Posts tonen met het label Gods Vaderhart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gods Vaderhart. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

dinsdag 20 januari 2015

Uithuilen aan Gods Vaderhart

"Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen."
1 Koningen 19 : 4

Elia is gevlucht uit het Noorden, door Samaria en Judea, tot Berseba aan Kanaäns zuidergrens.

Soms verlies ik me in details. Zoals hier, in deze geschiedenis: was er een profetenschool waar Elia zijn jongen achterliet? Ik wilde weten waar hij hem achterliet. Hij moet dat met een doel hebben gedaan. Ik kwam het niet te weten. Maar ik geloof dat Elia hem veilig achterliet. Zeker. Echter, ik vond wel iets anders, aangrijpends – een herkenbaar plaatje – en wil het je doorgeven. Een antwoord op de vraag: was Elia ook zijn uitzicht kwijt? Kun je zo'n vlucht maken en tóch op de HEERE betrouwen?

De richting van Elia's vlucht

We zagen Elia fier en onverschrokken op de Karmel. En we zien hem hier in zijn vlucht naar het zuiden als een geslagen hond. Is dit dezelfde Elia? Zal zijn knecht de hele weg gezwegen hebben? Zullen ze woorden hebben gewisseld? Heeft hij gezwegen tegen zijn jongen, terwijl hij in zijn hoofd een plan van zelfmoord uitbroedde? Wilde hij zijn jongen wegstoppen voor wat hij zelf ging meemaken? Ooit zag ik een film, waarin een oude vrouw die zeer ziek was, een hoge berg beklom om er daarboven te sterven. Haar vriendinnen volgden haar tot op een zekere hoogte; toen wees ze hen terug. Ze wilde deze weg alleen gaan en in eenzaamheid sterven. Was het zo bij Elia?
Ik kreeg een stuk van het boek 'Wagen Israëls en zijn ruiteren' van de markante – aanvankelijk hervormde en later gereformeerde – ds. J.C. Sikkel onder ogen en het raakte me, vlijmscherp en peilloos diep!

ds. J.C. Sikkel

Elia heeft een groot wonder mogen doen op de Karmel; dat wonder heeft het volk in beweging gebracht en heeft wellicht Achab aan het twijfelen gebracht, maar de granieten goddeloze Izébel is er niet van onder de indruk. En juist die ene halstarrige blijft bij Elia haken! "Wat heeft hij nog langer in Jizreël te zoeken?" vraagt ds. Sikkel zich af? (Prik alsjeblieft door de taal van 100 jaar geleden heen en zet je ertoe te begrijpen wat deze predikant je wil zeggen).
"Elia is op Izebels dreiging van Jizreël gevloden, om zijns levens wil. Hij is gevlucht uit het Noorden, door Samaria en Judea, tot Berseba aan Kanaäns zuidergrens. Daar heeft hij zijn knecht achtergelaten en is van Israëls bodem gescheiden. In de woestijn, die zich zuidwaarts naar Sinaï en Egypte uitbreidt, is Elia getrokken, een dagreis ver.
Hier zoekt hem niemand. Hier is Elia veilig. En hier is hij eenzaam. Hij zet zich hier onder een “jeneverboom”, één der hooggewassen bremstruiken, die in deze streken de vlakte breken, en die met eenige schaduw en beschutting tegen zon en wind haar bessen tot lafenis bieden.
Hier zit Elia neer; hier vindt hij rust in het eenzaam uitzien, al beroert de dreiging nog zijn ziel. Elia gevoelt zich hier aan het einde van zijn levensweg en levenstaak; en hij zucht hier zijn ziel uit tot den Heere, om hier en thans te mogen sterven doordat de Heere zelf zijn ziel wegneemt: “Het is genoeg! Neem nu, Heere! mijn ziel! want ik ben niet beter dan mijn vaderen!”
Zoo heeft Elia zich, na zijn ziel den Heere bevolen te hebben, hier te slapen neergelegd, om te sterven."

De visie in Elia's vlucht

Wie Elia echter wil schetsen als een depressieveling, of iemand met een burn-out, vindt weliswaar aanknopingspunten voor die visie, maar doet tekort aan de echte Elia. Ik haast me om nog meer te citeren uit het boek van ds. Sikkel:
"We hebben hier zeker eenigermate een tegenbeeld van den Elia op den Karmel. Zij, die het Woord Gods en het leven der genade in den dienst des Heeren niet verstaan, spelen die twee tegen elkaar uit met de bewering, dat het ééne beeld van Elia het andere onmogelijk maakt, en dus niet beide tegelijk waar kunnen zijn. Bij het waarachtige licht van Gods Woord ziende zullen wij echter veeleer getuigen, dat het ééne beeld voor de waarheid van het andere instaat; deze twee kunnen elkaar in zekeren zin niet missen; het ééne is niet te verklaren zonder het andere.
Reeds een zekere geestelijke inzinking, terugbuiging of ontspanning, die bij Elia op de hooge spanning van den Karmeldag volgt, is zielkundig alleszins verklaarbaar en schier noodzakelijk; en die ontspanning of terugbuiging moest dan wel in zekeren zin in haar kracht aan de voorgaande spanning evenredig zijn.

