Posts tonen met het label engelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label engelen. Alle posts tonen

dinsdag 10 juli 2018

Met gestrekt been erin?


Hoofdstuk 17
Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren,
gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.
Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd?
En zij hebben gedood degenen,
die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen,
van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.
Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen,
en hebt ze niet gehouden!
Handelingen 7 : 51-53
Het was verrassend dat de preek van afgelopen zondag over Stefanus ging; hij werd getekend als iemand ei duidelijk iets weg had van Jezus in Zijn koninklijke, profetische en priesterlijke ambt. Stefanus preekte profetisch, met een geestdrift en een kracht; hij sprak koninklijk over de HEERE en bad priesterlijk voor zijn vijanden. Naast de aanleiding tot deze geschiedenis (Handelingen 6) werd ook ook de afloop in hoofdstuk 7 gelezen en dus bepreekt. Ik kom daar later nog op terug, maar we richten ons in deze serie vooral op de preek zelf.
De toepassing van toen
Ik was al een paar dagen aan het nadenken over deze laatste verzen van de preek, waardoor het me zondag nog weer extra opviel hoe agressief Stefanus zijn preek eindigde in een snoeiharde toepassing.
Ik wil er allereerst met een gewone blik naar kijken. Een 21e eeuwse mensenblik wel te verstaan. Als je in gesprek gaat met mensen die je aanvallen op je standpunt, hoe doe je dat dan? Als zij het hardgrondig met jou oneens zijn, sla je ze dan om de oren met verwijten? Als mensen op een achterbakse manier proberen de boel te verzieken kan ik zeker fors uitvaren en zal een verwijt niet zomaar schuwen. Als er bewust of blind wordt aangestuurd op problemen, terwijl je al een paar keer geroepen hebt dat het proces niet goed gaat, zal zullen er uit mijn mond weinig vergoelijkende woorden wandelen. Misschien vind je dat fout en wil jij juist wel die vergoelijkende toon aanslaan of met zachte woorden bewust geslagen wonden helen, maar dat is niet mijn manier. Wat fout is moet niet goed worden genoemd; daar leer niemand van!
Anders wordt het als je mensen probeert te bewegen tot het geloof. Wanneer je in gesprek bent met buitenkerkelijken, heidenen of andersgelovigen, en je vertelt hoe goed het is om de HEERE te kennen en te dienen, maar je eindigt met “maar jij wil dat maar niet geloven; jou zegt dat allemaal niks! Jij recht je rug en laat God lekker roepen!”, dan weet bijna 100% zeker dat die persoon afhaakt.
En dit lijkt Stefanus hier toch te doen. Is het gek dat ze hem doodgooien met stenen? Wees nou eerlijk…

Wat gebeurt hier?
De vraag is of dát hier gebeurt na de preek van Stefanus. Daarom twee vragen:
  1. kwam de escalatie door de laatste regels van zijn preek of is de bom gebarsten nadat gaandeweg de gehele preek de spanning werd opgebouwd?
  2. Evangeliseert Stefanus hier of doet hij iets anders? En wat zegt ons dat vandaag?
Al meerdere keren heb ik opgemerkt dat Stefanus heel veel tussen de regels door zegt. Dingen die aan onze opmerking wellicht gemakkelijk ontschieten, maar die de theologen die hem aanhoren direct snappen, verbanden die zij perfect snappen. Dus we kunnen gerust stellen dat de aversie zich opbouwde gaandeweg zijn preek. Maar eerlijk is eerlijk, het fors brandende lont dat Stefanus aan het einde van zijn preek in dit gistende kruitvat stak kon niet anders dan een hevige ontploffing veroorzaken.
De tweede vraag is: evangeliseerde Stefanus hier. Waarom ik die vraag stel is omdat het nogal uitmaakt wat de context van zijn preek is. De escalatie die volgt doet ons de vraag stellen: had dit voorkomen kunnen worden of had de schade meer beperkt kunnen blijven? Waren deze bepaald niet zoetgevooisde woorden met tederheid of met toorn gekozen? Wanneer we stellen dat hij op een confrontatie wilde afstevenen, bewust (!), dan komt zijn voorbede in vers 60 erg dubieus over.
Allereerst kunnen we snel vaststellen dat Stefanus niet uit was op evangelisatie. Hij wilde zijn toehoorders niet bereiken met het evangelie, zoals onwetenden en ongelovigen moeten worden benaderd. Er zijn teveel predikanten die allerlei platgetreden paden bewandelen; dat is uiterst vermoeiend en doelloos. Maar je hebt ook predikanten die verschillende bekende dingen in herinnering roepen om je ermee aan het denken te zetten. Dat is niet vermoeiend maar juist heel gezond.
Als een predikant in zijn gemeente heel veel twijfel en voorwaardelijkheid hoort, zal hij bekende dingen in herinnering roepen die vanuit Gods Woord laten zien dat God welmenend uit is op ons behoud. Dat zijn bekende teksten, maar omdat ze zijn weggezakt – door dwaalleer of omdat ze bewust in het duister worden gehouden omdat bepaalde Simon de Tovenaars in de gemeente hun gewaardeerde positie in gevaar zien komen – moeten ze worden herhaald en in herinnering worden geroepen. Zo ontstaat een helder beeld van Wie en hoe de HEERE nu is.
Dit laatste is van toepassing op de preek van Stefanus. Hij heeft nergens iets nieuws verkondigt. Hij heeft een les oude volksgeschiedenis gegeven. En die les was voor de chauvinistische joden prima te volgen. Alleen de rankschikking en de accenten waren misschien nieuw of op zijn minst spannend en verrassend. Ze zaten als het ware op het puntje van hun stoel!
Dus… Stefanus gaat op een juridische manier te werk en verdedigt zich als beklaagde tegenover zijn aanklagers. Beter gezegd: hij verdedigt God en is daarmee een profetische pleiter. Hoewel hij het plaatje natuurlijk wel opeens dieprood inkleurt!
Maar… voor ze het goed en wel door hebben zitten de aanklagers in de beklaagdenbank. En dat is typisch het werk van een advocaat. Daarom mag Stefanus ook zíjn beschuldigingen uiten. Hij is er niet op uit dat ze het Evangelie gaan geloven door overtuiging, maar dat ze voor Christus zullen vallen Die ze zelf hebben veroordeeld. En… ze hebben er nooit spijt over betuigt. Het wordt dus hoog tijd. Of… ze blijven zich verharden.

Hoe luidt de beschuldiging?
Laten we eens op een rijtje zetten wat Stefanus hier naar voren brengt:
  1. jullie werken de Heiligen Geest altijd weer tegen;
  2. jullie zijn verraders en moordenaars van de Rechtvaardige geworden;
  3. jullie hebben wel de wet ontvangen, van de engelen (of van de leiders), maar jullie hebben je er niet aan gehouden.
Kort samengevat worden de toehoorders beschuldigd van ‘sabotage’, van ‘moord met voorbedachte rade’ en van ‘bewuste wetsovertreding op alle fronten’.
Nee, inderdaad dit klinkt niet als een zendingspreek of evangelisatieboodschap! Dit is klinkklare juridische taal. Maar was Stefanus daarvoor opgeleid? In zekere zin wel, ja. Want lees Handelingen 6 : 10, waar staat: “En zij (die aanklagers die nu in de beklaagdenbank zitten) konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij (Stefanus de beklaagde) sprak.”

Waarom een rechtszaak?
En mocht je nu denken: ja maar Stefanus gaat er nu een rechtszaak van maken; daar is toch de prediking niet voor bedoeld?! Mag ik je dan toch even wijzen op het vervolg van dat hoofdstuk? Ze kregen geen voet tussen de deur bij Stefanus, waarna zij zelf juridische stappen ondernamen die resulteerden in deze spoedvergadering van het Sanhedrin! En – net zoals bij Jezus – wanneer ze geen steekhoudende bezwaren kunnen inbrengen, dan kiezen zij voor de leugen: “Toen maakten (kozen) zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God. En zij beroerden het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor den raad; en stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.”

