Posts tonen met het label hemel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hemel. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

donderdag 21 juni 2018

God wil bij mensen wonen


Hoofdstuk 15
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Welken ook onze vaders ontvangen hebbende,
met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten,
die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen,
tot de dagen van David toe;
Dewelke voor God genade gevonden heeft,
en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
En Salomo bouwde Hem een huis.
Handelingen 7 : 44-47
O ja, Stefanus had lelijke dingen gezegd over de tempel. Stefanus?
Ze beschuldigden hem ervan, terwijl Jezus het had gezegd!
Bij verstek werd Jezus dus eigenlijk veroordeeld in Stefanus.
Maar… had Stefanus dan een hekel aan de tempel? Bijzonder is dat hij juist in zijn preek bijzondere aandacht heeft voor het huis van God.
Een paar jaar geleden bracht het bekende koor ‘Vox Jubilans’ uit Waddinxveen een bijzondere bewerking uit van Psalm 5. De bewerking was gemaakt door André van Vliet en geweldig getoonzet. De climax zat hem in het laatste vers, dat in de normale zetting van de psalm werd gezongen, maar in kracht opbouwend, zodat de rillingen je over de rug lopen bij de laatste regel:

’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Wonderlijk genoeg staand die woorden niet in de onberijmde tekst! Daar blijft God als het ware nog op afstand, maar in de berijming komt Hij zelfs bij Zijn volk wonen. En – misschien ligt het aan mij – dat aspect krijgt vooral een diepere dimensie bij de wederkomst. Dan zal God definitief bij Zijn volk wonen, op een manier die zelfs het Paradijs te boven gaat!

Huis van Go(u)d
Op de zondagsschool kon je vroeger punten sparen en die inleveren. In een van de hoogste klassen koos ik boekje met de titel ‘Huis van Go(u)d’. Op het omslag staat ook het woord ‘Welkom’… dat vond ik toen al bijzonder. Welkom in Gods huis! De titel was in goud gedrukt en de u van Goud was outline gemaakt, waardoor je dus zowel ‘God’ als ‘Goud’ kon lezen.
Het is inmiddels in heel wat talen vertaald en nog steeds te koop bij de Zakbijbelbond. Het boekje vertelt over de tempel en is mooi geïllustreerd: “De tabernakel, het heiligdom van het volk van Israël vóór de tempel, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen, worden in woord en beeld gebracht en toegelicht in het licht van de Bijbel. Een prachtige brochure over de geestelijke betekenis van de tabernakel, voorzien van full colour foto’s van een model van de tabernakel, dat vervaardigd is door een goudsmid. Leerzaam en praktisch voor jong en oud. Kan ook uitstekend gebruikt worden voor evangelisatie.”
Juist bij deze tabernakel zet Stefanus in en laat zien dat God opdracht gaf tot het maken van een huis voor Hem. Hijzelf maakte daarvoor de ontwerptekening en de al eerder genoemde Bezaleël en Oholiab werden door God begiftigd met Zijn Geest en waren in staat dit kunstwerk te maken conform het ontwerp. God wilde wonen bij mensen en Hij maakte voor Zichzelf een huis, maar schakelde daar mensen bij in! Het hele volk wordt er zelfs bij betrokken door hun giften en praktische inzet!

God wil bij mensen wonen
Over dat mysterie gaat de kinderbijbel die we op dit moment met onze kinderen lezen: ‘God wil bij mensen wonen’. Een sterke titel met een bezondere vertelwijze.
Laat dat wonder eens op je inwerken. De heilige God die in de onbeschrijfelijk grootse en heerlijke hemel woont, gaat wonen in een kleine tent. Zeker, het blonk er enorm van goud en er was van alles te zien, dat iets vertelde over God Zelf. Maar het is toch in geen verhouding met de heerlijkheid die God in de hemel heeft?
Stefanus gaat weer in de wij-vorm verder: “De tabernakel was te midden van onze voorvaderen in de woestijn. Zo had God het geïnstrueerd aan Mozes, conform de afbeelding (werktekening) die Hij aan Mozes had laten zien op de berg. Onze voorvaderen hebben die tabernakel ook gekregen; wat een wonder! En Jozua bracht die tabernakel mee in het land dat voorheen door heidenen werd bewoond. Die werden verdreven door God en Hij gaf dat land in ‘betere handen’ zo leek het: de handen van onze voorvaderen!”
Ik interpreteer de toonzetting van Stefanus een beetje, maar dat is wel zo’n beetje de strekking van zijn woorden! Die heidenen met hun eigengemaakte goden werden uit de weg geruimd en God wilde er een beter land van maken, door er Zijn volk in de laten wonen. Zijn volk zou toch een betere godsdienst moeten kennen, nietwaar? Stefanus maakt geen toepassing op zijn woorden. Ik vermoed dat hij die toepassing overlaat aan zijn luisteraars die slim genoeg waren.
Hij slaat ook de hele periode van de richters over; zelfs Saul wordt niet genoemd. Een boekwerk vol met zwarte bladzijden. Nee, hij steekt in een keer door naar David, de man naar Gods hart. Die kreeg er zin in om een huis voor God te bouwen.
Zelf woonde hij in een prachtig paleis. Hij was een herders jongen geweest en was niet veel luxe gewend. Hij was aan het hof gekomen bij Saul; daar was waarschijnlijk meer luxe. Hij was opgetrokken met Jonathan, een boerenzoon die vroeger op de boerderij in Gibea ook niet veel goud en glitter gewend was. Maar beide jongens waren godvrezend en ze wisten dat de tabernakel er nog steeds was, bij Samuël.
Die tent kenden ze, al zal die er waarschijnlijk niet meer zo hebben uitgezien als die eerste. De algemene mening is dat er inmiddels een ‘tijdelijk houten gebouwtje’ was met de entourage van de tabernakel. Dat gebouwtje kon ook gemakkelijk worden afgebroken en verplaatst; daarom vinden we dat heiligdom nu eens in Gilgal, dan weer in Silo, in Nob en vervolgens in Gibeon. Dat was enige jaren geleden voor mij wel een verrassing; ik had er nooit zo bij stilgestaan. Ik geef graag een fragment weer van christipedia.nl hierover:

Sinds Saul al de bewoners van de priester-stad Nob (1 Sam. 22: 19) liet ombrengen, verliezen wij het vaste spoor van het vervoerbare heiligdom uit het oog. Wel bericht de Kroniekschrijver dat het te Gibeon gestaan heeft, totdat de tempel van Salomo gereed was en dat Salomo en het volk aldaar plachten te offeren op het door Bezaleël vervaardigde, koperen Brandofferaltaar (2 Kron. 1:3-6, 13;
1 Kron. 21: 29).
Onder Eli, Samuël, David en Salomo zijn Tabernakel en Ark gescheiden geweest, misschien als teken van het ongenoegen van de Heer daarover, dat het volk van het Verbond niet leefde naar Zijn Wet.
David bracht de Ark in de stad van David “op haar plaats”, in het binnenste van de tent, welke hij daartoe had opgeslagen
(2 Sam. 6:17): “Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers. (HSV)
Bedoeld wordt zonder twijfel een andere tent dan de Mozaïsche Tabernakel; de handeling van David is alleen goed te begrijpen, wanneer de Mozaïsche Tabernakel destijds niet meer bestond. Deze Davidische hut bedoelde de koning toen hij tot Nathan sprak hetgeen wij lezen in 2 Sam. 7: 2; zij komt sedertdien herhaaldelijk in de geschiedenis voor (zie 2 Sam. 15: 25; 1 Kon. 1:39; 2: 28v; vgl . 1:50vv.; 3: 15) en werd later met haar toebehoren en met de Bondsark uit de stad Davids in de tempel van Salomo gebracht en daar bewaard. Ook de Kroniekschrijver maakt meermalen melding van deze Davidische Tabernakel (1 Kron. 16: 1; 6: 32; 9: 21; 23:32; 2 Kron. 5: 5). Een nadere omschrijving hebben wij van Davids tabernakel niet. Toch verdienen enkele -bijzonderheden de aandacht.
Vooreerst, dat David in 2 Sam. 7: 2 van zijn tent dezelfde uitdrukking bezigt, waarmede in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de afzonderlijk tapijten aangeduid worden (Statenvert, gordijnen); ten tweede, dat in het woord van God tot Nathan, 2 Sam. 7:6, de Godswoning met twee woorden (tent en woning) aangeduid wordt, welke in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de gewone uitdrukkingen zijn voor het geitenharen en het byssus-dekkleed (alleen of met inbegrip van het houten getimmerte), evenals zij ook in Ps. 78:60 van het heiligdom te Silo gebruikt worden. Ten derde zij herinnerd, dat Nathan geen onderscheid maakt tussen de Davidische en de Mozaïsche tent. Men kan uit een en ander afleiden, dat beide grote overeenkomst met elkaar zullen gehad hebben, te meer daar David zijn tent niet inrichtte volgens eigen goeddunken maar volgens de overgeleverde traditie. Hij zal ze ook wel rijk versierd hebben, waarmede 2 Sam. 7: 2 niet in tegenspraak is.
Toen Salomo’s tempel voltooid was, kregen de overblijfsels van de tabernakel een plaats in één van de zijvertrekken van de tempel (1 Kon. 8 :4, 2 Kron. 5 :5).
De door Mozes opgerichte tabernakel was eenvoudiger dan de door Salomo -gebouwde tempel, die Gods tentwoning als heiligdom verving. De tempel week op allerlei punten van de Tabernakel af.

De toekomst
Het is vooral de profeet Ezechiël die iets heeft geschreven over Gods aanwezigheid in de toekomst. Die aanwezigheid wordt ook ‘tabernakel’ genoemd, zeg maar Zijn woning of aanwezigheid bij de mensen. Israël zal weer in het Beloofde Land worden verenigd tot één volk, onder één Herder (de grote Zoon van David) en Gods tabernakel zal voor altijd bij hen zijn (hoor je daar diezelfde woorden uit Psalm 5 weer terug? Zou de berijmer dit in gedachten hebben gehad?
“Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
(Ezechiël 37 : 26-28, HSV)
In Hebreeën 8 en 9 gaat het ook over de tabernakel als beeld van de hemel. Dat was de plek waar Christus binnenging met Zijn Eigen bloed. Het is juist deze tabernakel waarin Stefanus zo meteen een inblik krijgt. Even schoof God het voorhangsel van het Heilige der Heilige weg en zag Stefanus de troon van God. Niet de ark waarop God op aarde woonde, maar de hemelse troon van God.

