Posts tonen met het label angst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label angst. Alle posts tonen

woensdag 7 maart 2018

Jezelf in de nesten werken

De loyale van de royale - VIII

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij en zijn hart beefde zeer. En Saul vraagde den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten.
1 Samuël 28 : 5-6


Op een van de heuvels langs de vlakte van Jizreël staat een man. Hij kijkt uit over de vlakte, maar zijn blik reikt verder, naar Sunem, vlak onder Naïn in het stamgebied van Issaschar. De man is ver van huis. Hij heeft zijn legers vanuit Gibea ver naar het noorden getrokken, vanwege een grootse aanval van de Filistijnen, die meer langs de zeekant naar het noorden zijn getrokken. De Filistijnen hadden zich in Afek, vlakbij Joppe, verzameld. De verspieders van de man hadden niet alleen de troepenbeweging feilloos in kaart gebracht voor hem, maar ze hadden er ook nog een ontstellende ontdekking bij vermeld: David heeft zich met zijn leger gevoegd bij een van de Filistijnse koningen, Achis. Daarom herkennen we de man op de heuvel niet direct als Saul!
Het is een andere Saul die hier observeert. Of eigenlijk… hij kijkt uit op een enorme blinde muur. Waar zijn woeste kracht nog wel eens een overwinning afdwong op de Filistijnen, is hem nu alle moed in de schoenen gezonken? Vanwege de overmacht? Nee, die is niet heel veel groter dan in de voorgaande jaren. Vanwege het ontbreken van kundige legeraanvoerders? Ook dat is niet het probleem. Het eigenlijke probleem wordt verwoord in de tekst van vandaag: “De HEERE antwoordde hem niet.” En Saul had nog wel zo gebeden! Hij had de HEERE gevraagd hoe hij dit moest aanpakken. Maar het bleef stil.

Dat God zwijgt is voor Saul onheilspellend. En bijgelovig als hij is geworden, heeft dat enorm vat op hem. Wij zeggen misschien wel veel te gemakkelijk ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’, maar er zit wel een diepe van waarheid in, ook al wordt dat keihard ontkend. Elk mens zoekt zekerheid. Is het niet in God dan is het wel in de utopie dat Hij niet bestaat. Het probleem met Saul is echter dat hij voluit weet dat God bestaat en daar ook geen moment aan twijfelt. Maar God zwijgt tegen hem, omdat Saul niet naar Hem luistert. Die houding kun je met recht ‘in de nesten werken’ noemen. Zijn leven is één ondoordringbare kluwe van problemen geworden.

Maar er is nog iets dat Saul aan de rand van de waanzin brengt: daarginds, in de achterhoede van de Filistijnen bevindt zich David. En God is wel met David! Sauls verspieders hebben hem dat mogelijk met angst in het hart gemeld, maar het was essentiële informatie! Wat zij en dus ook Saul niet wisten is dat David zich ook de nesten had ­gewerkt, door zich bij Achis aan te sluiten. Hij wilde via zelfgekozen wegen de veiligheid van zijn groep waarborgen en zicht die opnieuw bij Achis. Deze stond op het punt om ten strijde te trekken tegen Israël en David wilde zijn betrouwbaarheid bewijzen; daarom zei hij met een grote mond dat hij met Achis wilde meetrekken. Even daar gelaten of hij daar een even dubbel plan mee had als Jonathan aan Sauls kant.

Toen de verschillende Filistijnse legers zich in Afek verzamelden, waren er weer een aantal die David herkenden. Het lijkt het verhaal van Petrus wel in de zaal van Kajafas! David gokte veel te hoog; maar de HEERE maakte dat de andere Filistijnse vorsten hem absoluut niet mee wilden hebben. Hij zou hen zo van achteren kunnen aanvallen als zijn vooraan in strijd waren met Saul en zijn leger. Nu was Davids leger niet zo groot als de duizenden der Filistijnen. Maar men hield wel rekening met Davids bijzondere kracht die hij van God had ontvangen! Moet je horen wat David veinst, wanneer Achis hem toch moet zeggen dat de anderen hem niet mee willen: “Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw ­aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer den koning?” Nota bene!
Of had hij mee willen vechten om Saul te kunnen beschermen? Hoe dan ook, Saul is doodsbenauwd voor de Filistijnen bij wie hij nog steeds David vermoedt. Zou Jonathan daar bij hem hebben gestaan? Nergens wordt zijn naam genoemd, maar er gebeuren een hele hoop dingen die iets met hem móeten hebben gedaan! Ook hij moet hebben geweten van Davids aanwezigheid daar ginds in het leger van de Filistijnen. Dat heeft hem wellicht met vreugde vervuld, maar toch…

En dan is daar dat moment dat Saul de wijk neemt tot het rijk van de duisternis. Als dan God zwijgt, dan zal hij kijken of de satan spreekt. Toen Samuël stierf had hij – uit krankzinnige angst voor het boven­natuurlijke – de waarzeggers en de duivelskunstenaars laten doden. Zo meende hij dat het rijk van satan ook het zwijgen werd opgelegd en zo kon hij vrij zijn gang gaan. Maar gek genoeg vraagt hij nu om een waarzegster. Waarom juist om een vrouw? En als hij die zo secuur had uitgeroeid, waarom vermoedde hij er dan toch nog eentje? Moet je indenken hoeveel risico zijn knechten liepen, toen zij hem antwoord gaven: “In Endor is er nog wel eentje”. Endor! Dat betekende dat hij met een boog om de legers van de Filistijnen moest, want Endor lag recht naar het noorden, vlak onder het Thaborgebergte. Ze moesten de zijtak van de Jordaan over en dan over het gebergte rechts van Sunem. Een niet ongevaarlijke tocht, maar het ‘lukt’.