Hiermee is echter veel te weinig gezegd en verklaard; te weinig en te veel. Wij moeten verstaan, dat Elia’s strijd in den Naam des Heeren Israël gold in volk en koningshuis, en daarmee de eere van den levenden God tegenover de afgodische volken rondom en tegenover de vereerders van Baäl en Astarte in het bizonder.
Heel Elia’s zending en taak was die strijd. Daarom is zijn optreden gezet in het teeken van den regen, dien de Heere zou weren van de aarde en dien Hij te Zijner tijd van den hemel geven zou.
Zóó kwam de groote dag op den Karmel, waar Elia tegenover Achab en Israël en tegenover de vereering van Baäl voor den Heere stond, nadat in heel Israëls Tienstammenrijk des Heeren altaren verbroken en Zijn vereerders uitgeroeid waren.
In den grooten strijd op den Karmel heeft de Heere gezegepraald en is Zijn profeet gerechtvaardigd voor de conscientiën van koning en volk. De Heere heeft Zich de levende God betoond na Baäls beschaming; en Israël heeft Hem beleden.
Toen is de kracht van den Baäldienst in het dooden van Baäls profeten gebroken; en de regen des Heeren is gestroomd van den hemel over heel Israëls bodem, mensch en beest en aardrijk zegenend. Door de kracht des Heeren aangegrepen en juichend over zijn volk is Elia vóór Achab heen in Jizreël gekomen.
En toen – toen bleek daar in Jizreël in Izebel de ongerechtigheid onverbrekelijk en voor het dooden van den profeet des Heeren niet terug te deinzen. Alle hoop op den zwakken laffen Achab verging en ook de hope voor Israël verging mee bij den profeet. Elia’s taak was ten einde toe volvoerd; – en het scheen voor het oogenblik wel alles tevergeefs.

Wat heeft Elia dan nog in Jizreël te doen Wat heeft hij dan nog te doen in Israël! Zóó zal hij straks lagen bij Horeb, en zóó is zijn zielestemming bij zijn ontvlieden van Jizreël en Kanaän.
Zeker, Elia vlucht om zijns levens wil. Maar het is niet, omdat hij den dood vreest. Neen, sterven wil hij; te sterven begeert hij in de woestijn; hij bidt daar, om te mogen sterven, en hij maakt geen aanspraak, om te mogen leven tot zijn rechtvaardiging. Alleen, hij wil sterven doordat de Heere zijn ziel neemt.
Elia wil niet sterven door Izebel; hij, die de eere van den Naam des Heeren in Israël tegen Baäl en Astarte ophief, hij wil niet, door als profeet des Heeren te vallen onder den slag van Izebel, de fanatieke beschermvrouw van Baäls dienst, dat de Naam des Heeren gelasterd zal worden in zijn dood, gelijk die geloofd is in zijn leven."

De correctie op Elia's vlucht

Zo kan het gaan, als gevoelens in je leven de overhand krijgen. Zijn dat zondige gedachten? Hoe eenzaam kun je je voelen, hoe zwaar drukt het vreemdelingschap hier op aarde. Je voelt aan alles: ik hoor hier niet. Er is zoveel onrecht, zoveel goddeloosheid (niet in de laatste plaats in je eigen hart!). Echter, de balans is zoek. Het verlangen om ontbonden te zijn en met Christus te zijn is weliswaar legitiem, maar niet op die momenten: sterven is geen escape, maar een doorgang op Gods tijd naar het eeuwige leven! En dat verschil ben je op zo'n moment soms uit het oog verloren. Luisteren we tenslotte nog naar diepe woorden van ds. Sikkel daarover: 
"En zóó zal Elia ook niet sterven; zoo mag hij niet sterven; neen, zijn einde zal een getuigenis in Israël blijven, gelijk zijn leven een getuigenis voor den Heere was. Dat weet Elia niet; maar nu de taak, die de Heere hem in Israël heeft opgelegd, volbracht is, en de goddeloosheid in Jizreël volhardt, nu ontvlucht Elia Izebel vluchtend tot den Heere in de woestijneenzaamheid, en smeekend, om daar eenzaam bij zijn God te mogen sterven.
Neen, hier is bij Elia geen inzinking zonder geloof, geen vertwijfeling, geen daad zonder beraad, – al buigt in de eenzaamheid der woestijn Elia’s ziel, nu zich loslatend in smartvollen weedom, voor den Heere diep ter neer, snikkend smeekend om te mogen sterven.
Die smartvolle nederbuiging in weeklacht teekent ons den profeet des Heeren in de woestijn. Zeker, Elia is hier aan het einde van zijn kracht; hij klaagt hier in zieledroefheid en levensweerzin.
Maar Elia is hier in de woestijn voor het aangezicht des Heeren. Hij is hier eenzaam. Geen menschenoog bespiedt hem hier; geen menschenoor beluistert hier zijn zielesnikken. Hier is geen gevaar voor lastering van des Heeren Naam; hier is Elia alleen bij den Heere.
Tenslotte trekt ds. Sikkel de geschiedenis naar ons toe. Herken je er iets van? Luister dan naar zijn zachte, welgemeende en terechte correctie:
Zeker, er is een einde aan onze levenstaak voor den Heere, voor Zijn Naam en Woord, al kunnen wij ons in dat einde als Elia vergissen. Er is een einde ook aan de kracht, die door de genade des Heeren ons verleend is. O ja, en zeker, dan moeten wij ons terugtrekken; dan moeten wij ons onttrekken aan menschenoog. Dan mogen wij in eenzaamheid vluchten tot den Heere. En ja, dan mogen wij ook in onze woestijn in zekeren zin onze ziele voor den Heere laten gaan, al kan zij te ver gaan; en al gaat zij ook in haar klagend wegvlieten voor den Heere allicht te ver.