Slotopmerking
David wilde een blijvend huis voor God maken, maar hij mocht dat niet. Zijn zoon, de vrede-koning, mocht dat wel. En toch gaat Stefanus in het volgende gedeelte in op het feit dat God niet gebonden is aan een plek, waar Hij zou wonen. De eerste tabernakel was 30 el lang en 10 el breed, maar Salomo bouwde een tempel die tweemaal zo groot was: 60 el bij 20 el! En nog was dat voor God maar een klein hutje (het woord hebreeuwse tabernakel kan ook worden vertaald met hut). Niettemin moet je je erover verwonderen dat God tóch bij mensen wil wonen. Als we daarvan meer doordrongen zouden zijn en ook leven in het besef dat Hij bij ons woont, dan zouden we ook een intenser en dieper leven kennen. Dan zijn we ons ook meer bewust dat Hij erbij is in onze zorgen en ellende. Maar ook in de gesteggel in de kerk en het gediscussieer over details die niet relevant zijn. Het gekke is: hoewel we geen tabernakel meer kennen, toch ís Hij bij ons. Waar twee of drie in Zijn Naam bij elkaar zijn, ís Hij er ook! Elke kerkdienst en elke bijbelstudieavond. Ja zelfs in onze binnenkamer. Hoe relevant is dit besef in onze gemeenten en ons persoonlijk leven? Juist met het zinderende verlangen naar Zijn eeuwigblijvende aanwezigheid?

vrijdag 20 oktober 2017

Speel geen spelletjes met satan!

“Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”
Johannes 14 : 30

Veel christenen onderschatten de gevaarlijke aanwezigheid van satan




In deze tijd waarin Halloween – nota bene op 31 oktober! – heel populair is geworden, lezen we over 'de overste der wereld' die komt. Daarnet zat ik achter een bus met een macabere plaat over een tentoonstelling over Halloween. Afschuw en horror geven mensen tegenwoordig blijkbaar een kick. Het spookhuis van vroeger voldoet niet meer. Hoe meer bizar, spectaculair en stuitend, hoe 'beter'. Hoe ver gaat die invloed van satan, dat mensen er geen probleem in zien?

Wij leven in een tijd, die omgekeerd is aan de tekst. De Koning van hemel en aarde komt en Hij zal alles in de hel wegwerpen, waar Hij niets aan heeft. Dat is de realiteit van de eindtijd. Daartegenover staat de werkelijkheid voor Gods kinderen: "En wij verwachten die dag met een groot verlangen, omdat we eindelijk bij Hem zullen zijn, Die ons heeft liefgehad met een eeuwige liefde!”

Spreken

Allereerst lezen we in de tekst dat Jezus vertelt dat Hij niet veel meer met Zijn jongeren zal spreken. Denk het je eens in dat Jezus het zwijgen ertoe gaat doen. Vind je dat ook niet aangrijpend en beangstigend? Is de situatie 'als God zwijgt' erger dan de hel voor je? Dan vind je Halloween walgelijk en vind je dat soort afbeeldingen, films en games ook weerzinwekkend en godslasterlijk. Dan is elke affiniteit met de hel, de satan en de demonen, iets dat je op grote afstand wilt houden. Jezus zegt in de tekst dat de overste van deze wereld 'niets aan Hem heeft'. Dat kon alleen Hij zeggen. En doordat dat ook zo is, moeten christenen de satan niet onderschatten. Want hij weet juist heel goed dat hij aan hen juist heel veel heeft. Maar daarover zo meteen.
Jezus zal niet veel meer met Zijn jongeren converseren. Dat betekent dat er een breuk aanstaande is en dat ze op eigen benen moeten gaan staan. Daarover was Hij in voorgaande verzen ook al best duidelijk. Toch denk ik dat deze woorden bij de discipelen een 1-dimensionale werkelijkheid hebben opgeroepen: radiostilte met Jezus; nu breekt het 'grote niets' aan. Echter, Jezus had ook gesproken over die andere Trooster, Die dingen aan hen zou leren (dus wel degelijk tot hen zo spreken), Die 'indachtig' zou maken en de kwartjes zou laten vallen (Hij riep Jezus' woorden weer tot leven in hen). Indirect bleef er dus spraken van het 'spreken van Jezus'.

Komen

Jezus doorzag de werkelijk problematiek als geen ander. Hij zag de satan komen. In Lukas 10 komen de zeventig discipelen weer terug bij Jezus, nadat ze overal het evangelie hebben gepreekt en wonderen hebben verricht; en opgetogen vertellen ze: “Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam”. Die euforie ontnam Jezus hen tóen al direct door te zeggen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.”
Jezus richtte toen reeds hun oog op de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Het is mooi als je 'machtiger' bent dan de duivelen, maar daarin ligt geen vastigheid. Je ziet dat terug in heel veel films, strips en games, waarin 'het goede' altijd momenten beleeft dat het niet is opgewassen tegen 'het kwade'. De meeste films lopen goed af, maar ze dragen allen hetzelfde motto: de macht van 'het goede' moet groter zijn dan de macht van 'het kwade'. Altijd weer is er de angst dat 'het kwaad' de kop op steekt. Die angst moet worden weggenomen door tegenkracht.
Maar dat is niet de weg die Jezus wijst. Zo zul je het nooit redden en altijd weer zal het dan ongewis blijven of 'het kwaad' misschien niet toch weer nieuwe wapens heeft uitgevonden, dat het je te slim af is… Zo zal de vernietiging alsnog het laatste woord hebben.
Daarin zie je dat deze wereld behekst is door angst, omdat er in de wereld nooit vastigheid en zekerheid bestaat over de definitieve overwinning. Als de mensheid het in eigen kracht moet fixen, zijn we ten dode opgeschreven. Want vergis je niet: de overste dezer wereld komt (en is gekomen!). Jezus zag hem al uit de hemel vallen. En denk niet dat dat vlak voor de zondeval gebeurde!
Jezus kreeg daar in Lukas 10 een voorproef van Zijn overwinning op Golgotha, over dood, graf en hel heen! En nu breekt dat moment aan, waarop Hij wel dwars door de dood in de heerlijkheid van Zijn Vader zal terugkeren, maar Hij ziet ook Zijn jongeren… die zullen met die 'overste dezer wereld' in conflict gaan komen!
Nogmaals, vergis je niet in de macht van satan. Dat zeg ik niet om je bang te maken, maar speel geen spelletje met hem. Jezus verbiedt het je, omdat je op Hem moet vertrouwen. Doe als Luther – nu we het toch over 31 oktober hebben – die menigmaal door satan werd belaagd en hem telkens weer duidelijk liet merken dat Luthers zekerheid vast lag in Jezus Christus en Die gekruisigd! Maar Luther is er evenzeer een toonbeeld van dat je niet moet spotten met satan. Zijn macht is reëel en vele malen vernietigender dan de sterkste macht van een mens. De pot inkt van Luther kon satan niet wegjagen; zijn zingen van psalmen daarentegen wel!

Verstoren

Jezus stelt dat de satan wel komt, maar aan Hem niets heeft. Toch zie ik Hem kruipen in de hof; toch hoor ik Hem angstig en afgemat roepen aan het kruis: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Je kunt misschien zeggen dat daar niet de satan aan het werk was, maar dat de breuk met Zijn Vader, vanwege de zondelast, Hem radeloos van angst maakte. Ik wil dat wel be-amen, want vlak naast de macht van satan de macht van de zonde ook niet uit! Toch is het waar dat satan aan Hem niets had.
Satan kwam in de arena van Goede Vrijdag op Jezus aan om Hem uit het zadel te wippen, Hem te laten struikelen in zonde, Hem te verleiden de makkelijke weg te kiezen. Dat zou hem echter niets baten, omdat hij misrekende met de macht van Jezus over zonde en angst.
Maar denk nu niet dat Jezus satan zozeer heeft overwonnen dat hij niets meer kan. De kop van de slang is wel vermorzeld, maar zijn staart kan nog rake klappen uitdelen. Dit ‘monster van Loch Ness’ weet dat zijn tijd nog maar kort is. Daar is de Bijbel duidelijk over. En elke satanische wereldmacht reageerde hetzelfde: als het merkte dat de ondergang nabij was, werden ze nietsontziend en allesverwoestend. Als overwinnen geen optie meer is, dan moet er maar zoveel mogelijk kapot! Als satan Jezus niet heeft kunnen tackelen, dan moeten Zijn kinderen het maar ontgelden. Natuurlijk weet de satan wel dat hij met die actie Jezus’ overwinning niet meer ongedaan kan krijgen. Maar hij zal er alles aan doen om Hem zoveel mogelijk te krenken. En wees eerlijk: onze Heere en Heiland is nergens zo zeer door gekrenkt als dat Zijn bruid Hem ontrouw is, Zijn Vader smaad en een karikatuur van Hem maakt door theologische of ongelovige theorieën. Onze bruidegom is nergens zo door gekrenkt als door het negeren van Hem, het bedroeven en uitblussen van de Geest en het vergeten van de grote Huwelijksdag, de Jongste Dag. Bedenk dat Jezus naar je staat te kijken als je je inlaat met zaken als Halloween, zaken die horen bij het rijk van satan. Voor Hem was de dood naast de Godverlatenheid het meest onterende dat er bestond; hoe kunnen wij er dan een gezellig griezelfeestje van maken? De dood is net als de satan, onze vijand, omdat ze Christus' vijanden zijn!
En voordat je denkt dat ik alleen inzoom op Halloween… dat geldt voor alle zaken die ons van Hem afhouden, die ons Zijn grote Dag doen vergeten en die ons hinderen om de lof aan Hem te brengen in het midden van de gemeente en in ons gezin. Laat niets de relatie met de HEERE verstoren!

zaterdag 9 september 2017

Blijft Jezus toch op aarde?

“Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.”
Johannes 14 : 25
Het laatste Avondmaal, geschilderd tussen 1495–1498 door Leonardo da Vinci (4,6 m x 8,8 m);
locatie: Santa Maria delle Grazie

Eigenlijk had ik gisteren deze overdenking willen schrijven, maar het kwam er niet van. En nu denk ik, misschien is dit wel een beter tijdstip. Je zult dit waarschijnlijk lezen na de Avondmaalsviering. Hoe was het? Had je ook het gevoel dat je er zou willen blijven? Dat je altijd dichtbij Jezus kon zijn? ‘Blijvende…’ dat is het woord dat in onze tekst heel vertrouwd en tegelijk heel raar klinkt!

Ja, je zou willen dat Jezus bleef, maar Zijn onderwijs ging nu juist over dat het zo nodig was dat Hemelvaart er kwam. Zijn hemelvaart was essentieel; en daar begonnen we een tijd geleden dit hoofdstuk ook mee! Waarom zegt Jezus dan nu in dit vers dat Hij deze dingen vertelt, ‘bij u blijvende’? Je zou het haast vertalen met: ‘want Ik blijf bij jullie’ of ‘nu Ik bij jullie blijf’. Maar dat klopt toch niet met het feit dat Hij binnen afzienbare tijd zal opvaren naar de hemel? Dat wist Jezus toch al wel?

Hoe vertalen andere vertaling dit dan?
  • “…terwijl Ik bij u verblijf. Maar de Trooster…” (HSV)
  • “…nu ik nog bij jullie ben. Later zal de pleitbezorger…” (NBV)
  • “…nu ik nog bij jullie ben. Later zullen jullie…” (BGT; Bijbel in Gewone Taal)
  • “…terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster…” (Nieuwe Vertaling 1951)
Je ziet dat alleen de Nieuwe Vertaling de zin laat doorlopen naar het volgende vers. En ik denk ook dat dat juist is. Enerzijds is het goed het ‘bij u blijvende’ te vertalen met ‘terwijl Ik nog bij jullie verblijf’ of ‘nu Ik nog ben bij jullie’. Anderzijds ontneem je de lezers iets, dat in het grondwoord zit opgesloten en dat in geen enkele vertaling goed uit de verf komt.

Het woord ‘verblijven’ betekent in de grondtaal ‘tijdelijk verblijven’ of ‘wachten’. Er zit enerzijds de lading in van ‘voortduren’ en ‘niet verdwijnen’ of zelfs ‘niet veranderen’. En dat zouden ze maar al te graag hebben. Anderzijds kan het woord ook dit betekenen: ‘wachten op iemand.’ of ‘opwachten’, ja zelfs ‘verwachten’!
En kijk dan nog eens naar Jezus, daar aan tafel bij Zijn discipelen, die niets liever willen dan dat het altijd zo bleef… terwijl Jezus probeert duidelijk te maken dat ze van hier weg moeten, de wereld in. En dat het door lijden tot heerlijkheid gaat. Jezus zit daar het tijdstip van de Vader af te wachten én met Zijn jongeren de komst van de Heilige Geest al ruim van te voren te verwachten. Hij meer dan zij, maar toch!
En dit zou voor hen de allerbeste weg worden! Eeuwig beter qua Jezus’ werk! Maar ook enorm beter, qua het werk van de Heilige Geest, want Die zou gaan werken met het materiaal dat Jezus achterliet: Zijn woorden van daarnet!

Als we aan Zijn tafel Zijn dood gedenken, dan belijden we: het was inderdaad de allerbeste weg! En als we van de tafel mogen opstaan, en misschien al weer een dag aan het werk zijn in deze wereld, dan mogen belijden dat we ook verwachten: “wij verwachten Jezus’ Dag met een groot verlangen!”
En tot aan die Dag? Zullen we ervaren dat Hij met ons ‘verwacht’, met ons verblijft, in ons woont en werkt en door ons Zijn Koninkrijk en het hele wereldgebeuren voortstuwt naar die grote Dag!
Aan Zijn tafel wilde Hij versterking geven voor onderweg. Want de tafel is het eindstation niet. Daar aan tafel moet het niet zo blijven, want dan komt die grote Dag nooit! Nee, Jezus kiest de beste weg. En je zult zelf ervaren dat Hij tegelijk in de hemel is én heel dichtbij je hier op aarde. “Deze dingen – over het ‘blijven in Mij’, ‘het houden van Mijn woorden’ en ‘het liefhebben van Mij en Mijn Vader’ – heb Ik tot je gesproken, terwijl Ik intens bij je blijf én toch naast Mijn Vader zit. Dicht bij het Vuur! Voor als er wat geregeld moet worden in jouw leven op aarde… En om jou te verzekeren dat We de zaak van het 'eeuwig bij Mij zijn’ uiterst serieus nemen, elke dag 24/7!” Wat een macht heeft deze Heiland, daar naast Zijn Vader in de hemel én dicht bij mij hier op aarde!

zaterdag 10 juni 2017

De weg geweten hebben en niet bewandeld

"En waar Ik heenga, weet gij, en den weg weet gij.
Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet waar Gij heengaat,
en hoe kunnen wij den weg weten?
Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, cen de Waarheid, den het Leven.
Niemand komt tot den Vader dan door Mij."
Johannes 14 : 4-6

Velen weten de Weg écht niet; maar er zijn er die de Weg wel weten, maar niet willen bewandelen!


Ik kan mij niet voorstellen dat Jezus dit zei en dat de discipelen totaal geen idee hadden waar Hij het over had. In de verwarring van het moment wil ik nog wel aannemen dat die verwarring een soort blackout vormde in hun brein. Maar Jezus is toch niet dubbelzinnig in Zijn uitleg?

Soms is het ook vanwege dat andere beeld dat je bij de werkelijkheid hebt, dat je niet goed begrijpt wat er nu wordt gezegd. Je hoort klanken, maar ze corresponderen niet met jouw plaatje in je hoofd. Hoe nodig is het dat de Geest ons voortdurend wakker houdt in het luisteren, opmerken en bijstellen van ons beeld. Je kunt toch geen dag zonder?

Over de weg weggaan

Het is bijzonder opmerkelijk dat juist hier in dit grote tafelgesprek Jezus met verve en passie spreekt over Zijn Vader. Alles wat Hij gaat doen, doet Hij voor de Vader. En alles wat maar enigszins relevant is voor Zijn jongeren is relevant in perspectief tot Zijn Vader.
Hoewel Jezus hier bedekt spreekt over Zijn hemelvaart, is de eerste fase van 'heengaan' toch Zijn sterven. Heengaan heeft ook een daadwerkelijk en duidelijk doel. Je kunt nergens 'heengaan' als er niet een reisdoel voor ogen staat. De zwerver gaat nergens heen; de wandelaar heeft geen direct doel voor ogen; voor die laatste is de route zelfs belangrijker. Het moet een mooie, kleurrijke en prettige route zijn. Maar het einddoel is in de meeste gevallen gewoon weer het beginpunt: thuis. Christenen wandelen wel (met God) maar zijn ten diepste geen wandelaars. Ze zijn pelgrims, zoekend naar de kortste weg naar Huis. En onderweg zijn ze bezig anderen te vertellen over hun reisdoel: de nabijheid van hun Bruidegom en het huis van hun hemelse Vader.
Dus het heengaan van Jezus kan niet alleen op zijn 'heengaan', Zijn dood, worden betrokken. Dat zou erg kortzichtig zijn. Zijn dood was niet het einddoel, maar de essentiële ticketpost om de 'ingangskaartjes' te verwerven. Als de discipelen de afgelopen drie jaar nog niet hadden begrepen waar het naartoe ging, dan wel uit de voorgaande woorden: "Ik ga heen om u plaats te bereiden."

Naar de bekende weg vragen

De in onze ogen ongelovige Thomas maakt van zijn hart geen moordkuil en uit zich direct: "Geen idee, HEERE, waar U heengaan; laat staan dat wij weten langs welke weg dat moet gaan! Hoe zouden wij dat moeten weten?" Ik vraag me even af of hij ook begrepen heeft dat hijzelf (en de anderen) ook op pad moet gaan om het grote Einddoel te bereiken. Het lijkt er nog op dat Hij slechts informatief vraag naar 'langs welke weg Jezus dan zal heengaan'.
Zonder het goed te beseffen vraagt hij naar de bekende weg. En Jezus laat dat duidelijk merken: "Ik ben de Weg, de Waarheid én het Leven." In onze westerse oren misschien wel een antwoord waar we niks mee kunnen. Het lijkt gewoonweg geen antwoord op de vraag. "Hoe zal dat gaan? Langs welke weg; op welke manier?" "Ik ben de Weg…"
Toch denk ik dat Thomas het beter zal hebben gesnapt dan ik op het eerste gehoor. Jezus sprak over "WAAR Ik heenga…" Jezus had een concreet doel voor ogen. Daar konden zij nooit komen. Zelfs niet, als zij begrepen hadden wát Jezus ging bewerken met Zijn lijden en sterven. De heilsfeiten zijn belangrijk om te weten, maar die kennis van zaken is niet zaligmakend. Weten 'dat Jezus voor de zonden is gestorven' is nog niet hetzelfde als 'zalig worden'. Om daar te komen, waar Hij zal zijn, hebben we een borgsom nodig. Jawel, die gaat Hij betalen tijdens Zijn heengaan, maar het gaat uiteindelijk nog ergens Anders heen: de heerlijkheid van de Vader.

Wat heeft Jezus vaak gesproken over het Koninkrijk der hemelen. Zij dachten aards over dat Koninkrijk, maar uiteindelijk wordt hier een forse streep gehaald door hun bekrompen idee daarover. Zijn realiteit was vele malen hoger dan hun voorstellingsvermogen.