We weten hoe het afliep. Daar ontmoette hij een spirituele simulatie van Samuël; Sauls wordt ondanks zijn vermomming herkend door de waarzegster, waarmee ze aantoont ‘betrouwbaar’ te zijn. Maar de boodschap is verpletterend. En ondanks al dat spirituele komt Saul niet tot verandering maar verhardt hij in zijn weg. Zou Jonathan hier ook bij zijn geweest? Ik vraag het me af. Wat een kluwe van losse eindjes is zijn leven geworden. Hij heeft zich in de nesten gewerkt.

vrijdag 20 januari 2017

Waarom bang voor Jezus?

"En er kwam een verbaasdheid over allen, en zij spraken tezamen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit?"
Lukas 4 : 36
Angst is een slechte raadgever. Angst verwachten we in de nabijheid van satan, maar niet in Jezus' aanwezigheid. Hoe komt het dat de mensen in Kapernaüm bang worden als Jezus een duivel uitdrijft?

Waarom willen mensen Jezus een wonder zien doen en zijn ze vervolgens bang als Hij dat doet? Waarom toont God Zijn almacht aan mensen, die daar zogenaamd op zitten te wachten, en gaan zij vervolgens aan het redeneren of dat nou wel écht Gods werk was of hun eigen inbeelding? Waarom zitten mensen op een bericht uit de hemel te wachten en horen zij elke zondag 'gewoon' Gods stem, maar blijven zij toch in duisternis zitten terwijl ze mokken: "Het zal nog wel niet Gods tijd zijn om mij te bekeren. Dan blijf ik nog maar eerlijk onbekeerd."
Mijn moeder had altijd een uitdrukking, wanneer ik iets zocht dat gewoon vlak voor me lag, maar ik keek er stomweg overheen: "Ik zocht naar het paard en ik zat erop." Grappig gezegde voor slechte zoekers. Maar in geestelijk opzicht zitten er wat een mensen in de kerk te wachten op iets dat al lang is gebeurd en voortdurend gebeurt! Net als de Joden wachten op de komst van de Messias, Die nu al ruim 21 eeuwen geleden ís gekomen! Veel kerkmensen verschillen niet zo veel van de Joden.
De rijke man werd door Abraham in de hemel vermaand, na zijn vraag: "Nee, maar als er nou iemand uit de doden zou opstaan, Lazarus bijvoorbeeld, dan zou mijn familie het wel geloven!" Abraham zei: "Dan zullen ze nog niet geloven. Ze hebben Gods Woord en daar moeten ze het mee doen. Zelfs als er een engel uit de hemel voor hen zou staan, zullen ze nog niet genoeg overtuigd raken van wat het Woord helder en duidelijk zegt." Mensen zoeken naar het 'paard', het bovennatuurlijk of hyperspirituele of overbevindelijke, maar ze 'zitten' er gewoon op. Of eigenlijk… ze zitten eronder: het Woord ís Gods stem. Geloof het Woord; geloof God op Zijn Woord!

Bang voor Jezus' werken

Dat woord 'verbaasdheid' in onze tekst brengt nogal wat onduidelijkheid te weeg. Iemand die wij verbaasd zien kijken, trekt zijn wenkbrauwen op en staart ongelovig naar iets of iemand, waarvan hij niet kan geloven dat hij het goed ziet of hoort. Verbaasd kun je zijn over iemand die zegt niet te zullen komen en toch opeens voor je deur staat. Verbaasd kun je zijn over de boodschap dat je je diploma niet hebt gehaald, hoewel je nog wel dacht dat je de examens goed had gemaakt. Verbazing is in onze begrippen een reactie van verrassing (aangenaam of onaangenaam) bij processen die anders lopen dan verwacht.
Nu komen er in het Nieuwe Testament drie woorden voor 'verbaasd zijn' voor:
  1. ektham'beo - schrik aanjagen, verschrikken, verdoofd van schrik;
  2. enne'os - stom, met stomheid geslagen, sprakeloos van schrik;
  3. tham'beo - ontsteld zijn, verbazen, schrik aanjagen, bang zijn.
Dat laatste woord wordt in onze tekst gebruikt en komt van thambos dat verstomming, ontzetting en verbazing betekent. Dat is niet zomaar een verbaasde blik, zo van: "Nou zeg, dat is ook wat!" De schrik slaat hier mensen om het hart. Wat gebeurt hier?! Mensen zijn in één klap uit hun comfortzone. Ja, dat is typisch Jezus' manier van werken. En als je dat niet fijn vindt, moet je vooral ver bij Hem vandaan blijven.
Je ziet dat de mensen in de tekst ook doen. Ze gaan tegen elkaar praten, om dat nare, onrustige gevoel maar snel kwijt te raken. "Wat is dit? Hij zei niets spectaculairs, maar toch ging die boze geest met de staart tussen de benen weg! Snap jij dat nou?" Dit hebben ze nog nooit gezien. Ik vermoed dat ze weleens vaker een duiveluitdrijving hebben meegemaakt, maar dan zoals dat heden ten dage ook wel voorkomt, met veel tumult en kabaal, geschreeuw en geweld. Niet zoals hier bij Jezus: één woord slechts. "Eén woord van de Meester…", zong Esther Tims:

