Posts tonen met het label Heilige Geest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heilige Geest. Alle posts tonen

dinsdag 10 juli 2018

Met gestrekt been erin?


Hoofdstuk 17
Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren,
gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.
Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd?
En zij hebben gedood degenen,
die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen,
van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.
Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen,
en hebt ze niet gehouden!
Handelingen 7 : 51-53
Het was verrassend dat de preek van afgelopen zondag over Stefanus ging; hij werd getekend als iemand ei duidelijk iets weg had van Jezus in Zijn koninklijke, profetische en priesterlijke ambt. Stefanus preekte profetisch, met een geestdrift en een kracht; hij sprak koninklijk over de HEERE en bad priesterlijk voor zijn vijanden. Naast de aanleiding tot deze geschiedenis (Handelingen 6) werd ook ook de afloop in hoofdstuk 7 gelezen en dus bepreekt. Ik kom daar later nog op terug, maar we richten ons in deze serie vooral op de preek zelf.
De toepassing van toen
Ik was al een paar dagen aan het nadenken over deze laatste verzen van de preek, waardoor het me zondag nog weer extra opviel hoe agressief Stefanus zijn preek eindigde in een snoeiharde toepassing.
Ik wil er allereerst met een gewone blik naar kijken. Een 21e eeuwse mensenblik wel te verstaan. Als je in gesprek gaat met mensen die je aanvallen op je standpunt, hoe doe je dat dan? Als zij het hardgrondig met jou oneens zijn, sla je ze dan om de oren met verwijten? Als mensen op een achterbakse manier proberen de boel te verzieken kan ik zeker fors uitvaren en zal een verwijt niet zomaar schuwen. Als er bewust of blind wordt aangestuurd op problemen, terwijl je al een paar keer geroepen hebt dat het proces niet goed gaat, zal zullen er uit mijn mond weinig vergoelijkende woorden wandelen. Misschien vind je dat fout en wil jij juist wel die vergoelijkende toon aanslaan of met zachte woorden bewust geslagen wonden helen, maar dat is niet mijn manier. Wat fout is moet niet goed worden genoemd; daar leer niemand van!
Anders wordt het als je mensen probeert te bewegen tot het geloof. Wanneer je in gesprek bent met buitenkerkelijken, heidenen of andersgelovigen, en je vertelt hoe goed het is om de HEERE te kennen en te dienen, maar je eindigt met “maar jij wil dat maar niet geloven; jou zegt dat allemaal niks! Jij recht je rug en laat God lekker roepen!”, dan weet bijna 100% zeker dat die persoon afhaakt.
En dit lijkt Stefanus hier toch te doen. Is het gek dat ze hem doodgooien met stenen? Wees nou eerlijk…

Wat gebeurt hier?
De vraag is of dát hier gebeurt na de preek van Stefanus. Daarom twee vragen:
  1. kwam de escalatie door de laatste regels van zijn preek of is de bom gebarsten nadat gaandeweg de gehele preek de spanning werd opgebouwd?
  2. Evangeliseert Stefanus hier of doet hij iets anders? En wat zegt ons dat vandaag?
Al meerdere keren heb ik opgemerkt dat Stefanus heel veel tussen de regels door zegt. Dingen die aan onze opmerking wellicht gemakkelijk ontschieten, maar die de theologen die hem aanhoren direct snappen, verbanden die zij perfect snappen. Dus we kunnen gerust stellen dat de aversie zich opbouwde gaandeweg zijn preek. Maar eerlijk is eerlijk, het fors brandende lont dat Stefanus aan het einde van zijn preek in dit gistende kruitvat stak kon niet anders dan een hevige ontploffing veroorzaken.
De tweede vraag is: evangeliseerde Stefanus hier. Waarom ik die vraag stel is omdat het nogal uitmaakt wat de context van zijn preek is. De escalatie die volgt doet ons de vraag stellen: had dit voorkomen kunnen worden of had de schade meer beperkt kunnen blijven? Waren deze bepaald niet zoetgevooisde woorden met tederheid of met toorn gekozen? Wanneer we stellen dat hij op een confrontatie wilde afstevenen, bewust (!), dan komt zijn voorbede in vers 60 erg dubieus over.
Allereerst kunnen we snel vaststellen dat Stefanus niet uit was op evangelisatie. Hij wilde zijn toehoorders niet bereiken met het evangelie, zoals onwetenden en ongelovigen moeten worden benaderd. Er zijn teveel predikanten die allerlei platgetreden paden bewandelen; dat is uiterst vermoeiend en doelloos. Maar je hebt ook predikanten die verschillende bekende dingen in herinnering roepen om je ermee aan het denken te zetten. Dat is niet vermoeiend maar juist heel gezond.
Als een predikant in zijn gemeente heel veel twijfel en voorwaardelijkheid hoort, zal hij bekende dingen in herinnering roepen die vanuit Gods Woord laten zien dat God welmenend uit is op ons behoud. Dat zijn bekende teksten, maar omdat ze zijn weggezakt – door dwaalleer of omdat ze bewust in het duister worden gehouden omdat bepaalde Simon de Tovenaars in de gemeente hun gewaardeerde positie in gevaar zien komen – moeten ze worden herhaald en in herinnering worden geroepen. Zo ontstaat een helder beeld van Wie en hoe de HEERE nu is.
Dit laatste is van toepassing op de preek van Stefanus. Hij heeft nergens iets nieuws verkondigt. Hij heeft een les oude volksgeschiedenis gegeven. En die les was voor de chauvinistische joden prima te volgen. Alleen de rankschikking en de accenten waren misschien nieuw of op zijn minst spannend en verrassend. Ze zaten als het ware op het puntje van hun stoel!
Dus… Stefanus gaat op een juridische manier te werk en verdedigt zich als beklaagde tegenover zijn aanklagers. Beter gezegd: hij verdedigt God en is daarmee een profetische pleiter. Hoewel hij het plaatje natuurlijk wel opeens dieprood inkleurt!
Maar… voor ze het goed en wel door hebben zitten de aanklagers in de beklaagdenbank. En dat is typisch het werk van een advocaat. Daarom mag Stefanus ook zíjn beschuldigingen uiten. Hij is er niet op uit dat ze het Evangelie gaan geloven door overtuiging, maar dat ze voor Christus zullen vallen Die ze zelf hebben veroordeeld. En… ze hebben er nooit spijt over betuigt. Het wordt dus hoog tijd. Of… ze blijven zich verharden.

Hoe luidt de beschuldiging?
Laten we eens op een rijtje zetten wat Stefanus hier naar voren brengt:
  1. jullie werken de Heiligen Geest altijd weer tegen;
  2. jullie zijn verraders en moordenaars van de Rechtvaardige geworden;
  3. jullie hebben wel de wet ontvangen, van de engelen (of van de leiders), maar jullie hebben je er niet aan gehouden.
Kort samengevat worden de toehoorders beschuldigd van ‘sabotage’, van ‘moord met voorbedachte rade’ en van ‘bewuste wetsovertreding op alle fronten’.
Nee, inderdaad dit klinkt niet als een zendingspreek of evangelisatieboodschap! Dit is klinkklare juridische taal. Maar was Stefanus daarvoor opgeleid? In zekere zin wel, ja. Want lees Handelingen 6 : 10, waar staat: “En zij (die aanklagers die nu in de beklaagdenbank zitten) konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij (Stefanus de beklaagde) sprak.”

Waarom een rechtszaak?
En mocht je nu denken: ja maar Stefanus gaat er nu een rechtszaak van maken; daar is toch de prediking niet voor bedoeld?! Mag ik je dan toch even wijzen op het vervolg van dat hoofdstuk? Ze kregen geen voet tussen de deur bij Stefanus, waarna zij zelf juridische stappen ondernamen die resulteerden in deze spoedvergadering van het Sanhedrin! En – net zoals bij Jezus – wanneer ze geen steekhoudende bezwaren kunnen inbrengen, dan kiezen zij voor de leugen: “Toen maakten (kozen) zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God. En zij beroerden het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor den raad; en stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.”

De rollen worden omgedraaid
Het zijn de belagers van Stefanus die een juridische weg zijn ingeslagen. In elke zichzelf respecterende rechtsstaat mag de beklaagde zich met goede en ware feiten verdedigen. Maar… wanneer de waarheid dit vereist, mogen ook aan het licht gekomen feiten worden ingebracht die de zaak in een ander daglicht stellen en wellicht ten nadele van de aanklagers gaan fungeren. Mits dit maar te maken heeft met de aanklacht tegen de beklaagde. En was dat het geval in deze kwestie? Ja. Zij beklaagden Stefanus ervan dat hij de wet van Mozes terzijde schoof. Dat hij grove dingen had gezegd over de heilige tempel van God en daarmee dus blasfemie had gepleegd.
Wanneer nu blijkt dat juist zijn belagers van die feiten zijn te beschuldigen, dan is het Stefanus’ plicht om de rechter daarop te wijzen. Want ook hij mocht blasfemie niet ongestraft laten. Dan zou hij inderdaad de wet niet serieus nemen.
Stefanus neemt – na de vraag van de hogepriester of het allemaal klopt – een flinke aanloop en lijkt er aan het einde van zijn ‘preek’ met gestrekt been in te gaan. Hij veegt zijn eigen straatje niet schoon en beweert niet “ik heb niks gedaan” of “dat heb ik helemaal niet gezegd”. Hij laat alles staan zo het stond, maar hij neemt zijn aanklagers mee naar de context van zijn woorden. Die context was hun eigen hardnekkigheid, hun onbekeerlijkheid en zelfhandhaving, alsmede hun denigrerende manier van godsdienst bedrijven: anderen naar beneden trappen om zichzelf op een voetstuk te zetten.
De wet op punten aanpassen, zodat je er zelf goed mee wegkomt. Maar daar is Stefanus niet van. God nog veel minder! Als jij je vroomheid wil aanwenden als prestige, dan moet je Gods wet naar je eigen hand gaan omvormen. Want Gods wet laat geen ruimte voor snoeverijen en protserigheid. Chauvinisme waar Joden en Hollanders zo goed in zijn, is God een gruwel. Hij kiest een volk uit maar niet opdat het zichzelf op de borst zou gaan kloppen en zeggen: “Maar wij zijn het volk van God!” of “Maar wij zijn gelukkig nog zuiver in de leer!”

Hoe luidt de verdediging?
Terug naar de rechtszaal. Als de rollen zijn omgekeerd verwacht je nu een verdediging van de beklaagde aanklagers. Maar zij doen dat anders. Zijn kiezen de fysieke verdediging. En dat wordt Stefanus fataal. Maar daarmee geven ze ook de waarheid van Stefanus’ beschuldiging aan. Dit deed Stefanus niet. Hij koos voor het gesprek, het betoog in woorden. Hij heeft eigenlijk altijd de regie in handen gehouden.
We moeten overigen hierbij opmerken dat Stefanus nergens zichzelf heeft vrijgepleit. Hij name het enkel op voor de zaak van Christus. En dat is wel een dingetje tegenwoordig. Wij nemen het nogal gemakkelijk op voor onszelf. Maar zo is Stafanus niet. En zo werkt de Geest ook niet. Zelfs als er geschillen in de kerk ontstaan hebben we de zaak van Christus te zoeken. Voor Hem en voor Zijn Woord moet het worden opgenomen. En eigen identiteitshang of richtingenstrijd moet nergens om de hoek komen kijken.
Daarom vond ik de scheiding in 2004 (bij de vorming van de PKN) volgens die regel gaan en kon ik mij met eer en geweten voegen bij hen die niet konden meegaan met het eigengemaakte bouwwerk dat ontstond. Echter stond ik afwijzend tegenover voorgangers en gemeenten te midden van deze achterblijvers die hun gelijk bij de wereldlijk rechter gingen halen, waar het de legitimiteit van zichzelf en de illegaliteit van de PKN betrof. Hier kwam het eigen gelijk om de hoek kijken. Evenzeer keurde ik het af dat PKN-gemeenten hun broeders en zusters die niet mee konden probeerden met de rechter achter zich het kerkelijk leven onmogelijk te maken door opeens met een groep randkerkelijken en geboorteleden een nieuwe gemeente op te richten. Of waar het overgrote deel van een gemeente niet mee ging, men opeens een nieuwe gemeente begon, terwijl een groot deel van hen reeds was geperforeerd naar een buurgemeente, wegens liggingsproblemen. Strijd tussen broeders en zusters is meer dan eens gemengd met eigen belang.
Terwijl de aanklagers tegen Stefanus – mogelijk naar aanleiding van een ‘stichtelijk woord’ dat hij ergens sprak – aanvankelijk een discussie begonnen over woorden tegen de ‘wet’ en tegen de ‘tempel’, zette Stefanus in zijn verdediging direct in met het Verbond van God, Zijn trouw aan Zijn volk, Zijn barmhartigheid en de ondankbaarheid en wreveligheid die dat volk Hem daarvoor terug gaf. Dát moet je tegen de borst stuiten. Niet dat mensen regeltjes niet opvolgen, maar dat mensen Gods welmenend aanbod buiten de deur willen houden met vroom klinkende woorden.
Stefanus sloeg met een enorme knuppel in het voze godsdienstige hoenderhok van zijn belagers. Een stofwolk vertelde dat het inderdaad voos en leeg was. Er zat geen leven in, maar het was dode orthodoxie. Wanneer hij ze daarin klem heeft, stort hun wereld, die ze zo zorgvuldig hadden opgebouwd, in. Dat hebben ze gaandeweg de preek voelen aankomen, maar dit werd de nekslag voor hun godsdienst! En daarom reageren ze door hun oren dicht te stoppen! Ze worden uitzinnig van deze waarheid! Dit kost hun hun gezicht.

