Posts tonen met het label Joden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Joden. Alle posts tonen

zaterdag 28 april 2018

Leven vanuit Gods beloften

Hoofdstuk 3


“En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, ­vierhonderd jaren.
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
HANDELINGEN 7 : 5-7

Veel mensen zijn gevoelig voor ‘status’. Ze zijn pas iets wanneer ze iets ­tastbaars hebben of bij iets aanwijsbaars horen. Een christen is iemand die zijn ‘status’ ontleent aan iets dat niet tastbaar is en perspectief heeft vanwege ­Iemand Die niet aanwijsbaar en bewijsbaar is.
Belofte zonder bezit“Zo, hier is het dus.” Abraham keek om zich heen. Dit was dus het Beloofde Land dat God hem in bezit zou geven. Het zag er goed uit. Maar het vreemde was dat er mensen woonden die bij elk grassprietje konden aantonen dat dat stuk land van hen was. Abraham stond in ‘zijn’ land, maar hij had er nog geen schep grond in eigendom!
Heb je je weleens bedacht hoe vreemd dat voor hem moet zijn geweest? Bijna onwezenlijk. Thuis, maar alles is vreemd en onbekend. Hij mocht er vrij rondlopen en bouwde er zelfs vriendschappen op met de plaatselijke bevolking, maar… zíj waren de eigenaren van het land; niet Abraham!
Het tweede dat wél beloofd was, maar dat hij ook niet in bezit had was een eigen zoon. God lijkt aan dit probleem voorbij te gaan als Hij al beschrijft hoe Abrahams nazaten in ballingschap zullen komen en zelfs in slavernij terecht zullen komen; voor maar liefst vier lange, lange eeuwen!

De eerste ballingschapStefanus zoomt nog een stukje dieper in. Abraham leefde als een vreemdeling in zijn eigen huis… en nog vóór hij er zich thuis kon voelen, sprak God al over een vier eeuwen durende ballingschap in een of ander ‘slavenhuis’. Het volk, uit Abraham gesproten, zou een slavenvolk worden! En God, zo betoogt Stefanus, voorzei al dat ze kwalijk behandeld zouden worden. Mooi is dat! Het uitverkoren volk van God krijgt, nog vóór het is geboren, te horen dat ze zullen worden mishandeld.
Waarom doet Stefanus dit zó? Waarom zoomt hij hier al in op de slavernij die later zou komen? Waarom wil hij deze link leggen tussen ‘volk van God zijn’ en ‘kwalijk behandeld worden’? Het wordt niet echt duidelijk in dit gedeelte. Het blijft daarom gissen. Maar Stefanus moet al iets hebben gezien van wat Paulus later zo knap, maar best ingewikkeld, onder woorden brengt in de brief aan de Galaten: “Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus. En dit zeg ik: Het verbond dat tevoren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis teniet te doen.”
De Kanttekenaars zetten ons op dat spoor. Stefanus wil stapje voor stapje naar Christus zien te komen. Jullie beroemen je op de wet van God, maar weet je wel dat de belofte al veel ouder is? En dat die belofte niet gericht is op het tijdelijke: het land, of de zoon van Abraham? Nee, al die beloften hebben een dieper en verder weg liggend doel: Jezus Christus. Je zou de preek van Stefanus dus met recht een Christo­centrische preek mogen noemen. En dat is best lastig, vanuit het Oude Testament, in de context die de Joden er telkens aan willen hangen. Begrijpelijk is wat rabbijn Lody van de Kamp onlangs zei: de Messias van de Joden is een ándere dan die van de Christenen. Hij had die zin niet andersom kunnen uitspreken, want Jezus de Messias, de Koning der Kerk is werkelijk de Joodse Messias. Daarmee gaan we niet op het spoor zitten van ‘de kerk in plaats van Israël’. Zeker niet! Maar we moeten onze Joodse broers en zussen wakker schudden. En dat is wat Stefanus gaat doen. Hij probeert eerst aanknopings­punten te verzamelen. Om die tenslotte allemaal in te brengen bij zijn slotbetoog!
Wat hij hier preekt over ballingschap of vreemdelingschap kenmerkt helemaal het Christelijk geloof. Wij zijn hier op aarde omringd door vrienden en bloedverwanten, maar we zijn vreemdeling en bijwoner. En niet alleen dat: wij zullen ook ondervinden dat men ons kwalijk behandelt. Omdat we een volk zijn met een belofte van God op zak. Het is niet de bedoeling dat we gaan pronken met die belofte, maar dat we er werkzaam mee zijn bij God!

Welkom thuisTenslotte spreekt Stefanus over het moment, allemaal al vier eeuwen van te voren beloofd, waarop het volk van God weer thuis mag komen: “…daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
Er was er nog niet eentje geboren van die ‘zij’ die zullen uitgaan! En nu al spreekt God over de terugkeer uit de slavernij en dat ze weer tot hun doel zullen komen: “Mij dienen”. En nog wel op ‘deze plaats’! Stefanus stelt het haast voor, zoals het ons ook voor ogen staat, als wij onze ogen hier op aarde zullen sluiten: we zullen van hier uitgaan (heengaan) en we zullen onze HEERE dienen op de plek die Hij ons aanwijst en belooft!
Gods beloften komen heel vaak in de knel met de werkelijkheid. Althans, zo bekijken wij het. Maar God werkt zo vaak door de onmogelijkheden heen, dat is haast meer regel dan uitzondering. Echter, nog nooit is er één van Zijn beloften níet uitgekomen. Zou daarom de eeuwige heerlijkheid voor ons ook niet de mooiste en heerlijkste belofte zijn, waarnaar wij rijkhalzend uitzien? Thuiskomen bij de Vader. Verlang jij er ook naar? Voor Stefanus zou het nog hooguit een uur duren!