De enige weg bewandelen

Daar ooit komen, moet via een weg; dé Weg! Geen toeleidende weg; dat is een mensenverzinsel, zo niet een gruwelijke afgoderij. Er is geen fase waarin wij ons aannemelijk en acceptabel kunnen maken voor God, waarna Hij dan eindelijk… eindelijk… eindelijk eens een keer naar ons zal willen gaan omzien. Sommigen begraven zichzelf in de hel en spreken uit – hoe walgelijk in Gods oren – dat zij wel verloren willen gaan omdat dat terecht is en recht doet aan het zogenaamde recht Gods. De Bijbel die dat leert is erger dan de Koran.
Anderen poetsen zichzelf op door eerst te werken aan hun heiligheid en uiterlijke godsdienstige gestalte. Ze kiezen eventueel ook nog de meest rechtse kerk(en) omdat die in hun ogen wel het dichts bij de hemel zullen zitten. De Koninklijke weg trekt zich echter niets aan van vroomheid. Hoe donkerder de kleding, hoe afzichtelijker het uiterlijk, hoe langzamer de psalmen gezongen, hoe krommer gelopen, hoe lijziger gepraat, hoe afkeurender over anderen, hoe breedsprakiger over eigen zonde en doemwaardigheid, hoe dieper in de drek… hoe verder van de Weg!
Een katholiek, moslim, Jood of heiden kan eerder zalig worden dan zij. God ziet het hart aan. Niet dat opgefokte hart dat walmt van godsdienstijver. Maar het hart dat aan Jezus' voeten valt en uitgeteld is. Zich vastklampt aan Gods voeten en beloften ook al weet het dat het onverdiend is. Op hoop, tegen hoop… op leven en dood! Als je het met minder (of misschien juist met meer) wilt doen, dan heb je nog nooit begrepen wat de ernst van je verlorenheid is.
Jezus is er altijd transparant en duidelijk over geweest dat het niet in de offers zit (dus ook niet opoffering van je geschapen zelfbeeld)… wij hoeven onszelf niet op het hakblok van God te leggen. Dat hele hakblok is er niet! Wij hebben slechts de enige weg te bewandelen: "Komt tot Mij, allen die vermoeid (van opgedofte godsdienstigheid) zijt…"
Kap nou toch eens met al dat rechtzinnige edoch nutteloze gedoe. Maak je in je wangestalte toch niet tot een hele pief in de godsdienst! Maskers af, kerkverband weg. De radicalen van ISIS zullen je niet het hoofd afhakken omdat je tot het Gekrookte Pand, de GerGem of GGiN behoorde, maar omdat je Christen was. En ik vraag me in alle ernst af hoeveel refo's er staande zullen blijven als de hel van ISIS in Nederland zou uitbarsten. Hoeveel zullen er van onze gezindten worden omgebracht vanwege het onopgeefbare geloof in Jezus? Het is te vrezen dat er heel wat meer evangelischen en baptisten zullen omkomen, die standvastig in hun onopgeeflijke vertrouwen op Jezus volharden.
De boodschap is helder: Je weet de weg… bewandel die dan ook! En je zult het Leven vinden: Zijn nabijheid eindeloos genieten!

donderdag 8 juni 2017

Heen en weer in heerlijkheid

"En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben,
zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben."
Johannes 14 : 3
 

Stel dat de Heere Jezus vandaag nog moest weggaan. Dan hadden we nog een onbestemd lange tijd voor de boeg (al heeft nooit iemand geweten hoe lang). Maar nu, Jezus ís opgevaren en Hij kan elk moment terugkomen. Brengt dat je hart niet in opperste staat van verwachten en verlangen?
Ken je dat, verlangen naar Jezus' wederkomst? Is dat de kern van je bestaan, elke dag? Omdat jouw hart en dat van Hem aan elkaar versmolten zijn en jij zonder Hem totaal incompleet bent? Kijk, het eventuele verlangen dat de discipelen op dit moment zou kunnen hebben vervuld, was het verlangen dat alles maar zo snel mogelijk voorbij was en het weer gewoon rustig werd, Jezus met hen… klaar. Maar zo zou het niet gaan. Het zou allemaal absoluut anders gaan worden. Niets zou meer hetzelfde blijven; dat zou direct duidelijk worden toen Jezus na Zijn opstanden weer af en toe bij hen kwam. En vraag die zomaar bij me opkomt: wat zou Jezus in de tussentijd hebben gedaan, toen Hij na Zijn opstanding even niet bij Zijn discipelen was. Was Hij misschien toen al in de hemel?


Heen in heerlijkheid

In ieder geval spreekt Jezus hier aan de Paasmaaltijd vooral van Zijn hemelvaart én Zijn wederkomst. Je voelt aan dat ze dat niet hebben kunnen plaatsen. Hoeveel te meer troost en bemoediging geven deze woorden dan vandaag! Als ik me druk maak om problemen in dit vergankelijk leven, mag ik weten dat Hij daar boven druk bezig is voor de periode daarna! En die tijd duurt me een tijd! Eeuwig! Kun je je geen voorstelling van maken.
Jezus vertelt hier iets over Zijn hemelvaart, maar die staat in direct verband met Zijn wederkomst. Kijk maar hoe de zin is opgebouwd: Ik kom terug bij jullie en jullie mogen dan altijd zijn waar Ik ben; maar eerst moet ik nog opvaren en plaatsbereiden. Hoewel in het Nederlands de zin in een andere volgorde staat, maar de kern van Zijn boodschap is toch vooral Zijn terugkomst. Dat accent moeten we goed helder houden. In die zin is afscheidnemen niet een stukje sterven, maar de eerste stap tot oneindig veel meer léven.

Weer in heerlijkheid

Ja en als al die voorgaande stappen zijn genomen (Jezus zwijgt hier nog van Zijn lijden, sterven en opstanding) dan komt Hij weer. En … Hij is geen Vreemde voor hen. Voor jou ook niet? Je verwacht toch Iemand die je kent? En hopelijk ook Iemand naar Wie je verlangt. Of wordt dat verwachten gekenmerkt door vrees en beven, hopen dat het met een sisser zal aflopen? "Het geloof (dat wat voorafgaat aan het aanschouwen bij de wederkomst) nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet" (Hebr. 11 : 1). Daar kun je dus zeker van zijn in dit leven; en juist die zekerheid is zo belangrijk voor de mate van verwachten (zonder vrees). Een bruid die met een onbestemd gevoel aan de dag van de bruiloft begint, omdat ze niet zeker is van het feit of haar bruidegom haar wel echt wil hebben, gaat een raar huwelijk tegemoet dat ergens diepweg zelfs wordt getoonzet door wantrouwen.

Waar is die heerlijkheid?

Er zijn nogal wat mensen die spreken over 'de hemel' als het hiernamaals. Onze eeuwige toekomst zal in de hemel zijn. Deze tekst zou dat ook onderbouwen: "Ik kom terug om jullie mee te nemen naar die plek waar Ik ben"… dus de hemel. Ooit hoorde ik ds. J. Westerink in Utrecht uitleggen bij de tekst (1 Thes. 4 : 17): "Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen." Wij zouden dan worden opgenomen in de hemel. Maar, zo legde hij uit, toen de nieuwe burgemeester van Bunschoten (een voorval uit zijn jeugd) naar ons dorp kwam, liep de hele bevolking uit, hem tegemoet en we haalden hem binnen. Precies dat wordt bedoeld, zoals dat ook ging met een oosterse bruiloft. In reidans de bruidegom tegemoet om hem te verwelkomen.
Terug naar de tekst; wat zegt Jezus hier? Je zou kunnen denken dat Hij afdaalt, bij Zijn wederkomst, naar de aarde om ons op te halen. Maar dat 'tot Mij nemen' kan evengoed betekenen 'tegen Mij aantrekken', zoals een vader of moeder troostend een verdrietig of bang kind tegen zich aan trekt en knuffelt. En nu die laatste woorden, want daar zit nog een belangrijk aspect in. "Opdat jij ook mag zijn waar Ik ben". Betekent dat 'waar Ik ben' dan dus de hemel? Nou, als Jezus naar de aarde komt en hier spreekt over 'ben' (tegenwoordige tijd) dan klopt dat niet. Het gaat dus ook niet zozeer over waar die plek precies is, maar dat Zijn onophoudelijk aanwezigheid die plek tot een hemelse plek maakt! En zou naar mijn overtuiging de nieuwe aarde zijn (waar die zich op dat moment ook zal bevinden).
Denk je eens in: dan zal Hij nooit meer weggaan. Hij is tot je gekomen om je nooit meer te verlaten. Een bruid en een bruidegom leven toch intens verlangend naar de dag van hun bruiloft, waarop ze voor altijd bij elkaar zullen zijn? En dan is dat een vreugd die nog maar beperkt is, want die bruidegom moet een paar dagen later weer naar zijn werk en er zal toch ook een tijd komen waarop een van beide door de dood zal gescheiden worden van de ander. Maar deze vreugde, waartoe Jezus ons probeert te prikkelen, is intensheid zonder einde, zonder schaduw en zonder enig moment van 'tegenvallen' of 'uitgekeken zijn op'.
Dat hoeven jij en ik niet zelf vol te houden, maar Zijn aanwezigheid is de eeuwigdurende magneet en geestelijke motor van waaruit die vreugde en dat genieten gaande gehouden wordt. De engelen hebben daar al lang iets van begrepen. Wij denken nog in tijd en ruimte, maar dan zullen we er achter komen dat de helft van die heerlijkheid ons nog niet is aangezegd. En omdat ik weet hoe beperkt mijn bevattingsvermogen en voorstellingsvermogen is, verwacht ik daar heel grote en heerlijke dingen van.
Binnenkort komt de dag,
dat ik Hem begroeten mag.
Mijn problemen zijn voorbij,
Jezus komt en ’k weet dat Hij,
mij een plaats heeft bereid,
vrede tot in eeuwigheid,
wat een dag, o wat een dag zal dat zijn!

Wat een dag, wat een dag,
als ik Hem begroeten mag,
en voorgoed naar Hem zal gaan,
oog in oog met Hem zal staan,

en Hij leidt mij aan Zijn hand,
naar ’t lang beloofde land.
Wat een dag, o wat een dag zal dat zijn.

Alle zorgen zijn voorbij,
Want ook dat beloofde Hij,
en geen ziekte en geen pijn,
geen verdeeldheid zal er zijn,
maar wij juichen voor de troon.
Zijn voor altijd bij Gods Zoon.

Wat een dag, o wat een dag zal dat zijn.