De rollen worden omgedraaid
Het zijn de belagers van Stefanus die een juridische weg zijn ingeslagen. In elke zichzelf respecterende rechtsstaat mag de beklaagde zich met goede en ware feiten verdedigen. Maar… wanneer de waarheid dit vereist, mogen ook aan het licht gekomen feiten worden ingebracht die de zaak in een ander daglicht stellen en wellicht ten nadele van de aanklagers gaan fungeren. Mits dit maar te maken heeft met de aanklacht tegen de beklaagde. En was dat het geval in deze kwestie? Ja. Zij beklaagden Stefanus ervan dat hij de wet van Mozes terzijde schoof. Dat hij grove dingen had gezegd over de heilige tempel van God en daarmee dus blasfemie had gepleegd.
Wanneer nu blijkt dat juist zijn belagers van die feiten zijn te beschuldigen, dan is het Stefanus’ plicht om de rechter daarop te wijzen. Want ook hij mocht blasfemie niet ongestraft laten. Dan zou hij inderdaad de wet niet serieus nemen.
Stefanus neemt – na de vraag van de hogepriester of het allemaal klopt – een flinke aanloop en lijkt er aan het einde van zijn ‘preek’ met gestrekt been in te gaan. Hij veegt zijn eigen straatje niet schoon en beweert niet “ik heb niks gedaan” of “dat heb ik helemaal niet gezegd”. Hij laat alles staan zo het stond, maar hij neemt zijn aanklagers mee naar de context van zijn woorden. Die context was hun eigen hardnekkigheid, hun onbekeerlijkheid en zelfhandhaving, alsmede hun denigrerende manier van godsdienst bedrijven: anderen naar beneden trappen om zichzelf op een voetstuk te zetten.
De wet op punten aanpassen, zodat je er zelf goed mee wegkomt. Maar daar is Stefanus niet van. God nog veel minder! Als jij je vroomheid wil aanwenden als prestige, dan moet je Gods wet naar je eigen hand gaan omvormen. Want Gods wet laat geen ruimte voor snoeverijen en protserigheid. Chauvinisme waar Joden en Hollanders zo goed in zijn, is God een gruwel. Hij kiest een volk uit maar niet opdat het zichzelf op de borst zou gaan kloppen en zeggen: “Maar wij zijn het volk van God!” of “Maar wij zijn gelukkig nog zuiver in de leer!”

Hoe luidt de verdediging?
Terug naar de rechtszaal. Als de rollen zijn omgekeerd verwacht je nu een verdediging van de beklaagde aanklagers. Maar zij doen dat anders. Zijn kiezen de fysieke verdediging. En dat wordt Stefanus fataal. Maar daarmee geven ze ook de waarheid van Stefanus’ beschuldiging aan. Dit deed Stefanus niet. Hij koos voor het gesprek, het betoog in woorden. Hij heeft eigenlijk altijd de regie in handen gehouden.
We moeten overigen hierbij opmerken dat Stefanus nergens zichzelf heeft vrijgepleit. Hij name het enkel op voor de zaak van Christus. En dat is wel een dingetje tegenwoordig. Wij nemen het nogal gemakkelijk op voor onszelf. Maar zo is Stafanus niet. En zo werkt de Geest ook niet. Zelfs als er geschillen in de kerk ontstaan hebben we de zaak van Christus te zoeken. Voor Hem en voor Zijn Woord moet het worden opgenomen. En eigen identiteitshang of richtingenstrijd moet nergens om de hoek komen kijken.
Daarom vond ik de scheiding in 2004 (bij de vorming van de PKN) volgens die regel gaan en kon ik mij met eer en geweten voegen bij hen die niet konden meegaan met het eigengemaakte bouwwerk dat ontstond. Echter stond ik afwijzend tegenover voorgangers en gemeenten te midden van deze achterblijvers die hun gelijk bij de wereldlijk rechter gingen halen, waar het de legitimiteit van zichzelf en de illegaliteit van de PKN betrof. Hier kwam het eigen gelijk om de hoek kijken. Evenzeer keurde ik het af dat PKN-gemeenten hun broeders en zusters die niet mee konden probeerden met de rechter achter zich het kerkelijk leven onmogelijk te maken door opeens met een groep randkerkelijken en geboorteleden een nieuwe gemeente op te richten. Of waar het overgrote deel van een gemeente niet mee ging, men opeens een nieuwe gemeente begon, terwijl een groot deel van hen reeds was geperforeerd naar een buurgemeente, wegens liggingsproblemen. Strijd tussen broeders en zusters is meer dan eens gemengd met eigen belang.
Terwijl de aanklagers tegen Stefanus – mogelijk naar aanleiding van een ‘stichtelijk woord’ dat hij ergens sprak – aanvankelijk een discussie begonnen over woorden tegen de ‘wet’ en tegen de ‘tempel’, zette Stefanus in zijn verdediging direct in met het Verbond van God, Zijn trouw aan Zijn volk, Zijn barmhartigheid en de ondankbaarheid en wreveligheid die dat volk Hem daarvoor terug gaf. Dát moet je tegen de borst stuiten. Niet dat mensen regeltjes niet opvolgen, maar dat mensen Gods welmenend aanbod buiten de deur willen houden met vroom klinkende woorden.
Stefanus sloeg met een enorme knuppel in het voze godsdienstige hoenderhok van zijn belagers. Een stofwolk vertelde dat het inderdaad voos en leeg was. Er zat geen leven in, maar het was dode orthodoxie. Wanneer hij ze daarin klem heeft, stort hun wereld, die ze zo zorgvuldig hadden opgebouwd, in. Dat hebben ze gaandeweg de preek voelen aankomen, maar dit werd de nekslag voor hun godsdienst! En daarom reageren ze door hun oren dicht te stoppen! Ze worden uitzinnig van deze waarheid! Dit kost hun hun gezicht.

De toepassing voor nu
Het is fascinerend om in deze rechtszaal toeschouwer te zijn. Het is een zinderende wedstrijd tussen twee strijdende partijen. Fascinerend om te zien hoe Stefanus – en achter hem de Heilige Geest, de paracleet – de rollen omkeert. Aangrijpend om te zien hoe de aanklagers, in de beklaagdenbank gedrukt, opstaan en een moord begaan op een rechtvaardige. Het is zelfs angstaanjagend, als in een horrorfilm, hoe deze godsdienstige vromen regelrechte duivels worden omdat hun ego is geknakt.
Stefanus is – en ook dat is fascinerend – niet uit het veld geslagen. Hij is zelfs in staat om te bidden voor zijn moordenaars. Hij zegt er overigens niet bij dat ‘zij niet weten wat ze doen’, zoals Jezus bad. Hij roept slechts priesterlijk om vergeving!
Maar als we zo ons vergapen aan deze geschiedenis, lopen we het risico buiten spel te blijven. Expres neem ik iets meer ruimte om op deze teksten in te gaan. Kan ik, kun jij, zomaar onbewogen blijven onder deze beschuldigingen? Ga ik wel met al deze zaken zuiver om? Ik herhaal nog even de aanklachten:
  1. jullie werken de Heiligen Geest altijd weer tegen;
  2. jullie zijn verraders en moordenaars van de Rechtvaardige geworden;
  3. jullie hebben wel de wet ontvangen, van de engelen (of van de leiders), maar jullie hebben je er niet aan gehouden.
Zou het kunnen zijn dat ik de Heilige Geest tegenwerk? Bedroef? Uitblus? Dat doe ik, wanneer ik Gods welmenend aanbod zowel als Zijn corrigerende woorden naast me neerleg. Want als ik Hem niet serieus neem, blijf ik buiten spel, maar ook buiten Zijn helende en inspirerende inwoning!
Ben ik een verrader van de Jezus, de Rechtvaardige? Een moordenaar? Het is allereerst zo dat je gaat zien dat niet alleen de Joden toen, maar ook ik nu met mijn zonden Hem aan het kruis heb gehecht. En elke zondag van vandaag en morgen zet daar nog eens een streep onder. Ook al liet Hij zich gewillig offeren, het had niet nodige geweest, als ik niet gezondigd had! En als ik Hem vandaag of morgen vergeet, waardeer ik Zijn offer en gave niet op de juiste wijze. Dat is zonde! Misschien vind je ‘verrader’ en ‘moordenaar’ heftige woorden. Maar… welke woorden zou jij er dan voor kiezen? Kies je niet heel snel woorden die jezelf ietsje positiever in deze afschilderen? En doe je dan niet precies hetzelfde als die overpriesters?
Dat brengt me bij het derde: wel de wet ontvangen, maar je er niet aan houden. “Ja, maar een mens kan de wet niet houden”, of “we zijn allemaal zondaars”, of “maar Jezus is toch voor de zonden gestorven?” Er zijn psalmdichters die zingen over ‘hoe lief heb ik Uw wet’. Soms snap ik ze niet… wat is hun intentie? Die wet veroordeelt mij toch? Ja, dat is waar. Maar waar komt die wet vandaan? Wie gaf mij die wet? Is het God de Vader Zelf niet die naar mij toekwam met Zijn Woord en wet? Niet om er mij daarmee in totale radeloosheid te storten, maar om te zien hoe nodig ik Zijn Zoon dagelijks heb?! In die wet en in Zijn Woord, waarin die wet staat opgetekend, spreekt Hij met mij! De wet is niet een dood ding dat op zichzelf staat, maar komt tot leven door de Geest: “…want de letter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 3:6b). Paulus zet daar een paar dingen in scherp perspectief tot elkaar. Hij zegt: de wet die verdoemt had al een enorme heerlijkheid in zich; kijk maar naar Mozes die een enorme glans op zijn gezicht had gekregen toen hij die wet in ontvangst nam (vers 7). Moet je eens nagaan hoe groot de heerlijkheid zal zijn die de Heilige Geest met Zich meebrengt (vers 8-9) als Hij mensen rechtvaardigt!
Misschien zijn we dat evenwicht in de kerk van 2018 een beetje kwijt. Helt de een naar de wet en helt de ander naar het evangelie. Maar beiden hellen langs Gods gulden middenweg en missen de essentie van Gods bedoeling! De spanning is eruit, de zeggingskracht is weggeëbt en het christelijk geloof verwordt tot een futloze manier van leven in plaats van een zaak van leven en dood.
Engelen gaven ons als het ware het volledige Woord dat in balans is. Maar bezien we het nog zoals het bedoeld was? Of zijn we een product geworden van het denken van onze tijd? En zitten we ten diepste helemaal niet meer zo ver van die overpriesters af; misschien aan de andere kant van het spectrum maar toch? Tot zover de toepassing op Stefanus’ preek.

