Posts tonen met het label engel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label engel. Alle posts tonen

zaterdag 18 april 2015

Jezus van Nazareth of mijn Meester?

"Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden."
Markus 16 : 6

Soms helpt het om wat langer over een Bijbelvers na te denken. Als ik direct had opgeschreven, wat bij me opkwam, had ik iets merkwaardigs over het hoofd gezien, wellicht. Met de vrouwen meegaand in het graf, zien we een engel. Juist wát die engel zegt en hóe hij het verwoordt, bleef vragen oproepen bij me.

Geruststellende woorden

Zoals we al eerder zagen, werden de stoere soldaten met schrik bevangen en vluchtten weg van het graf. De vrouwen zijn aanvankelijk verontrust over het open graf, maar raken evenzeer verschrikt wanneer ze het graf binnengaan. Ze zien daar een (eigenlijk twee) engelen zitten in de gedaante van jongelingen die door licht omvangen zijn. De engelen laten zich hier kennen zal mensachtigen en communiceren met de vrouwen. Ze zagen de angst waarmee de soldaten werden vervuld en keken hen na, toen ze met al hun bravour de benen namen; wellicht hun schilden in de consternatie wegslingerend om maar zo snel mogelijk te kunnen rennen. Iets wat een romeins soldaat op de doodstraf kan komen te staan. Er moet later geld aan te pas komen om ze te vrijwaarden van een executiepeloton.
De engelen kwamen dan ook niet voor de soldaten, maar voor degenen die het om Jezus was te doen in positieve zin. Ik weet niet of ze de vrouwen verwachtten; God geeft ze niet altijd gedetailleerde bevelen, maar wát Hij hen opdraagt, voeren ze wel in volledige passie aan Hem uit. Daarom doorzien ze ook direct de gesteldheid van deze vrouwen. Ze beschouwen hen als Jezus' vrienden. Wanneer ze de schrik zien in de ogen van de vrouwen, begint een van de engelen verstaanbaar te spreken (niet in de talen der engelen, waarover Paulus schrijft): "Zijt niet verbaasd!" Mattheüs zegt het nog pastoraler: "Vreest gijlieden niet", waarmee hij de vrouwen stelt tegenover de romeinse soldaten.
De engel stelt de vrouwen gerust, zowel over zijn verschijning (en die van zijn geestgenoot) alsook over het lege graf. Met een armzwaai nodigt de engel de vrouwen binnen in deze dodengrot en laat de plaats zien waar Jozef en Nicodémus het lichaam met liefdevolle zorg hebben neergelegd. Op deze twee mannen doelt de engel als hij zegt: "…waar zíj Hem gelegd hebben." Zou de engel dit ook hebben gezien? Zou hij geweten hebben wie Nicodémus en Jozef waren en wat hun toewijding voor Jezus was? Hij zegt er niets over; zijn missie is de vrouwen geruststellen.
Ik kan me levendig voorstellen dat ze hier het geluid van Gods Vaderstem vertolken: "Mijn kind, kom maar, Ik weet ervan. Ik ken je angst, je verwarring; stil maar, alles komt goed, want Ik ben erbij!". Geen stem van de Roepende uit de woestijn, maar de stem (de geluidsvertolking) van de Roepende uit de hemel: "Wees gerust Mijn kind! Mij loopt niets uit de hand. En wat je ziet, is niet wat het werkelijk is. Het graf is wel leeg, maar dat betekend niet dat je nu niets meer hebt, maar juist dat je nu álles hebt!"

Vragenoproepende woorden

Hier had ik een punt kunnen zetten, enige dagen geleden. Maar iets in dit vers bleef bij me haken. De engel zegt: "Gij zoekt Jezus de Nazarener". Waarom zegt hij niet: "Ik weet dat jullie je Meester zoeken"? Waarom noemt de engel Hem niet 'Christus'? Of 'de Heiland'? Waarom zo afstandelijk 'Jezus van Nazareth"? Is het een probleem? Moet ik daar over nadenken? Ik weet het niet, maar het bleef haken.
Google-end op deze naam kwam ik het volgende tegen:
"Wanneer Petrus op Pinksteren preekt voor de mensen op het tempelplein in Jeruzalem en de gebeurtenissen uitlegt van de Pinksterdag, spreekt hij over Jezus de Nazarener.

Dat Petrus over Jezus spreekt is al opmerkelijk. Pinksteren heeft toch alles te maken met de Heilige Geest? Toch kan het niet anders of hij spreekt over Jezus, want de Geest is daaraan te herkennen dat Hij de Heere Jezus verheerlijkt. Echt Geesteswerk is immers daaraan te herkennen dat het ons dichter bij Christus brengt.


Maar waarom spreekt Petrus dan over Jezus de Nazarener? Waarom geen verhevener Naam? Omdat deze naam een heel duidelijk aanknopingspunt is voor het volk in de preek van Petrus.

De mensen in Jeruzalem dachten dat het nu wel afgelopen was met die zaak van Jezus de Nazarener. Hij was gestorven en werd begraven. Weliswaar gingen er op Pasen allerlei geruchten over Hem dat Hij was opgestaan, maar dat zal wel niet waar geweest zijn.
Petrus maakt echter op Pinksteren duidelijk dat de ‘zaak Jezus’ nu pas echt begint.
Daarom gebruikt Petrus Zijn gewone Naam; zo stond Hij burgerlijk bekend; zo sprak de man in de straat over Hem. Die Naam zal geen enkel misverstand kunnen wekken. Zo stond het ook in het opschrift boven het kruis.
Petrus weet over wie hij het heeft en de mensen, die Petrus horen weten ook over Wie de spreker het heeft.

Met die Jezus de Nazarener hebben zij slecht gehandeld. Petrus wijst daar onomwonden naar. Deze Jezus was duidelijk een Goddelijke Afgezant. Voor het gevoel van de mensen was Hij de Man uit Nazareth.

Daarin hebben zij zich wel vergist. U hebt Hem aan het kruis geslagen en Hem gedood, U hebt Hem veracht en bespot. U hebt Zijn Goddelijke Afkomst en Zending niet willen erkennen."

