de praktijk brengen en er serieus én actief mee omgaan. Wel, het lijkt me duidelijk dat Jezus de liefde tot Hem graag geassocieerd wil zien met het ‘tot uitvoering brengen’ en ‘koesteren’ ja, zelfs ‘liefhebben’ van Zijn geboden, Zijn Woord. Daar heb je smaak in, als je tenminste van Hem houdt! Liefde tot Hem is dus ook liefde tot wat bij Hem vandaan komt: Zijn Woord.

Het verschil in de bovengenoemde twee teksten zit hem vooral in het einde van de teksten: "Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.” en “Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.” Er zit dus een link tussen ‘openbaren’ en ‘woning maken’. In vers 21 sprak Jezus nog over dat Hij Zichzelf ging openbaren, maar in vers 23 doen én de Vader én de Zoon (en eigenlijk ook, het hele Bijbelgedeelte bijeenhoudend, de Heilige Geest) iets. Ze gaan ‘woning maken’ bij of in die persoon die Hem liefheeft. Dat is, volgens Strong, metaforisch gesproken over de Drieënige God, “Die een enorm gezegende invloed uitoefent op de zielen van de gelovigen”. Woningmaken, residentie oprichten, een woonplaats creëren, heeft ook iets ‘blijvends’. In het Oude Testament zou dat denk ik zijn omschreven als ‘tabernakelen’, blijven wonen. Hoe heerlijk is dat, dat God in je blijft wonen (en dat de Heilige Geest in je blijft wonen, vers 16 en 17); dat is een voorproefje van de hemel, zoals Psalm 5 dat bezingt:
’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Vraag en antwoord?

Is het antwoord van Jezus dus een antwoord op Judas’ vraag? Wel, we hebben gezien dat Judas’ vraag niet in eerste instantie opkwam uit Jezus’ laatste woorden in vers 22, maar op de dingen die Hij al eerder heeft gezegd. Er is dus geloof en liefde voor nodig om die inwoning van Jezus in je hart te ontvangen. De wereld, heeft die niet, want ze kunnen ten diepste met die inwoning ook niet uit de voeten. Als God in je hart woont, moet alles eruit. Wil je niet alles eruit gooien, dan is er ook geen ruimte voor Hem.
Maar Judas wijst op nóg iets: dat heel specifieke ‘jullie wel’ maar ‘de wereld niet’! In de komende verzen gaat Jezus daar dieper op in en ja, Judas krijgt een prachtig antwoord op zijn vraag. Zal Judas het begrepen hebben? De Bijbel zwijgt erover.

Het is opmerkelijk dat we Johannes zo expliciet een denker en gevoelsmens noemen en over Judas meestal zwijgen. Ik wil toch graag dit scheefgetrokken beeld rechttrekken en Judas een scherpe luisteraar, hoogsensitief en misschien wel hoogbegaafd, noemen. En Johannes heeft dit wel opgeschreven, maar op dat moment toch net even iets minder door gehad. Ik denk wel dat deze twee ‘hoogbegaafden’ een click met elkaar hebben gehad; dat zie je vaker. Zet twee hoogbegaafden in een grote groep en ze vinden elkaar, vaak zonder veel woorden…
God verbindt harten door Zijn liefde aan Zichzelf en hij verbindt ook harten onderling aan elkaar. Harten die elkaar aanvoelen, elkaar opscherpen, dezelfde soort vragen stellen en dezelfde verrukking, beleving en sensitiviteit kennen met betrekking tot de HEERE en Zijn Woord. Noem het ‘gemeenschap der heiligen’ in een misschien voor de grote massa te kleine, te enge, context. Ik denk dat God daar anders tegenaan kijkt. Die ‘buitenbeentjes’ worden vaak gillend gek in de grote massa van een gemeente, maar blijven er toch bij gehouden door dat gouden gevoelsdraadje dat hen met die ander(en) verbindt. Je zou willen dat de grote massa dat ook zag, begreep en koesterde.

vrijdag 14 juli 2017

Voortschrijdend inzicht

"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden"
Johannes 14 : 15



Gods geboden zijn nu niet bepaald populair. Omdat ze te vaak worden geassocieerd met een gebonden, saai en wettisch leven. Maar bij God werkt dat niet zo! Dat is een leerproces. Wij moeten niet afgaan op de klank en ons zondige gevoel bij het woord 'gebod', 'wet' of 'bevel'. Geloven is toch niets anders dan dat je God de volledige heerschappij over je leven laat hebben? Dat is niet wat ons van nature in de genen zit, maar dat is wel zoals God het bedoelde bij de schepping.

Die opdrachten, geboden, van God waren in het Paradijs ook al aanwezig. Alleen… de mens zocht er niet direct iets achter zocht. Achterdocht was hem wezensvreemd. Als God iets zei tegen Adam (en later ook tegen Eva), dan wist Adam: het is zeer goed! Hij kwam er ook al vrij snel achter dat God inderdaad gelijk had. Elke keer werd weer bevestigd: mijn Schepper heeft het goede met me voor en wat Hij zegt, is echt het allerbeste. Al moet ik ook zeggen dat de mens 'minder best' of 'slecht' nog niet kende vóór de zondeval. Nooit was er een teleurstelling. Nooit een 'beter alternatief'. Sterker nog: in de staat van de vrede met God bestonden er geen alternatieven. Laat staan betere alternatieven.

Alternatief na het Paradijs

Maar opeens lag de wereld aan onze voeten, hoewel de hemel een eeuwigheid was verwijderd. We hadden aternatieven te over, keuzes zonder God. Maar in plaats dat dat een gevoel van vrijheid gaf, leverde dat een gevoel van angst op. Het gevoel dat je, wat je ook kiest, zonder Gods zegen doet. Toch kan ik je zeggen dat dat snel wende. Kaïn was er snel aan gewend dat hij buiten Gods zegen leefde. Hij bouwde zijn eigen stad Nimrod en hij joeg zichzelf een geweldadige weg bij God vandaan.
Zet een kind in een enorm grote speelgoedwinkel, a la ToysRUs, en het verzuipt in keuzes. Als ouders dan alleen maar zeggen: nou, kies maar, wordt dat kind gek van alle mogelijkheden die er zijn. Dat is nog een leuke variant op het leven dat er ontstond na het Paradijs. Ga op een flat van 20 verdiepingen staan en haal het hekje weg op de rand van het gebouw… je zult angst ervaren ervan af te vallen!
Om toch even bij die Kaïn te blijven: hij kon niet overweg met die keuzevrijheid en liep in zijn eigen onverschrokkenheid vast, toen hij zag dat God telkens andere keuzes maakte dan hij. Het begon hem mateloos te irriteren en er ontstond een hartstochtelijke hunker om die God het zwijgen op te leggen. Abel conformeerde zich meer aan Gods richtlijnen en hij ervoer een grootse vrijheid, omdat hij op de goedkeuring van Zijn hemelse Vader kon rekenen. Blijkbaar zijn Gods geboden een prima alternatief, een perfect begaanbare weg, na het verloren Paradijs. Waarom?

Liefde tot Gods geboden

Onlangs stond er Verslag van een Ontmoetingsdag in het RD met de titel 'Het houden van de wet is het elfde gebod'. Dat is een titel die je wenkbrauwen doet fronsen, nietwaar? Daarin werd ingezoomd op de eerste Johannesbrief, waarin liefde gekoppeld is met het houden van Gods geboden. Er is dus een directe relatie tussen de geboden van God en de liefde tot God. Dat hoort bij elkaar. Voordat iemand denkt dat ik doorgezakt word, geen paniek! Want hier wordt iets aangesneden dat ik al zo vaak heb gezegd. Zich rechts noemende mensen denken nogal eens in wetticisme, een soort 'Gods geboden houden om God gunstig te stemmen'. Maar dat is je reinste afgoderij.
In het artikel werd ingegaan op de tekst uit 1 Johannes 3 : 23a "En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus.” Dat soort 'wetticisme' vind ik geweldig. Die opdracht, dat gebod, maakt je werkzaam voor Gods aangezicht. Het is een gebod dat je niet zelf kunt realiseren. Daar heb je Jezus bij nodig. Dat verbindt met Hem en Hij verbindt Zich aan jou. En let op, dan ontstaat er iets wederkerigs. Dan krijg je er zin in om te doen wat Hij graag ziet. Omdat je weet dat het Hem plezier doet.