de mensen verdringen zich
de kinderen wringen zich
erdoor om vooraan te kunnen staan
de spanning trilt hier in de lucht
overal gaat het gerucht
de Meester komt eraan
 
en een man aan de kant van de weg gezet
verstoken van 't licht van de zon
hij hoorde:"'t is Jezus van Nazareth
en hij schreeuwde zo hard als hij kon
Jezus, Jezus help mij
Jezus, Jezus help mij
 
de mensen bestraften hem
spreek niet met zo'n luide stem
stil en hou je fatsoen
maar hij riep des te harder
en toen Jezus hem naderde
zei Die: wat zal Ik doen
 
en de man langs de kant van de weg gezet
hij gooide zijn mantel opzij
liep tastend naar Jezus van Nazareth
klampte zich vast en hij zei;
Meester Meester dat ik ziende word
Meester Meester dat ik ziende word
 
één woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en ik kan zien
één woord van de Meester
één wonder mischien
één woord was voldoende
en hij kon zien
 
ben je ooit als een ding aan de kant gezet
en is jou het licht niet gegund
als je hoort: daar is Jezus van Nazareth
roep dan zo hard als je kunt:
Jezus, Jezus help mij
Jezus Jezus help mij
 
één woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en je zult zien
één Woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en je zult zien

Bang voor Jezus' woorden

"En God sprak en het was er", lezen we in het Scheppingsevangelie (Genesis 1). Geen der elementen kende angst. Ze kwamen niet als gedweëe slaven tevoorschijn, of als dode machines op commando. O, ik had erbij willen zijn, toen God de Zoon schiep: "Bloemen!" En plots verschenen er kleurige stipjes op de grauwe aarde, werden bergen bekleed en ingekleurd als bij toverslag. Eén woord van de Schepper! En niet te vergeten al die diertjes. Man, al die kleuren bedenken… dat gaat toch je verstand te boven?! Ja, wij kennen de kleuren en weten precies wat de lichtfrequentie is van paars of van oranje, maar bedénken van kleuren is nog wel wat anders. Uit het niets kleur bedenken, vormen bedenken, materie bedenken, leven bedenken, emotie, klank en smaak bedenken. En nergens bespeur ik angst in die vers-geschapen wereld. Het staat er te pronken tot Gods eer, glunderend er te mogen zijn!
Maar hier herschept Jezus een zieke ziel tot een gedienstige geest en een bevrijd lichaam. En er komt angst, onrust en verwarring. Waarom? Probeer daar eens over na te denken: waarom ontstaat er verwarring?
In de vorige Bijbelstudie wees ik op die bezetene in Gardara, waarin een overvloed aan duivelen zat. Die vroegen, toen Jezus hen wilde uitdrijven, of ze in die groep varkens mochten varen; toen Jezus dat toestond daverde de hele kudde de vernietiging in. Geen rituele slachting, maar een duivelse vernietiging van het geschapene. Dood, dood, dood en kapot moet alles! Dat is het keurmerk van de firma Hel, die wordt gerund door CEO satan.
Maar, zo zei ik in die vorige Bijbelstudie, hier wordt satan gemuilband en weggestuurd. En zonder commentaar vertrekt hij ook. Of… fungeren deze luisteraars in de synagoge als een soort kudde, waarin satan vaart? Paniek, verwarring, angst, ontsteltenis; de bangheid slaat hen om het hart. 'Angst is een leugenaar' staat er op de plaat bovenaan deze Bijbelstudie. En leugens komen bij de vader (de bedenker of de bron) der leugens, de satan, vandaan. Angst is wezensvreemd aan God de Vader, aan Zijn Zoon én aan Zijn Geest.
Er werd iets gezocht in die woorden van Jezus. En de mensen zaten er niet ver naast. Waardoor komt het toch dat Jezus met zoveel macht spreekt? De duivel was voor hen altijd al een te machtige vijand geweest. Vijanden konden soms met angst vervullen, maar… ze wisten zich als Gods Verbondsvolk toch altijd sterker. Maar satan, dat is een ander verhaal! En nu komt er Een uit Nazareth nota bene, Die met één scheppingswoord (en zonder veel poespas) satan de deur wijst!
Gek genoeg zou hen dat blij moeten maken, voor de man in kwestie als ook voor henzelf. Maar… er ontstaat angst en onrust. Het werk – let er maar op in het vervolg van de geschiedenis – van Jezus wordt beredeneerd.
Misschien moest er op die muur in de plaat hierboven staan: "Redeneren is liegen"; het is Gods werk proberen te vatten in je eigen piepkleine verstandje. En dat maakt angstig; omdat het kinderlijk vertrouwen weg is en je er koste wat het kost een labeltje aan wilt hangen. Zo van: kijkt dat is het, zo zit het! Geloof is van een heel andere orde. Moet je eens over nadenken als je weer in de kerk zit te luisteren naar de preek! Of als je zelf Gods Woord leest en overdenkt.

zaterdag 4 juli 2015

Gelovigen moeten eraan geloven voor haatdragenden

"En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood."
Genesis 4 : 8

Hij gaat over lijken, wordt weleens gezegd van iemand die koste wat kost zijn doel wil bereiken. Hitler en Napoleon waren van zulke mensen. Maar je komt zulke spreekwoordelijke figuren ook tegen in het bedrijfsleven. Soms zitten ze boven je, soms zitten ze op jouw carrièrehoogte – of zelfs eronder – en willen ze over jouw 'lijk', je functie, opklimmen of heersen. De meesten van hen steken je niet overhoop, maar 'moorden' psychologisch. Helaas zijn er echter, die toch tot de daad van moord komen, omdat iemand hun doel of geluk in de weg staat. Ik heb het niet over hen die tot een moord of doodslag komen omdat ze door andere worden getreiterd, maar die een ander uit de wegruimen omdat hun geweten en die andere persoon samenspannen en dat een uiterst vervelend gevoel geeft.

