Posts tonen met het label Samuël. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Samuël. Alle posts tonen

woensdag 7 maart 2018

Jezelf in de nesten werken

De loyale van de royale - VIII

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij en zijn hart beefde zeer. En Saul vraagde den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten.
1 Samuël 28 : 5-6


Op een van de heuvels langs de vlakte van Jizreël staat een man. Hij kijkt uit over de vlakte, maar zijn blik reikt verder, naar Sunem, vlak onder Naïn in het stamgebied van Issaschar. De man is ver van huis. Hij heeft zijn legers vanuit Gibea ver naar het noorden getrokken, vanwege een grootse aanval van de Filistijnen, die meer langs de zeekant naar het noorden zijn getrokken. De Filistijnen hadden zich in Afek, vlakbij Joppe, verzameld. De verspieders van de man hadden niet alleen de troepenbeweging feilloos in kaart gebracht voor hem, maar ze hadden er ook nog een ontstellende ontdekking bij vermeld: David heeft zich met zijn leger gevoegd bij een van de Filistijnse koningen, Achis. Daarom herkennen we de man op de heuvel niet direct als Saul!
Het is een andere Saul die hier observeert. Of eigenlijk… hij kijkt uit op een enorme blinde muur. Waar zijn woeste kracht nog wel eens een overwinning afdwong op de Filistijnen, is hem nu alle moed in de schoenen gezonken? Vanwege de overmacht? Nee, die is niet heel veel groter dan in de voorgaande jaren. Vanwege het ontbreken van kundige legeraanvoerders? Ook dat is niet het probleem. Het eigenlijke probleem wordt verwoord in de tekst van vandaag: “De HEERE antwoordde hem niet.” En Saul had nog wel zo gebeden! Hij had de HEERE gevraagd hoe hij dit moest aanpakken. Maar het bleef stil.

Dat God zwijgt is voor Saul onheilspellend. En bijgelovig als hij is geworden, heeft dat enorm vat op hem. Wij zeggen misschien wel veel te gemakkelijk ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’, maar er zit wel een diepe van waarheid in, ook al wordt dat keihard ontkend. Elk mens zoekt zekerheid. Is het niet in God dan is het wel in de utopie dat Hij niet bestaat. Het probleem met Saul is echter dat hij voluit weet dat God bestaat en daar ook geen moment aan twijfelt. Maar God zwijgt tegen hem, omdat Saul niet naar Hem luistert. Die houding kun je met recht ‘in de nesten werken’ noemen. Zijn leven is één ondoordringbare kluwe van problemen geworden.

Maar er is nog iets dat Saul aan de rand van de waanzin brengt: daarginds, in de achterhoede van de Filistijnen bevindt zich David. En God is wel met David! Sauls verspieders hebben hem dat mogelijk met angst in het hart gemeld, maar het was essentiële informatie! Wat zij en dus ook Saul niet wisten is dat David zich ook de nesten had ­gewerkt, door zich bij Achis aan te sluiten. Hij wilde via zelfgekozen wegen de veiligheid van zijn groep waarborgen en zicht die opnieuw bij Achis. Deze stond op het punt om ten strijde te trekken tegen Israël en David wilde zijn betrouwbaarheid bewijzen; daarom zei hij met een grote mond dat hij met Achis wilde meetrekken. Even daar gelaten of hij daar een even dubbel plan mee had als Jonathan aan Sauls kant.