Gisteren zagen we dat, als we bidden met het doel dat Zijn Vader verheerlijkt wordt, we zullen ontvangen wat we vragen. Een kast vol beloften die echt verzilverbaar zijn! Vandaag wijst Jezus erop hoe wij onze liefde tot Hem tot uitdrukking kunnen brengen: houdt Mijn geboden. Je laat er naar anderen toe mee zien dat die geboden waardevol, ja kostbaar, voor je zijn en geeft zo aan dat Hij alles voor je is. Je laat er naar Hem toe mee zien dat Zijn geboden liefde tot Hem opwekken. Je eert Jezus en daarmee dus Zijn en jouw Vader. Zie je: weer die verbondenheid tussen Jezus en de Vader, Die met jou een drievoudig snoer willen vormen. Zo kijk je heel anders tegen Gods geboden aan. Ze raken niet je uiterlijke leven, maar je hart en liefde! En ze zijn onlosmakelijk verbonden met Gods hart. Als je dat gaat zien, kun je echt spreken van voortschrijdend inzicht!

donderdag 16 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Persoonlijke en gemeenschappelijke beleving

"En Abraham nam het hout des brandoffers en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen tezamen."
Genesis 22 : 6

Terwijl Izak voor zijn vader uitloopt is dat voor vader Abraham natuurlijk des te zwaarder: hij weet wat er gaat gebeuren; Izak nog niet.


Het komt nogal eens voor dat de omgang met de HEERE slechts persoonlijk wordt beleefd en niet gedeeld. We leven in een individualistische tijd van zowel 'het eigen recht' als 'alles voor jezelf houden'. Dat is misschien dan wel je eerste reactie, maar delen is dubbel genieten. En voor wat betreft lijden is delen half lijden.

In de tekst van vandaag zie ik een vader de berg op klimmen, achter zijn zoon aan. Ze spreken niet of nauwelijks met elkaar. Straks zal Izak de stilte verbreken, maar nu is het nog stil. We lezen slechts van daden. Het hout wordt opgestapeld op Izaks schouders. Gekloofd hout, weet je nog wel? De zware bundel brandhout wordt van de ezel afgenomen en met een zucht en een traan legt Abraham het op zijn lieveling. Maar dan… pakt hij het vuur om dat hout straks aan te steken. En verbeten omklemt hij het heft van zijn mes. Een huivering gaat door zijn lichaam.

Legde het op Izak

Die ezel vind ik in deze geschiedenis zo'n bijzonder dier. Ik kan er niets aan doen, maar steeds zie ik het ezeltje uit Bethfagé voor me. Dominee J.J. Poort mediteerde er eens over en een fragment uit die meditatie – die ooit op CD werd uitgegeven – komt bovendrijven: "Ik wou dat ik dat ezeltje was." Herken je dat?
Vandaag lees ik dat het lastdier wordt ontlast. De zware last die het torste wordt van hem afgenomen en… op de zoon gelegd. Niet de ezel wordt geofferd (ik denk trouwens dat dat nooit had gekund; God heeft geen ezels ten offer geboden). Nee, Izak, de lieveling des vaders wordt 'opgezadeld' met dat brandhout. "Hij voor mij…" Zie je de lijn?
En aldoor blijft het stil. Izak moet het gewicht van dit moment hebben gevoeld, want hij is een gevoelsmens. In dit vers zwijgt hij nog, maar de dingen bij elkaar optellend moet hij in dit vers aan het mediteren zijn geslagen: hout, vuur, mes… maar wát gaan we eigenlijk offeren?
Izak was bepaald geen klein kind meer, zoals vaak op schilderijen wordt gesuggereerd. De Kanttekeningen wijzen er ook op dat juist uit het dragen van zo'n zware last blijkt dat hij tussen de 15 en de 25 moet zijn geweest. Izak is geen weerloos kind; ook als hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij zijn volle verstand, dat wat zijn vader deed goed was!

Nam het in zijn hand

Het is bijzonder te zien dat Abraham het vuur en het mes in eigen hand houdt. Je kunt daar allerlei praktische redenen voor bedenken. Izak is nog jong, hij kan prima dat hout sjouwen. Maar niettemin lees ik er ook zorg in. 'Het vuur en het mes'; het zou een prikkelende boektitel kunnen zijn.
Abraham nam het in zijn hand. Wij refo's leren graag dat we tot God moeten komen met lege handen. Hier komt de vader aller gelovigen met het vuur en het mes in zijn hand. Attributen die hij vaker had gehanteerd. Al vaker had hij offers gebracht. Maar nu…
Dat vuur vond ik nogal merkwaardig. Waarom ontsteek je dat al onderaan de berg? Ik neem althans niet aan dat hij het al van huis had meegenomen. Hij zal beneden zijn tondeldoos – of iets dergelijks – hebben gepakt en brandbaar en traagbrandend spul hebben aangestoken. Met dat brandende vuur is hij omhoog geklommen. Ja toch? Of moet ik 'vuur' lezen als 'spullen om vuur mee te ontsteken'? Dat zou wel logischer zijn, maar ik zie het er niet staan.
De betekenis der woorden bekijkend zou je ook 'portie' of 'deel' kunnen lezen voor 'hand'. Dan zou je het zo kunnen lezen dat Abraham het vuur en het mes voor zijn portie/rekening nam. Izak zorgde voor het hout, Abraham voor de rest. Hoe het ook zij, die twee dingen die Abraham dan voor zijn rekening nam, waren ingrijpende zaken. Het vuur om het hout onder zijn kind aan te steken. Het mes om zijn kind van voren (van boven) mee tegemoet te treden. "Het waren mijn zonden die U al die jammeren aandeden!"

Zij beiden gingen tezamen

Samen… dat woord is uiterst actueel. Vandaag likken de verliezers van de Tweedekamerverkiezingen hun wonden en kijken de winnaars wat ze nu werkelijk hebben gewonnen. Hoe 'gewonnen' men ook heeft, men zal het in de nieuwe regering toch samen met anderen moeten gaan doen. 'Samen' is ook niet zo erg hip in refokringen. Het is vooral erg evangelisch, krijg ik weleens de indruk. In degelijke kringen is men vooral introvert geworden. "Vroeger spraken de mensen nog wel samen over Gods wegen met een mensenziel, maar dat kom je niet veel meer tegen", wordt er dan gezegd. Is dat waar? Of wordt er niet meer gesproken, omdat de kritiek op elkaar het geloof heeft verdoofd? Wordt er überhaupt wel meer gedeeld in het huwelijk dan alleen het bed? Waarom kan men lichamelijk wel intiem zijn (ik hoop althans dat dat nog wel het geval is), maar kan dat op geestelijk terrein niet? Vader en zoon gaan "beiden tezamen" lees ik vandaag. Ik had zo gehoopt dat ze ook veel gedeeld hadden en samen eensgeestes aan het klimmen waren, God tegemoet. Het blijft helaas stil. Straks, ja straks zal er gepraat worden. Zeker als ze thuis bij Sara zullen komen; hoewel dat ook nog een dingetje zal zijn geweest!

Het blijft voor mij elke keer weer een merkwaardige zinsconstructie: "beiden tezamen". Een soort dubbelop. Er zit iets onlosmakelijks in dat woordenkoppel. Abraham kon niet zonder Izak gaan en Izak niet zonder zijn vader. Dat brandhout en het vuur hoorden onlosmakelijk bij elkaar; evenals het mes en… het offerdier.
In gedachte – ik las dat daarnet in een meditatie – zie ik een ander Offerlam gaan. Het lijkt erop dat Hij alleen gaat naar de offerplaats. Ook op een berg: Golgotha. Maar ging Hij werkelijk alleen of gingen die Beiden ook tezamen? En wie was die ander/Ander dan? Je zou kunnen denken aan Simon van Cyrene. Maar nee; ik moet ook hier de Vader en de Zoon Beiden tezamen zien gaan. De Zoon als Offerlam (het laatste en het beste!) met het hout op zijn rug. De Vader met het vuur van Zijn toorn en het mes van Zijn eens rechtvaardig gesproken Woord: de ziel die zondigt zal sterven!
De Zoon ging niet als een weerloze, maar bij Zijn volle verstand; ook als Hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij Zijn volle verstand, dat wat Zijn Vader deed goed was!

zondag 20 december 2015

Jezus is een Gave; wat is Hij je waard?