Haat tegen het goede 

In de tekst lijkt alles snel op elkaar te volgen. Er vindt in het veld een gesprek tussen de beide broers plaats. Dat loopt op ruzie uit en in een vlaag van verstandsverbijstering slaat Kaïn zijn broer dood. Helaas gaat deze versie van het verhaal niet op, want Kaïn toont geen berouw over zijn daad, alleen spijt over de straf en dan nog pas nádat God hem heeft laten merken dat Hij alles weet.
De puntkomma in onze tekst zou ook best een periode kunnen betekenen die ligt tussen het gesprek en de daad. Sudderend is het vuur van de haat aangewakkerd tot een doelbewuste daad vanuit een door haat verwrongen hart. Het moet maar eens afgelopen wezen met dat vrome gezwets. Ja, je zult maar verbondskind wezen en telkens te horen krijgen dat je gedoopt bent. Gek wordt je ervan… Wanneer houdt dat nou eens op. En als het waar is dat God daar ooit nog op terugkomt, hoe ontloop je dat? Uitzinnig van uitzichtloosheid komen de gekste plannen in je hoofd. Maar wacht, roep die gedachten een halt toe, want wat denk je te ontlopen? Dat is ook wat God tegen Kaïn zegt. Zo hoeft het niet te blijven, die uitzichtloosheid. Is het niet dat, zo je goed, doet er verhoging wacht? Dan kun je met opgeheven hoofd door het leven gaan, richting Gods grote Dag.

Kaïn sprak met zijn broer en vrijwel zeker moet dat gesprek zijn gegaan over de ontmoeting tussen God en Kaïn. Abel zal de HEERE in alles gelijk hebben gegeven. Hij heeft Kaïn mogelijk ook opgewekt toch vooral het goede te kiezen. En misschien, misschien is Kaïn nog wel even van mening geweest dat, als je het zou zien zoals Abel het zag, dat inderdaad de beste keuze zou zijn.
Maar toen hij thuiskwam en er wellicht wel met zijn vrouw over heeft gesproken (want ik vermoed dat Kaïn toen al was getrouwd en vlakbij het paradijs en bij vader Adam en moeder Eva zijn huis en bedrijfje had opgericht, achter de veilige omheining van het gezinskampement), bezag hij de dingen toch weer vanuit zijn eigen gekrenkte perspectief. God en Abel hadden zijn ego gekrenkt en dat is kasie voor satans influisteringen. "Zeg, dat laat je je toch zeker niet gezeggen? Zij bekijken het toch ook alleen maar vanuit hun eigen perspectief? Laat je niet verblinden door een God en door Zijn blinde navolgers, die je dom willen houden!" Was dat ook niet het argument waarmee de slang moeder Eva de ogen 'opende'? Het smeulend haatvuurtje werd een haard van ontembare haatvlammen. Het goede werd in deze visie een kooi waaruit je je moet zien te bevrijden. Satan had een sterk punt, want hij sloot aan bij het connectiepunt dat er in Genesis 3 in het menselijk brein is gekomen. Een opening, een trechter, waarin hij zijn giftige werkelijkheidsverblinding als de meest heldere kijk op het leven giet. Er komt hang naar ongebondenheid en haat tegen die kooi van het goede.

