Posts tonen met het label satan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label satan. Alle posts tonen

dinsdag 9 januari 2018

Als je zus verliefd wordt op jouw vervanger

De zwager van de nieuwe koning - I

Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief…
En Saul zag en merkte dat de HEERE met David was;
en Michal, de dochter van Saul, had hem lief.
Toen vreesde Saul nog meer voor David;
en Saul was David tot vijand al zijn dagen.
1 Samuël 18 : 20a, 28-29

Ja, er stond nog een ‘rekening’ open bij Saul. Hij had immers beloofd dat de overwinnaar op Goliath zou mogen trouwen met zijn dochter. In hoofdstuk 17 : 25 lezen we: “…en het zal geschieden, dat de koning dien man die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal en hij zal hem zijn dochter geven en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.” Dit was haast het eerst dat David te horen kreeg, toen hij vanuit Bethlehem bij het slagveld aankwam. Hij had gevraagd: “Welke beloning krijgt de man die deze scheldkanon uitschakelt?” De een na de ander had hem verteld dat de man die Goliath zou doden, bijzonder grote eer zou ontvangen: zijn familie weg vrijgesteld van belasting (en dat was zeer aanlokkelijk in die tijd; denk aan Samuëls waarschuwing!) én… hij zou de schoonzoon van de koning worden. Bij dat laatste had Saul blijkbaar gezegd dat de overwinnaar mocht trouwen met zijn dochter, maar niet met welk van de twee. Waarschijnlijk is iedereen ervan uit gegaan dat het de oudste, Merab, zou zijn. Hoe oud was Michal toen helemaal? Misschien nog wel een opgeschoten puber.

Saul herinnert zich in ons hoofdstuk die belofte weer. Dat hij deze belofte, openbaar gemaakt, moet nakomen is niet het grootste probleem. Het grootste probleem is dat hij die belofte moet nakomen aan die vreselijke David. Het liefst zag hij hem dood. Maar hij durft niet, zoals Saul zoveel niet durft!
Evenwel is Saul sneaky. Hij durft David niet te doden, maar zomaar iets weggeven kan hij ook niet. Zelfs bij het inwisselen van zijn belofte (en wat had David niet gedaan, om daarvoor in aanmerking te komen!) probeert hij er nog een slaatje uit te slaan. Dat valt niet direct op; hoe doortrapt is Saul, maar hoe goedgelovig is David hier nog. Het zal ook Jonathan niet direct zijn opgevallen. Immers, de twee zijn inmiddels al dikke vrienden.
Had Jonathan zijn vader altijd anders bekeken? Was Saul, vóórdat hij koning werd, wél altijd oprecht en transparant in zijn handel en wandel? Het beeld van zijn vader zal bij Jonathan langzaamaan zijn bijgesteld. Hoe ingrijpend, of aangrijpend, is dat?!

David is een bescheiden man, wanneer Saul over een huwelijk met zijn dochter begint. “Wie ben ik eigenlijk? Ik kan toch onmogelijk de schoonzoon van de koning worden?” Die nederigheid komen we bij David ook nog tegen (gelukkig) in 2 Samuël 7 : 8, waar bij belijdt voor de HEERE: “Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?”
Dan vindt er opeens een merkwaardige bruid-wisseltruc plaats. Saul lijkt hier op Laban. Waarom deed hij dat? Dat blijft vaag. Het lijkt erop dat er andere belangen op de achtergrond speelden. Tegelijk zal ook hebben meegewogen dat hij David liever dood dan levend zag.

Maar plots wordt hij gewaar dat zijn jongste dochter, Michal, op David verliefd is geworden. Wij hebben een ingekleurd beeld van haar, maar let erop dat haar liefde voor David en Davids liefde voor haar de meest pure waren in hun beider leven. Je kunt dat prachtig lezen in het boek ‘Michal’ van Jill Eileen Smith. David stal het hart van Michal al toen hij nog telkens werd geroepen om Saul te kalmeren. De angst voor de waanzin-buien van haar vader deden Michal verlangen, aldus Jill Eileen Smith, naar de komst van David. Zijn aanwezigheid deed haar adem stokken. Maar… hij leek bestemd voor haar grote zus. Maar er kwam, zo verraadde Michal aan haar vader, een rijke man in het leven van Merab: Adriël, de zoon van Barzillaï (die later op zijn oude dag nog een rol in het leven van David zal spelen).

Terug naar de Bijbel. Saul merkt dat zijn jongste dochter is verliefd geworden op David. En dat maakt dat hij haar gaat inzetten in zijn strijd tegen David, zonder dat ze dat zelf zal hebben gemerkt. Ook zijn knechten zet hij in, om David te pressen om te trouwen met Michal. De knechen moeten op David inpraten. Maar hij noemt zichzelf, tegenover die knechten, zelfs ‘arm en verachtzaam’. Denk nog even terug aan zijn afkomst en zijn positie binnen het gezin van zijn vader! Toch liet de liefde zich niet dwingen. Achter dat liefdesspel tussen deze twee harten, moeten we wel Gods hand blijven zien.
Dat David openlijk zegt dat hij onvoldoende geld heeft om een bruidsschat te betalen, komt Saul ter ore via de knechten. Daar heeft hij een handige oplossing voor. David moet 100 voorhuiden geven als bruidsschat aan Saul. Naast dat dat een smerig werkje is, en onterend bovendien, is het ook een riskant klusje. Om de voorhuid (of wellicht wel het hele geslachtsdeel) van de vijand eraf te snijden, moet de Filistijn zelf ook zijn uitgeschakeld. Risico’s te over dat David dat niet gaat overleven. Maar niets is minder waar. Hij brengt er zelfs 200 mee!

Wat een rare zaak is dit! Dat David dit doet? We horen niet dat Sauls opdracht ook een opdracht van de HEERE is. En… Filistijnen besnijden is geen evangeliserend werd. Zeker niet als ze gedood moeten worden. Waarom doet David dit, als hij zich onwaardig acht om de schoonzoon van de koning te worden? Was hij verliefd en dreef de liefde voor Michal hem tot deze actie? Wilde hij zich bewijzen? Hoewel het raadselachtig blijft, zien we Gods stuwende hand hier achter deze geschiedenis. De HEERE was met David… dat is de rode draad. En let dus op wat dát uitwerkt! “Saul zag en merkte dat de HEERE met David was…”, lezen we in vers 28. En wat werkte dat uit?
Wat werkte het bij Jonathan uit? We lezen er niet veel over, maar merken tussen de regels door dat het hem juist meer verbond aan David. Maar over Saul lezen we: “Toen vreesde Saul nog meer voor David…”. Zou dat met David ook nog iets hebben gedaan? Was dat niet een enorme valkuil voor hem? Goliath overwonnen, het volk is idolaat van hem én de koning is als de dood voor hem. Wat een ingangen voor satan!
Of het bij David een ingang voor satan was weten we niet (waarschijnlijk niet), maar bij Saul vindt satan wel een forse ingang: “…en Saul was David tot vijand al zijn dagen.” Wat een triest leven; en hoe onnodig. Zelfhandhaving is de meest schadelijke vorm van zelfmoord.

Nog even kort terug naar Jonathan. Met het huwelijk tussen zijn vriend David en zijn zusje Michal werd hij de zwager van de nieuwe koning. Uit het al eerder aangehaalde boek van Jill Eileen Smith krijg je het idee dat er tussen Jonathan en Michal een zeer warme broer-zus-band bestond. Of dat zo was, of dat het enkel de dichterlijke vrijheid van de schrijfster was weten we niet.
Wat we wel weten is, lezend tussen de regels, dat Jonathan en David steeds dichter bij elkaar kwamen te staan, ondanks dat we in het dertigste vers lezen dat David succesvoller was dan al Sauls knechten (ook Jonathan als aanvoerder van een legeronderdeel). Jonathan kon er prima mee leven dat David zijn meerdere was. Hij genoot van hun vriendschap die bewonderenswaardig diep ging. Want samen genoten ze van de HEERE en Zijn dienst. Dát zijn echte vriendschapsbanden. Dan gaan de gesprekken ook ergens over. Geen koetjes en kalfjes, maar het leven met de HEERE op het scherpst van de snede. Zijn liefdedienst en de heerlijke rijkdom van Zijn Woord.

vrijdag 20 oktober 2017

Speel geen spelletjes met satan!

“Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”
Johannes 14 : 30

Veel christenen onderschatten de gevaarlijke aanwezigheid van satan




In deze tijd waarin Halloween – nota bene op 31 oktober! – heel populair is geworden, lezen we over 'de overste der wereld' die komt. Daarnet zat ik achter een bus met een macabere plaat over een tentoonstelling over Halloween. Afschuw en horror geven mensen tegenwoordig blijkbaar een kick. Het spookhuis van vroeger voldoet niet meer. Hoe meer bizar, spectaculair en stuitend, hoe 'beter'. Hoe ver gaat die invloed van satan, dat mensen er geen probleem in zien?

Wij leven in een tijd, die omgekeerd is aan de tekst. De Koning van hemel en aarde komt en Hij zal alles in de hel wegwerpen, waar Hij niets aan heeft. Dat is de realiteit van de eindtijd. Daartegenover staat de werkelijkheid voor Gods kinderen: "En wij verwachten die dag met een groot verlangen, omdat we eindelijk bij Hem zullen zijn, Die ons heeft liefgehad met een eeuwige liefde!”

Spreken

Allereerst lezen we in de tekst dat Jezus vertelt dat Hij niet veel meer met Zijn jongeren zal spreken. Denk het je eens in dat Jezus het zwijgen ertoe gaat doen. Vind je dat ook niet aangrijpend en beangstigend? Is de situatie 'als God zwijgt' erger dan de hel voor je? Dan vind je Halloween walgelijk en vind je dat soort afbeeldingen, films en games ook weerzinwekkend en godslasterlijk. Dan is elke affiniteit met de hel, de satan en de demonen, iets dat je op grote afstand wilt houden. Jezus zegt in de tekst dat de overste van deze wereld 'niets aan Hem heeft'. Dat kon alleen Hij zeggen. En doordat dat ook zo is, moeten christenen de satan niet onderschatten. Want hij weet juist heel goed dat hij aan hen juist heel veel heeft. Maar daarover zo meteen.
Jezus zal niet veel meer met Zijn jongeren converseren. Dat betekent dat er een breuk aanstaande is en dat ze op eigen benen moeten gaan staan. Daarover was Hij in voorgaande verzen ook al best duidelijk. Toch denk ik dat deze woorden bij de discipelen een 1-dimensionale werkelijkheid hebben opgeroepen: radiostilte met Jezus; nu breekt het 'grote niets' aan. Echter, Jezus had ook gesproken over die andere Trooster, Die dingen aan hen zou leren (dus wel degelijk tot hen zo spreken), Die 'indachtig' zou maken en de kwartjes zou laten vallen (Hij riep Jezus' woorden weer tot leven in hen). Indirect bleef er dus spraken van het 'spreken van Jezus'.

Komen

Jezus doorzag de werkelijk problematiek als geen ander. Hij zag de satan komen. In Lukas 10 komen de zeventig discipelen weer terug bij Jezus, nadat ze overal het evangelie hebben gepreekt en wonderen hebben verricht; en opgetogen vertellen ze: “Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam”. Die euforie ontnam Jezus hen tóen al direct door te zeggen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.”
Jezus richtte toen reeds hun oog op de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Het is mooi als je 'machtiger' bent dan de duivelen, maar daarin ligt geen vastigheid. Je ziet dat terug in heel veel films, strips en games, waarin 'het goede' altijd momenten beleeft dat het niet is opgewassen tegen 'het kwade'. De meeste films lopen goed af, maar ze dragen allen hetzelfde motto: de macht van 'het goede' moet groter zijn dan de macht van 'het kwade'. Altijd weer is er de angst dat 'het kwaad' de kop op steekt. Die angst moet worden weggenomen door tegenkracht.
Maar dat is niet de weg die Jezus wijst. Zo zul je het nooit redden en altijd weer zal het dan ongewis blijven of 'het kwaad' misschien niet toch weer nieuwe wapens heeft uitgevonden, dat het je te slim af is… Zo zal de vernietiging alsnog het laatste woord hebben.
Daarin zie je dat deze wereld behekst is door angst, omdat er in de wereld nooit vastigheid en zekerheid bestaat over de definitieve overwinning. Als de mensheid het in eigen kracht moet fixen, zijn we ten dode opgeschreven. Want vergis je niet: de overste dezer wereld komt (en is gekomen!). Jezus zag hem al uit de hemel vallen. En denk niet dat dat vlak voor de zondeval gebeurde!
Jezus kreeg daar in Lukas 10 een voorproef van Zijn overwinning op Golgotha, over dood, graf en hel heen! En nu breekt dat moment aan, waarop Hij wel dwars door de dood in de heerlijkheid van Zijn Vader zal terugkeren, maar Hij ziet ook Zijn jongeren… die zullen met die 'overste dezer wereld' in conflict gaan komen!
Nogmaals, vergis je niet in de macht van satan. Dat zeg ik niet om je bang te maken, maar speel geen spelletje met hem. Jezus verbiedt het je, omdat je op Hem moet vertrouwen. Doe als Luther – nu we het toch over 31 oktober hebben – die menigmaal door satan werd belaagd en hem telkens weer duidelijk liet merken dat Luthers zekerheid vast lag in Jezus Christus en Die gekruisigd! Maar Luther is er evenzeer een toonbeeld van dat je niet moet spotten met satan. Zijn macht is reëel en vele malen vernietigender dan de sterkste macht van een mens. De pot inkt van Luther kon satan niet wegjagen; zijn zingen van psalmen daarentegen wel!

Verstoren

Jezus stelt dat de satan wel komt, maar aan Hem niets heeft. Toch zie ik Hem kruipen in de hof; toch hoor ik Hem angstig en afgemat roepen aan het kruis: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Je kunt misschien zeggen dat daar niet de satan aan het werk was, maar dat de breuk met Zijn Vader, vanwege de zondelast, Hem radeloos van angst maakte. Ik wil dat wel be-amen, want vlak naast de macht van satan de macht van de zonde ook niet uit! Toch is het waar dat satan aan Hem niets had.
Satan kwam in de arena van Goede Vrijdag op Jezus aan om Hem uit het zadel te wippen, Hem te laten struikelen in zonde, Hem te verleiden de makkelijke weg te kiezen. Dat zou hem echter niets baten, omdat hij misrekende met de macht van Jezus over zonde en angst.
Maar denk nu niet dat Jezus satan zozeer heeft overwonnen dat hij niets meer kan. De kop van de slang is wel vermorzeld, maar zijn staart kan nog rake klappen uitdelen. Dit ‘monster van Loch Ness’ weet dat zijn tijd nog maar kort is. Daar is de Bijbel duidelijk over. En elke satanische wereldmacht reageerde hetzelfde: als het merkte dat de ondergang nabij was, werden ze nietsontziend en allesverwoestend. Als overwinnen geen optie meer is, dan moet er maar zoveel mogelijk kapot! Als satan Jezus niet heeft kunnen tackelen, dan moeten Zijn kinderen het maar ontgelden. Natuurlijk weet de satan wel dat hij met die actie Jezus’ overwinning niet meer ongedaan kan krijgen. Maar hij zal er alles aan doen om Hem zoveel mogelijk te krenken. En wees eerlijk: onze Heere en Heiland is nergens zo zeer door gekrenkt als dat Zijn bruid Hem ontrouw is, Zijn Vader smaad en een karikatuur van Hem maakt door theologische of ongelovige theorieën. Onze bruidegom is nergens zo door gekrenkt als door het negeren van Hem, het bedroeven en uitblussen van de Geest en het vergeten van de grote Huwelijksdag, de Jongste Dag. Bedenk dat Jezus naar je staat te kijken als je je inlaat met zaken als Halloween, zaken die horen bij het rijk van satan. Voor Hem was de dood naast de Godverlatenheid het meest onterende dat er bestond; hoe kunnen wij er dan een gezellig griezelfeestje van maken? De dood is net als de satan, onze vijand, omdat ze Christus' vijanden zijn!
En voordat je denkt dat ik alleen inzoom op Halloween… dat geldt voor alle zaken die ons van Hem afhouden, die ons Zijn grote Dag doen vergeten en die ons hinderen om de lof aan Hem te brengen in het midden van de gemeente en in ons gezin. Laat niets de relatie met de HEERE verstoren!

vrijdag 31 maart 2017

Vraagt God een kinderoffer?

En Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes, om zijn zoon te slachten.
Genesis 22 : 10
 

In een tijd dat IS er trots op is massa's christenen en andersgelovigen te kelen (want dat staat er in de tekst eigenlijk voor 'slachten'), roept deze tekst dubbele aversie op. En ik begrijp dat er mensen zijn die zich afvragen: wat voor God is dat Die dergelijke dingen vraagt? Ik probeer te begrijpen… en te bedenken hoe ik met deze tekst en dit gedeelte moet omgaan. Deze tekst is een harde noot!
Uiteindelijk komen er verwarrende gevoelens bij me boven; ik vind de platgetreden paden van theologisch-juiste uitleggers van toen en u, die predikanten te gemakkelijk hanteren bij de voorbereiding van de preken, te weinig zeggend. Natuurlijk kun je alles met dogmatiek recht praten; maar welke theoloog gaat in op de enorme vragen die dit oproept? Wie geeft eerlijk toe dat atheïsten hier wel een punt hebben in hun aversie tegen God? Ik heb er geen antwoord op; maar toen ik een artikel van Ignace Demaerel las op knack.be vond ik het sluitstuk van dat betoog zo sterk dat ik het graag geheel citeer. Denk er maar eens over na!


Het offer van Abraham, één van de meest controversiële Bijbelverhalen: twee tegenovergestelde lezingen


Abraham is een man uit de wereldliteratuur die tot de verbeelding blijft spreken. Hij is één van de oerfiguren van onze cultuur, niet meer weg te denken uit onze beschaving.

Hij is dé gemeenschappelijke voorvader van jodendom, christendom en islam. Je kan gerust stellen dat de helft van de wereldbevolking hem als een tijdloos rolmodel ziet. 'Abraham' is een begrip geworden in onze taal doorheen verschillende uitdrukkingen en zegswijzen. Je ziet hem terugkomen in de literatuur, de schilderkunst, de muziek, de beeldhouwkunst... Deze eenvoudige Aramese veehouder heeft een erfenis nagelaten die hij zelf nooit voor mogelijk had gehouden.

Zijn eigenlijke 'leven' begon toen hij een stem uit de hemel hoorde vanwege een God wiens naam hij niet kende, en op weg moest gaan naar een land waarvan die geheimzinnige God ook de naam niet zei (Genesis, hoofdstuk 12). Maar het toppunt van alle Abraham-verhalen is dat waar hij zijn zoon moet offeren voor diezelfde God. Rembrandt, Titiaan, Caravaggio, Teniers, en tientallen anderen hebben hem afgebeeld in die vreselijke tweestrijd waarbij hij het mes opheft om zijn enige zoon te doden. Voor de één het toppunt van geloof en gehoorzaamheid, voor de ander het toppunt van irrationaliteit en absurditeit. Voor menig atheïst is dit verhaal reden genoeg om te zeggen: 'In zulke God weiger ik resoluut te geloven! Ik wil met godsdienst niets meer te maken hebben!'

Het is inderdaad een verhaal dat de meest tegenstrijdige gedachten en gevoelens kan oproepen. Het is een verhaal 'op het scherp van de snede': hier scheiden zich de geesten: je bent vóór of radicaal tégen, hier kan je niet neutraal blijven. Hoe je hierop reageert, zegt eigenlijk heel veel over jezelf, je eigen houding in het leven en je visie op God. Laten we het eens ontleden en de twee tegenstrijdige interpretaties onder het licht houden.

Om de dramatische diepgang van dit verhaal ten volle te beseffen, moeten we de aanloop even schetsen. Abraham was al 75 jaar toen hij uit het Ur der Chaldeeën (het huidige Irak) vertrok, en hij en zijn mooie vrouw Sara waren kinderloos. Kinderloosheid in die tijd werd vaak gezien als een straf van de goden, bracht veel onzekerheid mee ('wie zorgt voor mij op mijn oude dag?') en vooral veel stil verdriet. Sara moet er kapot van geweest zijn. Maar toen dan die onbekende God Abraham de opdracht gaf om alles achter te laten en op weg te gaan naar het onbekende, volgde daarop een driedubbele belofte: God zou hem tot een groot volk maken, een land geven, hem zegenen en tot een zegen voor de hele aarde maken. Vooral dat eerste zal Abraham erg geïnteresseerd hebben: een volk worden betekende immers ook kinderen krijgen. Dus, erg gelokt door deze belofte, vertrok hij, met knikkende knieën. Gezien hij al 75+ was, verwachtte hij dat die zoon al heel snel moest komen, maar een jaar ging voorbij, en nog één en nog één... We slaan snel enkele verhalen over, want uiteindelijk duurde het 25 jaar vooraleer de beloofde zoon geboren werd. Slechts zeer weinigen onder ons kunnen de pijnlijke verzuchtingen van zulk langgerekt wachten aanvoelen. Elk jaar moet een eeuwigheid geleken hebben, en de gedachte 'Was dit allemaal geen inbeelding?' zal nooit ver geweest zijn. En dan staat er nog uitdrukkelijk bij dat Sara op zeker ogenblik voorbij haar menopauze was: het lijkt wel alsof God extra lang wachtte om het nóg onmogelijker te maken dan het al was. Maar toen gebeurde dit onvoorstelbare toch: de 100-jarige Abraham en 90-jarige Sara kregen hun wondertje. Precies daarom moet de geboorte ook een onvergelijkbare vreugde-explosie geweest zijn - de kleine boreling wordt dan ook 'Isaak' genoemd, wat betekent 'hij lacht'. 25 jaar langgerekt hopen werden eindelijk beloond. Isaak was zijn enige zoon uit Sara, degene van wie hij zielsveel hield: het eindeloze wachten zal de emotionele 'waarde' van dit kind eindeloos verhoogd hebben. Deze voorgeschiedenis maakt het verhaal van het offer enkel maar dramatischer.

Want toen klonk die intussen vertrouwde stem uit de hemel opnieuw: 'Abraham, offer mij je enige, geliefde zoon' (Genesis 22). Het moet voor Abraham een donderslag bij heldere hemel geweest zijn: dit kon hij op geen enkele manier rijmen of plaatsen. Deze opdracht was compleet tegengesteld aan alle vorige opdrachten en beloften van God. Als hij dit deed, zou hij al het vorige ongedaan maken: dan zou hij toch geen groot volk worden, dan was hij voor niets vertrokken uit zijn land, dan had hij voor niets 25 jaar gezworven als een vreemdeling, ontberingen geleden en gevaren doorstaan, maar vooral: dan werd zijn toekomst brutaal afgesneden, dan was zijn leven één grote mislukking, totaal zinloos. Abraham legde niet alleen zijn teergeliefde zoon op het altaar, maar minstens evenveel zichzelf, zijn leven, zijn toekomst, zijn reputatie, zijn huwelijk, zijn plannen en ambities: hij had evengoed zijn eigen hart kunnen uitrukken.

Hier komt de atheïstische lezing natuurlijk onvermijdelijk naar boven: 'wat voor een God is dat!?' En zelfs als het enkel een test is voor Abrahams geloof (wat Abraham natuurlijk niet weet), wat voor spelletje speelt Hij met de mens? Het lijkt wel een kat die haar wrede spelletje speelt met een muis. Eerst iets geven en het dan weer afpakken...? Zeker als het precies gaat om de enige teergeliefde zoon. Sadistisch lijkt dit wel. Zo bekeken, roept dit inderdaad ofwel veel vragen op (ook bij gelovigen!), ofwel veel revolte en afkeer. Heeft God wel het recht om zoiets te vragen? Om een mens zo op de proef te stellen? Is dit geen bewijs dat godsdienst irrationeel en gevaarlijk is?