'A Savior is Born', FineArt door Joseph Brickley (geboren in 1973)


"Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven…"
Jesaja 9 : 5a

Tegen de Samaritaanse vrouw zei Jezus: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken…” Jezus noemt Zichzelf in Johannes 4 : 10 een 'gave' (dórea = een gift zonder dat verwacht wordt dat het wordt terugbetaald; een vrijwillige gift). Over een paar weken begint de actie Kerkbalans weer in de meeste kerken; anderen kennen een afgeleide daarvan: de vrijwillige bijdrage. Soms wordt de slogan gebruikt: "Wat is de kerk je waard?" Welnu vanuit de genoemde tekst en de dagtekst komt de vraag tot jou en mij: wat is deze Gave, Jezus, je waard?


De Gever

De dagtekst begint met een merkwaardig woordje: 'want'. Dat is een redengeving. Waar is onze tekst de oorzaak van? Als we teruglezen zien we in vers 1 dat het gaat over een volk dat in duisternis wandelt. Geestelijke duisternis, verstoken van God en de kennis van Zijn Woord. Het volk Israël én het volk van Juda hebben zwaar te lijden in de tijd van Jesaja; zeer zwaar. En tóch zullen ze verblijd zijn/worden. "Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht…" (vers 2). Hoe kan dat?
Wel, het juk waar ze onder gebukt gaan (vers 3) zal worden verbroken; reden tot blijdschap en opluchting. Maar er is nóg een reden voor die onbegrijpelijke blijdschap die zéker zal komen. Er zal een Kind worden geboren. Daarom staat er 'want' aan het begin van de dagtekst. Dit Kind zal dus voor blijdschap zorgen, dwars door en ná de verdrukking.
Dat Kind is een Jongetje, een Zoon. Jesaja volstaat niet met enkel te zeggen dat Hij geboren zal worden (let er eens goed op waar het accent ligt in de kerstdiensten die jij bezoekt?). Nee, Jesaja voegt eraan toe dat dit Kind 'gegeven' is. Is! Jesaja beleeft het alsof het al gebeurd is, terwijl het nog eeuwen zal duren! Zo zeker zál het gebeuren… en het is gebeurd!
Wie is de Gever? God de Vader; lees het maar in Johannes 3 vers 16 en 17 (we hebben daar al eerder bij stilgestaan):
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.

De Gave

Deze grote Gave heeft de Vader met een doel gegeven. Om Zelf in het middelpunt te staan? Wij mensen geven nogal eens een cadeau aan anderen, om daarmee gezien te worden. Hoeveel wikken en wegen gaat er soms vooraf aan de koop van een cadeautje! Wat zullen de mensen wel zeggen als ik dit of dat geef… Of: is dit cadeau wel groot genoeg? Raar eigenlijk, als je er goed over nadenkt.
Nee, zo is de Vader niet. Hij gaf deze Gave om de wereld te behouden. Dit was de manier waarop Hij Zijn liefde uitbeeldde aan deze goddeloze en van Hem vervreemde wereld. Welk mens zou zo iets ooit doen? Daar moet je God voor zijn!
De Gave is 'de Zoon', die al in het Oude Testament was beloofd. Lees de Kanttekeningen:
Dat is, zal ons in de volheid des tijds geboren worden. De profeet spreekt van de geboorte van Christus niet anders dan of het alreeds geschied was, vanwege de zekerheid dezer profetie. Zie Jesaja 53, in de beschrijving van het lijden van Christus.
Hij is zowel de zoon van God (denk aan Psalm 2 : 7 waar staat: "De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd") als de zoon van Maria (Jesaja 7 : 14, waar we lezen: "Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.").

Deze Zoon gaf Zich als vrijwillige Gave. Hij had in de eeuwigheid goed nagedacht over dit geschenk. Want Hij wilde juist wél gezien worden. Net zoals wij mensen doen? Nee, totaal niet. Hij wilde gezien worden door Zijn Vader. Hij wist dat, wanneer Hij in de volheid des tijds naar de aarde zou gaan, de Vader voortdurend naar Hem zou kijken, met grote gepassioneerde trots. "Kijk, dat is Mijn Zoon en dat doet Hij allemaal voor Mij! In zo'n Zoon schep ik een groot welbehagen!"
Maar Hij wilde ook dat de mensen Hem zagen. Dat moest wel, want Hij zou gaan lijken op die koperen slang in de woestijn. Daar moesten de mensen ook naar kijken; wie niet keek, stierf. Welnu: Jezus wil gezien worden. Niet om er Zelf iets mee te worden, maar om jou en mij te behouden én om Zijn Vader weer zichtbaar te maken voor ons verduisterd mensenverstand. Wat een gave Gave!

De ontvanger

De grote vraag is tot slot: wat doen wij met deze Gave? Want terecht wordt erop gewezen dat Hij aan 'ons' is gegeven. Bijzonder is de boodschap van de engel aan de herders: "Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids." Je mag dat 'u' ook vrij vertalen met "speciaal voor u"! Een exclusief geschenk van de hemel!
Met een speciaal doel: onze zaligheid realiseren. God gaf Zijn Zoon om ons weer eeuwig gelukzalig te maken. Daar kun je toch niets tegen hebben? Dan is toch die vraag niet zo vreemd: "Wat doe jij met dit kostbare Geschenk, deze Gave? En wat is Hij je waard?"




vrijdag 11 december 2015

Jezus bevestigt Zijn belofte exact


Op onze pelgrimstocht door het leven zijn er af en toe ontmoetingen die ons bemoedigen en het zicht op Thuis versterken.


"En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft. Zo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was; en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het op dezelve ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft."
Johannes 4 : 51-53a

In vers 47 en 49 zagen we dat Chûsas het woord 'afkomen' gebruikte. Dat heeft letterlijk de betekenis van naar beneden komen. Echter, Jezus ging niet mee naar beneden. Hij stuurde de man naar beneden en liet hem vergezeld gaan van Zijn Heilige Geest. De roeping van de man lag nog tot aan zijn sterven hier beneden. En dat geldt ook voor ons. Dat neemt niet weg dat Jezus ons bij tijden optrekt uit de diepten van dit aardse bestaan en ons even aan Zijn hart drukt, als voorproef van de eeuwige heerlijkheid. Een van die 'knuffels', met eerbied gesproken, ondervindt de man onderweg, terwijl hij de weg afdaalt van Kana naar Kapernaüm.

De volharding van vandaag

Toen God Abram riep uit Ur – en later uit Haran – gaf Hij hem slechts een bevel om te vertrekken. En hij ging, zonder iets te zien van waar God hem uiteindelijk zou brengen; geen idee waar hij uit zou komen en – naar ik vermoed – ook vast weleens twijfelend of het allemaal wel waar was wat hij had gehoord. Die reis duurde ettelijke jaren; wat een momenten zijn daarin geweest waar de satan had  kunnen binnendringen in het geloofsleven van Abram. De Bijbel zwijgt erover; stelt slechts dat hij volhardend doorreisde in het geloof, zonder de stad te zien of te kennen waarheen hij op weg was.
Deze hoveling Chûsas – laten we maar aannemen dat hij het is – wordt ook op pad gestuurd, zonder dat hij zekerheid heeft over de situatie van zijn lieve zoon. Er was nog geen WhatsApp, geen SMS of andere datacommunicatie om verbinding te hebben met het thuisfront. Hij had ook geen snelle Ferrari om zo snel mogelijk naar Kapernaüm te sjezen. Hooguit reed hij op een rijdier, maar dat is niet aannemelijk als we op de tijden letten die we lezen in de tekst. Want we lezen dat de reis van 25-40 kilometer nog niet ten einde is, als hij de volgende dag tijdens zijn afdaling zijn knechten tegenkomt, die inmiddels ook al een flink stuk hebben omhoog gelopen!
Tot dat moment moet zijn innerlijke gemoedsgesteldheid het doen met geloof, zonder aanschouwen. Het staat er slechts in een paar woorden, maar het is goed dat we daar even goed bij stilstaan. Herken je dat? Dat je niet kunt overzien waar het heen zal gaan in dit leven; dat het niet troost, wanneer je speculeert dat zekerheid misschien over een week, een maand of een jaar zal komen? Deze man heeft in onze ogen alles tegen qua religieusiteit ten opzichte van ons; maar hij mag een goed voorbeeld voor ons zijn. Hij gaat vandaag reeds in het geloof en de HEERE rekt die spanningsboog van dat geloof niet tot het oneindige op; luister maar.