De toepassing voor nu
Het is fascinerend om in deze rechtszaal toeschouwer te zijn. Het is een zinderende wedstrijd tussen twee strijdende partijen. Fascinerend om te zien hoe Stefanus – en achter hem de Heilige Geest, de paracleet – de rollen omkeert. Aangrijpend om te zien hoe de aanklagers, in de beklaagdenbank gedrukt, opstaan en een moord begaan op een rechtvaardige. Het is zelfs angstaanjagend, als in een horrorfilm, hoe deze godsdienstige vromen regelrechte duivels worden omdat hun ego is geknakt.
Stefanus is – en ook dat is fascinerend – niet uit het veld geslagen. Hij is zelfs in staat om te bidden voor zijn moordenaars. Hij zegt er overigens niet bij dat ‘zij niet weten wat ze doen’, zoals Jezus bad. Hij roept slechts priesterlijk om vergeving!
Maar als we zo ons vergapen aan deze geschiedenis, lopen we het risico buiten spel te blijven. Expres neem ik iets meer ruimte om op deze teksten in te gaan. Kan ik, kun jij, zomaar onbewogen blijven onder deze beschuldigingen? Ga ik wel met al deze zaken zuiver om? Ik herhaal nog even de aanklachten:
  1. jullie werken de Heiligen Geest altijd weer tegen;
  2. jullie zijn verraders en moordenaars van de Rechtvaardige geworden;
  3. jullie hebben wel de wet ontvangen, van de engelen (of van de leiders), maar jullie hebben je er niet aan gehouden.
Zou het kunnen zijn dat ik de Heilige Geest tegenwerk? Bedroef? Uitblus? Dat doe ik, wanneer ik Gods welmenend aanbod zowel als Zijn corrigerende woorden naast me neerleg. Want als ik Hem niet serieus neem, blijf ik buiten spel, maar ook buiten Zijn helende en inspirerende inwoning!
Ben ik een verrader van de Jezus, de Rechtvaardige? Een moordenaar? Het is allereerst zo dat je gaat zien dat niet alleen de Joden toen, maar ook ik nu met mijn zonden Hem aan het kruis heb gehecht. En elke zondag van vandaag en morgen zet daar nog eens een streep onder. Ook al liet Hij zich gewillig offeren, het had niet nodige geweest, als ik niet gezondigd had! En als ik Hem vandaag of morgen vergeet, waardeer ik Zijn offer en gave niet op de juiste wijze. Dat is zonde! Misschien vind je ‘verrader’ en ‘moordenaar’ heftige woorden. Maar… welke woorden zou jij er dan voor kiezen? Kies je niet heel snel woorden die jezelf ietsje positiever in deze afschilderen? En doe je dan niet precies hetzelfde als die overpriesters?
Dat brengt me bij het derde: wel de wet ontvangen, maar je er niet aan houden. “Ja, maar een mens kan de wet niet houden”, of “we zijn allemaal zondaars”, of “maar Jezus is toch voor de zonden gestorven?” Er zijn psalmdichters die zingen over ‘hoe lief heb ik Uw wet’. Soms snap ik ze niet… wat is hun intentie? Die wet veroordeelt mij toch? Ja, dat is waar. Maar waar komt die wet vandaan? Wie gaf mij die wet? Is het God de Vader Zelf niet die naar mij toekwam met Zijn Woord en wet? Niet om er mij daarmee in totale radeloosheid te storten, maar om te zien hoe nodig ik Zijn Zoon dagelijks heb?! In die wet en in Zijn Woord, waarin die wet staat opgetekend, spreekt Hij met mij! De wet is niet een dood ding dat op zichzelf staat, maar komt tot leven door de Geest: “…want de letter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 3:6b). Paulus zet daar een paar dingen in scherp perspectief tot elkaar. Hij zegt: de wet die verdoemt had al een enorme heerlijkheid in zich; kijk maar naar Mozes die een enorme glans op zijn gezicht had gekregen toen hij die wet in ontvangst nam (vers 7). Moet je eens nagaan hoe groot de heerlijkheid zal zijn die de Heilige Geest met Zich meebrengt (vers 8-9) als Hij mensen rechtvaardigt!
Misschien zijn we dat evenwicht in de kerk van 2018 een beetje kwijt. Helt de een naar de wet en helt de ander naar het evangelie. Maar beiden hellen langs Gods gulden middenweg en missen de essentie van Gods bedoeling! De spanning is eruit, de zeggingskracht is weggeëbt en het christelijk geloof verwordt tot een futloze manier van leven in plaats van een zaak van leven en dood.
Engelen gaven ons als het ware het volledige Woord dat in balans is. Maar bezien we het nog zoals het bedoeld was? Of zijn we een product geworden van het denken van onze tijd? En zitten we ten diepste helemaal niet meer zo ver van die overpriesters af; misschien aan de andere kant van het spectrum maar toch? Tot zover de toepassing op Stefanus’ preek.

woensdag 25 april 2018

Twee geesten tegenover elkaar

Hoofdstuk 1


En de Hogepriester zeide: “Zijn dan deze dingen alzo?”
Handelingen 7 : 1

Op het eerste gezicht een onbeduidende tekst. Gewoon een vraag of de aanklachten die de Grieken uitten tegen Stefanus klopten. Maar is dat zo? Laten we eens goed naar de plaats van de tekst kijken en naar de persoon die hier spreekt.

De plaats van de tekstWie alleen dit hoofdstuk leest, zal niets merkwaardigs zien in deze woorden. Een soort inleiding op het dispuut tussen de Joodse leidslieden en Stefanus. Maar er is nogal wat aan vooraf gegaan. De hele aanstelling van Stefanus tot diaken zelfs! Daar gaan we straks dieper op in. Eerst bladeren we een vers terug in de Bijbel.
Er hadden dreigende en venijnige beschuldigingen beklonken in de raadszaal in Jeruzalem. Stefanus had iets gezegd over Jezus. Dat was natuurlijk bloedlink! ‘Jezus’ was een beladen naam daar. En al helemaal wát Hij gezegd had. O ja, het waren opnieuw valse beschuldigers die waren opgetrommeld om te getuigen. De geschiedenis leek zich te herhalen! Hoor maar: “En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op ­lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.”
Eveneens valse getuigen hadden dat ook tegen Jezus getuigd, misschien wel in deze zelfde raadszaal: “Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen” (Mattheüs 26:61).
Gelogen was het nog niet eens. Immers in Lukas 19: 43 kun je lezen wát Jezus had gezegd: “Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden ­benauwen; en zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.”
Jezus’ woorden waren een steek in hun hart, om hen tot inkeer te brengen. Maar dit had hen juist verhard! Men stond nu vlak voor de vervulling van deze woorden: de verwoesting van Jeruzalem! Na de beschuldiging had Jezus gezwegen. Zou dat een leefregel zijn: niet in het verweer gaan? Zou ook Stefanus blijven zwijgen? Het lijkt erop. De mensen houden hun adem in. Lees Handelingen 6:15 maar: “En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.”
Iedereen ziet dat er iets bijzonders met Stefanus gebeurt. Zijn glanzende gezicht intrigeert de mensen en niet hij maar zij zwijgen… En het is juist dít aspect dat je moet beseffen, bij het lezen van het eerste vers van hoofdstuk 7! Iedereen is onder de indruk en concludeert: dit lijkt wel het gezicht van een engel. De hemel is heel dichtbij; God is heel dichtbij! En precies op dít moment opent juist de Hogepriester zijn mond: “Zijn deze dingen alzo?”

De persoon die spreektHier spreekt de man die gezalfd is tot Hogepriester over Gods volk. Dat zalven was maar niet zomaar een formaliteit. Het was de visualisering van de vervulling met de Heilige Geest. Deze man zou, vanwege die vervulling, bij uitstek in staat moeten zijn om Gods werk van mensenwerk te onderscheiden! Hij zou het moeten kunnen beoordelen vanuit zijn eigen geestelijke ervaring. Niet dat je kunt oordelen over harten, ook al ben je een priester, maar je kunt wel haarfijn ­aanvoelen of dit uit God is of niet. Nog even los van wat er tegen Stefanus werd betoogd. De Hogepriester kon ook dat gezicht zien… als hij zijn ogen er maar niet voor gesloten had gehouden. Immers, de omstanders zijn er direct door getroffen.
Is dat geen gevaarlijke mogelijkheid? Zo dicht bij Gods werk en het tóch duiden als satanswerk?! De Hogepriester staat hier als gezalfde tegenover… ja, tegenover nóg een gezalfde! Ook Stefanus gezalfd. Hem was – evenals de zes andere diakenen – de handen opgelegd door de apostelen. En zo was ook hij vervuld met de Heilige Geest en toegerust voor zijn taak. Maar over Stefanus lezen we nog vóór dat moment al dat hij vervuld was met de Heilige Geest! Hij was geen vroomprater, geen uitwendige vrome, maar aan hem merkte iedereen dat hij was vervuld met de Geest van God.
Nu staan hier twee gezalfden tegenover elkaar. Toen David tegenover Saul stond – toen die hem naar het leven stond – ­wilde hij zijn hand niet aan het leven slaan van de gezalfde des Heeren. En deze man?

Gods Geest in Stefanus
In vers 5 van hoofdstuk 6 staat nog iets: “Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes…” Het is opmerkelijk dat deze aspecten alleen van Stefanus worden genoemd; je mag verwachten dat ze ook golden voor de zes anderen. Immers als er ambtsdragers moeten worden gekozen is het zaak dat we omzien naar mensen vol van de Heilige Geest en van geloof; en niet enkel naar mensen die enthousiast en positief zijn.
Maar wat houdt dat ‘geloof’ in? Als je de Kanttekeningen leest krijg je een beetje een domper: “Geloof: getrouwheid, die in dit ambt voornamelijk vereist wordt.” Het is inderdaad een mogelijke vertaling van dit griekse woord ‘pistis’.  Maar het woord komt toch van ‘peitho’ dat ‘zich laten overtuigen’ of ‘overreden’ betekent, als ook ‘geloven’. De Kanttekeningen lijken dit woord iets teveel af te zwakken.
Het is ook juist deze vastberadenheid, vurigheid en gedrevenheid die we een vers verderop tegenkomen: “En Stéfanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.” Ook nu staan deze dingen er weer alleen van Stefanus, maar dat zal zijn omdat met hem deze geschiedenis verder gaat. Echter, de dingen die Stefanus deed vielen wel op en wekten jaloezie. Zoveel is wel duidelijk. Het is juist ook de jaloezie die de wortel is van de aversie tegen hem. En aanvoerder van die zonde is… de Hogepriester.