Voor de volledigheid moeten we ook nog even toelichten dat kinder- en mensenoffers in de meeste van de toenmalige culturen gebruikelijk waren. Zelfs bij de Grieken, een cultuur die wij als verheven en beschaafd beschouwen, waren mensenoffers normaal en zelfs 'nodig'. Maar zeker bij de Kanaänitische volken waren er meer van die barbaarse praktijken zoals kinderen door het vuur laten lopen voor de Moloch.

Maar we vertellen Abrahams verhaal nu eerst verder: het is merkwaardig dat de Bijbel hierbij niets vertelt over zijn 'binnenkant'. Er staat gewoon dat hij de volgende dag vertrok met Isaak en enkele knechten naar de berg Moria, drie dagreizen ver. Geen discussie met God, geen onderhandelingen, geen protest, zelfs geen vraag om uitleg. Abraham ging op weg, en de stilte onderweg moet oorverdovend geweest zijn: met stomheid geslagen, de mond vol tanden, het hart verbrijzeld, de dood in de ziel... Er wordt zelfs niet verteld wat hij aan zijn vrouw gezegd moet hebben toen hij op weg ging. Misschien niets? Om haar te sparen?

En dan moest hij de berg beklimmen, een altaar bouwen, het hout erop schikken, zijn zoon vastbinden, het mes opheffen... Kan een mens ooit iets moeilijkers doen in zijn leven? Het blijft ons, als we ons hierin verdiepen, met verstomming slaan. Ook een gelovige heeft hier reuzengrote vragen bij: kan God dan echt álles vragen? Zou Hij dat ook bij mij kunnen doen? Heeft Hij dat recht?

Maar dan nu de joods-christelijke lezing, door de ogen van het geloof, d.w.z. van boven gezien. Waarom vroeg God dit bovenmenselijke van de man die Hij zelf 'zijn vriend' noemde? God had Abraham geroepen om de stamvader te zijn van een nieuw volk, een volk van geloof. Daarom moest hij, a.h.w. het fundament van dit volk, ook een man van geloof zijn: hij moest het geestelijke DNA doorgeven aan zijn nakomelingen en dat moest van superkwaliteit zijn. Als je een appartement bouwt met vele verdiepingen, moet het fundament des te sterker zijn. Daarom moest Abraham vele keren getest worden. De leerschool van het geloof kent vele graden en klassen, veel lessen en praktijkoefeningen, vele toetsen en examens. Je begint bij de kleuterschool en sommigen stromen door naar de univ. Maar de examens worden altijd veeleisender, vragen soms het uiterste van een student. Abraham had tot nu toe de meeste tests goed doorstaan (er zijn ook twee, drie verhalen waarin hij tijdelijk verflauwt en foute keuzes maakt). Maar uiteindelijk acht God hem rijp voor het doctoraatsexamen, de 'final test'. Hoe onmenselijk zwaar dit ook voor Abraham moet geweest zijn, het is, van boven gezien, een hele eer dat hij hieraan mocht deelnemen: hij had de eerste tests goed doorlopen en was geselecteerd voor de finale! Het hele hemelrijk stond op de eerste rij in de tribune, meer gespannen dan voor het WK voetbal. Ze keken toe, supporterden dat Abraham maar niet zou falen. Hier hing uitermate véél van af, het hele plan van God met Israël, Jezus en de mensheid. Had God wel een plan B voor als dit mislukte?

Nee, we zien hier geen wrede God die absurde spelletjes speelt met mensen. We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens. Het is waar, Hij spaart Abraham niet, maar hierin is Hij zoals een trainer die voor zich zijn allerbeste loper ziet: Hij ziet al een potentiële wereldkampioen in hem, en zal, schijnbaar meedogenloos, de lat steeds hoger leggen om er álles uit te halen. God laat Abraham de ultieme test afleggen, omdat Hij bijzonder van hem houdt en gelóóft dat hij het kan.
En uiteindelijk komt alles goed: God houdt Abrahams hand op het laatste nippertje tegen, hij krijgt Isaak terug, en het resultaat is vandaag dat de helft van de wereldbevolking Abraham als hun voorvader ziet! Wie doet hem dat na?

De christelijke lezing van het verhaal voegt er nog een hoofdstukje aan toe. Op het eerste zicht lijkt het dat deze God onmogelijke dingen vraagt van zijn mensen. Maar alles wat Hij van mensen vraagt (bijv. je vijand liefhebben), doet Hij zelf ook, en nog méér. Want heel dit verhaal is tegelijk een geestelijke allegorie/voorafbeelding van wat God later zelf zal doen in Jezus. Abraham mocht op het laatste nippertje zijn hand terugtrekken en behield zijn zoon. Tweeduizend jaar later heeft God ook zijn enige, geliefde Zoon geofferd, met dit verschil dat Hij voor Zichzelf nog harder was dan voor Abraham: de hand werd niet teruggetrokken. Jezus werd wel degelijk gedood, geslacht als een Lam, maar dan vele keren brutaler. Een verhaal dat wreed lijkt, wordt plots, in een ander licht, een verhaal van onbegrijpelijke liefde en zelfopoffering.

Abraham zal in de eeuwigheid één van de weinigen zijn die zal begrijpen wat het betekent om, net als God, je enige zoon te offeren. Het opperste vertrouwen blijkt pas bij de allermoeilijkste opdracht. Of Abraham zijn eigen rationaliteit kan loslaten en vertrouwen op een hogere intelligentie, dat is dé lakmoesproef voor écht geloof. Abraham had misschien tien goede redenen om dit niet te doen, en één zéér goede reden om het wél te doen. Hij is geen speelbal, geen proefkonijn, geen slachtoffer, maar een geloofsheld, een bevoorrecht man. Ik stel me zo voor dat God in de hemel eindeloos fier is op zulke man: één van de zeer zeldzamen die bereid is (bijna) even vér te gaan in de liefde als Hijzelf.

En een laatste opmerking: of God het recht heeft om zoiets van een mens te vragen? Ik zou de vraag willen omdraaien: als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God? Zoals gezegd: hoe je dit verhaal leest, zegt in feite het meest over jezelf. En dat steeds meer mensen het ontieglijk moeilijk hebben met dit verhaal, zegt héél veel over onze cultuur en onze humanistische (mensgerichte) tijdsgeest.
Dit sterk geschreven artikel lezend ben ik getroffen door het geluid dat uit het grotendeels roomse België komt. Ik laat je dit niet lezen om het onnadenkend voor waar te houden. Ik geef toe dat je een punt het als er wat remonstrantse aspecten in zitten; maar ik vraag je denk er eens goed over na!
Eén van mijn kritiekpunten is wel deze frase: "We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens." Alsof God de mens een prestatie laat leveren waar Hij Zelf ook de adem bij inhoudt: als dat maar goed gaat. God is er 100% bij betrokken. Toch draait de schrijver ons denken op een frappante en treffende wijze om, als hij dit offer schetst als een lakmoesproef. En… dat hij de lezers de tegenvraag stelt op het commentaar of God daar wel het recht toe heeft: "…als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God?" Wij zijn sterk geneigd God ter verantwoording te roepen. Ik voel dat direct in mij opkomen. En daar moeten we van bekeerd worden. God is wel degelijk iets machtigs aan het doen in deze geschiedenis. Misschien niet dat Hij fier op een man als Abraham was; maar hem toch wel als een voorbeeld stelt. Zo iets lees je ook bij Abrahams tijdgenoot Job; als God vraagt: "Heb je acht geslagen op Mijn knecht Job?" Zou God misschien tegenover de duivel (die de zonde koos in haat tegen God) wel een zekere 'fierheid' (lees: uitdagende trots) hebben? Zou er in de hemel misschien ook zo'n twist tussen satan en God zijn geweest als bij Job? Als dat zo is begrijp ik opeens heel veel meer van dit verhaal…

donderdag 9 februari 2017

Jezus claimt satans terrein

"En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar […] En als de zon onderging, allen die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, brachten die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op en genas dezelve."
Lukas 4 : 39a en 40

Als de zon ondergaat en de duisternis aanbreekt is er juist werk aan de winkel voor Jezus. Hoewel Hij oproept om te werken zolang het dag is, is Hijzelf 24/7 bereikbaar!