donderdag 18 januari 2018

Je vader verraden om je zwager te behouden

De zwager van de nieuwe koning - III

En Jónathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch des morgens en blijf in het verborgene en versteek u. Doch ik zal uitgaan en aan de hand mijns vaders staan op het veld waar gij zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen.
1 Samuël 19 : 2-3


Mag je liegen als christen? Mag je de waarheid – of een deel daarvan – achterhouden? Immers, de Bijbel roept ons toch op om transparant en eerlijk te zijn? Dat is zeker, maar als er levens mee gemoeid zijn, moet je daar toch iets anders mee omgaan.
Dat niet ieder christen daar hetzelfde mee omgaat getuigen de vele verhalen uit de Tweede Wereldoorlog wel; verhalen van mensen die verraden hebben omdat ze pertinent niet wilden liegen; en ­mensen die juist letterlijk op de klank afgingen en de waarheid ietsje anders inkleurden, om zo een ondergedoken gezin te redden. Zo ken ik het verhaal van een duitsgezinde man (SGP-standpunt in de oorlog was de Duitse overheid te zien als straf van God), die zei (toen er soldaten bij hem aan de deur kwamen met de vraag ‘Zijn hier Joden?’: “Nee, híer zijn geen Joden.” De Duitsers zagen niet dat hij in zijn gedachten naar de plek wees waar hij stond; want zou hij met ‘hier’ hebben bedoeld ‘dit huis’ dan had hij gelogen, omdat even verderop in de kelder een Joods gezin zat ondergedoken.

Jonathan gedraagt zich hier eigenlijk een beetje net zo. Hij houdt zijn mond nog, terwijl hij bij zijn vader staat, maar verklapt het plan van zijn vader, zodra hij David heeft gevonden. “Mijn vader Saul wil je doden!” Waarom had hij niet direct gereageerd, toen hij nog bij zijn vader was? Nou, Jonathan had het goed ingeschat. De trawanten, de legeraanvoerders van Saul, deden blindelings wat hun heer hen ­opdroeg. Dat is zoals een goed militair betaamt. Alleen… ze vergaten om dat niet altijd klakkeloos te doen. Of… zouden ze er wellicht een eigen voordeel mee op het oog hebben gehad?
Als Jonathan direct had gereageerd, dan had zijn vader hem misschien wel gevangen laten nemen, of hadden die trawanten hem te grazen genomen. En in beide gevallen wat het met David, zijn vriend en zwager, fout afgelopen. Hij zag de ogen van zijn zusje Michal voor zich en kon de angst in haar ogen niet aanzien; haar tranen niet weer zien vloeien, zonder zelf diep geraakt te zijn. Michal had een zwak plekje in zijn hart. Maar het allerergste zou voor hem zijn dat David, met wie hij eensgezind was, een haar gekrenkt zou worden. Dat kon hij niet laten gebeuren. Al was Saul honderd keer zijn vader: dit nooit!

Blijkbaar had Jonathan begrepen dat de trawanten ’s morgens vroeg David van zijn bed zouden lichten en óf meesleuren naar Saul óf ter plekke doden. Waar zouden ze David hebben kunnen vinden? Goed mogelijk in de militaire barakken, de tenten van het legerkamp. Ver genoeg van Saul verwijderd, zodat er geen haan naar zou kraaien. Saul moest zoveel mogelijk uit beeld blijven. Maar… met Jonathan erbij kon dat niet meer. Dat Saul dat niet heeft ingezien blijft het wondere werk van de sukkelaar bij uitstek: de duivel. Zoveel machtiger dan de mens, maar zoveel dommer dan de mens die zijn verstand blijft gebruiken. Zeker die mens, die op de HEERE vertrouwt!
De Kanttekeningen wijzen bij het tijdstip dat Jonathan noemt ook op het ‘goede moment’ waarop Jonathan gelegenheid zal zoeken om met zijn vader te praten.
Het komt er toch van: dat gesprek met zijn vader. Daar zullen de komende verzen bij stilstaan. “Dit kan niet vader! Nu vergist u zich wel op een vreselijke wijze! Hoeveel hebben we juist aan David te danken? Hoeveel heeft hij voor ons gedaan?!”

“Dus David: kom niet je tent uit en ga niet op appel met de andere soldaten in het veld. Zorg dat je uit beeld blijft, zoals mijn vader Saul ook uit beeld wil blijven. Ik ga zorgen dat ik naast mijn vader kom te staan. En als we naar het veld lopen, probeer ik hem zo te leiden, dat we vlakbij jou, wat opzij van de rest, komen te staan. Dan ga ik over jou beginnen en wacht zijn reactie af. Kijken hoe hij zal reageren. Als hij direct ontvlamd, dan heeft hij dat moordplan niet in een dolle bui bedacht. Maar laten we hopen en bidden dat hij op andere gedachten zal worden gebracht door mijn betoog.”
Dat Jonathan in de buurt van David uit wil komen, laat ook zien dat hij met de mogelijkheid rekening houdt dat zijn vader hem ter plekke zal aanvallen. Mocht Jonathan iets overkomen – en niet meer in staat om David de uitkomst te vertellen – dan heeft David vanuit het verborgene zelf al kunnen horen hoe de vlag erbij hangt. Jonathan laat hier zien dat zijn eigen hachje niet voor hem telt. Hij stelt het welzijn van David werkelijk boven alles.