De engel gebruikt dus ook Jezus' gewone, burgerlijke naam. Zou hij dat ook bewust hebben gedaan, net als Petrus? Zou hij daarmee aangeven dat zij nog steeds te menselijk over Jezus dachten? Dat ze het zicht op Zijn goddelijkheid kwijt waren? En dat ze het zicht op Zijn werkelijke missie totaal uit het oog verloren waren?
Al nadenkend over deze vraag, bemerkte ik dat er veel mensen tegenwoordig wel spreken over Jezus, maar heel menselijk over Hem denken. Zowel vanwege Zijn lijden, als vanwege de dingen die Hij tijdens Zijn leven deed en sprak. Ik geloof dat tegenwoordig best veel mensen geloven in de historische Jezus, zoals ze ook geloven in de historische Mohammed en de historische Saladin of Richard Leeuwenhart. Maar wij moeten niet blijven steken in de historische mens Jezus. Het moet ons verder brengen tot de eeuwige Zoon van God en… tot de Middelaar, de Messias, Die Zijn Vader genoegen verschaft door de zonde der wereld op Zich te nemen en Zijn volk te bevrijden. Het moet ons – al helemaal in de kerk! – brengen tot de woorden die Maria Magdalena even later zal uitroepen: "Rabbouni, dat is mijn lieve Meester". Of – en die woorden steken nog dieper – de woorden van die zogenaamde ongelovige Thomas: "Mijn HEERE en Mijn God!"

dinsdag 14 april 2015

Al was het ook dat ik een engel zou zien en ik had het geloof niet…

"En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd."
Markus 16 : 5

Zo angstaanjagend de duisternis op Golgotha was, zo angstaanjagend was ook het licht dat de engel op de eerste Paasdag meebracht uit de hemel. We lezen in het Evangelie dat, toen die engel neerdaalde bij het graf van Jezus, de stoere romeinse soldaten van angst met knikkende knieën (staat er letterlijk) het hazenpad namen. In de dagtekst lezen we dat het zien van deze zelfde engel, de vrouwen verbaast (met schrik vervuld), maar toch blijven ze staan. Maar goed ook!

Het graf in de rots

Bij Mattheüs zit er een bepaalde vaart in zijn vertelling. We lezen in hoofdstuk 28: "En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven. En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden. Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet…" De wachter werden als doden, maar de vrouwen moesten vooral níet schrikken. Je krijgt de indruk dat de vrouwen de vluchtende soldaten zijn tegengekomen.
Kalm pakt de engel de grote steen en rolt die weg voor de ingang van het graf. Weet je nog dat de vrouwen zich afvroegen wie toch de steen zou kunnen afwentelen? Wel, de HEERE heeft er al voor gezorgd. "Uit een blinkend stromen, daalde d'engel af. Heeft de steen genomen van het overwonnen graf", zingt een bekend lied. Hij deed de deur open, maar Christus had dat graf reeds overwonnen en de dood teniet gedaan. Enerzijds zingt een ander lied "Hij steeg uit 't graf door Eigen kracht", anderzijds wekte de Vader Hem op. Die steen had Jezus ook Zelf wel kunnen wegrollen, maar de Vader stuurde Zijn dienaar om Jezus vrij te laten. En toen?
De Bijbel zwijgt over de verder details, hoe Christus opstond, waar Hij heenging. We lezen slechts dat de engel de staan wegrolde en erop ging zitten. En uit een ander Evangelie maken we op dat er nog een tweede engel, een tweede getuige, bij was, die in het graf ging.
In de beschrijving van Markus missen de vrouwen die eerste engel, althans zij merken hem niet direct op, omdat die andere engel, in het graf, tegen hen gaan spreken. Dat hemelse licht in die doodse grafruimte is zo'n contrast, dat de vrouwen verbaasd worden; schrik vervuld hen, maar ze blijven, misschien als aan de grond genageld, staan. Het is een merkwaardige kerkruimte en een nog merkwaardiger preekstoel. Morgen zullen we op de preek van de engel ingaan. Vandaag beperken we ons tot de engelenverschijning, daar in het graf in de rots.


De hemel op aarde

Wat de soldaten ervaren als de meest afschrikwekkende vertoning – en ze zijn heus wel wat gewend van de vele slagvelden – wordt voor de vrouwen de hemel op aarde. Het blijft niet bij een vertoning, maar er gaat gesproken worden.
De engel, die uittrok om de straf te voltrekken die David op zijn geweten had, werd duidelijk waargenomen. David ziet hem bij de dorsvloer van Arouna. Hij rent niet weg maar offert. De engel was uitgegaan om te verderven, vanwege de zonde. Datzelfde gebeurde ook eeuwen daarvoor in de nacht waarin Israël werd verlost uit Egypte. In beide gevallen moest er een offer worden gebracht om de engel tot stilstand te brengen. Hier had de engel in woede kunnen ontsteken, omdat de mensen hun Heiland hadden gedood. Maar hij deed het niet. God komt tot de wereld in de gedaante van een engel, een jongeling, en spreekt van vrede. Er is een offer gebracht; hét Offer! De engel wordt door God niet uitgezonden om te verderven, maar om van vrede te spreken.
Drieëndertig jaar eerder was de engel Gabriël tot tweemaal toe uitzonden om van vrede te spreken. Eerst bij Zacharias in de tempel: "Uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes. En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan. En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot den Heere, hun God. En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk." Zacharias kon het niet geloven en verwekte de engel tot toorn: "Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen!" 
De tweede maal was het bij Maria: "Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn." 
In beide gevallen was de hemel even op aarde. En ook hier in Markus 16. Opnieuw een jongeling (zo was zijn gedaante het best te omschrijven) met een lange witte tabbaard van licht om zich heen. Schilders hebben door de eeuwen heen geprobeerd deze figuur te schilderen, maar bij al die platen zouden Maria Magdalena en haar vriendinnen hebben gezegd: "Nee, zo zag hij er niet uit. Dat heerlijke licht is niet uit te schilderen. De hemelse heerlijkheid is intenser dan de reinste witte olieverf."
Wij zouden misschien ook wel een engel willen zien, opdat we zouden geloven. Bij deze vrouwen werd duidelijk dat die engel er ten diepste niet toe deed. Zijn verschijning had eerder iets afschrikwekkends, dan iets bevestigends. Een bijzondere verschijning is niet zo geloofsbevestigend. Zelfs niet, ook al zit deze engel aan de rechterkant. Ze weten het plekje precies, maar dat helpt hen niet. Het zal blijken dat het om het Woord gaat, dat deze hemelbode mag spreken.

donderdag 12 maart 2015

Nabetrachting HA – Zo wijs als een ezel

"…Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem."
1 Koningen 19 : 21c

"Toen stond Bileam des morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab."
Numeri 22 : 21

Engel en ezel probeerden Bileam tot inkeer te brengen en eerlijk naar zijn innerlijke motieven te laten kijken.

Al in een vroeg stadium moest ik aan Bileam, toen ik besloot over de tekst uit 1 Kon. 19 : 21 na te denken deze twee weken. Waarom lukte het niet eerder iets op 'papier' te krijgen over Bileam? Wellicht omdat het contrast juist hier het grootst is ten opzichte van Elisa. Laten we kijken naar deze spiritist die ook opstond, volgde en diende; maar zo geheel anders dan Elisa. Ter waarschuwing; want het is maar de vraag of Bileam wel echt zo ver van de (reformatorische) kerkmens afstaat.