Toen de verschillende Filistijnse legers zich in Afek verzamelden, waren er weer een aantal die David herkenden. Het lijkt het verhaal van Petrus wel in de zaal van Kajafas! David gokte veel te hoog; maar de HEERE maakte dat de andere Filistijnse vorsten hem absoluut niet mee wilden hebben. Hij zou hen zo van achteren kunnen aanvallen als zijn vooraan in strijd waren met Saul en zijn leger. Nu was Davids leger niet zo groot als de duizenden der Filistijnen. Maar men hield wel rekening met Davids bijzondere kracht die hij van God had ontvangen! Moet je horen wat David veinst, wanneer Achis hem toch moet zeggen dat de anderen hem niet mee willen: “Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw ­aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer den koning?” Nota bene!
Of had hij mee willen vechten om Saul te kunnen beschermen? Hoe dan ook, Saul is doodsbenauwd voor de Filistijnen bij wie hij nog steeds David vermoedt. Zou Jonathan daar bij hem hebben gestaan? Nergens wordt zijn naam genoemd, maar er gebeuren een hele hoop dingen die iets met hem móeten hebben gedaan! Ook hij moet hebben geweten van Davids aanwezigheid daar ginds in het leger van de Filistijnen. Dat heeft hem wellicht met vreugde vervuld, maar toch…

En dan is daar dat moment dat Saul de wijk neemt tot het rijk van de duisternis. Als dan God zwijgt, dan zal hij kijken of de satan spreekt. Toen Samuël stierf had hij – uit krankzinnige angst voor het boven­natuurlijke – de waarzeggers en de duivelskunstenaars laten doden. Zo meende hij dat het rijk van satan ook het zwijgen werd opgelegd en zo kon hij vrij zijn gang gaan. Maar gek genoeg vraagt hij nu om een waarzegster. Waarom juist om een vrouw? En als hij die zo secuur had uitgeroeid, waarom vermoedde hij er dan toch nog eentje? Moet je indenken hoeveel risico zijn knechten liepen, toen zij hem antwoord gaven: “In Endor is er nog wel eentje”. Endor! Dat betekende dat hij met een boog om de legers van de Filistijnen moest, want Endor lag recht naar het noorden, vlak onder het Thaborgebergte. Ze moesten de zijtak van de Jordaan over en dan over het gebergte rechts van Sunem. Een niet ongevaarlijke tocht, maar het ‘lukt’.

We weten hoe het afliep. Daar ontmoette hij een spirituele simulatie van Samuël; Sauls wordt ondanks zijn vermomming herkend door de waarzegster, waarmee ze aantoont ‘betrouwbaar’ te zijn. Maar de boodschap is verpletterend. En ondanks al dat spirituele komt Saul niet tot verandering maar verhardt hij in zijn weg. Zou Jonathan hier ook bij zijn geweest? Ik vraag het me af. Wat een kluwe van losse eindjes is zijn leven geworden. Hij heeft zich in de nesten gewerkt.

woensdag 27 december 2017

Het zielsverbond tussen ­Jonathan en David

De fan van de muzikant - VI

Jónathan nu en David maakten een verbond,
dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
En Jónathan deed zijn mantel af, dien hij aanhad, en gaf hem David;
ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe en tot zijn boog toe
en tot zijn gordel toe.
1 Samuël 18 : 3-4


Het gebeuren rond de dood van Goliath heeft duidelijk sporen in het leven van Saul, David en Jonathan getrokken. Het feit dat David de reus wél heeft durven tegemoet treden moet voor Saul al een stukje aversie hebben opgeroepen. Maar misschien had hij nog gehoopt dat David het niet zou overleven, zodat hij zichzelf kon rechtvaardigen: “Zie je nou wel, het is ook geen doen tegenover zo’n overmacht en tegenover zo’n reusachtig persoon”. In Sauls beleving werd Goliath met zijn bijna drie meter lengte een monsterlijk groot wezen dat de toren van Babel in het niets deed verzinken. Maar in de beleving van Davids pure ziel was Goliath vooral een God-tergende kabouter. Vanuit God gezien was alles een stofje aan de weegschaal!
In die visie ontstond de verwijdering tussen Saul en David, maar ontstond een bijzondere verbondenheid tussen Jonathan en David! Had Jonathan zich geschaamd, omdat hij na die overwinning op de Filistijnen nu opeens de moed niet had om het volk te verlossen? Of heeft hij dat ontbreken aan moed als een vingerwijzing van God gezien? Is hem misschien opeens duidelijk geworden wat de reden was dat hij dit keer niet de moed had om voor Gods zaak te strijden? Kwamen die woorden van Samuël opeens kraakhelder bovendrijven in zijn herinnering: “De Heere heeft vandaag het koningschap van u ­afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan iemand die het meer waard is dan u.” Was het Jonathan gaan dagen, dat deze herder uit Bethlehem wellicht die ‘iemand die het meer waard is dan u’ was? Was het kwartje gevallen toen David het hoofd van Goliath afhakte, en werd Jonathan herinnert aan de hakkende Samuël die Agag evenzo bewerkte?

