Posts tonen met het label Achab. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Achab. Alle posts tonen

dinsdag 8 september 2015

Ben jij ook zo lichtschuw?


"Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht,
en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden."
Johannes 3 : 20

Wat vind je van Achab? Goddeloze man, hè? Toen Elia hem na drieëneenhalf jaar droogte opzocht kon Achab zijn bloed wel drinken; toch durfde hij de man Gods niet te vermoorden. Zelfs niet na het gebeuren op Karmel. En nadat Achab Naboths wijngaard in beslag wilde nemen, ontmoette hij Elia opnieuw. O wat irriteerde hij zich aan deze profeet! "Hebt gij mij gevonden, o, mijn vijand?" Hij had een hekel aan Elia omdat die zijn boze werken in het helle licht van Gods heiligheid stelde. Dat irriteerde hem mateloos. Hij haatte dat Licht! En toch wil ik Achab ook als positief voorbeeld nemen vandaag. Luister maar.

Het licht haten

In de paar regels intro schetste ik Achab, zoals we hem kennen uit de Bijbelverhalen. Dit is hem ten voeten uit. Man, wat had hij een hekel aan het Licht. En als klap op de vuurpijl betrapte Elia hem nog bijna op heterdaad, daar in die wijngaard van Naboth. Als een klein kind had Achab thuis liggen dreinen dat hij zijn zin niet kreeg: Naboth weigerde zijn erfgebied te verkopen. Achab haatte die mensen die de HEERE koste wat kost wilden blijven dienen. Want dat dienen van de HEERE stond zijn egocentrisch geluk in de weg. Hij wilde hebben wat hij zag… hij was toch de koning en hij bulkte toch van het geld?! Izebel was van een iets ander hout gesneden, maar even goddeloos. Zij gedroeg zich als een Bloody Mary en deinsde er niet voor terug die vrome kwezel van een Naboth uit de weg te ruimen. Wie is hier nou helemaal de baas! Als een kind zo blij huppelde Achab even later naar 'zijn' wijngaard en raad eens wie daar bij het hekje stond te wachten… Nee, hè, niet weer! Lees het allemaal maar in 1 Koningen 21.
Achab moest Elia passeren, anders kon hij 'zijn' wijngaard niet in. Hij rechtte zijn rug en 'vermande' zich door een stoere stem op te zetten: "Zo, heb je mij weer eens gevonden, o mijn vijand?!" Het spuug hoor je haast van grimmigheid uit Achabs mond spetteren. Want daar stond niet zomaar iemand; daar stond ook niet alleen maar een profeet van God, maar die man belichaamde Achabs geweten! Het zien van die man, deed diep van binnen zijn geluksgevoel verzuren. En dat haatte hij met een zinderende haat! Dood moest dat stemmetje dat tergend irritant zeurde: "Je bent een moordenaar! En God heeft alles gezien!"
Ja, inderdaad God had alles gezien en haarfijn wist Elia hem te vertellen – zonder dat hij het zelf gezien kon hebben – wat Achab op zijn geweten had: "U hebt uzelf verkocht om datgene te kunnen doen dat kwaad is in Gods ogen!" Die moord was erg; maar het 'verkopen van je ziel aan de duivel' om daarmee vrij spel te hebben, was voor God de diepste oorzaak. De mens wilde als God zijn en kunnen doen wat hij wilde, zonder ook maar ergens door gehinderd te zijn. Om dat te voorkomen liet God het geweten in de mens achter na Genesis 3. En wie zich daaraan irriteert begeeft zich op een angstaanjagend gevaarlijk pad. Want wie niet transparant wil zijn, haat het licht. Op alle terreinen: op financieel gebied, op fiscaal gebied, op bedrijfskundig gebied, op het gebied van internetsurfen, op het gebied van sjans en charme, op communicatief gebied, maar zeker ook op godsdienstig gebied. Denk aan 'de man zonder bruiloftskleed' uit de eerder genoemde gelijkenis die verstomde toen hij in de schijnwerpers werd gezet en daarna belandde in de buitenste duisternis! Hoor hem tandenknarsen daar in het duister; o, wat haatte hij ten diepste het licht, terwijl hij in de bruiloftszaal had gezeten!