Haat tegen de goede

Maar het gaat nog een stap verder. Want Kaïn had zijn koffers kunnen pakken, net als de jongste zoon uit de gelijkenis en had de wijde wereld in kunnen trekken. Waarom bleef hij hangen binnen de kraal waarin de stam van Adam woonde? Waarom bouwde hij niet een stuk verderop een eigen kraal? Wel, twee dingen zijn er die meespelen. 
Allereerst is er door de zonde nog een element in het menselijk brein bijgekomen: angst en hang naar veiligheid. Door het eten van de vrucht heeft de mens ontdekt dat hij daarmee Gods geborgenheid kwijt was. Het vertrouwen was weg omdat hij greep naar satans vrucht van wantrouwen. Zeker, hij kende nu als nooit te voren wat goed en kwaad was. Daar was hij voordien onnozel van, zoals ook de niet-gevallen engelen het kwaad niet uit eigen ervaring kennen. 
Daarom wilde Kaïn niet een eigen bestaan opbouwen. Hij wist hoeveel moeite het zijn vader had gekost om deze kraal te realiseren, een nederzetting met omheining tegen de wilde dieren die opeens moordenaars bleken te zijn. Geen leeuw meer met een lam, geen wolf meer met een kalfje, maar verscheuring die zich niet alleen beperkte tot de dierenwereld. Ook de mens kon worden aangevallen. Een nieuwe nederzetting opbouwen, een woest gebied van distels en doornen cultiveren tot een pover paradijsje waarin je kon leven, eten en slapen, terwijl dat hier voor het oprapen lag… nee Kaïn koos daar niet voor. En daarnaast was hij de eerstgeborene. Dus als zijn vader een stap terug zou doen, zou hij het regime overnemen. Mooier kon je je het niet wensen. En dan zou er zeker wat gaan veranderen hier in de gemeenschap. Hij zou het anders doen dan zijn vader.
Het tweede dat meespeelt in tal van dit soort conflicten is dat – hoe men zich ook aan Gods kinderen irriteert – er toch ook een aantrekkingskracht is op gelovigen. Zij hebben iets, als het goed is (!), dat nieuwsgierig maakt. Dat iets diepweg wakker maakt van 'gemis' of 'verlangen'. En er is niets zo irritant voor satan, dan dat hij zulke gevoelens bemerkt bij ongelovigen. Wegtrekken bij hen die God aan hun zijde hebben, is een niet aanlokkelijke zaak. Er zijn nogal eens managers die echte christenen dichtbij zich willen, in die zin dat je het maar nooit weet: wellicht heb je er bedrijfstechnisch baat bij. Als die werknemers een levend gebedsleven hebben en Gods zegen ervaren, misschien dat die God ook wel tot zegen is voor het bedrijf. Ze houden het voor zichzelf nog wel op 'gezonde' afstand, maar je weet het maar nooit. Zo kan ook Kaïns overweging geweest zijn: de nederzetting van vader Adam verlaten is de bescherming van de God van vader Adam verlaten. In die tweestrijd vermoed ik Kaïn; en het zou heel goed kunnen zijn dat zijn vrouw – over wie we hier niet zoveel lezen – daarin een cruciale rol speelde. Meer dan eens zien we dat op de achtergrond van moordenaars hun vriendinnen/vrouwen een minstens zo invloedrijke en angstaanjagende rol spelen. Niet in alle gevallen (denk aan Pilatus), maar bij Herodes, Achab en ook bij Kaïn nazaat Lamech zien we hun vrouwen/vriendinnen een dergelijke rol spelen.

En plots is daar dan de dag van de eerste dode op aarde. Dode mens, wel te verstaan, want al veel dieren zijn hem voorgegaan. Misschien gebeurde deze moord wel onder het werk. Terwijl Abel met zijn schapen langs het land van Kaïn komt, ontstaat er een woordenwisseling en hoe meer Abel op het goede van God wijst, hoe heftiger Kaïns haat wordt aangewakkerd. Hij staat tegen hem op. Letterlijk. Hij maakt zich groot, verheft zich in woord en lichaamslengte en postuur. En misschien heeft Abel wel iets dergelijks gezegd als dat jochie dat door Boko Haram werd ondervraagd: "Al sla je nog zo hard, ja al slacht je mij, je kunt mijn geloof in God niet uit mijn hart verwijderen, want ik ben eeuwig geborgen in Hem!" Toen werd het rood voor Kaïns ogen; Abel móest eraan geloven!

Mag ik eens vragen: ken je die haatgevoelens? Kun jij je verplaatsen in Kaïn of in extremisten? O, bedaar die verwoestende gevoelens. Ze breken zoveel kapot in je en ze schuiven je al verder van God weg. Roep tot God, want zo ver kun je niet weggegleden zijn of Hij hoort je. Vraag om zijn Geest en de juiste kijk op de werkelijkheid en de toekomst die wacht! Haast je, omwille van je eeuwig leven!
En als je die haatgevoelens niet kent, weet dan dat veel extremisten door dergelijke gevoelens worden voortgedreven en tot daden van moord worden aangezet. Bidt voor hen, opdat zij tot inkeer zullen komen en Koning Jezus mogen leren kennen. Bidt dat er mensen op hun pad komen die hen de weg terug naar Gods vaderhart laten zien. Want ook voor hen is er nog hoop en redding mogelijk.

dinsdag 21 april 2015

Performance en prediken

"En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd."
Markus 16 : 8

Toen Jezus werd geboren, verkondigden miljoenen engelen dit heugelijke feit. Zij spraken de herders aan en wezen hen de weg naar de stal in Bethlehem. En toen de herders in de stal waren geweest en gezien hadden wat God had gedaan, maakten zij 'alom bekend' wat er was gebeurd, wat de engel had gezegd en ze vertelden het aan iedereen die het maar horen wilde. Hoe tegengesteld is dat bij Christus' opstanding! Heeft de evangelische preek van de engel dan geen effect?

Hals over kop gevlucht

Gisteren vroeg ik mij nog af waarom de discipelen – na de ontvangen blijde boodschap van Christus' opstanding – nog steeds in Jeruzalem waren. Je kunt natuurlijk zeggen dat het zondag was en reizen dus niet was toegestaan, maar toen was de sabbat nog de rustdag, dus dat kan het niet zijn geweest. Luisteren we nog even naar wat de Emmaüsgangers vertelden tegen Jezus, met Wie zij opwandelden: "Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; en Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft." Over de vrouwen vertellen de Emmaüsgangers dat zij de discipelkring met hun boodschap 'ontstelden'. Ze raakten er door in verwarring. Bij ons leeft het beeld dat de Emmaüsgangers vast zaten in hun ongelovigheid doordat ze gewoonweg slecht luisterden naar de boodschap van de vrouwen; en de vrouwen zien we voor ons als blij en jubelend, een beetje verdrietig over het hardnekkig ongeloof van de mannen. Ik wil dat beeld niet helemaal omhalen, maar misschien is het goed toch even te kijken naar de presentatie van de vrouwen: die maakte niet dat de omstanders het snel gingen geloven.
We zien ze in onze tekst gaan, de prille evangelisten: bevend, vol ontzetting die hen zelfs 'bevangen' (in haar greep) had. Er staat voor 'bevangen hebben' een woord dat wij kennen: echo. Als het ware resoneerde, echode, de angst door heel hun voordracht. Niet direct een overtuigende performance, zou je zeggen. Daarnaast hadden ze tegen dat ze vrouwen waren; verwarde vrouwen die iets vertelden over een 'gezicht van engelen'. Het geheel komt ons toch wat verward over. Maar… zo ver was het nog niet direct; eerst moesten ze de weg nog afleggen van het graf naar de discipelen. We maken in de tekst dus even een stap terug in de tijd.