Wat doet dat bij Jonathan? Heeft hij een aardje naar zijn vaartje? Gistte de jaloezie vanuit zijn binnenste op en begon hij die David ook een vervelend kereltje te vinden? Zocht hij gelegenheid om van hem af te komen? Immers, David was zijn overduidelijke concurrent voor de troon! Niets van dat alles.
Jonathan wordt beheerst door een andere geest; de Geest des HEEREN, Die hem vervult met eerbied en aanbidding van Gods weg. Met David, dat is hem opeens heel duidelijk, krijgt het volk een goede, krachtige en godvrezende koning! Jonathan zou altijd geassocieerd blijven met zijn vader. De eenmansacties die hij ondernam, waren wel succesvol, maar werden niet gevolgd door het overige van het leger! En dat was een veeg teken. Op de actie van David was het hele leger in actie gekomen en hadden een verpletterende nederlaag toegebracht aan de Filistijnen.
David had geen woord teveel gezegd over hoe het met de Filistijnen zou aflopen, nadat hun kampvechter, de reus Goliath, zou zijn gevloerd. De woorden van de HEERE, die David mocht profeteren, waren uitgekomen; tot in detail!

Wat Jonathan nu doet verdient onze aandacht. De Basisbijbel beschrijft dat als volgt: “Jonatan sloot een verbond met David. En hij gaf hem zijn mantel en zijn wapenrusting. Zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.” Let er op dat David de uitrusting van Saul niet aan wilde trekken, maar nu de totale uitrusting van Jonathan als een offer van verbondenheid krijgt uitgereikt. Als David deze uitrusting wel heeft aangetrokken (en dat is zeer goed mogelijk), is dat direct ook duidelijk geworden in het leger van Saul. Ze moeten die uitrusting hebben herkend: de mantel van Jonathan, diens zwaard, boog en zelfs de prinselijke gordel van Jonathan…

Dat er niet bij nog meer mensen een kwartje is gevallen, toen ze daarna David zagen: de nieuwe kroonprins! Ook de nieuwe kleding van Jonathan moet vragen hebben opgeroepen: “Jonathan! Waar is je eigen mantel? Waar je gordel? En waar de boog, waar je zo perfect mee kon schieten? Jonathan, wat is er aan de hand?” Wat zou het antwoord zijn geweest? Een uitwendig, vaag antwoord? Of een mooi geestelijk antwoord over vriendschap en ontferming: de kroonprins en de herdersjongen? Of zouden man en paard zijn genoemd: “Luister mannen, ik doe een stapje terug, want onze God heeft David als de opvolger van mijn vader gezalfd! Hij zal jullie nieuwe koning zijn.”

In het vervolg zullen we Jonathan vooral als Davids schaduw zien. Al in het volgende vers lezen we dat David voortaan meestreed in het leger van Saul. Daarbij was hij wijs en verstandig. Daarom maakte Saul hem aanvoerder van het leger. Het hele volk en alle dienaren van Saul mochten hem graag. Ja… maar de Statenvertaling gebruikt een opmerkelijk woord: David gedroeg zich voorzichtiglijk. Dat kan inderdaad ‘verstandig’ betekenen, maar dat voorzichtige kan ook duiden op het feit dat David begon door te krijgen dat Saul hem in gevaarvolle situaties probeerde te brengen, zodat hij op een veilige manier van hem af kon komen. Want ja, het volk hield hem in ere, maar onderwijl spinde Saul op wraak, zonder dat zijn persoon er schade van zou oplopen. Het net begon zich om David te sluiten. Langzaam… heel langzaam. En juist het volk zou daarin jegens Saul een aanjagende factor zijn! Weliswaar rekende Saul niet met God. Jonathan daarentegen beschermde David als zijn eigen ziel.