Tot het licht komen

Toen ik vanmorgen naar mijn werk reed, zag ik mijn geboortedorp in de verte in de volle ochtendzon, terwijl ik zelf nog in de schaduw van een regenbui reed. Daardoor werd het zonlicht des te intenser. Het zien van dat licht, maakte me al blij; het leek haast alsof ik het al voelde. En even later voelde ik het daadwerkelijk, toen ik het zonlicht binnenreed. Het is mysterieus en tegelijk fascinerend: dat contrast van het doorbrekende felle zonlicht met de sombere schemering rondom. Ik baalde dat ik geen fototoestel bij met had.
Opeens moest ik aan de tekst van vandaag denken. Hoe is het als ik zondig en Gods licht breekt opeens door? Ervaar ik dan niet hetzelfde als Adam en Eva die God hoorden aankomen, nadat ze van de verboden vrucht hadden gegeten? "Wegwezen!", zegt je oude mens. En als je geen nieuwe mens hebt blijft het daarbij. Maar wat zegt je nieuwe mens? Johannes schrijft daar iets over in zijn eerste zendingsbrief, het eerste hoofdstuk: "Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde." Kijk, als je een fake-christen bent en je houdt de zonde nog gewoon aan de hand, zegt Johannes, dan lieg je, want dan loop je nog gewoon in de duisternis! Hij spreekt zelfs van 'wandelen', in je element zijn… Wie in de duisternis in zijn element is, moet er ten diepste niet aan denken iets met Jezus te hebben. Want dat confronteert hem met het risico in het licht te worden gesteld: alles zal openbaar worden. Zeker op de Jongste Dag. Maar wie werkelijke gemeenschap heeft met Jezus Christus, wil niets liever dan dat elke zonde openbaar wordt. Want elke zonde is een barrière tussen God en zijn ziel. En die opstakels móeten weg.

Maar nu nog even terug naar de geschiedenis met Achab. Want van Achab hebben wij een bepaald beeld: goddeloze koning. Nou inderdaad zeg, dat is me een typisch voorbeeld van een licht-hater. Jezus had hem in dit gesprek met Nicodémus als duidelijke illustratie bij deze tekst kunnen gebruiken. Ho, wacht eens even; lees eens met me mee in vers 27-29:
Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam.
En het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, den Thisbiet, zeggende:
Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Daarom dewijl hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.
Als het ware stoot de HEERE Elia aan en wijst hem op Achab: "Elia, heb je dát gezien? Achab heeft zich vernederd voor Mij!" Dat woord 'vernederen' wordt ook wel gebruikt in de betekenis van 'verootmoedigen'. Hier zien we een goddeloze koning die zich verootmoedigt voor Gods Licht. Hij bedrijft rouw. Het is niet aan ons daarover een waarde-oordeel te vellen; veeleer mogen we verblijd zijn over Gods onbegrijpelijke zondaarsliefde. Maar boven alles is Achab hier een voorbeeld voor ons. Want zijn verootmoediging was niet een los voorval: het werd gesignaleerd in de hemel en de HEERE was er opgetogen over! En dat uitte Hij tegen Zijn knecht Elia! Wat vind jij van deze voorbeeldfiguur? Heeft hij je wat te zeggen? Valt er nog wat te verootmoedigen in jouw leven? En ben je ook net zo opgetogen als de HEERE over zondaren die tot het Licht komen?

zondag 18 januari 2015

Elia's zorg voor zijn hachje en zijn jongen

"…en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar."
1 Koningen 19 : 3b

Kaart van Israël om de genoemde plaatsen eens op te zoeken

Gisteren zagen we Elia met zijn jonge knecht de poort van Jizreél uitsnellen. Ze zijn op de vlucht voor Izébel. Waar Abraham gehoorzaam zijn zoon offerde in de verwachting dat God Izaäk wel uit de doden kon opwekken (Hebreeën 11 : 18), daar is bij Elia alle vertrouwen weg. Maar al die invloedrijke Baälsprofeten zijn toch uitgeschakeld? Elia focust echter alleen op Izébel en haar gezworen wraak.