En daar had Jonathan zelf geen enkel voordeel bij te behalen. Dus eigen belang speelde totaal niet mee. Hier gaat een vriend voor zijn vriend door het vuur. En dit kan hem alles gaan kosten. Saul had maar één wenk aan zijn trawanten hoeven geven en ze zouden zelfs Jonathan hebben omgelegd. Ze zouden dik beloond zijn geworden. Hoe ziek kan een geest zijn; zelfs de geest van den bloedeigen vader!

Maar zo is Jonathan niet. En met verve zal hij zijn plan uitvoeren. Zie je de overeenkomst met Christus, Die voor ons door het helse vuur van Zijn Vaders toorn ging, om ons te behouden? Ja, Hij deed dat in eerste instantie voor Zijn Vaders eer. Maar ook puur om ons te behouden. Hij had het niet hoeven doen, toch? Eeuwig dank en eer!

donderdag 8 december 2016

Primaire reacties op Jezus' preek

En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden die uit Zijn mond voortkwamen, en zeiden: "Is Deze niet de Zoon van Jozef?"
Lukas 4 : 22

"En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden"; schilderij gemaakt door de mormoonse kunstschilder Grant Romney Clawson (1927-2016), die juli dit jaar overleed


Jezus had nog niet eens tekst en uitleg gegeven. In onze westerse optiek verwacht je helemaal nog geen reactie. Niet positief maar ook niet negatief. Waar wil Jezus heen? Hoe bedoelt Hij die woorden? Waar doelt Hij precies op. Er is niets zo vervelend als predikers die niet precies zeggen wat ze bedoelen. Maar… je moet ze wel even de tijd gunnen om dat te doen. Niet primair en niet direct reageren na de eerste de beste onduidelijkheid. Maar… je mag je terecht ergeren aan bedekte termen en omzichtige, veilige bewoordingen. Preken behoort in de geest van Johannes de Doper te zijn: in betoning van Geest en kracht!

Wie schetst onze verbazing, wanneer er al na 1 regel preek een gemompel ontstaat (of waren het slechts gedachten die Jezus doorzag?). Of… geven ook de luisteraars met hun lichaamshouding misschien een merkbare reactie op die eerste woorden? We weten het niet. En misschien is er dus nóg een aspect: wij kennen de aramese woorden niet en de joodse context. Wellicht had Jezus maar heel weinig woorden nodig om iets in beroering te brengen. Er zit iets ongrijpbaars in deze geschiedenis.

Getuigen

Er staat dat de mensen aan of over Jezus 'getuigenis gaven'. Wie? De oversten, de leidslieden of juist het gewone volk? En wat houden die woorden in? Ik denk dat het een zoemend geroezemoes was te midden van het gewone volk, maar dat leiders dat vuurtje opstookten. Je weet wat mensen soms kunnen doen, met een schuin oog kijkend naar in hun ogen gezaghebbende personen. Niettemin zullen er gewone mensen zijn geweest die elkaar verbaasd aankeken en wat tegen elkaar mompelden.
De kanttekeningen verwijzen naar Markus 6 : 2 waar staat (en ik neem even vers 1 ook erbij): "En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem. En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?" Het gewone volk dus. Te meer denk ik dat, omdat zij Jezus vergelijken met de gangbare rabbi's en schriftgeleerden. Wat Hij zei week af van wat ze sabbath na sabbath hoorden!
Dat heeft ons ook wat te zeggen vandaag de dag. Er is een stroming gaande die wil dat we meer joods gaan denken en spreken over de Schrift. We moeten meer denken als een Jood en redeneren als een Jood. Er zit wel wat in, maar… Jezus' exegese en prediking week dus juist af van wat die Joodse leiders leerden, vonden en predikten. Dus het is maar de vraag of het wel zo'n heilzaam spoor gaat worden om joodser te gaan doen en denken. Immers, hoewel zij het uitverkoren volk van God blijven, is hun blindheid voor de gekomen Messias cruciaal voor hun Schriftverstaan. Hoezeer zij ook dichterbij de bronnen staan dan wij, hoezeer zij autentieker denken zoals de aangesprokenen in de Thora dachten… er wringt iets in die hang naar verjoodsing. En ik waag het – ondanks mijn liefde voor het Joodse volk – toch te betwijfelen of Gód dit van ons gevraagt. Daarmee zeg ik zeker niet dat we alle joodse bronnen moeten dichtlaten!