Opstaan of opstand?

Of Bileam die ochtend ontbeten heeft weet ik niet; er staat weliswaar dat hij 's morgens opstond, maar niet zozeer dat hij opstond van een etenstafel. Echter, met een fikse reis voor de boeg zal hij hebben gegeten, voordat hij vertrok. Maar let erop (dat had ik nooit zo gelezen) dat hij hier voor de tweede keer dubt of hij zal gaan of niet! Al eerder waren gezanten van Balak gekomen om hem als spiritist te ontbieden om het slavenvolk der Joden te vervloeken. Die keer besloot hij ferm – na een nachtelijk onderhoud met God – niet te gaan.
Balak liet het er echter niet bij zitten en beloofde hem bergen met zilver en goud. Toch wijst Bileam die schatten af en zegt: "Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot. En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de HEERE tot mij verder spreken zal." 
Bileam krijgt zijn zin en denk God nu aan zijn kant te hebben. Hij staat 's morgen op en wil vertrekken. Maar in vers 22 lezen we al dat Gods toorn ontstak, omdat hij toch ging. Dit mag in onze vertaling misschien wat merkwaardig klinken – immers God had toch gezegd dat hij mocht gaan, mits hij de woorden zou spreken die God hem in de mond legde – maar de Bijbel laat ons met die woorden eigenlijk in het hart van Bileam kijken (lees de kanttekeningen). Een kind dat zijn zin krijgt is nog geen tevreden kind dat tegelijk zijn ouders vervult met blijdschap! Zo ook Bileam: God liet hem toe binnen Zijn grenzen te gaan, maar de oorzaak waarom Bileam ging was boos; en de hoop in zijn hart om het volk tóch te vervloeken en God zo voor Zijn karretje te spannen, was bozer dan boos!
Vandaar dat de engel en de ezel Bileam tot het besef probeerden te brengen dat hij slechts binnen Gods ruimte mocht handelen! En die ruimte was zeer beperkt. Evenwel veranderde dat het hart van Bileam niet!


Wie volgt wie?

Wij zijn – dat mag ik hopen – geen spiritist. We zijn er binnen de reformatorische gezindten allerminst op uit om Gods volk te vervloeken, toch? We zijn geen heidenen, zoals Bileam en Balak. Maar de vraag blijft recht overeind: Wie volgt wie?
Elisa stond op en volgde Elia; en daarmee God Zelf! Bileam stond op en volgde zijn eigen hart; immers hij zwijgt over wat God tegen hem had gezegd, maar doet alsof er niets is gebeurd en wekt het gevoel dat hij God heeft bezworen en aan zijn kant gekregen. Zijn brave en deemoedig gebazel ten spijt in vers 38: "Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken."
Een onderworpen houding aannemen stemde de boze geesten nog wel eens gunstig, zodat ze toch op jouw hand waren. Met al dat "God tot gunstige gemoedsstemming bewegen" probeerde Bileam het zover te krijgen dat God hem zou volgen. Ik vrees dat dat een diepingevreten zonde is in onze reformatorische gezindten: God met deemoedigheid en zelfvernedering (noem het rustig zelfkastijding) tot goedgunstigheid bewegen. Laten we vooral benadrukken dat we stof en as, ja slijk en minder dan dat, zijn. Laten we rustig tien, twintig keer in het gebed benadrukken dat het toch vooral niet om iets van ons is… Voel je wat ik bedoel? Ik wil er niets aan afdoen, dat het inderdaad nooit om iets van ons kan, wanneer wij tot God naderen, maar het beginnen toverspreuken te worden, zodra ze meer dan tweemaal en dwangmatig in ons gebed worden ingeparkeerd!
En wat dacht je van het mantra in preek, geschrift en gebed dat God aan ons niets verplicht is. Dat Hij geen onrecht zou doen, als Hij ons voor eeuwig zou laten in onze val. Het is waar: God is soeverein, maar wat wil je ermee bezweren? Welk hart klopt daar achter? Want voor je het weet is het begrip 'souvereiniteit Gods' een toverformule die ons een grillig, despotisch beeld van God geven, terwijl Hij toch juist in het Avondmaal zo diep heeft laten zien dat Hij de zonde eerder wilde straffen aan Zijn Zoon, dan ze ongestraft te laten! Hoe laat de HEERE Zich kennen? Welk beeld laten wij met onze wandel én onze woordkeus bij mensen achter?
Of neem dat angstvallig noemen van "Deo Volente" voor elke datum die uit onze mond of op papier komt… Onze gezindheid moet "Deo Volente" uitstralen! Maar we moeten God niet bezweren door bij elke datum krampachtig dat DV te plaatsen en liefst voluit Deo Volente te noemen. Want voor je het weet wordt God voor ons (religieuze of materiële) karretje gespannen. Daar hoef je echt geen Balak of Bileam voor te zijn! Neem liever een voorbeeld aan Bileams wijze ezel.


Waar dien je voor?

Over Elisa lezen we dat hij Elia diende. Dat betekende geenzins een stijgend banksaldo of carrière in de maatschappij. Het betekende hoon en spot, zo niet agressie en haat. Maar in Gods weg gaan, Hem dienen en liefhebben is wel een heerlijk leven met uitzicht op de eeuwige heerlijkheid. God hier reeds dienen, Die je straks ongestoord zult dienen én zien tot in allee eeuwigheid… er is niets heerlijkers te bedenken. Ben je het met me eens?
En dát is ook precies het doel, dat God met ons leven voor had, toen Hij ons schiep. Daar diende en dien je voor! Dat is je missie… Je verdient er niets mee en je krijgt er alles voor!
Ik laat Bileam nog één keer opdraven. Hij is inmiddels alweer naar huis; Balak is woest dat Bileam hem zo heeft laten zitten. En Bileam heeft zijn ezel misschien wel met een trap na de stal in geparkeerd. O, wat haat hij dat dier; het liet hem haarfijn zijn arglistig hart zien. Diezelfde blinde haat zie je op een gegeven moment ook bij iemand als Saul boven komen drijven. Of wat dacht je van de Farizeeën ten opzichte van Jezus, Die hen ook haarfijn hun innerlijke motieven toonde?!
Als het volk Israël in Numeri 31 ten strijde trekt tegen de Midianieten, doden ze ook Bileam de zoon van Beor met het zwaard. Pech? Een ongeluk? Nou, lees vers 15 en 16 eens: "En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven? Ziet, deze waren, door den raad van Bileam, den kinderen Israëls, om oorzake der overtreding tegen den HEERE te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering des HEEREN."
Wat Bileam met vervloeken niet had gekund, bereikte hij door het volk bij Peor tot sexuele bandeloosheid te verleiden. De ware aard van Bileam, om zo geniepig te werk te gaan? Nou, het volk was ook veel te verwijten, maar het tekent ons vooral het geslepen karakter van de satan. Hoe vatbaar zijn we voor zijn listen, vanwege de zwakheid van onze oude mens, juist na een Avondmaalstafel. Wees gewaarschuwd – welke zondige ingang het ook is: sex, geld, muziek, film, drank, roddel, leugen, onoprechtheid – en wapen je met de wapenrusting van het geloof. Kijk nog maar eens goed in Efeze 6 waar die verschillende uitrustingsstukken voor dienen. En let vooral op het wapen van het gebed.
En benaarstig je – beijver je – om onbevlekt voor en met de HEERE te leven, zodat niets tussen jouw hart en de HEERE in staat. Zo wordt je gebedsleven niet geschaad en je getuigenis in de gemeente en in de wereld standvastig en waarachtig. Opdat ook anderen mogen worden gewonnen voor Christus. Opdat ook zij Hem gaan dienen en liefhebben van ganser harte.