Verzet tegen de GeestStefanus en de andere zes diakenen zijn Grieken; met reden gekozen, zodat zij des te beter de Grieksen konden bedienen. Want juist bij hen begon het protest, omdat de apostelen hen te vaak in de kou lieten staan, toen ze het te druk kregen.
En nu komen er juist uit de hoek van de ‘buitenlanders’ vooraanstaande mensen in opstand tegen de krachten en wonderen die Stefanus deed door de Heilige Geest: “En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der ­Libertijnen, en der Cyreneërs, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus. En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.”
Stefanus pareerde met grote kracht de stekelige vragen van deze ‘wijze’ mannen. Had hij dat moeten doen? Veroorzaakte hij zo niet onnodige aversie tegen het geloof? Was dat nou nodig? Dat zijn terechte vragen, niet om dan maar met ‘nee’ te antwoorden; maar juist om eerlijk na te denken over ‘hoe sta ik in de kerk?’ Ben ik in staat om de polemiek met stekelige ­dwalingen aan te gaan voor de zaak van Christus? Ben ik in staat en bereid om het zuivere Woord van God te laten klinken in een milieu waar eigenzinnige godsdienst de boel verzuurt en verziekt? Mag de zaak van Jezus Christus mij wat kosten en oefen ik mij in geloof, Geest en standvastigheid?

De inwijding van Stefanus als diaken, door Vitore Carpaccio, 1511, Staatliche Museen, Berlin

woensdag 27 december 2017

Een vriendschap op zielsniveau

De fan van de muzikant - V

Het geschiedde nu als hij geëindigd had tot Saul te spreken,
dat de ziel van Jónathan verbonden werd aan de ziel van David;
en Jónathan beminde hem als zijn ziel.
1 Samuël 18 : 1


In stoere heldenverhalen, in boekvorm, strip of film, zijn de ­dappere strijders altijd spierbundels die uitmunten in kracht, slimheid en vooral ongenaakbaarheid. Ze steken met kop en schouders boven de rest uit. Hoewel daar de laatste jaren ook best wel verandering in is gekomen en zijn soms ook zwakke, sullige helden de overwinnaars.

Maar terug naar ons bijbelverhaal: David is niet het lieve jochie met zijn gladgekamde haartjes en zijn satijnen vingertjes die tokkelen op zijn harpje. Niks geen engelachtige verschijning. Met één ferme hauw hakt hij het hoofd van Goliath van diens romp. Het reusachtige hoofd – dat toch wel bijna anderhalf keer zo groot moet zijn geweest als dat van David zelf – rolt bloedend opzij. Het gezicht was sowieso bebloed, vanwege de steen die het voorhoofd van de reus had doorkliefd. De steen was in het voorhoofd gezonken als was dat een pakje boter. Zelfs zo’n gladde steen zal niet een gladde snee hebben achtergelaten, die een vlijmscherp mes zou hebben gemaakt. Het moet een gapende wond zijn geweest met versplinterde stukken schedelbot. En de aanvankelijk angstig opengesperde ogen waren al gesloten bij de klap die het logge lichaam op de grond heeft gemaakt.
Met in zijn ene hand het loodzware en enorme zwaard, bukt hij zich en houdt het hoofd van de reus – hoe zwaar zou het hebben gewogen? – aan diens haren omhoog. Alleen al aan die twee details kun je zien dat David over forse kracht beschikte. Dat hij dat harnas van Saul niet aan kon was niet omdat hij nog een jochie was. Nee, David was de katachtige, niet gebouwd voor logge beschermings­artikelen zoals een maliënkolder of harnas. Hij was, net als Jonathan, meer de besluiper dan de zwaar bepantserde verdediger. Vandaar!

De reus was nog te zwaar bepantserd dat hij zijn schild zelf kon blijven dragen. Dat deed zijn wapendrager (lees 1 Samuël 17 : 41). Luid brallend had hij David getart. Maar dat had David niet aangezet tot daden. Nee, het was omdat Goliath God en Diens kracht en majesteit had gehoond. “Kom maar eens hier, ventje! Dan voer ik je vlees aan de vogels en de wilde dieren!”, had de reus luidkeels gebrald. David had nergens op zijn eigen kracht geboogd. Hij snoefde niet toen hij riep: “Jij komt naar mij toe met een zwaard, een speer en een schild. Maar ik kom naar jou toe namens de Heere van de hemelse legers, de God van het leger van Israël, de God die jij hebt uitgedaagd. Vandaag zal de Heer jou in mijn macht geven. Ik zal je verslaan en je hoofd afhakken. Vandaag zal ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels en de wilde dieren voeren. Dan zal de hele wereld weten dat Israël een God heeft. En al deze mensen hier zullen toegeven dat de Heer niet redt door zwaarden en speren. Want de Heer Zelf strijdt voor ons. Hij geeft jullie in onze macht.”

En zo was het gebeurd. Terwijl het leger van Israël de door angst overmande Filistijnen achternajaagde, ging David iets merkwaardigs doen. In vers 54 lezen we: “David nam het hoofd van de Filistijn mee en bracht het naar Jeruzalem. Maar de wapens van de reus legde hij in zijn tent.” Twee dingen vallen direct op: dat David de wapens van Goliath voor zichzelf houdt aanvankelijk; en dat hij dus een eigen tent had (terwijl we hem toch even daarvoor bij vader Isaï vandaan zagen komen, nietwaar?). Het zwaard zou een overwinningstrofee gaan worden, die David in Nob afleverde om die voor de ark van het ­verbond neer te leggen als offer aan God. David werd er dus nooit zelf groot mee. Later zou hij dat zwaard weer ophalen, toen hij moest vluchten voor Saul. Maar hoe kwam David aan een eigen tent? Of was het de tent van zijn broers? Merkwaardige details!

Maar… het hoofd van Goliath nam hij dus mee naar Jeruzalem. En nadat het leger weer terug was van het verjagen van de Filistijnen en Saul weer in zijn paleis was (of was het de staftent in het leger?) vroeg hij aan David: “Wie is je vader?” Merkwaardige vraag, terwijl hij al eerder, zie het vorige hoofdstuk, een bode naar Isaï had gestuurd met de mededeling dat David bij hem bleef. Er lijken delen van deze hoofdstukken te overlappen en zorgen voor verwarring.

Terwijl David nog met dat grote hoofd van Goliath in zijn hand staat, brengt Abner hem bij Saul, waar hij vertelt wie zijn vader is: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, de Bethlehemiet”. Let op de keuze van zijn woorden! Blijkbaar is er nog meer gezegd. En daar heeft ook Jonathan bij gestaan. Want toen David zijn verhaal had gedaan, sprong er een vonk over in de ziel van Jonathan. Er staat in de tekst dat de ziel van Jonathan werd verbonden aan die van David. Er staat niet dat Jonathan geïnteresseerd raakt in David, of dat hij bewondering voor David ging koesteren (dat is nog introvert) of misschien zelfs verliefd werd op deze sterke held (want die mensen zijn er ook die een homo-relatie tussen Jonathan en David willen bewijzen). Er staat slechts dat er een vriendschapsband ontstaat op zielsniveau. Ondanks dat ­bloedende hoofd van de reus!

Herkende Jonathan iets in David, vanuit zijn eigen geestelijk leven, toen hij hem hoorde praten met zijn vader? Dat zou eens goed kunnen. Maar dat die twee zielen zich aan elkaar verbonden lijkt toch vooral ook een wisselwerking te zijn. Er gebeurt dus niet alleen iets in het hart van Jonathan, maar ook in dat van David. Bijzonder, zulke grote stoere en heldhaftige mannen! Ze blijken in één klap ‘gewoon mens’. Het staat er helaas niet met zoveel woorden, maar het lijkt toch het werk van Gods Geest. Hoe prachtig is dat?!

donderdag 21 december 2017

Als Gods Geest gaat ­verhuizen naar je concurrent

De fan van de muzikant - II

… en de Geest des HEEREN werd vaardig over David van dien dag af en voortaan…
En de Geest des HEEREN week van Saul, en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.
1 Samuël 16 : 13m en 14


In totale chaos eindigde het vorige hoofdstuk. Saul gaat naar huis (met alle gevoelens van dien) en Samuël doet hetzelfde. Die twee zullen elkaar nooit meer zien. Nou let nog even op wat er staat in vers 35: “tot de dag van zijn dood toe”. Dat staat er met een dubbele bodem… denk aan wat er zal gaan gebeuren in Endor! Maar daarover later. Daarbij heeft God ‘spijt’ dat Hij Saul koning had gemaakt over Israël. Dan zijn er twee dingen mogelijk: óf de HEERE drijft Saul in het nauw en brengt hem op de knieën óf Hij zet een streep en maakt een nieuw begin. Dat laatste zal gebeuren. Let er op: Saul wordt als koning wel aan de kant geschoven, maar er blijft nog wel een weg tot bekering open!
Maar het begin van hoofdstuk 16 laat toch wel onomwonden zien dat de HEERE vaart gaat zetten achter Zijn nieuwe plan voor het koningschap van Israël. Hij roept Samuël uit zijn sombere stemming: “Waarom blijf je kniezen over Saul, die Ik verworpen heb? Stop ermee hij zal geen koning over Israël blijven! Vul je oliehoorn en ga naar Isaï in Bethlehem. Een van zijn zonen zal de nieuwe koning worden.” Het lijkt wel alsof God geen begrip toont voor Samuël. Alsof hij niet verdrietig mag zijn over Sauls onbekeerlijkheid. Herken je dat? Dat je blijft piekeren over mensen die maar niet willen geloven dat de HEERE hen roept en trekt; niet willen aanvaarden hoe de HEERE is. En soms reageren ze ook nog grimmig naar je… De terechte pijn ten spijt, vraagt de HEERE toch er niet in te blijven steken. Richt je op een nieuwe missie.

We weten hoe het afliep. Samuël gaat en viert de maaltijd met het gezin en de genodigden van Isaï. Na al die indrukwekkende zonen van Isaï te hebben gezien (terwijl God telkens aangeeft dat die het niet is), vraagt Samuël vertwijfeld: “Zijn dit al uw jongens?” Dan moet Isaï eerlijk belijden dat hij nog een kind heeft. De reguliere kinderbijbel­uitleg is altijd dat David nog een jochie was en daarom niet meetelde met de grote broers. Maar hoe ging Jacob dan met de kleine Benjamin om? Die had een ereplaats in het gezin. Dus klopt die visie wel?

Ons beeld van David moet eigenlijk worden bijgesteld; het best wordt dat verwoord op www.heteeuwigevangelie.info. David zingt in Psalm 51: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.” Reformatorische uitleggers willen dat duiden als bewijsvoorbeeld voor de erfzonde. Nu is de erfzonde wel een waar feit. Maar het blijkt dat de Joden geen erfzonde kennen en dus kan David dat niet bedoeld hebben. Daarbij: van alle koningen van Juda worden zowel de vader als de moeder genoemd in de Bijbel; behalve van David. Er is iets met zijn moeder.

De situatie is zo: Isaï had zeven zonen bij zijn eerste vrouw. Maar toen dook er een vrouw uit Ammon op; sterker, ze was de bijvrouw van Nahas (koning van de Ammonieten) geweest en had reeds twee dochters: Abigaïl en Zeruja. Isaï heeft met haar een relatie (gehad) waaruit David is geboren. Daarmee is David in zonden ontvangen. Maar dat verklaart ook waarom hij een buitenbeentje is, rossiger van huid en haar dan de anderen. Je kunt dat woord ‘rossig’ ook vertalen als ‘blond’; niet het blond dat wij kennen, maar een duidelijker lichtere teint haar dan de andere mensen van het Joodse volk. Hoewel David een buitenbeentje is, bezit hij ook andere genen dan  zijn zeven broers. Die andere broers gaven hem voortdurend het gevoel dat hij er niet bij hoorde. Dat zal in de geschiedenis met Goliath ook blijken. En let daarom op wie David later als legeraanvoerders kiest: niet zijn broers (de zonen van Isaï), maar de zonen van zijn halfzus Zeruja (dochter van zijn moeder)! Het moet voor de broers dus uiterst tartend zijn geweest dat juist híj door God wordt uitgekozen en gezalfd. Of de broers precies wisten waarom hij werd gezalfd, wordt alleen duidelijk uit de Kanttekeningen. Samuël geeft aan de hele groep tekst en uitleg.