Geen doel

Maar waar gaat Elia heen? Achab had al drieénhalf jaar zijn gebied afgestroopt om Elia te vinden. Waar was Elia tóen? Eerst aan de beek Krith. Daar had God hem verborgen gehouden, onvindbaar voor Achab. De Krith is een zijtak van de Jordaan, aan de onderkant van het land van Gilead. Grofweg dezelfde afstand tussen Jizreël en het berggebied van Karmel (in het noordwesten), zat er tussen Jizreël en de beek Krith, maar dan naar het zuidwesten. Een kilometer of vijftig. 
Toen ik het op de kaart zag, verbaasde het me dat Achab Elia niet heeft kunnen vinden. Zo dichtbij. Obadja wist er alles van, hoe verwoed Achab had gezocht. Blijkbaar was het een goede schuilplek geweest. Ging Elia er nu weer heen terug? Welnee, in razende vaart is hij naar het zuiden gegaan. Sommigen vermoeden langs de kust, anderen denken toch aan de doorgaande weg midden door Israël. Helemaal onderaan, vlak voordat hij de Negevwoestein in zou gaan, houdt hij halt in de plaats Bersheba. Maar het heeft er veel van weg dat hij in blinde angst, zonder doel is weggevlucht.

Geen knecht

Er zijn mensen die hieruit opmaken dat Elia aan een depressie of een burn-out leed. Er zitten zeker herkenbare dingen in zijn houding en gedrag, maar of het dat is weet ik niet. Waar Petrus nog riep "Heere, red mij", daar horen we Elia zeggen "laat me maar sterven". In zijn gedachten is hij verder dan je denkt. Als hij een forse prestatie heeft geleverd door helemaal naar Bersheba te reizen, is er onderweg iets in zijn innerlijk gebeurd. 
Van een vlucht uit Jizreël is het tot een vlucht uit het leven gekomen. Maar daar wil hij zijn jongen niet bij hebben. Hij brengt hem onder op een vertrouwd adres in Bersheba. Het heeft er alles van weg dat ze onderweg weinig of niets hebben gegeten. Hij heeft echter nog wel de tegenwoordigheid van geest om de jongen niet mee te trekken in zijn dood. Ik werd door die toch wel tere zorg – ondanks de uitzichtloosheid van dit moment – getroffen. Zie het als Gods zorg die even zichtbaar wordt, om straks Elia een halt te gaan roepen en op het juiste spoor te zetten. Zie je hoe kwetsbaar je bent, als je je laat leiden door je eigen goeddunken (zoals we gisteren zagen)?

Geen uitzicht

Duidelijk is wel dat Elia gaandeweg tot de conclusie is gekomen dat hij weg moet uit het machtsgebied van Achab. Daarom staat er in onze tekst zo uitdrukkelijk "dat in Juda is". Dat is niet, omdat er een tweede Bersheba is (zoals er wel een Bethlehem in Galilea is, naast het bekende Bethlehem-Efratha in Juda). 'Juda' wil hier duidelijk maken 'het rijksgebied van de twee stammen'.
De goddeloosheid in Achabs rijk lijkt na de volksbekering nog hetzelfde. Althans, dat leidt Elia af aan Izébels reactie. Hij concludeert dat zijn ijver voor de Heere geen effect heeft gehad. Dan houdt het op. Hij keert zich naar het rijk met de Messiaanse belofte. En daar regeerde een godvrezende koning: Josafath. Ik herkende die houding van Elia: ik wil hier weg. Weg uit deze goddeloze en materialistische omgeving en mij begeven naar een plaats waar wel met God en Zijn gebod rekening wordt gehouden. Onder de vleugels van een godvrezende leidinggevende. Maar was dat ook Gods plan? Elia gaat het aanstonds leren.


Gods plan heeft toekomst, visie en geeft uitzicht, al zien wij niet altijd waar de Heere naartoe werkt. Onze visie is soms ingekleurd door onze emoties. Daarmee raken we het uitzicht kwijt. Soms laat de Heere ons een tijdje aanmodderen. Bij Elia duurde het die lange reis naar Bersheba plus 1 dag. Let er de komende dagen op hoe liefdevol de Heere Elia weer op Zijn spoor zet en een nieuwe missie geeft. En ik hoop dat jij dat ook herkent in je leven als je het zicht op de toekomst ook wel eens bent kwijtgeraakt.


Psalm 142 vers 3 en 4


Zij hebben vol arglistigheid

Een strik op mijnen weg gespreid.

'k Zag uit, in nood, ter rechterhand,

Maar vond noch vriend, noch onderstand.