Wat een dag, wat een dag,
als ik Hem begroeten mag,
en voorgoed naar Hem zal gaan,

oog in oog met Hem zal staan,
en Hij leidt mij aan Zijn hand,
naar ‘t lang beloofde land.
Wat een dag, o wat een dag zal dat zijn.

dinsdag 25 oktober 2016

Opbaring voor een openbaring

"En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte."
Genesis 50 : 26

Het lichaam van Jozef wordt gebalsemd en opgebaard; illustratie uit de Holman Bijbel uit 1890

Gisteren zag ik een harde, zelfverzekerde en dictatoriale man. Zijn toon was dwingend, zijn gezicht emotieloos en zijn optreden was hard. Achter dat masker zat een mens met heftige levenservaringen; een mens die niet kon omgaan met tranen en emoties en die alles in eigen hand wilde houden. Er flitste door mij heen: als zo iemand in een rolstoel terecht zal komen, of erger… op zijn sterfbed, hoe zal dat dan voor hem zijn (en voor zijn omgeving)? Misschien wel eens goed om over na te denken, juist als je je in deze karakter-tekening herkent.
Jozef is waarschijnlijk geen hard en heerszuchtig mens geweest (al weten we dat natuurlijk niet 100% zeker). Niettemin had hij een heel heftig leven achter de rug, waarin familiebinding en presoonlijke hechting onder druk hebben gestaan. Overleven moet ook voor hem een mechanisme zijn geweest. Natuurlijk was er het geloof in God en Gods merkbare nabijheid. Maar laten we niet uitvlakken dat zelfs de meest intens gelovende mens kapot kan gaan aan kleinering en onrecht. We mogen het zeker aan God danken dat Jozef het geloof heeft behouden en ook de liefde tot zijn broeders.
Daarnaast heeft God hem rijk gezegend en grote macht gegeven. Maar al die macht heeft niet kunnen voorkomen dat ook hij op zijn sterfbed terecht kwam. Het was gedaan met Jozef. Hoe heerlijk hij ook in aanzien was, hij was nu een hulpbehoevende. Echter, hij weet dat sterfbed te gebruiken om zijn nabestaanden te troosten en zijn laatste wil bekend te maken. Daarin spreekt hij groot van de HEERE. Tot dat… zijn laatste adem zijn neusgaten verlaat, zijn longen niet meer volgezogen worden en zijn hart staakt met kloppen. Honderdtien jaar heeft zijn hart hem gesteund, maar nu staakt het en sijpelt het leven weg. Jozef is gestorven; overleden. En nu?

Zorg voor zijn ziel

De Bijbel zwijgt meer dan eens over de ziel van de overledene. In de gelijkenis van de rijke man en de 'arme' Lazarus krijgen we een inkijkje (in door Jezus met wijsheid gekozen woorden die voor ons mensen enigszins te bevatten zijn en dus niet persé letterlijk letterlijk zo behoeven te zijn) in het hiernamaals. Ook Jozef zal in de 'schoot' van opa Abraham zijn gedragen door de engelen. Die figuurlijke uitspraak lijkt te zijn ontleend aan de woorden van God 'in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden' en de geestelijke kinderen die uit Abrahams heup zouden voortkomen. Jozefs ziel is weliswaar in de hemel, maar daarmee is het nog niet klaar. Zijn lichaam blijft nog achter op aarde. Op de Jongste Dag zal dat lichaam, dat men nu aan het balsemen is, opstaan in een vernieuwde hoedanigheid, een herschepping. En lichaam en ziel zullen verenigd worden. Dan pas zal het compleet en eeuwig heel zijn.

Zorg voor zijn lichaam

Maar terwijl de ziel voor God verschijnt ontfermen de deskundigen zich over Jozefs lichaam. Het moet naar de gebruiken van Egypte gebalsemd worden. En na lange tijd (is het zeventig dagen?) begraven worden in een graf dat zich in de directe nabijheid van de nu heersende farao bevindt. De bekende rituelen zullen door de vaardige Egyptenaars zijn uitgevoerd en ik vermoed dat Jozefs familie het allemaal met een zekere scepsis heeft staan te bekijken.
Wat een overdreven zorg voor een dode en wat een bijgelovige handelingen allemaal. Althans, dat is het beeld dat bij me opkomt. Dat zou ook een hele juiste reactie zijn geweest. Of moeten we vaststellen dat ze al aardig gewend waren in Egypte en al deze dingen heel normaal zijn gaan vinden? Misschien wel een eye-opener voor ons; onze tijd is vergeven van oude en nieuwe rituelen (omdat men God ten diepste kwijt is). Rituelen zijn in en dat merk je bij ongemakkelijke momenten als overlijden en begraven, maar ook bij kerkdiensten waarin het Woord niet meer of niet écht centraal staat. Ik denk aan overdoop en aan handoplegging die een bijzondere emotie moeten oproepen, zodat het geloof weer tastbaar wordt en eigenlijk (ten diepste) niet meer geloven is doch 'aanschouwen'. Het moet allemaal emotioneler, tastbaarder. En ergens hoor je er die hang in die het volk Israël ook had toen het gouden kalf moest worden gemaakt. Een onzichtbare God is 'uit' en 'lastig uitlegbaar'. Velen haken af als iets ze niet aanstaat of als God op Zich laat wachten. Hij is je hondje niet!

Zorg voor zijn toekomst

Wat Jozefs familie ook heeft gedacht, ze wísten in ieder geval beter. Jozefs lichaam werd niet verafgood, maar 'bewaard' tot de exodus. Geen grafmaker vol attributen voor de lange reis naar de eeuwige horizon. Met recht kan Jozefs graf een 'wachtkamertje' worden genoemd. Het zou nog wel een flinke tijd duren (was het 1 eeuw of langer?), maar het lichaam lag er in afwachting. En dat heeft Jozef heel duidelijk kunnen maken aan zijn broers, voor hij overleed.
Het uiteindelijke graf was ook bekend bij de nabestaanden: Sichem. Wij Nederlanders zijn niet zo van de familie-verhalen en -tradities (hoewel…), maar Joden kennen dat heel sterk. Ik heb me laten vertellen dat families als Kahn, Cohen en Duhen etc. nazaten zijn van de stam van Levi (ik vind het juist daarom interessant omdat mijn overgrootmoeder ook Duhen heette). Er wordt beweerd dat zij de overlevering van de priesterdienst nog kennen. En wanneer ooit die derde tempel er zal staan, weet elke Leviet wat hem te doen staat.
Wat Jozef betreft: het bevel voor de toekomst van zijn sarcofaag is ook prima van vader op zoon doorgegeven. Luister maar wat er gebeurt bij en na de exodus:
  • "En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israëls bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!" (Exodus 13:19)
  • "Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden." (Jozua 24:32)
Die eed, die Jozef liet zweren, werd dus écht gehouden en serieus genomen. Wat je er ook van vindt, dit moet ons Christenen toch wel aanspreken. De Heere Jezus roept ons op om niet te zweren, maar laat uw 'ja' ook 'ja' zijn. Houdt je belofte en wees eerlijk en oprecht/transparant. Hij heeft ons ook getoond dat Zijn Vader doet wat Hij belooft. De HEERE noemt Zich Jahweh, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal. Wel hier wordt door Zijn volk dat beeld vertoond. Tot zover Jozef en diens beeldtenis van de komende Christus. Zijn onbeschrijfelijk en diepe vermogen om lief te hebben die hem in zoveel ellende hadden gestort. Geen kort lontje, maar steeds weer het goede zoekend voor zijn volk. Een echte Zaphnath Paäneah. Een schaduw van Christus, Die als Hem kwaad werd gedaan niet terugschold maar het overgaf in de handen van Hem Die rechtvaardig en ook accuraat oordeel velt: Zijn Vader.

  1. Jozef wilde in Egypte begraven worden; maar liet wel zweren dat zijn lichaam in Sichem zou worden herbegraven. Heeft dat ons in 2016 nog iets te zeggen?
  2. Jozef werd begraven. Heeft dat ons in 2016 nog iets te zeggen?
  3. Jozef werd als een hoogwaardigheidsbekleder begraven. Niettemin moest hij sterven zoals elk ander mens (ook een bedelaar). Wat zegt ons dat over het sterven? Mag er een zeker status en deftigheid getoond worden bij een begrafenis?

vrijdag 11 december 2015

Jezus bevestigt Zijn belofte exact


Op onze pelgrimstocht door het leven zijn er af en toe ontmoetingen die ons bemoedigen en het zicht op Thuis versterken.


"En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft. Zo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was; en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het op dezelve ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft."
Johannes 4 : 51-53a

In vers 47 en 49 zagen we dat Chûsas het woord 'afkomen' gebruikte. Dat heeft letterlijk de betekenis van naar beneden komen. Echter, Jezus ging niet mee naar beneden. Hij stuurde de man naar beneden en liet hem vergezeld gaan van Zijn Heilige Geest. De roeping van de man lag nog tot aan zijn sterven hier beneden. En dat geldt ook voor ons. Dat neemt niet weg dat Jezus ons bij tijden optrekt uit de diepten van dit aardse bestaan en ons even aan Zijn hart drukt, als voorproef van de eeuwige heerlijkheid. Een van die 'knuffels', met eerbied gesproken, ondervindt de man onderweg, terwijl hij de weg afdaalt van Kana naar Kapernaüm.

De volharding van vandaag

Toen God Abram riep uit Ur – en later uit Haran – gaf Hij hem slechts een bevel om te vertrekken. En hij ging, zonder iets te zien van waar God hem uiteindelijk zou brengen; geen idee waar hij uit zou komen en – naar ik vermoed – ook vast weleens twijfelend of het allemaal wel waar was wat hij had gehoord. Die reis duurde ettelijke jaren; wat een momenten zijn daarin geweest waar de satan had  kunnen binnendringen in het geloofsleven van Abram. De Bijbel zwijgt erover; stelt slechts dat hij volhardend doorreisde in het geloof, zonder de stad te zien of te kennen waarheen hij op weg was.
Deze hoveling Chûsas – laten we maar aannemen dat hij het is – wordt ook op pad gestuurd, zonder dat hij zekerheid heeft over de situatie van zijn lieve zoon. Er was nog geen WhatsApp, geen SMS of andere datacommunicatie om verbinding te hebben met het thuisfront. Hij had ook geen snelle Ferrari om zo snel mogelijk naar Kapernaüm te sjezen. Hooguit reed hij op een rijdier, maar dat is niet aannemelijk als we op de tijden letten die we lezen in de tekst. Want we lezen dat de reis van 25-40 kilometer nog niet ten einde is, als hij de volgende dag tijdens zijn afdaling zijn knechten tegenkomt, die inmiddels ook al een flink stuk hebben omhoog gelopen!
Tot dat moment moet zijn innerlijke gemoedsgesteldheid het doen met geloof, zonder aanschouwen. Het staat er slechts in een paar woorden, maar het is goed dat we daar even goed bij stilstaan. Herken je dat? Dat je niet kunt overzien waar het heen zal gaan in dit leven; dat het niet troost, wanneer je speculeert dat zekerheid misschien over een week, een maand of een jaar zal komen? Deze man heeft in onze ogen alles tegen qua religieusiteit ten opzichte van ons; maar hij mag een goed voorbeeld voor ons zijn. Hij gaat vandaag reeds in het geloof en de HEERE rekt die spanningsboog van dat geloof niet tot het oneindige op; luister maar.