donderdag 22 januari 2015

Op krachten komen voor Gods plan

"En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn."
1 Koningen 19 : 7

A still life with bread, glass, a jug and a knife, 2008, Henk Helmantel


Soms dreigt het leven te bestaan uit 'overleven'. Dat is korte termijn denken. Je richt je op het nu, om de werkdruk aan te kunnen, de hoeveelheid werk af te krijgen en uitgeblust aan het einde van de dag in bed te stappen. Er kunnen tijden tijden zijn dat je merkt dat je op maandag al door je energie bent. De nachtrusten zijn niet een reserve opbouwen voor de volgende dag, maar een energieschade inhalen van de afgelopen dag.


Relativeren

Wie heeft leren zien dat zonder jou het werk ook wel doorgaat (bijvoorbeeld na je pensioen of tijdens een flinke griep), zou moeten kunnen relativeren. Dat de omstandigheden dat soms lastig maken, geloof ik zeker. Een pas op de plaats en een vermanend woord tot jezelf. Hoe zou je immers uitgeblust kunnen getuigen van de hoop die in je is. Je weet immers maar nooit welke taak God er nog snel bij zou willen schuiven in jouw agenda!
Dat probleem van de energieschade zie je ook terug in de visie op de zondag. Is de zondag een dag rust na een werkweek, of is het een bron van energie van waaruit je de week weer in kunt? Ik zal niet zeggen dat het ene totaal fout is en het andere compleet goed, maar het is wel een visieverschil dat ook zijn weerslag heeft in de besteding van die zondag. Het is natuurlijk ook de dag waarop je terugkijkt en alle dingen die je zwaar wegen voorzichtig leert relativeren in het licht van de eeuwigheid. De afstand die je mag nemen tot je werk vergemakkelijkt ook de dingen te overzien en te letten waar het werkelijk om draait. Of liever, om Wie het werkelijk draait.
Voor mij is de zondag niettemin écht het begin van de werkweek, van waaruit ik de week mag binnengaan. God rust mij eerst toe, opdat ik in staat zal kunnen zijn om mijn dagelijks werk en de andere taken die Hij mij opdraagt, te kunnen uitvoeren.

Recreëren

Kijkend naar de tekst zie ik nog een lijn: die van het Heilig Avondmaal. Diep ingrijpend en boordevol van Gods Vaderlijke zorg is de lading van deze woorden in het licht van het Avondmaal: "Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn." Wat wij niet kunnen is dit: zien wat er allemaal op onze weg komen zal, de komende tijd. De HEERE kan dat wel. En als Hij naar onze levenskracht kijkt, in relatie tot de taken die wachten, dan concludeert Hij: "de weg is voor jou teveel". Dat zegt Hij niet afstandelijk, autoritair, maar Vaderlijk en liefdevol. Zijn zorg druipt van die woorden af. Je zult maar zó'n Vader hebben! Je zult maar mogen leven uit Zijn hand. Ik hoef niet te weten wat er allemaal op mijn weg gaat komen, want Hij weet het nú al en zorgt dat ik het aan kan.
Of ik het altijd zo zie? Nee, helaas niet. De sporen die dat in je leven trekt, voel ik nog telkens weer. Maar mijn verstand roept mij tot bezinnen: Hij zorgt! Opdat ook mijn hart mee zal komen. Want er is nog iets. De HEERE duwt me de week niet in; Hij stuurt me niet van de Avondmaalstafel weg met een houding van "Ga heen en wordt warm"! Nee, Hij is erbij, van stap tot stap. Maar voordat ik die stappen ga zetten, zet Hij me eerst stil. Kijk naar jezelf en ervaar je kleine kracht. Zie op Mij en wees doordrongen van Mijn grote kracht. Laat Mijn aangezicht (mijn liefdevolle aanwezigheid en krachtige hulp) met je meegaan. Bekeer je van elke vorm van zelfredzaamheid en heb Me nodig, dagelijks. Laat je herscheppen; recreëer, Mijn kind!

Revalideren

God de Vader besteedt deze taak uit aan Zijn bode, Zijn engel. We zien in onze tekst 'de engel des HEEREN'. In veel gevallen gaat het dan om God de Zoon. Een engel is al bijzonder. Het hoort bij Gods belofte dat Hij Zijn engelen zal bevelen om ons op de handen te dragen. Wellicht had Elia die eerste keer (vers 6) uit een zekere heilige huiver gehoorzaam een hap en een slok genomen; bescheiden voor deze heilige engel. Maar zo gemakkelijk ben je niet gevoed. Opnieuw roept de engel hem op om te eten. "Zo red je het niet! Je hebt nog een fikse weg af te leggen, Elia!"
Maar als we hier daadwerkelijk Gods Zoon zien, hoe veel meer gewicht krijgen dan die woorden: "Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn." Waar de mens Elia zei: "Mijn taak zit erop", zegt God Zelf: "Ik revalideer je: ik verleng de geldigheid van je ambt". Gods plannen met Elia liepen verder dan het punt dat Elia meende als eindstation te zien.
Revalideren in het nederlands is 'opnieuw in staat gesteld worden om te werken'. En dat is wat er met Elia gebeurt. Maar in het engels heeft het woord nog een andere lading; daar heeft het met opwaarderen of verlenging van de geldigheid te maken. En beiden zitten in Gods bevel dat tot Elia klinkt: "Sta op, eet…" "Doe nieuwe krachten op, Elia, want Ik heb je veel langer nodig. Je hebt een forse reis achter de rug, maar je heb een nog langere reis voor de boeg!"
De Kanttekenaren vertalen het ook met: "Sta op, eet, want de reis zou voor u te groot zijn om die in de je nog resterende eigen kracht te doen". Verootmoedigend, dat revalideren.