dinsdag 1 december 2015

We willen graag zowel zaaien als maaien

The potato harvest, 1882, Thomas James Lloyd (1849-1910),
watercolour heightened with white and scratching out, 62.5 x 123.5 cm


"En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven;
opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.
Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.
Johannes 4 : 36-37


Heb jij dat ook, dat je graag snel vrucht wilt zien op wat je zaait? Ik snap het wel en herken het ook. Immers, we gaan met zielen van jongeren en ouderen om; vandaag kan de laatste dag zijn. En we moeten arbeiden, alsof vandaag de laatste dag van ons/hun leven is, dus met een zekere gedrevenheid. Maar… soms zet de HEERE je stil bij het feit dat Hij bekeert, Hij verbreekt, Hij terechtbrengt. Wij kunnen geen hart verbreken en geen ziel behouden. Maar tegelijk moet het ons niet om het even zijn wat het Woord in iemands leven doet. Dat is een gezond spanningsveld, dat je in tact moet laten. Dat houdt afhankelijk van de HEERE.

Loon op maaien

Vooraf geef ik even de vertaling van de NBV weer: "De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren. Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait." In deze lezing komt iets duidelijker naar voren dat de maaier een unieke plek inneemt. Dat ontneemt naar mijn mening ook een verkeerde kijk op deze tekst, als of mensen zijn die maaien en mensen die zaaien. De Maaier is God; Hij mag het loon in ontvangst nemen: aan Hem de eer. Maar de mens mag in afhankelijkheid zaaien.
Het wondelijke – dat iets beter uit de verf komt in deze vertaling – is dat de Maaier Zijn timing perfect afstemt. Hij maait op het moment dat Hij samen met de zaaiers feest kan vieren. "Komt in gij gezegende Mijns Vaders"  … "Ga in in de vreugde uw Heeren".
Er zijn een paar gelijkenissen die duidelijk maken dat het maaien nog wordt uitgesteld. Bijvoorbeeld die gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe (Matth. 13). Daar ontdekken de knechten dat er onkruid tussen de tarwe opgroeid. Als de Landman dan antwoordt dat een vijandig mens dat heeft gedaan (satan), antwoorden ze: "Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?" Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt. Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur."
Wie zijn die maaiers? Dat legt Jezus uit in het 39e vers: "De maaiers zijn de engelen". Zo werken de engelen en de mensen samen, tot eer en glorie van de HEERE. Jezus voegt er even verderop nog een gelijkenis aan toe, die van het visnet:
"Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg. Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden; en zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden. En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!"
Toch is het maaien in onze dagtekst een iets genuanceerder beeld. Laat dat maaien op de Jongste Dag maar gewoon staan. Evenwel mag er ook in dit leven sprake zijn van een soort maaien. Eigenlijk is het meer 'vrucht zien komen', waar je gezaaid hebt. Jezus spreek ook over de oogst, en over het feit dat de discipelen worden uitgestuurd in een oogst waar zij zelf niets aan hebben gezaaid; we komen daar in de komende bijbelstudies nog op terug. Bij dat beeld moeten we vasthouden dat we met dat maaien (of vrucht zien) niet zelf iets worden. Het is met eerbied teamwork tussen de hemel en de aarde.

Loon op zaaien

Als Israël op weg is naar het Beloofde Land, dan drukt Mozes hen op het hart in Deut. 6:10-12:
"Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt, en huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt; zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.

Waar je al in de tijd van mag genieten, daar heb je soms niet alléén aan gewerkt. Dat hebben anderen voor jou gedaan. Eens deed een goede vriendin van mijn vrouw belijdenis en de predikant beroemde zich erop dat zij tot geloof wat gekomen onder zijn arbeid. Echter daar was het nodige aan voorafgegaan waaraan ook mijn vrouw, jaren voordat deze predikant in beeld kwam, had mogen meewerken. Toen zij daarover met deze predikant sprak, werd hij kribbig. Hij wilde het graag op zijn eigen conto schrijven en als vrucht van zijn werk zien. Dat was jammer en zeer kortzichtig. Je kunt je niet beroemen op jouw inspanningen. Als onze kinderen van ganser harte in de HEERE gaan geloven, dan is dat niet alleen ons werk. Wij hebben daar als ouders ons deel aan mogen doen, maar ik kan er een paar handenvol opnoemen die eveneens een rol hebben gespeeld. Dat houd je klein.
Niettemin mag je je verheugen als je vrucht ziet in kinderen, vrienden, buren, passanten in dit leven. Grote vreugde zelfs. Die vreugde mag je ervaren als loon; let er maar op dat dat dan altijd tot meerdere glorie van de HEERE in jouw eigen leven zal leiden. Je kunt er nooit jezelf voor op de borst slaan. De grote, ontembare vreugde op het zaaien én het maaien wacht nog!

Nog één opmerking bij deze woorden. Je zou zo graag vrucht zien die kan worden gemaaid, bij kinderen en vrienden die verstokt onbekeerd blijven. Je zou het eigenlijk wel heel graag willen afdwingen. Juist in het licht van de Jongste Dag? Je voelt namelijk dat er haast geboden is. En ik denk dat dat toch geen verkeerd gevoelen is. Laat iemand die dit leest en er heel andere ideeën over heeft maar reageren. Vooralsnog blijf ik onrustig als mijn kinderen niet duidelijk tot geloof zijn gekomen en gemeenteleden links en rechts even koud en kil doorleven in afwachting van of de HEERE nog eens wat wil gaan doen. Ik kan het niet zomaar naast me neerleggen helaas.
Als Luther bidt: "Als ik niet in Uw boek sta geschreven, schrijf me er dan nog vandaag in, HEERE", zou ik dan kunnen rusten over de onbekeerlijkheid van reisgenoten naar de eeuwigheid?
Ik geef toe dat ik dat gevoel niet bij alle mensen heb; maar sommigen blijven me op mijn hart gebonden… Opdat de HEERE ook van hen het loon zal ontvangen als Hij laat maaien!

zaterdag 10 januari 2015

Oog in oog met de engelen op de Jongste Dag

"De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen […] Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;
Mattheüs 13 : 41 en 49

Hopelijk heb jij wel eens nagedacht over de Jongste Dag. De Dag dat Jezus terugkomt op de wolken van de hemel. Is dat een angstaanjagend idee? Of is dat – met de NGB – een dag die je met een groot verlangen tegemoet ziet? Christus in ieder geval wel en met Hem al Zijn kinderen.
In de serie over engelen, wil ik daar tenslotte ook nog iets over doorgeven. Bij Christus' wederkomst denken we vooral aan het oordeel: hoe zal de scheiding vallen. En dat is een belangrijke gedachte, omdat het voor jouw en mijn ziel daarom draait! Maar het is ook goed om ons beeld van die dag wat verder in te kleuren.

Ook de engelen zullen daarbij zijn. Ze zullen een actieve rol spelen. Lees maar in de tekst van vandaag. Jezus zal Zijn engelen uitzenden om het onkruid (lees deze tekst in de context van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe!) weg te halen. Wij denken toch vaak dat Gods kinderen worden weggehaald uit deze boze wereld en thuisgehaald. In zekere zin is dat wel zo, maar hier staat het precies andersom beschreven! En het zijn nota bene Jezus' Eigen woorden.

We lezen twee dingen over de engelen: 'ze worden uitgezonden' en 'ze zullen uitgaan'. Dat is in het kort 'bevel' en 'gehoorzamen'. Zoals de engelen werden uitgezonden om Sodom en Gomorra (en Adama, Zeboïm en eigenlijk ook Zoar) te vernietigen, zo worden de engelen uitgezonden om de door de zonde aangetaste aarde te vernietigen; hoewel in beide gevallen God uiteindelijk het oordeel uitvoert. Zoals de engelen Loth en zijn gezin bij de hand namen en scheiding maakten tussen hen en die goddeloze steden, zo zullen ze op de Jongste Dag Gods kinderen apart zetten van deze verziekte wereld. Ze worden beschermd, tijdens de grote verwoesting, waarbij de elementen brandend zullen vergaan. Deze toorn, dit oordeel, kennen de engelen reeds, uit de tijd dat satan afviel van God. Daar ontstond de hel, die nooit geschapen is.
Wat de engelen namelijk ook doen is al de goddelozen op eeuwige afstand brengen van God. De tijd dat God nog in genade en lankmoedigheid op aarde werkzaam was, is over. Voor hen is God er nooit meer dan alleen in Zijn toorn… en dat is de hel. De helse omstandigheden zullen nog eens extra verzwaard worden (we lezen dat ook in dit hoofdstuk), door de wroeging die mensen zullen hebben: had ik maar, had ik maar!

