Posts tonen met het label Bersheba. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bersheba. Alle posts tonen

dinsdag 23 mei 2017

Terug naar Gods beloften

"Toen keerde Abraham weder tot zijn jongens,
en zij maakten zich op en zij gingen tezamen naar Berséba;
en Abraham woonde te Berséba."
Genesis 22 : 19

De Abrahams-put bij Berséba


Je zou dit vers zomaar kunnen overslaan. Je zou dan ook zomaar over de dubbele attendering op de geografische locatie kunnen heenlezen. Zomaar tweemaal 'Berséba' in 1 tekst… waarom? Toen ik een artikel over Berséba las, werd mijn aandacht er des te meer door getrokken. Hier staat meer dan je op het eerste gezicht leest!

De feitelijke weergave is: Abraham sjokte de berg weer af (over Izak wordt helemaal gezwegen, lijkt het wel!), voegde zich weer bij zijn knechten, beklom zijn rijdier en gezamenlijk reden ze terug naar huis. Het klinkt haast als de aftiteling van een film, nog even een afsluitende opmerking en dan is het verhaal klaar. Maar… er is meer aan de hand. Hier wordt alvast een stip op een volgende horizon gezet en… er wordt ook wat in herinnering gebracht!

Terugkeer

Het eerste dat me opviel was: waarom wordt Izak niet genoemd? Abraham is de actieve persoon; híj keert terug bij zijn knechten, onderaan de berg. Hoe lang zullen ze weggeweest zijn? Hoe lang hebben ze daar boven op de berg (of op het tussenplateau in het gebergte) doorgebracht? Een uur? Een ochtend of middag? Een halve dag? Dagen? Ik weet het eerlijk gezegd niet; de tijd is me ontschoten, toen ik in het verhaal werd meegenomen.
Maar hoe lang ze ook boven zijn geweest, ze moesten weer terug, Abraham zowel als Izak. Als liepen ze de Berg der Verheerlijking af, terug de rauwe werkelijkheid in. God was zó dichtbij! De geloofsbeleving was zó intens. Het was zó goed om daar te zijn met de HEERE. Maar ze moeten weer terug! Terug naar de knechten is ook terug naar het dagelijks werk. Met nog een lange reis voor de boeg. Maar… niet alles is weer gewoon zoals het was. Er is nogal wat gebeurd en dat moet merkbaar zijn geweest, lijkt me.
Ik vraag me dan toch af: hoe zal Izak terug zijn gekomen? Toen hij de knechten weer in de ogen keek, zal hij onbewogen op zijn rijdier zijn gaan zitten? Of hebben ze de ervaring van daarstraks gedeeld met de knechten? Dat kan toch haast niet anders?
Misschien wel een les voor ons: hoe komen wij uit de kerk? Dicht bij God geweest, misschien wel in de tweede of derde hemel opgetrokken; een intens verlangen naar de HEERE doorkliefde je hart… maar is het dan: "Koffie?" of wordt dit ook gedeeld?

Terugreis

De terugreis wordt aanvaard. Hoe anders zal die reis zijn geweest! Met een brok lood in zijn maag is Abraham begonnen aan de heenreis, maar met een heliumballon in zijn hart springt hij nu op zijn ezel. Misschien zal hij wel een lied hebben ingezet, dat ze allen kenden. Een gezongen gebed om Jaweh te loven en de danken. Abraham, Izak en ook die knechten droegen het verbondsteken van Jaweh aan hun lichamen. Ze waren in Gods verbond opgenomen; dus God was geen onbekende voor hen!
Abraham zal hebben verlangd naar huis, naar Sarah. Hoewel… dat is nog maar de vraag. Hij zal haar toch hebben moeten vertellen wat ze zijn wezen doen. Het komt mij voor dat Abraham vooraf niets heeft gezegd tegen zijn vrouw. Als hij dat wel zou hebben gedaan, zou ze pal voor hem zijn gaan staan. Al eerder pakte ze hem aan, toen hij niet wilde ingrijpen in de situatie rond Hagar en Ismaël. Haar kind laten slachten? Was Abraham zijn verstand kwijt? Er zijn geschriften die vertellen dat er door deze geschiedenis een afstand kwam tussen Sarah en Abraham. Ik weet het niet; het staat niet in de Bijbel. In ieder geval wordt in dit vers duidelijk dat ze terugreizen naar… Berséba. בְּאֵר שֶׁ֫בַע Eigenlijk: Beersheba, dat je uitspreekt als 'beehr sjeeh-vhaah'. Het eerste stukje van deze naam 'beehr' betekent 'put' of 'bron'; het tweede deel 'sjeeh-vhaah' betekent 'eed' of 'het zweren'; het is de plek die voor Abraham en Izak een diepe betekenis had: 'de put van de eed'. Hoe zat dat?