Bij God op krachten komen betekent niet lekker lui achterover leunen, luieren. Nee, het in God recreëren heeft altijd een doel. De HEERE rust op voorhand toe, in dit leven. Niet zo zeer achteraf. Dat komt, als Hij je straks verwelkomt in Zijn heerlijkheid: "Komt in, gij gezegende Mijns Vaders…" Daar blijft dan een rust over (straks) voor het volk van God (Hebreeën 4 : 9). Mijn vraag is niet: zie je uit naar die rust, maar: kom je hier en nu wel voldoende tot rust, op krachten, om bruikbaar te zijn in Gods plan? Want de velden zijn wit om te oogsten.


Psalm 23 vers 2 en 3

Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistre dalen;
In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen,
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden.
Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen,
De tafel aan,
voor mijner haat'ren ogen.


Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien,
En van Uw heil mijn beker overvloeien.
Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven,
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven;
Zodat ik in het heilig huis des HEEREN,
Een lange reeks van dagen, blijf verkeren.

woensdag 21 januari 2015

Bed & Breakfast in de woestijn

"En hij leide zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet; en hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij, en dronk, en leide zich wederom neder."
1 Koningen 19 : 5-6

Elia door een engel gevoed; ca. 1660, Ferdinand Bol (1616-1680)
 

Elia een oude man?

Hoe oud denk je dat Elia was, toen hij wegvluchtte voor Izébel? Vaak denken we aan een oude man, die aan het eind van zijn leven is gekomen. We zien hem hierboven ook als een oude man geschilderd door Ferdinand Bol (en meerdere schilders deden hetzelfde). Uitgeput en levensmoe. Toch is het maar de vraag of dat klopt. Want hoe lang kennen we Elia al? Op de keper beschouwd drieëneenhalf jaar slechts!
In 1 Koningen 16 volgt Achab zijn vader Omri op. Hij stapelt de goddeloosheid in snel tempo op. En als klap op de vuurpijl lezen we aan het einde van dat hoofdstuk die aangrijpende geschiedenis van Hiël: "In zijn (Achabs) dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had."
En dát voorval wordt naadloos gevolgd door 1 Koningen 17 vers 1: "En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!"

Elia een supermens?

De uitgeputte Elia, die we hier in de woestijn onder de bremstruik aantreffen, staat eigenlijk nog maar aan het begin van zijn profetenloopbaan. Al die bekende geschiedenissen moeten nog komen, maar dat weet Elia niet. Nee, hij ligt hier te wachten tot God hem gehoorzaamt en zijn ziel wegneemt.
Als Jacobus over Elia vertelt, in het kader van de kracht van het gebed, dan schrijft hij: "Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort." (Jacobus 5:17-18). Elia's hoogtepunt lijkt voorbij in onze geschiedenis. Terecht omschrijft Jacobus hem als 'een mens van gelijke beweging als wij'. Die term 'van gelijke beweging' betekent 'hetzelfde lijden als een ander' of 'dezelfde gevoelens hebbend'. Amen. Laten we maar niet op Elia neerkijken, maar naast hem gaan zitten en zien wat er gebeurt.

Elia snel onder de indruk?

Toen Maria Magdalena in de hof bij Jezus' graf kwam, was ze zo verteerd door verdriet dat ze niet door had Wie er tegen haar sprak. Ze meende dat het de hovenier was, maar het was haar Heiland. Vol vuur, gemengd met tranen, begint ze tegen Hem te praten, zonder te zien Wie er werkelijk voor haar stond.
Iets dergelijks gebeurt er hier ook. Elia is overmand door verdriet en desillusie. "Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen," had hij gezegd in het voorgaande vers. In afwachting van zijn wegneming, had hij zich te ruste begeven op het bed onder de bremstruik. Wat zal er in zijn hart gewoeld en gegist hebben? Weliswaar moet hij oververmoeid zijn geweest van de lange reis naar het zuiden. Maar talloze beelden zullen door zijn hoofd hebben gespookt; beelden van Karmel, de furieuze Izébel, de plichtsgetrouwe bode, de slappe Achab en de afgeslachte Baälsprofeten. Toch vertroebelden die beelden in een onrustige slaap. Totdat…

Zond Izébel er haar bode op uit om Elia de dood aan te zeggen, de HEERE deed hetzelfde om Elia het leven aan te zeggen: Hij zend Zíjn bode (in de grondtekst staat er exact hetzelfde woord מַלְאָךְ (malach) voor bode in vers 2 en engel in vers 5). Je ziet op de achtergrond de krachten zich bundelen, terwijl Elia denkt dat hij weet hoe het allemaal precies in elkaar zit. Maar waar hij een punt wil zetten (en hij vraagt of God dat ook maar wil doen), gaat God één grote komma zetten! Het eerste deel van die komma bestaat uit een tik tegen Elia's bovenarm, zijde, of – aannemelijker nog – wang. Daar immers waren de handen van de engel, toen ze het versgebakken brood en de fles water neerzetten, bij zijn hoofdeinde (ook daar klopt het schilderij hierboven niet, want daar ligt het brood aan zijn voeteneind). Een ontbijt wordt hem opgediend, middenin de woestijn!
Elia rukte nors met zijn schouders en draaide zich kribbig op zijn andere zijde; hij wilde niet gestoord worden. Nee… dat staat er niet! Er staat: hij at, hij dronk en ging weer liggen. Onbegrijpelijk. Zou hij de engel niet hebben gezien? Zou hij pas later, toen de engel met hem sprak, hebben geconcludeerd dat het een engel moet zijn geweest die dit deed? Misschien.
Of is het inderdaad het diepe verdriet dat hem zo verblind. In ieder geval lijkt Elia niet snel onder de indruk van Gods barmhartigheid en ontferming.


In die zin is verdriet een lastige en listige vijand. Het kan je waarneming misvormen. Verdriet voorkom je niet gemakkelijk. Maar het is wel goed om scherp op jezelf te letten, dat je niet doorslaat. Dat lukt je zeker niet in eigen kracht. Juist in je goede, vrolijke dagen, mag het bewuste gebed tot de HEERE wel zijn, dat Hij je in tijden van tegenslag en verdriet in balans houdt. Opdat je Zijn Woord zult blijven vertrouwen, Zijn boden zult blijven opmerken, Zijn stem zult blijven herkennen en niet zult verdwalen in het labyrint van verdrietige emoties. Het vervolg van de geschiedenis mag een bemoediging zijn, dat de HEERE er van af weet en er heel teer en genadig mee omgaat.