Niemand iets verteld

In onze tekst staat dat ze niemand iets zeiden, want ze waren bevreesd. Wat is dat nou? Ze worden door de engelen verwelkomd in het meest blijdschapgevende graf uit de geschiedenis: het lege graf van Jezus. Er wordt hen verteld dat hun geliefde Jezus leeft en dat Hij in Galilea op hen wacht om hen daar te verwelkomen. Wat een nieuws, wereldnieuws, nietwaar? Met zo'n boodschap op pad worden gestuurd, daar moet je toch wel van getuigen? Dat moet naar buiten barsten, niet?
Niets van dat al, in de dagtekst. Wat wordt er bedoeld? De Kanttekeningen verklaren ons iets over dat 'tegen niemand iets zeggen' van de vrouwen: "Namelijk (niets zeggen tegen) degenen, die hen ontmoeten, totdat zij tot de discipelen kwamen, aan wie zij het (wél) geboodschapt hebben, zie ook Mark. 16:10 en Luk. 24:9."
We zien ze gaan, als een pijl uit de bood; doordat ze waren aangedreven door de pees van angst en verwarring. Opeens was hun toekomstbeeld in positieve zin 180° omgekeerd. Zich geen tijd gunnend om alles rustig te laten bezinken, zoals even later Johannes wel deed, speren ze met hun boodschap naar de discipelen.
De talloze tegenvragen van de discipelen konden ze onmogelijk beantwoorden. Ze wisten simpel weg niet hoe het kon, maar dat het waar was, stond voor hen wel vast. Wel terdege hebben ze hun boodschap overgebracht, maar de verwarring en niet goed overdachte werkelijkheid maakte hen het gedreven getuige zijn onmogelijk. Het is daarom goed om niet in een staat van verwarring te gaan evangeliseren. Dat neemt niet weg, dat je toch mensen kunt tegenkomen, die je staande houden en vragen stellen. De vrouwen renden door, wimpelde de vragen af en liepen door. Ik denk dat dat op dat moment toch het beste was. Want wat je in zo'n verwarde situatie zegt blijft wel haken bij anderen.
En als je moet spreken, spreek dan eerlijk je vragen uit, voor zover die iets toelichten over je eigen situatie, maar geef wel een duidelijk en eerlijke beeld van de HEERE door, ook al ben je zelf het zicht op Hem kwijt.
Zo zie je maar, niemand is onbruikbaar in het Koninkrijk van God. Maar soms ben je wel minder vruchtbaar en dienstbaar. Hoe nodig is het een stabiele geest in je te hebben en een vast en evenwichtig vertrouwen op God. De dagelijkse, standvastige omgang met de HEERE, juist in de moeilijke situaties van je leven, zijn onmisbaar.
En zie, tot slot, dat God die povere preekje van de vrouwen, gaandeweg de dag ondersteunt met getuigenissen van bijvoorbeeld Petrus en Johannes: De HEERE is waarlijk opgestaan en Hij is door de vrouwen gezien? Ja, maar Hij is ook door Simon gezien!

woensdag 28 januari 2015

Als angst je TomTom is

En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
1 Koningen 19 : 10

Elia ziet zichzelf als de enig overgebleven ware gelovige…


Als Maria Magdalena in de Hof van Jozef van Arimathéa haar naam hoort noemen door de Heere Jezus, valt ze stil en herkent haar lieve Meester. Wanneer echter de HEERE de naam van Elia noemt in vers 9, lijkt het wel of Elia verblind is; niet beseft dat de HEERE hem bij name roept. Hij brandt los en spuit zijn gal. Maar wat zegt hij eigenlijk?

Ik heb zeer geijverd

IJver is een woord dat bij ons een totaal andere betekenis heeft gekregen. Wij worden beloond om ons ijverig gedrag. IJver en vlijt zijn grote deugden; waar komt je ze nog tegen, vragen sommige mensen zich weleens af. Maar ijver in de Bijbel heeft een andere lading. 
Als Elia wijst op zijn ijver voor de HEERE, dan bedoelt hij niet dat hij zo druk is geweest voor Gods zaak, maar dat hij zich kwaad heeft gemaakt over het feit dat het volk de HEERE heeft verlaten. IJver kun je associëren met jaloersheid. Zo horen we de HEERE in de Tien Geboden zeggen dat Hij een naijverig God is, die de zonde niet ongestraft laat. Hij kan het niet hebben als Zijn schepselen doen, alsof hij niet bestaat. IJver, zoals Elia het woord gebruikt, is een deugd buiten jezelf: het is je inspannen voor de zaak van de ander; in dit geval de HEERE. Het is je druk maken over het feit dat God niet aan Zijn eer komt, door het gedrag van medeschepselen. Herken je daar iets in? Ben je ook vervuld met heilige toorn, wanneer mensen de HEERE niet eren?
Echter, wanneer Jehu dat woord gebruikt in 2 Koningen 10 tegen Jonadab: "Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor den HEERE…", dan wil hij daar zelf iets mee worden. Jehu slaat ook door in zijn ijver. Hij dient ten diepste de HEERE niet. Maar dat is niet de insteek van Elia. Echter…