Terugblik

We kennen de kwestie tussen Abraham en Abimelech, de koning van Gerar (het land van de latere Filistijnen). Abraham had zich kwalijk gedragen jegens hem, maar na die geschiedenis ontstaat er ruzie over een put die Abraham had gegraven, maar die de knechten van Abimelech wilden inpikken. Toen werd er door Abimelech gezworen dat die put Abraham toebehoorde. De eed legde alle tegenspreken het zwijgen op. De put was het tastbare bewijs: het is écht zo!
Met die geschiedenis eindigde Genesis 21 dus. En we lezen dat Abraham er een bos plantte waar hij de naam van God aanriep; denk aan dankoffer en aanbidding. En voor dat je nu denkt: die put was dus toch een bezit voor Abraham: nee, want er staat aan het einde dat hij er woonde als vreemdeling. Dus geen veiligstellen van de beloofde zaken, maar een leven uit de belofte: geloven dus!
Daar begon 'onze geschiedenis' in Genesis 22, die we de afgelopen tijd hebben overdacht. Vanaf Berséba vertrok Abraham naar Moria en nu keert hij er weer naar terug. Maar wie nu denk dat dat een feitelijke mededeling is, vergist zich.
God beloofde ook iets daar boven op de berg. God zwoer ook een eed, bij Zichzelf, weet je nog? En nu moet Abraham weer terug naar die 'put van de eed', een perfecte stilteplek om Gods beloften te overdenken en er werkzaam mee te zijn. Want God had zegen beloofd aan Abraham, aan zijn nageslacht én aan de volken. Dat is geen pakketje dat je zo even weglegt in de kast! Gods beloften zijn er om er alvast, met eerbied, 'voorpret' mee te hebben en uit te zien naar de vervulling ervan. Dus beloften zijn er om actief mee bezig te zijn in het gebed, door heel je leven heen. Vooruitblikken krijgt een diepere dimensie, wanneer je kunt terugblikken op Gods beloften aangaande die toekomst.

'Put van de eed'… zou je het doopvont niet ook zo kunnen noemen? En wordt er op Golgotha niet een 'put der belofte' geopend waarin het pak van je zonden voorgoed verdwijnt? Is dat niet de essentie van het Heilig Avondmaal? En zijn er niet veel meer plaatsen en momenten in je leven, waar God in Zijn Woord bevestigde en bevestigt wat Hij beloofd heeft. Het verlangen naar de vervulling wordt door God op een meesterlijke manier 'gaande gehouden'. "Wanneer komt die dag…" Die dag, die was beloofd; die belofte van die dag, waarop je mag terugblikken; zodat de blik weer helder wordt en de toekomst scherp wordt afgetekend:


Ooit komt er een dag dat de hemel openbreekt
en de doden zullen opstaan.
Ooit komt er een dag dag dat U terug komt op een wolk
en dat U kijkt met ogen, stralend als de zon.

Ooit zal het zo zijn dat we leven in een stad,
waar geen pijn en geen verdriet is.
Ooit zal het zo zijn als we komen in die stad,
dat de vader onze tranen wist.

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Ooit zal het zo zijn dat we leven in een stad,
waar geen pijn en geen verdriet is.
Ooit zal het zo zijn als we komen in die stad,
dat de vader onze tranen wist.