En let op wat er dan gebeurt. Op het moment dat David wordt gezalfd wordt de Gods Geest ‘vaardig’ over David. En bijna in één adem wordt daarbij gezegd: “En de Geest van de HEERE week van Saul.” Je zou haast denken dat de Heilige Geest maar op één persoon tegelijk kan zijn. Niets is minder waar; dat maakt Pinksteren wel duidelijk.

Niettemin maakt deze gebeurtenis iets vreselijks openbaar. Saul moet het nu echt in zijn eentje klaren. En dat is merkbaar in het paleis. Dat moet ook Jonathan hebben gemerkt. Het blijft niet bij een ‘wijken van de Heilige Geest’; het wordt ook een ‘inwoning van een dolle, duivelse geest’. En als we in vers 15 lezen dat zijn knechten dat precies weten te duiden, dan moet Jonathan dat al helemaal hebben doorzien. Dat is wat! Als je merkt dat de Geest van God – Die toch ook vaardig was over Saul toen hij profeteerde – van hem wijkt. Als je merkt dat je vader door heeft dat hij er buiten staat en dat dat hem niet tot ­bekering maar tot razernij en haat brengt. Sauls knechten adviseren om een muzikant te zoeken die Saul met muziek kan chillen.
Hier begint het buitenbeentje David in het leven van Jonathan binnen te komen. Ondanks de misère van zijn vader, raakt Jonathan gepassioneerd door deze herdersjongen die tevens musicus is. Zou dat gen, waarin zich de muzikaliteit bevindt, ook iets te maken hebben met Davids buitenlandse identiteit? Of is het de hoogsensitiviteit en het gevoelig geloofsleven dat deze koningszonen aan elkaar verbindt?

vrijdag 10 november 2017

Waar is God op Wie je bouwde?

De zoon van de boerenkoning - V

En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertigduizend wagens en zesduizend ruiters en volk in menigte als het zand dat aan den oever der zee is; en zij togen op en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven. Toen de mannen van Israël zagen dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken en in de doornbossen en in de steenklippen en in de vestingen en in de putten.
1 Samuël 13 : 5-6


Daar had je het al! Wat heeft Jonathan gedaan? Het legertje van Saul, opgeteld bij dat van Jonathan, bestaat uit 3.000 soldaten. Maar de Filistijnen halen alles uit de kast! Het tienvoudige, maar dan aan strijdwagens: 30.000! En dan nog 6.000 ruiters te paard. Die duizenden waren nog te tellen, maar het voetvolk, wat Saul en Jonathan dus ook hadden, was ontelbaar veel: zoveel als het zand dat aan de oever van de zee ligt. Een soldatenmassa stroomt richting Michmas, de plek waar Saul met zijn 2.000 mannen zit. Je kunt je levendig indenken dat het volk in de omtrek doodsangsten uitstond. Immers, die onafzienbare massa Filistijnen zal niet keurig netjes over de strak geasfalteerde wegen zijn gereden, in een bescheiden tempo. Ze zullen ook niet keurig overal zijn afgebleven. Er perst zich een onstuitbare oorlogs-massa door de dorpjes en steden richting Michmas, een streek vlakbij Sauls geboorteplek.

En geloof maar dat ze niet op bedevaart waren naar de plek waar Saul geboren was, zoals men wel doet en deed naar de geboorte­steden en -dorpen van de pausen. Nee, ze hebben ontdekt waar het hart Israël klopt en dat willen ze koste wat het kost (en de kosten zijn bepaald niet gespaard!) doden.
In de tijd van de richters bezielde de Heilige Geest een man uit het volk, die opstond en de vijand te lijf ging. Een illustratief voorbeeld is Simson, die het liefst zulke acties in zijn eentje deed. Maar ook Gideon en voorvader Ehud waren zulke helden. Onverschrokken gingen ze:

Ik bouw op U
mijn Schild en mijn Verlosser
niet eenzaam ga ik op de vijand aan;
sterk in uw kracht gerust in uw bescherming
ik bouw op U en ga in Uwe naam.

En Saul? En Jonathan? Hoogst waarschijnlijk hebben ze geen contact meer met elkaar kunnen leggen. Dus het gaat te ver om te stellen dat Jonathan zijn vader kon observeren. Maar het volk, die 2.000 man, heeft dat wel! Het volk uit de dorpen en steden rondom vluchtte weg in de holen en de spelonken in de omtrek.
Waar Jonathan het volgende couplet misschien nog heeft kunnen aanheffen, daar zakt Saul ineen van angst:

Gelovend ga ik eigen zwakheid voelen
en telkens meer moet ik Uw kracht verstaan.
Toch rijst in mij een lied van overwinning
ik bouw op U en ga in Uwe naam

Overwinning? Saul is ten einde raad! Waar is de Heilige Geest van God? Waar is de bezieling van een man, die het volk in Gods Naam aanvoert. Die de oorlogen des Heeren voert? Elk op een heuvel, Saul en Jonathan, kijken de dood in de ogen. In het kamp van Saul is de totale waanzin ingeslagen.
Hoe uitzinnig moet je zijn om in een put te springen? De ­Filistijnen gieten de put met brandende pek vol en je smeult levend de dood in! Heel expliciet leggen de Kanttekeningen de vinger erbij: “Te weten de krijgslieden der Israëlieten, die bij Saul waren.” Heel duidelijk maken ze onderscheid tussen Saul en Jonathan! Vanaf die andere heuveltop hoor ik heel voorzichtig een lied:

Ik bouw op U
mijn Schild en mijn Verlosser
Gij voert de strijd, de huld’ is U gewijd
(In ’t laatste uur zal ’k zegevierend ingaan
in rust met U die mij hebt voortgeleid.)

Wat een machtige woorden, vind je niet? Maar kijkend naar de ­geschiedenis ontstaat er een beklemmend gevoel. Vader en zoon… maar wat een wereld van verschil. Het staat er niet direct met zoveel woorden, maar deze werkelijkheid gaat wel schuil achter deze ­‘geschiedenis’. Het vervolg van deze strijd en geschiedenis zal dat uitwijzen!

donderdag 5 oktober 2017

Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn?

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam,
Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb.”

Johannes 14 : 26
Als gouden de portalen zijn… (Foto: Golden Hall, Stockholm)

Na lange tijd van veel schrijfwerk eindelijk weer ruimte om de bijbelstudieserie te vervolgen. De preek van afgelopen zondag intensiveerde enorm het nadenken over Christus’ hemelvaart: een preek van ds. D.J. Diepenbroek over HC Zondag 18. Maar liefst vier vragen over Hemelvaart, tegenover 1 vraag over Pasen. Dat geeft te denken. Het is vandaag de dag vaak wel andersom.
Maar… hemelvaart staat niet op zichzelf. Daarom spreek Jezus altijd over Zijn hemelvaart, in het licht van Pinksteren en de Wederkomst. De kwestie die ook de opstellers van de Heidelbergse Catechismus heeft aangezet tot het stellen van vier vragen is: waar is Jezus na Pasen? En waar is Hij na Hemelvaart? En waar is Hij na Pinksteren? Wij mensen denken in vormen van ‘plaats’, ‘zijn’ en ‘tijd’. Je bent óf hier óf daar, gisteren of vandaag of straks, maar niet alles tegelijk.
Jezus is naar Zijn menselijke natuur niet meer op aarde, maar zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Dat levert direct veel vragen op voor ons menselijke, beperkte, verstand. Dat gold niet minder voor de discipelen die nóg minder wisten dan wij. Als Jezus in de hemel is, sinds Zijn hemelvaart, dan is Hij toch niet meer hier bij ons op aarde? Hoe kon Hij dan zeggen dat Hij hen niet ging verlaten en dat Hij altijd bij hen bleef? Nog óp de hemelvaartsdag onderstreept Hij dat: “Zie, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld!” Een paar tellen later zagen zij Hem naar de hemel gaan. Wat bleef er nog over van dat woord van Jezus?

Menselijke oplossing

Wij mensen hebben iets gevonden om dat enigszins te begrijpen. Wij zijn op den duur gaan spreken over Jezus’ menselijke natuur en Zijn goddelijke natuur. Die termen waren vóór Jezus’ komst niet bekend. En hoewel dat dus nieuwe aanduidingen waren, ben ik ervan overtuigd dat ze volkomen juist zijn. God geeft ons woorden, om dingen die boven onze macht gaan, uit te drukken. Maar omdat het menselijke woorden voor een goddelijk mysterie zijn, kunnen ze vervelende vragen oproepen, die lastig te beantwoorden zijn. Gelijkenissen en menselijke uiteenzettingen over Gods werk gaan altijd ergens mank. Maar dat moet ons niet weerhouden om bepaalde woorden en uitdrukkingen toch te handhaven.
Zo zullen de eerste tien dagen na de hemelvaart ongetwijfeld zijn gevuld met interpretaties van Jezus’ laatste woorden. Die 120 mensen daar in de opperzaal in Jeruzalem hebben met elkaar gebeden. Jazeker. Maar hoe kun je dingen in je gebed goed verwoorden, zonder er goed over na te denken en met elkaar over te praten? En Jezus' woorden roepen enorm veel gedachten en gevoelens op. Dus er zal ook veel gesprek met elkaar zijn geweest. “Wat wil toch dit zijn?” of “Wat bedoelde Jezus eigenlijk, toen Hij zei…?”. Al die dingen zijn stukje bij beetje op hun plek gaan vallen, vanaf de uitstorting van de Heilige Geest. Hoe kwam dat? Hadden ze nu alles opeens op een rijtje?

Goddelijke oplossing

Wat de discipelen niet wisten was dat Jezus naar de hemel opvoer en de troonzaal van Zijn Vader is binnengegaan met Zijn offer. Hoewel de Vader Zijn goedkeuring aan dat offer al had gegeven op de eerste Paasdag (door Zijn Zoon op te wekken uit de dood), zag de Vader Hem al van verre aankomen. Hij snelde Zijn troon af en liep Zijn Zoon tegemoet. Hij viel Hem om de hals en kuste Hem. De Vader riep tot Zijn dienaren: “Brengt hier voor het beste kleed en doet het Hem aan en geeft Hem een ring aan zijn hand en schoenen aan de voeten en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze Mijn Zoon was dood, en is weder levend geworden; Hij is om de overtredingen van de gevallen mens verwond, om hun ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die hen de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is hen genezing geworden!" En zij begonnen vrolijk te zijn.
Van dat wat er zich in de hemel heeft afgespeeld, hebben de apostelen af en toe flarden mogen zien. In pure aanbidding en verwondering hebben Paulus, Petrus en Johannes dingen opgeschreven die ons verstand ver te boven gaan. Hoe hebben ze dat toch gekund?

Bovenmenselijk preken

Door wat Jezus in de dagtekst vertelde: “De Heilige Geest zal Mijn Vader naar jullie sturen, namens Mij. Die zal exact doen, wat Ik deed; Hij zal jullie niets nieuws vertellen, maar gaan uitleggen wat Ik jullie deze afgelopen jaren heb verteld. Hij zal – met eerbied – jullie notitieblok zijn, waarop al Mijn woorden staan geschreven. Jullie zijn ze misschien allang vergeten, maar let op als Hij aan het werk gaat! Dan brengt Hij jullie die woorden weer te binnen en zullen de stukjes op hun plaats vallen. Dat heb je nodig, als je anderen over Mij zult willen vertellen. Je zult je op misschien 1 of 2 preken kunnen voorbereiden, maar je zult nooit alles kunnen onthouden en in het juiste perspectief zien. Hij zal het voor je op een rijtje zetten en als je dát gaat ontdekken, zul je kunnen preken met een vrijheid die ongekend is. Je zult dingen kunnen verwoorden, die het menselijk bevattingsvermogen zullen oprekken tot ongekende hoogte. En dat alles zal nog maar een tipje van de sluier zijn. Straks, als jullie voor eeuwig bij Mij zijn, zul je alles gaan begrijpen. En je zult nog dieper zien hoe wijs Mijn Vader is in alles wat Hij deed en doet. Hoe diep Zijn zorg voor jullie en alle mensen is en hoe rijk Zijn toekomst, die Hij heeft uitgedacht.”