Psalm 142 vers 2 en 6
Als mij geen hulp of uitkomst bleek,
Wanneer mijn geest in mij bezweek,
En overstelpt was door ellend',

Hebt Gij, o HEER', mijn pad gekend.

Hoor mijn geschrei; 'k ben uitgeteerd,
Door mijn vervolgers overheerd
;
Ai, help en red mij uit den nood,
Want hunne macht is mij te groot.

zaterdag 17 januari 2015

Een vuurproef na een vuurbewijs

"Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil…"
1 Koningen 19 : 3a

Petrus zinkt weg, nadat hij Jezus uit het oog heeft verloren en slechts keek naar de golven!

Daar loopt de bode van Izébel. Achab had hem precies gezegd waar Elia was heengegaan. Immers, Elia had voorop gelopen toen Achab met zijn gevolg naar Jizreël was teruggekeerd. De koning sloeg linksaf naar het paleis, de profeet liep de stad verder in. Achab had hem nog nagestaard, als wilde hij de tijd nog rekken om Izébel onder ogen te komen. Wat was dat toch met die Elia. Achab haatte hem, maar iets in hem trok hem toch weer naar Elia toe. Even later sloeg Elia de hoek om, op de voet gevolgd door zijn knecht. Zonder dat Elia het had gezegd, wist Achab waar Elia heenging. En daar, vlakbij de poort van de stad, snelde de bode van Izébel heen. Het was een geheime opdracht, geen van de inwoners van Jizreël wist wat deze bode moest gaan doen. Niemand? Elia zag hem komen. De HEERE had het hem bekend gemaakt. God had Zíjn bode gestuurd: een engel.

Gods bescherming

Elia was niet bang geweest op de Karmel. Hij had daar alleen gestaan, maar God was aan zijn zijde! Met Psalm 91 kon hij meezingen: "Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!" Natuurlijk was het gevaar groot, waarin Elia zich bevond, maar met zijn God kon hij over muren springen. Hij vreesde het grote gevaar niet. Moedig had hij daar gestaan, temidden van die honderden Baälsprofeten. Groot en zichtbaar geweld, of geniepig gevaar deerde hem niet, want hij vertrouwde rotsvast op zijn God: "Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar." Waarheid… daar was het om gegaan: Wie is God: Baäl of de HEERE?
De afgodendienst was als een besmettelijke ziekte onder het volk uitgebreid. Het hele volk was er door aangetast; maar Obadja niet, de honderd profeten van de HEERE niet en… Elia niet. "Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt."
Tot aan vanmiddag, toen het doek voor Baäl viel, toen God met vuur antwoordde. Elia had niet gevreesd "…voor het verderf, dat op den middag verwoest."
Nadat de HEERE had geantwoord uit de hemel, en het volk had geantwoord "De HEERE is God",  had Elia in Gods naam de priesters laten doden. "Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken. Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien." De dichter van Psalm 91 had daar natuurlijk iets heel anders mee bedoeld, maar hier op de Karmel had Elia inderdaad de bijna duizend priesters zien vallen… ja, hij had de vergelding van de goddelozen gezien. Fier was hij voor Achab uitgelopen, richting Jizreël, "Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek; u zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen."

Gods engel

De HEERE had Zijn engel gestuurd, "Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot. Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
De engel had hem in naam van zijn Zender verteld wat er in de kamer van Achab en Izébel was gebeurd. Hij had hem verteld hoe Izébel in woede was uitgebarsten als een jonge leeuw; en het had Elia niet verbaasd. Hij kende Izébel goed genoeg om te weten, dat ze dit nooit over haar kant zou laten gaan. Vuurspugend had ze haar plan uitgebroed, zoals een adder zijn eieren uitbroedt. Maar Elia had de grootheid en de majesteit van de HEERE gezien op de Karmel. Als díe God aan jouw zijde staat, als je in Zijn schaduw mag leven en Hem als je schuilplaats mag hebben… dan behoef je nooit en te nimmer te vrezen! Hij zou op die adder Izébel trappen. Hij kon haar zelfs tarten als het moest; mits God de opdracht ertoe gaf. Hij zou die woeste, jonge leeuw met een armzwaai aan de kant schuiven, als was ze een vliegje; haar vadsige lichaam ten spijt.

Gods belofte

Maar net toen hij de laatste regel van Psalm 91 wilde zingen, "Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien", realiseerde Elia zich wát die engel hem daar probeerde te vertellen. Izébel had een eed gezworen: "Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner." Eigenlijk had hij moeten lachen… welke goden? Was het niet ademloos stil gebleven daar op de Karmel? Welke goden? Die slapenden, of die peinzenden, of die goden die op een lange reis waren? Ha, wat zijn toch de afgoden, HEERE, bij U vergeleken?
De woorden van Izébel haakten in zijn hart. Zijn blik dwaalde door het raam naar buiten. Vanaf de paleistrap zag hij de door Gods bode aangekondigde bode van Izébel aankomen. "Kijk," had de engel gezegd, "zie je hem komen?" Elia pakte zijn knecht bij de arm, trok hem met haast de deur uit, rende de stadpoort uit en haastte zich 'om zijns levens wil'!


Nee, dat staat toch niet in de Bijbel?! Ja dat staat er wel. Schrik je daarvan? Het verhaal dat ik ervan maakte, met Psalm 91 erdoorheen staat er natuurlijk niet zo; dat deed ik, om je mee te nemen naar Gods beloften aan het einde van de Psalm en naar het kniekpunt bij Elia. Maar dit, in onze tekst, is dezelfde Elia als die op de Karmel zo vol vuur had geroepen: "Hoe lang hinkt gij op twee gedachten?" Hoe kan dat? Daar zijn veel filosofiën over en daar kom ik in het vervolg nog op terug. Maar direct moest ik denken aan Petrus, die de Heere Jezus bevel gaf om hem uit het schip op de golven te laten lopen. En het lukte! Maar toen Petrus de golven zag – en Jezus uit het oog verloor, ondanks zijn geloofsband met Hem – zonk hij weg. Zo ook Elia. Er is iets veranderd in Elia. We lezen "om zijns levens wil". Dat is dus puur lijfsbehoud. Om zijn ziel te redden, zo zou je het ook kunnen vertalen. Hij was dus op dat moment niet meer bereid te sterven voor de zaak van God. Maar lees nu eens wat er in de Kanttekeningen staat – en dat trof me diep – hoe zij dit anders vertalen en uitleggen: "leven: dat hebreeuwse woord betekent ook wel ziel. Anders vertaald: "naar zijn ziel", dat is: naar zijn goeddunken." Is dit een moment, waarop Elia eigen beslissingen neemt, los van God? Het heeft er alles van weg en in het vervolg zal dat vermoeden meer bevestigd dan ontkracht worden, helaas!
Na dat grote ingrijpen van God, op de Karmel, door middel van een vuurbewijs, komt nu de vuurdoop voor Elia. Hij dwong het volk tot een keuze en verweet hen dat ze zo moeilijk een goede keuze konden/wilden maken. Maar hier lijkt Elia in hetzelfde te struikelen. We houden onze adem in… en wat dacht je dat de engel des Heeren deed?