De ontmoeting van morgen

Het is de andere dag. Hoe onwerkelijk zal de situatie in het hart van deze man zijn geweest. De herinnering aan het gesprek met Jezus, gisteren, ligt nog wel vers in zijn geheugen, maar met die herinnering moet hij deze morgen weer verder, op weg naar zijn jongen. Het verlangen naar huis maakt zijn voeten vaardig.
Hij heeft alweer enige tijd gelopen – is het een uur geweest of zijn het misschien wel vijf uren geweest? – als hij in de verte mensen ziet aankomen die hij kent. En wat meer, zij herkennen hem ook! Het zijn knechten uit zijn huishouding. Druk zwaaiend rennen ze de afstand tussen hun heer en zichzelf dicht. Wat kan dat betekenen? De man zal niet direct hun gezichten hebben gezien; het stralen van hun ogen was nog niet waarneembaar. Is het foute boel? Is zijn jongen tóch overleden… aanvechting en twijfel liggen zomaar op de loer, al lezen we er niets van!
Maar ze staan nog niet vlak voor hun heer, als hij al wel weet waarom ze hem tegemoet zijn gelopen: "Uw kind leeft!" Onwillekerug vraag je je af: waarom zijn deze knechten eropuit gestuurd? Want zij zullen niet zelf naar hun heer zijn gelopen; iemand moet hen hebben gestuurd. De jonge zoon? Of de moeder, Johanna? Ze hebben er bewust voor gekozen Chûsas niet langer in het ongewisse te laten. Daar spreekt liefde uit. Hij ging met zo'n bezwaard en bedroefd hart van huis! Nu willen ze hem zo snel mogelijk blij maken. De houding die je vandaag de dag nogal eens tegenkomt, "O, hij zal het vanzelf wel een keer horen", was hen vreemd. Ze waren dolgelukkig en wilden Chûsas er zo snel mogelijk in betrekken. Ze lijken wel op de herders die net uit de stal in Bethlehem komen. Of net als die vrouw uit de gelijkenis die haar penning weer gevonden had; of die herder, die zijn schaap had terug gevonden.

De bevestiging van gisteren

Al met al is er een dag verstreken. Het eerste dat Chûsas doet is vragen naar het tijdstip waarop de jongen is genezen. Zijn knechten weten het hem tamelijk precies te melden en terugrekenend concludeert hij dat die tijd exact overeenkomt met het moment waarop Jezus hem wegstuurde met de mededeling dat zijn zoon was genezen. Sterker nog: de knechten gebruiken dezelfde woorden als Jezus: "Uw zoon leeft!" (al noemen zij hem 'kind' in plaats van 'zoon'). Ze zeggen niet "uw kind is weer gezond", of "hij is weer beter geworden". Ook spreken ze niet over "hij is aan de beterende hand". De stelligheid waarmee Jezus' wonder wordt bekrachtigd is kenmerkend voor het werk van Christus. Geen half werk.
Met name die match met het tijdstip van de genezing is voor de man – wanneer hij werkelijk rentmeester Chûsas is – van doorslaggevend belang geweest. Het moet cijfermatig, exact kloppen. En het klopt! De man komt mij niet over als een zweverig gevoelsmens; meer als een rationele denker. Daarom is het eerste dat hij vraagt niet "Hoe is het gegaan?", maar "Om welke tijd werd mijn zoon gezond?".
De koorts was om zeven uur geweken; dat betekent volgens onze tijdsindeling: rond 13.00 uur. De man had Jezus dus midden op de dag ontmoet, net als die vrouw uit Sichar! Jezus werkt de hele dag! Op het snikheetste moment zelfs. Ik ga ervan uit dat de man niet direct is omgekeerd op dat snikhete moment, maar toch zal hij de vorige dag nog wel een uur of vier hebben kunnen lopen. Ik vermoed dat de knechten vrijwel direct na het wonder van de genezing zijn vertrokken; wellicht wilde Johanna het nog even afkijken, omdat zij niet kon begrijpen wat er zo opeens gebeurde met haar kind. Jezus was er immers nog niet en tóch werd haar zoon opeens gezond! Het leek haar een wonder buiten Jezus om; niets was minder waar.
Maar terugrekenend zullen ze dus vandaag hooguit een uur of twee hebben gelopen en elkaar ergens halverwege in de heuvels van Galilea hebben ontmoet. Merkwaardig dat ze elkaar tegenkwamen; ze moeten van elkaar geweten hebben welke weg gebruikelijk was. De HEERE brengt deze twee groepen reizigers met elkaar in contact en samen mogen ze genieten van de wonderen des HEEREN. Daarna mogen ze samenop naar huis wandelen!
Want Chûsas kon natuurlijk precies vertellen wat er was gebeurd, waardoor zijn zoon gezond was geworden. Zulke ontmoeten mogen er regelmatig zijn: pelgrims die elkaar onderweg spreken en geestelijke ervaringen mogen uitwisselen met elkaar, zodat soms de dingen weer op hun juiste plek vallen en ze goedsmoeds, toegerust mogen voortreizen naar Huis.

maandag 19 oktober 2015

Geloven is onze plicht en roeping

Geloven of niet geloven in Jezus is een zaak van leven of dood!

"Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem."
Johannes 3 : 35

Ooit waren mijn ouders bij een trouwdienst, waarin het bruidspaar in het huwelijk werden bevestigd met de tekst 'Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven'. Vreemde, halve tekst, zo reageerden zij. Immers, er staat nog wat achter. Ik kan, nu ik er zoveel jaar later aan terugdenk, ook niet zo goed bedenken waarom je deze tekst als trouwtekst kiest. Of het moet bij het bruidspaar zelfs vandaan zijn gekomen. Maar hoe dan ook: het is een gewichtsvolle tekst, als je hem heel laat.

Geloven biedt perspectief

Hoe sta je tegenover Jezus? De tekst is daar eigenlijk heel kort over. Bij het geloof in de Zoon behoort het bezit van het eeuwige leven. Dat is dus een nieuwe situatie, want van nature is het eeuwige leven onbereikbaar. Een engel sloot de weg naar de Boom des Levens af, nadat Adam en Eva hadden gezondigd. En dat zou eeuwig zo zijn gebleven, ware het niet dat Christus een nieuwe weg heeft geopend naar de Vader. Hij liet Zich offeren 'aan een boom' (het kruis), zodat het eeuwige leven weer bereikbaar.
We behoeven het eeuwige leven niet te bereiken via allerlei wettische trappen en staten. Ook kunnen we het niet verdienen. Het wordt ons 'om niet' geschonken. En dat geschenk is zó kostbaar, dat we daar de HEERE tot in eeuwigheid (rare uitdrukking trouwens, want de eeuwigheid heeft ook geen eindepunt) groot om zullen maken. In in die aanbidding zal geen enkele dag, geen enkel moment, hetzelfde zijn. Hier houdt ons bevattingsvermogen op!

Geloven is geen keuze

Maar wie nu denk dat je de keuze hebt om óf in de Zoon te geloven óf niet, die heeft het mis. Geloven blijkt geen keuze van ons te zijn, maar een opdracht aan ons. Daar zijn nogal wat ontsporingen in kerkelijk Nederland, op dat terrein.
In de Kanttekeningen staat bij 'ongehoorzaam': "Dat is, die naar zijn bevel in Hem niet gelooft, Romeinen 1:5." In Romeinen 1 licht Paulus zijn roeping tot het ambt toe en zegt dat God de Zoon hem heeft aangesteld tot heidenapostel. Door de Zoon heeft hij de genade ontvangen en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen, voor Zijn Naam; "onder welken gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus!" Paulus was geroepen, zo lezen we opnieuw in de Kanttekeningen, om de heidenen tot "gehoorzaamheid aan Christus te brengen en tot het geloof".
Elders wordt gesproken over dat predikers geroepen worden het Evangelie te prediken 'vergezeld van het bevel tot geloof en bekering'. Geloven is een opdracht, en moet voor ons eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld zijn. Niet geloven is dus eigenlijk geen optie, of we moeten verloren willen gaan. Maar wees eerlijk: dan ben je al heel wat dranghekken en waarschuwingsborden gepasseerd!

Niet geloven belooft ook wat

Geloven brengt verandering in je leven en in je toekomst. Niet geloven… dan blijft alles bij het oude. De toorn van God blijft op je. Dat betekent dat de toorn van God reeds op je ligt en dat blijft dan zo. "Laat maar zitten," wordt vaak gezegd in het dagelijks leven, wanneer iets er niet echt toe doet. Laat het maar, zoals het nu is. Wel, zo zal het blijven. Dat vertelt ons niet alleen van de afgrijselijke toekomst die wacht, wanneer we niet geloven. Dat vertelt ons voor alles dat die afgrijselijkheid nu reeds werkelijkheid is. Daar zit geen misschientje bij. Ongelofelijk dat mensen daar laconiek over kunnen doen. Aangrijpend dat zelfs kerkmensen daar onbewogen onder kunnen blijven.
Je komt weleens mensen tegen die in tranen zijn omdat hun geloofsleven zo is verflauwd. Dan wordt weleens gezegd: "De hemel verkwikt niet meer, en de hel verschrikt niet meer". Daar beleef je dan pijn aan en je voelt dat het niet zo kan blijven. Maar wanneer je daar verdriet over hebt mag je met verwachting bij God aankloppen, mits het niet komt omdat je bewust zonden aan de hand houdt.
Geheel anders is het met mensen die onbewogen onder die werkelijkheid leven. Als de hemel je niet lokt en vervult met verlangen, en zelfs de hel je niet wakker schudt met zijn schrik, dan ben je een beklagenswaardig mens die hoog nodig luidkeels naar de hemel moet roepen om doorbreking van die duivelse gelatenheid. Want niet geloven belooft ook wat: niet veel goeds, ja, eeuwig afgrijzen!

donderdag 24 september 2015

Hemels spreken of aards praten?