In de gelijkenis van het onkruid hoor je de dienstknechten (de predikers en profeten; eigenlijk alle wervers van Gods Koninkrijk) zeggen: "Zullen we dat onkruid maar snel uittrekken?" Dan reageert die heer die dat goede zaad had gezaaid radicaal: "Nee, laat ze maar samen opgroeien. Want anders zou je er een tarweplantje uittrekken, misschien." Dat scheiding maken is geen taak van mensen. Zelfs niet van dominees. Dat is voorbehouden aan de engelen. Die zijn daarop getraind, zoals een elitekorps van het leger enkel wordt ingezet bij speciale operaties (denk aan Parijs, gisteren).
Laten we dus onthouden dat aan ons dat schiften en scheiding maken niet toekomt. Engelen zijn zo puur, en op God gericht, dat zij daartoe in staat worden gesteld. Dat zien we ook in de gelijkenis van het visnet, waarbij we de engelen als vissers op de oever, bezig zien het net te legen en de goede van de kwade vissen te sorteren (vers 49).
De mens is immers een weinig minder dan de engelen gemaakt, zo zagen we al eerder in deze serie. Niettemin staat er ook in de Bijbel dat de mensen, Gods kinderen, als koningen zullen heersen: "En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde" (Opb. 5:10).

Wanneer zal dat moment zijn? Wanneer zullen we oog in oog staan met de HEERE én met Zijn engelen? Wanneer zullen zij de scheiding bewerkstelligen tussen ons hier op aarde? Jezus zegt daarover dit: "Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen" (Mattheüs 24:36).
De engelen zijn dus niet zover ingewijd dat ze meer weten dan wij mensen. Ze zijn, al kan ik dat niet letterlijk zo terugvinden in de Schrift, zelfs niet nieuwsgierig naar dat moment op zich. Hun verlangen is niet een nieuwsgierig verlangen, maar een heilige weetgierigheid. Het gaat hen niet om zoveel mogelijk nieuwtjes te vergaren, zoals sommige mensen dat op een hinderlijke manier soms doen, om anderen te overbluffen met hun zogenaamde kennis. Nee, hun interesse in de Jongste Dag heeft eenzelfde insteek, als hun interesse in en aanbidding van Gods lankmoedigheid, om die Dag nog wat op te rekken, vanwege een zondaar die nog bekeerd moet worden.

Als Zacharias de woorden van Gabriël niet kan geloven, is de aartsengel tamelijk furieus: "Ik ben Gabriël, die voor God sta!" Dat betekent natuurlijk dat hij daarom betrouwbaar is. Maar deze opmerking van Gabriël is geen dooddoener van alle discussie. Hij geeft met deze woorden ook aan dat hij zó dicht bij God staat, Hem zóveel beter kent dan Zacharias, dat diens ongeloof van Gods wondermacht een krenking is van Gabriëls toewijding aan Deze Zelfde God! Snap je wat ik bedoel? Het is een lange zin. Ik bedoel dit. Gabriël weet veel beter dan ik en jij hóe God is. Hij kent Hem in Zijn genade, barmhartigheid, liefde én rechtvaardigheid. Hoe belachelijk klinken onze mensenwoorden dan, als wij proberen te formuleren dat een of ander wonder onmogelijk is bij God. Nou, dan ken je God nog niet! 

Tot slot. Het is waar dat God weer aan Zijn eer komt, wanneer mensen het beeld van Hem weer gaan vertonen. Dat neemt niet weg dat de HEERE evenzeer vereerd wordt in Zijn engelen. Zij zijn zó toegewijd, zo heilig en rein. Ze zijn zó puur gericht op Hem, zou de HEERE dat niet heerlijk vinden? Welnu, zie in deze engelen onze lichtende voorbeelden. Zo had God de mens bedoeld. Zo mogen de engelen Zijn kinderen bijstaan, beschermen en tot voorbeeld zijn. Zij zullen op de Jongste Dag de schapen van de bokken scheiden, maar… hen komt het oordeel niet toe. Dat kan alleen God Zelf, Gode zij dank! Zie jij al uit naar die grote en doorluchte dag?

donderdag 8 januari 2015

Engelen op school in de kerk

"Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods"
Efeze 3 : 10

Aandachtig luisterende engel


Een van die merkwaardige teksten in de Bijbel die iets specifieks zeggen over de engelen, is wel deze tekst uit Efeze 3. Daar is, laat ik het simpel zeggen, tijdens elke kerkdienst iets bijzonders aan de hand (al doe ik daarmee iets tekort aan de tekst, maar daarover later). Je zou zeggen: de engelen in de hemel zullen toch wel zo'n beetje alles weten over de HEERE? Zij leven, zo zagen we gisteren in het fragment van de preek van ds. Viervant, het dichts van alle schepselen bij God? Maar nu lezen we vandaag dat zij het moeten hebben van de Gemeente! Die vertelt hen juist iets over de veelvuldige wijsheid van God. Had jij dat gedacht?
Hoe zit dat dan? Moeten wij met engelen gaan praten? Luisteren zij naar de preken, zoals wij in de kerk zitten, en zie je ze als het waren schuin voor je in de kerkbank zitten en knikken, verrast overeind schieten en gebaren: "Ah! Zo zit dat dus!" Ja en nee. 

Het verlossingswerk, dat God de Vader en God de Zoon in de Raad des Vredes hebben uitgedacht, is voor ons mensen tamelijk verborgen. Wij zien er wel het een en ander van. We merken er iets van als mensen tot geloof komen. We weten, 2000 jaar later, veel over Christus' werk en motieven. Maar er leven nog tal van vragen en duisterheden. We moeten het doen met wat is geopenbaard. Maar… tóen Jezus rondwandelden, was niets daarvan nog geboekstaafd. Het is niet zo verwonderlijk dat de discipelen vol met vragen zaten. Jezus' woorden waren bij tijden zo mysterieus, dat ze het verband erin niet zagen. En toch was het terecht dat Jezus hen bestraffend toesprak: "O, onverstandigen en dwazen van hart, dat jullie nou toch de profeten zó slecht kennen!"
Wat nu de discipelen stukje bij beetje moesten leren – en met name Johannes refereert daar af en toe aan als hij zegt, zij verstonden nog niet dit of dat – dat moesten ook de engelen nog leren. Wel anders. Zij leggen veel sneller en beter verbanden, maar hoe God te werk zou gaan vanaf Jezus' komst in Bethlehem, ze wisten het niet. Elke stap die Jezus op aarde zette, was voor hen als het afrollen van een schitterend doek, waarop een tafereel staat geschilderd. Dag na dag werd helderder hóe wijs God was. 
En datzelfde geldt ook voor Gods werk vandaag de dag. De engelen volgen het nauwlettend hoe er over de HEERE in jouw gemeente wordt gesproken. Of er mensen tot geloof komen en hoe ze dan van Hem gaan getuigen. Hoe ze met elkaar delen wat God in hen heeft gedaan! Uit de bekering van elk mens, blijkt de wijsheid Gods, waarover de engelen zich verheugen en waarin zij zich verlustigen!

Tot slot nog een citaat van ds. Viervant over dit aspect:
"Vervolgens, hoe vermeerderde [zich] het inzicht van de engelen in onze verzoening en zaligmaking, toen Gods eniggeboren Zoon, de weergave van Zijn heerlijkheid, tot verheerlijking van de Naam van de Vader, aan het kruis de geest gaf, na het doorstaan van zoveel smart en smaad. Toen Jezus, als de overwinnaar van de dood, verrees uit het graf. Toen Hij ten hemel opvoer [en] als de Hogepriester van het Nieuwe Verbond voor de troon van de grote Koning naderde.
Maar de stem van de Goddelijke Majesteit klonk door de hemelse tempel: “Zit Gij, o Priester, in eeuwigheid! Zit aan Mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden zal hebben gezet tot een voetbank voor uw voeten!”

Twijfel er geen ogenblik aan, mijn vrienden, dat er bij deze verhoging van Jezus aan de rechterhand van Zijn Vader en de verandering van de toestand van de aardse en hemelse dingen daardoor bewerkstelligd, een glansrijker licht van kennis en vreugde is opgegaan in de hemel over de verzoening en zaligheid, [zowel aangaande] het gepasseerde als het toekomende, de vervulling en de verwachting.
Jazeker, Jezus Christus, de Gekruisigde, is als de wijsheid en kracht van God, de hoop van de heerlijkheid, in het hemelse Jeruzalem door de duizenden engelen en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen, met lofzangen verheerlijkt, [nog] voordat Hij als zodanig op aarde naar behoren erkend werd en aan de mensen bekend gemaakt werd door de prediking van de apostelen van de Heiland.
En die prediking van de apostelen was nu juist [bedoeld] om mensen, Joden en heidenen, te verlichten in de kennis van de verborgen zaken, die sinds alle eeuwen al verborgen geweest zijn in God.
Maar tevens, zoals Paulus ons leert (Efeze 3 : 10), opdat nu door de gemeente bekend wordt gemaakt aan de overheden en machten in de hemel, de veelvoudige wijsheid van God. [Wat een] merkwaardige getuigenis van de apostel! Op die manier worden de engelen nader verlicht, ook door de bediening van het evangelie onder de volken. Maar dan zal hun begeerte, om in de dingen van de verlossing in te zien, ook steeds meer worden verzadigd, naarmate de tijd van het Nieuwe Verbond verstrijkt.