Ik ben iemand die vaak ergens een plaatje bij probeert te hebben. Soms zie ik – geholpen door mijn fantasie soms – tijdens een preek zomaar voor me hoe een en ander is gegaan. Dat levert soms ook vragen op, die anderen niet direct hebben. "Hoe was dan dit…?" "En vind je het niet raar dat …?" Of: "Dat moet toch enorm dit of dat zijn geweest voor de mensen die erbij stonden?"

Vandaag probeer ik een plaatje te krijgen van de Heere Jezus Die aan het werk is. Hoe deed Hij dat en wat gebeurt hier nu eigenlijk 'achter' deze ogenschijnlijk dorre opsomming van dingen die Jezus' deed. Er vallen mij een paar dingen op; en een van die dingen lezen we al in het vorige vers. Ik werd getriggerd door het 'boven' in vers 39 en het 'onder' in vers 40. Jezus staat niet zomaar aan een ziekbed, maar Hij staat er letterlijk en figuurlijk boven. Immers… Hij is nooit ziek geweest. Hij heeft enkel onze 'krankheden' op Zich genomen. Hij stond er toch boven. Hoewel… we lezen er eigenlijk nergens over, maar als Hij ook gestorven is, zou Hij dan ook weleens verkouden zijn geweest? Misschien vind je dat een rare vraag, maar er staat in de Bijbel dat Hij in alles ons gelijk werd, in alles is verzocht geweest, maar nooit 'in zonden' is gevallen. Dat is wat anders dan 'nooit ziek zijn'. Immers, Hij was ook weleens moe, verdrietig en angstig?! Hmm een gedachte voor nader onderzoek. Nú richt ik mij enkel op hóe Jezus te werk ging.

Jezus' werkhouding

Zoals gezegd beginnen we met iets dat bij me bleef haken in vers 39. Hij stond 'boven' de zieke. De Kanttekeningen wijzen op Jezus' houding: met Zijn hoofd over de zieke gebogen om haar aan te spreken. Dat is vreemd. Immers in de tekst staat dat Hij niet de zieke, maar de ziekte bestrafte en dus aansprak. Dat is trouwens wel iets waar we voortdurend op moeten letten. Jezus leert ons de ziekte, de zonde, in de ander te bestraffen, maar niet de persoon zelf te verwerpen. Paulus spreekt over een geestelijk strijd (foutieve meningen, dwalingen, ketterijen en kwalijke houdingen en visies) en niet een strijd tegen vlees en bloed (mensen en groeperingen).
Jezus stond 'boven' de ziek(t)e en gaf daarmee ook Zijn machtspositie aan. De ziekten raakten Hem niet lijfelijk, maar innerlijk. Het was de puinhoop die wij mensen ervan gemaakt hebben, terwijl de schepping juist Gods eer en glorie moest bedoelen. Wij maakten door de zonde een karikatuur van de Schepper. Begrijp je dat? Als iemand naar de schepping keek, dan wist hij of zij hoe de Schepper was. Zoals wij naar Jezus kijken en dan weten hoe Zijn Vader is. Wij kennen God de Vader door Zijn Zoon. Wij kennen God de Schepper door Zijn schepping. Maar dat laatste schept een misvormd beeld! Daarom staat Jezus daar ook geestelijk 'boven', zodat Hij dat beeld weer kan herstellen. Op dát punt was Hij ons niet gelijk. Dat moeten we ook altijd weer scherp hebben. Want anders gaan we Jezus imiteren met allerlei genezingscapriolen. Als wij de gave van genezing ons toeëigenen zonder dat we door Hem boven de ziekte zijn gesteld, dan lopen we het risico dat die ziekte (of satan) ons zal vernietigen; denk aan de zonen van Sceva. En wat voor beeld van God laten we dán achter?

Jezus' werktijd

Jezus werkte op de sabbath. Want Hij zei dat de rustdag er voor de mens was en niet de mens voor de rustdag. Zoals zondekennis geen doel in zichzelf is, maar tot Christus moet UIT-leiden, zo moet ook de rustdag geen doel in zichzelf zijn, maar tot God UIT-leiden. Dat 'UIT' gebeurt ook letterlijk in onze tekst. Mensen gaan uit hun sabbat-confortzone en komen tot Jezus. Echter… let eens op de tijd, wanneer ze dat doen!
Er staat heel zorgvuldig bij 'als de zon onderging'. Dat luidde namelijk het einde van de sabbat in. Verplaats je even in die doodzieke personen; die moesten maar ff hun … ophouden. Wet is wet; regel is regel. Niet op de sabbath! Maar zodra de zon ondergaat, komen de Kapernaümmers in actie en brengen hun geliefde zieken bij Jezus. Want ja, als Jezus een duivel (de aanjager van ziekten en de dood) de baas is, dan is Hij dus ook satans werktuigen de baas: de ziekten zelf. Nu is dat een prachtig beeld: de zieken bij Jezus brengen. Daarin worden we ook gestimuleerd tot voorbede voor elkaar, als er ziekte en nood is. Je kunt zeggen: dat is het beste dat je doen kunt. Maar ik wil er ook op wijzen dat deze mensen het met verwachting deden. Wat voor soort verwachting het dan ook was, ze verwachtten écht iets van Jezus, omdat ze eerder die dag Zijn almacht hadden gezien. En – dat zal tot ergernis van satan zelf zijn geweest – misschien dat de mensen wel zijn aangespoord door het 'evangelie van satan'! Wat zeg je nou? Ja. Want wat riepen die duivelen? "Ik ken U Wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods." Daar vergaloppeerde satan zich. Hij had krijsend Jezus op afstand willen houden, maar daarmee dreef hij de mensen juist dichter naar Jezus toe. Zijn diabolistisch werk brak hem bij de handen af. Gaaf om dat te zien, vind je niet? En dat juist op het moment dat de zon onder ging, toen de duisternis (symbool van satans heerschappij) leek in te zetten! Jezus werkt altijd… in het licht van de dag en in het duister van de (geestelijke) nacht.

Jezus' werkwijze

Tot slot nog iets over de manier waarop Jezus te werk gaat. Je kunt die zieke mensen als gewone patiënten zien, maar dat is wel wat oppervlakkig. Jezus had satan weggestuurd, de deur gewezen. En… satan ging! Maar betekende dat dat zijn rijk dus verbroken was? Probeerde satan niet per direct om zijn macht te claimen? Daarom moeten we in al die ziekten die bij Jezus worden gebracht ook de illustraties zien van satans claim op zijn territorium. Jezus was uit Zijn territorium (de hemel) gekomen en had Zich bewogen op vijandelijk terrein. De dictatuur van satans regime liet zich niet zomaar wegsturen. Akkoord, hij vertrok op staande voet, toen Jezus hem gebood te verdwijnen. Maar vertrekken is nog geen capitulatie.
Zie ze komen: die kranken die met verscheidene ziekten bevangen waren. Wie brengen hier die zieken? Letterlijk uit de tekst genomen zijn dat de mensen die 'kranken hadden', dus een vader die een doodziek of gehandicapt kind had, de man die een vrouw had die na haar zoveelste bevalling verlamd was geraakt, of een tienerzoon die zijn vader al was verloren en een moeder had die blind was; noem maar op… Al die mensen komen met hun zieke geliefden.
Maar is dit ook niet een demonstratie van die uitgeworpen duivelen? Zo van: "U kunt ons wel willen uitdrijven, maar kijk eens hoeveel macht wij toch nog hebben!" Als we deze zieken niet in dat perspectief zien, staren we ons alleen blind op 'gewone' patiënten; hooguit slachtoffers. Hier is meer aan de hand. De satan wil zich handhaven. Een les voor vandaag, waarin mensen neigen naar genezing met het wapen van het gebed. Wat is het dat we willen bestrijden? Wat is het waartoe wij dan geroepen worden? Is het de ziekte-uitdrijving of is het het gebed dat een wapen is? Het laatste woord zal er nog niet over gezegd zijn, maar men toch vaak vooral bezig met symptoombestrijding (de ziekte) en veel minder met de aanpak van de oorzaak (de zonde).
En Jezus? Laat Hij Zich afpoeieren? Hij legde ze de handen op (zoals Hij dat ook bij de weggestuurde (let op die woordspeling) kinderen deed) én geneest ze. Lees: geneest ze volkomen én allemaal. Zou je deze Jezus niet volgen? Zou Hij geen zeggenschap over jouw hele leven mogen hebben? Als Hij jouw leven regeert vindt er genezing plaats; heelheid, volkomenheid en reinheid. Wat een contrast met Zijn tegenstander, onder wiens bewind jij en ik zijn geboren. Het moet er van komen, die machtswissel. Maar wat een voordelen heeft het!

vrijdag 20 januari 2017

Waarom bang voor Jezus?

