Posts tonen met het label Saul. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Saul. Alle posts tonen

maandag 2 april 2018

Ere wie ere toekomt en stank voor dank

De loyale van de royale - XVI


Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende:
Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul ­gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
2 Samuël 2 : 4-7


Wat zou er van Jozef van Arimathéa zijn geworden? We lezen nog van hem dat Hij Jezus’ lichaam heeft begraven in zijn eigen, nieuwe graf. Maar daarna blijft het stil. Evenals we over Nicodémus niets meer lezen. Jozef moet zich met die begraaf­actie onmogelijk gemaakt hebben bij de Joodse Raad. Eindelijk had hij openlijk partij gekozen voor Jezus. Temeer zal hij buitengeworpen zijn, toen bleek dat Jezus’ lichaam uit Jozefs graf was verdwenen. Zou Jozef er de hand in hebben gehad? Ongetwijfeld zullen ze hem en Nicodémus erop aan hebben gekeken. Immers, het was Jozefs graf; dus hij wist precies alle sluipweggetjes in de tuin. En die lichtflits? En die aardbeving? Opzet!
Je kunt begrijpen dat Jozef en Nicodémus geen beloning kregen van het Sanhedrin, voor hun daad jegens de Gezalfde. Zouden we zijn opgenomen in de groep van 120? Zouden die hen hebben beloond met broederschap en liefde?

Ik vraag dat, omdat ik dat wel zie bij de mensen van Jabes. Kort na de dood van Saul vraagt David aan de HEERE wast hij nu moet gaan doen. Hij wil niet zelf het heft in handen nemen. Maar de HEERE duwt hem op weg naar het koningschap. Het begint klein. Hij moet naar Hebron gaan en daar roepen de mensen uit Juda hem uit als hun nieuwe koning. Blijkbaar konden zij dat autonoom en onafhankelijk doen van de andere stammen. Maar daarmee was David nog geen koning over het gehele koninkrijk. De zalving door de Judeërs was voor David een bevestiging van zijn eerder verkregen zalving. Je zou haast zeggen dat hij een dubbel-gezalfde was.

En dan lezen we een vreemde zin in vers 4. Als uit het niets gaan mensen opeens tegen David praten. Maar de Kanttekeningen wijzen er terecht op dat David waarschijnlijk eerst een vraag heeft gesteld: “Waar is zijn de lichamen van Saul, Jonathan en zijn broers?” Het het stellen van die vraag stappen er mensen naar voren die het antwoord weten op die vraag. Misschien heeft David hier en daar navraag gedaan; hoe het ook zij: “Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.”
David neemt een besluit. Hij wil zijn erkentelijkheid aan deze mensen tonen en uitspreken. Hij doet dat overigens niet zelf en blijkbaar heeft hij daar een reden voor. Meende hij dat hij zijn leven buiten Juda nog niet zeker was? Was deze actie misschien een doel om te kijken hoe de vlag erbij hing bij de andere stammen en gebruikte hij de actie van de mannen van Jabes om een positieve ingang bij de rest van het volk te vinden?
Hoe het ook zij, hij stuurt boden naar Gilead, over de Jordaan, en vertelt hen: “De Heere zal jullie zegenen, omdat jullie goed zijn geweest voor jullie heer Saul en hem hebben begraven. De Heere zal daarom ook goed voor jullie zijn, en ik ook. Wees dapper en houd moed. Saul is wel gestorven, maar nu hebben de Judeeërs mij tot koning van de stam van Juda gezalfd” (versie: Basisbijbel).

Dat klinkt positief en David moet hebben gedacht dat hij hen zo wel gemakkelijk voor zich kon winnen. Er waren geen andere kapers op de kust en men was, dat moet hem wel duidelijk geweest zijn, Saul ook meer dan zat. Daarbij: David is door God aangewezen; de HEERE heeft hem nu een duwtje in de rug gegeven, dus wat kan er nog misgaan?
Hij stuurt hen bewust geen geschenken. Ook zoomt hij in zijn dankwoord alleen in op de gezalfde, Saul, hun oude koning. Maar tussen de regels door mogen we denk ik wel lezen dat hij hen ook zeer dankbaar is voor de respectvolle begrafenis van zijn vriend Jonathan.
De vraag is nu: zullen de mensen in het overjordaanse Gilead nu massaal achter David aankomen? Zal geheel Manasse zich verzamelen achter David? En zullen die twee gescheiden helften van één stam de rest van het land meekrijgen?
Er is echter één gevaarlijk persoon met twee gezichten. Abner! Hij wil zich niet achter David scharen, omdat dat voor hem betekent dat hij macht moet inleveren. Hij ziet zijn kans schoon. De zonen van Saul zijn tegelijk met hun vader gesneuveld, maar er is nog een ­bastaard: Ishboseth. Zijn naam betekent ‘man van schaamte’, een niet zo heldhaftig personage. Maar Abner kiest hem niet uit om een leider te hebben, maar om zijn naam en afkomst te misbruiken voor zijn eigen coupe. Abner dacht in dinastieën en in stambomen. Daar paste David natuurlijk niet in. David en Abner pasten ook niet bij elkaar in geestelijk opzicht. Lees de kernachtige samenvatting van christipedia:
“Isboseth dankte zijn kroon niet aan zichzelf, daar het hem ten enenmale aan moed, kennis en veerkracht ontbrak, maar aan de dappere krijgsoverste Abner. Abner heeft vervolgens tot stand gebracht, wat er dan nog goeds onder de regering van Isboseth is verricht. Onder dit goede behoort in de eerste plaats genoemd te worden de verdrijving van de Filistijnen uit de Israëlitische steden, welke zij na hun overwinning op Saul hadden veroverd en bezet. Daarna sloeg Abner het oog op Juda en trachtte ook deze stam aan de kroon van zijn heer te hechten , maar vruchteloos. Zijn leger werd verslagen, hij zelf moest vluchten. Na een tijdsverloop van zeven jaren, toen hij inzag, dat Isboseth de man niet was, die het rijk waardig besturen kon, knoopte hij met David onderhandelingen aan, en zou zijn heer onttroond hebben, zo Joab hem niet verraderlijk om het leven had gebracht. De zwakke Isboseth, van zijn steun beroofd, werd kort daarna door zijn veldheren Baëna en Rechab gedood , die zijn hoofd aan David brachten. Zij ontvingen echter geen beloning, maar de rechtmatige straf voor de koningsmoord. Daarop huldigde geheel Israël de zoon van Isaï.”

David moet dus nog zeven jaar wachten. En opnieuw beloont hij de moordenaars van zijn ‘gezalfde’ vijand niet, maar straft hen. Daarmee – maar hoeveel geduld moet hem dat gekost hebben? – schaarde hij geheel Israël uiteindelijk achter zich. Een weg van geduld, maar onder Gods zegenende hand.
Wanneer viel het rijk van Israël uiteen in twee rijken? Je zou als antwoord kunnen geven: onder Rehabeam. Maar we zien dat het al direct na Sauls dood gebeurde: Juda achter David; de rest achter Ishboseth. Onder David en Salomo worden de beide bloedgroepen weer met elkaar vermengd. Maar toch blijkt het maar van beperkte duur te zijn. Macht is zo beperkt. Zo kort van stof. Als het volk niet bewust kiest, laat het zich als een dode vis op de stroom meedrijven. Dan kun je misschien met krachtige argumenten en harde hand nog wel wat goede bewegingen ontplooien, maar als het hart van het volk niet bewust kiest is het allemaal korte termijn denken… Zou dat geestelijk in de kerk niet precies eender zo gaan?

zaterdag 31 maart 2018

Wir setzen uns mit Tränen nieder

De loyale van de royale - XV


Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren. En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israëls, omdat zij door het zwaard gevallen waren.
2 Samuël 1 : 11-12


Wir setzen uns mit Tränen nieder
und rufen dir im Grabe zu:
Ruhe sanfte, sanfte ruh !
Ruht, ihr ausgesognen Glieder !
Ruhet sanfte, ruhet wohl !
Euer Grab und Leichenstein
soll dem ängstlichen Gewissen
ein bequemes Ruhekissen.
und der Seelen Ruhstatt sein.
Höchst vergnügt schlummern da die Augen ein.
Wir setzen uns mit Tränen nieder
und rufen dir im Grabe zu:
ruhe sanfte, sanfte ruh !
Huilend gaan wij zitten
en roepen u in het graf toe:
rust in vrede, rust zacht.
Rust nu, uitgeputte ledenmaten.
Rust zacht, rust goed.
Uw graf en uw grafsteen
zullen voor het angstige geweten
een aangenaam hoofdkussen
en rustplaats voor de ziel zijn.
Vergenoegd sluimeren de ogen toe.
huilend gaan wij zitten
en roepen u in het graf toe:
rust in vrede, rust zacht.
http://matthauspassion.nadro.nl


De mannen van Jabes vastten en klaagden zeven dagen. Bij David zien we een klagen en vasten tot op de avond. De rest van de dag dus.
De Amelekiet die dit semi-nepnieuws kwam brengen, om daarmee de bink uit te hangen, heeft dat met de dood moeten bekopen. Terecht. Zeker als je Davids argument hoort: “Je hebt je vergrepen aan de gezalfde des HEEREN!” David is consequent en ziet de dood van Saul zelfs nu niet al een welkome oplossing van zijn ballingschap.
Voor David was het koningschap geen doel op zich. Althans hier niet. Hij kon op Gods tijd wachten. Maar wat er nu is gebeurd doorziet hij beter dan wie ook: hier ondergaat het volk dat hij straks zal moeten gaan leiden, het oordeel van God. Hoe pijnlijk precies zal het dus in de komende tijd voor hem komen om Gods beeld in het volk van het verbond weer te herstellen! De straf op deze Amelekiet is er het eerste begin van.


Wat David altijd heeft gezegd over ‘niet je handen uitsteken naar de gezalfde’ handhaaft hij ook nu. En wat hij altijd heeft gedaan, wanneer zijn innerlijk werd bewogen in blijheid of droefheid, doet hij evenzeer ook nu: hij zingt een lied. Enerzijds roept hij in het lied op om de schande van de gesneuvelde helden niet toe te laten in het land van de vijand: “Hoe zijn de helden gevallen! Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde.” Anderzijds roept hij tot de dauw en de regen om de sporen van Sauls en Jonathans bloed niet uit te wissen. Het lijkt een bede om gerechtigheid en om respect en eerbied voor de doden.
Ook benoemt hij de pijn over dat ‘de krijgswapens zijn verloren’. Het is de schande, de smaad, die hem hier meer raken haast dan de dood zelf. Veel mensen zijn bang voor de dood, omdat mensen hen dan op hun kwetsbaarst zien. Dan ben je pas echt wie je bent. Zolang je leeft kun je de schijn ophouden en mooie woorden spreken. Maar de dood liegt niet. Dat is nog maar een slap aftreksel van hoe er in de Bijbel over schande wordt gesproken. Smaad die wordt aangedaan is vele malen ingrijpender dan lichamelijk pijn, zo zei onze dominee pas.

Daarbij is de liefde en verbondenheid die David in Jonathan met elkaar hebben gedeeld, iets dat zo kostbaar en teer is, dat de dood en het sneuvelen in de strijd, daar iets verachtelijks van maakt. De wapens zijn verloren; dat is: de macht en dapperheid die je een leven lang hebt laten zien, hebben toch het onderspit gedolven. Maar de vriendschap was nog iets veel indrukwekkenders.
Het is daarom opmerkelijk dat David juist Jonathan zo vaak in het lied betrekt: “Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten! Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!” Jonathan, die zich altijd wist te redden, tegenover welke grote overmacht ook. En vlak zijn wapendrager niet uit! Maar nu hebben ze gefaald… ze hebben het niet kunnen redden. Helden? Als een stuk vuil zijn ze aan de muur van Beth-San gehangen. Jonathan… het beeld van zijn lieve vriend schuift voor zijn geestesoog en David probeert dat beeld te rijmen met de boodschap dat zijn sterke lichaam al een stuk vuil is opgehangen… Mensen mochten er zomaar op spugen, om lachen en van griezelen.

Is dat niet het beeld dat Golgotha oproept? Kennen we Jezus zo persoonlijk, dat we dat beeld van het kruis op Golgotha niet kunnen verdragen? Past dat afzichtelijke van Zijn kruisafname en zijn graf­legging ook niet in ons beeld over Hem? Omdat we Hem zo lief hebben gehad?

Wat David niet doet is: een bedevaart naar Gilboa of Jabes. Geen bezoek aan die afschrikwekkende plaatsen. Misschien dat hij ze later nog wel heeft bezocht. Mij hij laaft zich aan het beeld dat hij nog van Jonathan heeft… misschien wel die laatste ontmoeting. Laten wij hetzelfde doen op deze Stille Zaterdag en “…huilend gaan wij zitten en roepen U in het graf toe: rust in vrede, rust zacht.” Maar laten we dat wel doen met het oog op de wederopstanding van het vlees: Pasen!