Predikers zijn levenslang op school. Ze hebben het uit de eerste hand. Maar als je als gemeentelid wordt meegenomen in een preek, zoals afgelopen zondag over hemelvaart, dan heb je dingen meegemaakt, die zich na afloop maar amper laten vertalen in woorden. Misschien mag je het noemen dat je bent opgetrokken in de derde hemel en het leven van elke dag hebt gezien vanuit Gods oogopslag. Je ziet nog maar de contouren van waar Hij mee bezig is. Maar je proeft al bij benadering hoe het gaat worden. Het tipje van de sluier! Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn?

zaterdag 9 september 2017

Blijft Jezus toch op aarde?

“Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.”
Johannes 14 : 25
Het laatste Avondmaal, geschilderd tussen 1495–1498 door Leonardo da Vinci (4,6 m x 8,8 m);
locatie: Santa Maria delle Grazie

Eigenlijk had ik gisteren deze overdenking willen schrijven, maar het kwam er niet van. En nu denk ik, misschien is dit wel een beter tijdstip. Je zult dit waarschijnlijk lezen na de Avondmaalsviering. Hoe was het? Had je ook het gevoel dat je er zou willen blijven? Dat je altijd dichtbij Jezus kon zijn? ‘Blijvende…’ dat is het woord dat in onze tekst heel vertrouwd en tegelijk heel raar klinkt!

Ja, je zou willen dat Jezus bleef, maar Zijn onderwijs ging nu juist over dat het zo nodig was dat Hemelvaart er kwam. Zijn hemelvaart was essentieel; en daar begonnen we een tijd geleden dit hoofdstuk ook mee! Waarom zegt Jezus dan nu in dit vers dat Hij deze dingen vertelt, ‘bij u blijvende’? Je zou het haast vertalen met: ‘want Ik blijf bij jullie’ of ‘nu Ik bij jullie blijf’. Maar dat klopt toch niet met het feit dat Hij binnen afzienbare tijd zal opvaren naar de hemel? Dat wist Jezus toch al wel?

Hoe vertalen andere vertaling dit dan?
  • “…terwijl Ik bij u verblijf. Maar de Trooster…” (HSV)
  • “…nu ik nog bij jullie ben. Later zal de pleitbezorger…” (NBV)
  • “…nu ik nog bij jullie ben. Later zullen jullie…” (BGT; Bijbel in Gewone Taal)
  • “…terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster…” (Nieuwe Vertaling 1951)
Je ziet dat alleen de Nieuwe Vertaling de zin laat doorlopen naar het volgende vers. En ik denk ook dat dat juist is. Enerzijds is het goed het ‘bij u blijvende’ te vertalen met ‘terwijl Ik nog bij jullie verblijf’ of ‘nu Ik nog ben bij jullie’. Anderzijds ontneem je de lezers iets, dat in het grondwoord zit opgesloten en dat in geen enkele vertaling goed uit de verf komt.

Het woord ‘verblijven’ betekent in de grondtaal ‘tijdelijk verblijven’ of ‘wachten’. Er zit enerzijds de lading in van ‘voortduren’ en ‘niet verdwijnen’ of zelfs ‘niet veranderen’. En dat zouden ze maar al te graag hebben. Anderzijds kan het woord ook dit betekenen: ‘wachten op iemand.’ of ‘opwachten’, ja zelfs ‘verwachten’!
En kijk dan nog eens naar Jezus, daar aan tafel bij Zijn discipelen, die niets liever willen dan dat het altijd zo bleef… terwijl Jezus probeert duidelijk te maken dat ze van hier weg moeten, de wereld in. En dat het door lijden tot heerlijkheid gaat. Jezus zit daar het tijdstip van de Vader af te wachten én met Zijn jongeren de komst van de Heilige Geest al ruim van te voren te verwachten. Hij meer dan zij, maar toch!
En dit zou voor hen de allerbeste weg worden! Eeuwig beter qua Jezus’ werk! Maar ook enorm beter, qua het werk van de Heilige Geest, want Die zou gaan werken met het materiaal dat Jezus achterliet: Zijn woorden van daarnet!

Als we aan Zijn tafel Zijn dood gedenken, dan belijden we: het was inderdaad de allerbeste weg! En als we van de tafel mogen opstaan, en misschien al weer een dag aan het werk zijn in deze wereld, dan mogen belijden dat we ook verwachten: “wij verwachten Jezus’ Dag met een groot verlangen!”
En tot aan die Dag? Zullen we ervaren dat Hij met ons ‘verwacht’, met ons verblijft, in ons woont en werkt en door ons Zijn Koninkrijk en het hele wereldgebeuren voortstuwt naar die grote Dag!
Aan Zijn tafel wilde Hij versterking geven voor onderweg. Want de tafel is het eindstation niet. Daar aan tafel moet het niet zo blijven, want dan komt die grote Dag nooit! Nee, Jezus kiest de beste weg. En je zult zelf ervaren dat Hij tegelijk in de hemel is én heel dichtbij je hier op aarde. “Deze dingen – over het ‘blijven in Mij’, ‘het houden van Mijn woorden’ en ‘het liefhebben van Mij en Mijn Vader’ – heb Ik tot je gesproken, terwijl Ik intens bij je blijf én toch naast Mijn Vader zit. Dicht bij het Vuur! Voor als er wat geregeld moet worden in jouw leven op aarde… En om jou te verzekeren dat We de zaak van het 'eeuwig bij Mij zijn’ uiterst serieus nemen, elke dag 24/7!” Wat een macht heeft deze Heiland, daar naast Zijn Vader in de hemel én dicht bij mij hier op aarde!

woensdag 6 september 2017

Wat Jezus wil vertellen

Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.”
Johannes 14 : 25
Het laatste Avondmaal, geschilderd tussen 1495–1498 door Leonardo da Vinci (4,6 m x 8,8 m);
locatie: Santa Maria delle Grazie

Dit ogenschijnlijk weinigzeggende vers markeert een keerpunt in de gebeurtenissen rond de discipelen. Jezus komt tot een afronding en luidt een nieuw accent in. Als Hij spreekt over ‘deze dingen’, wat bedoelt Hij dan?

Je zou kunnen zeggen dat het hele voorgaande gesprek daartoe behoort. De dingen die Jezus vertelde over Zijn aanstaande hemelvaart; Zijn afwezigheid en toch weer in zekere zin Zijn aanwezigheid door de Heilige Geest; de eenheid tussen Hem en de Vader. Maar ik denk dat Hij vooral doelt op dat liefhebben van Hem en hoe je dan omgaat met Zijn geboden, Zijn gehele Woord.

Het klinkt allemaal heel theoretisch, maar na dit vers zullen we gaan zien dat met die theoretische kennis die Hij nu in hen legt, de Heilige Geest straks aan de slag gaat. Zijn geboden onthouden en onderhouden gaat het effect hebben van een toenemende liefde en aanbidding van Hem over Zijn liefde en wijsheid, waarmee Hij alles tot in detail in de hand heeft in ons leven!

Het is deze Herder en Leraar, Die inderdaad alles tot in detail weet en bestuurt, Die ons aan Zijn tafel nodigt. Waarom? Omdat Hij ons door en door kent en concludeert dat we dat nodig hebben. Als Hij met macht en toch ook met takt spreekt tegen Zijn jongeren die tamelijk in verwarring zijn, hoeveel te meer zal Hij met macht en takt spreken rondom het Avondmaal? Als Jezus spreekt wordt niet persé alles in één keer duidelijk, maar je krijgt er wel voldoende overdenking en beleving uit, dat je er weer tegen kunt. Hij nodigt aan tafel en geeft niet alleen uitleg in woorden, maar ook in daden. Hij laat de tekenen van Zijn lijden zien. Ja, Hij toont ze zelfs aan blinden door te laten smaken/proeven hoe Hij is én hoe Zijn Vader is. Want Ze zijn één, de Vader en de Zoon nietwaar? Dat had Jezus daarnet nog gezegd!

Hij laat je merken dat Hij van je af weet en van je houdt. Tilt je uit boven de golven van dit leven, boven het tumult dat er misschien wel in je eigen huis of hart is. Hij laat je even vanuit een ander perspectief kijken naar het leven van alle dag; ook naar jouw leven met Hem en misschien moet daar wel wat rechtgezet worden naar de toekomst toe. En… het belangrijkste, Hij zet je weer stil bij wat Hij Zelf deed om jou zalig te maken: Zie je dat? Vergeet je het niet? Stempelt dit je leven? En merken anderen door jou iets van Mij? Wat mag ik van je vragen? Hoe ver laat je me toe in je leven? Vertrouw je me? Voel je hoe goed Ik het met je meen? En voel je veilig bij Mij. Vertel me maar wat er aan scheelt. Kom maar bij Mij. Kijk, deze dingen heb Ik tot je gesproken en Ik heb het zelfs voor je zwakke geloof gevisualiseerd. Zodat je niet meer hoeft te twijfelen… En zodat de Heilige Geest je verder kan leiden. Niet alleen met de kennis van nu, maar vooral ook met de wetenschap van straks…

vrijdag 1 september 2017

Begreep Jezus de vraag van Judas eigenlijk wel?

“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.”
Johannes 14 : 23
 
Hoogsensitieve en hoogbegaafde mensen hebben oog voor detail, vragen door, denken zwart/wit en leggen de lat hoog; waarschijnlijk was Judas de Goede zo iemand en hadden hij een Johannes een bijzondere geloofs-click

Die Judas! Stelt hij een vraag en krijgt hij eigenlijk hetzelfde te horen, als Jezus net vóór die vraag al heeft gezegd. Soms krijg je een antwoord op een vraag, of een voorstel dat op een bepaalde manier is verwoord, waarbij je je afvraagt: “Heb je m’n vraag wel begrepen?” En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat bij Jezus’ antwoorden heel vaak heb: is dit nu het antwoord op de vraag die is gesteld? De invalshoek die Jezus bij Zijn antwoorden kiest, is zeker niet een voor de hand liggende!
Bij een normaal mens zou ik hebben gezegd: “Hebben we het wel over hetzelfde?” of “Je snapt mijn vraag niet.” Maar bij Jezus ga ik toch maar eens goed kijken wát Hij zegt. Want het kan niet zo zijn dat Hij mijn (of Judas’) vraag niet heeft begrepen. Zijn antwoorden zijn niet onze (verwachtte) antwoorden. Daarom ga ik dit antwoord leggen naast vers 21, waar Jezus ogenschijnlijk dezelfde dingen zegt. En we gaan kijken wat dit antwoord Judas – én de discipelen alsmede ons – leert.

Goed luisteren

Allereerst moet ik zeggen dat Judas voor mijn gevoel de enige is die goed heeft geluisterd. Hij ziet al luisterend de verbanden, de lijnen in Jezus’ verhaal. Zijn vraag is dus opgekomen uit een lijn die hij ontdekte, maar niet geheel begreep. Je wordt door het woord ‘openbaren’ misschien op een verkeerd been gezet (als zou Judas een vraag stellen over Jezus’ woorden in vers 21), maar Judas grijpt eigenlijk terug op wat Jezus al een zin of vijf eerder zei. Kijk maar, we luisteren naar Jezus’ woorden vanaf vers 15:
"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven. In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”

Judas luisterde scherp en legde de verbinding tussen het ‘openbaren’ en ‘de wereld kent Mij niet’. Hij voelde de spanning in het ‘de wereld zal Mij niet meer zien, maar gij zult Mij zien’. Hij voelde aan dat er een scheiding gaat komen tussen hen en de wereld. Maar wat hield dat precies in en hoe zou dat dan gaan? Er op de achtergrond van Judas’ vraag vermoed ik zelfs die woorden van Jezus, nog een zin eerder: dat “de Wereld de Heilige Geest níet kan ontvangen” maar dat Hij in Zijn jongeren wél blijft wonen. Dat was voor hem iets wonderlijks. Iedereen kon Jezus toch zien? Gaat er nu dus een scheiding plaatsvinden in een ‘andere dimensie’?
Eerder al had Jezus zo’n zelfde soort scheiding gemaakt, tussen de wereld en de discipelen, toen Hij besloot voortaan in gelijkenissen te spreken en het enkel in de intieme kring van de discipelen toe te lichten. Maar als Jezus nu dus zegt weg te gaan, hoe gaat Hij die exclusieve uitleg dan realiseren? Snap je dat Judas hier iets heel duidelijk ‘aanvoelt’, maar de praktische invulling daarvan nog niet bevat. Luisterde iedereen maar zo scherp. Dan zouden veel preken een beter resultaat in de gemeente hebben. En … zaten maar meer preken zo in elkaar, als Jezus’ preken, dan zouden er misschien ook wel meer goede Judassen in de gemeente opstaan, die vragen stellen over dingen die ze aanvoelen, vermoeden, maar nog niet geheel doorgronden. Die begerig zijn in te zien in de geheimen van God, net als de engelen! Die bidden met de dichter van Psalm 119: “maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere", en “Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen” en “O HEERE! … maak mij verstandig naar Uw woord”. Dan zit je toch op het puntje van je stoel, bij zo’n preek? Dan kun je het toch niet hebben dat mensen slapen tijdens de dienst of direct na de dienst beginnen over het weer of over die of die? Dan kun je het ook niet hebben, als predikanten een preek maken van opgestapelde waarheden, zonder dat daar werkelijk leven in zit!