"En er kwam een verbaasdheid over allen, en zij spraken tezamen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit?"
Lukas 4 : 36
Angst is een slechte raadgever. Angst verwachten we in de nabijheid van satan, maar niet in Jezus' aanwezigheid. Hoe komt het dat de mensen in Kapernaüm bang worden als Jezus een duivel uitdrijft?

Waarom willen mensen Jezus een wonder zien doen en zijn ze vervolgens bang als Hij dat doet? Waarom toont God Zijn almacht aan mensen, die daar zogenaamd op zitten te wachten, en gaan zij vervolgens aan het redeneren of dat nou wel écht Gods werk was of hun eigen inbeelding? Waarom zitten mensen op een bericht uit de hemel te wachten en horen zij elke zondag 'gewoon' Gods stem, maar blijven zij toch in duisternis zitten terwijl ze mokken: "Het zal nog wel niet Gods tijd zijn om mij te bekeren. Dan blijf ik nog maar eerlijk onbekeerd."
Mijn moeder had altijd een uitdrukking, wanneer ik iets zocht dat gewoon vlak voor me lag, maar ik keek er stomweg overheen: "Ik zocht naar het paard en ik zat erop." Grappig gezegde voor slechte zoekers. Maar in geestelijk opzicht zitten er wat een mensen in de kerk te wachten op iets dat al lang is gebeurd en voortdurend gebeurt! Net als de Joden wachten op de komst van de Messias, Die nu al ruim 21 eeuwen geleden ís gekomen! Veel kerkmensen verschillen niet zo veel van de Joden.
De rijke man werd door Abraham in de hemel vermaand, na zijn vraag: "Nee, maar als er nou iemand uit de doden zou opstaan, Lazarus bijvoorbeeld, dan zou mijn familie het wel geloven!" Abraham zei: "Dan zullen ze nog niet geloven. Ze hebben Gods Woord en daar moeten ze het mee doen. Zelfs als er een engel uit de hemel voor hen zou staan, zullen ze nog niet genoeg overtuigd raken van wat het Woord helder en duidelijk zegt." Mensen zoeken naar het 'paard', het bovennatuurlijk of hyperspirituele of overbevindelijke, maar ze 'zitten' er gewoon op. Of eigenlijk… ze zitten eronder: het Woord ís Gods stem. Geloof het Woord; geloof God op Zijn Woord!

Bang voor Jezus' werken

Dat woord 'verbaasdheid' in onze tekst brengt nogal wat onduidelijkheid te weeg. Iemand die wij verbaasd zien kijken, trekt zijn wenkbrauwen op en staart ongelovig naar iets of iemand, waarvan hij niet kan geloven dat hij het goed ziet of hoort. Verbaasd kun je zijn over iemand die zegt niet te zullen komen en toch opeens voor je deur staat. Verbaasd kun je zijn over de boodschap dat je je diploma niet hebt gehaald, hoewel je nog wel dacht dat je de examens goed had gemaakt. Verbazing is in onze begrippen een reactie van verrassing (aangenaam of onaangenaam) bij processen die anders lopen dan verwacht.
Nu komen er in het Nieuwe Testament drie woorden voor 'verbaasd zijn' voor:
  1. ektham'beo - schrik aanjagen, verschrikken, verdoofd van schrik;
  2. enne'os - stom, met stomheid geslagen, sprakeloos van schrik;
  3. tham'beo - ontsteld zijn, verbazen, schrik aanjagen, bang zijn.
Dat laatste woord wordt in onze tekst gebruikt en komt van thambos dat verstomming, ontzetting en verbazing betekent. Dat is niet zomaar een verbaasde blik, zo van: "Nou zeg, dat is ook wat!" De schrik slaat hier mensen om het hart. Wat gebeurt hier?! Mensen zijn in één klap uit hun comfortzone. Ja, dat is typisch Jezus' manier van werken. En als je dat niet fijn vindt, moet je vooral ver bij Hem vandaan blijven.
Je ziet dat de mensen in de tekst ook doen. Ze gaan tegen elkaar praten, om dat nare, onrustige gevoel maar snel kwijt te raken. "Wat is dit? Hij zei niets spectaculairs, maar toch ging die boze geest met de staart tussen de benen weg! Snap jij dat nou?" Dit hebben ze nog nooit gezien. Ik vermoed dat ze weleens vaker een duiveluitdrijving hebben meegemaakt, maar dan zoals dat heden ten dage ook wel voorkomt, met veel tumult en kabaal, geschreeuw en geweld. Niet zoals hier bij Jezus: één woord slechts. "Eén woord van de Meester…", zong Esther Tims:

de mensen verdringen zich
de kinderen wringen zich
erdoor om vooraan te kunnen staan
de spanning trilt hier in de lucht
overal gaat het gerucht
de Meester komt eraan
 
en een man aan de kant van de weg gezet
verstoken van 't licht van de zon
hij hoorde:"'t is Jezus van Nazareth
en hij schreeuwde zo hard als hij kon
Jezus, Jezus help mij
Jezus, Jezus help mij
 
de mensen bestraften hem
spreek niet met zo'n luide stem
stil en hou je fatsoen
maar hij riep des te harder
en toen Jezus hem naderde
zei Die: wat zal Ik doen
 
en de man langs de kant van de weg gezet
hij gooide zijn mantel opzij
liep tastend naar Jezus van Nazareth
klampte zich vast en hij zei;
Meester Meester dat ik ziende word
Meester Meester dat ik ziende word
 
één woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en ik kan zien
één woord van de Meester
één wonder mischien
één woord was voldoende
en hij kon zien
 
ben je ooit als een ding aan de kant gezet
en is jou het licht niet gegund
als je hoort: daar is Jezus van Nazareth
roep dan zo hard als je kunt:
Jezus, Jezus help mij
Jezus Jezus help mij
 
één woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en je zult zien
één Woord van de Meester
één wonder misschien
één woord is voldoende
en je zult zien