Trouwens, volgens de hiervoor beschreven bewijsgronden, merk ik ten derde op dat het verlossingswerk door alle eeuwen heen, ja eeuwig, het verstand van de engelen op de [meest] aangename manier, bezighoudt.
Het ontwerp van onze verlossing is en blijft een [zeer] grote verborgenheid, zowel voor engelen als [voor] mensen. Het is zó vol van Gods heerlijkheid, dat, hoe verstandig de engelen ook zijn, zij nooit helemaal aan het einde zullen komen van hun naspeuring van de talrijke wijsheid.
Bovendien was het in de tijd toen Petrus schreef – en [zelfs] heden ten dage – nog niet af. Men heeft veel gezien van de heerlijkheid van de Middelaar, vanaf de tijd van de apostelen tot nu [toe]. Via wat voor wonderlijke wegen is Gods Kerk overal geplant? [En] in de verdrukking bewaard [gebleven]. Tegen de verleidingen beschermd. En uit [een] diep verval [weer] heerlijk opgetrokken. [En] nog [steeds] rijdt de Middelaar in Zijn heerlijkheid, op het Woord van de waarheid. Nog [steeds] behaalt Hij Zijn overwinningen.
En hoeveel moet er nog gebeuren om alles wat ons door de profeten en apostelen is verkondigd, tot stand te brengen. Het verborgen lichaam van het verheerlijkte Hoofd wacht nog lijden, maar ook heerlijkheid. Er zal een tijd van verzoeking komen over de hele wereld. Maar men zal ook ongeloof en bijgeloof zien vallen voor Immanuël. Geheel Israël [zal] tot Hem bekeerd [worden]. [En] de volheid van de heidenen [zal] ingaan. Wat een heerlijke dingen over de Stad van God!
"

woensdag 7 januari 2015

De drive van de engelen

"Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen."
1 Korinthe 4 : 9

Christenvervolgingen worden in de tijd van de eerste christenen gekenmerkt door arena-spelen, waarin zij tegen de wilde dieren moesten vechten. Paulus gebruikt dit negatieve beeld, om er iets positiefs mee te laten zien. Weliswaar worden christenen zo als schouwspel gebruikt, waarover de kwade mensen en de kwade engelen zich verkneukelen. Maar de goede mensen en de goede engelen (lees de kanttekeningen), hebben niet alleen medelijden, maar ze zijn getuige. Ze zijn betrokken op het lijden van Gods kinderen; het raakt hen. 
Daaruit zien zij ook, wat in de hemel nooit plaatsvindt: dat het geloof in God Drieënig wordt aangevochten en bekocht met de dood. Maar… kostbaar is in Gods oog de dood van Zijn kinderen. Zo ook zijn de engelen op hen betrokken. En daaruit leren ze hoe kostbaar christenen op aarde het geloof in God vinden. Hoe kostbaar God voor hen is. Zullen de engelen dicht schouwspel niet vol spanning volgen? Ze zullen er stof tot aanbidding uit putten… ja ze zullen Gods kinderen aanmoedigen en… met hen de HEERE grootmaken; In de grootste smarten, blijven onze harten in den HEERE gerust!

Dat beeld van engelen als toeschouwers wilde ik gebruiken om er nog iets over te zeggen, met de woorden van ds. Viervant. Want wat is de drive, de beweegreden, voor de engelen, om meer van de HEERE en Zijn zaligmakend werk in Zijn kinderen te weten? Wat houdt hen daarin actief betrokken en betrokken toeschouwers?
"Om meer te begrijpen van de wetenschap van deze hemelse geesten, aangaande onze zaligheid door Jezus Christus, die van tijd tot tijd wordt uitgebreid door de verzadiging van hun verlangen, wil ik een en ander opmerken over hun volmaakte kennis van God, [van] Zijn volmaaktheden en werken.
Indien de engelen volkomen gelukkig zijn, dan weten ze alles volmaakt. Wat [weten ze dan]? Alles wat ze kunnen waarnemen en [alles] wat God hen openbaart. Maar waaruit bestaat hun volkomen kennis?

1. Ze bezitten het vermogen om alles dusdanig te kunnen doordenken en onderzoeken als nodig is om aan het doel van de goddelijke openbaring en hun bestemming te beantwoorden. En zodoende [dus] voluit gelukkig te zijn. Er is niet de minste verduistering in hun verstand en geen belemmering om alles tot dat heerlijke doel te kunnen weten.

2. Hun kennis is volmaakt ten opzichte van de dingen zelf, die zich aan hun volmaakt verstand aandienen. [Want] zij hebben altijd al die dingen geweten en daarvan zóveel geweten als nodig was voor hen te weten, om ten volle te kunnen voldoen aan het doel van hun schepping en bevestiging of aan de bijzondere roeping van de Allerhoogste tot welke dienst of welk werk ook in Zijn wereld.

3. Deze volmaaktheid van verstand en kennis is begrensd binnen de kring van een eindige natuur. [Want] ze hebben geen verstand dat alles weet, alles begrijpt en alles in alle volmaaktheid direct kent en alles in één keer overziet. Nee, want dan zouden ze oneindig van verstand, alwetend en ongeschapen eeuwig moeten zijn. Er kan daarom, hoe volmaakt in kennis ze ook zijn, nog veel onbekend zijn voor hen. [Er kan] over veel dingen voor hen nog meer te weten zijn [dan ze reeds weten]. En omdat in hun verstand een opeenvolging van denkbeelden plaatsvindt, zo sluit de overdenking en het onderzoek van het ene, de betrachting van het andere op datzelfde ogenblik uit.

Dus de engelen kennen God in Zijn oneindig Wezen en volmaaktheid. [Want] ze kennen dat onbegrijpelijk Opperwezen volmaakt. Dat wil zeggen, zij kennen Hem, de in alles oneindig Volmaakte, zoveel als nodig is om Hem ieder ogenblik van hun bestaan te dienen met blijdschap en zich in Hem te verheugen, tot volledige verzadiging. Maar ze kunnen de -Almachtige niet volmaakt begrijpen. Er blijft veel over om eeuwig te -overpeinzen. En de volmaaktheden van God geven telkens weer verse stof tot nieuwe verwondering en genieting.


En nu iets over hun kennis van Gods werken. Ze kennen die volmaakt. Dat wil zeggen, zoveel als daarvan nodig is tot [hun] doel en geluk. Maar ze hebben Gods werk nooit ten volle doordacht. En terwijl ze bezig zijn met de overdenking van een of ander goddelijk werk, is er al weer een andere almachtige daad van God, die op een volgend tijdstip hun aandacht en verwondering vraagt. Zo kunnen ze nog steeds inzien in dat wat God heeft gedaan."
Wat ze weten, maakt hen volmaakt gelukkig; maar wat ze meer zullen gaan weten en inzien, zal hen nóg gelukkiger maken. Zo is er een beweging van toegewijdheid en aanbidding gaande die als een perpetuum mobile blijft voortgaan tot in eeuwigheid. De eeuwigheid is niet iets statisch, iets dat altijd hetzelfde is, maar een voorgaande gelukzaligheid. Woorden schieten te kort. Maar dat is best wel eens goed, om aan woorden tekort te schieten. Dan krijg je in ieder geval een indruk, hoe oneindig hoger God is… en hoe nietig wij zijn.
Maar denk nu niet dat dat alleen voor de engelen in de hemel geldt, of voor de situatie in de hemel. Hoe bevlekt het leven op aarde ook is, vanwege de zonde, dit wordt hier reeds in beginsel gesmaakt. Iets daarvan proef je toch tijdens een preek, tijdens het Avondmaal, of tijdens het zingen van een Psalm? Of heb je dat nooit? Ja toch? Wandelend hier op aarde, en tegelijk een wandel in de hemelen hebben… je komt ogen en oren te kort waar het de diepte en rijkdom in God gaat!

maandag 5 januari 2015

Engelen begeren steeds meer te weten van God

"…de zaligheid der zielen. […]  in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien."
1 Petrus 1 : 9b en 12b

De engelen begeren? Zijn ze dan niet volmaakt? En wat begeren ze? "In te zien". Niet uit nieuwsgierigheid, maar vanwege iets anders. Kijk maar eens in de Kanttekeningen:
"Namelijk vanwege de verwondering en het vermaak, dat zij hebben in het erkennen van Gods veelvoudige wijsheid, die Hij gebruikt in het werk onzer verlossing en in de uitdeling Zijner genade over de gemeente, gelijk Paulus verklaart Ef. 3:10; en de apostel schijnt hier te zien op het voorbeeld van de ark des verbonds, waarover twee cherubijnen met uitgestrekte vleugels en gebogen hoofden naar den genadestoel of het verzoendeksel gedurig zagen. Zie Exod. 25:20; Hebr. 9:5."
We zien ze daar staan, roerloos, goudovertrokken in de serene stilte van het Heilige der Heilige. Enerzijds zou je kunnen zeggen dat de gouden engelenfiguren geboren staan uit eerbied, maar Petrus buigt dat beeld om naar een andere inhoud: ze kijken heel concreet en geconcentreerd ergens naar; ergens in. Ze turen in een geheim, dat de bron is voor meer en nieuwe vreugde: de zaligmaking van mensen. Ze hebben, zo zagen we in de Kanttekeningen, een vermaak in en een verwondering over Gods onpeilbare en ondoorgrondelijke wijsheid. Nu, als God ondoorgrondelijk is voor Zijn schepselen, omdat Hij God is, dan is er voor Zijn schepselen altijd weer iets nieuws om te weten. De engelen gaan ons daarin voor.