Ik wil mijn Jonathan zelf begraven

De loyale van de royale - XIII

En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes;
en zij vastten zeven dagen.
1 Samuël 31 : 13


Afgelopen dagen hoorde ik meerdere keren de indrukwekkende aria uit de Mattheüs Passion ‘Ich will Jesum selbst begraben’ en ik vroeg me af: wat beweegt je ten diepste als je zo iets zingt? Mijn vrouw zei: “Misschien wil je dan zelf toch iets aan toevoegen”. Het blijft me erg intrigeren die zinsnede. Juist toen ik de tekst van deze bijbelstudie zag.

De mensen uit Jabes hebben het mooiste gedaan dat we in deze geschiedenis hebben gelezen. Ik vind dat er, net als met Maria die Jezus’ voeten zalfde, ook over hen in de gehele wereld, alle eeuwen door, mag worden gesproken. Want al hebben ze het aan een afvallige gezalfde (Saul) gedaan, ze hebben het ten diepste aan Jezus zelf gedaan, omdat Saul wel de gezalfde bleef van God!

We lezen wel merkwaardige dingen, op het eerste gezicht. Ze hebben de lichamen van Saul en zijn zonen, dus ook Jonathan, verbrand. Is dat crematie? Nee. De lichamen waren reeds verminkt en in een zekere staat van ontbinding. Die moet een ondraaglijke lucht hebben gegeven en daarom werd hun rottende vlees verbrand. Maar hun as werd niet verstrooid. Integendeel. We lezen dat hun beenderen met respect en eerbied werden begraven. Begraven in een natuurbegraafplaats: onder het geboomte van Jabes.
En ook daarmee was de kous niet af. Ze vastten zeven dagen. Zouden alleen de mensen van Jabes die hebben gedaan? De rest van Israël dus niet? Het lijkt er wel op helaas!

Hoe aangrijpend is het vervolgens als je te horen krijgt dat een geliefde is overleden en reeds begraven?! De plek kan nog worden aangewezen waar hij of zij stierf/verongelukte en misschien is er ook een plaats aan te wijzen waar het lichaam begraven ligt. Maar verder is er niets meer te doen. Ik kan me daarom zo voorstellen dat David deze aria had meegezongen uit het diepst van zijn hart, gewijzigd met deze woorden: “Ik wil mijn Jonathan zelf begraven”. Alleen… hij is al begraven.
Sterker nog… David riep uit toen hij hoorde dat zijn hartsvriend was gesneuveld: “Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der ­vrouwen.”

Naast Jonathan roemde hij ook de daadkracht van Saul. Een wonderlijk loflied op de man die hem naar het leven stond! Hij zong goed over zijn vijand. Hij schold niet terug, maar riep tot God. Er is nog iets dat David doet, dat doet denken aan het intro van de Matteüs Passion: “Gij, dochteren Israëls, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.”
David benadrukt dat Saul en Jonathan onafscheidelijk aren in hun leven: “Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.” Vandaar dat ik ook zo vaak de geschiedenissen over Saul waarin Jonathan ontbrak heb gekoppeld aan de aanwezigheid van Jonathan.

Ondank zijn vlucht, waarin David gescheiden was van zijn vriend, valt er nu een definitief gat in zijn leven dat geen van zijn vrouwen of ­kinderen zal kunnen vullen. Hoe graag had hij Jonathan zelf begraven en tranen gestort op de plek waar jonathans bloed de aarde had rood­gekleurd. Zou hij ooit nog eens naar Gilboa of Jabes gaan?

vrijdag 30 maart 2018

De gezalfde gehangen tussen hemel en aarde

De loyale van de royale - XII

…en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-san. Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
1 Samuël 31 : 10-12

Wat me trof in deze verzen? Misschien wel het meest trieste: dat iedereen zijn handen aftrekt van de gezalfde des Heeren! Wat je ook van Saul kunt zeggen, David was er kraakhelder over: hij is en blijft de gezalfde, de ‘christos’ zoals het in het Nieuwe Testament zou worden genoemd. En hoe extreem is dat in Jezus de Gezalfde werkelijkheid geworden. Hij werd uitgespogen door alles en iedereen. In tegen­stelling tot Saul niet door Eigen schuld. Nee, Hij werd tot zonde gemaakt!
Het tweede is: het erbarmen dat uit Gilead kwam. De mannen van Jabes waren de enige die zich vermanden en op pad gingen om de lichamen van de gezalfde en zijn zoons te zoeken en veilig te stellen van de verdergaande spot en smaadheid.

Ik zie in hen een lijn naar Jozef van Arimathea en Nicodémus lopen. Met name Jozef heeft zich vermand en eiste van Pilatus het lichaam van Jezus. Dat was waarlijk een heldendaad, want daarmee bekende hij zodanig kleur, dat hem dat zijn plek in de Joodse Raad zou kosten. Wie wilde een vervloekte in zijn graf hebben liggen? Maar het kon Jozef niet meer schelen: Hij wilde Zijn Jezus zelf begraven. Daarover de volgende keer. Arimathea… het is de griekse vertaling van Rama(th) en dat brengt ons terug bij Samuël, die er was geboren!
Op eenzelfde manier als Jozef zien we nu de mannen van Jabes naar Beth-San (of Beth-Shan of Beth-Sean) gaan. Die naam betekent overigens ‘Huis van Rust’! Deze stad lag vlakbij Gilboa, aan de oostkant van het gebergte, dichtbij de Jordaan. Jabes daarentegen lag aan de overkant van de Jordaan. Dus er is niet persé een logische verbinding tussen Beth-San en Jabes dan alleen dat het beiden het gebied van Manasse betrof, aan weerskanten van de Jordaan.

Bij de stad gekomen nemen ze de opgehangen dode lichamen van Saul en zijn zonen mee. De lichamen hingen daar als afschrikwekkend voorbeeld naar de joodse bevolking natuurlijk. Maar er zullen ook Filistijnen hebben gewoond in dat gebied, zoals we in de vorige tekst lazen. Als je de Bijbeltekst leest lijkt het voorspoedig te zijn verlopen. Ze nemen de lichamen mee… maar bedenk dat ze de dag ervoor al zijn gesneuveld en nu al enige tijd in de hitte aan de muur hingen. De lucht moet vreselijk geweest zijn; een lucht die je je leven lang zult onthouden. Maar de mannen van Jabes schrikken er niet voor terug.

Saul en zijn zonen moesten daar hangen en droegen deze boodschap uit: “hier had jij kunnen hangen…” Deze indoctrinatie pasten de Filistijnen toe om mensen te ontmoedigen tegen hen in opstand te komen. Ook Jonathans lichaam moest deze boodschap uitdragen!
Hoe anders is de boodschap van Jezus’ lichaam op deze Goede Vrijdag waarop wij het evangelie van Golgotha mogen horen: “Hij in mijn plaats zodat ik nooit zo ontluisterd zal worden als Hij”. Goed wil je geen angst inboezemen maar juist Zijn liefde voor jou laten zien in Zijn Zoon. Zie je het verschil? Wat Jonathan nooit kon, laat staan Saul, dat kan Jezus wel.

donderdag 29 maart 2018

Sla de herder en de schapen zullen verstrooid worden

De loyale van de royale - X


Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
1 Samuël 31 : 7


Het effect, als je de leider weghaalt, dat de strategische actie helemaal ineenstort. Dat was wat Zacharia profeteerde: “Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.” Hij sprak over ontferming van de HEERE, wanneer dit zou gaan gebeuren.

Het staat natuurlijk ter discussie of je van Saul kan zeggen dat hij een herder was voor zijn volk. Maar Jonathan was er ook nog. En ook hij is geslagen, gesneuveld. Ik krijg regelmatig het gevoel dat het volk Saul niet echt als leider zag. We zitten natuurlijk nog in de voorfase waarin de stammen tot één volk moeten worden gevormd. Ze zijn ook na al die jaren nog niet eensgezind onder hun vorst. Maar duidelijk wordt ook dat zij achter hun eigen keuze proberen weg te komen. Dit is was ze wilden… en nu danken ze hem af.
Het volk heeft geen hart dat dapper de strijd aan gaat. Jonathan was wel zo’n voorbeeldfiguur. Maar nu hij weg is lijkt de geest weg uit het leger. De stedelingen, evenals de soldaten, vluchten weg voor de nietsontziende Filistijnen. En die nemen de steden met gemak in. Ze gaan er direct wonen en bouwen er een bestaan op van de spullen die de gevluchte inwoners hebben achtergelaten.
Aan het einde van dit hoofdstuk is er slechts één bevolkingsgroep die zich kordaat opstelt: de mensen uit Jabes in Gilead. Dat moet worden gezegd!
Jonathans sterven had dus effect op het hele volk: de moed is hen in de schoenen gezonken. Even hadden ze hun dapperheid ­getoond door moedig met Saul en zijn zonen de strijd aan te gaan. Een overigens niet te winnen strijd, gezien de overmacht.

Ik zie Petrus in de Hof van Gethsémané, die zijn zwaard trekt en de overmacht te lijf wil gaan. Zou hij echt gedacht hebben dat hij met zijn zwaard het wel zou winnen van al die zwaar bewapende soldaten? Ik denk dat hij dat inderdaad dacht. Een vlaag van overmoedige liefde voor zijn Heiland. En een vlaag van trouw aan zijn eigen grote woorden, die hij vorm wilde geven. Jezus was er immers nog bij.
Maar toen Jezus niet meeging met Petrus in diens bevrijdings­actie, stortte zijn hele kasteel van dapperheid in. En die andere ­discipelen eveneens, die enkele uren daarvoor nog grimmig op Petrus waren, omdat die suggereerde dat híj wel stand zou houden “…al zouden ze ook allemaal aan U geërgerd worden, ik niet!”.
Hij begreep niet dat Jezus Zich vrijwillig overgaf, ja aanstuurde op gevangenneming en veroordeling. Hij snapte Jezus strategie niet. Dat lag natuurlijk anders bij Jonathan. En al helemaal anders bij Saul! Nog éénmaal komen die woorden uit Davids psalm boven: “Met mijn God spring ik over muren en dring ik door sterke benden…” Als Jonathan dat heeft gezongen toen hij de strijd aanging, dan val ik hem zeker bij! Jij ook? Maar dan moet het een zuivere strijd zijn met een open verbinding naar die God die over muren laat springen en door benden laat dringen. Bij Jonathan ga ik er blindelings vanuit. Maar Israël en zijn koning hadden slechts eigen belang op het oog.

woensdag 7 maart 2018

Jezelf in de nesten werken

De loyale van de royale - VIII

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij en zijn hart beefde zeer. En Saul vraagde den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten.
1 Samuël 28 : 5-6


Op een van de heuvels langs de vlakte van Jizreël staat een man. Hij kijkt uit over de vlakte, maar zijn blik reikt verder, naar Sunem, vlak onder Naïn in het stamgebied van Issaschar. De man is ver van huis. Hij heeft zijn legers vanuit Gibea ver naar het noorden getrokken, vanwege een grootse aanval van de Filistijnen, die meer langs de zeekant naar het noorden zijn getrokken. De Filistijnen hadden zich in Afek, vlakbij Joppe, verzameld. De verspieders van de man hadden niet alleen de troepenbeweging feilloos in kaart gebracht voor hem, maar ze hadden er ook nog een ontstellende ontdekking bij vermeld: David heeft zich met zijn leger gevoegd bij een van de Filistijnse koningen, Achis. Daarom herkennen we de man op de heuvel niet direct als Saul!
Het is een andere Saul die hier observeert. Of eigenlijk… hij kijkt uit op een enorme blinde muur. Waar zijn woeste kracht nog wel eens een overwinning afdwong op de Filistijnen, is hem nu alle moed in de schoenen gezonken? Vanwege de overmacht? Nee, die is niet heel veel groter dan in de voorgaande jaren. Vanwege het ontbreken van kundige legeraanvoerders? Ook dat is niet het probleem. Het eigenlijke probleem wordt verwoord in de tekst van vandaag: “De HEERE antwoordde hem niet.” En Saul had nog wel zo gebeden! Hij had de HEERE gevraagd hoe hij dit moest aanpakken. Maar het bleef stil.

Dat God zwijgt is voor Saul onheilspellend. En bijgelovig als hij is geworden, heeft dat enorm vat op hem. Wij zeggen misschien wel veel te gemakkelijk ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’, maar er zit wel een diepe van waarheid in, ook al wordt dat keihard ontkend. Elk mens zoekt zekerheid. Is het niet in God dan is het wel in de utopie dat Hij niet bestaat. Het probleem met Saul is echter dat hij voluit weet dat God bestaat en daar ook geen moment aan twijfelt. Maar God zwijgt tegen hem, omdat Saul niet naar Hem luistert. Die houding kun je met recht ‘in de nesten werken’ noemen. Zijn leven is één ondoordringbare kluwe van problemen geworden.

Maar er is nog iets dat Saul aan de rand van de waanzin brengt: daarginds, in de achterhoede van de Filistijnen bevindt zich David. En God is wel met David! Sauls verspieders hebben hem dat mogelijk met angst in het hart gemeld, maar het was essentiële informatie! Wat zij en dus ook Saul niet wisten is dat David zich ook de nesten had ­gewerkt, door zich bij Achis aan te sluiten. Hij wilde via zelfgekozen wegen de veiligheid van zijn groep waarborgen en zicht die opnieuw bij Achis. Deze stond op het punt om ten strijde te trekken tegen Israël en David wilde zijn betrouwbaarheid bewijzen; daarom zei hij met een grote mond dat hij met Achis wilde meetrekken. Even daar gelaten of hij daar een even dubbel plan mee had als Jonathan aan Sauls kant.