Verwonderen

De reactie van de mensen in de synagoge van Nazareth is kenmerkend: ze verwonderen zich. En daar gaat straks een tegenreactie op komen, net als op de eerste Pinksterdag die woorden: "Ze zijn vol zoete wijn!" Ontkrachting is één van de sterkste wapens van satan binnen de kerk.
Merkwaardig is de tekstverwijzing die ik zie staan naar Jesaja 50 : 4, waar staat "De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met den moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt allen morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden." Zullen mensen in de synagoge dit ook met elkaar hebben geassocieerd? Zou wel gaaf zijn! Dan daagde er wel iets van het besef: "Zou dit dan toch de Messias zijn?"
In Mattheüs 13 : 54 lees ik (eveneens een tekstverwijzing bij deze tekst): "En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?" En dat was al niet de eerste keer dat mensen zich over Jezus’ wijsheid ontzetten! In Lukas 2 : 47 komen we de Barmitswa Jezus van Nazareth tegen in de tempel te Jeruzalem: "En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden." Waarover zullen zij zich dan hebben ontzet, verbaasd, verwonderd en misschien wel verontrust? Immers, je komt die reactie vandaag de dag ook in orthodoxe kerken tegen, wanneer je vragen stelt over Bijbelgedeelten, waarop geen antwoord bestaat; simpelweg omdat niemand die vraag ooit nog heeft gesteld of heeft durven stellen. Ik bedoel niet de vragen die voortkomen uit een negatief kritische houding of uit ongeloof, maar uit de drang om uit een soort denk-keurslijf te komen. Er is zoveel automatisme, vanzelfsprekendheid en veiligheid in het kerkelijk denken dat je er soms doodmoe van wordt. Zo weinig inspanning om de Schrift te begrijpen en de HEERE dieper te kennen. Zo dodelijk veel clichéematige vroomheid, zonder werkelijk te weten wat men nu vindt, voelt, denkt en zegt.
Veel vragen zijn maar lastig en moeten lacherig of zuur worden genegeerd. Dat doet mensen, vooral ook jongeren, om zich heen kijken naar andere kerken. Ik keur zeker af dat jongeren hun heil zoeken bij vrije en evangelische groepen, want ze zullen daar ten diepste niet vinden wat ze zochten, hooguit een prettig gevoel. Maar ik snap het wel en het is schuld van allen die geen enkele poging doen om ze serieus te nemen. Mensen die verwonderd zijn – en dus vragen gaan stellen – zoeken naar sturing en leiding en niet naar veilige antwoorden, zonder pit.

Concluderen

En dan is daar opeens dat tegengeluid: "Is dat niet gewoon de zoon van Jozef en Maria?" Trouwens, zelfs de naam Maria, die waarschijnlijk inmiddels weduwe was, wordt niet eens genoemd. Hadden ze haar al lang afgeschreven als 'niet bij haar verstand met die wonderlijke Zoon van haar'? In Johannes 6 : 41-43 lezen we bij een latere gelegenheid: "De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit den hemel nedergedaald is. En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald? Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander." Daar zat dus het probleem!
Maar er is nóg een reden voor die tegenreactie. De mensen verwonderden zich over iets ín Jezus’ woorden: aangenaamheid; maar je zou het vanuit het grieks (ook vanuit het hebreeuws?) ook kunnen vertalen met 'de woorden der genade', aldus de Kanttekeningen. Wat maakte Jezus' woorden dus zo bijzonder: genade! De leraars der wet waren enkel bezig met wetticisme, om met nauwgezetheid God tot goedheid en gunst te bewegen. Maar Jezus spreekt woorden van genade. Dat is geen lievigheid, maar in de manier waarop Hij spreekt zit een natuurlijke autoriteit. En dat hebben de leiders ook feilloos door; direct! Dat beweegt hen om die woorden geniepig te ontkrachten met een ogenschijnlijk of orenschijnlijk "Hé, is dit niet de zoon van Jozef?" Ze wisten echt wel Wie Jezus was; die opmerking is dan ook geen verbazing in de trant van: "O, joh! Nou zie ik het! Het is die zoon van Jozef!" Maar: "Hier denkt er een de Schrift te kennen en meet zich een statuur aan die hem niet past! Hij is maar een zoon – en nog wel een buitenechtelijke – van Jozef!"
Met opzet wordt niet Maria maar Jozef genoemd. Juist zijn naam maakt Jezus geloofwaardigheid ongeloofwaardiger! En het is voor hen hét bewijs dat Jezus gewoon normaal geboren is uit een biologische baarmoeder en niet uit de transcedente hemel is gekomen!
Herken je zulke reacties? Je legt je vingers bij de een tekst waar iets onomstotelijks staat en je bent nog niet uitgesproken of er duiken direct mensen op je met 'Ja, maar…', of, erger nog, 'Je kunt wel horen dat je er niet geestelijk naar kunt kijken'. Wie stelt de vraag wat hún motief is? Wie vraagt zich openlijk af of tegenargumenten altijd gerechtvaardigd zijn, wanneer er een goed beeld van God wordt gegeven? Hoeveel oprechte denkers en zoekers worden afgeserveerd met ogenschijnlijk kloppend-dogmatische, maar liefdeloze, statements die een verder gesprek blokkeren? Is dat de setting waarin Gods één na laatste voorzegging in vervulling zal gaan dat de volheid (of moeten we zeggen de leegheid) der zich godsdienstig gedragende heidenen bereikt, zodat het heil tenslotte teruggaat naar het Joodse verbondsvolk en zij haar Messias – ondanks ons – gaat herkennen?

woensdag 11 november 2015

Alles tegen, zo het lijkt

De Samaritaanse vrouw had tegen dat Samaritaan was én vrouw was;
en toch stapt Jezus over die grenzen, om haar te redden!
 
"Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen."
Johannes 4 : 9 


Dat had ze al best snel gezien: dat er een Jood voor haar zat. Het liefst had ze Hem doodgewenst; in ieder geval zou het haar een plezier gedaan hebben als Hij Zijn mond had dichtgehouden. Maar, o Godswonder van genade, Hij bleef zitten en zweeg niet! Zoals Jezus zweeg toen Zijn Eigen naam en positie in het geding was bij Pilatus, bij Herodes maar vooral op Golgotha, zo spreekt Hij juist hier. Laat het even op je inwerken!