Maar zijn ze dan ongelukkig? Het kan ons mensen soms ongelukkig maken dat we dingen niet doorzien, niet kennen, niet begrijpen. Is dat bij engelen ook zo? Welnee. Ze zijn volmaakt gelukkig en ze hebben echt wel genoeg genoegen in God om diep gelukkig te zijn. Maar in elk mensenleven werkt de HEERE weer anders; en die diversiteit in Zijn werk, levert een fontein aan vermaak en verlustiging op voor de engelen. Eigenlijk zou ik een punt moeten zetten. Want hier moeten we even stil bij staan: kennen wij dat ook? Engelen verlustigen zich in God, vanwege wat God aan mensen – niet aan engelen – doet! Het gaat over jouw en mijn zaligheid! Beseffen we dat wel? Zijn wij daarover ook zo verrukt? Levert de dagelijkse omgang met de HEERE ons ook zo'n vermaak op?

Toch ga ik nog even verder, om dat duidelijker neer te zetten, met woorden die ds. Viervant eenmaal gebruikte.

Over deze engelen wil ik nu [nog] niets zeggen, dan alleen dat zij zeer voortreffelijke wezens zijn, redelijke geesten:
  • uitnemend in wijsheid, boven de mensen: ze kennen God, in Wiens nabijheid ze verkeren, in grotere volmaaktheid;
  • volmaakt in heiligheid: ze zijn in hun stand bevestigd [na de val van satan]; ze kunnen niets anders dan God gehoorzamen en [zich] in alles met Zijn heilige wil verenigen;
  • zeer gelukzalig [zodat] ze de volkomen zaligheid genieten: omdat ze God kennen in volmaaktheid; en [ze] dienen [Hem] zonder gebrek, zodat er ook niets ontbreekt aan hun geluk. Ze scheppen genoegen in de Allerhoogste en verblijden zich [in Hem]. God geeft Zich aan hen om te genieten, zoals een schepsel van Hem kan genieten.
Met één woord: deze zuivere geesten komen, zover wij weten, van alle schepselen, het dichtst bij de Schepper [en] ze zijn Hem het meest gelijkvormig. En wie van de schepselen is gelukkiger dat zij?
Het woord ‘in te zien’ heeft hier de nadruk. Het betekent eigenlijk ‘zich naar beneden buigen om [iets] van dichtbij te bekijken’ (Lukas 24 : 12). En [het] wordt gebruikt om een nauwkeuriger wetenschap en overdenking van een [bepaalde] zaak – die men door aandacht, overdenking en onderzoek krijgt – aan te geven (Johannes 20 : 5 en 11; Jacobus 1 : 25).
Naar zo’n kennis van de dingen van onze zaligheid zijn de engelen begerig. Het is hun lust en vermaak om die dingen steeds meer op te ­merken en na te pluizen; om in de wetenschap daarvan te groeien.

Wel, leg er je leven en begeerten eens naast. Lijkt dat een beetje op dat van de engelen?

Ik sluit voor vandaag af met een laatste stukje citaat uit Viervants preek, om daar morgen op door te gaan, want hier neemt hij je mee naar dingen, waar je niet 1-2-3 zo bij stilstaat: Hoe kunnen ze toenemen in kennis (en daarvóór kenden ze dat dus nog niet), terwijl ze tóch volmaakt gelukkig zijn?
Deze begeerte van de engelen, om in het werk van de verlossing in te zien, zal voor velen van u enigszins moeilijk te begrijpen zijn. Niet ­iedereen zal direct begrijpen, hoe dat een toenemende kennis van de ­goddelijke dingen de volmaakte kennis en het volkomen geluk van de ­engelen niet uitsluit. En nog veel minder [is te begrijpen hoe die toe­nemende kennis] hun gelukzaligheid volmaakt en op welke manier en met welke middelen hun begeerte voluit wordt verzadigd.

zaterdag 3 januari 2015

Engelen zijn ook maar… schepselen

"Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou."
Hebreeën 2 : 9

De schepping van de engelen

De meester in de zesde klas vertelde eens over de engelen. Ik vermoed dat niemand van ons daar nog ooit over na had gedacht. Maar hij probeerde ons aan het denken te zetten: "Engelen zijn ook maar…" Hij wachtte af; al moet ik zeggen dat hij niet erg geduldig was, want hij verwachtte eigenlijk direct het juiste antwoord. Ik was direct geraakt door dit onderwerp – toen al – en ik dacht met mijn beetje bijbelkennis het antwoord wel te weten. Ik stak snel mijn vinger op. Hij knikte naar me: "Engelen zijn ook maar…" "… zondaren, meester", antwoordde ik, er vrijwel zeker van dat het antwoord goed was. "Nee! Natuurlijk niet; engelen zijn geen zondaren!" Hmm, dat nodigde niet erg uit om nog een keer je vinger op te steken. Maar wat was het goede antwoord? "… schepselen".
En dat klopt. Ze zijn geschapen. Het blijft altijd nog een raadsel wanneer ze dan geschapen zijn. De meesten houden het erbij dat ze op de eerste scheppingsdag zijn geschapen. Maar in ieder geval is zeker dát ze geschapen zijnk; dat blijkt wel uit de Schift. Waar? Laten we eens een paar teksten op een rijtje zetten:
Psalm 148 : 2-5 "Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen! Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt! Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen."

Kolossenzen 1 : 16 "Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen"
Job 38 : 4-7 "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
Job 2 : 1 "Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen."
Job 4 : 18 "Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft."
En het feit dát ze geschapen zijn, impliceert dat ze dus nooit aanbeden mogen worden. Ze staan onder God. Hoewel… Zong de psalmdichter van Psalm 8 nog over de mens, die een weinig minder gemaakt (geschapen) is dan de engelen, de Hebreeënbriefschrijver neemt die Psalm hier in vers 7 over en doet daar in onze tekst nog een schepje bovenop. Hij stelt in onze tekst dat Jezus een weinig minder dan de engelen geworden is. Daarmee verlaagde God Zich onder Zijn Eigen schepselen. Wat een diepte!

Nog even terug naar die laatste, geciteerde tekst: Job 4 :18. Lees eens wat de kanttekenaren daarbij aantekenen: 
Vertrouwen: "Dat is, Hij zou niet steunen op de kloekheid en de gaven, die in hen geschapen zijn, wanneer zij afgezonderd waren van de gedurige zorg en bewaring, waardoor Hij hen in hun staat onderhoudt. Gelijke manier van spreken is onder, Job 15:15."
Klaarheid: "Waardoor verstaan wordt de volmaaktheid der gaven en deugden, die God in de heilige engelen heeft geschapen. Want hoewel zij uitnemend zijn, zo zijn zij nochtans niet te vergelijken met de volmaaktheid des Scheppers, omdat zij zonder deze gedurige genade en kracht in zichzelven veranderlijk zijn. In welken zin Elifaz ook onder, Job 15:15, zegt dat de hemelen in de ogen des Heeren niet zuiver zijn; namelijk met zijn oneindige volmaaktheid vergeleken zijnde. Anders, en zijnen engelen zou Hij dwaasheid opleggen; dat is, Hij zou hen voor dwaas houden indien zij zich rechtvaardiger zouden houden dan God; gelijk Elifaz meende dat Job van zichzelven gezegd had. Of Hij zou hun dwaasheid kunnen toeschrijven, wanneer Hij van hen oordeelde naar hun natuur buiten zijn gave, waardoor Hij hen geduriglijk in hun staat onderhoudt; anders bevindt Hij dat zij wel tot zottigheid en onzinnigheid zouden kunnen vervallen; of, Hij zou hun dwaasheid kunnen toeschrijven in vergelijking van zijn oneindige wijsheid en majesteit."
Natuurlijk had ik geen gelijk met mijn antwoord: "Engelen zijn ook maar zondaren". Maar het 'schepsel-zijn' houdt dus toch een zekere beperktheid in. Niet dat ze zondig zijn, niet dat ze ontevreden zijn en zeker niet dat ze verderfelijk zijn. Nee, ze worden door God in hun staat gehouden. En juist daarin blijkt dat ze het van God moeten hebben. Maar let op: dat geldt voor ons mensen niet minder. En de engelen beseffen dat zó goed, dat zij God ongebreideld eer en majesteit toezingen. En ik? En jij? Immers, jij en ik zijn ook maar… schepselen?