Tweemaal hetzelfde?

Nu naar die twee ogenschijnlijk dezelfde teksten:
Vers 21: “Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”Vers 23: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.”

Zelf vind ik vers 23 een stuk duidelijker, ook naar alle remonstrantse denkers toe, dan vers 21. Want in vers 23 vloeit het bewaren van Gods Woord voort uit het liefhebben van God Zelf. In beide gevallen wordt de link dus gelegd tussen liefhebben en bewaren. En dat woord ‘bewaren’ is een nogal omstreden begrip.
Het woord kun je uitleggen vanuit de grondtekst als het ‘bewaken’ van een gevangene, of ‘conserveren’ van een kostbaar object. Dan zijn we vooral bezig met het afschermen van dat te beschermen object! Gods Woord wordt dan iets dat streng bewaakt moet worden, afgeschermd met allerlei regeltjes die als een hermetische kluisdeur moeten fungeren.
Je kunt het ook vertalen met ‘reserveren’. Dan loop je het gevaar anderen buiten te sluiten en je reserveert, conserveert of exclusiviseert het zelfs voor een bepaald publiek, waardoor het wel een heel bezitterig gebeuren wordt. Gods Woord wordt dan exclusief voor intimi.
Echter, je kunt het ook opvatten als ‘onderhouden’, dus in de praktijk brengen en er serieus én actief mee omgaan. Wel, het lijkt me duidelijk dat Jezus de liefde tot Hem graag geassocieerd wil zien met het ‘tot uitvoering brengen’ en ‘koesteren’ ja, zelfs ‘liefhebben’ van Zijn geboden, Zijn Woord. Daar heb je smaak in, als je tenminste van Hem houdt! Liefde tot Hem is dus ook liefde tot wat bij Hem vandaan komt: Zijn Woord.

Het verschil in de bovengenoemde twee teksten zit hem vooral in het einde van de teksten: "Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.” en “Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.” Er zit dus een link tussen ‘openbaren’ en ‘woning maken’. In vers 21 sprak Jezus nog over dat Hij Zichzelf ging openbaren, maar in vers 23 doen én de Vader én de Zoon (en eigenlijk ook, het hele Bijbelgedeelte bijeenhoudend, de Heilige Geest) iets. Ze gaan ‘woning maken’ bij of in die persoon die Hem liefheeft. Dat is, volgens Strong, metaforisch gesproken over de Drieënige God, “Die een enorm gezegende invloed uitoefent op de zielen van de gelovigen”. Woningmaken, residentie oprichten, een woonplaats creëren, heeft ook iets ‘blijvends’. In het Oude Testament zou dat denk ik zijn omschreven als ‘tabernakelen’, blijven wonen. Hoe heerlijk is dat, dat God in je blijft wonen (en dat de Heilige Geest in je blijft wonen, vers 16 en 17); dat is een voorproefje van de hemel, zoals Psalm 5 dat bezingt:
’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Vraag en antwoord?

Is het antwoord van Jezus dus een antwoord op Judas’ vraag? Wel, we hebben gezien dat Judas’ vraag niet in eerste instantie opkwam uit Jezus’ laatste woorden in vers 22, maar op de dingen die Hij al eerder heeft gezegd. Er is dus geloof en liefde voor nodig om die inwoning van Jezus in je hart te ontvangen. De wereld, heeft die niet, want ze kunnen ten diepste met die inwoning ook niet uit de voeten. Als God in je hart woont, moet alles eruit. Wil je niet alles eruit gooien, dan is er ook geen ruimte voor Hem.
Maar Judas wijst op nóg iets: dat heel specifieke ‘jullie wel’ maar ‘de wereld niet’! In de komende verzen gaat Jezus daar dieper op in en ja, Judas krijgt een prachtig antwoord op zijn vraag. Zal Judas het begrepen hebben? De Bijbel zwijgt erover.

Het is opmerkelijk dat we Johannes zo expliciet een denker en gevoelsmens noemen en over Judas meestal zwijgen. Ik wil toch graag dit scheefgetrokken beeld rechttrekken en Judas een scherpe luisteraar, hoogsensitief en misschien wel hoogbegaafd, noemen. En Johannes heeft dit wel opgeschreven, maar op dat moment toch net even iets minder door gehad. Ik denk wel dat deze twee ‘hoogbegaafden’ een click met elkaar hebben gehad; dat zie je vaker. Zet twee hoogbegaafden in een grote groep en ze vinden elkaar, vaak zonder veel woorden…
God verbindt harten door Zijn liefde aan Zichzelf en hij verbindt ook harten onderling aan elkaar. Harten die elkaar aanvoelen, elkaar opscherpen, dezelfde soort vragen stellen en dezelfde verrukking, beleving en sensitiviteit kennen met betrekking tot de HEERE en Zijn Woord. Noem het ‘gemeenschap der heiligen’ in een misschien voor de grote massa te kleine, te enge, context. Ik denk dat God daar anders tegenaan kijkt. Die ‘buitenbeentjes’ worden vaak gillend gek in de grote massa van een gemeente, maar blijven er toch bij gehouden door dat gouden gevoelsdraadje dat hen met die ander(en) verbindt. Je zou willen dat de grote massa dat ook zag, begreep en koesterde.

vrijdag 21 juli 2017

Wij denken in menselijke termen van aanwezigheid

“Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u.”
Johannes 14 : 18

Jezus' afwezigheid doet niets af aan Zijn aanwezigheid


Als je een fles cola op het aanrecht zet, staat hij niet meer in de koelkast. En als je hem weer terugzet in de koelkast, staat hij niet meer op het aanrecht. Niets is er meer te vinden, hooguit markeert een kring van het condensvocht de plek waar de fles stond. Maar je kunt de fles niet én op het aanrecht hebben staan én in de koelkast.

Alles wat geschapen is, is onderhevig aan die wet van 'zijn' die wij kennen als het verschil tussen 'aanwezigheid' en 'afwezigheid'. Een vader die zijn gezin verlaat voor een zakenreis, kan contact houden met zijn gezin via Whatsapp, mail, of skype, maar hij ís er niet. Die afstand kun je kleiner maken door de moderne media, maar toch blijft hij fysiek bestaan. Je kunt elkaar niet aanraken via de media. Niet elkaars aanwezigheid voelen en niet elkaars gevoelens proeven; er blijft toch altijd een ongrijpbare afstand.
Zelfs de engelen in de hemel zijn beperkt tot de plaats waar ze zijn. Als ze in de hemel zijn, zijn ze niet tegelijk op de aarde. Gelukkig zijn het er miljoenen, maar toch. Jezus lijkt in staat de afstand die er door Zijn hemelvaart gaat komen, tot 0 te reduceren. Hij zegt, door Zijn Geest, nóg intenser aanwezig te zijn – ín Zijn jongeren – dan voordien. Dat is een bovenmenselijk mysterie. Toch gaat Hij een tipje van de sluiter oplichten, in de dagtekst. Hoewel de tekst nog steeds in raadselen spreekt. En inmiddels weten we dat Jezus voluit God is, dus is Hij ook alomtegenwoordig. Het 'zijn' in de hemel sluit het 'zijn' op aarde niet uit!

Er komt geen afwezigheid

Er is nogal wat verschil van inzicht op het eerste deel van de tekst. Je kunt het lezen als "Ik laat jullie wel als wezen achter, maar dat blijft niet zo…" Maar beter is om het toch zo te lezen: "Ik laat jullie niet als wezen achter…" Dat laatste impliceert dan ook dat er 'geen afwezigheid' zal optreden, als Jezus ten hemel vaart. En zo is het ook. Het is goed om goed te letten op er juist die dagen tussen hemelvaart en Pinksteren gebeurt.
Maar eerst verwijzen de Kanttekeningen nog naar een tekst die deze lezing staaft: Mattheüs 28 : 20, waar Jezus zweert: "En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen." Als Hij zo stellig beweert 'al de dagen tot aan de voleinding der wereld' bij ons te zijn, dan impliceert dat 'geen afwezigheid'.
Wie Petrus op de Eerste Pinksterdag ziet staan en hoort preken, denk misschien dat de Heilige Geest een wonder heeft gedaan. Dat er op die dag pas iets is veranderd. Maar nee, al voor die dag werd Jezus' blijvende aanwezigheid onderstreept door een aantal factoren die ik uit de laatste verzen van Lukas en de eerste van Handelingen haal:
  1. Lukas 24:52  De discipelen gehoorzamen Jezus door terug te gaan naar Jeruzalem (het hol van de leeuw): ze keren terug met grote blijdschap (de droefheid en mensenvrees is verdwenen!) en ze blijken elke dag in de tempel te zijn (opnieuw geen mensenvrees);
  2. Lukas 24:53  Ze blijven bij elkaar: ze blijken zelfs elke dag in de tempel te vinden te zijn; ze zitten niet schuw in een hoekje, maar ze loven en danken God! Dat moet mensen in Jeruzalem zijn opgevallen, want zij herkennen hen ongetwijfeld als 'die bij Jezus waren'; later werden ze genoemd 'de mensen van de weg (van Jezus)'.
  3. Handelingen 1:2  Al vóór de dag van hemelvaart gaf Jezus door de Heilige Geest opdrachten aan Zijn uitgekozen apostelen. De Geest was dus eigenlijk al aanwezig bij de overdracht.
  4. Handelingen 1:4  Jezus gaf instructie om in Jeruzalem te blijven en daar standvastig te wachten op de belofte van Zijn Vader; dus Hij betrekt er Zijn Vader direct bij. Zij moesten de tussenliggende tijd met intensief verwachten vullen, gericht op dat God de Vader Zijn belofte, die Jezus hen had verteld, zal gaan waarmaken. Die houding is een contrast met de dagen voor Goede Vrijdag, waarin ook onze dagtekst moet worden geplaatst!
  5. Handelingen 1:11  De engelen, die direct na Jezus hemelvaart verschijnen op de Olijfberg zetten hen a la minute in beweging. "Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren."
  6. Handelingen 1:15-23  Petrus neemt het voortouw, te midden van een groeiende groep van 12 tot 120 mensen maar liefst! En als hij gaat spreken, is hij in staat om het gebeuren rond Judas in een Oud-Testamentisch profetisch perspectief te zetten; herinner je je nog dat Jezus enkele verzen geleden zei: jullie zullen meerder tekenen doen? Dit had Petrus nog nooit gedaan.
  7. Handelingen 1: 24-25  Zij richten zich in hun gebed om duidelijkheid tot Jezus en noemen Hem de 'Kenner des harten'. Je zou kunnen denken dat ze zich, volgens Jezus' raad tot God de Vader richten, maar de Kanttekeningen wijzen toch in de richting van Jezus Zelf; ze wijzen naar Galaten 1:1, waar Paulus zich geroepen noemt niet door mensen, maar door Jezus Christus persoonlijk (en door God de Vader); hij wijst er expliciet op dat Jezus roept tot het ambt, waarvoor ze dus ook in Handelingen 1 om hulp bidden.
Het is bijzonder warm te horen hoe die eerste, kleine gemeente, zich voluit overgeeft aan Christus, Die hun harten kent en weet wat nodig is.