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Ik verlang zo naar die dag dat ik neerkniel aan uw voeten
en ik u mag herkennen aan uw stem
als we samen hand in hand het hemels paradijs betreden,
zal ik eeuwig mogen zijn waar u bent

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk

Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Tot aan die dag wil ik weten wie u bent...

dinsdag 20 januari 2015

Uithuilen aan Gods Vaderhart

"Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen."
1 Koningen 19 : 4

Elia is gevlucht uit het Noorden, door Samaria en Judea, tot Berseba aan Kanaäns zuidergrens.

Soms verlies ik me in details. Zoals hier, in deze geschiedenis: was er een profetenschool waar Elia zijn jongen achterliet? Ik wilde weten waar hij hem achterliet. Hij moet dat met een doel hebben gedaan. Ik kwam het niet te weten. Maar ik geloof dat Elia hem veilig achterliet. Zeker. Echter, ik vond wel iets anders, aangrijpends – een herkenbaar plaatje – en wil het je doorgeven. Een antwoord op de vraag: was Elia ook zijn uitzicht kwijt? Kun je zo'n vlucht maken en tóch op de HEERE betrouwen?

De richting van Elia's vlucht

We zagen Elia fier en onverschrokken op de Karmel. En we zien hem hier in zijn vlucht naar het zuiden als een geslagen hond. Is dit dezelfde Elia? Zal zijn knecht de hele weg gezwegen hebben? Zullen ze woorden hebben gewisseld? Heeft hij gezwegen tegen zijn jongen, terwijl hij in zijn hoofd een plan van zelfmoord uitbroedde? Wilde hij zijn jongen wegstoppen voor wat hij zelf ging meemaken? Ooit zag ik een film, waarin een oude vrouw die zeer ziek was, een hoge berg beklom om er daarboven te sterven. Haar vriendinnen volgden haar tot op een zekere hoogte; toen wees ze hen terug. Ze wilde deze weg alleen gaan en in eenzaamheid sterven. Was het zo bij Elia?
Ik kreeg een stuk van het boek 'Wagen Israëls en zijn ruiteren' van de markante – aanvankelijk hervormde en later gereformeerde – ds. J.C. Sikkel onder ogen en het raakte me, vlijmscherp en peilloos diep!

ds. J.C. Sikkel

Elia heeft een groot wonder mogen doen op de Karmel; dat wonder heeft het volk in beweging gebracht en heeft wellicht Achab aan het twijfelen gebracht, maar de granieten goddeloze Izébel is er niet van onder de indruk. En juist die ene halstarrige blijft bij Elia haken! "Wat heeft hij nog langer in Jizreël te zoeken?" vraagt ds. Sikkel zich af? (Prik alsjeblieft door de taal van 100 jaar geleden heen en zet je ertoe te begrijpen wat deze predikant je wil zeggen).
"Elia is op Izebels dreiging van Jizreël gevloden, om zijns levens wil. Hij is gevlucht uit het Noorden, door Samaria en Judea, tot Berseba aan Kanaäns zuidergrens. Daar heeft hij zijn knecht achtergelaten en is van Israëls bodem gescheiden. In de woestijn, die zich zuidwaarts naar Sinaï en Egypte uitbreidt, is Elia getrokken, een dagreis ver.
Hier zoekt hem niemand. Hier is Elia veilig. En hier is hij eenzaam. Hij zet zich hier onder een “jeneverboom”, één der hooggewassen bremstruiken, die in deze streken de vlakte breken, en die met eenige schaduw en beschutting tegen zon en wind haar bessen tot lafenis bieden.
Hier zit Elia neer; hier vindt hij rust in het eenzaam uitzien, al beroert de dreiging nog zijn ziel. Elia gevoelt zich hier aan het einde van zijn levensweg en levenstaak; en hij zucht hier zijn ziel uit tot den Heere, om hier en thans te mogen sterven doordat de Heere zelf zijn ziel wegneemt: “Het is genoeg! Neem nu, Heere! mijn ziel! want ik ben niet beter dan mijn vaderen!”
Zoo heeft Elia zich, na zijn ziel den Heere bevolen te hebben, hier te slapen neergelegd, om te sterven."