'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gans ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

zaterdag 17 januari 2015

Een vuurproef na een vuurbewijs

"Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil…"
1 Koningen 19 : 3a

Petrus zinkt weg, nadat hij Jezus uit het oog heeft verloren en slechts keek naar de golven!

Daar loopt de bode van Izébel. Achab had hem precies gezegd waar Elia was heengegaan. Immers, Elia had voorop gelopen toen Achab met zijn gevolg naar Jizreël was teruggekeerd. De koning sloeg linksaf naar het paleis, de profeet liep de stad verder in. Achab had hem nog nagestaard, als wilde hij de tijd nog rekken om Izébel onder ogen te komen. Wat was dat toch met die Elia. Achab haatte hem, maar iets in hem trok hem toch weer naar Elia toe. Even later sloeg Elia de hoek om, op de voet gevolgd door zijn knecht. Zonder dat Elia het had gezegd, wist Achab waar Elia heenging. En daar, vlakbij de poort van de stad, snelde de bode van Izébel heen. Het was een geheime opdracht, geen van de inwoners van Jizreël wist wat deze bode moest gaan doen. Niemand? Elia zag hem komen. De HEERE had het hem bekend gemaakt. God had Zíjn bode gestuurd: een engel.

Gods bescherming

Elia was niet bang geweest op de Karmel. Hij had daar alleen gestaan, maar God was aan zijn zijde! Met Psalm 91 kon hij meezingen: "Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!" Natuurlijk was het gevaar groot, waarin Elia zich bevond, maar met zijn God kon hij over muren springen. Hij vreesde het grote gevaar niet. Moedig had hij daar gestaan, temidden van die honderden Baälsprofeten. Groot en zichtbaar geweld, of geniepig gevaar deerde hem niet, want hij vertrouwde rotsvast op zijn God: "Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar." Waarheid… daar was het om gegaan: Wie is God: Baäl of de HEERE?
De afgodendienst was als een besmettelijke ziekte onder het volk uitgebreid. Het hele volk was er door aangetast; maar Obadja niet, de honderd profeten van de HEERE niet en… Elia niet. "Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt."
Tot aan vanmiddag, toen het doek voor Baäl viel, toen God met vuur antwoordde. Elia had niet gevreesd "…voor het verderf, dat op den middag verwoest."
Nadat de HEERE had geantwoord uit de hemel, en het volk had geantwoord "De HEERE is God",  had Elia in Gods naam de priesters laten doden. "Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken. Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien." De dichter van Psalm 91 had daar natuurlijk iets heel anders mee bedoeld, maar hier op de Karmel had Elia inderdaad de bijna duizend priesters zien vallen… ja, hij had de vergelding van de goddelozen gezien. Fier was hij voor Achab uitgelopen, richting Jizreël, "Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek; u zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen."

Gods engel

De HEERE had Zijn engel gestuurd, "Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot. Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
De engel had hem in naam van zijn Zender verteld wat er in de kamer van Achab en Izébel was gebeurd. Hij had hem verteld hoe Izébel in woede was uitgebarsten als een jonge leeuw; en het had Elia niet verbaasd. Hij kende Izébel goed genoeg om te weten, dat ze dit nooit over haar kant zou laten gaan. Vuurspugend had ze haar plan uitgebroed, zoals een adder zijn eieren uitbroedt. Maar Elia had de grootheid en de majesteit van de HEERE gezien op de Karmel. Als díe God aan jouw zijde staat, als je in Zijn schaduw mag leven en Hem als je schuilplaats mag hebben… dan behoef je nooit en te nimmer te vrezen! Hij zou op die adder Izébel trappen. Hij kon haar zelfs tarten als het moest; mits God de opdracht ertoe gaf. Hij zou die woeste, jonge leeuw met een armzwaai aan de kant schuiven, als was ze een vliegje; haar vadsige lichaam ten spijt.