Eenmaal is er nooit meer sprake van afwezigheid

Dat neemt niet weg dat zij en wij het gevoel kunnen krijgen dat Jezus toch best ver weg is en dat de aanwezigheid van en door Zijn Heilige Geest niet afdoende is. Dat is het overigens wel, maar zo kan het voelen. Daarom richt Jezus hun blik al op dat vroege tijdstip (nog voor Goede Vrijdag en Pasen!) op Zijn wederkomst: "Ik kom weer tot u." Natuurlijk gold dat ook voor Pasen, waarop Jezus weer tot Zijn discipelen terugkwam, maar dat was nog onvolkomen, beperkt tot momenten.
Mochten dus die momenten van 'wees-zijn' aanbreken, dan moesten ze zich voluit en met een groot verlangen richten op de Jongste Dag, waarop Hij zou terugkeren en ze tot Zich nemen. Dat was bepaald geen doekje voor het bloeden. Want met Jezus zouden ook Zijn engelen komen. Het oordeel zou dan worden geveld. En alle onrecht wat hen en ons ooit zal wedervaren, zal dan worden rechtgezet.
Jezus afwezigheid is voor ons een valkuil dat we 'bang worden', of zelfs 'in slaap vallen' of, erger, dat we alvast 'eigen rechtertje' gaan spelen. Daarom verwakkert het ons ook, als we worden aangevuurd om die dag met een groot verlangen te verwachten, zoals de discipelen de Heilige Geest verwachtten. Aanhoudend verlangen en voortdurend bidden om de komst en wederkomst van Jezus.
Je ziet: Jezus speelt wel degelijk een cruciale rol en Zijn aanwezigheid is essentieel. De vraag is: ziet zo ons leven eruit, vol verwachting? En is dat het grootste stempel dat op onze kerkelijke gemeente, ja op onze kerk gedrukt staat. Als daar wat aan mankeert dan hebben we de opdracht om daar wat van te zeggen en op te scherpen. Maar tot aan die dag "mag ik leven, dicht bij U en mij alvast verlustigen in Uw nabijheid! Wetend dat we straks zullen kennen, zoals we gekend zijn en Hem zullen zien zoals Hij is." Voor de discipelen zal dat een 'weerzien' zijn, maar voor ons, die na hen leven, zal dat een 'zien voor het eerst' zijn. En in beide gevallen zullen we Jezus herkennen! Want… Hij heeft Zich ook, door Zijn Geest, aan ons geopenbaard. We zullen geen Vreemde zien, maar met eerbied een 'Goede Bekende'! En… we zullen beamen dat Hij altijd al bij ons was. Let maar op!

donderdag 13 juli 2017

Wat wil je bereiken met jouw gebed?

"Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen."
Johannes 14 : 14




Het lijkt misschien alsof ik een heel stuk oversla. Maar de voorgaande vier verzen hebben alles met dit 14e vers te maken. Eerst vertelt Jezus hoe sterk die band tussen Hem en Zijn Vader is. Daarna springt Hij over op ons gebed. Hoe hoe moet je bidden? Wat moet je uitgangspunt (doel) zijn?

Jezus en de Vader

Allereerst lezen we in vers 10: "Gelooft gij niet dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken."
Hier vraagt Jezus naar onze visie op Hemzelf. Zien we Hem los van de Vader of zien we in Hem juist de Vader? In dit vers heeft Hij het nog over Zijn woorden. Maar in vers 11 richt Hij Zich op Zijn daden: "Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve."
Mocht je die band dus nog niet zien, zie hem dan in de daden, de werken, die Hij doet. Die staan niet op zichzelf! Hij is geen tovenaar, maar Jezus laat in die daden weer zien Wie en hóe Zijn Vader is!

Jezus en de apostelen

Dat geloof in Hem (en dus ook in de Vader) is wezenlijk belangrijk (vers 12): "Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen en zal meerdere doen dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader"
Grootse beloften: de apostelen zullen wonderen doen in woord en daad. En ook zij zullen geen tovenaars zijn! Al blijken ze in Handelingen meer dan eens zo te worden gezien. Allerminst! Ze laten eveneens iets zien van hun Hemelse Vader! Daar gaat het om. Jezus deed al grootse werken, maar zij zullen 'nog meerdere werken' doen. Bij 'meerdere' moeten we niet denken aan grotere of indrukwekkender werken, maar meer in aantal. En toch ook andere. Lees de Kanttekeningen maar:
Namelijk dan sommige wonderen zijn die Christus in de dagen Zijns vleses gedaan heeft, gelijk daar zijn door oplegging der handen den Heiligen Geest te geven, de kennis der talen, en de wonderbaarlijke bekering der wereld, en andere. Zie ook Mark. 16:17, enz.
En dan snap je ook waarom Jezus die merkwaardige zin erachteraan zegt: "Want Ik ga heen tot Mijn Vader". Hij zal namelijk de Heilige Geest gaan sturen, Die de apostelen in staat zal stellen die werken te kunnen doen. En niet alleen doen, maar ook begrijpen en uitleggen aan de mensen. Wondertekenen staan niet op zichzelf! Pinksterkringen isoleren de gaven van de Geest. Maar nee, ze horen onlosmakelijk verbonden te zijn aan het 'tonen van de Vader'. De mensen moeten God de Vader weer leren kennen. Dat was Jezus' taak op aarde. Hij stond ten diepste niet in het middelpunt (en ook de Heilige Geest zal dat niet staan)! Ook de apostelen mogen niet in het middelpunt staan. Nee… alles wat ze zullen doen, zal gericht moeten zijn op 'het kennen van God de Vader'. De mens was Zijn Schepper, de Vader, vergeten. De verbinding was verbroken. Die connectie moet weer gelegd worden. Want daar zit een breuk, die Jezus met Zijn offer kan herstellen.

Jezus en ons gebed

Dus apostelen en ook de gelovigen van vandaag zijn geen geloofsbinken. Geen sterren op het doek van Gods Koninkrijk! Maar gelovigen – en predikers in het bijzonder – hebben tot taak de Vader weer zichtbaar te maken. Drie elementen zullen dan zichtbaar worden: ellende, verlossing én dankbaarheid.
En luister dan eens goed wat Jezus daarover zegt: "En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde."
Dat ga je dus niet kunnen in eigen kracht. Het gevaar zal op de loer liggen dat je met die wonderen en daden (maar ook die schitterende preken) zelf iets wordt. Allereerst moet je je afhankelijk weten: bidden in Jezus' naam! Vervolgens moet je overtuigd zijn dat Jezus zal geven wat je nodig hebt. Maar… en dat is het cruciale thema in deze verzen: het moet wel één doel hebben. Als jij Jezus bidt om gaven, dan moeten ze ook besteedbaar zijn in Zijn Koninkrijk. Dan moet die ander niet onder de indruk zijn van wat jij kunt. Zelfs – en lees dat goed – moet die ander Jezus niet geweldig gaan vinden! Dat deed Simon de tovenaar in Samaria ook. Hij wilde Petrus geld geven om de Heilige Geest ook te kunnen geven aan mensen. Maar zijn motief was eigen belang.
Nee, De Vader moet daardoor worden verheerlijkt. Elke daad, elk woord, elke preek moet een prachtig schilderij van de Vader zijn. Geen theologisch waterdicht systeem. Geen dogmatisch dichtgetimmerd passende puzzel. Geen 'God op grote afstand van de zondaar' maar 'de Vader dichtbij in al Zijn heerlijkheid'. Nou, ga er maar aanstaan, predikers, ambtsdragers, gelovigen in de wereld van vandaag.
Is wat je zegt van toegevoegde waarde voor de Vader? Hebben we met al ons gebrabbel weer eens prachtig gezegd dat God een ontoegankelijk licht bewoont en daarom totaal onbereikbaar is? Hebben we het Woord uit zijn verband gerukt en toonden we een karikatuur van de Vader? Dan kun je bidden tot je een ons weegt, maar Jezus zal je niet geven waar je om bidt.
Dit geldt overigens ook voor de andere kant, alsof we maar moeten geloven dat Jezus geeft waar wij om vragen. Hij heeft het immers beloofd, dus Hij geeft het ook. Dan moeten we maar pleiten op dat woord en krijgen we wat we hebben willen. Nee, dat is te simplistisch en een grove dwaling.

Kijk er je gebed nog eens op na: bedoel ik de verheerlijking van de Vader? En als ik ageer tegen geldende gedachten over God in mijn gemeente, ben ik dan furieus omdat er een karikatuur van mijn hemelse Vader wordt geschetst? Of probeer in mensen, groepen, te behagen met vrome, zalvende, zwaar klinkende, of juist prettig eigentijdse woorden?
Zoals die ouderling die vlak voor de dienst tegen de predikant zei: "Zeg het ze maar eens goed aan, dominee!" Wat een rare opdracht is dat? Wat wilde die ouderling?
Nee, Jezus maakt de drempel laag: "Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen." Als zei Hij: "Teken Mijn Vader maar in alle kleuren en toonaarden uit voor ze. Vertel ze maar, uit eigen bevinding en door Mijn Geest, hóe Mijn Vader is. Ik zal je wel van alle bagage voorzien, Mijn kind. Toe maar… vertel maar. Want Mijn Vader wordt er door verheerlijkt. Daarom zit Ik hier in de hemel, naast Hem: zodat jij daar beneden dat prachtige werk van Mij mag voortzetten! En als Mijn Vader wordt verheerlijkt, geniet Ik met volle teugen mee. Let er maar op: jij zult ook genieten! En straks, straks mag je Hem zien zoals Hij is! Dan zul je eens zien dat je de helft nog niet hebt gezegd en uitgeschilderd! Wacht maar!

vrijdag 16 juni 2017

Ik zocht naar mijn paard en ik zat erop

"Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.
Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus?
Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?"
Johannes 14 : 8-9

Polemieken moeten er in de kerk zijn; ze houden haar wakker en scherp. De sfeer van lievigheid onder het mom van 'de ander uitnemender achten dan jezelf' dekt die waarheid niet. Dat gaat totaal ergens anders over. Het juiste begrijpen van Gods Woord roept verzet op. Let maar op: wanneer je een gemeentelid (geen goddeloze heiden, maar een vrome heiden dus) vraagt waarom hij of zij nog steeds zegt geen kind van God te zijn, dan komt er een krampachtig verzet met citaten uit Gods Woord of (en dat vaker) uit oudvaders.
De wereld zal vandaag de dag meestal reageren met "mooi dat jij dat gelooft; ik heb er niks aan"; de godsdienstige wereld (even verloren als die andere) reageert: "Ja, maar er staat toch ook" of "Dat gaat zomaar niet" of "Het moet je gegeven worden! Je kunt jezelf toch niet bekeren?" of "Je dwingt me haast te gaan geloven; zo werkt dat niet!". Linksom of rechtsom is de oproep tot geloof in de Heere Jezus Christus machtsverlies voor jezelf. Je blijkt dan niet zondaar in het grote geheel te zijn, maar voor eigen rekening te liggen, buiten God! En dat wil zelfs de extreemste ultra-calvinist niet accepteren; die wil alles dogmatisch en theologisch zo muurvast praten dat God uiteindelijk de schuld krijgt van zijn of haar eigen onbekeerlijkheid.
De vraag is: is Filippus ook zo'n degelijke prater? Ik neem je ook mee naar de Joden die met Jezus in discussie gingen in Johannes 10; want dat heeft er alles mee te maken!