De visie in Elia's vlucht

Wie Elia echter wil schetsen als een depressieveling, of iemand met een burn-out, vindt weliswaar aanknopingspunten voor die visie, maar doet tekort aan de echte Elia. Ik haast me om nog meer te citeren uit het boek van ds. Sikkel:
"We hebben hier zeker eenigermate een tegenbeeld van den Elia op den Karmel. Zij, die het Woord Gods en het leven der genade in den dienst des Heeren niet verstaan, spelen die twee tegen elkaar uit met de bewering, dat het ééne beeld van Elia het andere onmogelijk maakt, en dus niet beide tegelijk waar kunnen zijn. Bij het waarachtige licht van Gods Woord ziende zullen wij echter veeleer getuigen, dat het ééne beeld voor de waarheid van het andere instaat; deze twee kunnen elkaar in zekeren zin niet missen; het ééne is niet te verklaren zonder het andere.
Reeds een zekere geestelijke inzinking, terugbuiging of ontspanning, die bij Elia op de hooge spanning van den Karmeldag volgt, is zielkundig alleszins verklaarbaar en schier noodzakelijk; en die ontspanning of terugbuiging moest dan wel in zekeren zin in haar kracht aan de voorgaande spanning evenredig zijn.

Hiermee is echter veel te weinig gezegd en verklaard; te weinig en te veel. Wij moeten verstaan, dat Elia’s strijd in den Naam des Heeren Israël gold in volk en koningshuis, en daarmee de eere van den levenden God tegenover de afgodische volken rondom en tegenover de vereerders van Baäl en Astarte in het bizonder.
Heel Elia’s zending en taak was die strijd. Daarom is zijn optreden gezet in het teeken van den regen, dien de Heere zou weren van de aarde en dien Hij te Zijner tijd van den hemel geven zou.
Zóó kwam de groote dag op den Karmel, waar Elia tegenover Achab en Israël en tegenover de vereering van Baäl voor den Heere stond, nadat in heel Israëls Tienstammenrijk des Heeren altaren verbroken en Zijn vereerders uitgeroeid waren.
In den grooten strijd op den Karmel heeft de Heere gezegepraald en is Zijn profeet gerechtvaardigd voor de conscientiën van koning en volk. De Heere heeft Zich de levende God betoond na Baäls beschaming; en Israël heeft Hem beleden.
Toen is de kracht van den Baäldienst in het dooden van Baäls profeten gebroken; en de regen des Heeren is gestroomd van den hemel over heel Israëls bodem, mensch en beest en aardrijk zegenend. Door de kracht des Heeren aangegrepen en juichend over zijn volk is Elia vóór Achab heen in Jizreël gekomen.
En toen – toen bleek daar in Jizreël in Izebel de ongerechtigheid onverbrekelijk en voor het dooden van den profeet des Heeren niet terug te deinzen. Alle hoop op den zwakken laffen Achab verging en ook de hope voor Israël verging mee bij den profeet. Elia’s taak was ten einde toe volvoerd; – en het scheen voor het oogenblik wel alles tevergeefs.

Wat heeft Elia dan nog in Jizreël te doen Wat heeft hij dan nog te doen in Israël! Zóó zal hij straks lagen bij Horeb, en zóó is zijn zielestemming bij zijn ontvlieden van Jizreël en Kanaän.
Zeker, Elia vlucht om zijns levens wil. Maar het is niet, omdat hij den dood vreest. Neen, sterven wil hij; te sterven begeert hij in de woestijn; hij bidt daar, om te mogen sterven, en hij maakt geen aanspraak, om te mogen leven tot zijn rechtvaardiging. Alleen, hij wil sterven doordat de Heere zijn ziel neemt.
Elia wil niet sterven door Izebel; hij, die de eere van den Naam des Heeren in Israël tegen Baäl en Astarte ophief, hij wil niet, door als profeet des Heeren te vallen onder den slag van Izebel, de fanatieke beschermvrouw van Baäls dienst, dat de Naam des Heeren gelasterd zal worden in zijn dood, gelijk die geloofd is in zijn leven."