Zij hebben verlaten

Hoewel Elia gelijkt heeft – het volk heeft immers de HEERE verlaten, vóór die belijdenis op de Karmel – trekt hij wel de dingen uit proportie. Al pratend tegen de HEERE zet hij zichzelf af tegen het volk. Al redenerend plaatst hij zichzelf in het kader 'goed' en zet hij het volk in het hokje 'fout'.
Dat is op zich niet onjuist, maar daar komt een gevaar om de hoek kijken: je kijkt niet meer kritisch naar jezelf en je generaliseert over die anderen. Ze zijn allemaal tegen… ze doen allemaal maar waar ze zin in hebben… ze hebben niet… ze hebben wel… zij… zij… zij… Ik daarentegen…
Elia loopt ook het gevaar de dingen buiten proportie te zien. Hij laat zich imponeren door de dreigende woorden van Izébel en interpreteert ze als de nieuwe belijdenis van het volk. De vraag is of dat mag en of je daar jezelf niet onnodig mee in de put praat. En… of je die ander wel recht doet!
Daarbij noemt Elia feiten, die gepasseerd zijn. Het volk had immers beleden op Karmel, dat ze de HEERE weer zouden dienen; wat ook de waarde van die belijdenis moet zijn geweest.
Oude koeien doen het goed, in gifspuwen, maar niet in bruggenbouwen en wonden helen!

Ik ben alleen overgebleven

Je ziet het gevaar direct concreet worden, wanneer Elia zelfmedelijdend zegt: "Ik alleen ben overgebleven…" Enkele jaren geleden preekte er een dominee op dermate wijze, dat de HEERE de Grote Onbereikbare werd en de mensen zich vooral moest bezighouden met gewroet in zijn zondig hart. Totaal geen ruimte voor een eerlijk beeld van de HEERE en het feit dat God ook een vriendelijk aangezicht heeft. De mens stond centraal en de mens moest zich inleven in zijn zonden. Als je dat niet deed, kon het nooit wat zijn geweest.
Na afloop stelden enkele jongeren hem wat vragen; het gesprek escaleerde in rap tempo. Enkele jongeren, die in alle eenvoud probeerden deze prediker – die al op gevorderde leeftijd was – tot bedaren te brengen, maar kregen te horen dat zij niet wisten wat bidden was en dat zij geen geestelijk kennis hadden. Toen de predikant werd gevraagd of hij inzag dat zijn manier van preken toch wel uitzonderlijk beperkt was in het licht van de Schrift, zei hij dat hij altijd zo heeft 'moeten' preken en dat hij helaas nog zo'n beetje de enig overgeblevene was die zo preekte.
De predikant kon zich helaas troosten met het feit dat er nog veel te veel van zulke predikers in diverse kerken rondliepen. De harten van de jongeren waren gekwetst, de zondag was verknald en het satan had dikke pret.
"Ik alleen ben overgebleven…" is geen oprechte, godverheerlijkende belijdenis van een eenzame vluchteling, maar uiting van een onevenwichtig stuk zelfmedelijden. De HEERE laat in het vervolg van de geschiedenis zien hoe Hij daarmee omgaat. Maar het heeft mij verbaasd hoe terughoudend de HEERE hier is in Zijn spreken. Hij velt geen oordeel, maar handelt heel zachtjes met Zijn knecht.

Zij zoeken mijn ziel

Het staat er in het meervoud: "Zij zoeken mijn ziel…" Maar het is de vraag hoevelen hem werkelijk zochten. Misschien Achab, naast Izébel. Natuurlijk had Elia een punt, als hij had gewezen op de onbetrouwbaarheid van het volk. Ze waren immers een riet, dat heen en weer bewogen werd. Ze waren een golf van de zee, die dan eens hierheen rolt, en dan weer daar heen.
Maar als men de ziel van Elia op dit moment zocht, bevond Elia zich dan in een andere situatie dan toen hij moest vluchten naar de Krith. Sterker nog, toen gaf God Elia de ópdracht om te vluchten. Maar nu niet!
Toen ik vanavond beelden van vluchtende Yezidi's zag en hun verhalen hoorde, moest ik aan Elia denken. Ook raakte het mij, wanneer ik mezelf temidden van die mensen plaatste. Wat zou ik doen. Je zult maar zo ontheemd zijn. Zo vol angst en nergens je leven zeker. Het is ook zeker goed herhaaldelijk voor dit soort vluchtelingen te bidden en te vragen om Gods ingrijpen.
Maar ik komt toch telkens weer terug op Gods vraag aan Elia (dat geldt overigens niet richting die Yezidi's, hoor!): "Jij hier?" Het ging er God niet zozeer om of het begrijpelijk was dat Elia vluchtte, maar Hij was er vooral 'verbaasd' over dat Elia iets deed uit eigen beweging, zonder Gods bevel af te wachten. En hier, in de spelonk aan de voet van de Horeb, neemt de HEERE Elia op school. Om hem wat te leren. Want: de HEERE zoekt Elia's ziel ook! Om die weer vervuld te maken met dingen waar Hij door verheerlijkt wordt.