De ontmoeting van morgen

Het is de andere dag. Hoe onwerkelijk zal de situatie in het hart van deze man zijn geweest. De herinnering aan het gesprek met Jezus, gisteren, ligt nog wel vers in zijn geheugen, maar met die herinnering moet hij deze morgen weer verder, op weg naar zijn jongen. Het verlangen naar huis maakt zijn voeten vaardig.
Hij heeft alweer enige tijd gelopen – is het een uur geweest of zijn het misschien wel vijf uren geweest? – als hij in de verte mensen ziet aankomen die hij kent. En wat meer, zij herkennen hem ook! Het zijn knechten uit zijn huishouding. Druk zwaaiend rennen ze de afstand tussen hun heer en zichzelf dicht. Wat kan dat betekenen? De man zal niet direct hun gezichten hebben gezien; het stralen van hun ogen was nog niet waarneembaar. Is het foute boel? Is zijn jongen tóch overleden… aanvechting en twijfel liggen zomaar op de loer, al lezen we er niets van!
Maar ze staan nog niet vlak voor hun heer, als hij al wel weet waarom ze hem tegemoet zijn gelopen: "Uw kind leeft!" Onwillekerug vraag je je af: waarom zijn deze knechten eropuit gestuurd? Want zij zullen niet zelf naar hun heer zijn gelopen; iemand moet hen hebben gestuurd. De jonge zoon? Of de moeder, Johanna? Ze hebben er bewust voor gekozen Chûsas niet langer in het ongewisse te laten. Daar spreekt liefde uit. Hij ging met zo'n bezwaard en bedroefd hart van huis! Nu willen ze hem zo snel mogelijk blij maken. De houding die je vandaag de dag nogal eens tegenkomt, "O, hij zal het vanzelf wel een keer horen", was hen vreemd. Ze waren dolgelukkig en wilden Chûsas er zo snel mogelijk in betrekken. Ze lijken wel op de herders die net uit de stal in Bethlehem komen. Of net als die vrouw uit de gelijkenis die haar penning weer gevonden had; of die herder, die zijn schaap had terug gevonden.

De bevestiging van gisteren

Al met al is er een dag verstreken. Het eerste dat Chûsas doet is vragen naar het tijdstip waarop de jongen is genezen. Zijn knechten weten het hem tamelijk precies te melden en terugrekenend concludeert hij dat die tijd exact overeenkomt met het moment waarop Jezus hem wegstuurde met de mededeling dat zijn zoon was genezen. Sterker nog: de knechten gebruiken dezelfde woorden als Jezus: "Uw zoon leeft!" (al noemen zij hem 'kind' in plaats van 'zoon'). Ze zeggen niet "uw kind is weer gezond", of "hij is weer beter geworden". Ook spreken ze niet over "hij is aan de beterende hand". De stelligheid waarmee Jezus' wonder wordt bekrachtigd is kenmerkend voor het werk van Christus. Geen half werk.
Met name die match met het tijdstip van de genezing is voor de man – wanneer hij werkelijk rentmeester Chûsas is – van doorslaggevend belang geweest. Het moet cijfermatig, exact kloppen. En het klopt! De man komt mij niet over als een zweverig gevoelsmens; meer als een rationele denker. Daarom is het eerste dat hij vraagt niet "Hoe is het gegaan?", maar "Om welke tijd werd mijn zoon gezond?".
De koorts was om zeven uur geweken; dat betekent volgens onze tijdsindeling: rond 13.00 uur. De man had Jezus dus midden op de dag ontmoet, net als die vrouw uit Sichar! Jezus werkt de hele dag! Op het snikheetste moment zelfs. Ik ga ervan uit dat de man niet direct is omgekeerd op dat snikhete moment, maar toch zal hij de vorige dag nog wel een uur of vier hebben kunnen lopen. Ik vermoed dat de knechten vrijwel direct na het wonder van de genezing zijn vertrokken; wellicht wilde Johanna het nog even afkijken, omdat zij niet kon begrijpen wat er zo opeens gebeurde met haar kind. Jezus was er immers nog niet en tóch werd haar zoon opeens gezond! Het leek haar een wonder buiten Jezus om; niets was minder waar.
Maar terugrekenend zullen ze dus vandaag hooguit een uur of twee hebben gelopen en elkaar ergens halverwege in de heuvels van Galilea hebben ontmoet. Merkwaardig dat ze elkaar tegenkwamen; ze moeten van elkaar geweten hebben welke weg gebruikelijk was. De HEERE brengt deze twee groepen reizigers met elkaar in contact en samen mogen ze genieten van de wonderen des HEEREN. Daarna mogen ze samenop naar huis wandelen!
Want Chûsas kon natuurlijk precies vertellen wat er was gebeurd, waardoor zijn zoon gezond was geworden. Zulke ontmoeten mogen er regelmatig zijn: pelgrims die elkaar onderweg spreken en geestelijke ervaringen mogen uitwisselen met elkaar, zodat soms de dingen weer op hun juiste plek vallen en ze goedsmoeds, toegerust mogen voortreizen naar Huis.

woensdag 9 december 2015

Worstelen voor het behoud van je kind

Op deze reliëfkaart van Israël kun je zien dat Kana (Cana) beduidend hoger lag dan Kapernaüm (Capernaum),
hemelsbreed ruim 25 kilometer van elkaar verwijderd; dit voor de beeldvorming bij het tekstgedeelte van vandaag.

"En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.
Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem,
dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.
Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.
De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft."
Johannes 4 : 46b-49

De koninklijke hoveling – laten we hem voor het gemak maar Chûsas noemen – kwam met een dringend en dwingend verzoek bij Jezus. Zijn kind – later zal blijken dat het een zoon was – is stervende. Wat lopen we hard als één van onze kinderen ernstig zie is. Het drukt op ons, als hun gezondheid in gevaar is. Maar hoe zit het met onze zorg om hun geestelijke gezondheid? Want al onze kinderen liggen op sterven (ze zullen eenmaal, en wie weet hoe snel al) moeten sterven; zijn ze bereid om Jezus te ontmoeten? Is hun leven in Zijn hand geborgen?

Een noodkreet

De zieke zoon – hoe oud zal hij geweest zijn? – blijkt met de beste medicijnen niet te genezen. De vader van deze jongen is vast en zeker goed bemiddeld, maar geld baat niet. Zullen de ogen van Johanna haar man hebben gesmeekt af te reizen naar Kana? Zullen de koortsige ogen van de jongen zijn vader gesmeekt hebben naar die grote Medicijnmeester te vluchten?
Zacheüs wilde Jezus ook eens graag zien, maar schaamde zich voor de mensen op straat; daarom klom hij in een vijgeboom. Deze man is er eentje van de hofhouding van de collaborateur Herodes. Mensen zullen vast wel misprijzend naar hem hebben gekeken. 
Een tijd geleden had een overste over honderd uit datzelfde Kapernaüm Jezus ook al eens geroepen voor zijn doodzieke knecht (Mattheüs 8 en Lukas 7); toen waren de overpriesters zelfs nog voor de man in de bres gesprongen bij Jezus: "Hij is waardig, dat Gij hem dat doet; want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd." Zeker was daar voor hen bijzonder veel voordeel bij, dat deze overste zou worden geholpen. Het lijkt erop dat Chûsas een stuk minder populair was tot dit moment.
Na al die denkbeeldige drempels te zijn overgegaan, komt hij dan eindelijk bij Jezus en smeekte Hem dat Hij zijn zoon zou genezen. Die andere hoofdman uit Kapernaüm had benadrukt dat Jezus niet onder zijn dak behoefde in te komen: "Spreek slechts één woord en mijn knecht zal genezen." Zou Chûsas daar iets van hebben meegekregen? Toch vraagt hij – op het risico af dat zijn zoon het niet zou overleven – dat Jezus met hem meegaat naar zijn huis. Er is niettemin haast geboden. Een noodkreet… wat zou dat doen bij Jezus?