Gods belofte

Maar net toen hij de laatste regel van Psalm 91 wilde zingen, "Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien", realiseerde Elia zich wát die engel hem daar probeerde te vertellen. Izébel had een eed gezworen: "Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner." Eigenlijk had hij moeten lachen… welke goden? Was het niet ademloos stil gebleven daar op de Karmel? Welke goden? Die slapenden, of die peinzenden, of die goden die op een lange reis waren? Ha, wat zijn toch de afgoden, HEERE, bij U vergeleken?
De woorden van Izébel haakten in zijn hart. Zijn blik dwaalde door het raam naar buiten. Vanaf de paleistrap zag hij de door Gods bode aangekondigde bode van Izébel aankomen. "Kijk," had de engel gezegd, "zie je hem komen?" Elia pakte zijn knecht bij de arm, trok hem met haast de deur uit, rende de stadpoort uit en haastte zich 'om zijns levens wil'!


Nee, dat staat toch niet in de Bijbel?! Ja dat staat er wel. Schrik je daarvan? Het verhaal dat ik ervan maakte, met Psalm 91 erdoorheen staat er natuurlijk niet zo; dat deed ik, om je mee te nemen naar Gods beloften aan het einde van de Psalm en naar het kniekpunt bij Elia. Maar dit, in onze tekst, is dezelfde Elia als die op de Karmel zo vol vuur had geroepen: "Hoe lang hinkt gij op twee gedachten?" Hoe kan dat? Daar zijn veel filosofiën over en daar kom ik in het vervolg nog op terug. Maar direct moest ik denken aan Petrus, die de Heere Jezus bevel gaf om hem uit het schip op de golven te laten lopen. En het lukte! Maar toen Petrus de golven zag – en Jezus uit het oog verloor, ondanks zijn geloofsband met Hem – zonk hij weg. Zo ook Elia. Er is iets veranderd in Elia. We lezen "om zijns levens wil". Dat is dus puur lijfsbehoud. Om zijn ziel te redden, zo zou je het ook kunnen vertalen. Hij was dus op dat moment niet meer bereid te sterven voor de zaak van God. Maar lees nu eens wat er in de Kanttekeningen staat – en dat trof me diep – hoe zij dit anders vertalen en uitleggen: "leven: dat hebreeuwse woord betekent ook wel ziel. Anders vertaald: "naar zijn ziel", dat is: naar zijn goeddunken." Is dit een moment, waarop Elia eigen beslissingen neemt, los van God? Het heeft er alles van weg en in het vervolg zal dat vermoeden meer bevestigd dan ontkracht worden, helaas!
Na dat grote ingrijpen van God, op de Karmel, door middel van een vuurbewijs, komt nu de vuurdoop voor Elia. Hij dwong het volk tot een keuze en verweet hen dat ze zo moeilijk een goede keuze konden/wilden maken. Maar hier lijkt Elia in hetzelfde te struikelen. We houden onze adem in… en wat dacht je dat de engel des Heeren deed?

Psalm 91 vers 7 en 8
"Dewijl zijn ziel Mij teêr bemint"
(Dus laat God Zelf Zich horen),
"Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind,
Een heilrijk lot beschoren;
Omdat hij Mijnen naam erkent,
Zal hem Mijn gunst verzellen;
Ik zal hem redden uit d' ellend',
En op een hoogte stellen."

"Hij zal, in alle ramp en pijn,
Tot Mij om uitkomst zuchten,
En Ik gestadig bij hem zijn
In al zijn ongenuchten;
't Gevaar zal Ik hem doen ontvliên;
Zijn levensdagen rekken;
'k Zal hem Mijn eer en heil doen zien,
En nooit Mijn hulp onttrekken." 

woensdag 14 januari 2015

Wraakactie na een moord

"Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner." 
1 Koningen 19 : 2

"Je suis Charlie?' Kan dat eigenlijk wel als christen?
Is satire het wapen of de oorzaak van geweld? "Je suis Jesus", want het gaat om de strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Efeze 6 : 12)!


Gisteren hoorden we Achab vertellen hoe Elia alle Baälsprofeten en de profeten van het bos had gedood. Samen opgeteld – lees 1 Koningen 18 : 19 – waren dat er maar liefst 850. Wat moet er door Achab zijn heengegaan toen hij zijn volk – en vooral zijn soldaten – die bijna duizend profeten of priesters zag afslachten in opdracht van één man: Elia. Die profeten hadden het volk al drieënhalf jaar in hun duivelse greep gehouden! Door nu aan deze profeten te komen, kwam Elia aan Achabs vrouw. Achab moet hebben geweten dat daar thuis problemen van zouden komen. Hier kon hij niet mee bij Izébel aankomen. En ja hoor, vandaag lezen we wat haar reactie is. Achab had staan toekijken (of zou hij misschien in de massa hebben meegedaan?). Izébel niet. Kun je denken!