Toen de verschillende Filistijnse legers zich in Afek verzamelden, waren er weer een aantal die David herkenden. Het lijkt het verhaal van Petrus wel in de zaal van Kajafas! David gokte veel te hoog; maar de HEERE maakte dat de andere Filistijnse vorsten hem absoluut niet mee wilden hebben. Hij zou hen zo van achteren kunnen aanvallen als zijn vooraan in strijd waren met Saul en zijn leger. Nu was Davids leger niet zo groot als de duizenden der Filistijnen. Maar men hield wel rekening met Davids bijzondere kracht die hij van God had ontvangen! Moet je horen wat David veinst, wanneer Achis hem toch moet zeggen dat de anderen hem niet mee willen: “Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw ­aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer den koning?” Nota bene!
Of had hij mee willen vechten om Saul te kunnen beschermen? Hoe dan ook, Saul is doodsbenauwd voor de Filistijnen bij wie hij nog steeds David vermoedt. Zou Jonathan daar bij hem hebben gestaan? Nergens wordt zijn naam genoemd, maar er gebeuren een hele hoop dingen die iets met hem móeten hebben gedaan! Ook hij moet hebben geweten van Davids aanwezigheid daar ginds in het leger van de Filistijnen. Dat heeft hem wellicht met vreugde vervuld, maar toch…

En dan is daar dat moment dat Saul de wijk neemt tot het rijk van de duisternis. Als dan God zwijgt, dan zal hij kijken of de satan spreekt. Toen Samuël stierf had hij – uit krankzinnige angst voor het boven­natuurlijke – de waarzeggers en de duivelskunstenaars laten doden. Zo meende hij dat het rijk van satan ook het zwijgen werd opgelegd en zo kon hij vrij zijn gang gaan. Maar gek genoeg vraagt hij nu om een waarzegster. Waarom juist om een vrouw? En als hij die zo secuur had uitgeroeid, waarom vermoedde hij er dan toch nog eentje? Moet je indenken hoeveel risico zijn knechten liepen, toen zij hem antwoord gaven: “In Endor is er nog wel eentje”. Endor! Dat betekende dat hij met een boog om de legers van de Filistijnen moest, want Endor lag recht naar het noorden, vlak onder het Thaborgebergte. Ze moesten de zijtak van de Jordaan over en dan over het gebergte rechts van Sunem. Een niet ongevaarlijke tocht, maar het ‘lukt’.

We weten hoe het afliep. Daar ontmoette hij een spirituele simulatie van Samuël; Sauls wordt ondanks zijn vermomming herkend door de waarzegster, waarmee ze aantoont ‘betrouwbaar’ te zijn. Maar de boodschap is verpletterend. En ondanks al dat spirituele komt Saul niet tot verandering maar verhardt hij in zijn weg. Zou Jonathan hier ook bij zijn geweest? Ik vraag het me af. Wat een kluwe van losse eindjes is zijn leven geworden. Hij heeft zich in de nesten gewerkt.

dinsdag 6 maart 2018

Een herhaling van zetten

De loyale van de royale - VII

Deze zaak die gij gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als de HEERE leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, gij die over uw heer, den gezalfde des HEEREN, geen wacht gehouden hebt. En nu, zie waar de spies des konings is en de waterfles die aan zijn hoofdeinde was.
1 Samuël 26 : 16


We maken even een sprongetje in de tijd, omdat we vooral de lijn van Jonathan volgen en niet teveel uitweiden ver Saul of David. Maar soms is dat niet helemaal te voorkomen, zoals vorige overdenking. Eén ding moet nog wel worden genoemd uit 1 Samuël 25, het hoofdstuk begint met die aangrijpende woorden “En Samuël stierf…”. Op geestelijk gebied is er iets wezenlijks weg uit Israël: David, de gezalfde nieuwe koning, is weg (dus ook de belofte); en nu is ook Samuël er niet meer, het sprekend geweten van Saul en het volk! Israël is aan zichzelf over­geleverd en dat moet voor Jonathan een stuk lijden hebben betekend!
Dat David nog steeds vogelvrij is blijkt wel in het hoofdstuk dat nu voor ons ligt. Opnieuw komen de Zifieten bij Saul. Opnieuw gaan ze David verraden met bijna dezelfde woorden! En opnieuw trekt Saul erop uit. We nemen weer even aan dat ook Jonathan zal zijn mee gegaan. Hij is dan ook getuige geweest van deze hele scène waarin zijn vader opnieuw in deemoed en boete eindigt. Triest als je dat ziet van je vader, want hij wist (misschien wel als enige) hoe het écht zat!

Maar waar ik op wil inzoomen is het feit dat David opnieuw iets gaat provoceren bij Saul. De vorige keer is hij al op het randje gaan acteren, maar zal hij dat nu weer gaan doen? Waar doel ik op?
Saul traceert, middels verkenners of verspieders, het gebied waar David zich schuilhoudt. De verspieders van David hebben alle bewegingen van Saul en zijn mannen gevolgd en boodschappen David exact wat er achter hem gebeurt. David kent het gebied inmiddels op zijn duimpje; daar getuigt het vorige hoofdstuk met Nabal wel van. Bedenk dat er voor David nu een wezenlijke verandering heeft plaatsgehad: hij heeft een vrouw getrouwd, die geestelijk gezien zijns gelijke is en daarmee kreeg hij een nieuwe dimensie aan zijn beschermtaak. Abigaïl, de weduwe van Nabal, heeft zich aan hem toevertrouwd.

Maar er is ook een man wiens naam bijna dezelfde letters heeft: Abísaï. Samen sluipen zijn ’s nachts naar het legerkamp van Saul om de situatie te observeren. Saul gebruikt – en dat is iets dat kenmerkend voor zijn argwanende karakter is – als strategische vorm een ‘wagenburg’. Wat is dat? En waarom deze vorm?
Een wagenburg is een strategische opstelling van materieel. De materieelwagens worden in een grote kring rondom het kampement opgesteld als een soort muur. Vandaar dat het een ‘burg’ of ‘burcht’ van wagens wordt genoemd. “En Saul lag in den wagenburg en het volk was rondom hem gelegerd.” Zie je wat ik bedoel: Saul is niet de ­aanvoerder, maar gebruikt het volk als bescherming voor zichzelf!
David doorziet dat en zijn oog valt op iemand die die veiligheid nog eens extra moet waarborgen: Abner, zijn krijgsoverste. Abner stond dus zelfs dichter bij Saul dan Jonathan; en dat is veelzeggend. Ik zwijg maar over de merkwaardige rol die Abner later zal spelen, door evenzeer trouwheid te spelen aan David. Nota bene!

David kijkt de twee jongens naast zich (Abisaï en Achimélech) aan en zegt: “Wie gaat er met me mee naar Saul?” Abisaï is de enige die reageert. Samen gaan ze naar het leger en sluipen met een haast onwaarschijnlijke behendigheid tussen de manschappen door en komen bij de slapende Saul. Nou, als je al zover bent gekomen zonder enige vorm van tegenstand, dan is dat voor Abisaï duidelijk: “Dit is de dag waarop God uw vijand aan u heeft overgegeven!” Hij gebruikt haast dezelfde woorden als uit die eerdere geschiedenis waar David een stuk uit de mantel van Saul sneed. Abisaï ziet de speer in de grond staan aan het hoofdeind van Saul. “Sta me toe dat ik die speer in één keer in zijn hart steek. Ik beloof dat ik er geen slachtpartij van zal maken door meermalen in hem te steken!” Abisaï voelde haarfijn aan hoe David met dit soort dingen omging.
Maar nee, David verbiedt hem de gezalfde van God te doden. Dat zal Gods wraak oproepen. Maar… waarom doet David déze actie dan wel? Waarom provoceert hij opnieuw?
Hij neemt de speer mee en Sauls waterfles. Het is nu onmogelijk dat Saul bij het opstaan niet zal bemerken dat iemand dichtbij hem is geweest. De vorige keer was Saul nog onwetend van Davids actie, maar nu mist hij bij het wakker worden direct zijn speer en als hij zich wil wassen of wil drinken, zal hij de waterzak of kruik missen. Waarom merkte niemand iets? Was David zo behendig en listig? Nee, “een diepe slaap van de HEERE” lag over het leger!

Als David weer terug is – ik dacht altijd ‘vroeg in de morgen’, maar het blijkt direct na terugkeer te zijn – roept hij vanaf een rots aan de andere kant van het dal tot het leger en daarna tot Abner (niet tot Saul!): ““Waarom zeg je niets, Abner?” Abner antwoordde: “Wie roept daar naar de koning?” David riep terug: “Jij bent toch zo’n moedig man? In heel Israël is er toch niemand als jij? Waarom heb je dan je koning niet bewaakt? Want er is iemand in het kamp geweest om de koning te doden. Je hebt je werk niet goed gedaan. Ik zweer bij de Heere dat jullie de dood verdienen. Want jullie hebben je koning, de gezalfde van de Heere, niet bewaakt. Want waar zijn de speer en de waterkruik van de koning?” (BasisBijbel)

Zijn dat goede woorden die David kiest? Dat zijn toch ronduit sarcastische woorden? En hij gebruikt er de term ‘gezalfde van de HEERE’ zelfs bij. Is dat niet vroom vloeken? Meende hij dat wel echt, al die woorden? Was hij écht bezorgd? Of had hij schik van zijn daad?
Daarbij: David wilde eigenlijk iets heel anders aantonen. Niet de ontrouw van Abner. Want Abner zal heus trouw geweest zijn richting Saul. David wist toch ook wel dat de HEERE (en niet de behendigheid van David) deze actie tot een geslaagd einde had gebracht?
Dit moet ook Jonathan hebben getroffen. Hoe zal hij Davids woorden hebben beleefd en aangehoord? Ook hij was in gebreke gebleven! Hij had zijn vader niet voldoende beschermd. En… zijn vriend was super dichtbij geweest, zonder dat hij hem had kunnen spreken? En ook nu zal hij hem niet kunnen spreken, want dat zou zijn positie onhoudbaar maken! Dit was echt de laatste keer dat hij David zag!

David gaat nu met Saul in gesprek en wijst hem op zijn afgoderij. Op eenzelfde manier als Jezus later zal doen tegen de overpriesters. Hij zet Saul voor een dilemma: is uw haat tegen mij uit God of uit de mensen? Rare invalshoek. Maar luister: “Als God het is Die u tegen mij ophitst, breng Hem dan offers zodat Hij van gedachte zal veranderen. Maar als de mensen om u heen, koning, u hiertoe ophitsen, vervloek hen dan! Want zij maken dat ik niet meer bij het volk van het verbond kan blijven. Ze jagen mij weg naar heidens gebied; weg van de plek waar ik de HEERE kan en moet dienen! En precies daar gaat Saul niet op in. Hij kijkt weg van de problematiek. Hij negeert de essentie van dit probleem en… hij nodigt hem niet uit terug te keren in het land!

Ze gaan weer uiteen. Saul heeft – van een afstand weliswaar – nog toegegeven dat de HEERE met David is en dat hem alles zal lukken wat hij onderneemt. Maar hij blijft dezelfde. David vertrekt; Saul gaat naar zijn huis terug. Het gevaar is voor David geweken, maar datzelfde gevaar gaat zich huizenhoog manifesteren voor Saul en… Jonathan!

David wordt in het keurslijf van defensie en zelfs van aanval gedwongen door het ontrouwe gedrag van Saul. Dat gebeurt nota bene te midden van Gods verbondsvolk! Zeg maar: in de kerk. David gaat niet de ‘onderste weg’, maar blijft staan waarop hij staat: omdat het de zaak van de HEERE juist treft! Gods eer is in het geding in dit gedrag.

maandag 5 maart 2018

De vos en zijn streken

De loyale van de royale - VI

“…Toen hief Saul zijn stem op en weende. En hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden en ik heb u kwaad vergolden.”
1 Samuël 24 : 17b en 18


Haas zou je zeggen: kwamen maar meer mensen zover als Saul. Ze zouden inzien hoeveel schade ze berokkenden met hun ego-centrisch gedrag. Maar is daarmee alles gezegd? Kom je echt verder zal mensen Saul nadoen? Het probleem is dat de psyche van Saul moeilijk te doorgronden is. Hij lijkt af en toe op haast schizofrene wijze een totaal ander mens te zijn (of moet je hem een borderliner noemen?). En je denkt: nu komt het goed; nu ziet hij in dat het anders moet! Maar het volgende ogenblik zint hij weer op totale vernietiging. Wat is er gebeurd?