donderdag 21 december 2017

Als Gods Geest gaat ­verhuizen naar je concurrent

De fan van de muzikant - II

… en de Geest des HEEREN werd vaardig over David van dien dag af en voortaan…
En de Geest des HEEREN week van Saul, en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.
1 Samuël 16 : 13m en 14


In totale chaos eindigde het vorige hoofdstuk. Saul gaat naar huis (met alle gevoelens van dien) en Samuël doet hetzelfde. Die twee zullen elkaar nooit meer zien. Nou let nog even op wat er staat in vers 35: “tot de dag van zijn dood toe”. Dat staat er met een dubbele bodem… denk aan wat er zal gaan gebeuren in Endor! Maar daarover later. Daarbij heeft God ‘spijt’ dat Hij Saul koning had gemaakt over Israël. Dan zijn er twee dingen mogelijk: óf de HEERE drijft Saul in het nauw en brengt hem op de knieën óf Hij zet een streep en maakt een nieuw begin. Dat laatste zal gebeuren. Let er op: Saul wordt als koning wel aan de kant geschoven, maar er blijft nog wel een weg tot bekering open!
Maar het begin van hoofdstuk 16 laat toch wel onomwonden zien dat de HEERE vaart gaat zetten achter Zijn nieuwe plan voor het koningschap van Israël. Hij roept Samuël uit zijn sombere stemming: “Waarom blijf je kniezen over Saul, die Ik verworpen heb? Stop ermee hij zal geen koning over Israël blijven! Vul je oliehoorn en ga naar Isaï in Bethlehem. Een van zijn zonen zal de nieuwe koning worden.” Het lijkt wel alsof God geen begrip toont voor Samuël. Alsof hij niet verdrietig mag zijn over Sauls onbekeerlijkheid. Herken je dat? Dat je blijft piekeren over mensen die maar niet willen geloven dat de HEERE hen roept en trekt; niet willen aanvaarden hoe de HEERE is. En soms reageren ze ook nog grimmig naar je… De terechte pijn ten spijt, vraagt de HEERE toch er niet in te blijven steken. Richt je op een nieuwe missie.

We weten hoe het afliep. Samuël gaat en viert de maaltijd met het gezin en de genodigden van Isaï. Na al die indrukwekkende zonen van Isaï te hebben gezien (terwijl God telkens aangeeft dat die het niet is), vraagt Samuël vertwijfeld: “Zijn dit al uw jongens?” Dan moet Isaï eerlijk belijden dat hij nog een kind heeft. De reguliere kinderbijbel­uitleg is altijd dat David nog een jochie was en daarom niet meetelde met de grote broers. Maar hoe ging Jacob dan met de kleine Benjamin om? Die had een ereplaats in het gezin. Dus klopt die visie wel?

Ons beeld van David moet eigenlijk worden bijgesteld; het best wordt dat verwoord op www.heteeuwigevangelie.info. David zingt in Psalm 51: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.” Reformatorische uitleggers willen dat duiden als bewijsvoorbeeld voor de erfzonde. Nu is de erfzonde wel een waar feit. Maar het blijkt dat de Joden geen erfzonde kennen en dus kan David dat niet bedoeld hebben. Daarbij: van alle koningen van Juda worden zowel de vader als de moeder genoemd in de Bijbel; behalve van David. Er is iets met zijn moeder.