Een prachtige belijdenis

Laten we voor alles vaststellen dat Filippus' belijdenis een geweldig mooie is! Puur en gepassioneerd. Je zou toch wensen dat alle gemeendeleden deze belijdenis voortdurend op de lippen hebben? "Toon ons de Vader en het is ons genoeg!" Want laten we wel zijn, het gaat ten diepste niet om Jezus, maar om Zijn Vader. De Heilige Geest voert naar Christus, maar Christus voert naar de Vader toe. Als er al onderscheid is in de Heilige Drieëenheid, dan is het zo dat de Vader regeert en Zijn eer is aangetast door onze zonde. Het zicht op de Vader zijn we kwijt, evenals Zijn beeld in ons! En daarom is het verlangen dat Christus ons de Vader laat zien een schitterend verlangen.
Dat zit er niet standaard meer in bij onze geboorte. Dat gaat verder dan van je zondenlast af willen komen (om gered te worden); daar zit namelijk ergens diepweg nog wel een soort eigenbelang in. Nee, je wilt dicht bij de Vader zijn, verlangt naar Hem. Zonder Hem kun je niet meer. Nou, wees eerlijk, er zal er geen een ter wereld zijn die zegt: ja, dat heb ik eigenlijk altijd wel gehad; ik heb dat wel van mijzelf.
Zelf weet ik dat dat verlangen er al heel jong was. Maar dat is wel ergens door opgewekt! De HEERE was al heel vroeg in mijn leven aan het werk (zonder dat je dan een gearriveerd christen wordt; alsjeblieft niet!). Gaandeweg mijn leven hebben mensen, die mijn pad kruisten, daar ook een rol in gespeeld. Je merkt dat je een klik krijgt met mensen die dit verlangen ook kennen. Andere contacten verwateren door de tijd heen, omdat die óf materialistisch gericht waren, óf geesteloos godsdienstig, óf te oppervlakkig (het is wel prima zo… we geloven en onze zonden zijn vergeven… klaar!). Alleen de vriendschappen die wederzijds voedden en opscherpen blijven bestaan. En al die vriendschappen werden op de een of andere manier gekenmerkt door dat verlangen naar de Vader. Het dieper kennen van Hem, Die ons heeft voortgebracht. Maar … niemand heeft ooit God gezien! Hoe zit dat dan?

Een scherp verwijt

Van dat niveau was Filippus. Ik denk dat het een goede vriend van ons zou zijn geweest. Filippus stelt tenminste die vraag, die een uiting is van zijn verlangen. Je gaat toch niet zitten wachten tot je eens verlangend gemaakt wordt? Je bent verlangend of je bent het niet. Ik zie jonge mensen in onze gemeente die uit een heel rechts kerkverband komen, maar die dat verlangen wel kennen; en dat verbindt direct. Je hebt er ook die zeggen: "Ik zou meer van dat verlangen moeten hebben; dus wat ik nu heb is nog niks" of "Had ik maar meer verlangen; ik bid er wel om, maar het komt niet". Dat is een stuk triester en een uitzichtloze soort van denken! Maakt die belijdenis van Filippus niets in je wakker?
Maar de wiskunde van Filippus bevalt Jezus niet. Hij krijgt een scherp verwijt. Filippus vraagt om de Vader te zien, maar Jezus lijkt een raar antwoord te geven: "Nu ben ik al zó lang bij jullie (met alle wonderen en preken van dien) en ken je Me nu nóg niet?!
Blijkbaar zit er dus een directe link tussen Jezus en de Vader. En blijkbaar had Filippus (en de overige discipelen met hem) dat kunnen weten! En blijkbaar is die link ook zó belangrijk, dat Jezus er juist hier zoveel nadruk op legt. Dit is een essentieel facet van het geloof; hier staat of valt enorm veel mee. Hier heb je een dubbel houvast (denk aan de eerdere bijbelstudie over het begin van dit hoofdstuk) en een superbelangrijke dwarsverbinding in het geloof.
Waaruit had Filippus dat kunnen weten? Lees Johannes 10 : 22-39, waar die kerntekst staat "Ik en de Vader zijn één!" Jezus had gesproken over Zijn kudde. Hij sprak die tekst uit die in 1990 mijn belijdenistekst werd: "Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij."
Daar had Jezus een haarfijne scheiding aangebracht tussen Zijn kudde en de vijandige Joden. Eerst door te zeggen dat Zijn schapen de stem van een huurling (doelend op de Joodse leidslieden) niet herkennen en dus ook geen affiniteit met hem hebben. Maar daarna wordt die scheiding nog scherper: "Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb." Welke dominee zou zo preken? Goeiemorgen! Moet je eens luisteren hoe Hij daar preekt! Onze kerk zou toch leeglopen? Nou, Jezus preekt dus wel zo, want Hij kent de harten van de mensen voor Hem; dat is wel een verschil, maar toch… Vandaar ook dat scherpe verwijt, die laatst tik op de wang om ze wakker te schudden.

Een duidelijke constatering

Jezus keert terug naar het sommetje van Filippus. "Toen heb ik je al gezegd dat Ik en de Vader één zijn. Dus als je Mij hebt gezien, heb je ook de Vader gezien; ken je Mij, dan ken je als vanzelf Mijn Vader. Twee druppels water! En de Heilige Geest zal dat straks intensief gaan onderstrepen!" Als vanzelf komt de vraag boven: kun jij het meemaken, wat Jezus hier zegt? Of: wat zou jij van de Vader willen zien, dat je nog niet hebt gezien? Kijk dan eerst eens naar Jezus, of je het misschien niet al lang hebt gezien, maar niet hebt waargenomen.
Jezus zegt ergens anders dat niemand tot de Vader komt dan alleen door Hem! Wil je de Vader kennen, liefhebben en bewonderen, dan heb je écht Jezus nodig. Jezus in de hemel, maar evengoed Zijn aanwezigheid hier op aarde dankzij de Heilige Geest. Zie je de band tussen Woord en Geest? Zie je die twee Gereedschappen van God, waarmee Hij iets moois van je wil maken? Waarmee Hij Zijn beeld weer wil herstellen in jou! Wat vraag je dan nog langer "Toon mij de Vader", als je alles te zien krijgt door Jezus, Gods Zoon? Je hebt alles, met eerbied, binnen handbereik.
Er is een flauwe spreuk die als volgt luidt: "Ik zocht naar mijn paard en ik zat erop!" Nou, zo dus!

Mag je die vraag dan niet meer stellen "Toon ons de Vader"? Nou, in een iets andere toonzetting. Zo: laat me in U blijven groeien, bloeien. Laat me meer van U zien, o Vader. Verbind me meer en meer aan U en verlevendig ons geloof in U. Maak me steeds rijkhalzender naar Uw toekomst en laat me hier op aarde tot aan die tijd zoutend zout en lichtend licht zijn. Weerbaar, polemisch, wakker en waakzaam! Altijd een goed woord van U spreken, enthousiast over Wie U bent en laat me geen enkel vuil woord dulden over U; ook geen vrome karikaturen in de kerk! Want dat is vijandig aan U, Die ons bevattings- en beminningsvermogen te boven gaat! Abba, mijn lieve Vader!

woensdag 14 juni 2017

Als je had opgelet, had je het geweten

Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben;
en van nu kent gij Hem en hebt Hem gezien.
Johannes 14 : 7

Wil je God de Vader zien? Let dan goed op Zijn Zoon!


Eigenlijk wilde ik aan de lijn 'hemelvaart' vasthouden, maar ik ga toch ook nadenken over de tussenliggende teksten die enorm diep zijn. Juist dit vers en de komenden roepen zoveel op!

Wat zijn er een hoop paradoxale dingen in Jezus' uitspraken. Kijk naar de tekst van vandaag. Eerst stelt Hij, zo lijkt het, er iets mankeert aan hun 'kennen van de Vader' (omdat zij Hem blijkbaar niet of niet voldoend kennen). Maar in het tweede deel van de zin is als bij toverslag alles anders. Wat bedoelt Jezus? En hoe zit dat in elkaar?

Als je had opgelet, had je het geweten?

Is dat wat Jezus zegt in het eerste deel van dit vers? Zo klinkt het wel. Laten we een paar dingen op een rij zetten, die we in ieder geval kunnen herleiden uit deze woorden:
  • Jezus benadrukt de band tussen Hem en Zijn Vader;
  • De Vader laat Zich niet zo gemakkelijk kennen (zien en merken);
  • Daarom is het wezenlijk belangrijk dat we Jezus kennen;
  • Het kennen van Jezus impliceert het kennen van de Vader.
Blijft nog wel haken die woordspeling "indien gijlieden Mij gekend hadt…" Dat suggereert dat ze dat dus niet doen. Ik merk dat de Kanttekeningen er ook niet veel meer van maken dan wat bekende waarheden. Vreemd.

Uitleg zoeken

Dan ga je zoeken naar anderen die uitleg kunnen geven en dit vond ik; let op de link die wordt gelegd met de uitstorting van de Heilige Geest!
"Het volgende vers verklaart dat de discipelen niet wisten waar Jezus heen ging en ook wisten ze de weg er naar toe niet.
Toen sprak Jezus de bekende woorden: Ik ben de weg en de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij
In vers 7 voegde Jezus daar nog aan toe: Indien je Mij kende, zou je ook de Vader gekend hebben…. de discipelen “kenden” Jezus nog niet echt omdat ze de Heilige Geest nog niet hadden ontvangen.
Want als ze Jezus zouden kennen, zouden ze ook de Vader kennen…. Jezus bevestigde dat in vers 11: Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is.
Jezus had zich zelf nog niet aan de discipelen geopenbaard, dat zou pas een tijdje later plaats vinden:
Vers 16 en 17: Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der Waarheid……..
…. de wereld kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.
Vers 18: Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.
Vers 19: Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven.
Vers 20: Te dien dage zult gij weten, dat Ik in de Vader ben en gij in Mij en Ik in u.
Vervolgens staat dan in vers 21: en wie Mij lief heeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
Hier staat het dan: bij het ontvangen van de Trooster zou Jezus zichzelf aan de discipelen openbaren en pas dan zouden ze Hem “kennen”….
Vers 23: …Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.

En hier staat dan het woord “wonen”: Wij, Jezus en God zullen in hem woning gaan maken, door het ontvangen van de Trooster, de Heilige Geest.
Dat is ook wat bedoeld wordt met de zinsnede “tot Mij nemen” of “tot u komen”: Jezus die in de discipelen woning gaat maken, door het ontvangen van de heilige geest.
Dan zouden ze echt het echte “leven” ontvangen, Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed (Joh 10:10), het “in Christus” zijn zoals Paulus dat uitdrukte.
Dit wordt nog een keer bevestigd in vers 28: Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd hebt, Ik ga heen en kom tot u…. en daarbij verwijst Jezus naar vers 3.

Dit verhaal gaat over Jezus die de discipelen op de hoogte bracht van de Trooster, de Heilige Geest, die in hun harten woning zou gaan maken bij de uitstorting van de Heilige Geest in Handelingen 2.
En het geldt ook voor ons vandaag, wanneer wij Jezus aannemen als onze redder, zal Jezus woning maken in ons hart en zal de Heilige Geest/Jezus in ons komen wonen en zijn wij verzekerd van een eeuwig “leven”, nu hier op aarde en later in de hemel.
Het is dus niet zo dat we bij ons sterven deze woning pas in bezit gaan nemen, nee, het is de heilige geest die woning in ons maakt wanneer we Jezus aannemen en we worden “ingeschreven” in het boek des levens. Dus geen toekomstig gebeuren, maar Jezus, die nu al in ons woont, tenminste als we ons hart ervoor open stellen.
En dit komt weer prachtig overeen met Openbaring 21:3, “Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volken zijn, en God zal zelf bij hen wonen."

Conclusie


Het is geen verwijt, maar een constatering en een belofte. Wat ga je de dingen opeens anders bezien als de Heilige Geest in je woont! Je gaat verbanden zien, Gods vaderhand ontdekken en Gods plan – soms maar fragmentarisch – herkennen. Wat was het nodig dat Jezus wegging naar de hemel, zodat die Trooster, de Heilige Geest zou komen!
Jezus zal het later zeggen: Die zal het uit het Mijne nemen en U verkondigen… En: Die zal Mij verheerlijken. Als dat laatste gebeurt weet je zeker dat de Heilige Geest aan het werk is, vertelde Prof. dr. H. van den Belt afgelopen zondag in een preek. Als dat gebeurt moet je er bij zijn! Dan valt er wat te horen en te zien: Jezus zien is de Vader zien! Met dat kennen komt het dus wel goed, als de Heilige Geest is uitgestort. Jezus kan daarom in het vers van vandaag gerust constateren: "van nu kent gij Hem en hebt Hem gezien." Alsof het al gebeurd is! Zo zeker is dat!