Een loze kreet

"Komt allen tot Mij…" heeft de Heiland eens gezegd. Een uitnodiging dat de deur altijd open staat. Bij Hem vind je een luisterend oor. Maar kijk eens naar Jezus' gezicht! Hij kijkt de schare rond, nadat Chûsas zijn noodkreet heeft geuit: "Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven." De Kanttekeningen geven deze tekstverwijzing door uit 1 Korinthe 1, waar we in vers 21-24 lezen:
"Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven; overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods."
De begeerte om iets bijzonders mee te maken beperkt zich eigenlijk niet alleen tot de Joden. Dat zit ons – zeker als we gevoelsmensen zijn – allemaal wel in het bloed. Terwijl de nuchtere Griek – de wat meer filosofische en rationele mens – het pas accepteert, als hij het begrijpen kan. Wat een sta-in-de-wegs! Jezus spreekt over 'tekenen' en 'wonderen'. Teken is een woord dat staat voor 'een gebeurtenis die zo bijzonder, buiten het normale, geschiedt dat het iets bovennatuurlijks duidelijk maakt' of 'een duidelijk teken waardoor je kunt weten dat God dit wil of doet' en wonder betekent 'voorteken' of 'wonderlijke verrichting door iemand'. Die woorden lijken elkaar te overlappen, maar er zit denk ik wel een bepaalde nuancering in deze twee woorden. Vooral het woord 'teken' legt duidelijk ene link met God. Jezus moet eigenlijk bewijzen met deze dingen dat Hij God is.
Het is niet duidelijk of Jezus dit tegen Chûsas zegt, of juist tegen de omstanders, of allebei.
En ik denk dat ik er niet ver naast zit dat het jou en mij meer dan eens is overkomen dat we ook door dit soort begeerten worden overmand en een teken, een briefje uit de hemel, begeren. Juist als het gaat over toekomende dingen. Ons werk, onze gezondheid, ons geestelijk leven en de verdieping daarvan; maar zeker ook de zorgen rond de zielen van onze kinderen of ouders of broers en zussen.
Geloven moet het zonder tekenen en wonderen kunnen. Maar is het Avondmaal er niet een teken van dat de HEERE weet heeft van de zwakheid van ons geloof: daar krijgen we tekenen 'voorgeschoteld' zodat we kunnen smaken en tasten dat het écht waar is!
De woorden van Jezus klinken hier wel als een verwijt; de roep om wondertekenen is ten diepste een loze kreet. Het gaat ons in dat geval om de tekenen op zich en niet om de betekende zaak! Het Avondmaal echter is een liefdevolle neerbuiging van God naar ons zwakke hart. En dat teken mogen we dankbaar gebruiken!

Een hartekreet

Terug naar Chûsas; "Heere, kom af, eer mijn kind sterft!" Het is niet alleen het feit dat zijn zoon ziek is, waardoor hij de druk op Jezus opvoert, maar vooral het feit dat er haast geboden is. "Kom toch snel, voordat mijn kind sterft!" Bedenk daarbij dat de loopafstand meer dan 25 kilometer was!
"Kom af…" (kata'baino): 'naar beneden komen' (die woord wordt wel gebruikt voor hemelse wezens die naar de aarde afkomen); 'gezonden worden' of 'terneer geworpen worden in de diepste toestand van ellende en schande'. Chûsas zal dat laatste er zeker niet bij hebben bedacht, maar het eerste waarschijnlijk wel. De hoogteverschillen in het landschap zullen ervoor gezorgd hebben dat Chûsas sprak van 'afkomen', vanwege dat Kana wellicht een stuk hoger lag dan het bij de zee gelegen Kapernaüm (zie het kaartje bovenaan).
Toch is een vraag aan Jezus om mee te komen vanuit Hem gezien ook een 'afkomen'; Hij moet zich vernederen om bij mensen te komen. En hóe heeft Hij dat gedaan, door te worden geboren in een beestenstal. Hij daalde af in ons menselijk vlees, vanuit Zijn hemelse heerlijkheid. "Daal neer, HEERE, in ons door de zonde verworden bestaan. Kyrie eleison: Heere, ontferm U onzer!"
We weten dat Christus wederkomt. Opnieuw zal Hij neerkomen naar ons (en wij Hem tegemoet…) De kerk roept in toenemende mate: "Kom, Heere Jezus, ja kom haastig!" Maar bij die diep doorleefde uitroep bidt ik toch ook: "Heere, kom af in het hart van mijn kinderen, eer ze sterven!" Vul maar in, wie jij op het oog hebt, die nog gered moet worden. Misschien dat ene kind, die ene zoon, die geestelijk op sterven ligt, met de eeuwigheid voor ogen… Schijnbaar onbereikbaar. "Daal, o Heilige Geest, af in hem, eer mijn kind sterft!" Een hartverscheurende hartekreet in het zicht van de Jongste Dag.

dinsdag 8 december 2015

Het effect van een goed gerucht over Jezus

Eén van de drie vrouwen bij het graf was Johanna de vrouw van Chûsas (dezelfde waarschijnlijk als de hoveling in onze dagtekst). Er zijn aanwijzingen dat Chûsas en Johanna later in Rome Paulus' medearbeiders waren onder de romeinse namen Andrónikus en Júnias (Romeinen 16 : 7)


"Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.
Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.
Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem…"
Johannes 45-47a

Gisteren zagen we dat Jezus Nazareth links liet liggen en die plek – waar men niet op Hem zat te wachten – passeerde om naar Kana door te reizen. Die tocht heeft eenzelfde doel als de tocht naar Sichar. Jezus moest door Samaria gaan, maar Hij moest evenzeer hoognodig naar Kana gaan. Daar zaten mensen op Hem te wachten en het gerucht van Zijn komst was Hem al ver vooruit.

Een goed gerucht zorgt voor een goed ontvangst

Zoals de vogels in de bomen met hun gezang de lof des Heeren verkondigen, zo is het ónze opdracht en zegenrijke levenstaak om een goed gerucht van onze Heere en Heiland te verspreiden. Tijdig en ontijdig; ik geef toe dat we vaker dan nodig eerst proberen in te schatten of het wel zin heeft!
De tussenstop die Jezus maakte in Sichar had nog een extra reden, naar het lijkt. Met deze tweedaagse vertraging van Zijn reis naar Kana, geeft Hij alle ruimte om door diverse Jeruzalem-gangers het gerucht van Zijn naderende komst (trouwens ook een doordenker voor ons, met betrekking tot Zijn naderende tweede komst!) voldoende te laten verspreiden.
En het zijn juist deze promoters die worden genoemd in vers 45: "de Galileërs, die al de dingen die Jezus in Jeruzalem op het feest had gedaan, hadden gezien; want zij waren ook op het feest van Pascha geweest." Deze ooggetuigen – en we laten hun diepere motieven even buiten beschouwing – worden nu ingeschakeld in een bijzonder proces, waar ze zelf, naar mijn gevoelen, nog nauwelijks zicht op hadden. Wat hun motieven ook waren (nieuwsgierigheid, zo je wilt), ze brengen met hun bericht van Jezus' komst, de gemoederen in beweging.
En… er ontstaat een warm ontvangst als Jezus uiteindelijk verschijnt. Laten we daar goed op letten! Zie de Bijbelstudie van gisteren.