Het verschil tussen hemel en aarde als beeld voor Jezus en Johannes
 
“Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.”
Johannes 3 : 31

Het zijn nogal spirituele zinsneden die Johannes de Doper hier gebruikt. En ze moeten juist zijn discipel Johannes hebben aangesproken. De Evangelist Johannes heeft een poëtische en en wat filosofische inslag. De klik tussen deze twee Johannessen boeit me steeds meer.

Wijsgerige woorden

Al eerder had De Doper zulk soort woorden gebruikt over Jezus: “Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.” (Joh. 1:15b) En net als bij het Bijbelboek Openbaringen vraag ik me dan af: zullen de lezers en hoorders van Johannes de Evangelist en Apostel zijn woorden begrepen hebben? Juist ook deze woorden moeten de mensen toch wonderlijk in de oren hebben geklonken? Johannes de Doper stond hier niet op de Areopagus of zo. Nee, er stonden romeinse militairen, tollenaars, hoeren, eenvoudige zielen en farizeeën voor hem.
Wat zegt hij daar dan met die woorden “Die na mij zal komen was er al ver voordat ik kwam”? Je dan toch gaat op zijn minst denken aan iemand die je al eerder hebt gezien. Alsof Johannes er een raadseltje van maakt; en is dat wel de bedoeling van preken? Preken behoren toch helder en duidelijk te volgen te zijn? En wanneer de mensen uiteindelijk zien Wie Johannes met die woorden bedoelden – Jezus van Nazareth – dan zullen enkele scherpzinnigen vast opmerken: maar Hij is toch een half jaar na jou geboren, Johannes? Hoezo: eer ik was, was Hij er al? Daarbij komt dat Johannes eigenlijk nergens zijn woorden heeft toegelicht. Hooguit met deze woorden, toen hij Jezus zag komen: “Kijk daar, het Lam Gods!” Moeten we de betekenis van die vreemde woorden misschien zoeken in het antwoord dat God de Vader Zelf geeft: “Deze is Mijn geliefde Zoon…”?

Weerleggende woorden

De woorden van vandaag roepen eveneens zulke vragen op. Laten we eerst eens letten op het doel van deze woorden. Hier worden aarde en hemel tegenover elkaar gezet. En als je goed leest, worden met deze woorden diverse grote monden gesnoerd. Er worden allemaal vragen gesteld over de positie en het gezag van die rabbi uit Nazareth. Hij ontpopt Zich volgens sommigen duidelijk als een concurrent van Johannes. De mensen zetten Johannes en Jezus op één lijn en spelen ze als het ware tegen elkaar uit. En dan grijpt Johannes in. Niet vanwege zijn eigen positie, maar om die van Jezus!
Hij zet als het ware een dikke streep onder de woorden van God de Vader: “Deze is Mijn geliefde Zoon”. Hij is geen concurrent; Hij is geen gewoon mens. Hij is afkomstig uit de hemel. Hij is boven alles en allen. En… Zijn woorden hebben veel meer gezag dan de mijne. En daarom formuleerde God de Vader het zo buitengewoon goed op de Berg der Verheerlijking, toen Hij sprak: “Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!”
Jezus is niet een wervelend spreker die al pratend het overzicht in de gaten probeert te houden. Hij hoeft niet continue Zijn woorden te toetsen aan de Schriften, of het allemaal wel klopt wat Hij zegt. Want Hij is de bedenker van het Woord. En wat Hij zegt komt daar naadloos mee overeen. Wat Hij zegt, kun je 1op1 overnemen en blindelings vertrouwen. Het zijn waarachtig weerleggende woorden, die Johannes hier spreekt. Meer dan ik voor mogelijk hield, toen ik ze voor het eerst las.

Weloverwogen woorden

Johannes zegt dat Degene uit de hemel komt, hemelse dingen spreekt. En wie uit de aarde is, dus elk mens, die spreekt uit de aarde. Nu is die term ‘uit de aarde’ bijzonder negatief in ons jargon binnen de kerk. We gebruiken die term vaak, wanneer we de mens op zijn plek willen zetten: wij zijn uit de aarde aards. Maar zo is het hier niet bedoeld. Mensen behoren bij de aarde en spreken – zeker sinds Genesis 3 – op een aards niveau. Ook na ontvangen genade (lees de Kanttekeningen maar). Ook een begaafd prediker, die door de Heilige Geest diepe inzichten mag hebben gekregen, zal de beperking van zijn verstand ervaren, wanneer hij zich al dieper verlustigt in God. Ons verstand is eindig en beperkt. Zelfs grootse denkers komen woorden tekort, wanneer zij Gods innerlijk, Zijn barmhartigheid, Zijn heiligheid etc. zouden moeten beschrijven. Ze zijn immers niet in de hemel geweest en zijn er al helemaal niet opgegroeid. Dat maakt, dat Jezus zulke diepe – en voor de mensen merkwaardige – dingen kon zeggen. Het heeft soms lang geduurd voordat Zijn woorden werden begrepen. Terwijl Hij naar menselijke woorden zocht om het hen duidelijk te maken. Telkens weer blijkt dat we de Heilige Geest nodig hebben om het werkelijk te snappen; en dan toch ook elke keer weer in beperkte mate. Het moet voor Jezus ook een bijzondere kwelling zijn geweest dat Hij zoveel moest uitleggen over Zijn Vader en de hemelse heerlijkheid. Die onkunde, dat onbegrip van ons mensen. Ik begrijp wel dat Hij regelmatig moe was en de eenzaamheid zocht om met Zijn Vader weer op niveau te praten. Ja, ik verhef me er maar niet boven, want hoe vaak praat ik liever op aards niveau – simpel en plat – dan op hemels niveau – diepzinnig en geestelijk hooggestemd? Ook op een Bijbelkring of in een gesprek na de dienst…

Waarschuwende woorden

Toch zijn de woorden van de tekst niet denigrerend. Ze zeggen niet dat we als mensen ook maar hemels moeten gaan praten omdat dat aardse zo laag van niveau is. Nee, we kunnen eenvoudig Jezus niet imiteren. Laten we het dan ook niet proberen. Laten we niet gaan praten over dingen waar we als mens geen verstand van hebben. Praat dus niet over geloofszaken, als je tegelijkertijd roept dat je nog eerlijk onbekeerd bent. Spreek ook niet wijsgerig over de hemelse dingen, als je niet een ootmoedige houding wilt aannemen die laat merken dat je slechts zoekt naar woorden. Maar… deze woorden waarschuwen ons tegelijk wel voor het gevaar dat we aards blijven denken en spreken. We moeten staan naar verdieping en groei. En dat kan onmogelijk zonder de Heilige Geest. En hoe zouden we kunnen spreken, als we niet eerst goed hebben geluisterd? Zittend aan Jezus’ voeten. En laten wij, wanneer we spreken, dan ook geen concurrent van Jezus zijn (om de kwestie in onze tekst eens om te draaien) door de aandacht van Hem op ons te vestigen wanneer we wijze dingen roepen en beschouwen. Laat heel ons spreken, net als bij Johannes de Doper, één grote heenwijzing naar Christus zijn. Dan worden onze woorden misschien niet in een boek opgeschreven of in de krant vermeld, maar dan worden ze wel geschreven in het boek van het Lam, in de hemel.
En straks, als we eeuwig bij Hem zullen zijn, zullen we niet langer aards spreken, maar hemels denken en aanbidden. Verlang je daar naar? En verlang je ook daar nu al mee bezig te zijn?

woensdag 1 april 2015

Het paradijs en de hemel op aarde

"Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.
Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.
En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen."
Johannes 17 : 24-26

Soms hoor je mensen – zeker in een tijd van vakantie – spreken op een plaats waar ze zijn geweest; ze zeggen dan: "Het was echt een paradijs!" Paradijs is gek genoeg een woord dat wel geassocieerd wordt met de Hof van Eden, maar daar nergens wordt genoemd. Salomo is de eerste die het woord gebruikt in de betekenis van lusthof of park (Hooglied 4 :13). Vervolgens spreek Jezus tegen de moordenaar aan het kruis over het paradijs (de hemelse heerlijkheid), is Paulus opgetrokken geweest in het paradijs en sluit Christus Zelf af in Openbaringen 2:7 met de woorden: "Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is."En dat is de plek waar Jezus ook over spreekt in onze dagtekst.

Een bevoorrechte positie op de aarde

De wereld heeft God niet gekend. Die woorden zouden de suggestie kunnen wekken dat de wereld er dus niks aan kan doen. Echter, de wereld heeft God wel gekend (in Genesis 1-3), maar heeft Hem de rug toegekeerd, Zijn beeld vertrapt en in navolging van Kaïn een verwrongen beeld van God aan het nageslacht doorgegeven. En dat laatste gaat tot op de dag van vandaag door. Nou, laat ik het juister zeggen: er is in de zondvloed niemand van het nageslacht van Kaïn overgebleven (of het moet misschien een van de schoondochters van Noach of zelfs zijn eigen vrouw zijn geweest); dat geslacht is reeds voor de Jongste Dag uitgeroeid. Echter, de nazaten van Noach hebben die keuze tegen God opnieuw gemaakt. Zij hebben Gods toorn van nabij meegemaakt, maar de chamieten spotten, de jafetieten gingen op in het vergankelijke en het overgrote deel van de semieten is een pseudo-godsdienst, een afgietsel van de dienst aan de ware God, begonnen.
Met Abraham maakte de HEERE weer een nieuw begin, door hem uit het afgodendom te halen en hem weer in contact te brengen met de ware en levende God. Was dat oneerlijk ten opzichte van Abrahams tijdgenoten? Nee, het was diepe genade dat de HEERE ook Abraham niet aan zijn lot overliet, alsmede Loth. Hij maakte Abraham tot een vader aller gelovigen. Een bevoorrechte positie op aarde. 
Jezus zegt in onze tekst hetzelfde te hebben gedaan met de Zijnen. Hij maakte hen de naam (het wezen, het karakter en de heerlijkheid) van Zijn Vader bekend. Niet om hen positief te discrimineren ten opzichte van de rest van de wereld, maar om door hen de wereld tot het God terug te brengen. Dat is onze missie op aarde naast ons dagelijks werk. Wel zeker een bevoorrechte positie op aarde. Maar met het oog op een nog veel bijzonderder plaats: het paradijs.