In de vorige Bijbeloverdenking zagen we dat David met een kloppend hart een stuk van de mantel van Saul sneed. Door die even later aan Saul te tonen, leverde David direct ook het bewijs dat hij Saul niet wilde doden. Hij had het gemakkelijk kunnen doen. Zijn knechten zetten hem ertoe aan. Maar toch deed hij het niet. Want David zei: ik wil de gezalfde des HEEREN niet aanroeren. Toch sneed hij die lap af! Dus hij provoceerde wel iets! Vond hij dat wel toegestaan?

Toen Saul dat zag en ontdekte dat zijn leven aan een zijden draad had gehangen, kromp hij ineen. Hoe argwanend Saul zich ook gedroeg en hoe omzichtig hij ook zijn veiligheid had proberen te waarborgen, toch wist David ongezien bij hem te komen. Met alle risico’s van dien!
Dan gaat David spreken. En zijn toon is eigenlijk bijzonder scherp en confronterend. Kan dat wel? Saul is toch de gezalfde des HEEREN volgens hem? Moet hij dan niet een toontje lager zingen en een meer ingetogen spreektrant bezigen? David gebruikt zelfs de HEERE en zet Hem tussen zichzelf en Saul: “de HEERE zal zijn tot Rechter en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin en twisten mijn twist en richten mij van uw hand.”
En let dan op wat Saul doet, welk rolletje hij speelt: “Is dit uw stem, mijn zoon David?” Die stem herkende hij uit duizenden. De stem van degenen naar wie hij koortsachtig op zoek was. Al die mannen rondom hem heeft hij opnieuw gemobiliseerd. Ze moeten de waanzin die Saul in zijn greep hield, hebben opgemerkt, maar… ze gingen toch mee met hem. En nu knakt hun krankzinnige leider opeens. Hij noemt zijn aartsvijand zelfs weer gewoon ‘mijn zoon’! Wat moeten die ruige soldaten, die daarnet nog de Filistijnen hadden teruggejaagd met grof geweld en van strijdkreten schorgeschreeuwde kelen, nu toch denken?

Saul huilt. Maar wat zijn dat voor tranen? De Bijbel omschrijft zijn stemgeluid niet, maar ik stel me er een bibberig, jankerig stemmetje bij voor. Zoals je dat te vaak tegen komt. “Ik ben ook geen goeie…” of “Ik kan het ook niets…” Maar zijn het tranen die God als Geadresseerde hebben? Of zijn ze het etalagemateriaal van iemand die koortsachtig zoekt naar speelruimte om in het zadel te blijven? Saul lijkt diep door het stof te gaan: “Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden en ik heb u kwaad vergolden. En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goedgedaan hebt; want de HEERE had mij in uw hand besloten en gij hebt mij niet gedood. Zo ­wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goeden weg laten gaan? De HEERE nu vergelde u het goede voor dezen dag dien gij mij heden gemaakt hebt.” Saul duidt de daad van David als ‘het mij weer op de goede weg zetten’. Het merkwaardige is dat hij niet verder op dat ‘rechtvaardige’ doorgaat! En dat is kenmerkend voor dit soort mensen. Kijk maar.
Hij zoomt opnieuw en vooral in op zijn bijna-dood. Zijn spel had definitief uit kunnen zijn en daarmee had hij zijn doel niet gehaald. David heeft, in zijn ogen, het lef niet gehad om hem te doden en dat geeft hem moed. Maar om zeker te weten dat hij hiermee wegkomt, gebruikt hij de God Die hij heeft afgezworen, als dekmantel voor zijn haat tegen de HEERE! God zegene je vanwege deze bijzondere dag die jij hebt gemaakt. Ik krijg nog een kans, maar ik zal nóg meer op mijn hoede zijn.
Hoogst waarschijnlijk heeft Saul dat niet direct, op dat moment, gedacht. Hij is de man die een kortzichtige strategie volgt en de lange lijnen niet gemakkelijk kan overzien. Zijn daden moeten snel doel treffen anders raakt hij geïrriteerd. Dus de feiten van dit moment kan hij nog niet direct plaatsen. Maar al rap moet hij deze gedachten wel hebben uitgebroed. Dat zal ook blijken.

Om zijn verwarring te camoufleren haalt hij er een raar element bij. Het is een onverwachte en eigenlijk ook heel ­ondoordachte actie. Of… er moet toch al een plannetje achter zitten. Hij brengt het koningschap te berde: “En nu, zie, ik weet dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israël in uw hand bestaan zal.” Waar baseert Saul dat op? Wel, Jonathan had kort hiervoor al tegen David gezegd dat Saul wist dat David zijn opvolger was. Hoe hij dat te weten is gekomen is niet bekend, maar dát hij het wist is wel duidelijk en super gevaarlijk. Maar, zo zegt de verklaarder in Oude Sporen “het is echter een gedwongen erkenning die tot een nog grotere haat voert.”

Let op wat Saul ten slotte doet. Hij geeft niets uit dankbaarheid maar hij doet juist een extra beroep op Davids goedheid jegens hem (hoe paradoxaal!): “Zweer mij dan nu bij den HEERE, zo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen van mijns vaders huis!” David stemt in. Weer moet er een vroom sausje over Sauls egocentrisch en onoprecht gemoed! De vos past zijn gedrag niet aan, omdat zijn roof­instinct niet ophoudt en zich laat bekeren!

donderdag 1 maart 2018

Het spanningsveld tussen respect en provocatie

De loyale van de royale - V


“Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.
En David scheidde zijn mannen met woorden en liet hun niet toe dat zij opstonden tegen Saul.”
1 Samuël 24 : 6 en 8a


In de vorige Bijbelstudie hoorden we David zingen: “Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid”, nog vóór dat de redding zichtbaar was! Wel, die redding kwám! Vanuit ongedachte hoek. Geen verderfengel van God die het leger van Saul sloeg, of die Saul doodde of ernstig ziek maakte. Saul lijkt vaak op Hitler, die ongedurig was en dán hier, dán daar een offensief begon, wanneer het niet snel genoeg ging. Hij was gemakkelijk af te leiden, als het hem teveel moeite dreigde te kosten.
Een boodschapper slaat alarm: “Haast u en kom, want de ­Filistijnen zijn in het land gevallen” (1 Sam. 23 : 27). Direct laat Saul alles vallen waarmee hij bezig was (het uitkammen van het gebied, waar David zich verborgen hield; hij was hem al héél dicht genaderd, want ze hadden hem reeds omsingeld, zie vers 26!).

Als Saul vertrokken is naar het Filistijnse offensiefgebied, trekt David met zijn leger verder naar het oosten, naar Engédi, tegen de Dode Zee aan. Maar let op: ook die troepenbeweging wordt direct gerapporteerd aan Saul. En zodra hij die Filistijnen weer in hun hok heeft teruggejaagd, jakkert hij terug naar de wildernis bij de Dode Zee.

Nu neemt hij ‘uitgelezen’ mannen mee. Zijn elitetroepen. Hoewel dit er zo’n 3.000 zijn, is het niet zeker of Jonathan hier bij is. Toch denk ik dat hij er bij zal zijn geweest. Om twee redenen. Ten eerste kennen we Jonathan als een expert in het beklimmen van rotsen (samen met zijn wapendrager). Ten tweede zal hij zijn uiterste best hebben gedaan om argumenten te geven voor zijn deelname aan deze operatie. Zo kan hij de troepenbeweging ietwat beïnvloeden.
Ik moest denken aan het onverklaarbaar onopgeloste recherche-werk naar de Bende van Nijvel. Waarom verliep het onderzoek zo raar en is de bende zelfs na dertig jaar nog niet opgerold? Omdat er zich figuren bij bevonden die diep waren geïnfiltreerd bij de politie en zelfs een vinger in de pap hadden bij het politieonderzoek naar de bende!
Nu is Jonathan geen crimineel, maar hij gebruikt wel deze tactiek, waarbij hij de mogelijkheid optimaal kan benutten om deze actie te doen mislukken. Maar… voor Saul zal zijn klim-capaciteit een doorslaggevend argument zijn geweest.

Er is nóg een reden, waarom ik aanneem dat Jonathan hierbij zal zijn geweest. Jonathan krijgt namelijk van David, zonder dat die het zich bewust zal zijn geweest, een stimulerend voorbeeld van loyaliteit aan de verdorven, maar gezalfde koning.
Ook Saul is blijkbaar goed in staat te klimmen, maar ik kan het beeld niet van mijn netvlies krijgen dat hij vooral een voorhoede voor zich wil blijven houden. Te meer is het opvallend dat hij zich terugtrekt in een spelonk om ‘zijn voeten te bedekken’ of ‘zijn gemak te nemen’, ofwel ‘naar het secreet (toilet) te gaan’. We lezen niet dat de spelonk onder controle is na een grondige inspectie. Nota bene ín het gebied waar hij David vermoed, volgens de boodschap van een verrader, gaat hij zomaar een spelonk in.
Misschien verwachtte hij een felle aanval van David in plaats van een defensieve, terugtrekkende manoeuvre; maar de vorige acties van David hadden hem toch wel wijzer moeten maken?
Bij zijn grote boodschap heeft Saul niemand nodig. Zijn elitekorps zal bij de ingang van de spelonk zijn blijven staan, in afwachting van een offensief van Davids krijgers. Maar let op wat er ‘onzichtbaar’ in de spelonk gebeurt!

De mannen bij David houden elkaar vast. Ze zien de gewraakte koning de spelonk binnenkomen en staan op scherp. De spanning is te snijden. Omdat hún ogen wel aan het donker gewend zijn, zien zij juist goed wat er gebeurt. Saul hurkt in het schemer, met zijn rug naar hen toe. De mannen stoten David aan en fluisteren bijna onhoorbaar: “Kijk nou toch! Dit is de dag waarop de HEERE tot u zegt: Let op, Ik geef u uw vijand in handen en u mag met hem doen wat u wilt!”
Wat een verleiding is dat voor David! De mannen wrijven in hun handen als ze David als een kat naar Saul zien sluipen. Bijna waren ze al overeind gesprongen, in de verwachting dat het hoofd van Saul over de spelonkvloer zou rollen, zoals jaren geleden het hoofd van Goliath werd afgehakt. Maar er wordt geen hoofd afgehakt, enkel wordt een stuk uit de mantel van Saul geknipt. Een herkenbaar stuk, dat wel!

Maar moet je lezen wat er met David gebeurt als hij deze ­provocerende daad verricht: “Davids hart sloeg hem, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.” Kan dat wel, provoceren? Past zo’n daad van lef wel in de context van de dienst aan de HEERE? David kruipt met bonzend hart weer terug naar zijn mannen en Saul veegt zijn achterste af, trekt zijn jas weer recht, om zich bij zijn mannen te voegen en verder te trekken in het rotsgebied.

Zijn mannen vinden het maar onzin en ze mokken. Ja, ze klonten samen om hun ongenoegen te uiten over Davids zwakheid. Maar die is resoluut en jaagt zijn mannen uit elkaar: “Aan me nooit niet dat ik mijn vingers brandt aan de gezalfde van God!” David heeft blijkbaar meer discipline bij zijn mannen ingescherpt dan Saul, want ze gehoorzamen hem met eerbied en respect. Ze volgens hem naar buiten, het pad op achter Saul. En daar krijgen zowel zij als Saul en Jonathan een les.

David roept Saul na. De Bijbel zegt er verder niets over, maar ik had toch wel willen voelen wat Davids hart doet; willen zien hoe David zijn woorden kiest… hoeveel adrenaline er door zijn lichaam giert, als hij roept: “Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie dat er in mijn hand geen kwaad noch overtreding is en ik tegen u niet gezondigd heb. Nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.”

Hij zegt ‘vader’, lees schoonvader. Daarmee treft hij Saul op een zwak punt en brengt hij Jonathan in één klap bij de les die hij wil leren: immers Jonathan en zijn broers zijn de echte zonen van Saul! Maar wat zal de uitdrukking in de ogen van David zijn geweest toen hij Saul die afgesneden lap liet zien? Probeer je dat eens in te denken. Zou daar geen spoortje van ironie in hebben gezeten? En wat dacht je van die woorden ‘geen kwade bedoelingen bij mij’, ‘ik zondig niet tegen u’ en dat ‘en toch jaagt u op mij als op een prooi!’ Hij zet zichzelf haast weg als een heilige en laat Saul de conclusie trekken dat die wel een super ontaard demoon moet zijn, zonder enige vorm van rechtvaardigheid.
Mocht je dat niet met me eens zijn, omdat het je beeld van David zou aantasten, dan moet je even doorlezen naar vers 15: “Beste Saul, wie jaag je na? Een dooie hond? Of een klein vlooitje?” Wij zouden dat een brutale opmerking vinden. Provocerend, niet? Goliath zei nog: “Hé, ben ik een hond, dat je met een stok naar me toekomt?” Maar David zegt: “Doe geen moeite, koning, ik ben maar een dode hond!” Onthoudt die opmerking, want de zoon van Jonathan zal die later herhalen, maar dan minder cynisch.

Is dat nou een respectvolle vorm van discussiëren, zoals wij dat graag zien in de 21e eeuw? David let op je woorden. Ook al zeg je: “Koning doe toch niet zoveel moeite om mij te vangen. Het is het allemaal niet waard!” Eigenlijk bedoel je: “Stop maar, want God is met mij; tegen Hem moet je het altijd afleggen!” Is dit soort aanvallende conversatie misschien wel juist veel passender bij christenen van nu?

woensdag 28 februari 2018

Vrees de dolkstoot in je rug niet maar verwacht hem en zing een Psalm...