De correctie op Elia's vlucht

Zo kan het gaan, als gevoelens in je leven de overhand krijgen. Zijn dat zondige gedachten? Hoe eenzaam kun je je voelen, hoe zwaar drukt het vreemdelingschap hier op aarde. Je voelt aan alles: ik hoor hier niet. Er is zoveel onrecht, zoveel goddeloosheid (niet in de laatste plaats in je eigen hart!). Echter, de balans is zoek. Het verlangen om ontbonden te zijn en met Christus te zijn is weliswaar legitiem, maar niet op die momenten: sterven is geen escape, maar een doorgang op Gods tijd naar het eeuwige leven! En dat verschil ben je op zo'n moment soms uit het oog verloren. Luisteren we tenslotte nog naar diepe woorden van ds. Sikkel daarover: 
"En zóó zal Elia ook niet sterven; zoo mag hij niet sterven; neen, zijn einde zal een getuigenis in Israël blijven, gelijk zijn leven een getuigenis voor den Heere was. Dat weet Elia niet; maar nu de taak, die de Heere hem in Israël heeft opgelegd, volbracht is, en de goddeloosheid in Jizreël volhardt, nu ontvlucht Elia Izebel vluchtend tot den Heere in de woestijneenzaamheid, en smeekend, om daar eenzaam bij zijn God te mogen sterven.
Neen, hier is bij Elia geen inzinking zonder geloof, geen vertwijfeling, geen daad zonder beraad, – al buigt in de eenzaamheid der woestijn Elia’s ziel, nu zich loslatend in smartvollen weedom, voor den Heere diep ter neer, snikkend smeekend om te mogen sterven.
Die smartvolle nederbuiging in weeklacht teekent ons den profeet des Heeren in de woestijn. Zeker, Elia is hier aan het einde van zijn kracht; hij klaagt hier in zieledroefheid en levensweerzin.
Maar Elia is hier in de woestijn voor het aangezicht des Heeren. Hij is hier eenzaam. Geen menschenoog bespiedt hem hier; geen menschenoor beluistert hier zijn zielesnikken. Hier is geen gevaar voor lastering van des Heeren Naam; hier is Elia alleen bij den Heere.
Tenslotte trekt ds. Sikkel de geschiedenis naar ons toe. Herken je er iets van? Luister dan naar zijn zachte, welgemeende en terechte correctie:
Zeker, er is een einde aan onze levenstaak voor den Heere, voor Zijn Naam en Woord, al kunnen wij ons in dat einde als Elia vergissen. Er is een einde ook aan de kracht, die door de genade des Heeren ons verleend is. O ja, en zeker, dan moeten wij ons terugtrekken; dan moeten wij ons onttrekken aan menschenoog. Dan mogen wij in eenzaamheid vluchten tot den Heere. En ja, dan mogen wij ook in onze woestijn in zekeren zin onze ziele voor den Heere laten gaan, al kan zij te ver gaan; en al gaat zij ook in haar klagend wegvlieten voor den Heere allicht te ver.