De situatie is zo: Isaï had zeven zonen bij zijn eerste vrouw. Maar toen dook er een vrouw uit Ammon op; sterker, ze was de bijvrouw van Nahas (koning van de Ammonieten) geweest en had reeds twee dochters: Abigaïl en Zeruja. Isaï heeft met haar een relatie (gehad) waaruit David is geboren. Daarmee is David in zonden ontvangen. Maar dat verklaart ook waarom hij een buitenbeentje is, rossiger van huid en haar dan de anderen. Je kunt dat woord ‘rossig’ ook vertalen als ‘blond’; niet het blond dat wij kennen, maar een duidelijker lichtere teint haar dan de andere mensen van het Joodse volk. Hoewel David een buitenbeentje is, bezit hij ook andere genen dan  zijn zeven broers. Die andere broers gaven hem voortdurend het gevoel dat hij er niet bij hoorde. Dat zal in de geschiedenis met Goliath ook blijken. En let daarom op wie David later als legeraanvoerders kiest: niet zijn broers (de zonen van Isaï), maar de zonen van zijn halfzus Zeruja (dochter van zijn moeder)! Het moet voor de broers dus uiterst tartend zijn geweest dat juist híj door God wordt uitgekozen en gezalfd. Of de broers precies wisten waarom hij werd gezalfd, wordt alleen duidelijk uit de Kanttekeningen. Samuël geeft aan de hele groep tekst en uitleg.

En let op wat er dan gebeurt. Op het moment dat David wordt gezalfd wordt de Gods Geest ‘vaardig’ over David. En bijna in één adem wordt daarbij gezegd: “En de Geest van de HEERE week van Saul.” Je zou haast denken dat de Heilige Geest maar op één persoon tegelijk kan zijn. Niets is minder waar; dat maakt Pinksteren wel duidelijk.

Niettemin maakt deze gebeurtenis iets vreselijks openbaar. Saul moet het nu echt in zijn eentje klaren. En dat is merkbaar in het paleis. Dat moet ook Jonathan hebben gemerkt. Het blijft niet bij een ‘wijken van de Heilige Geest’; het wordt ook een ‘inwoning van een dolle, duivelse geest’. En als we in vers 15 lezen dat zijn knechten dat precies weten te duiden, dan moet Jonathan dat al helemaal hebben doorzien. Dat is wat! Als je merkt dat de Geest van God – Die toch ook vaardig was over Saul toen hij profeteerde – van hem wijkt. Als je merkt dat je vader door heeft dat hij er buiten staat en dat dat hem niet tot ­bekering maar tot razernij en haat brengt. Sauls knechten adviseren om een muzikant te zoeken die Saul met muziek kan chillen.
Hier begint het buitenbeentje David in het leven van Jonathan binnen te komen. Ondanks de misère van zijn vader, raakt Jonathan gepassioneerd door deze herdersjongen die tevens musicus is. Zou dat gen, waarin zich de muzikaliteit bevindt, ook iets te maken hebben met Davids buitenlandse identiteit? Of is het de hoogsensitiviteit en het gevoelig geloofsleven dat deze koningszonen aan elkaar verbindt?

Als God je vader aan de kant schuift

De fan van de muzikant - I


Toen zeide Samuël tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.
1 Samuël 15 : 28


De eerstvolgende keer dat we de naam van Jonathan weer lezen in de Bijbel, is pas in hoofdstuk 18, na de overwinning op Goliath. Al direct in het eerste vers lezen we: “Het geschiedde nu, als hij (David) geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.” David is op dat moment nog slechts ‘de muzikant’ aan het hof. Nou ja, hij heeft dan weliswaar een reus ‘omgelegd’, maar dat is ook het enige. Meer dan dat heeft Jonathan niet van David meegemaakt. En de klik die Jonathan heeft ervaren in Davids woorden is ook al bijzonder, want zo geweldig zijn die woorden van David niet: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, den Bethlehemiet.” Dus… onmiskenbaar is de Heilige Geest hier aan het werk, waardoor deze twee zielen aan elkaar worden verbonden.