Bang voor Jezus' woorden

"En God sprak en het was er", lezen we in het Scheppingsevangelie (Genesis 1). Geen der elementen kende angst. Ze kwamen niet als gedweëe slaven tevoorschijn, of als dode machines op commando. O, ik had erbij willen zijn, toen God de Zoon schiep: "Bloemen!" En plots verschenen er kleurige stipjes op de grauwe aarde, werden bergen bekleed en ingekleurd als bij toverslag. Eén woord van de Schepper! En niet te vergeten al die diertjes. Man, al die kleuren bedenken… dat gaat toch je verstand te boven?! Ja, wij kennen de kleuren en weten precies wat de lichtfrequentie is van paars of van oranje, maar bedénken van kleuren is nog wel wat anders. Uit het niets kleur bedenken, vormen bedenken, materie bedenken, leven bedenken, emotie, klank en smaak bedenken. En nergens bespeur ik angst in die vers-geschapen wereld. Het staat er te pronken tot Gods eer, glunderend er te mogen zijn!
Maar hier herschept Jezus een zieke ziel tot een gedienstige geest en een bevrijd lichaam. En er komt angst, onrust en verwarring. Waarom? Probeer daar eens over na te denken: waarom ontstaat er verwarring?
In de vorige Bijbelstudie wees ik op die bezetene in Gardara, waarin een overvloed aan duivelen zat. Die vroegen, toen Jezus hen wilde uitdrijven, of ze in die groep varkens mochten varen; toen Jezus dat toestond daverde de hele kudde de vernietiging in. Geen rituele slachting, maar een duivelse vernietiging van het geschapene. Dood, dood, dood en kapot moet alles! Dat is het keurmerk van de firma Hel, die wordt gerund door CEO satan.
Maar, zo zei ik in die vorige Bijbelstudie, hier wordt satan gemuilband en weggestuurd. En zonder commentaar vertrekt hij ook. Of… fungeren deze luisteraars in de synagoge als een soort kudde, waarin satan vaart? Paniek, verwarring, angst, ontsteltenis; de bangheid slaat hen om het hart. 'Angst is een leugenaar' staat er op de plaat bovenaan deze Bijbelstudie. En leugens komen bij de vader (de bedenker of de bron) der leugens, de satan, vandaan. Angst is wezensvreemd aan God de Vader, aan Zijn Zoon én aan Zijn Geest.
Er werd iets gezocht in die woorden van Jezus. En de mensen zaten er niet ver naast. Waardoor komt het toch dat Jezus met zoveel macht spreekt? De duivel was voor hen altijd al een te machtige vijand geweest. Vijanden konden soms met angst vervullen, maar… ze wisten zich als Gods Verbondsvolk toch altijd sterker. Maar satan, dat is een ander verhaal! En nu komt er Een uit Nazareth nota bene, Die met één scheppingswoord (en zonder veel poespas) satan de deur wijst!
Gek genoeg zou hen dat blij moeten maken, voor de man in kwestie als ook voor henzelf. Maar… er ontstaat angst en onrust. Het werk – let er maar op in het vervolg van de geschiedenis – van Jezus wordt beredeneerd.
Misschien moest er op die muur in de plaat hierboven staan: "Redeneren is liegen"; het is Gods werk proberen te vatten in je eigen piepkleine verstandje. En dat maakt angstig; omdat het kinderlijk vertrouwen weg is en je er koste wat het kost een labeltje aan wilt hangen. Zo van: kijkt dat is het, zo zit het! Geloof is van een heel andere orde. Moet je eens over nadenken als je weer in de kerk zit te luisteren naar de preek! Of als je zelf Gods Woord leest en overdenkt.

donderdag 12 januari 2017

Vrome woorden ontmaskerd

"Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner?
Zijt Gij gekomen om ons te verderven?
Ik ken U wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods."

Lukas 4 : 34

Wanneer Jezus licht brengt in de duisternis, komt de vorst der duisternis in verzet!

Wat zou het een wonder zijn als een groot popartiest opeens God ging groot maken en goed over Hem ging getuigen. Heel sporadisch is dat weleens voorgekomen; helaas was dat soms slechts tijdelijk. Wat zou het een geweldig wonder zijn als een van je geliefde huisgenoten of familieleden zijn ongeloof kwijtraakt en Jezus Christus leert aannemen. Wat kun je daar soms naar hunkeren! Wat zou het geweldig zijn als de ban van het ongeloof in de gemeente werd gebroken, alle uitwendige vroomheid als een vuil kleed afvalt en mensen tot aanbidding en belijdenis komen van God Drieënig! Een Avondmaalstafel vol; eenheid in de gemeente en geen gekissebis over uiterlijkheden en zwaardoenerij. De macht van satan gebroken en met de staart tussen de benen druipt hij af.

Maar wat moet je met een groots-klinkende belijdenis van satan zelf? Hoor wat hij in onze tekst zegt (door de mond van zijn instrument, die bezetene): "Ik ken U, Wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods!" Dat is toch bijna ongelofelijk? Ja zeker, maar dan moeten we het eerste deel van de tekst ook serieus nemen: "Ga asjeblieft weg, Jezus uit Nazareth!" Dat is de toon, die deze muziek maakt. Hemeltergend en godslasterlijk.

Een ondubbelzinnig getuigenis

Je hebt nogal wat mensen – zeker niet alleen predikanten – die zeggen God te kennen. Ze schilderen Hem dan af op een óf lievige óf juist despotische manier. Soms merk je aan hun toon dat ze anderen de loef willen afsteken en er eigenlijk klakkeloos vanuit gaan dat die andere(n) God niet (zo) kent/kennen. En inderdaad, waar het een eenzijdig Godsbeeld betreft, erken ik dat ik God niet zó ken en daar ook totaal geen behoefte aan heb. Ik probeer Hem juist steeds veelzijdiger te leren kennen, zoals Hij Zich ook graag laat kennen. Ik raak al meer onder de indruk van Hem: hoe groot zijt Gij! En hoe groot is het Goed dat Gij hebt weggelegd voor degenen die U vrezen.
En kom niet aan 'mijn Heere en Zaligmaker' met allerlei besmeurende handen uit dwaaldogmatiek! Laat het Woord aan het Woord en word stil aan Zijn voeten! Dat is de enige manier waarop we een eenheid in de gemeente en over kerkmuren kunnen ontvangen. Dat maakt ook dat je samen pas echt op dezelfde toonhoogte zingt. Dan doe je het niet voor de buitenwacht, om zo degelijkheid te faken. Maar dan zie je dat je alles slechts voor Gods aangezicht doet en voor Hem alleen.
Dan klinkt er ook een ondubbelzinnige getuigenis uit de monden: "U bent de Heilige Gods". U komt alle eer toe tot in eeuwigheid. Nee, inderdaad, dat hoor ik er dan niet achteraan, in de tekst van vandaag. En dat hoor ik er op aarde in de kerk ook niet altijd achteraan; gelukkig nog vaak genoeg, maar toch.
Er wordt namelijk vaak iets gezegd over God dat op zich waar is, maar waar geen lofprijzing in doorklinkt. Er ontstaan nogal wat discussies over gezegden over God, zonder lofprijzingen en aanbidding. Dat zijn dan stellingnames.
Maar wat satan hier in onze tekst doet, is geen stellingname, maar een ondubbelzinnige getuigenis. Hij vraagt niet om deze woorden als schibboleth te gebruiken, maar hij krijst deze belijdenis uit als een waarheid die hem waanzinnig maakt. Hij roept daar iets, waarvan hij als geen ander overtuigd is. Je zou dus haast een voorbeeld aan zijn getuigenis nemen (maar dan van ganser harte tot Gods eer)!