De loyale van de royale - IV


“Toen zeide Saul: Gezegend zijt gijlieden den HEERE, dat gij u over mij ontfermd hebt.”
1 Samuël 23 : 21


Ken je dat? Mensen die een gebeurtenis duidden als een gave van God omdat die wel heel goed in hun straatje past? Die anderen een rad voor ogen draaien met op de klank af vrome woorden, maar die hun eigen projectje aan het uitvoeren zijn en daar eer mee in proberen te leggen. In de vorige Bijbelstudie werd gesteld: “Wat Jonathan van zijn vader zegt, maakt de vreselijke afval van Saul duidelijk. Saul handelt tegen beter weten in.” De dagtekst is topsport in de categorie schijnheiligheid.
De categorie mensen waar ik op doel hebben altijd andere mensen nodig, die voor hen in de bres gaan staan. Ze durven zelden met open vizier te strijden. En als er tegenstand dreigt, zijn ze vaak buiten beeld. Saul is typisch zo’n voorbeeld. En kijk maar als hij een steuntje in de rug lijkt te krijgen: hij herpakt zich en gebruikt God.

Ik maak even dit uitstapje, omdat Jonathan in de geschiedenis weer wat naar de achtergrond is verdwenen, maar waarschijnlijk hierbij wel aanwezig is. Hij als rechterhand van zijn vader en oudste van zijn broers moet dit gebeuren hebben meegemaakt. Hier staan mensen voor Saul die zijn hartsvriend David verraden. Jonathan moet op zijn hoede zijn geweest, maar hij zal er geen woord van hebben willen missen. Alarm! Een gebed stijgt op uit zijn hart.
Hoe krenkend moet het voor hem zijn geweest dat zijn vader hier zo over in zijn nopjes is. Zó in zijn nopjes zelfs, dat hem de rol van Jonathan ontgaat! Jonathan moet voor Saul toch een soort lopend geweten zijn geweest; dat kan haast niet anders. Dat moet Saul dus ook enorm hebben geïrriteerd, waardoor hij juist heel onzeker werd wanneer Jonathan in zijn buurt was en zag/hoorde wat hij deed.

Kijken we even terug naar wat er met David gebeurde. Want wat Jonathan op afstand heeft gesignaleerd van Davids leven is ingrijpend. Aan het begin van hoofdstuk 23 trok het legertje vrijheidsstrijders van David naar Kehila in Juda, dat door de Filistijnen was belegerd. Vergeet even niet dat David kort daarvoor bij de Filistijnen in de problemen was gekomen doordat ze hem herkenden! Nadat de HEERE hem toestond om Kehilia – nota bene in zijn vaderland – te bevrijden (en de overwinning schonk) hoorde Saul dat David daar was. En let dan op wat Saul zegt: “God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij is ­besloten, komende in een stad met poorten en grendels.” Wanneer David hoort dat Saul eraan komt (zo kort waren de info-lijntjes in die tijd dus ook al!) vraagt hij aan God of de inwoners van Kehila hem zullen verraden en uitleveren aan Saul. Onwaarschijnlijk: ja dat zullen ze!

David en zijn mannen vluchtten naar het woud in de woestijn. En daar vond die ontmoeting met Jonathan plaats. Maar dan gebeurt er opnieuw iets. Waren de inwoners van Kehila misschien nog zwak, als Saul hen onder druk zette om David uit te leveren, de Zifieten bakken ze nog bruiner!
Saul is blijkbaar weer in Gibea (dus misschien is dat ‘Jonathan ging naar zijn huis’ toch gewoon Gibea geweest, omdat Saul David niet heeft kunnen vinden; Gibea en Kehila liggen niet zo heel ver van elkaar trouwen!). Ze vormen de dolkstoot in de rug van David en verraden hem bij Saul: “Weet u wel dat David zich bij ons verborgen heeft? Hij zit in de berggrotten in de bossen op de heuvel van Hachila, aan de zuidkant van de woestijn. U kan hem gerust komen halen, mijn heer de koning. We zullen hem aan u uitleveren.” Wat voor baat hadden die mensen daarbij? Ze hadden het niet hoeven doen! Er moet een stuk eigenbelang in het spel zijn. Dat zie je vaker als mensen op een heel merkwaardig ­moment in actie komen, terwijl ze zich voordien ‘gedeisd’ hielden en de ‘schaduw’ probeerden op te zoeken.
De wildernis van Maon ligt naar het zuidoosten, richting de Dode Zee! Dus een directe dreiging van de Filistijnen kan niet direct het probleem zijn geweest. Het bekende, zo niet beruchte witte voetje moet eerder de aanleiding geweest zijn. Wat een minne streek. Dit moet ook bij Jonathan een schok hebben gegeven. Hij kon nu niets meer doen. De inwoners van Zif kenden de streek als hun broekzak en ze wisten ongeveer waar David zich schuilhield. Maar de specifieke plek vertellen ze niet aan Saul. Dus Jonathan zou niet alleen het leger van zijn vader moeten voorkomen, maar ook de Zifieten omzichtig moeten ontwijken om niet herkend te worden.

In het vorige hoofdstuk was het Doëg die met zijn verraad een hele schare priesters de dood in jaagde. Maar nu is het een bevolkingsgroep die verraad pleegt en een Judasdaad verricht. Het verbaast eigenlijk nog dat ze niet over een ‘prijs’ onderhandelen voor deze deal!
Saul stuurt ze weg, om ze de precieze plek van David te laten uitzoeken. Onderwijl mobiliseert hij zijn leger. En ook Jonathan zal zijn meegegaan. De snelheid waarmee Saul handelt verraadt dat hij zijn vertrouwen niet op God maar op zijn eigen ‘geluk’ stelt. “Dit keer zal hij me niet ontsnappen!” moet Saul hebben gedacht.

Het gerucht van de naderende Saul en de dolkstoot van de Zifieten doet David niet moedeloos in elkaar zakken, maar hij dicht de 54e Psalm. Woorden vol van liefde tot zijn vervolgers? De linkerwang? De onderste weg? Of juist een slimme weg, om behendig een veilige schuilplaats voor de groep rondom hem te vinden?

“O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht. […] Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen  zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Ziet, God is mij een Helper; Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden."

Dat zijn forse woorden die er stevig inhakken. Er wordt om wraak gebeden. De tirannen zijn zowel de eigen volksgenoten die de dolkstoot in de rug gaven, als de door God gezalfde koning Saul! Wij zingen die woorden van David berijmd zo:

O God, verlos mij uit den nood, En red door Uwen naam mijn leven;
[…] Want vreemden steken ’t hoofd omhoog Tot mijn verderf;
ik zie tirannen, Om mij te doden, samenspannen; Zij stellen God zich niet voor ’t oog. […] Roei uit, die tegen mij zich stelden; Het gaat Uw trouw en waarheid aan. […] Want God wil mij Zijn bijstand biên. Hij heeft mij ‘t onheil doen ontkomen, En mijn benauwdheid weggenomen: lk heb mijns vijands val gezien.

Past dat in onze 21e-eeuwse visie? Is David nog wel die lieve, vrome en op God vertrouwende man in onze ogen, als we dit zingen? Kan Jonathan deze woorden ook meemaken? Zeker is dat hij David zou zijn bijgevallen bij diens laatste woorden: “lk zal U, met een blij gemoed Vrijwillig off’ren, HEER der heren; lk zal Uw naam met lofzang eren, Dit eist Uw naam, want hij is goed.” Zingen, terwijl er nog niets van is te zien. Rotsvast vertrouwen dat de HEERE zál helpen. Waarom? “Het gaat Uw trouw en waarheid aan…” Geen eigen belang, zoals bij de Zifieten, maar Gods belang voorop!

Waar bleef Jonathan?

De loyale van de royale - III

David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
1 Samuël 23 : 18b


Bijna alle vertalingen vertalen het hebreeuwse ‘bayith’ (of ‘beith’) met ‘huis’ en dat doet je denken dat Jonathan ‘naar huis ging’, naar ‘zijn verblijf in het paleis in Gibea’. Je denkt er zijn vrouw en kinderen bij, want die waren er ook, immers?! In de uitleg van Oude Sporen las ik hierover het volgende: “Wat Jonathan van zijn vader zegt, maakt de vreselijke afval van Saul duidelijk. Saul handelt tegen beter weten in. Na dit gezegd te hebben sluiten ze opnieuw een verbond. Dan komt de definitieve scheiding. Jonathan gaat weer naar zijn huis en David vlucht verder. Van Jonathan lezen we niet dat hij terugkeert naar het paleis, of dat hij plaats neemt in de gelederen van de vervolgers van David, maar dat hij naar zijn huis gaat. Hij is geen volgeling van de vervolgde David, maar ook geen vervolger. We kunnen wel een hard oordeel over Jonathan vellen, maar laten we daar maar voorzichtig mee zijn. Zijn liefde voor David is op vele wijzen gebleken. We horen David op indrukwekkende wijze getuigen van zijn liefde voor Jonathan (2 Sam. 1:26). Van de kant van David is er geen enkel verwijt naar Jonathan. Laten wij dat dan ook maar niet doen."

Natuurlijk verwijten we Jonathan niets; maar zijn houding trekt wel onze aandacht: hoe ging hij te werk en hoe kon hij dat volhouden zonder zijn geweten geweld aan te doen? We maken het ons makkelijk door het woord ‘bayith’ dus te vertalen met ‘huis’, zodat hij duidelijk niet bij Saul zijn verblijf hield. Maar hoe logisch is dat? Hoe gevaarlijk ook? Als hij echt naar huis ging, dan zou er een moment komen waarop vader Saul terugkeerde. En als hij David dan niet had gevangen, zouden de rapen gaar zijn. Jonathan kon onmogelijk ‘thuis blijven’ (net als David later zou doen en de zonde met Bathséba beging). Dat zou namelijk een veel duidelijker positiekeuze ten opzicht van zijn vader laten zien. Met het ‘niet mee gaan met het leger van zijn vader’ liet hij zien dat hij zich distantieerde van diens beleid. En als je Saul een beetje kent is dat een super riskante situatie.
Maar dat woord ‘bayith’ kan vele meer betekenen. Naast ‘huis’ of ‘verblijfplaats’ betekent het ook ‘schuilplaats voor dieren’, ‘familie’ of ‘huishouden’. Zelfs kan het soms ‘tempel’ betekenen. In de Bijbel zit het woord ook in ‘diensthuis’. Niet alles is toepasbaar op onze tekst, maar de tekst sluit zeker niet uit dat hij terugging naar zijn tent in het legerkamp die voor die tijd zijn ‘thuis’ vormde. Vlakbij zijn vader. Zou hij juist daar niet veel beter tot nut voor David kunnen zijn? Misschien wel de enige tent in het kamp waarin een voortdurend gebed voor David opklom tot God! En hij kon met enige omzichtigheid invloed uitoefenen op zijn vader, als diens rechterhand.
Want laten we eerlijk zijn: in 1 Samuël 31 komen we Saul gewoon weer tegen mét zijn zonen. Ze strijden tegen de Filistijnen en moeten het onderspit delven. Niks geen ingewikkelde familie-intriges en ruzies tussen Saul en Jonathan. Het meest logische is dus dat Jonathan een dubbelrol speelde en hij is ook de enige geweest die precies wist waar het heen ging: David zou koning worden en linksom of rechtsom zou zijn vader van het toneel worden verwijderd door God.

Vandaag de dag wordt nogal eens gedacht dat je met een zekere vorm van ‘verdraagzaamheid’ en ‘liefde’ meer kunt bereiken dan met een aanvallende houding tegen vijandig gezinde typen. Een top­crimineel van onze dagen (Holleeder) bezigde een interessante kreet die ik in het volgende fragment uit een wetenschappelijk onderzoek terugvond: “Sun Tzu, de Chinese generaal, filosoof en schrijver van het beroemdste boek over militaire strategie, gebruikte naar verluidt regel­matig de beroemde zin: ‘Houd je vrienden dichtbij, maar je vijanden dichterbij,” zo stellen de onderzoekers. En de proefpersonen gaven daar goed gehoor aan. “Zij gaven aan dat hun ‘vijanden’ dichterbij waren, maar alleen wanneer deze vijanden een bedreiging vormden. Ons onderzoek suggereert dat we onze vijanden psychisch dichter bij ons houden door onze representatie van de fysieke wereld, in dit geval de fysiek afstand, te veranderen.” En dat is evolutionair helemaal niet zo’n slecht idee. Men kan beter te fel op een dreiging reageren dan te laat reageren en zelf het onderspit delven.” Het veranderen van die fysieke afstand is dus: dichter bij die zogenaamde ‘vijand’ gaan staan om beter en sneller te acteren.