Maar wat ging eraan vooraf? Hoewel de naam van Jonathan niet wordt genoemd in de voorgaande hoofdstukken, is hij er wel degelijk bij! En die gebeurtenissen zijn onmiskenbaar van invloed op het innerlijke leven van Jonathan. Laten we even teruggaan naar waar we gebleven waren: hoofdstuk 14. In de laatste verzen lezen we: Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde. De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal. En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël. En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.
Allemaal interessante gegevens, die van invloed zijn over de toekomstige geschiedenissen van zowel Jonathan als David! Slechts kort: Saul ontwikkelt zich als een strateeg, en misschien zelfs als een dictator. Met een neus voor goede militairen: mannen waarop hij kan vertrouwen (dat zie je vaker bij dit soort leiders). Jonathan is één van die leiders en dat is wel opmerkelijk als je het voorgaande in dit hoofdstuk leest! Immers, Jonathan lag beter bij het volk dan Saul zelf. Dat had ook Jonathans leven kunnen kosten.
Ook lezen we de naam van Sauls neef, Abner, die later bij David een vooraanstaand – en afgewezen – generaal zal zijn. En tenslotte lezen we er de naam van Michal, de latere vrouw van David; let wel: zijn liefste maar meest moeilijke vrouw!
Maar dan gaat hoofdstuk 15 met Saul een diep dal in. Samuël wordt naar Saul gestuurd met een opdracht van God. Er gaat dus oorlog komen met de Amelekieten. Daarnet zagen we al in het veertiende hoofdstuk: “En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde.

Welnu, daar gaat het vandaag over. Hoofdstuk 15 begint met: “Toen zeide Samuël tot Saul: de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN. Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit Egypte opkwam. Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe. Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda.”
Let erop dat Saul hier wordt ingezet om een zaak van God uit te voeren en niet persé een zaak van Saul en het volk. Het vermoeden bestaat dan ook dat Saul in deze actie niet zo’n zin had, want de eer zou voor God zijn. Er was voor hem geen eer en dus ook geen voordeel te behalen uit deze slag. En dat maakte dat hij de opdracht van God vrij en naar eigen inzicht interpreteerde. Hij brengt de boodschap van Samuël nog wel over op het krijgsvolk: “Dit verkondigde Saul het volk”.

We kennen de geschiedenis: Saul houdt zich maar gedeeltelijk aan de opdracht: hij brengt Agag als eigen overwinningstrofee mee. Met nog een forse buit, ter compensatie. En het schijnheilige voorwendsel dat een deel van die buit bestemd was voor een offer aan God. En hij geeft er in vers 15 het volk nota bene de schuld van!
Samuël is furieus. “Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE vannacht tot mij gesproken heeft. […] Is het niet alzo, toen ge klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israël geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israël gezalfd heeft? En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet. Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?”
Saul handhaaft zich. Hij geeft daarnaast nogmaals het volk de schuld van de buit, die is meegenomen, maar huichelt daar een ­religieus argument bij: het offeren van een dankoffer in Gilgal.
En dan volgt de nekslag voor Saul. Samuël veroordeelt hem scherp en kondigt het oordeel aan: “Heeft de HEERE lust aan brand­offeren, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des ­HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen. Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.”

Saul denkt er met een schuldbelijdenis en een ‘sorry’ vanaf te komen, maar hij rekent mis. Hij denkt te heersen over de profeet, door hem te gebieden mee te komen voor het offer. Maar Samuël weigert: “Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN ­verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn.” Die klanken ‘de HEERE heeft u verworpen’ gaan een eigen leven leiden in Sauls hoofd en ze brengen hem tot waanzin en uitzinnigheid. Hij probeert het probleem nog fysiek de baas te blijven, door Samuël bij zijn jas te grijpen. Die draait zich echter met zoveel geweld om, dat er een stuk van zijn mantel afscheurt. En die gescheurde flard wordt direct de illustratie bij het vervolg van zijn preek: “De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij. En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.”