Een goed gerucht zorgt voor een grotere oogst

De Bijbel zoomt in op één van die mensen die dit goede gerucht te horen krijgt. Hij was vrijwel zeker niet naar het feest geweest, want zijn zoon was doodziek; wellicht was hij ook niet eens welkom in Jeruzalem, omdat hij een maatje van Herodes was. Wie was deze mysterieuze man? De kanttekeningen wijzen voorzichtig op Chûsas, wiens vrouw Johanna één van de vrouwen was die Jezus volgden op Zijn tocht naar het kruis:
"Namelijk officier of heer, in dienst of uit het hof van den koning Herodes, welke sommigen menen dat Chuzas zou geweest zijn, de rentmeester van Herodes, wiens huisvrouw Johanna benevens andere vrouwen den Heere Christus dienden van haar goederen, Luk. 8:3, hetwelk ook het drie en vijftigste vers schijnt te bevestigen."
Hij maakte deel uit van de hofhouding van Herodes en was wellicht toen of later een geloofsbroeder van Menahem, die Christus ook aan de klauwen van satan had ontrooft. Deze laatste was een jeugdvriend van Herodes geweest; hij zal ook zeker geen lieverdje zijn geweest, maar als een moordenaar aan het kruis kan worden gered van de geestelijke dood, dan kan een maatje van een dictator als Herodes ook worden gered! Wat een troost voor allen die worstelen met zielen die onbereikbaar lijken voor het Evangelie en een God-loze weg begeren in te slaan.
De hoveling heeft een groot probleem én er moet iets in zijn leven zijn gebeurd. Hij heeft namelijk een doodzieke zoon én hij heeft gehoord van Jezus' komst. Blijkbaar was het gerucht vanuit Kana ook in Kapernaüm terechtgekomen (zo breed was het nieuws dus verbreid!). Dat was er de reden van dat hij de stoute schoenen aantrok en naar Kana afreisde. Wellicht had ook hij gehoord van het wonder dat Jezus daar vorig jaar had gedaan: water in wijn veranderen! Dat moet een ophef hebben gegeven; wellicht ook argwaan.
Deze officier of rentmeester van Herodes zat vast en zeker goed in de slappe was, maar zijn vermogen was blijkbaar niet toereikend om zijn zoon weer gezond te krijgen. Later zal ook zijn vrouw Johanna een vermogende vrouw blijken te zijn, die Jezus met haar vermogen diende. Ook zo'n mooie lijn, die we kunnen trekken naar ons bestaan van vandaag; zeker naar aanleiding van de preek van afgelopen zondag over "Gij zult niet stelen" (dat ook betekent dat we met ons goed en vermogen de groei en verdieping van Gods Koninkrijk bevorderen en onze zwakke en arme broeders en zusters bijstaan). En voor zo veel gij dit aan één van Jezus’ minste broeders of zuster hebt gedaan, hebt gij het gedaan aan Hem!
Welnu, deze stoere, rijke man, die eraan gewend was door slaven te worden bediend, komt nu in de gestalte van een bedelaar tot Jezus. Wellicht nog met een bepaalde hautaine houding, alsof hij Jezus kon bevelen, maar toch, hij was de grootste drempel van zijn hoogmoed over en ging! Want zijn zoon lag op sterven… Morgen zullen we dieper ingaan op wát hij wenst van Jezus en wat dat ons kan leren. Voor dit moment is het wonder van zijn komst tot Jezus een vrucht op de prediking van de mensen uit Kana: "De Meester komt eraan!" Ben jij ook zo'n prediker?

zaterdag 28 maart 2015

Een wonderlijke ruil

"Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke."
Johannes 17 : 1



De Amsterdamse predikant Johan Temmick (1701-1768), die enkele jaren daarvoor in Schoonhoven stond, verzamelde een serie prachtige preken in een bundel over het Hogepriesterlijke gebed. Ik prijs me rijk met een oude druk van deze bundel in mijn kast. Maar hoe mooi zo'n bundel preken ook is, het Hogepriesterlijke gebed zelf is van een veel groter waarde en diepte en het overdenken waard! Ik beperkt met tot slechts enkele gedachten, de komende dagen.

Werkuitwisseling

In dit uitgebreide en diepe gebed geeft de Heiland ons een blik in hoe de Vader met de Zoon communiceert. Weliswaar op menselijke wijze uitgedrukt. Let erop dat Jezus hier God nog Zijn Vader noemt. Het uur nadert waarop Hij Zijn Vader slechts 'Mijn God' zal noemen.
Maar voor het zover is, spoort Hij Zijn Vader aan om toe te zien dat de heerlijkheid voor Jezus gereed wordt gemaakt. Het uur van diep lijden voor de zonde der wereld is aangebroken. De Vader had dit moment bepaald; de Zoon had erin toegestemd en daarin lag ook de vervulling van Zijn taak. Maar daarna zou de Vader weer 'aan zet' zijn, door Zijn Zoon met eer en heerlijkheid te kronen.
Heel bewust richt Jezus Zich op die kroon, om zo het lijden in zijn juiste proportie te zien, zoals we dat lezen in Hebreeën 12 : 2: "Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God". Niet om er maar wegwuivend over te doen; dan beseffen we de last van onze zonden niet! Maar wel om te leren hoe Jezus omging met zulke diepe en heftige lijdensvraagstukken.
Terwijl Jezus Zich richt op het lijden en vooral het doel van dat lijden – de verlossing van de zondemacht en satans heerschappij – beveelt Hij hier reeds Zijn ziel in de handen van Zijn Vader, door Zijn verheerlijking onder de aandacht van Zijn Vader te brengen. Wist de Vader dat dan niet? Of was Jezus er niet zeker van of de Vader Hem die kroon wel zou uitreiken? Nee, maar lees de Kanttekeningen er eens bij, want die roeren een heel protocol aan dat de Vader en de Zoon samen zijn overeengekomen. Er ligt, met eerbied gezegd, een heel draaiboek van het lijden in de hemel. Maar dit benoemt Jezus zo in het openbaar, opdat Zijn jongeren hier moed en troost uit zouden putten. In de Kanttekeningen staat:  
"Dat is, toon in Zijn diepste vernedering dat Hij uw Zoon is, hetwelk ook door vele wondertekenen in Zijn lijden gesteld is, Matth. 27:46,51,52,53, en inzonderheid door Zijn opstanding, hemelvaart en zitten ter rechterhand Zijns Vaders. Zie de aantekeningen Joh. 17:5".
In vers 5 staat: "En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was." En daarbij tekenen de Statenvertalers dit aan:
"Dat is, stel mij tot uwe rechterhand in het volle gebruik mijner heerlijkheid, welke Ik van eeuwigheid wel bij u gehad heb, maar die in den tijd mijner vernedering in mijn menselijke natuur tot zaligheid der mensen, gelijk als verborgen is geweest. Zie Filipp. 2:6,7,8,9."
Beiden hebben verschillende taken in dit werk van de verlossing. De Vader is niet alleen de Aanklager en de Veroordeler, maar Hij is ook Degenen die de regie strak in handen heeft, de exacte grenzen aan de satan aangeeft, de maat van het lijden precies weet omdat Hij ook de maat van de zondeschuld exact kent. Het werk wordt verdeeld, de taken nogmaals doorgenomen en de overeengekomen afspraken uitgewisseld. Ik begrijp zo goed dat dit op dat moment aan de discipelen is ontgaan, maar naderhand… tot op de huidige dag mogen we dieper zien en dieper luisteren. Doen we dat ook?