Afstand Jood-Samaritaan

Nou, jij en ik verheugen ons in dit wonderlijke handelen van de Heiland, maar de vrouw is zich er allerminst van bewust. Haar nukkige houding en uiterst gereserveerde woordkeus laten zien dat ze liefst zo snel mogelijk van deze plaats weg zou gaan. En Johannes voegt er nog even het feit aan toe – alsof we dat nog niet wisten – dat Joden en Samaritanen zich verhouden als water en vuur. Gemeenschap houden strekt zich blijkbaar zelfs zóver uit dat ze ook niet met elkaar converseren. Maar ondanks dat ontstaat er toch een – aanvankelijk misschien wat geforceerd, vanuit de vrouw gezien – gesprek.
Er zijn twee dingen die bij me bovenkomen. Waar kwam die haat vandaan en wat vertelt Gods woord erover? Het tweede is: wat is de rol van Johannes in deze formulering? Op dat laatste zal ik bij punt 3 ingaan. Over het feit en de oorsprong van die haat lezen we iets in de Kanttekeningen, die ons verwijzen naar Lukas 9 : 53, de geschiedenis dat Jezus met Zijn discipelen opnieuw door Samaria reist en geen onderdak krijgt. We lezen in de Kanttekeningen bij vers 53, "En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem":
‘Jeruzalem’: Namelijk om daar de godsdienst te plegen, hetwelk de Samaritanen juist deden op den berg Gerizim, Joh. 4:20; Josef. Antiq. lib. 11, cap. 8 Flavius Josefus, Joodse Oudheden, 11e boek, 8ste hoofdstuk, waaruit grote haat en vijandschap tussen de Joden en Samaritanen ontstond; Joh. 4:9.
Op Wikipedia lezen we veel interessante gegevens over de Samaritanen; waard om eens rustig te lezen. Maar wat ik er voor dit moment uit wil halen is dit:
In 722 v. Chr. werd een deel van de inwoners van het noordelijke koninkrijk Israël (ook wel Samaria genoemd) door de Assyriërs weggevoerd; de Assyriërs brachten andere kolonisten voor hen in de plaats. De noordelijke Israëlieten vermengden zich met deze nieuwkomers en hieruit ontstonden de Samaritanen.

Zij werden echter niet door de zuidelijke Israëlieten van het koninkrijk Juda geaccepteerd omdat zij de gemengde Samaritanen niet als echte Israëlieten beschouwden en de Samaritanen naar hun mening niet het zuivere Israëlitische geloof navolgden.

Toen de zuidelijke Israëlieten op hun beurt ook in gedwongen ballingschap gingen (de Babylonische ballingschap) waaruit ze in tegenstelling tot het gedeporteerde deel van de noordelijke Israëlieten wel terugkeerden en vervolgens de door de Babyloniërs verwoeste tempel in Jeruzalem wilden herbouwen, deden de Samaritanen een verzoek om te mogen meehelpen hetgeen de zuidelijke Israëlieten (vanaf toentertijd Joden genaamd) afwezen. De Samaritanen moesten genoegen nemen met hun eigen tempel in het heuvelland van Samaria op de berg Gerizim, die volgens de Israëlieten van het zuiden niet geldig was.
Rond de tijd van Jezus Christus aan het begin van de jaartelling werden de Samaritanen door de Joden nog steeds als tweederangsburgers en dito gelovigen behandeld. Daarom antwoordde Jezus volgens het Evangelie volgens Lucas in het Nieuwe Testament op de vraag van een rechtsgeleerde "wie is mijn naaste?" met de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. 
Het geeft aan hoe hardnekkig dit conflict dus was. En… dat dit ook daadwerkelijk een hindernis was die alleen door Jezus kon worden overbrugd. De vrouw had het nooit gewild. Zelfs de discipelen zouden geen contact hebben gezocht.


Afstand man-vrouw

Er is echter nóg een scheiding die de afstand tussen de vrouw en Jezus groter maakt. We zagen al dat de vrouw liefst zo snel mogelijk wilde weglopen. Misschien is het enige dat haar niet doet wegrennen, haar bijzondere interesse in mannen. En zeker mannen die haar onderzoekend aankijken en proberen aan te spreken. Wellicht dat ze zelfs dacht dat Hij haar aansprak vanwege haar (sensuele/uitdagende) uitstraling; in ieder geval was er iets in haar dat bij sommige mannen iets losmaakte. Maar niets is minder waar.
Niet dat Jezus geen gezonde afstand bewaart tot vrouwen; zij behoorden als huwelijkspartner niet tot Zijn opdracht hier op aarde; Hij zoch slechts Zijn geestelijke bruid. Hoewel Hij als mens uit een vrouw geboren was en op haar schoot was gevoed, zou Hij nooit nauwe omgang met een vrouw kunnen hebben; want Hij is God.
Maar waar het de uitbreiding en verdieping van Zijn Koninkrijk betreft, laat Hij rustig een Maria aan Zijn voeten zitten om onderwijs te ontvangen. Laat Hij rustig een zondares zijn voeten zalven. Laat Hij rustig een Maria Magdalena, een Johanna, een Salome, een Maria, Hem volgen op Zijn weg door Israël heen. Ja, Hij laat het toe dat ze Hem daar zo zien hangen aan het kruis.
De afstand man-vrouw was voor de vrouw wel een hindernis, maar voor Jezus niet. Hij spreekt haar tegen alle ongeschreven regels aan. En haar stadsgenoten zullen Hem er later eeuwig dankbaar voor zijn! Er is ook niemand in de buurt die ethisch roet in het eten kan gooien. Jezus snijdt haar de pas niet af en drijft haar niet in een hoek. Ze staat daar bij de put in volle vrijheid om te gaan, maar… ze gaat niet en houdt voetje voor voetje het gesprek gaande.