Herken je je in Elia? Is angst je TomTom in dit leven? Ik snap het wel; angst is een gevaarlijke raadgever en een plakkerig monster in je brein. Luister dan goed naar Elia's God; kijk hoe Hij te werk gaat met Elia. Vaderlijk wil Hij je ondersteunen; want Hij kent je zwakke kracht. Hij wil je in Zijn armen beschermend dragen uit elke vijandige overmacht!



Gezang 147 vers 2 en 3

Prijs Hem, die in bange tijden
onze vaad'ren uitkomst gaf!
Prijs Hem, die ook ons wil leiden,
snel tot hulp en traag tot straf!
Halleluja, halleluja,
d' eeuwen door tot steun en staf!

Vaderlijk wil Hij ons schragen,
kennend onze zwakke kracht,
in zijn arm beschermend dragen
uit des vijands overmacht.
Halleluja, halleluja,
Hem, die ons verlossing bracht!

zaterdag 27 december 2014

Een engel past in Gods heerlijkheid; en jij?

"En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze."
Lukas 2 : 9


Wie een kaars aansteekt in een donkere kamer, zal grote schaduwen op de muur zien, ontstaan door alle voorwerpen en personen die er rondom staan. En wie een zaklamp neemt om daarmee in een kamer iets te zoeken, zal misschien wel één object kunnen beschijnen van 1 kant, maar die lichtbundel zal nooit ook de achterkant van het object verlichten. Dat is natuurkundig heel simpel te verklaren. Licht komt uit een bron voort, hooguit zal het zich verspreiden, maar het zal nooit om een bochtje schijnen; behalve met glasvezel (maar dat is dan ook nog heel beperkt).
Dat er in onze tekst geen sprake is van glasvezel, lijkt me duidelijk. Toch gebeurt er iets wonderlijks. De engel, die bij de herders komt staan wordt vaak afgeschilderd als een lichtende figuur. Op veel plaatjes, in bijvoorbeeld kinderbijbels, is een engel omgeven door lichtstralen. Maar al die stralen – kijk er maar eens goed naar – waaieren uit en 'omvangen' nooit iets.

Het woordje 'omschijnen' in onze tekst betekent 'van alle kanten verlichten'. Doet dat die stralenkrans van deze ene lichtbron, de engel? Natuurkundig kan dat niet… Op het plaatje zie je dat enkel de voorkanten van de herders zijn verlicht; en omdat de meeste schapen gewend aan het donker, zich afkeren van het felle licht, worden hun achterkanten beschenen. De rest is schemer of zelfs donker.
Het is een mooi plaatje en voor een kind zeer beeldend. Maar het klopt niet helemaal met de tekst. 
De hemelse bode (was het Gabriël weer?) bracht dit keer iets mee uit de hemel. Bij de ontmoeting met Maria en met Zacharias lezen we dat echter niet: "de heerlijkheid des Heeren omscheen hen". Iets van Gods zuivere en reine gloed komt mee met de engel, zoals het aangezicht van Mozes blinkend was, nadat hij met God was geweest op de berg Sinaï in Exodus 34:
30 Als nu Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
31 Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.
32 En daarna traden al de kinderen Israëls toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinaï.
33 Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.
34 Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israëls, wat hem geboden was.
35 Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.
Aan Mozes kon je zien bij Wie hij was geweest. En je ziet in vers 30 dezelfde reactie, als in onze dagtekst. Er komt vrees. Waarom? Het is hetzelfde effect, als wanneer een voorvluchtige crimineel in het donker plots wordt gevangen door de lichtbundel van een politiehelikopter. Alles is in één klap verlicht… hij bevindt zich – helemaal 'weerloos' – binnenin dat licht en alles wordt zichtbaar; hij kan niet meer ontkomen. 
Het is ook dezelfde reactie als van Adam en Eva, toen zij hadden gezondigd: ze kropen weg tussen de struiken, om uit Gods blikveld te blijven. Maar dat is een zinloze poging.
Zo'n zelfde schrikreactie zien we ook bij de herders. Het alles onthullende licht, dat hen van alle kanten omvangt, brengt schrik. Er valt niets meer te verbergen. Sinds Genesis 3 is God zo. En telkens als God de mensen opzoekt – in de meeste gevallen doet Hij dat door Zijn boden, de engelen en de voorgangers – ervaren zij in het licht van Gods aangezicht, dat ze voor Hem niet kunnen bestaan.
Juist daarvoor kwam de Messias, om ons te verlossen van de schrik, de angst… zodat we God weer onder ogen kunnen komen, Zijn licht ons niet langer verschrikt, ja… dat wij wandelen in dat Licht met Jezus!

Tot slot: die engel is slechts een schepsel en heeft dat licht niet van zichzelf. Het is daarom ook de 'heerlijkheid van de Heere'. Aan die engel kon je wel zien in Wiens nabijheid hij was geweest! Een engel is een geest… en toch kan hij worden gezien, juist dankzij dat licht van God. Je merkt dat de engel past bij dat reine licht… en dat de mens er voor terugdeinst! Gods heiligheid en de mens passen sinds Genesis 3 niet meer bij elkaar. De engel laat ons in wezen zien hoe het was in het Paradijs. Al moet worden gezegd dat Jesaja engelen in de hemel zag (Jesaja 6:2), die met twee van hun vleugels hun gezicht bedekken, vanwege Gods heerlijkheid en heiligheid! Uit eerbied. In dat licht is het dan nog eens extra bijzonder dat deze engel mag zeggen van zijn Zender: "Vreest niet… want ik verkondig u grote blijdschap!"