Eten van de koninklijke tafel

Voordat we gaan kijken wát Izébel doet, staan we nog even stil bij die actie van Elia. Nou… het was ten diepste een actie van God. Want wat gebeurde er? Door deze profeten uit te roeien, verbrak God de band met de afgoderij. Zolang die profeten in leven bleven, bleef er verontreiniging aan het hof. En daarmee leefde het volk in een zondige atmosfeer.
De koningin stond in nauw contact met deze profeten, want zij gaf hen brood. Lees maar in vers 19 van het vorige hoofdstuk: "…de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten."In datzelfde hoofdstuk lees je ook nog over andere profeten die van diezelfde tafel aten, maar dan in het geheim (vers 4 en 13). Obadja, de rechterhand van Achab, had honderd profeten van de HEERE verstopt en gaf ze te eten van diezelfde koninklijke tafel. Hij was een godvrezende man. Lees maar wat Obadja tegen Elia zegt in vers 12: "Ik, uw knecht, nu vrees den HEERE van mijn jonkheid af".
Lijk jij op Obadja? Wat geweldig als je al jong de HEERE mag vrezen en dienen. Dat moet zichtbaar zijn in jouw leven. En… dat is hier zo bijzonder: dat moet ook in Obadja's leven zichtbaar zijn geweest. En dat, terwijl hij in dat goddeloze paleis van Achab werkte! Ik weet niet hoe hij dat heeft gedaan, maar wel weet ik dat dat niet de normale weg is. Probeer zoveel mogelijk goddeloze plaatsen (boeken, films en games) te vermijden. Niettemin zul je waarschijnlijk, als je werk gaat zoeken, terecht komen tussen mensen die de HEERE níet vrezen en misschien wel net zo goddeloos leven als Achab. Wat is het dan een zegen als je al jong hebt leren leven met de HEERE; zo ontwikkel je standvastigheid in het geloof.

De zonde totaal uitroeien

Maar nu die actie van Elia. Hij roeide die Baälsprofeten uit. Daarmee roeide hij de oorzaak van de zonde uit. Zo ontstond er ruimte dat het volk de HEERE weer kon dienen. Dat is ook voor ons ontzettend belangrijk. We moeten ons niet een beetje oppimpen, een beetje bekeren, maar totaal. Dingen die schadelijk voor ons zijn, moeten we heel bewust wegdoen uit ons leven. Elia deed dat heel rigoureus: hij doodde die machtige leiders van de afgodencultus. Ze mochten niet in leven blijven, omdat ze Gods verbondsvolk hadden verontreinigd. Misschien stuit die actie je tegen de borst, maar zo ernstig is het en zo zuinig is de HEERE op Zijn verbond met Zijn volk.
Misschien denk je: dat doen we tegenwoordig niet meer zo. Inderdaad, de doodstraf is in ons land verdwenen. Sinds het offer van de Heere Jezus wordt er niet meer zo bloedig ingegrepen door de HEERE. Maar denk niet dat het oordeel niet meer bestaat. Het is alleen uitgesteld: tot de Jongste Dag. Dan zullen alle vijanden van God (ook de religieuze en vrome vijanden) worden weggestuurd naar de eeuwige dood. Schrik je daarvan? Nou, dat is ook heftig, maar er is voor onbekeerde zondaren nog genadetijd. Gebruik die tijd goed, als je nog geen nieuw hart hebt, vóór het te laat is.
En als je wel een nieuw hart hebt, wees dan op je hoede voor de zonde, die zo maar weer binnendringt. "Dood de zonden in je leven", roept Paulus je op ("Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst", Kolossenzen 3 : 5). Strijd tegen de zonde; doe dat biddend. Dan zul je in Gods kracht ook mogen overwinnen. En je zult met Paulus uitroepen (Romeinen 6 : 12-13): "Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid."