Uitwisselwerking

Het is niet om het even hóe Christus gaat lijden. Weliswaar gaat Hij voor ons, opdat wij nimmermeer van God verlaten worden. Maar de grootste drijfveer is toch nog iets anders: de verheerlijking van Zijn Vader. Hier gaat Christus de weg die wij mensen hadden moeten gaan. Ik bedoel niet de weg van de straf en boete, maar de weg van de gehoorzaamheid en toewijding aan de Vader. Dát is de weg. Waarom willen we in onze kringen toch zo graag – zelfs in het borgtochtelijk lijden en sterven van de Heiland – zelf iets lijden toevoegen. Ik doel dan op het lijden dat wij niet kunnen lijden maar wel zouden moeten lijden. Hoewel dat waar is, is dat helemaal niet aan de orde. Dan staan wij nog naast die dochters van Jeruzalem en zien de Heiland vol treurigheid voorbijtrekken. Met al hun aandoenlijk gesnotter werden die dochters van Jeruzalem toch nog iets. Met al ons gesnotter over dat een mens niets kan – zelfs geen nagelschrapseltje aan zijn zaligheid toevoegen, integendeel, de schuld elke dat alleen maar groter maken – worden we toch nog graag de boeteling die ergens een vinger tussen Gods gesloten deur probeert te krijgen. Met een kruiperige houding in het gevlij bij God proberen te komen?
Ik zie er bij Jezus geheel niets van. Integendeel. Hij spreekt met Zijn Vader over verheerlijking van twee kanten: een wisselwerking. Ze wisselen de speerpunten uit van deze verlossingsactie. De Zoon verheerlijkt de Vader en de de Vader zal de Zoon onnavolgbaar verheerlijken. En let er dan nog een keertje op dat de Kanttekenaren de vinger leggen bij 'verheerlijking IN het lijden' en vervolgens 'verheerlijking BIJ de opstanding'. Dat van de Opstanding kunnen we nog wel snappen. Maar de Vader verheerlijkt Zijn Zoon in het lijden; zeker ook in het lijden! Bedoeld wordt dan de bijzondere tekenen die geschieden tijdens het lijden en sterven van Jezus. Denk aan de engel in de hof, de duisternis, het scheuren van het voorhangsel en de aardbeving waardoor de graven werden geopend en de doden als voorbode opstonden uit hun graven.
Jezus heeft van Zijn kant de Vader op allerlei manieren verheerlijkt tijdens Zijn lijden en sterven. Hij voegde Zich onder de wil van Zijn vader (denk aan de drie gebeden in de hof), Hij liet Zich vangen en voerde geen wraak, Hij bad voor Zijn vijanden, had oog voor Zijn moeder, de discipelen en de onnozele soldaten, ontfermde Zich over de moordenaar aan het kruis, zweeg grotendeel tijdens de valse beschuldigingen, rechtvaardigde Zichzelf niet, maar verheerlijkte Zijn vader zelfs tegenover Pilatus, Hij stelde Zijn leven en vooral Zijn ziel in de hand van Zijn Vader en riep zowel tot Zijn Vader als tot de wereld: Het is volbracht. In die drie woorden ligt de totale kern van de verheerlijking van Zijn Vader. We beschouwen Jezus als afgemat en uitgeteerd, wanneer Hij het moet afleggen van de zeis van de dood. Maar niets is minder waar. Er staat dat Hij met een grote stem riep: Het is volbracht. Laten we niet te emotioneel over het lijden spreken als was het afgrijselijk! Het lichamelijk lijden haalde het echter niet bij het van God verlaten zijn!!
Zo wisselt Christus Zijn ziel in bij de Vader en geeft de Vader Hem die weer terug op de Eerste Paasdag, als blijk van volkomen genoegdoening. Wat een uitwisseling vindt hier plaats! Kohlbrugge noemde het de wonderlijke ruil:
"die wonderlijke ruil: mijn kruis werd Zijn kruis. ‘En nochtans, Zijn kruis, al is het ook mijn kruis; want ik heb verdiend, de vloek, de eeuwige schande, de eeuwige smaad te dragen, en daaronder voor eeuwig om te komen, – nochtans: Zijn kruis! Zó heeft het de eeuwige liefde behaagd! Wat het mijne is, werd het Zijne; wat het Zijne is, werd het mijne."

Ergens las ik een artikel over dit detail uit Kohlbrugges preek. Deze preek werd wel de 'schedelpreek' genoemd, omdat hij eindigde met een voorbeeld over zijn eigen schedel. Dit voorbeeld werd omgezet in een lied dat vertaald als volgt luidt:

Wanneer ik eens gestorven ben,
– maar ik zal nimmer sterven –
en iemand vindt mijn schedel dan,
die alle licht moet derven;

dan predike die schedel nog:
ik zie Hem zonder ogen,
ik mis verstand, toch grijp ik Hem,
zal eeuwig Hem verhogen.

Ik heb geen lippen en geen tong,
maar kus Hem, mag Hem loven
met de belijders van Zijn Naam
op aarde en hierboven.

Ik, hard en dood, ben wonderbaar
versmolten in Zijn liefde,
want Hij ging uit naar Golgotha,
waar ’t zwaarste leed Hem griefde.

Ik ben hier ver van ’t Paradijs,
op sombere dodenakker,
toch leef ik ’t volle leven nu;
Zijn liefde riep mij wakker.

Ik ben een dorre schedel slechts,
maar alles trilt van ’t leven,
dat Zijne liefde wonderbaar,
mij, arme, wilde geven.

En alle leed is nu voorbij,
omdat Hij, wreed geslagen,
de vloek van zonde en van dood
voor mij heeft weggedragen.

vrijdag 6 maart 2015

Voorbereiding HA - Aan tafel bij de Zoon en de Eigenaar

"…met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees, hetwelk hij aan het volk gaf; en zij aten.…"
1 Koningen 19 : 21b
 
"Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over."
Ruth 2 : 14
 
 
Boaz nodigt Ruth bij hem aan tafel
 
Omdat de tijd van de maaltijd des HEEREN zo kort is – slechts een moment – wil ik er graag al van te voren aandacht aan besteden en met je over nadenken. Die begeerte werd gestimuleerd doordat er iets opblonk in die tekst uit de geschiedenis van Elisa's roeping. Hij slachtte niet alleen zijn koeien en verbrandde zijn gereedschap tot een offer, maar hij liet er zijn volk in delen. Met name het woord 'volk' en 'gaf' legde voor mij een diepe link naar de bediening van het Heilig Avondmaal. En ik moest terugdenken aan een preek van ds. N.P.J. Kleiberg – bij de bediening van het Heilig Avondmaal in onze gemeente – over de geschiedenis van Ruth op de akker van Boaz. Graag wil ik die lijnen met je delen.

De gastheer is de zoon van de eigenaar

Met ferme slagen hakte Elisa de ploeg aan stukken. Met oosterse handigheid legt hij een vuur aan en nadat de vlammetjes het door vonken aangestoken hooi oplikken, voedt hij ze met het hout van de ploeg. Eerst de splinters, dan de wat grotere stukken en vervolgens de grove bonken hout. Boven het knapperend vuur hangt hij de stukken vlees te braden. Zorgvuldig schroeit hij het vlees dicht. Een heerlijke geur mengt zich met de geur van vers geploegde aarde, dampende koeienlijven en de werkkleding van de arbeiders. Allen zoeken een plekje. Dit is meer dan een gewone maaltijd. Het volk – dat even te voren nog op het land bezig was, samen met Safan en Elisa – voelt de lading van het moment. Gespannen kijken ze naar Elisa. Ook vader Safan probeert de essentie van het moment te peilen, terwijl zijn blik van zijn zoon Elisa naar de profeet Elia gaat, en vice versa.
Als het vlees gaar is en de dienstmeiden de manden brood hebben gebracht, wordt het stil. Elisa dankt de hemel, de HEERE, de God van het verbond. Na het gebed weet ieder van het volk hoe de vork aan de steel zit. Zowel voor wat betreft de nieuwe toekomst van Elisa en de toekomst van de boerderij, als ook Elisa's geestelijk innerlijk. Met zorg snijdt Elisa het vlees en deelt het, samen met het brood, aan het volk uit… Diep onder de indruk nemen zij het toebedeelde deel aan en … eten.
Gastheer is Elisa, de zoon van de eigenaar van de boerderij, Safan. Het trof me dat Elisa zelf de dieren slachtte, de ploeg tot brandhout sloeg, het vlees 'zood' (braadde) en het uitdeelde. Niet vader Safan, maar zijn zoon Elisa!