Natuurlijk kun je stellen dat dat in het geloof niet zo te werk gaat en strategie eigenlijk een vorm van ongeloof in Gods almacht is. Maar is dat zo? Ook al geloven we onomstotelijk in de almacht van God dan wachten we de problemen toch niet af? Als de HEERE oproept tot ‘bid én werk’ dan houdt dat toch niet in dat we ons verstand en ons ‘in actie komen’ moeten uitschakelen? En als niemand reageert, terwijl het gevaar aanwijsbaar is dan kun je toch niet alles afdoen met ‘lief zijn’ en ‘de houding van Jezus laten zien’? ­Natuurlijk: toen Hij gescholden werd schold Hij niet terug. Hij was God, maar zelfs als Zíjn persoon in het geding was, zweeg Hij; echter, wanneer Zijn Vader in het geding was kwam Hij in actie. En hoe! Zie hoe Hij het tempelplein leeg veegt met een bos touwtjes. Hoor hoe Hij ageert – haast fulmineert – tegen de zogenaamde schriftgeleerden: “Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid” (Mat. 23:27) en “Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb” (Joh. 10:26). Ja, Hij was God Zelf en kon dat zeggen, maar… willen we ook naar deze kant van Jezus kijken? En zegt ons dat misschien ook wat? Is de beruchte Dordtsche Synode (1618-1619) misschien ook zo’n moment? Zijn wij misschien te zeer aangetast door zogenaamde ‘tolerantie’?

maandag 26 februari 2018

Je hand versterken in God


De loyale van de royale - II


Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud. Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. En hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel. En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des HEEREN; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
1 Samuël 23 : 15-18


Soms zijn er momenten dat je het plaatje weer helder en compleet hebt: zo zal het gaan en zo is het goed. Terwijl zo vaak de structuur van het leven een raadsel voor je is en niets is wat het lijkt. Gods plan? Is dat er eigenlijk wel? Wat zie je ervan? En áls God dan een plan heeft en dat zogenaamd ‘onwederstandelijk’ uitwerkt… waarom gaat het dan schijnbaar totaal de verkeerde kant op? Waarom blijven mensen om je heen voortdurend vreemde keuzes maken en waarom lijken zovelen zo vaak te slapen? Als God al een plan had, waarom stelt niemand de vraag: “God, hoe zit het met dat plan? Dit gaat toch niet goed zo?” Vind je dat een brutale vraag?
Ik ga er niet over in discussie, maar als je dat brutaal vind, zou ik toch adviseren je vragen te stellen en te laten zien dat je leeft. Niet om daarmee antwoorden te ­vergaren en het plaatje weer passend te krijgen, maar om minder God te zijn en meer van Hem afhankelijk.
Er is namelijk een levensgroot verschil in het stellen van vragen en het uiten van frustratie over onbegrepen wegen. Je kunt er arrogant en brutaal mee richting een ‘lege’ hemel roepen, zoals Gerard Reve:
Graf te Blauwhuis – voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Gerard Reve (1923-2006) – Uit: Nader tot u
Maar beter is om met je vragen naar God gaan en eerlijk je kleine mensenverstandje aan Hem laten zien. Dat wij de antwoorden niet ­weten is eigenlijk vanzelfsprekend. Omdat jij en ik de grote lijn van God niet kunnen overzien. Die spanningsboog is te groot. Maar als wetenschappers zich kunnen vastbijten in ‘berekende zekerheden’ van miljoenen jaren terug, waarom kan een christen dan niet, ondanks alle tegenstrijdige zichtbaarheden, vast blijven staan op Gods plan?

Jonathan trekt met zijn vader Saul en een fors leger richting de plek waar men David vermoedt. Dat moet me een dwaze vertoning zijn geweest! Een leger van soldaten met een goed verstand, hollend achter een krankzinnige leider die slechts één doel heeft, dat weinig onder doet voor Hitlers doel: Gods verbond moet onwaarschijnlijk worden en Zijn volk uitgeroeid. Als God mensen aan de kant schuift om beter bij Zijn doel te komen, zullen de reacties tweeërlei zijn: óf verblinde en drieste haat óf gebrokenheid met gerustheid en tranen.
Saul vervult duidelijk het eerste voorbeeld. En je zou verwachten dat Jonathan daardoor in totale wanhoop terecht komt. Maar toch is dat niet zo. Hij weet David te zitten en sluipt weg uit het leger. Zou zijn wapendrager weer bij hem zijn?

Die actie van Jonathan was niet zonder risico. Het staat er in de Bijbel een beetje romantisch en kort beschreven, maar allereerst liep hij het risico dat zijn vader hem als deserteur en/of collaborateur zou zien en botweg laten doden. Vervolgens is het ‘David opzoeken’ niet slechts een taak van uitvogelen waar hij zich schuilhoudt, maar ook zijn wachtposten, die op scherp staan, passeren. Hen overtuigen dat hij geen spion is van zijn vader, maar de hartsvriend van hun leider! De meeste van de meute rondom David had juist aversie tegen Saul, dus diens zoon zouden ze zeker niet ontzien! Maar…we lezen niets van overleggingen bij Jonathan. Hij gaat op zoek en vindt zijn vriend.
Het eerste dat Jonathan doet is David geruststellen. Niet met zichtbare feiten, maar met geloofszekerheden: “Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden…” Daar was, met dat leger van Saul voor de ‘deur’, allerminst reden toe om dat klakkeloos aan te nemen, maar toch… Daarnaast belijdt Jonathan iets dat we nog niet eerder zo stellig hebben gehoord: “…gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn…” Wij weten hoe het gaat aflopen, maar deze twee mannen weten dat nog niet. Daarmee ontdekken we dus hoe Jonathans gestalte is: hij blijft loyaal aan de royale (de huidige koning, maar ook aan de nieuwe koning!). Hij biedt zich aan om dienstbaar te zijn voor de nieuwe koning. Dat is geen desertie, maar een belijdenis aan David: ik buig voor Gods plan en val Hem bij!

Jonathan voegt er nog iets schijnbaar onheilspellends bij: “…ook weet mijn vader Saul zulks wel.” Saul heeft het door. Die informatie heeft iets raar in zich: immers, als Saul de twee vrienden door had en wist wat Davids positie was, zou hij dan Jonathan niet gevangen hebben gezet of zelfs gedood? Allerminst zou hij hem toch hebben meegenomen op zijn strooptocht om David op te sporen? Maar… Jonathan is er tóch bij en weet zelfs ongezien weg te komen om David te spreken. Zouden ze een geheim afgesproken teken hebben gehad, zodat Jonathan zo gemakkelijk contact kon leggen met David?
De geheime missie van Jonathan had niet slechts tot doel om de boodschap over te brengen en David te waarschuwen: “Pas op, mijn vader weet dat jij de nieuwe koning zult zijn!” Jonathan had ook niet tot doel om zijn eigen hachje te redden en zijn toekomst bij David veilig te stellen. Alhoewel het er wel erg op lijkt! Nee, Jonathan komt bij David om hem te troosten en moed in te spreken. Onder allerlei dekmantels en schijnbare vormen van eigenbelang zat het hart voor de goede zaak: het plan van God zou doorgaan. De vrienden troosten elkaar en sluiten voor Gods aangezicht een verbond. Want we lazen een vers eerder al: “…hij versterkte zijn hand in God.” En die ‘hij’ is hier Jonathan, terwijl ‘zijn’ zowel op hemzelf als op David kan duiden. En dat laatste is het meest waarschijnlijk. Jonathan kon David niets geven dat hem versterkte. Maar hij wees zijn vriend op de machtige God Die ze beiden dienden. Soms kun je iets betekenen voor je vriend/vriendin door iets te doen dat zichtbaar is. Soms is het enige dat je kunt doen: wijzen op de HEERE en Zijn beloften. De zalfolie was voor David  niet iets dat hem uit de problemen redde; hij moest het doen met de betekende zaak die in het teken verborgen zat: de belofte van God.

Toen gingen de vrienden weer uiteen: “David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.” God bleef Dezelfde en dat verbond hen beiden: hoe de weg ook zou gaan. David bleef vluchteling, maar Jonathan ging naar huis… Naar huis? Niet terug naar het leger?

donderdag 15 februari 2018

Loyaal zijn terwijl je vader jou openlijk afvalt

De loyale van de royale - I

Toen zeide Saul tot zijn knechten die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden en oversten van honderden stellen? Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt en niemand voor mijn oor ­openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart. Want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.
1 Samuël 22 : 7-8


De volgende keer dat we Jonathans naam in de Bijbel tegenkomen is pas in hoofdstuk 23. Maar… dan hebben we over één aspect heen gelezen! De tekst van vandaag zet ons stil bij een ingrijpend moment.

In hoofdstuk 21 zien we David wegvluchten nadat zowel Samuël als Jonathan hem niet meer kunnen beschermen. Op zich zou je hem vogelvrij kunnen noemen, maar al snel blijkt dat hij niet alleen over de wereld trekt. Aanvankelijk zijn er slechts een paar jongens bij hem, maar later is hij aanvoerder van een fikse bende van circa 400 man!

De eerste plek die hij bezoekt is Nob, waar op dat moment de tabernakel met de ark staat. David gaat hier de fout in door Achimélech te bedriegen. Dat is natuurlijk uit zelfbescherming, maar dit zal uitlopen op een bloedbad! Terwijl David staat te smoezen met de priester, is daar een man die in de tabernakel komt offeren: Doëg. David lijkt hem niet te hebben herkend (vers 22 echter laat zien dat David het probleem Doëg tóch al voorzag), maar Doëg heeft David wél herkend! Als David, na wat juridisch heen en weer gepraat met de priester, vertrekt met de toonbroden (en Jezus zal daar later nog iets over zeggen!) en het gigantische zwaard van Goliath is hij zich niet bewust van de sporen die hij daar heeft achtergelaten.

Vervolgens zoekt David zijn heil bij Achis, nota bene in Gath, de stad van Goliath. Zie je hem lopen met dat kapitale zwaard van de overwonnen reus? “Hé kijk, daar heb je de moordenaar van broer Goliath,” stoot een inwoner van Gath zijn buurman aan. “Is hij het echt?” “Zeker weten! Weet je nog van dat liedje?” Hij neuriet de wijs van het deuntje dat de meisjes in Israël al dansend op straat zongen: “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?”
Aan het hof komen er een paar klagen bij koning Achis. Ze hebben David écht wel herkend. Moet je horen wat ze zeggen: “Is deze niet David, de koning des lands?” (vers 11). Zouden ze bedoelen ‘de schoonzoon van de koning’, zoals de Kanttekeningen ons willen laten geloven of zou het gerucht toch ook al hier zijn aangekomen dat David de gezalfde opvolger van Saul is?
We kennen de ellendige situatie waarin David hier terechtkwam: dat hij zich als een bezetene aanstelde en zo ontkwam uit deze stad. Maar fraai is het allemaal niet. Een kat in het nauw… En toch dichtte hij ook psalm 34 bijvoorbeeld: “Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech (dat is de koningstitel; hij heette Achis), die hem wegjoeg, dat hij doorging.” Merkwaardig!

Toen vertrok hij (hoofdstuk 22) naar de spelonk van Adullam. Geen paleis, geen beschutting in barakken, maar een kille spelonk in de bush-bush! En let dan op wat er gebeurt: zijn broers hoorden dat hij daar was en ook zijn vader en moeder, ja de hele huishouding uit Bethlehem pakt zijn en haar biezen en vertrekt naar Adullam, ongeveer halverwege tussen Bethlehem en Gath. Je snapt dat die hun conclusie hebben getrokken over hun veiligheid, nu Saul driftig op zoek is naar David. Dan is ook de familie van David niet meer veilig! En kort daarop: “En tot hem vergaderden alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.” Denk je eens in wat dat allemaal betekent daar in die wildernis: ­logistiek (het verplaatsen en huisvesten van deze grote groep) en het voorzien van eten, drinken en kleding! Kort is David met deze groep nog in Moab geweest. In de Kanttekeningen wordt gewezen naar connecties die er wellicht nog zijn geweest met familie van Davids overgrootmoeder Ruth. Maar de profeet Gad stuurt David weer terug.

En die hele troepenverplaatsing komt ook Saul (en Jonathan) in losse brokken en onvolledig (want pas na deze verzen legt Doëg een ontbrekend stukje in Sauls puzzel) ter ore. En dan komen we bij de tekst van vandaag. Eerst had Saul via zijn spionnen of verkenners gehoord dat David herkend was in Gath. Later zullen hem ook andere tipgevers hebben verteld over de tocht naar Moab en de terugkeer in Juda. Saul zit op de uitkijk op een heuvel bij Gibea. De bekende speer heeft hij in zijn hand. En het is precies op dit moment dat Saul zijn trawanten een voor een aankijkt, met de speer op de grond tikkend om de spanning wat op te voeren: “Luister, mannen van Benjamin! Denken jullie soms dat die zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden zal geven? Denken jullie soms dat hij van jullie allemaal aanvoerders in zijn leger zal maken? Waarom anders zijn jullie allemaal tegen mij? Het is een samenzwering! Waarom heeft niemand mij gezegd dat mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isaï? Niemand van jullie trekt zich iets van mij aan! Niemand van jullie waarschuwt mij dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgestookt. Hij loert op een kans om mij te doden!”