Psalm 91 vers 7 en 8
"Dewijl zijn ziel Mij teêr bemint"
(Dus laat God Zelf Zich horen),
"Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind,
Een heilrijk lot beschoren;
Omdat hij Mijnen naam erkent,
Zal hem Mijn gunst verzellen;
Ik zal hem redden uit d' ellend',
En op een hoogte stellen."

"Hij zal, in alle ramp en pijn,
Tot Mij om uitkomst zuchten,
En Ik gestadig bij hem zijn
In al zijn ongenuchten;
't Gevaar zal Ik hem doen ontvliên;
Zijn levensdagen rekken;
'k Zal hem Mijn eer en heil doen zien,
En nooit Mijn hulp onttrekken." 

dinsdag 30 december 2014

Welke kant zongen de engelen op?

"En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God…"
Lukas 2 : 13

'Ere zij God', geschilderd door Govert Teunisz Flinck (leerling van Rembrandt), 1639

De meest uiteenlopende ideeën bestaan er over die engelenzang in Efratha's velden. Al die verschillende ideeën zie je uitgebeeld in schilderijen en illustraties. De schilder is vaak geen theoloog en daarom zie je in tekeningen en schilderijen nogal eens opmerkelijke interpretaties. Maar omgekeerd zou je ook willen dat theologen eens meer kunstschilders zouden zijn, zodat ze ook beeldend voor zich zagen, wat ze prekend verwoorden.
Zo blijf ik bij de woorden van vandaag hangen bij drie vragen:
1. Wat vertelt dat woord 'van stonde aan'?
2. Welke kant keken de engelen op, toen ze het 'Ere zij God' zongen?
3. Waren dit alle engelen?

1. Wat vertelt dat woord 'van stonde aan'?
Als je zou kijken naar wat er in de grondtekst staat, dan vind je een woord dat eigenlijk 'plotseling' betekent. Het woord vertelt dus eigenlijk iets over de vaart en de onverwachtheid waarmee dit fenomeen plaatsvindt. Daarentegen blijven de gangbare Nederlandse vertalingen hangen bij variaties op 'terstond', dat dus de plaats in de tijd aangeeft. Eigenlijk zo: direct na het laatste woord van de engel breekt de hemel open. En de omstandigheid waaronder is: op het aller onverwachtst!
De engel had de herders verteld hoe ze de Zaligmaker zouden kunnen herkennen. Het waren omschrijvingen die totaal niet bij een nieuwe Koning pasten! Pover en armoedig waren de omstandigheden van Jezus' geboorte. Maar de hemel keek daar anders tegenaan. Voordat de herders een vertekend beeld van de Messias zouden kunnen krijgen, grijpt de hemel in. Ds. Viervant vertelt:
"Een gezant van het hemelhof boodschapt de geboorte van den beloofden en langverwachten Zaligmaker, aan de wachthoudende herderen. Hij legt zijne boodschap af, onder eenen glans van Godlijke heerlijkheid, die de duisternis verdrijft, en den somberen nacht, als in eenen vrolijken morgenstond herschept. Ziet daar straalen van licht! Straks daar na, wordt deeze heugelijke tijding nader bevestigd, door duizenden van hemelburgeren, die Gode ter eere zingen, de aarde geluk wenschen, en Gods oogmerken ontvouwen. Ziet daar den vollen dag!"
"Eén hemelburger kon, aan de boodschap der geboorte van Jehova's Spruite, geen genoegzaamen luister geeven, en de waereld, met de komst van haaren Heiland, naar behooren, geluk wenschen; neen, veelen uit de duizendmaal duizenden verscheenen hier toe, bij en onder menschen, daar zij, door den gebooren Zoon van God, den Godmens, menschenvrienden werden, en medestemmers kreegen in 's Allerhoogden eer."
Die ene engel, hoe heerlijk ook, was voor de Messias te gering. Daarom scheurt de hemel open en vertoont zich een massa engelen. De herders krijgen een inkijkje in de hemel en geraken onder de diepe indruk van de majesteit en heerlijkheid van deze Messias! Dat is iets wat mensen maar zelden zullen kunnen: iets laten zien en ervaren van de hemelse heerlijkheid. We kunnen dat wel zélf ervaren, maar het ánderen laten ervaren, dat kunnen mensen minder dan de engelen!

2. Welke kant keken de engelen op, toen ze het 'Ere zij God' zongen?
De meeste plaatjes laten, evenals het boven afgebeelde schilderij, zien dat er in de lucht een aantal engeltjes hangen, die naar de herders toe zingen. De vraag is, waar die engelen zich bevinden. Er staat immers 'met de engel', dus het zou zomaar kunnen dat die engelen een koor vormden in het veld van Efratha, beneden. Ds. Viervant opnieuw:

"Met deezen (die eerste engel) moeten zij instemmen, zijne hemeltijding bevestigen, en zijne heerlijke Evangelierede met Godverheerlijking besluiten, om de geloofstoestemming der herderen, te spoediger, te gewinnen; daar toe daalen zij schielijk, onverwacht neder, Verrasschende de herderlieden, in zichtbaare luistervolle gedaante, zweevende, waarschijnlijk, boven hunne hoofden! Welk gezicht! hoe mijestueus! Maar immers niet te heerlijk, nu de Vorst van het heir des Heeren, de Heer der heirschaaren Zelve op Gods aardbodem verscheenen is."

Was het slechts een openrijten van de hemel, dan hadden we hen op de rug gezien, met hun blik naar God gericht. Maar nu kijken ze die herders goed aan, en moedigen hen aan de boodschap toch vooral te geloven én op weg te gaan. Wat een bijzondere ontmoeting voor de engelen! Zoveel tegelijk die de mensen in de ogen kijken en mogen zien wat hun goddelijke boodschap teweeg brengt. Zij weten niet hoe mensen daarop reageren. Zelf zijn ze zo volmaakt gehoorzaam. Ze geloven de Heere direct op Zijn woord! Maar ze weten dat mensen de Heere van nature wantrouwen en Gods Woord zo anders kunnen interpreteren.  Dominee viervant vult die houding van de engelen nog ietsje anders in: 
"Die [duizenden engelen] komen over deze gebeurtenis niet [zo maar] iets berichten aan de mensen, maar [zij] verheffen zich [hier] op aard tot God, met lof en roem, zoals ze [dat] ook doen in de hemel."
Als het ware, zo stelt hij met deze woorden, doen ze ons voor, hoe het er in de hemel aan toe gaat. Dus: ze zingen vanaf Efratha's veld richting de hemeltroon van God!