Dit moest ik je eerst vertellen, voordat ik ga laten zien dat de engelen ook beperkt zijn qua kennis. Zij zijn niet alwetend, maar leren nog dagelijk. Daarover de volgende keer en dan zal ik weer wat citeren van ds. Viervant uit zijn preek over 'de begeerte der engelen' uit 1 Petrus 1 : 12.

vrijdag 2 januari 2015

Ten dienste van Gods kinderen

"En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs."
"Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?"
Hebreeën 1 : 7 en 14

Hoe ziet een engel eruit? Hier en daar in de Bijbel vinden we wel beschrijvingen, maar alles heel summier. Er zijn engelen die vleugels hebben. Er zijn er die zelfs zes vleugels hebben. Sommigen echter zien eruit als een man, een gewoon mens. Abraham bijvoorbeeld kreeg hoog bezoek van de HEERE en twee engelen. Alle drie zagen eruit als gewone mensen; maar gaandeweg kreeg Abraham door dat het de HEERE was. Opmerkelijk is dat Abraham niet als dood op de grond viel, toen hij God gezien had. Abraham communiceerde op een gewone menselijke wijze met deze drie; en vice versa!
En later zien de twee engelen Sodom binnenwandelen. Ze werden door de mannen van Sodom opgemerkt. Lot – en daar wil ik naartoe – werd tweemaal door deze engelen gegrepen tot zijn eigen behoud én dat van zijn gezin. Toen de engelen binnen waren, dromden de vieze sodomieten rond zijn huis om deze mannen sexueel te misbruiken. Lot wilde nog – hoe walgelijk – in onderhandeling gaan door ze zijn dochters (!) in hun plaats aan te bieden. Wat een vader! Was de actie van deze dochters, later in de bergen, dan zo heel verbazingwekkend? Er blijkt totaal geen liefde uit.



Maar waar het mij om gaat is dit: "Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden." (Genesis 19 : 10-11). Ze redden Lot – en daarmee ook zijn dochters – van het verderfelijk geweld der sodomieten. Deze engelen waren gedienstige geesten, uitgezonden om wille van degenen die de zaligheid beërven zullen. Dat laatste is ook op Lot van toepassing, hoe ook zijn levensstijl is af te keuren. Later lezen we dat Lot daar zijn ziel kwelde. Tegelijk waren ze ook uitgezonden tot verderf van deze goddeloze sodomieten.
Er zit nog iets opmerkelijks in deze geschiedenis waar ik later op terug zal komen: dat de engelen niet weten wie van Lots familie zich allemaal in Sodom bevinden. Zij zijn dus niet alwetend; maar daarover een volgende keer.
Het volgende moment waarop we de engelen in actie zien komen is toen Lot uit Sodom wegvluchtte. "Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt." (vers 16-17).

Engelen zijn, zo zegt de dagtekst, geesten. Eigenlijk niet waarneembaar met het blote oog: 'pneuma' staat er in de grondtekst. Niet gevangen in een lichaam van stoffelijke materie. Niettemin begrensd binnen hun eigen wezen. In vers 7 lezen we dat God ze maakte. Bij dat vers tekenen de kanttekenaren aan: "maakt geesten: Dat is, als geesten of winden om Hem snel te gehoorzamen" en "een vlam des vuurs: Dat is, gelijk een vlam des vuurs, om als een vuur en bliksem Zijn bevelen krachtig uit te voeren". Ze zijn zó snel van begrip en zó voortvarend in hun activiteit en toewijding voor God! Dat moet voor Gods kinderen toch wel een veilig gevoel geven?

En dan die gister geciteerde tekst uit Psalm 91: "Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot" (vers 11 en 12). Wat een zorg, bemoeienis en bescherming biedt God door deze hemelboden. Zelfs de engelen die naar Sodom worden gezonden als verderfengelen volvoeren tegelijk Gods zorgbevel over Lot en zijn gezin. Niet dat wij beschermengelen hebben, zoals de roomse kerk dat leert. Maar wel dat zij dienstbaar en defensief worden opgesteld. 
En satan weet maar al te goed dat hij het moet afleggen tegen deze hemelse heirlegers. Heirleger: heir = massa of grote hoeveelheid; leger = afdeling soldaten, bewapend tot de strijd. Jezus noemt ze legioenen. Psalm 68 bezingt ze als 'Gods wagens, Gods ruiterij, die tweemaal tienduizend zijn, de duizenden verdubbeld'.
Heb je er ooit weleens over nagedacht hoeveel macht God hier op aarde fysiek heeft? Wel eens goed om je te realiseren dat satans 'terrein' eigenlijk overal al is geïnfiltreerd met deze hem vijandige hemelwachters. En ze zijn er tot zijn verderf, maar… ook omwille van Gods kinderen én hun zaligheid. Zo'n zorg heeft Hij voor hen. Daar wordt je stil van, niet?

woensdag 31 december 2014

In dienst van Koning Jezus

"Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem."
Mattheüs 4 : 11

De satan weggestuurd; de engelen staan klaar om Jezus te dienen.
"Spring naar beneden en U zult door de engelen zachtjes naar de grond worden gedragen", falsificeert satan de tekst uit Psalm 91, waar staat: "Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot."
Jezus' antwoord is doeltreffend en terechtwijzend. Zou Hij Zijn Vader verzoeken? Nooit. Is het dan niet waar, wat daar staat? Zeker. En het zal in onze dagtekst waarheid worden! De engelen worden door God uitgezonden om Zijn kinderen – en dus zeker Zijn Eigen Zoon – te dienen en te beschermen. Er staat namelijk "van u bevelen, dat zij u bewaren…", dat betekent "ten dienste van u opdracht geven u bij te staan…".

Een opmerkelijk woordje in onze tekst is 'toegekomen'. Het plaatje hierboven toont, op een menselijke wijze evenwel, dat de engelen er reeds staan, als de satan wordt weggestuurd. Het woordje 'toegekomen' doet dat inderdaad vermoeden. Het woord betekent "dichterbij komen" of "naderen tot iemand of iets". Dat betekent: je staat er al en je doet een of meer stappen naar voren.
En weer zie ik daarmee de hemel de adem inhouden. De engelen volgen met opperste concentratie wat Jezus doet, spreekt en terechtwijst richting satan. Satan… hij was ooit een van hen. Daar staan ze in de nabijheid van hun eeuwige tegenstander. Kwam hij in de geschiedenis van Job tot voor de troon van God om Job verdacht te maken, hier komt de Zoon van God in 'zijn' territorium om satan te ontmaskeren. Het is inderdaad satan, die aanklager is in het rechtsgeding tegen Gods kinderen. Maar hier treed er Eén in het territorium van satan, Die hem aan ons toont in zijn valsheid.

Die engelen waren er al sinds Genesis 3; immers de weg naar de boom des levens moest worden afgesloten. Maar hier komt de Tweede Adam, om de weg naar de Boom des Levens te openen. Daarmee zal Hij óf satan óf de engelen tegen Zich hebben.
Nauwgezet volgen de engelen verzoeking na verzoeking. En uit alles blijkt dat Jezus hier op aarde de volmaakte Tweede Adam is. Ze zijn niet enkel in de hemel de gedienstige geesten van God, maar ze zijn het ook hier op aarde. Want zie maar: ze treden toe en dienen de Heere Jezus.
En niet maar voor één momentje… ze zijn er voortdurend ten dienste van Hem. Het was niet zo'n raar antwoord dat Jezus aan Pilatus gaf: "Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?" (Matth. 26:53). Jezus had maar te wenken en ze zouden toesnellen. Maar zo was Zijn eeuwige afspraak met de Vader niet. En Gode zij dank, zo wilde Jezus het ook niet. Stel je voor!

Die engelen zijn er ook in de Hof van Gethsémané: "En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte" (Lukas 22:43). Wat een bijzondere diepten zitten er in die tekst. Later zou Christus de gemirrede wijn niet drinken, maar Hij laat Zich hier wel versterken door deze engel, die de laatste lijn met Zijn Vader uitbeeldt. Daarom lees je in het volgende vers dat Hij "des te ernstiger bad". De strijd nam toe, maar de kracht die de engel kwam brengen, sterkt Hem in deze strijd.
Dan is het niet zo verwonderlijk dat er op die Eerste Paasmorgen weer een engel aanwezig is, gedienstig tot Jezus' dienst bereid. Deze engel wentelt de steen af; niet omdat Jezus er niet toe in staat zou zijn geweest, maar om Hem daarin ook ten dienste te zijn. Het woordje 'dienen' in onze tekst is 'diako'neo', waarin je ons woord 'diaken' hoort.

Opmerkelijk contrast vormt onze tekst met die uitdaging van satan, even daarvoor: "Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden" (vers 9). Daarin vraagt satan of Jezus voor hem wil neerknielen. Om satan definitief in het ongelijk te stellen, knielen nu hier die engelen (en hoeveel zullen het er wel niet geweest zijn?) voor Jezus neer. Zij mogen de goedkeuring van de Vader onderstrepen, die Hij in de geschiedenis hiervoor uitsprak: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" En als de HEERE een welbehagen heeft in Zijn Zoon, hoeveel te meer deze engelen. Wat een dienst nemen zij hier op zich! Nee, laat ik het beter zeggen: wat een heerlijkheid om deze Koning te dienen… voor Zijn troon… en hier beneden!
Dat mogen wij wel van deze engelen leren en ons leven er naast leggen. Hoe gedienstig zijn wij voor Koning Jezus?