Afstand voldongen feit?

Valt het je ook op hoe statisch Johannes hierover schrijft? Alsof het hem niets doet. Hij stelt in onze dagtekst eigenlijk heel klinisch vast dat Joden (let op de volgorde) geen gemeenschap met de Samaritanen (onder)houden. Hij wijst wel het eerst naar zijn eigen volk, de Joden die zich volgens hem dus superieur gedragen, maar legt zich vervolgens zonder enige reserve neer bij het feit dat contact tussen zijn en haar volk gewoonweg onmogelijk is. Zo is dat nu eenmaal. Je zou van deze discipel die Jezus liefhad toch wel iets anders verwachten, niet? Tja, ook kinderen van God kunnen niet altijd met iedereen door één deur.
Daarnet noemde ik Lukas 9 al; lees eens wat Johannes daar in vers 54, samen met zijn broer, roept (nota bene vlak na het voorval van de verheerlijking van Jezus op de berg!):

"Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft?"
Jezus is furieus over deze uitspraak. Zo deed Elia dat in zijn tijd niet; zijn ze nu helemaal! Ze moeten hun Bijbel nog maar eens beter lezen, voordat zij echte Boanerges (zonen des donders) kunnen zijn in hun prediking (lees de Kanttekeningen bij deze naam in Markus 3 : 17). "Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt. Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden." En dat doet Hij ook hier in Johannes 4.
Ik blijf het onderwijl vreemd vinden dat Johannes zelf in zijn evangelie niet rept over dit voorval. Schaamde hij zich ervoor? Maar dan had hij toch ook wel iets anders kunnen schrijven in onze dagtekst? Of lag daar toch nog een stukje oude mens?
Al met al hadden die twee barrières er wel voor kunnen zorgen dat deze vrouw bleef liggen in haar zonden en een totaal verkeerd beeld van God behield. Hoe zou de Jongste Dag er dán voor haar hebben uitgezien? En voor haar stadsgenoten, niet te vergeten!

zaterdag 7 november 2015

Kan Jezus moe worden?

Wat Jezus' vermoeidheid ons te zeggen heeft

"Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein.
Het was omtrent de zesde ure."
Johannes 4 : 6b


Veel jongeren hebben moeite met het goed verdelen van hun tijd en energie. Ouderen hebben dat iets beter leren uitbalanceren, geleerd door schade en schande. Onze tijd staat bol van druk en stress en wordt veel van je verwacht, maar je wordt – ondanks je inzet – net zo gemakkelijk aan de kant gezet wanneer je overbodig of te duur bent in het arbeidsproces. Managers passen er voor om te investeren in mensen als het niet snel genoeg geld op levert. Oudere werknemers zijn daar regelmatig de dupe van. 'Gelukkig' mogen ze nu helemaal tot hun 67e of misschien zelfs hun 70e wachten tot hun pensioengerechtigde leeftijd aanbreekt. En al die tijd belanden bosjes oudere werknemers in de bijstand om te worden bekostigd door een steeds afnemend aantal werkenden. En je denkt: ergens gaat er iets mis in ons hedendaagse denken!

Moe van de werkdruk

Zingeving in het arbeidsproces, het gevoel krijgen dat je er toe doet, begint in onze dagen een serieus probleem te worden. Werd je vroeger ontslagen omdat je niet goed functioneerde, nu wordt je met het grootste gemak aan de kant gezet, het uwv-bos in gestuurd, omdat men je even niet kan gebruiken. Geen goodwill, geen dank voor gedane werk en inzet, je ben vaak een machine die je aanzet als je hem wilt gebruiken; maar die je even zo gemakkelijk weer uitzet als hij even niet nodig is. Ja, rustig op marktplaats zet of naar het grof vuil brengt, omdat hij in de weg staat.
Desalniettemin wordt de werkdruk opgevoerd. Uren moeten zich dubbel verlonen voor het grote geld, waar je als werknemer weinig van terugziet. Investeringsgelden verdwijnen in heel andere potjes dan in het bedrijfsinvesteringsfonds. Snel geld verdienen… en zó flexibel zijn dat je sociale leven en de dienstbaarheid in het Koninkrijk Gods een bijna onmogelijkheid worden.
Jongeren hebben nog weinig om op terug te zien; weinig referentiemateriaal uit het verleden, waardoor ze de forse werkdruk al vanzelfsprekend beschouwen. Geen scepsis. Maar als het werk teveel wordt, daalt de interesse van werkgevers. Je blijkt toch niet zo veelbelovend te zijn. Je bleek toch niet de put waaruit ze oneindig konden putten.
Bij zo'n niet-oneindig wateropwellende put zit Jezus hier. En Hij gaat zich stellen tegenover die put, met Zijn Levende Water. Maar zover is het nog niet. In onze tekst is Hij enkel moe; reismoe, na twee of drie dagen reizen. Moe?