Dictators denken super achterdochtig in complotten. Daarin maken ze meer dan eens fouten, maar door angst in te boezemen houden ze het zinkend schip nog een tijdje varend. Het verwijt knalt door de lucht als een zweep: “Mijn zoon (hij noemt de naam van Jonathan niet eens!) verraadt mij en spant samen met ‘mijn dienaar’ (David).” Als ik mij niet vergis staat Jonathan hier gewoon bij, al staat dat hier niet. Hoe dan ook: deze woorden zijn hem binnen 24 uur ter ore gekomen. En hij vlucht niet. Hij blijft in de nabijheid van zijn vader. Opnieuw verwonderen we ons over Jonathans gedrag. Hij blijft trouw aan zijn vader en laat aan niets merken dat hij Davids kant kiest. Is dat halfslachtig? Had hij misschien nog diepweg een hoopje dat het toch allemaal nog goed zou komen met Saul?
Nee, hij bleef loyaal aan de royale, de gezalfde koning. En… David bleef dat ook. “Den ko-ho-ho-honing van Hispanje heb ik altijd geëerd!”, zong Willem de Zwijger. Zo iets moet het zijn geweest. Hier wordt het spanningsveld zichtbaar tussen meedeinen en verzet. Op het scherpst van de snede tussen lange- en kortetermijnvisie.

David heeft gekozen voor de afstand, omdat hij in levensgevaar verkeerde. Dat begrijpen we allemaal. Maar Jonathan, zoveel wordt nu wel duidelijk, staat er niet heel veel beter voor! Hij daarentegen blijft op zijn post en blijft loyaal. Hij blijft niet om zoveel mogelijk verzet te plegen en te saboteren. Nee hij blijft zelfs, waar mogelijk, meewerken. Is hij een soort Nicodémus? Een soort Jozef van Arimathéa? Ik hef de spanning niet op door de vragen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Denk er maar eens over na… misschien helpen deze twee paradoxale keuzes je wel om Gods weg te gaan.

dinsdag 13 februari 2018

Zegen, verbond en scheiding

De vriend van de gezalfde - VII

Toen zeide Jónathan tot David: Ga in vrede; hetgeen dat wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in der eeuwigheid. Daarna stond hij op en ging heen; en Jónathan kwam in de stad.
1 Samuël 20 : 42-43


Waar christenen vandaag de dag nogal door worden ‘bedwelmd’ is de hang naar rust en comfort. Het kerkelijk ‘huisje-boompje-beestje’ zou je kunnen dus vertalen met ‘kerkgebouwtje-orgeltje-predikantje’. Misschien nog hier en daar de wens van bloeiend jeugdwerk, kringwerk en ontmoeting. Als we al die dingen kunnen ‘afturven’ zou er volgens sommigen sprake zijn van een ‘geslaagde gemeente’. Mooi als de ­gemeente ook nog wat groeit; hoewel sommige gemeenteleden dat zien als een bedreiging van het moeizaam verworvene! Dus is het wel belangrijk dat de aanwas uit ‘een bepaalde hoek’ komt.
Misschien dat er op landelijk niveau nog de behoefte is aan wat zendingswerk, zodat we ook naar andere kerken kunnen laten zien dat we echt wel meetellen en aan de ‘Weg’ timmeren. Meestal blinken afgescheiden kerken uit in een mager tot ontbrekend evangelisatiewerk. Dat geeft te veel onrust; het kost doordenking en eigenlijk komt het dan opeens aan op een levend geloof. Als dooddoener wordt dan maar snel gezegd dat ‘God het moet doen’. Dat is mooi makkelijk!
Als Jonathan David laat gaan en hem vrede wenst, weet hij heel goed dat het leven na deze scheiding voor hen beiden allesbehalve vredig, rustig en comfortabel zal zijn. De vrienden en zwagers zullen elkaar geen dag uit hun gedachten verliezen; dat betekent dus ook dagelijks pijn ervaren! Bij David komt daar nog bij dat hij zijn vrouw, Jonathans zuster, zal moeten achterlaten. Zit ze soms al gevangen in Sauls kerker? Is hun woonvertrek beveiligd door Sauls trawanten? Of is ze misschien reeds uitgehuwelijkt aan Palti, zoon van Lais uit Gallim? De Kanttekeningen verwijten naast Saul en Palti ook Michal dat zij met deze ‘daad’ kwaad heeft gedaan. Het is maar zeer de vraag of de vrouw in deze tijd iets te willen had!

De afspraak die Jonathan en David hadden gemaakt en waar ze een verbond over hadden gesloten, wordt opnieuw herhaald. Voor Gods aangezicht laat Jonathan David beloven dat die zal zorgen voor Jonathans kinderen, wanneer David koning zal zijn. Tot de dood ons scheidt? Nee, hun vriendschap reikt ver daar voorbij! Is die belofte een verkapte vorm van verzekering, die bepaalde kerkelijke groeperingen zo afkeuren? Zeker niet. Hier bekrachten vrienden hun vriendschap en bevelen elkaar hun kinderen aan. Hoewel we dat niet lezen over David; simpel omdat die nog geen kinderen had. Sterker nog: David zegt tegen Jonathan ook niet: “Jonathan, mijn vriend, wil jij voor mijn Michal zorgen, nu ik moet vluchten? Bescherm haar en houd haar bij Saul weg!” Niets van dat al! Vond de HEERE het niet nodig dit in de Bijbel te vermelden? Of heeft David er echt niets over gezegd? Of ging hij er vanuit dat Jonathan zijn uiterste best wel voor haar zou doen?

Daarna maakten ze elkaar los uit hun emotionele omhelzing. De afstand tussen de vrienden groeide van millimeters naar centimeters, van decimeters naar meters. Weldra verdween David tussen de eerste bomen en struiken van het woud. Toen Jonathan tussen de bomen niets meer zag bewegen keerde hij terug naar de realiteit, zoals later de discipelen Jezus zagen heengaan naar de hemel en nog bleven kijken, hoewel een wolk Hem al uit het blikveld had gehaald. Langzaam keerde Jonathan zich om. Keek nog eenmaal naar de bomen waar­tussen David was verdwenen. Weg! Voor altijd? Wat zullen de ­gedachten zijn geweest die door zijn hoofd zijn gegaan? Wat zullen de gevoelens zijn geweest toen hij schoorvoetend terug liep naar het paleis? Hij kwam weer in de stad, maar je moest niet vragen hoe! De vrienden waren gescheiden en David vluchtte naar een veilige stek, weg van de levensbedreigende Saul.

Was daarmee het ‘probleem Saul’ nu opgelost? Had het plan van Jonathan ertoe geleid dat we met een happy end te maken hebben? Heeft Saul afgedaan voor zijn zoon en trekken de beide vrienden de wijde wereld in, na de vijand te hebben verslagen? Nee, aan de situatie is ten diepste niets veranderd. De een is ‘weggegaan’ omdat er geen toekomst meer was aan het hof. Hij ging de weg van een vluchteling met weliswaar een belofte van God op zak, maar de realisatie van die belofte was nog totaal niet zichtbaar; eerder het tegendeel. “Zou de HEER’ Zijn gunstgenoten,” dacht ik, “dan altoos verstoten? Niet goed­gunstig zijn voortaan? Nimmer ons meer gadeslaan? Zouden Zijn ­beloftenissen verder hun vervulling missen, vruchtloos worden afgewacht van geslachte tot geslacht?” (Psalm 77).
De ander, Jonathan, bleef op zijn post en was ervan overtuigd dat hij het daardoor enorm moeilijk zou krijgen. Zijn omstanders zouden het een wijs en historisch juist besluit noemen, maar hijzelf voelde elke dag de pijn van deze scheiding. David daarentegen zou in de loop van de tijd mensen om zich heen krijgen die maar wat blij met hem waren. Die waren Saul om allerlei andersoortige (duistere) redenen ontvlucht. Hun ­motieven waren heel verschillend, maar vaak wezensvreemd aan die van David. Dat zou hem later diverse keren in ­problemen en in verleiding brengen om de macht eerder te grijpen dan Gods tijd! Je kunt er dus niet je vinger op leggen wát nu de juiste beslissing is geweest. Er was eigenlijk ook geen ‘juiste beslissing’. En als je het enkel menselijk bekijkt, zou je denken dat het onverenigbare motieven waren van David en Jonathan. Maar wie dieper heeft leren zien, weet dat dat toch kan.

Blijft de vraag: waarom bleef Jonathan aan het hof? Waarom ging hij niet mee met David? Samen sterk, toch? Hoe kon hij nu toch met een oprecht gemoed zijn vader Saul dienen en diens bevelen uitvoeren? Hoe kun je je ten dienste stellen van leiders die een totaal andere visie op de gang van zaken hebben? Die de bouw, fundering en bloei van Gods gemeente niet werkelijk op het oog hebben, maar op de achtergrond eigen belangen behartigen? Hoe kun je omgaan in de gemeente met mensen die ideeën hebben die haaks op die van jou staan? Waarvan je misschien zelfs vermoed dat ze onoprecht zijn? Dat ze jou misschien wel van onzuiverheid beschuldigen, terwijl ze zich zelf verschuilen achter dode orthodoxie? Of achter ‘enthousiasme’ zonder inhoud’? Wat te doen als zulke figuren in e gemeente worden ­‘gevolgd’ en worden aangezien voor ‘waarheidsvrienden’.

Het gevaar is dat je op eenzelfde manier te werk gaat als zij; en voor je het weet denk je dat jíj het moet doen… Het is niet jóuw gemeente, maar die van Jezus Christus. Die psalm van daarnet zingt verder, nadat de dichter zich afvroeg of God Zijn genade had vergeten: Ik zei daarna; “Dit krenkt mij ’t leven; maar God zal verand’ring geven; d’Allerhoogste maakt het goed; na het zure geeft Hij ’t zoet.” Is dat een soort pep-talk? De dichter zei immers ook: “dit krenkt mij…”, dat is: als God écht zou zijn veranderd, dan is mijn geloof ijdel en dat is schade! Hij geeft een praktisch advies: ’k Zal gedenken, hoe voor dezen ons de HEER’ heeft gunst bewezen; ’k zal de wond’ren gadeslaan, die Gij hebt van ouds gedaan; ’k zal nauwkeurig op Uw werken en derzelver uitkomst merken; en, in plaats van bitt’re klacht, daarvan spreken dag en nacht.

Let erop dat de dichter, na tegen zichzelf te hebben gepraat, tot God gaat praten en Hem alles vertelt! Dat lost niet altijd de problemen op zoals die ook niet werden opgelost voor Jonathan, maar het laat de HEERE wel alle ruimte om aan te geven hoe we de weg, die Hij ons wijst, moeten vervolgen. Hij is namelijk de Enige Die Zijn doel nooit mist maar altijd uitkomt waar Hij zijn wil! Soli Deo Gloria.

dinsdag 6 februari 2018

De emoties lopen hoog op

De vriend van de gezalfde - VI

Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde en hij viel op zijn aangezicht ter aarde en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander en weenden met elkander, totdat het David gans veel maakte.
1 Samuël 20 : 41


In de vorige Bijbelstudie zagen we dat degene zonder Gods belofte aan het hof bleef en dat degenen mét Gods belofte juist zal moeten weggaan. Je zou toch zeggen: ik heb Gods belofte gekregen dus wat kan me gebeuren? Het is juist Jonathan die het gevaar liep om in de plaats van David te worden gedood. En juist híj blijft! Hoe kan dat? Dat zegt iets over het onverzettelijk karakter van Jonathan. Maar ook iets over zijn rotsvaste geloof dat ook daar de HEERE zijn leven in handen houdt. Ook hij kon met zijn God over de muur van Sauls moord­dadigheid springen. Maar als Gods weg niet óver die muur zal gaan, maar juist dóór die muur, dan is het voor hem ook goed. Daarom zullen we hem de komende keer, in het volgende vers, ook zo ­nadrukkelijk horen spreken met David over zijn kinderen. Hij beveelt ze in de handen van de man naar Gods hart.

Dat betekent overigens niet dat dat zonder emoties gaat. De situatie wordt zelfs hyper-emotioneel. En daar is alle ruimte voor. Vriendschap, zelfs onder Gods kinderen, is niet iets rationeels, maar het raakt je hart. Al eerder zagen we dat de harten van Jonathan en van David zich met elkaar verbonden. Ze zijn als het ware één met elkaar. Het benadert de band van het huwelijk. Daarom zijn er sommigen die op een dwangmatige manier deze twee mensen naar voren willen schuiven als boegbeelden van de homo-beweging. We zullen te zijner tijd nog zien dat David die band met Jonathan zelfs omschrijft als “uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.” Daar zullen we op dát moment dieper op ingaan.