De gastheer is de eigenaar zelf

Na een intiem gesprek tijdens het werk dirigeert Boaz de jonge weduwe Ruth – die met Naomi uit Moab is gekomen en nu in Bethlehem woont – naar de etenstafel op het land. Misschien wat in de schaduw van een paar bomen, zitten de maaiers dromerig voor zich uit te staren, al kauwend op hun brood en geroosterd graan. Hier en daar worden wat woorden gewisseld. Maar er worden vooral blikken gewisseld en nieuwsgierig wordt Ruth bekeken. Ze is geen werkster, geen maaister, geen bindster… en tóch hier aan tafel. Ze hoort niet bij het personeel van de gastheer en eigenaar, Boaz. Wat een gunst: ze krijgt een plek naast de gastheer. 
En kijk, hij 'langt' haar het geroosterde koren zelf! 'Langen': 'tsabat'… reiken of toesteken. Boaz wijst op de zure vinegar-saus, waarin hij en de anderen hun brood dopen. Hij geeft haar persoonlijk het speciaal voor haar geroosterde koren, terwijl hij zich naar haar overbuigt. Dat betekent, dat hij haar helemaal tegemoet komt; ze hoeft er zelf helemaal niets voor te doen. Wat een gunst… het wordt haar gewoon gegeven, om niet! 
De gastheer is de eigenaar zelf, maar hij schaamt zich niet om met het gewone volk de maaltijd te gebruiken en zo gemeenschap met hen te hebben. Vriendelijk kijkt Boaz de kring rond; en meer dan eens blijft zijn blik hangen op het ootmoetig gebogen hoofd van Ruth, de Moabitische. Deze heidense vrouw gevoelt de diepe eer en haar eigen onwaardigheid. Opeens kruisen hun blikken elkaar… even maar. Maar voordat Ruth haar ogen weer neerslaat heeft Boaz de diepe dankbaarheid kunnen peilen, die hem raakt en met vreugde vervult.

De gastheer is zowel de Eigenaar als Zijn Zoon

Zondag staat er ook een maaltijd aangericht. Zondag is er ook brood en is er wijn. Zondag is er ook een gastheer. Niet de vriend van de Bruidegom, de predikant, maar de Bruidegom Zelf. Hij en de Vader zijn Eén. En de Heilige Geest roept de Zijnen op: "Komt, want alle dingen zijn gereed".
Ik bij de Zoon van de Eigenaar aan tafel? Ik…? Met welk recht? Geen enkel. Maar dat was ook niet wat er in de uitnodiging stond, afgelopen zondag!
"De Meester is daar en Hij roept u." Het waren de woorden van Martha tegen Maria (Joh. 11:28). Wonderlijk dat juist aan de Avondmaalstafel woorden van een vrouw worden geciteerd! Rake woorden! Ware woorden. Hij roept U! Om Hem moet het gaan. "Sta op en eet, want de weg zou voor u teveel zijn", had Hij tegen Elia gezegd. En Hij zegt het ook tot jou en mij, wanneer je Hem volgt in je leven.
De Meester nodigt je; maar Zijn Vader niet minder! Wat een diepe woorden klinken er aan deze tafel: "Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten…" Als jij daar mag zitten, misschien wel net als Ruth, met deemoedig of ootmoedig gebogen hoofd vanwege het gevoel van onwaardigheid, bedenk dan dat de Gastheer Zich grotelijks verheugt over de aanzittenden; ook over jou. Dat je met jouw gang naar de tafel hebt beleden:
…wij komen niet tot het Avondmaal om daarmee te betuigen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn. Integendeel, omdat wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, belijden wij daarmee dat wij midden in de dood liggen.
Zulke offers zijn de HEERE welgevallig; Psalm 51 (waarover we gisteren nadachten) eindigt zo treffend: "Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dán zullen zij varren (wél) offeren op Uw altaar!"
Met tere zorg heeft Hij de tafel toebereid, de tekenen zo geschikt, dat ze tot stichting, tot verzekering en tot geestelijke voeding zullen dienen. Hij breekt het brood en 'langt' het ons… en wij eten. Hij deelt de beker der dankzegging rond… en wij drinken. Net als bij Elisa. En zij aten (en dronken) – net als bij Boaz – en werden verzadigd en… hielden over… Wat zou dat laatste jou te zeggen hebben?

zaterdag 20 december 2014

Kerst! Weet je het nog?

'No room in the Inn', geschilderd door Joseph F. Brickley


Het warme licht in een kille nacht: gastvrijheid?
Geen plaats! Vrolijk gelach: "Nee, we zitten vol." 
Feestvreugde, met op een steenworp afstand: Jezus.
Vrede op aarde? God werd mens. Waarom ook alweer?
Mijn Kerst en Gods Kerst: lijkt dat nog een beetje op elkaar?


Wat wil God ons vertellen met Kerst?
Daar gaat Hij. De Vader kijkt Hem na. Niet zoals de vader uit 'de gelijkenis van de verloren zoon'. Nee, de Vader weet heel goed waar Zijn Zoon naar toe gaat. En… Hij weet hoe het af gaat lopen. Maar Hij weet ook hoe diep het dal gaat worden… voor Zijn Zoon en voor Hem Zelf! Hij weet ook voor wie Hij deze weg gaat: voor mensen, die zich niet zo druk maken om Hem. Vijandig zelfs is hun houding. Maar waarom?

Trots kijkt de Vader Zijn Zoon na. Hij heeft gezien, hoe Hij alle heerlijkheid aflegde, die Hij bij Zijn Vader had. Alle heerlijkheid is eraf… Hij gaat mens worden. Gelijk aan hen, die Hij gemaakt heeft. Ze lijken al lang niet meer op Hem. Trots vervult Zijn Vaderhart: wat wordt Hij daar enorm door verheerlijkt, dat Zijn Zoon zó diep wil gaan! Met huiver denkt Hij aan het moment dat komen gaat. Het moment, waar Zijn Zoon ook zo tegenop ziet. Het is in eeuwigheid nog nooit gebeurd: ze zullen van elkaar gescheiden worden! Maar waarom?

Gerechtigheid moet zijn loop hebben. Dat is Hij aan Zijn stand verplicht. Wat niet mogelijk was, maakte de mens, helaas, mogelijk. De Vader moet al Zijn toorn over de zonde kwijt! Op die mensen? Dat had Zijn tegenstander wel gewild. Maar zover hoeft het niet te komen. Want… kijk, daar gaat Zijn Zoon. Die laat Zich geboren worden… Die laat Zich kennen, zodat mensen Zijn Vader weer zullen kennen… Die laat Zich verbrijzelen onder de toorn van Zijn Vader, zodat mensen Zijn Vader weer onder ogen kunnen komen. Maar waarom?

Hij had het niet hoeven doen. Dan bleef Zijn Vader Koning, weliswaar zonder onderdanen. Maar dat wilde de Zoon niet. Het zou tot oneer van Zijn Vader zijn. Dat nooit! Dan nog liever deze weg. Aan de straf viel niet te tornen… maar over wíe de prijs gaat betalen viel te onderhandelen; een eeuwigheid terug! Daar gaat Hij nu. De Vader kijkt Hem na. De Vader weet heel goed hoe zwaar de prijs is die Hem gaat worden betaald. Maar Hij heeft het er dubbel en dwars voor over. Maar waarom?

Ik weet het antwoord op die vraag niet. Daar moet je God voor zijn. Wel weet ik dat ik niet half kan bevatten hoe vol liefde de Vader moet zijn: dat Hij Zijn enigst Kind wilde afstaan, om mij thuis te kunnen halen! Dat Hij mij weer wil laten zijn, zoals Hij me bedoelde, toen Hij de schepping maakte. Misschien dat ik het hierna zal begrijpen. Want hoe meer ik Hem leer kennen, hoe meer ik leer zien dat Hij zo anders is dan ik! Wat een prijs! Wat een Kerstkind! Wat een Vader! Daarom!

Ik zou wel heel ondankbaar zijn, als ik op zo'n grote zaligheid geen acht zou slaan! Daar kan geen kerstgroen of kaarslicht tegenop. Kerst is niet zozeer sfeer en gezelligheid, maar vooral een wonder. Een boodschap en de eerste stap op weg naar Vrede met God… Het kan er weer van komen, want kijk: daar gaat de Zoon! De Vader kijkt Hem na. Tot over 33 jaar… "Heden verkondig ik u grote blijdschap… dat de Zaligmaker is geboren!"