Een bevoorrechte positie in de hemel

Wie ergens verrukt over is, kan als de beste uitleggen wat daar zo mooi en heerlijk aan is. Wie ergens geweest is waar hij enthousiast over is geworden, prijst dat aan anderen zo vurig aan, alsof hij die ander bij de arm kan nemen en meeslepen naar dat mooie, dat indrukwekkende.
Christus kan als geen ander beschrijven hoe de hemelse heerlijkheid voelt, functioneert en gestalte krijgt. Hij noemt het in onze tekst "Mijn heerlijkheid … die Gij Mij gegeven hebt". Hij benoemt het een gekregen heerlijkheid.
Als je bij je ouders woont in een bijzonder en/of mooi huis, dan kun je vertellen hoe mooi dat huis is, maar die ander moet het zien, ervaren, om te weten hoe waar je woorden zijn. Ja hij of zij moet de sfeer proeven, zich een voelen in dat wat jou zo diep raakt. Zo bidt Jezus, op een steenworp tijds afstand van Zijn diepe lijden, tot Zijn Vader die Hem zal gaan verlaten vanwege de zonde der mensen. Hij bidt, smeekt, dat de Zijnen ook de heerlijkheid van dichtbij mogen zien, ja mogen beleven. Dat is als het ware een bevoorrechte positie. Vandaag was ik bij de opening van de schilderijententoonstelling van Jip Wijngaarden, in de Oude Kerk van Delft. Een bijzondere ervaring. Ook heb ik het boek met haar schilderijen, maar ze live zien is verreweg het beste. Je moet ze ervaren, het soms vol reliëf zittende werk, de kleuren en gelaatsuitdrukkingen, de boodschap, de sfeer. Het is zeker een bevoorrechte positie deze schilderijen live te mogen zien, er als het ware met je neus op te zitten, ze te ervaren en alle indruk op je te laten hebben.
Welnu, dat is nog maar een schamele vergelijking met de hemelse heerlijkheid. Jezus prijst die in Zijn gebed aan en wenst ze de Zijnen toe. Hij wil dat waar Hij is (let op: is) ook de Zijnen die de Vader Hem heeft gegeven zullen zijn. Pas dan zullen ze – zo zegt Paulus het – zien hoe Hij is. Pas dan zullen ze kennen zoals ze gekend zijn. Pas dan zullen alle tranen echt van de ogen worden afgewist. Dan vallen alle sluiers af en is God alles en in allen. Zo over de hemel te praten is spreken over een bevoorrechte positie met de wetenschap erbij waarom je er wilt zijn. Niet om niet in de rampzaligheid te komen (dus een behoeden voor rampzaligheid), maar om de eeuwige heerlijkheid van Jezus, ja van de Drieënige God te genieten en ervaren.

Een achtergestelde positie in de hel

Hoe tegengesteld – dat moet me nog even kort van het hart – is je positie in de hel! Ik beschrijf het slechts kort in de tegen-zinnen van onze tekst:
  1. Wij zullen dan niet zijn waar Hij is;
  2. Wij zullen dan niet mogen zien (ervaren) wat Jezus' heerlijkheid is;
  3. Wij zullen dan niet aanbidden en zien dat de Vader volledige liefde heeft tot Zijn Zoon;
  4. Wij zullen dan niet erkennen dat Jezus door Zijn Vader is gezonden;
  5. Wij zullen dan niet worden vervuld van de liefde, waarmee de Vader Zijn Zoon liefheeft;
  6. Jezus Zelf zal niet in ons zijn en dus ook niet onze Verlosser en Redder zijn.
Wat voor heerlijkheid denk je buiten Christus te vinden? Hoe duurzaam is dat genieten? Hoe uitzichtloos en kortzichtig! Buiten Christus' heerlijkheid is buiten het paradijs… en dus nu reeds de hel op aarde en straks zonder ophouden voor eeuwige wroeging in al zijn gruwelijkheid… had ik maar! Je zult maar buiten het gebed van Jezus vallen! Dat ligt niet aan Hem, maar dan heb je niet gewild dat Hij Koning over je was. Dat hoeft niet. Daarom raden deze woorden van Jezus' gebed je aan die heerlijkheid in en bij Hem te zoeken… voor het te laat is!

woensdag 7 januari 2015

De drive van de engelen

"Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen."
1 Korinthe 4 : 9

Christenvervolgingen worden in de tijd van de eerste christenen gekenmerkt door arena-spelen, waarin zij tegen de wilde dieren moesten vechten. Paulus gebruikt dit negatieve beeld, om er iets positiefs mee te laten zien. Weliswaar worden christenen zo als schouwspel gebruikt, waarover de kwade mensen en de kwade engelen zich verkneukelen. Maar de goede mensen en de goede engelen (lees de kanttekeningen), hebben niet alleen medelijden, maar ze zijn getuige. Ze zijn betrokken op het lijden van Gods kinderen; het raakt hen. 
Daaruit zien zij ook, wat in de hemel nooit plaatsvindt: dat het geloof in God Drieënig wordt aangevochten en bekocht met de dood. Maar… kostbaar is in Gods oog de dood van Zijn kinderen. Zo ook zijn de engelen op hen betrokken. En daaruit leren ze hoe kostbaar christenen op aarde het geloof in God vinden. Hoe kostbaar God voor hen is. Zullen de engelen dicht schouwspel niet vol spanning volgen? Ze zullen er stof tot aanbidding uit putten… ja ze zullen Gods kinderen aanmoedigen en… met hen de HEERE grootmaken; In de grootste smarten, blijven onze harten in den HEERE gerust!

Dat beeld van engelen als toeschouwers wilde ik gebruiken om er nog iets over te zeggen, met de woorden van ds. Viervant. Want wat is de drive, de beweegreden, voor de engelen, om meer van de HEERE en Zijn zaligmakend werk in Zijn kinderen te weten? Wat houdt hen daarin actief betrokken en betrokken toeschouwers?
"Om meer te begrijpen van de wetenschap van deze hemelse geesten, aangaande onze zaligheid door Jezus Christus, die van tijd tot tijd wordt uitgebreid door de verzadiging van hun verlangen, wil ik een en ander opmerken over hun volmaakte kennis van God, [van] Zijn volmaaktheden en werken.
Indien de engelen volkomen gelukkig zijn, dan weten ze alles volmaakt. Wat [weten ze dan]? Alles wat ze kunnen waarnemen en [alles] wat God hen openbaart. Maar waaruit bestaat hun volkomen kennis?

1. Ze bezitten het vermogen om alles dusdanig te kunnen doordenken en onderzoeken als nodig is om aan het doel van de goddelijke openbaring en hun bestemming te beantwoorden. En zodoende [dus] voluit gelukkig te zijn. Er is niet de minste verduistering in hun verstand en geen belemmering om alles tot dat heerlijke doel te kunnen weten.

2. Hun kennis is volmaakt ten opzichte van de dingen zelf, die zich aan hun volmaakt verstand aandienen. [Want] zij hebben altijd al die dingen geweten en daarvan zóveel geweten als nodig was voor hen te weten, om ten volle te kunnen voldoen aan het doel van hun schepping en bevestiging of aan de bijzondere roeping van de Allerhoogste tot welke dienst of welk werk ook in Zijn wereld.

3. Deze volmaaktheid van verstand en kennis is begrensd binnen de kring van een eindige natuur. [Want] ze hebben geen verstand dat alles weet, alles begrijpt en alles in alle volmaaktheid direct kent en alles in één keer overziet. Nee, want dan zouden ze oneindig van verstand, alwetend en ongeschapen eeuwig moeten zijn. Er kan daarom, hoe volmaakt in kennis ze ook zijn, nog veel onbekend zijn voor hen. [Er kan] over veel dingen voor hen nog meer te weten zijn [dan ze reeds weten]. En omdat in hun verstand een opeenvolging van denkbeelden plaatsvindt, zo sluit de overdenking en het onderzoek van het ene, de betrachting van het andere op datzelfde ogenblik uit.

Dus de engelen kennen God in Zijn oneindig Wezen en volmaaktheid. [Want] ze kennen dat onbegrijpelijk Opperwezen volmaakt. Dat wil zeggen, zij kennen Hem, de in alles oneindig Volmaakte, zoveel als nodig is om Hem ieder ogenblik van hun bestaan te dienen met blijdschap en zich in Hem te verheugen, tot volledige verzadiging. Maar ze kunnen de -Almachtige niet volmaakt begrijpen. Er blijft veel over om eeuwig te -overpeinzen. En de volmaaktheden van God geven telkens weer verse stof tot nieuwe verwondering en genieting.


En nu iets over hun kennis van Gods werken. Ze kennen die volmaakt. Dat wil zeggen, zoveel als daarvan nodig is tot [hun] doel en geluk. Maar ze hebben Gods werk nooit ten volle doordacht. En terwijl ze bezig zijn met de overdenking van een of ander goddelijk werk, is er al weer een andere almachtige daad van God, die op een volgend tijdstip hun aandacht en verwondering vraagt. Zo kunnen ze nog steeds inzien in dat wat God heeft gedaan."
Wat ze weten, maakt hen volmaakt gelukkig; maar wat ze meer zullen gaan weten en inzien, zal hen nóg gelukkiger maken. Zo is er een beweging van toegewijdheid en aanbidding gaande die als een perpetuum mobile blijft voortgaan tot in eeuwigheid. De eeuwigheid is niet iets statisch, iets dat altijd hetzelfde is, maar een voorgaande gelukzaligheid. Woorden schieten te kort. Maar dat is best wel eens goed, om aan woorden tekort te schieten. Dan krijg je in ieder geval een indruk, hoe oneindig hoger God is… en hoe nietig wij zijn.
Maar denk nu niet dat dat alleen voor de engelen in de hemel geldt, of voor de situatie in de hemel. Hoe bevlekt het leven op aarde ook is, vanwege de zonde, dit wordt hier reeds in beginsel gesmaakt. Iets daarvan proef je toch tijdens een preek, tijdens het Avondmaal, of tijdens het zingen van een Psalm? Of heb je dat nooit? Ja toch? Wandelend hier op aarde, en tegelijk een wandel in de hemelen hebben… je komt ogen en oren te kort waar het de diepte en rijkdom in God gaat!