Moe van het ronddolen

Kan de Zoon van God moe worden? Al eens bij stil gestaan? Hij, de hoge en heilige God liet Zich vernederen en wilde moeheid uit Eigen ervaring kennen. Ons in alles gelijk. Dat is toch niet normaal en vanzelfsprekend? Als ik Jezus moe zie zijn, moet ik beschaamd mijn hoofd buigen. Door mijn zonde voldoet het mensbeeld niet meer aan dat wat de Schepper er van had. Adam was nooit moe. En Eva werd nooit geteisterd door hoofdpijn of depressie. Totdat…
Ja, Jezus was naast 100% God ook 100% mens. Echter dat is geen clichée vanzelfsprekendheid, maar een aangrijpend en ontstellend wonder. Als ik hier een vermoeide Jezus zie zitten naast de bron die aartsvader Jacob ooit ombouwde tot frisse waterput, dan zie ik daar het resultaat van onze hang naar 'als God wezen'. Het is niet verder gekomen dan het niveau dat God als ons wilde zijn. En dat, toen wij nog zondaar, nog vijanden waren. Bejubelt Romeinen 5 dat wonder ook niet?
Jezus is vermoeid van een reis van bijna 50 kilometer. Als ik kijk hoeveel kilometers de oosterlingen in die tijd gewoonlijk aflegden en gewend waren te reizen, dan zijn het vrijwel zeker niet die 50 kilometers geweest, die Hem deden vermoeien. Veelmeer is het de reden waarom Hij moest reizen en die andere hoofdstad van het verbondsvolk, Jeruzalem, verliet. Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt… Hoe menigmaal heb ik U bijeen willen vergaderen… Hij liet dat Jeruzalem, waarover Zijn hart brak, achter Zich en vestigt zich hier, naast de Jacobsbron van Israël, de aartsvader van het GEHELE volk der Joden, in de nabijheid van de andere hoofdstad: Sichar. Hier zou men Hem zeker niet waarderen en accepteren. De samaritaanse vrouw zal even later heel verbaasd reageren op Jezus' vraag om water. "Hoe begeert Gij, die een Jood zijt van mij, die een Samaritaan ben, water te drinken?" Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen! Om moe van te worden! Heeft dat jou en mij nog wat te zeggen? Lees er niet langsheen!

Moe van de zonde

Die put was vooral een traditie voor de Samaritanen. Hiermee hadden ze toch nog wat om zich over te beroemen. Ze waren hiermee even Joods als de andere Joden. Tradities waren binnen het Jodendom zaken die soms een bijna goddelijke lading kregen. Maar alles wat zich aan God gelijk stelt of… wat zich boven Hem verheft is afgoderij en zonde.
De gesel die Jezus gebruikte om de tempel van Zijn Vader te reinigen wat niet alleen een wapen, maar ook een middel om door kastijding mensen tot bezinning en bekering te brengen. De zonde is een vermoeiende zaak. Vooral als je er bewust en intens tegen begeert te strijden. Je krijgt werkelijk alles tegen. Je omgeving werkt er zeker niet aan mee. En de boze intenties van je hart en de lusten van je vlees helpen ook al niet. Om moe van te worden.
Ten diepste is er voor Gods kinderen geen enkele activiteit zo vermoeiend dan strijden tegen de zonde. Een bodemloze put en een onbeklimbare berg. Zou je daar niet eeuwig van verlost willen worden? Zou je niet eeuwig aan Gods vaderhart willen uitrusten, vrij van zonde? Hem nooit meer bedroeven en eeuwig aan Zijn beeld beantwoorden, dat Hij ooit stelde. Eindelijk tot je recht komen en God de eer geven, onbeperkt, die Hem toekomt! Die moeheid moet deze hunker in je opwekken.

donderdag 5 november 2015

Dan doe Ik het Zelf wel!

Het land Samaria met rechts van de stad Samaria de berg Ebal en Sichar
 
"En Hij moest door Samaria gaan."
Johannes 4 : 4


Dat 'moeten' in onze dagtekst is een uitdagend woord. Het is duidelijk geen tikfout of onzorgvuldig gekozen woord. Meer dan eens heb ik er iets over gehoord in een preek of Bijbelstudie. Vandaag staan we bij deze paar woorden nog weer eens een poosje stil. Dat lijkt erop dat ik wel zo'n beetje weet wat er staat en dat er inmiddels niet veel nieuws over te zeggen is. Laat ik een ogenblik stil zijn en luisteren of er misschien nieuwe vragen boven komen drijven.

Moeten volgens een TomTom

Wie een route laat bepalen door zijn of haar TomTom kan kiezen uit 'de snelste route' of 'de kortste route'. Dat lijkt op het eerste gezicht niet veel te verschillen, maar soms rijd je sneller door enkele kilometers om te rijden. Binnendoor is niet altijd de snelste route. Als ik naar de Kanttekeningen luister lijken zij die uitleg bij deze tekst te hebben. Jezus móest door Samaria gaan "omdat de kortste weg om van Judea naar Galilea te reizen door het land van Samaria liep.", Ze baseren zich op Lukas 9:51-53 (waar Jezus aan de vooravond van Zijn opneming reist richting Jeruzalem en dwars door Samaria gaat) en Lukas 17:11 (waar we lezen dat Jezus zelfs 'dwars door Samaria' reist en zo opnieuw de kortste weg kiest).
Dat reizen door Samaria was niet altijd leuk. Je tikte als het ware niet op je TomTom 'de leukste route' en dan verscheen als reisadvies: 'midden door Samaria'. Jezus ondervond in de daarnet genoemde  Bijbelgedeelen tot tweemaal toe tegenstand. En dat had te maken met het feit dat Samaritanen en Joden een enorme hekel aan elkaar hadden. Als je een samaritaanse stad passeerde en de mensen zagen aan je kleding en uiterlijk dat je een Jood was (en zeker wanneer bleek dat je naar Jeruzalem reisde), dan kon je flinke verachting verwachten. Maar hoe dan ook, het was wel een kortste weg; en als ik mij niet vergis uiteindelijk toch ook de confortabelste weg om over te reizen.