Er is een willen sterven ook na groote geestelijke levensworsteling, die op de blindheid en de onbekeerlijkheid der menschen stuit. Er is een stervensverlangen, ja er kan een smeekende zucht zijn, om te mogen sterven; immers een begeerte om ontbonden te worden en met Christus te mogen zijn; maar ook een innig heimwee, om alleen met den Heere, ver van alle menschen, te mogen sterven en tot de rust te mogen ingaan.
Dit kan te ver gaan, en het gaat allicht bij ons, zwakken, te ver na groote spanning en in diepe zielesmart. Maar het is niet enkel zwakheid, die hierin spreekt.
Ook hierin ontbreekt niet geheel de waarachtige daad der zielewijding aan den Heere bij hen, die naar lichaam en ziel Hem ten dienst zijn overgegeven.
Alle groote mannen Gods, allen, die waarlijk den grooten geestelijken heldenstrijd geestelijk gestreden hebben, zij hebben hun vluchten gekend tot den Heere, hun ver terugwijken in zieleëenzaamheid, in donkere nachten, en op verren afstand van het levensgewoel, om te mogen spreken en klagen, te mogen zuchten en smeeken, wat ze onder de menschen nooit zeggen of klagen wilden noch konden, en ook niet mochten.
Ook de Heere Jezus Christus Zelf, Gods Zoon in Zijn Middelaarsvernedering in de dagen Zijns vleesches, had Zijn nachten op de bergen; en Hij heeft Zijn klacht gehad, eenmaal eenzaam in Getsémané, ja zelfs om onzentwille openbaar aan Zijn kruis.

Bij den Heere, in de eenzaamheid, voor Zijn oor en hart, daar mogen wij, ook mannen, schreien en snikken; daar mogen we klagen en smeeken; daar mogen we het harnas onzer ziele losgespen, en haar strijdensmoe laten zinken aan de voeten des Heeren.
Toch, wij zwakken, wij gaan daarin te ver. Wij willen daarin dan slapen en wegslapen, voor altoos ontslapen aan ons levensleed, onbegeerig om ooit weer moed te hebben, en in gevaar om te wanhopen aan de vrucht van ons leven.
De Heere waakt echter ook dan over wie Hem in oprechtheid vreezen en dienen. Hij is ook in onze woestijn bij ons, en Hij waakt ook daar over ons. Hij laat ons wel even slapen en rusten; maar Hij wekt ons dan weer. Hij voedt en verkwikt dan weer onze ziele. Hij leert ons dan weer leven; en Hij richt ons eindelijk weer op, opdat we onzen weg vervolgen, om weer Zijn aangezicht te zien en Zijn Woord te dienen.

Zoo komt in het einde Elia weer in de woestijn uit; zoo komt hij op Horeb; en zoo komt hij ook weer uit de woestijn, als de man Gods, die de eere des Heeren in Israël draagt.
Zoo zijn Gods helden, met verteederd oog, uit de eenzaamheid van hun zielsnood weergekeerd, met nieuwe olie gezalfd!
En zoo richt de Heere ook nog ons hoofd omhoog, en richt Hij weer onzen voet, om in het land der levenden te wandelen voor de eere van Zijn Naam en Woord."
Wat een heerlijk ontwaken; nadat je aan Gods Vaderhart bent uitgesnikt en uitgerust, weer te gaan in Zijn kracht. Veertig dagen… of langer!

zondag 18 januari 2015

Elia's zorg voor zijn hachje en zijn jongen

"…en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar."
1 Koningen 19 : 3b

Kaart van Israël om de genoemde plaatsen eens op te zoeken

Gisteren zagen we Elia met zijn jonge knecht de poort van Jizreél uitsnellen. Ze zijn op de vlucht voor Izébel. Waar Abraham gehoorzaam zijn zoon offerde in de verwachting dat God Izaäk wel uit de doden kon opwekken (Hebreeën 11 : 18), daar is bij Elia alle vertrouwen weg. Maar al die invloedrijke Baälsprofeten zijn toch uitgeschakeld? Elia focust echter alleen op Izébel en haar gezworen wraak.