Moet je je even indenken hoe fors die dolkstoot in Sauls trotse hart moet zijn geweest! Zijn concurrent (want zo zal hij hem blijven zien) waardeert God als ‘beter dan hij’! Wat Saul daaroverheen smeekt heeft iets aandoenlijks en afschrikwekkends tegelijk: “eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israël; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.” Zie daar de ware aard van Saul. Zijn werkelijke motief is: hoe zien de mensen mij! Niet: hoe ziet de HEERE mij? Ken je ook zulke mensen uit je omgeving of ben jij er zelf een? Dat je met al je vroomheid en godsdienstigheid alleen maar leeft voor de buitenkant en voor de mensen. Wat een in en in diep triest mens ben je dan. Beklagenswaardig. Je merkt er iets van hoe kil en gevoelloos de satan mensen zijn greep houdt! Juist daarom zo meelijwekkend!

Samuël laat zich verbidden; de HEERE niet! Niettemin slaat hij Agag dood, waar iedereen bij staat. Daarmee eerde hij Saul zeker niet. Want iedereen heeft kunnen zien hoe verbeten zijn gezicht moet hebben gestaan. Iedereen… ook Jonathan. En te vrezen is, dat hij ook de woorden van Samuël heeft gehoord. Het moet haast. Dat oordeel had namelijk ook impact op Jonathans leven… hoewel… Misschien heeft Jonathan (en misschien ook Saul wel) nog het idee gehad dat de HEERE op hem doelde. Uw ‘naaste’ die ‘beter is dan gij’… Die wapendrager, zie je hem staan? Keek hij nou verwachtingsvol naar zijn ­meester Jonathan? Interpreteerde hij die woorden ook op Jonathan? We weten het niet, maar vermoeden het slechts.

Jonathan was een randfiguur, latent aanwezig, in deze intens aangrijpende geschiedenis. Iedereen lijkt tot de orde van de dag over te gaan, alsof er geen mokerzwaar oordeel boven het koningshuis hangt: “Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibea-sauls.” Over Samuël en over de HEERE lezen we nog wel wat inhoudelijks, maar over Saul niet. “En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.”

Raakt dit je? Voel je hoe nauw het luistert in het leven met de HEERE? Voel je ook hoe scherp en zwaar die woorden van God zijn, die Saul in één veeg aan de kant schuift? En merk je ook hoe intens beklagenswaardig en verloren je bent, als God je aan de kant schuift? Je zou haast vergeten dat er nog ruimte tot bekering was. Wat zou juist dít aspect met Jonathan hebben gedaan?

zondag 12 november 2017

Handelen uit angst brengt ­levensgrote schade


De zoon van de boerenkoning - VII


Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid. Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.
1 Samuël 13 : 13-14


We hebben nu al zes hoofdstukken stilgestaan bij deze geschiedenis, maar … waar is God? Jonathan komt eigenlijk maar spaarzaam om de hoek kijken, maar waar is God Zelf? Wel, dat vroeg Saul zich ook af. Ik vraag me nog steeds af hoe die band tussen Jonathan en zijn vader moet zijn geweest… Die moet toch iets bij zijn vader gemist hebben?

Het eerste dat Saul zich afvroeg was: Waar blijft Samuël?! Het is al de zevende dag en hij is er nog niet. Uit angst is hij zelf maar aan de slag gegaan en heeft laten offeren op eigen bevel. Uit angst. Saul zegt er zelf over: “Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.”
Hoe groot huichelaar kun je zijn. Hij zegt gewenste en braaf-klinkende dingen, maar het snijdt geen hout. Samuël noemt het zot!