Voor nu gaat het in de dagtekst om de emotionele kant van hun vriendschap. Jacques Herb zong in 1972 een aanvechtbaar refreintje:
Maar een man mag niet huilen
ook al heeft hij verdriet.
Een man mag niet huilen
als een ander het ziet.
Hij moet alles vergeten
en zich nooit laten gaan!
Nee, een man mag niet huilen,
zelfs geen enkele traan.
Wie maakte de emoties? Zijn die van na de zondeval? Of schiep God de man en de vrouw met hun emoties? Toen God Adam en Eva ter verantwoording riep in het Paradijs, sprak Hij slechts over zweet en smart (pijn). Dat laatste gaat vaak gepaard met tranen. Maar geen van tweeën hebben met tranen van emotie te maken. Of je moet fysieke pijn ook een emotie noemen, maar dat is niet helemaal juist.
Emotie komt voort uit het hart. Boosheid en agressie, zowel als liefde, vreugde, bewogenheid en verdriet. Een lach is een uiting van een stapel(tje) leuke of vreugdevolle dingen; een traan is hetzelfde, maar dan van een stapel(tje) verdriet, teleurstelling, frustratie als ook geroerdheid (bijvoorbeeld door muziek of diepe woorden), vreugde en verlangen (naar iemand op aarde of naar God in de hemel).

Denk nog even terug aan het moment dat Jonathan en David hier, op deze plek, hun plannetje opzetten om duidelijkheid te krijgen over Sauls motieven jegens David. Wat had David al niet met Saul meegemaakt? Zijn leven was al een paar keer bijna afgesneden ­(ondanks Gods belofte dat David koning zou worden! Een met zalf bezegelde belofte nog wel!). En wat had Jonathan niet een moeite gedaan om zijn vader vrij te pleiten bij David, alsmede dat hij David vrijpleitte bij zijn vader. Het beeld van je vader bij te moeten stellen is geen gemakkelijke zaak. Zeker niet als je merkt dat de situatie van nu zo haaks staat op die van vroeger. Je jeugdherinnering aan scherven door de realiteit van het heden.
Jonathan heeft pijnlijk moeten vaststellen dat zijn vader er echt niet voor terugdeinst om mensen die hem in de weg staan uit de weg te ruimen. Zelfs zijn eigen zoon is zijn leven niet zeker. Ten diepste maakte het ook niet uit of Saul nu zijn speer dreigend ophief of ook daadwerkelijk wierp. De motivatie achter de daad was hetzelfde.
Ook David moet nog een sprankje hoop hebben gehad op een goede afloopt. Met welke emotie moet Jonathan tot driemaal toe hebben geroepen “Verder! De pijl ligt véél verder!” tegen zijn jongen! Dat moet hem door merg en been zijn gegaan. Ook door het merg en been van David, daar tussen de struiken. Het was voor David niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: hij moest weg! De wegen van Jonathan en hem zouden uiteen gaan. En misschien wel voorgoed. We zullen in een van de komende keren zien dat ze elkaar nog éénmaal hebben ontmoet, maar dat is dan ook wel het enige!

Als de jongen wegrent naar Gibea, naar het paleis, kan David het niet langer meer uithouden. Hij komt tevoorschijn en valt voor zijn vriend en zwager Jonathan neer. Vind je dat geen merkwaardige houding? Hij valt hem niet direct om de hals, maar buigt zich in een waar eerbetoon ter aarde. Ook driemaal. Eerbetoon omdat Jonathan nog steeds de kroonprins is? Of omdat hij zijn leven geriskeerd heeft?
Dan breekt David en Jonathan kan zich ook niet langer meer bedwingen. Ze vallen elkaar om de hals en laten hun tranen de vrije loop. Er lijkt geen einde aan te komen: “totdat het David gans veel maakte”. Een groot geween… Intens verdriet, een uiting van totale leegstroom aan emoties, voor Gods aangezicht. Dat dan weer wel!

maandag 5 februari 2018

De bron van Jonathans toorn en het verschil met zijn vader

De vriend van de gezalfde - V

Toen ontstak de toorn van Saul tegen Jonathan…
Daarom stond Jonathan van de tafel op in hittigheid des toorns…
1 Samuël 20 : 30a en 34a


Een plan bedenken is één; maar het ten uitvoer brengen is nog wat anders! Ik probeer te peilen hoe Jonathan dit moet hebben gezien en beleefd. De eerste dag van het driedaagse maan(d)feest breekt aan. Jonathan heeft zijn lesje van buiten geleerd, maar nu moet hij het nog op een zo natuurlijk mogelijke manier zien te brengen.
In vers 24 wordt bijna klinisch meegedeeld dat David zich in het veld verborg (hij is dus niet echt naar Bethlehem gegaan!) en dat de koning aan tafel ging. Vervolgens worden enkele details beschreven van die feestzaal. Saul zat op zijn gebruikelijke plek ‘aan de wand’. De ene uitlegger noemt dit de ‘belangrijkste plek aan tafel’, een ander hecht iets meer waarde aan deze formulering, die ik graag doorgeef.

Saul kiest vrijwel zeker bewust voor deze veilige plek, met een muur achter zich, zodat daar geen gevaar dreigt. Achterdochtige mensen gaan op een achterdochtige manier te werk om de boel onder controle te houden. Uit deze houding blijkt dat Saul wantrouwend is en ook niet precies weet tot hoe dichtbij het onbetrouwbare is doorgedrongen. Ik zie de speer al binnen handbereik staan.

Het tweede dat opvalt is dat Jonathan opstaat. De een duidt dat als teken van eerbied voor zijn vader. Een ander vult dat in als zou Jonathan zijn plek afstaat aan Abner, de oom van Saul en tegelijk diens krijgsoverste. Waar ging Jonathan dán zitten? Dat staat er niet, maar ik vermoed dat hij een tactischer plek heeft ingenomen, om goed te kunnen zien wat er gaat gebeuren.

Saul heeft direct door dat er een plaats leeg is gebleven. Een snel optelsommetje leert hem dat het David is. Enkele verklaarders leggen de vinger bij Sauls overleggingen en duiden die als kwaaddenkerig. Hij heeft – en dat is eigenlijk een compliment – David als een godvrezend en nauwgezet mens leren kennen en denk dat zijn afwezigheid dus met een of andere verontreiniging te maken zou kunnen hebben. Maar juist dat hij dát denkt, zegt meer over Saul dan over David. Hoopt hij dat David iets onreins zal hebben gedaan of aangeraakt en schept hij daar een zeker behagen in?
Die dag gebeurt er niets. Misschien is dat voor Jonathan wel een beproeving geweest. Zou hij niet gedacht hebben: zie je nu wel, vader heeft niets kwaad in de zin! Dat hij wat gerustgesteld is door deze eerste reactie van zijn vader (of eigenlijk dat er géén reactie kwam, nadat hij opmerkte dat David ontbrak), blijkt wel op de tweede dag.

Opnieuw blijft de plek van David open. Direct richt Saul zich tot zijn zoon Jonathan om hem om opheldering te vragen. “Waar is de zoon van Isaï?” Hij vertikt het om de naam van David uit te spreken. Het is hem als accuzuur in de mond. Innerlijk zal Jonathan op scherp staan; uitwendig speelt hij zijn rol keurig.
Maar hij is amper uitgesproken of zijn vader tiert: “Waardeloze zoon dat je bent! Ik wist wel dat jij de kant hebt gekozen van de zoon van Isaï! Je zet jezelf en je moeder te schande! Geloof me: zolang de zoon van Isaï op de aardbodem rondloopt, zul jij niet zeker zijn van je leven en van je koningschap. Laat hem halen, want hij moet sterven!” (vers 30-31, in de bewoording van de BasisBijbel)
Jonathan reageert niet primair. Hij verdedigt zichzelf niet in eerste instantie, maar neemt het voor David op. Moet je voorstellen hoe furieus zijn vader is! “Waarom zou u hem doden? Wat heeft hij dan gedaan?” De zaal evenwel blijft stil of houdt haar adem in.

Briesend komt Saul overeind en werpt in één granieten beweging zijn speer, die binnen handbereik stond, naar Jonathan. Om hem te doden! Enkele verklaarders willen dit nog nuanceren door Saul de spoor dreigend te laten opheffen, maar het staat er toch echt!
Toen liep Jonathan kwaad weg. Kwaad waarover? Dat Saul die speer naar zijn bloedeigen zoon wierp? Nee, zelfs dat niet. hij is woedend over het onrecht dat zijn vader heeft behekst. Saul kan maar aan één: David moet dood! En heel misschien, we komen dat in de verklaring van Dächsel tegen, is Jonathan ook kwaad op zijn vader over de insinuatie op zijn moeder. Als zou Jonathans moeder vreemd zijn gegaan en een bastaardzoon hebben laten verwekken: Jonathan. Saul erkent hiermee Jonathan niet meer als zijn zoon. En dat is krenkend!
De opmerking van Saul “zoon der verkeerde in wederspannigheid […] tot schande van de naaktheid uwer moeder?” is in oosterse traditie een onterende uitdrukking waarmee Saul zijn vrouw als hoerachtig neerzet en zijn bloedeigen zoon als bastaard. Dieper daaronder ligt de houding: “Mensen, kijk niet naar Jonathan, want wat hij doet heeft hij niet van mij; dit doet hij omdat hij de zoon van iemand anders is”.
De diepste laag van Jonathans verbolgenheid lezen we in vers 34 waar staat: “hij at op den tweeden dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om David, omdat zijn vader hem gesmaad had.” Je zou nog kunnen denken dat Jonathan het daar over zichzelf had, maar dat is niet zo. De BasisBijbel vertaalt het zo: “want hij was er bedroefd over dat zijn vader David zó behandelde.”
Ondanks deze escalatie neemt Jonathan het niet voor zichzelf op, maar voor zijn vriend en voor God! Niets kan mij scheiden… Let er daarnaast op dat we Jonathan blijven tegenkomen in Sauls nabijheid. Zelfs als Saul David wil arresteren in de wildernis! Om de een of andere reden blijft Jonathan op de plek die hem onterecht uitspuwt!

vrijdag 2 februari 2018

Het plan van Jonathan

De vriend van de gezalfde - IV

Zo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, als of ik naar een teken schoot. En zie, ik zal den jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen, indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem; en kom gij, want er is vrede voor u, en er is geen ding,
zo waarlijk de HEERE leeft! Maar indien ik tot den jongen alzo zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en verder; ga heen, want de HEERE heeft u laten gaan. En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben, zie, de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid!
1 Samuël 20 : 20-23


Dat plan van Jonathan kennen we wel. Met die pijlen die óf verderop liggen óf juist dichterbij. Verderop betekent vluchten en dichterbij betekent blijven. Maar de vraag is: waarom zo’n ingewikkeld plan? Hij had toch ook gewoon naar de afgesproken plek kunnen gaan om David te vertellen hoe de vlag erbij hing bij zijn vader Saul? Het doet mij allemaal wat erg ingewikkeld aan. En omdat ik Jonathan hoog inschat, moet er dus een reden voor zijn geweest.
Inderdaad had Jonathan alleen kunnen gaan naar deze plek en met David kunnen spreken. Uiteindelijk doet hij dit ook. Toch wil hij er tot op zekere hoogte een getuige bij, die overigens niets voortijdig te weten komt. De jongen, zijn wapendrager, is zijn vertrouweling. Die had hij heel goed het zwijgen kunnen opleggen, bij wat hij van plan was. Het was immers zijn persoonlijke vertrouweling? Toch houdt hij hem maar voor een deel onkundig. Op de een of andere manier, we zagen dat ook gisteren al, houdt Jonathan er rekening mee dat hij deze periode niet gaat overleven. En hij is er zeker van dat David terugkomt. Maar die ‘jongen’, zijn wapendrager, speelt een heel belangrijke achtergrond rol, waar we niet goed uitkomen.

Zou Jonathan deze jongen in dit plan betrekken om hem iets van de situatie te laten zien? Om hem te gebruiken als getuige van een deel van de zaak? Zodat, als David eenmaal aan de macht komt, voor hem de stukjes op hun plaats zullen vallen en dat juist deze jongen zal pleiten bij David voor de kinderen van Jonathan die in dit verbond met David zijn opgenomen? Wie is deze jongen? En komen we hem misschien later ook nog tegen in het leger van David? Het zou kunnen. Jonathan gebruikt deze jongen voor drie dingen:
  • als dekmantel voor zijn missie, om onder het argwanende oog van Saul uit te komen;
  • als getuige, zoals Jezus Zijn discipelen meenam in de Hof van Gethsémané, terwijl ze er nog lang niet alles van begrepen;
  • als afleiding voor eventuele verspieders in de buurt, door de actie er als een echte jachtpartij uit te laten zien had hij drie keer de gelegenheid om de omgeving af te speuren; en toen niemand verscheen was de kust veilig.
Jonathan neemt werkelijk elke voorzorgsmaatregel in acht om David tot het uiterste te beschermen. En David gehoorzaamt hem, ondanks dat hij weet dat hij gezalfd is tot koning! Hij acht zich met al zijn ­recente ­overwinningen en de zalving tot koning niet onoverwinnelijk!
Tenslotte nog dat 23e vers, waarin Jonathan haast dreigende dingen zegt over een eed en over God Die getuige is en zal zijn! Dat element ontbreekt in het voorgaande, maar wordt benoemd in vers 42: “Toen zeide Jónathan tot David: Ga in vrede; hetgeen dat wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in der eeuwigheid.” Het blijkt dat Jonathan met David een verbond voor Gods aangezicht heeft gesloten tot in het volgende geslacht.