Moeten volgens Bijbeluitleggers

Zij die geloven haasten niet, zegt een Bijbelse spreuk, afgeleid van Jesaja 28 : 16. Had Jezus dan haast, dat Hij de kortste weg wilde nemen? Nou, Hij had de tijd aan Zichzelf. Hij was heer en meester over de tijd; en Hij is dat nog. Maar er zijn momenten waarop Jezus haast lijkt te hebben. Het meest ingrijpende moment waarop Jezus het woord 'haast' gebruikt is wel de wegzending van Judas, uit de Avondmaalszaal: "Wat gij doen moet, doe dat haastig!"
Maar het is volgens diverse Bijbeluitleggers niet 'haast' dat Jezus drijft door Samaria. Hij neemt niet de kortste weg, om zo snel mogelijk in Jeruzalem te zijn. In beide, voornoemde, Bijbelgedeelten lijkt Jezus met eerbied gezegd een 'via' te hebben ingetikt in Zijn 'TomTom'. Het reisdoel was weliswaar Jeruzalem, maar Hij plande Zijn route 'via'… De ene keer 'via' een dorp in Samaria, een andere keer 'via' tien melaatsen en… vandaag in onze tekst 'via' een samaritaanse vrouw. Dat was de eigenlijke aanleiding van Zijn route-keuze. Veel uitleggers vullen dit 'moeten' van Jezus in door een sterke gedrevenheid om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Nou, in het geval van deze samaritaanse voruw is dat een mooi aspect. We kunnen er ons van alles bij voorstellen. Deze vrouw moest, net als Lydia, verlost worden van haar blindheid. Ze was zeker wel godsdienstig en actief, ondanks haar zondige leven, maar… ze zat vast in een verkeerd denkpatroon. We zullen daar verderop nog op terugkomen.

Maar hoe mooi deze gedachte ook is, hoe waar misschien ook, is dat alles wat erover te zeggen is? Raken we misschien al snel gewend aan deze prachtige gedachten over dat woordje 'moeten'? En stellen we allang geen vragen meer? Als er zo iets zwaarwichtigs aan de hand is, dan mogen we er best wel even wat langer bij stil staan.

Moeten volgens God

Het is een mooie gedachten dat Jezus linea recta (in één rechte lijn) naar die vrouw op zoek ging. Maar er zit ook nog een scherpe boodschap in deze woorden. Ik vond dat in een preek van ds. C. den Boer:

"Zij kan echter niet onopgemerkt blijven. Jezus is hier. Toevallig? Nee. ‘Hij moest door Samaria gaan’ (Joh. 4 : 4). Een moeten van hogerhand. Om ‘een werk der barmhartigheid te doen’ (C.H. Spurgeon). Zijn hart zoekt uitgerekend het verlorene. Hij gaat geen straatje om, zoals Joden wel doen, als ze van Judea naar Galilea gaan en omgekeerd, om uit de buurt te blijven van het halve heidendom dat in Samaria woont.
In Samaria immers woonde een gemengde bevolking, sinds de Assyriërs in 722 v. Chr. vele Joden vandaar hadden weggevoerd en niet-Joden daarheen hadden getransporteerd, die zich met de overgebleven Joden hadden vermengd. Vooral nadat de Samaritanen na de ballingschap de medewerking aan de herbouw van Jeruzalem en de tempel door de Joden was geweigerd, was er een complete vijandschap tussen die beiden gekomen. Daarna borduurde Samaria voort op haar eigen tradities en haar eigen religieuze opvattingen. Men had een eigen tempel op de Gerizim (nabij Sichar), een eigen Bijbel (alleen de Thora, de vijf boeken van Mozes).
Minachtend nam een Judeër daarom het woord Samaritaan in de mond. Het was voor hem het inbegrip van onreinheid. Wederkerig bood men in Samaria aan een Jood geen logies. Kortom, een oude vete die niet bij te leggen leek te zijn.
Maar Jezus…? Hij is op weg naar Zijn ‘atelier’, het werkgebied rondom de zee van Tiberias. En Hij gaat de kortste weg, linea recta door Samaria, via het verkeersknooppunt Sichar."

Die kortste weg van Jezus vinden wij vaak mooi om aan te wijzen; om er breeduit over de discussiëren, er ons ook zelfs wel aan te warmen: Jezus zoekt de zondaars! Maar de keerzijde van die medaille is: door die hetze tegen de Samaritanen móest Jezus het wel Zelf doen, want de doorsnee vrome 'kerkganger' van die dagen – die dienstbaar hád kunnen zijn in Gods Koninkrijk – haalde er hier zijn neus voor op! Zeg, hoe zit dat met ons land, onze kerk, onze buurt, onze dorps- of stadsgenoten? Ben jij bereid en bruikbaar of moet Jezus het maar Zelf doen? Want wie anders gaat hen wakkerschudden, voor het te laat is?