Er is een willen sterven ook na groote geestelijke levensworsteling, die op de blindheid en de onbekeerlijkheid der menschen stuit. Er is een stervensverlangen, ja er kan een smeekende zucht zijn, om te mogen sterven; immers een begeerte om ontbonden te worden en met Christus te mogen zijn; maar ook een innig heimwee, om alleen met den Heere, ver van alle menschen, te mogen sterven en tot de rust te mogen ingaan.
Dit kan te ver gaan, en het gaat allicht bij ons, zwakken, te ver na groote spanning en in diepe zielesmart. Maar het is niet enkel zwakheid, die hierin spreekt.
Ook hierin ontbreekt niet geheel de waarachtige daad der zielewijding aan den Heere bij hen, die naar lichaam en ziel Hem ten dienst zijn overgegeven.
Alle groote mannen Gods, allen, die waarlijk den grooten geestelijken heldenstrijd geestelijk gestreden hebben, zij hebben hun vluchten gekend tot den Heere, hun ver terugwijken in zieleëenzaamheid, in donkere nachten, en op verren afstand van het levensgewoel, om te mogen spreken en klagen, te mogen zuchten en smeeken, wat ze onder de menschen nooit zeggen of klagen wilden noch konden, en ook niet mochten.
Ook de Heere Jezus Christus Zelf, Gods Zoon in Zijn Middelaarsvernedering in de dagen Zijns vleesches, had Zijn nachten op de bergen; en Hij heeft Zijn klacht gehad, eenmaal eenzaam in Getsémané, ja zelfs om onzentwille openbaar aan Zijn kruis.

Bij den Heere, in de eenzaamheid, voor Zijn oor en hart, daar mogen wij, ook mannen, schreien en snikken; daar mogen we klagen en smeeken; daar mogen we het harnas onzer ziele losgespen, en haar strijdensmoe laten zinken aan de voeten des Heeren.
Toch, wij zwakken, wij gaan daarin te ver. Wij willen daarin dan slapen en wegslapen, voor altoos ontslapen aan ons levensleed, onbegeerig om ooit weer moed te hebben, en in gevaar om te wanhopen aan de vrucht van ons leven.
De Heere waakt echter ook dan over wie Hem in oprechtheid vreezen en dienen. Hij is ook in onze woestijn bij ons, en Hij waakt ook daar over ons. Hij laat ons wel even slapen en rusten; maar Hij wekt ons dan weer. Hij voedt en verkwikt dan weer onze ziele. Hij leert ons dan weer leven; en Hij richt ons eindelijk weer op, opdat we onzen weg vervolgen, om weer Zijn aangezicht te zien en Zijn Woord te dienen.

Zoo komt in het einde Elia weer in de woestijn uit; zoo komt hij op Horeb; en zoo komt hij ook weer uit de woestijn, als de man Gods, die de eere des Heeren in Israël draagt.
Zoo zijn Gods helden, met verteederd oog, uit de eenzaamheid van hun zielsnood weergekeerd, met nieuwe olie gezalfd!
En zoo richt de Heere ook nog ons hoofd omhoog, en richt Hij weer onzen voet, om in het land der levenden te wandelen voor de eere van Zijn Naam en Woord."
Wat een heerlijk ontwaken; nadat je aan Gods Vaderhart bent uitgesnikt en uitgerust, weer te gaan in Zijn kracht. Veertig dagen… of langer!