De afspraak om in Gilgal samen te komen en zeven dagen op Gods boodschap te wachten (want het was niet alleen een offerfeest) was dus een heilige opdracht. Het lijkt er toch sterk op dat dit een afspraak van God met Saul was, dat zodra er nood was, hij naar Gilgal zou gaan en zou wachten op Samuël, die het Woord van de HEERE zou spreken. De gang naar Gilgal was voor Sauls reputatie dus eigenlijk een afgang, want hij kwam er zelf niet uit. Je mag het dus best een dapper besluit vinden dat hij naar Gilgal ging. Je mag hem ook nog wel prijzen omdat hij wilde wachten. Maar zijn geduld werd op de proef gesteld, mede door de weglopende manschappen.
Waar lag Sauls vertrouwen? Bij het volk of bij de HEERE? Wat het offeren essentieel of een ritueel voor hem? Hij maakte de dienst aan de HEERE tot een toverdienst. Met God aan je kant kon je de Filistijnen overwinnen. Waar heb ik dat eerder gehoord? Het moet Samuël nog helder in zijn herinnering liggen, toen hij nog maar een paar jaar in Silo was, gebeurde er ook zo iets: de zonen van Eli hadden zomaar de ark meegenomen. Dat betekende ook dat zij het Heilige der Heilige hadden ontheiligd. Maar … God was al vertrokken! De houten kist met bladgoud bood geen soulaas! Samuël moet verdriet van die twee zonen van Eli hebben gehad. Maar nu zit hij in dezelfde situatie: ook zijn zonen blijken onbetrouwbare jongens! Het is niet voor niets dat het volk een koning wilde. Dit heeft Samuël ook ­persoonlijk geraakt.

Waar was God in dit alles? Wel, hier was het Woord van de HEERE door de mond van Zijn knecht Samuël en het loog er niet om. Let er even op dat ook Jonathan hier bij stond, waarschijnlijk! Zijn vader werk koning en hij werd kroonprins, maar wel omdat een ander aan de kant werd geschoven: Samuël en zijn zonen. De plek die vader Saul innam, behoorde eigenlijk… eigenlijk aan God Zelf toe!
En wat zegt Samuël daar over Jonathans vader? “Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk…”
Dit raakte ook Jonathan persoonlijk. Zijn vader werd aan de kant geschoven door God, nota bene! Maar dat had ook consequenties voor hemzelf! Deze testcase had het koninkrijk bij Saul kunnen ­bestendigen, maar Saul is gezakt voor zijn geestelijk examen. Hij handelde uit vrees… omdat hij zijn betrouwen stelde op de macht van het getal, van zijn volk. Hij steunde op zijn elite-korps en niet op de HEERE. En dat had direct gevolgen voor Jonathan.

Samuël zien we vanaf de vorige hoofdstukken in een wat nurkse houding zakken. Hij lijkt een zuurpruim te worden die in hoofdstuk 12 toonde hij nog eenmaal dat de HEERE hem direct verhoorde door die donder en regen te geven. Daarmee was het bijgelovige volk direct weer onder zijn ‘macht’. We zien telkens een machtsstrijd tussen de staatkundige macht en de geestelijke macht. Dat moet ergens tussen Saul en Samuël ook hebben gespeeld, lijkt het haast. Bij het vertrek, aan het einde van hoofdstuk 12, drukt Samuël het volk en de koning nog eenmaal op het hart: “Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.” Het lijkt haast dat hij de afloop al weet. En hier in hoofdstuk 13 blijkt hij gelijk te krijgen!

De Bijbel zwijgt over Jonathan in dit deel van de geschiedenis, maar dit moet er diep bij hem hebben ingehakt. Er zal iemand de plek van zijn vader gaan innemen, die God Zelf ‘een man naar Mijn hart’ noemt. Ik kan me voorstellen dat Jonathan ook nieuwsgierig is ­geworden hoe zo’n persoon eruit zou zien. Ook zijn eigen plek zal dus worden ingenomen door ‘een man naar Gods hart’. Wat zal het worden? Een rivaal of een geloofsgenoot? De hemel houdt haar adem in bij de reactie die Jonathan zal geven. Maar het duurt even voor de aarde die verneemt. De strijd tegen de Filistijnen wacht eerst nog!