Wraakacties

Dat overwinnen gaat niet zonder slag of stoot. En na een overwinning komt er geheid een tegenactie. Dat zie je in de tekst van vandaag: Izébel neemt wraak. "Elia, ik weet je wel te vinden, hoor; al moet ik er voor naar de andere kant van de wereld. Ik zal er persoonlijk zorg voor dragen dat jij hetzelfde zal overkomen als mijn profeten!"
Haar ogen moeten vuur geschoten hebben; maar het haalde het niet bij het vuur dat God uit de hemel liet vallen. Haar mond bralde deze wraakwoorden en de spetters vlogen misschien wel in het rond; denk nog even aan de mond van Elia, waar we gisteren bij stilstonden! Haar stem krijst nu reeds, maar haar macht is al gebroken. Ze stuurt een bode… Wat zal die man of jongen hebben gedaan? "Dag Elia, Ik moet u van de koningin vertellen dat ze u zal gaan doden." Of zou die jongen een mes bij zich hebben gehad om Elia te vermoorden? Hoe dan ook: er hangt wraak in de lucht.


Wraak. Dat hoor je vandaag de dag veel. In Parijs; in Nigeria; in Syrië. En als tegenreactie op een terroristische actie komt vanuit het beschaafde westen ook regelmatig een wraakactie. Doe daar echter niet aan mee. Ook niet in de vorm van satirische cartoons of grappen. Er is meer aan de hand dan alleen haat en nijd tussen mensen en bevolkingsgroepen. We hebben de strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Efeze 6 : 12).
De duivel laat je niet zomaar met rust; zeker niet als je hem een gevoelige klap gegeven hebt. Maar kijk ook eens mee met de knecht van Elisa (2 Koningen 6 : 15-17): "Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn." In deze geestelijke strijd staat ons een sterke Held terzijde, zingt Luther. Ken je de strijd tegen de zonde? Dan ken je ook deze Held: de Heere Jezus. Blijf dicht bij Hem; elke dag!



Psalm 84 vers 6 
Want God, de HEER, zo goed, zo mild,
Is 't allen tijd een zon en schild;
Hij zal genaad' en ere geven;
Hij zal hun 't goede niet in nood
Onthouden, zelfs niet in de dood,
Die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, HEER, die op U bouwt,
En zich geheel aan U vertrouwt.

dinsdag 13 januari 2015

Achab is een slechte journalist

"En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard."
1 Koningen 19 : 1


Beeld van Elia die de Baälspriesters doode bij de berg Karmel


Je kent die geschiedenis toch wel, van Elia op de berg Karmel? Dat hij het volk en koning Achab uitdaagde om eindelijk eens te laten zien wie er nu God is: Baäl of de HEERE? Laten we even meeluisteren met Achab, want hij is het verhaal net aan het vertellen tegen zijn vrouw Izébel.

Achabs verslag van de gebeurtenissen

"Het is een ramp. Elia heeft alle profeten van Baäl vermoord!" Als door een adder gestoken, schiet Izébel met haar vadsige lichaam omhoog. Haar ogen sperren zich wijdopen. "Alle?!" De spiegel valt uit haar handen op de stenen vloer aan stukken. De gouden bokaal met wijn klettert op de grond en de wijn spat alle kanten op. Natuurlijk wist ze wel van de grote bijeenkomst op de Karmel. Maar ze was er zeker van dat Elia geen schijn van kans maakte tegen haar en Baäl. Elia, met zijn gepoch over die God van Israël; ze kan hem niet uitstaan!

Voorzichting dringt het verhaal van Achab tot haar door. Elia had de Baälspriester uitgedaagd. Ze hadden zich de hele dag al druk gemaakt, zelfs gesneden met messen, maar Baäl antwoordde niet. Elia durfde zelfs te spotten: "Misschien is Baäl op reis en hoort hij jullie niet of… nee, dat zal toch niet waar zijn… zou hij slapen?" Dat had toch gewroken moeten worden, spotten met Baäl?
Minachtend kijkt Izébel haar man aan: "En dat heb jij allemaal laten gebeuren? Jij hebt er naar staan kijken en je deed helemaal niets?" Achab schudt zijn hoofd en probeert zich vrij te pleiten. Maar hoe hij ook probeert, hij moet toegeven dat het een belachelijke vertoning was geweest, die 850 profeten en priesters, samen met een koning en een sterk leger, die niet tegen deze ene profeet van de HEERE op konden.
Ze hebben allemaal werkeloos staan toekijken, toen Elia zijn altaar kletsnat liet maken met ik weet niet hoeveel vaten water. Er moest zelfs een greppel om het altaar worden gegraven, omdat anders het hele volk in de modder zou staan; zóveel water! Hij daagde die Baäl tot het uiterste uit.
Elia had tot God geroepen met een grote stem, voor iedereen hoorbaar: "Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt."