De engelen zijn er echter niet alleen voor Jezus, maar ook voor de Zijnen. De komende keer gaan we – naar aanleiding van Hebreeën 1:14 – zien hoe deze gedienstige geesten er ten dienste van Gods kinderen zijn: "Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?"

dinsdag 30 december 2014

Het effect van de kerstpreek

"En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd."
Lukas 2 : 15

De inhoud van wat de engelen zingen sla ik over; daar zegt ds. Viervant zulke diepe en brede dingen over, die je eigenlijk zo zou moeten lezen. Wellicht zet ik nog een keer de hele preek in deze blogs (die heb ik in 2006 reeds hertaald). Waar het me vandaag om gaat is dit: wat gebeurt er, als de engelen teruggaan naar de hemel? Het woordje teruggaan suggereert overigens dat zij dus inderdaad beneden, op de aarde waren. En die gedachte uit de preek van ds. Viervant – die ik daarnet in de Bijbelstudie van gisteren heb toegevoegd – wordt daarmee ondersteund. Herhaaldelijk bepaalt deze predikant ons erbij dat engelen zo zeer betrokken zijn op het gebeuren op aarde; en specifiek in de harten van mensen. In wat God doet aan mensen, putten zij stof om Hem nog groter te maken.
Maar nu onze tekst: "…als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel…". Je bent geneigd om dan nu dus naar de herders te gaan kijken. Maar wacht even… let nog eens op de engelen! Wat zullen ze nu doen? Zullen ze zeggen: "Zo, we hebben de boodschap gebracht; onze taak is keurig uitgevoerd en de herders moeten maar zien wat ze ermee doen?" Nee, zeker niet. Dat zou tot oneer van God zijn. Ooit preekte een dominee bij ons en die zijn (doop)preek afsloot met ongeveer deze woorden: "Wat ik moest zeggen heb ik gezegd." Een andere predikant zei eens tegen me: "We hebben slechts te zaaien en God moet de wasdom geven." Maar zou dat de juiste betrokkenheid op het effect van de prediking zijn? En het 'Ere zij God' is immers ook een preek met alle erop en er aan in een notendop?!

Laten we ietsje afstand nemen van de herders. De engelen zijn teruggegaan naar de hemel. De boodschappers keerden terug naar Hem Die deze majestueuze boodschap aan de mensen bekend liet maken. Maar her en der in de Schrift lezen we toch over een grote betrokkenheid van de hemel op de aarde?! Zo staat er in Lukas 15 : 10 "Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert." En op andere plaatsen wordt er gesproken over blijdschap in de hemel. Heb je daar wel eens bij stilgestaan? Dat engelen van vreugde opspringen als er slechts eentje zich bekeert; laat staan als een heel volk zich bekeert! Dat getuigt van een grote betrokkenheid van deze heilige troongeesten. En als Petrus in zijn eerste zendbrief schrijft dat de engelen begerig zijn in te zien in het verlossingswerk van de mens, terwijl het hen zelf niet betreft (!), dan geeft ook dát aan dat de engelen zeer betrokken op, ja zelfs met verlangen vervuld worden, om te zien hoe God te werk gaat; om Hem er nog dieper door te kennen en heerlijker om te verhogen en aanbidden. Woorden schieten te kort als je daarover nadenkt! En wat een les voor ons mensen, die het juist wél betreft!

Er is dus blijkbaar ook zicht op wat er op aarde gebeurt; hoe, dat weet ik niet, maar dit stel ik me erbij voor, op basis van wat ik lees in de Bijbel. Er zijn altijd engelen op aarde. En bij tijden worden zij door God zichtbaar gemaakt. We lezen bijvoorbeeld bij die dromende Jacob dat hij een ladder zag en de engelen klommen óp en neer! Ze waren er dus en klommen op naar de hemel terug en daalden weer af. En Jezus Zelf zegt in Johannes 1 tegen Nathanaël: "Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen." Ook weer die volgorde 'op' en 'neer'.
Wat doen zij? Brengen zij soms bericht van de aarde tot voor de troon van God? Zoals ook in de visoenen van Zacharia bijvoorbeeld engelen worden uitgezonden om de aarde te doorzoeken? En zeggen wij in onze kringen ook niet vaak dat in de kerkdiensten de engelen aanwezig zijn (en dat zij de lege plaatsten met graagte opvullen om zo Gods huis te vervullen)? Die neerdalende engelen hebben God gezien en horen spreken en neergedaald checken zij wat zij daarvan zien op aarde. En andersom zien de opklimmende engelen zaken gebeuren en gezegd worden op aarde en brengen die voor Gods troon en daar te zien en te horen hoe God daarop reageert.
Het is niet toevallig dat we juist in deze geschiedenissen lezen over Maria die al die dingen bewaart en die overlegt in haar hart. Zij laat daar iets zien van wat de engelen en al Gods kinderen doen. Niet alles snappen ze direct. De engelen – hoe volmaakt – ook niet, omdat ze ten diepste de verlossing niet kennen, zoals mensen die kennen. Dat is mediteren, dat is gemeenschap oefenen met de HEERE en dat is Zijn Woord overdenken en overwegen.

En nu onze tekst… de engelen zijn teruggegaan en voor de herders onzichtbaar geworden, even plots als ze verschenen. Maar razend betrokken kijken ze met spanning toe wat Gods boodschap bij de herders teweeg zal brengen. Wat zal dit in die herderharten gaan doen? Met eerbied beschrijf ik het op menselijke wijze. Ze hebben elkaar in heilige verrukking aangestoten toen ze de herders hoorden zeggen "Laten we gaan…". Ze zijn vol vreugde overeind gekomen toen zij hen hoorden zeggen: "…en laten we gaan zien…" En wat zal het hen geraakt hebben dat de herders als stimulans noemden "het woord dat er geschied is en dat de Heere ons heeft laten verkondigen". Wat een vreugde kan dat voor een predikant zijn, als hij merkt dat de preek iets uitwerkt bij de toehoorders. Zo ook hier!
En toen de herders uiteindelijk ook daadwerkelijk gingen, zijn ze vast in een nieuw 'Ere zij God' uitgebarsten; immers God, voor Wie zij mogen staan en werken, heeft behagen in mensen! Welbehagen! Wát een God! Vreugde in de hemel over herders die gehoorzaamden, geraakt door het woord, getrokken door Gods Geest en verlangend naar de geboren Koning.

De hemel looft, o HEER, Uw wond'ren dag en nacht;
Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht,
Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;
Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?
En, welke vorsten ooit het aard'rijk moog' bevatten,
Wie hunner is, o HEER, met U gelijk te schatten? 
En jij? Wat brachten de kerstpreken in jouw hart teweeg?

zaterdag 27 december 2014

Een aantal Bijbelstudies over de engelen

Engelen zijn binnen de calvinistische traditie onterecht wat in de vergeethoek beland. Dat heeft onder andere te maken met de juist zo uitbundige aandacht binnen de Roomse Kerk. Maar wij mogen daar toch niet aan voorbij gaan: engelen hebben wel degelijk een functie, ook voor ons, vandaag. Ik wil je meenemen in een zoektocht van een aantal Bijbelstudies over de engelen. Je laten zien hoe heerlijk engelen het hebben in de hemel; dat ze beperkt zijnen ondanks dat toch volmaakt zijn; hoe verschillend van God en hoe verschillend van de mens; tegelijk: wat een prachtig voorbeeld ze voor ons zijn in hun liefde voor en toewijding aan de HEERE!


Meer weten over ds. Viervant

De predikant die mij vooral daarvoor de ogen heeft geopend is ds. Hendrik Huslij Viervant (1754-1814). Hij heeft – toen hij door de Bataafsche Republiek werd afgezet van wege zijn oranje-gezindheid – een aantal preken uitgegeven, waaronder twee preken over engelen.

Deze preek lezen
Deze preek lezen


























Hij leerde me nadenken over dingen, die niet zo concreet in de Bijbel staan, maar die je wel kunt bedenken, als je de Bijbel goed leest en tekst met tekst vergelijkt. Hij leerde me nadenken over Gods Woord, in plaats van slechts de woorden lezen die er staan. Proef je het verschil?
En dat principe wil ik ook graag uitdagen op de Bijbelstudieblogs. Ze vormen geen definitief naslagwerk op een tekst of tekstgedeelte, maar een stimulans om na te denken over wat er staat en over dat wat er zijdelings of tussen de regels door staat; en soms ook over dat wat er niet direct staat!

Na de kerstdagen is het – dacht ik – wel een mooi moment om te gaan zien wat er gebeurt rondom en met de engelen. En wat er gebeurde vroeger, in het Oude en in het Nieuwe Testament. Maar ook wat er op dit moment nog gebeurt. Ook zullen we gaan zien – al direct in de eerste Bijbelstudie – wat er gebeurt als een engel de mens ontmoet. We beginnen daarom bij het Kerstevangelie en zullen gaande weg wat verder bladeren door en terugbladeren in de Bijbel. Zo mogelijk dagelijks; maar in ieder geval zo frequent mogelijk.

En als je vragen hebt of opmerkingen, reageer gerust via twitter @LeodeKluijver