Geen doel

Maar waar gaat Elia heen? Achab had al drieénhalf jaar zijn gebied afgestroopt om Elia te vinden. Waar was Elia tóen? Eerst aan de beek Krith. Daar had God hem verborgen gehouden, onvindbaar voor Achab. De Krith is een zijtak van de Jordaan, aan de onderkant van het land van Gilead. Grofweg dezelfde afstand tussen Jizreël en het berggebied van Karmel (in het noordwesten), zat er tussen Jizreël en de beek Krith, maar dan naar het zuidwesten. Een kilometer of vijftig. 
Toen ik het op de kaart zag, verbaasde het me dat Achab Elia niet heeft kunnen vinden. Zo dichtbij. Obadja wist er alles van, hoe verwoed Achab had gezocht. Blijkbaar was het een goede schuilplek geweest. Ging Elia er nu weer heen terug? Welnee, in razende vaart is hij naar het zuiden gegaan. Sommigen vermoeden langs de kust, anderen denken toch aan de doorgaande weg midden door Israël. Helemaal onderaan, vlak voordat hij de Negevwoestein in zou gaan, houdt hij halt in de plaats Bersheba. Maar het heeft er veel van weg dat hij in blinde angst, zonder doel is weggevlucht.

Geen knecht

Er zijn mensen die hieruit opmaken dat Elia aan een depressie of een burn-out leed. Er zitten zeker herkenbare dingen in zijn houding en gedrag, maar of het dat is weet ik niet. Waar Petrus nog riep "Heere, red mij", daar horen we Elia zeggen "laat me maar sterven". In zijn gedachten is hij verder dan je denkt. Als hij een forse prestatie heeft geleverd door helemaal naar Bersheba te reizen, is er onderweg iets in zijn innerlijk gebeurd. 
Van een vlucht uit Jizreël is het tot een vlucht uit het leven gekomen. Maar daar wil hij zijn jongen niet bij hebben. Hij brengt hem onder op een vertrouwd adres in Bersheba. Het heeft er alles van weg dat ze onderweg weinig of niets hebben gegeten. Hij heeft echter nog wel de tegenwoordigheid van geest om de jongen niet mee te trekken in zijn dood. Ik werd door die toch wel tere zorg – ondanks de uitzichtloosheid van dit moment – getroffen. Zie het als Gods zorg die even zichtbaar wordt, om straks Elia een halt te gaan roepen en op het juiste spoor te zetten. Zie je hoe kwetsbaar je bent, als je je laat leiden door je eigen goeddunken (zoals we gisteren zagen)?

Geen uitzicht

Duidelijk is wel dat Elia gaandeweg tot de conclusie is gekomen dat hij weg moet uit het machtsgebied van Achab. Daarom staat er in onze tekst zo uitdrukkelijk "dat in Juda is". Dat is niet, omdat er een tweede Bersheba is (zoals er wel een Bethlehem in Galilea is, naast het bekende Bethlehem-Efratha in Juda). 'Juda' wil hier duidelijk maken 'het rijksgebied van de twee stammen'.
De goddeloosheid in Achabs rijk lijkt na de volksbekering nog hetzelfde. Althans, dat leidt Elia af aan Izébels reactie. Hij concludeert dat zijn ijver voor de Heere geen effect heeft gehad. Dan houdt het op. Hij keert zich naar het rijk met de Messiaanse belofte. En daar regeerde een godvrezende koning: Josafath. Ik herkende die houding van Elia: ik wil hier weg. Weg uit deze goddeloze en materialistische omgeving en mij begeven naar een plaats waar wel met God en Zijn gebod rekening wordt gehouden. Onder de vleugels van een godvrezende leidinggevende. Maar was dat ook Gods plan? Elia gaat het aanstonds leren.


Gods plan heeft toekomst, visie en geeft uitzicht, al zien wij niet altijd waar de Heere naartoe werkt. Onze visie is soms ingekleurd door onze emoties. Daarmee raken we het uitzicht kwijt. Soms laat de Heere ons een tijdje aanmodderen. Bij Elia duurde het die lange reis naar Bersheba plus 1 dag. Let er de komende dagen op hoe liefdevol de Heere Elia weer op Zijn spoor zet en een nieuwe missie geeft. En ik hoop dat jij dat ook herkent in je leven als je het zicht op de toekomst ook wel eens bent kwijtgeraakt.


Psalm 142 vers 3 en 4


Zij hebben vol arglistigheid

Een strik op mijnen weg gespreid.

'k Zag uit, in nood, ter rechterhand,

Maar vond noch vriend, noch onderstand.

'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gans ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.