En God sprak wél

Toen kwam die verpletterende flits uit de hemel. Gods heiligheid vlamde als een jaloerse toorngloed vanuit de hemel recht op het altaar. Het was erger dan de verhalen die de mensen hadden gehoord over Gods aanwezigheid op de Sinaï, in de tijd van Mozes.

En toen het volk diep onder de indruk op hun aangezicht viel en belijdenis deed: "De Heere is God, de HEERE is God" (let erop dat ze dat tweemaal deden; een dubbele belijdenis), klonk Elias stem radicaal: "Grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome." En de mensen grepen die profeten; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte ze daar als slachtvee! Walgelijk, wat een beeld zit daar op Achabs netvlies! Achthonderdenvijftig doden waren te betreuren. En evenveel gezinnen rouwden over een dode vader of broer.
Izebel is witheet, als ze dit hoort. "En nu?!" Even is Achab bang dat ze een hartaanval zal krijgen van woede. Bleek staat hij voor haar. Hij kent haar toorn, ontvlambaar en explosief als de zwavelputten bij Sodom en Gomorra in de tijd van Loth. Maar hij heeft op de Karmel ook Góds toorn gezien.

Een slechte journalist

En – als we onze dagtekst goed lezen – hij slikte zijn laatste woorden maar in. Zijn laatste woorden? Ja, want we lezen alleen dat Achab vertelt wat Elia allemaal gedaan had; en vooral de moord van de Baälspriesters en -profeten. Hij had Elia in het kwaadste daglicht proberen te stellen, dat maar denkbaar was. Maar hij verzwijgt dat Elia ook iets tegen Achab had gezegd: "Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedigen regen." En toen Achab – zij het met lood in zijn schoenen – naar huis wilde gaan, vuurde Elia hem nog een keer extra aan: "Er is al een wolk als eens mans hand aan de lucht verschenen. Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude." Geen enkel woord van verwijt had uit de mond van Elia geklonken! Alleen maar verrukking over Gods genade en barmhartigheid.

Achab is thuisgekomen, maar van eten en drinken is weinig meer gekomen. Verslagen zit hij in zijn leunstoel. Ondanks zijn woeste baard en gespierd postuur, ziet zijn vrouw hem als een mislukkeling en een slappeling. Als hij terugdenkt aan het gebeuren op de Karmel, ziet hij zichzelf ook als een slappeling… hij had Elia zó kunnen doden. Maar hij durfde niet. Waarom? Zijn knagend geweten geeft het antwoord.


Als je dit nu zo leest, vind jij dan ook dat Achab iets belangrijks verzwijgt? Een journalist moet een objectief en volledig verhaal vertellen, van iets dat is gebeurt. Achab deed dat niet; zijn verhaal is ingekleurd en dus eenzijdig. Het verhaal dat ik je daarnet vertelde is natuurlijk een beetje geromantiseerd, maar als je 1 Koningen 18 eens goed leest – en dan weer naar onze dagtekst kijkt – zie je dat Achab eigenlijk het meest belangrijke verzwijgt: Gods genade voor een ontrouw verbondsvolk.
Het hebreeuwse woord 'zeggen' in de dagtekst, betekent inderdaad 'vertellen', 'berichten' of 'informeren'. Maar het wordt ook gebruikt in de betekenis van 'belijden', 'erkennen' en 'toegeven'. Die laatste betekenissen missen we helaas in Achabs woorden.
Check jezelf eens hoe jij verhalen doorvertelt. En vooral: hoe je over de HEERE spreekt; tegenover kerkmensen en gezinsleden, maar vooral tegenover mensen/jongeren van buiten de kerk. Want misschien is jouw verhaal wel het enige dat zij horen over God!



Psalm 119 vers 7
'k Heb and'ren al de rechten van uw mond
Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen;
Uit al den schat van 't grote wereldrond
Is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen,
Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond,
Door mij betracht, en and'ren aangeprezen.