3. Waren dit alle engelen?
Wat is passend bij de eer van een koning? Een grootse militaire parade en schitterende uniformen. Verschijnen op zo'n parade alle soldaten van het land? Nee, maar voldoende om de eer van de koning tot uitdrukking te brengen.
Om diezelfde reden lezen we in onze tekst over 'menigte'. Het grondwoord komt van het werkwoord vullen. Het moet voor de herders nog wel te bevatten zijn, maar geloof me het was een indrukwekkende hoeveelheid engelen. Het bevattingsvermogen van de herders, zowel als het veld van Efratha, was met hun duizendtallen gevuld. En toch bleven er voldoende achter in de hemel om God te blijven verheerlijken!
De herders – en wij met hen – krijgen hier een kleine indruk van de menigte der engelen in de hemel. Als Jezus tegen Pilatus spreekt over Zijn Vader die legioenen aan engelen kan sturen, dan geloof ik dat direct als ik Lukas 2 op me in laat werken! 
Tot slot nog een fragment van Viervants doordenken en tekst met tekst verbinden:

"Zongen de morgensterren vrolijk, juichten de kinderen Gods, toen de aarde zonk op haare grondvesten, met hoe veele reden juichen Gods Engelen op aarde met vreugdgeschal, nu Hij gebooren werd, om wien de aarde, schoon vervloekt, gegrondvest bleef. — Hij, die van de kribbe op het kruis, en van het kruis op den troon der Majesteit gesteegen, zeggen zal: ziet Ik! Ik maake alle dingen nieuw! Ja, nu, voegen de onbevlekte Hallelujaas in de plaats der gebrekkige Hosannaas!"

zaterdag 27 december 2014

Een engel past in Gods heerlijkheid; en jij?

"En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze."
Lukas 2 : 9


Wie een kaars aansteekt in een donkere kamer, zal grote schaduwen op de muur zien, ontstaan door alle voorwerpen en personen die er rondom staan. En wie een zaklamp neemt om daarmee in een kamer iets te zoeken, zal misschien wel één object kunnen beschijnen van 1 kant, maar die lichtbundel zal nooit ook de achterkant van het object verlichten. Dat is natuurkundig heel simpel te verklaren. Licht komt uit een bron voort, hooguit zal het zich verspreiden, maar het zal nooit om een bochtje schijnen; behalve met glasvezel (maar dat is dan ook nog heel beperkt).
Dat er in onze tekst geen sprake is van glasvezel, lijkt me duidelijk. Toch gebeurt er iets wonderlijks. De engel, die bij de herders komt staan wordt vaak afgeschilderd als een lichtende figuur. Op veel plaatjes, in bijvoorbeeld kinderbijbels, is een engel omgeven door lichtstralen. Maar al die stralen – kijk er maar eens goed naar – waaieren uit en 'omvangen' nooit iets.

Het woordje 'omschijnen' in onze tekst betekent 'van alle kanten verlichten'. Doet dat die stralenkrans van deze ene lichtbron, de engel? Natuurkundig kan dat niet… Op het plaatje zie je dat enkel de voorkanten van de herders zijn verlicht; en omdat de meeste schapen gewend aan het donker, zich afkeren van het felle licht, worden hun achterkanten beschenen. De rest is schemer of zelfs donker.
Het is een mooi plaatje en voor een kind zeer beeldend. Maar het klopt niet helemaal met de tekst. 
De hemelse bode (was het Gabriël weer?) bracht dit keer iets mee uit de hemel. Bij de ontmoeting met Maria en met Zacharias lezen we dat echter niet: "de heerlijkheid des Heeren omscheen hen". Iets van Gods zuivere en reine gloed komt mee met de engel, zoals het aangezicht van Mozes blinkend was, nadat hij met God was geweest op de berg Sinaï in Exodus 34:
30 Als nu Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
31 Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.
32 En daarna traden al de kinderen Israëls toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinaï.
33 Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.
34 Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israëls, wat hem geboden was.
35 Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.
Aan Mozes kon je zien bij Wie hij was geweest. En je ziet in vers 30 dezelfde reactie, als in onze dagtekst. Er komt vrees. Waarom? Het is hetzelfde effect, als wanneer een voorvluchtige crimineel in het donker plots wordt gevangen door de lichtbundel van een politiehelikopter. Alles is in één klap verlicht… hij bevindt zich – helemaal 'weerloos' – binnenin dat licht en alles wordt zichtbaar; hij kan niet meer ontkomen. 
Het is ook dezelfde reactie als van Adam en Eva, toen zij hadden gezondigd: ze kropen weg tussen de struiken, om uit Gods blikveld te blijven. Maar dat is een zinloze poging.
Zo'n zelfde schrikreactie zien we ook bij de herders. Het alles onthullende licht, dat hen van alle kanten omvangt, brengt schrik. Er valt niets meer te verbergen. Sinds Genesis 3 is God zo. En telkens als God de mensen opzoekt – in de meeste gevallen doet Hij dat door Zijn boden, de engelen en de voorgangers – ervaren zij in het licht van Gods aangezicht, dat ze voor Hem niet kunnen bestaan.
Juist daarvoor kwam de Messias, om ons te verlossen van de schrik, de angst… zodat we God weer onder ogen kunnen komen, Zijn licht ons niet langer verschrikt, ja… dat wij wandelen in dat Licht met Jezus!

Tot slot: die engel is slechts een schepsel en heeft dat licht niet van zichzelf. Het is daarom ook de 'heerlijkheid van de Heere'. Aan die engel kon je wel zien in Wiens nabijheid hij was geweest! Een engel is een geest… en toch kan hij worden gezien, juist dankzij dat licht van God. Je merkt dat de engel past bij dat reine licht… en dat de mens er voor terugdeinst! Gods heiligheid en de mens passen sinds Genesis 3 niet meer bij elkaar. De engel laat ons in wezen zien hoe het was in het Paradijs. Al moet worden gezegd dat Jesaja engelen in de hemel zag (Jesaja 6:2), die met twee van hun vleugels hun gezicht bedekken, vanwege Gods heerlijkheid en heiligheid! Uit eerbied. In dat licht is het dan nog eens extra bijzonder dat deze engel mag zeggen van zijn Zender: "Vreest niet… want ik verkondig u grote blijdschap!"