Een tegenstrijdig getuigenis

Er zit iets merkwaardigs in satans belijdenis. Allereerst dat hij zegt: "Bent U gekomen om ons te verderven?" en vervolgens stelt "Ik ken U Wie Gij zijt…" Legio presenteert zich tegelijk als solist. Als zou hij de aanjager achter zijn eigen legioen zijn. En ik denk ten dele dat dat zo is.
Nu ik het over hem heb, moet ik toch even wat recht zetten vanuit de vorige Bijbelstudie. Mijn vrouw attendeerde mij op een rare zinsnede: "Want laat ik er maar direct duidelijk over zijn: als God Zijn Kerk  bouwt, bouwt de satan zich suf aan zijn eigen kapel die bijna op instorten staat! En dát bouwen gaat een stuk fanatieker en heftiger dan de bouw van Gods Koninkrijk. Ik zeg niet dat hij beter bouwt; dat allerminst. Maar wel met meer toegenegenheid, passie en zinderende drang." Mijn vrouw zei: "Alsof God niet met toegenegenheid, passie en drang bouwt". Klopt. Wat ik bedoelde te zeggen is dat satans drang en passie vooral iets koortsachtigs hebben, omdat hij haarfijn aanvoelt dat het elk moment afgelopen kan zijn; en dan voor eeuwig afgelopen! En die waarheid lijkt ons mensen maar slecht te doordringen. Je komt wat een mensen tegen in de kerk (en daarbuiten) die hun bekering uitstellen als was het de aankoop van een onnodige nieuwe loungebank. Alsof je alle tijd hebt en alsof het niet persé noodzakelijk is. Ik heb geen idee wat men dan denkt, maar het lijkt me, als je weet dat je GEEN kind van God bent, dat er haast bij is. Satan weet dat in ieder geval wel. En zijn bouwen heeft iets bezetens. Dat was de achterliggende gedachte van die woorden. Maar misschien iet zo heel duidelijk onder woorden gebracht. Nee, laten we daar helder over zijn: de HEERE heeft de beste en zuiverste passie in het bouwen aan Zijn Koninkrijk. Hij heeft geen menselijke haast; evenwel verlies Hij het doel geen moment uit het oog. Hij vertraagt de belofte niet, maar Hij wil dat alle mensen zalig worden en geeft ieder een kans. Besef je dat? Of mag je dat niet geloven van je 'geloof'?
En dat maakt tegelijk die getuigenis van de satan tegenstrijdig. Want hij roept wel iets over God en over Jezus, maar… tegelijk haat hij Hem volkomen. Hij zegt, wat veel mensen binnen de kerk ook denken: "Komt U om ons te verderven?" Meestal pakken ze het iets dogmatischer in: "God zou geen onrecht doen als Hij ons allen zou verderven" (en dat is op zich nog waar ook) of "We moeten verloren willen gaan; pas dan kan God misschien iets beginnen, als het Hem behaagt".
Vooral dat laatste stelt God Zelf onder kritiek. Alsof de HEERE het aanbod van genade wel voorhoudt, maar tegelijk de totale vernietiging daar zomaar voor in de plaats kan stellen. Bekeer je als dat de boodschap is, die je van kansels en spreekgestoelten durft af te gegeven. Wee hen, die slechts spreken over een misschientje. Met welke maat gij meet, zal u weder gemeten worden! Zo is God niet. Maar zo wil satan Hem wel afschilderen. En… in het geval van satan terecht. Hij heeft geen zicht op genade, maar op een tijdbom die de totale vernietiging van zijn rijk zal bewerkstelligen.

Een dodelijk getuigenis

Je moet je indenken dat deze getuigenis niet ergens in een hoekje buiten ieders blikveld plaatsvond, maar middenin een 'kerk'dienst. Ieder heeft het gehoord. Toen Jezus opstond uit het water, na Zijn doop, hoorden de mensen ook een getuigenis, maar ze verstonden die niet; ze hoorden slechts een donderslag, maar wát God zei (Deze is Mijn geliefde Zoon) hoorden zij waarschijnlijk niet.
De belijdenis hier in Kapernaüm moet op de een of andere manier bij de omstanders ook angstaanjagend hebben geklonken. Ze hoorden die bezetene dat zeggen en konden hooguit vermoeden dat die boze geest dat in hem zei. Maar ze zagen het gezicht van die bezetene, zijn krankzinnig rollende ogen en zijn verkrampte gebaren en mimiek. Dat zijn beelden die je niet snel kwijtraakt.
Wat zou het effect zijn geweest op de mensen in de synagoge? Ik vermoed dat het iets dodelijks heeft gehad en ik vrees dat ze niet zomaar tot eenzelfde getuigenis zouden zijn te bewegen. Satan had het voortouw genomen om iets over Jezus te zeggen. Nu werd het hoog tijd dat de mensen een eigen belijdenis leerden spellen. Uit het verloop van de geschiedenis, met name die van Kapernaüm, ben ik niet positief. In Lukas 10:15 roept Jezus uit: "En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden." Zeker, daar is wat aan vooraf gegaan en er zit enige tijd tussen onze dagtekst en deze tekst, maar toch!

Dat mag wel tot de verootmoedigende vraag brengen: wat heeft nou de prediking van het afgelopen jaar teweeg gebracht in ons? Wat is er gegroeid, de afgelopen tijd, op de akker van mijn hart? Als de Landman vandaag komt, zou Hij dan vrucht vinden? Is het ervan gekomen? Ik bedoel: belijdenis, lofprijzing en aanbidding? Of is het allemaal enkel blijven steken in formele stellingnamen over Jezus en God. Misschien nog wel hele juiste en veilige waarheden, maar geen doorleefde zekerheden! In dat laatste geval zal het getuigenis van jou in de gemeente een dodelijke getuigenis zijn. Want je kunt wel zeggen dat Jezus de Heilige Gods is, Gods Zoon, de gezondene door de Vader, maar niet dat Hij jouw Heere en jouw God is. Als die mooie woorden slechts klanken zijn, dan zullen ze eenmaal een dodelijk getuigenis tegen je vormen.
Maar zalig hij of zij die God liefheeft uit een volkomen hart en niets liever doet dan Hem groot maken. Dan zoek je ook altijd weer naar mogelijkheden om Hem zichtbaar te krijgen, ook voor anderen. Herken je dat? Zit jij ook zo in elkaar?

zondag 12 juni 2016

Als je kind er buiten blijkt te staan

Judas, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
De fotograaf James C. Lewis kon het niet nalaten onder Judas' naam naast 'Disciple' ook de toevoeging 'Betrayer of Jesus Christ' te plaatsen. Ik neem het hem niet kwalijk… iedereen weet precies wie Judas Iskarioth was, wat een Judaskus is en een enkeling zal weten dat er nog een betere was, Judas Jakobi (Thaddeüs in het hebreeuws), in de vriendenkring rond Jezus. Je moet de Yin-Judas (de duistere) duidelijk scheiden van de Yang-Judas (de verlichte), nietwaar? We hebben ons oordeel vrij snel klaar als het over Judas gaat, maar wat zouden onze oordelen doen met de vader en moeder van Judas, als zij ons hoorden praten?

Jaren geleden hoorde ik een meditatie van ds. J.J. Poort over de moordenaar aan het kruis. Jezus sprak: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn…" Dominee Poort nam de luisteraars mee naar de moeder van de jongen die door deze man was vermoord. Genade? Voor de moordenaar van mijn kind? Lekker makkelijk zeg, net voor de poorten van de dood. Dat 'effe anders kijken naar zo'n bekende situatie' trof me wel in mijn tienerjaren. Gisteren werd ik door onze dominee gewezen op het boek van ds. H. Veldkamp met de titel 'Dubieuze posten' vanwege mijn vragen over Manasse. Interessant om te lezen hoe deze theoloog ons even anders laat kijken naar bijvoorbeeld de bekering van Manasse. Het is inderdaad maar de vraag of er sprake van een bekering was… de Bijbel zegt er eigenlijk niet echt iets duidelijks over. Wat ik leerde uit dit boek was dat er meerdere kanten aan zo'n verhaal zitten. En met Judas is dat eigenlijk ook. Ik wil me verplaatsen in de vader en moeder van hem en ik probeer te schetsen – in navolging van een bijbelstudie die ik afgelopen seizoen hield over 'Verduiveld gedrag', waarin ik ook Judas beschreef – wat er in hem moet zijn gebeurd rondom zijn afhaken.

"En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? 
Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd."
Mattheüs 26 : 25

Je zult maar zo'n kind hebben

Wat zal er door Simon en zijn vrouw in Kerioth gegaan zijn, toen hen het bericht bereikte dat hun zoon Juda zichzelf van het leven had beroofd? "Juda, gij zijt het," had vader Jacob geroepen. Ze hadden hun zoon naar deze aartsvader vernoemd; hij was een zoon die hen hoop gaf. Toen hij later te kennen gaf dat hij zich had aangesloten bij de groep rond Jezus van Nazareth, had Simon nog even gedacht dat het een van de vele bevrijdingslegertjes was. Verzet tegen de Romeinse overheersers had hij altijd al toegejuicht. Zijn vrouw had bezorgd gekeken, maar toen bleek dat die Nazarener een rabbi was, zonder zwaard en geweld, had het hen enigszins gerustgesteld. Waar kon je kind beter terechtkomen dan aan de voeten van een rabbi?
Toen echter onrustbarende geruchten over die Jezus van Nazareth de ronde deden, als zou Hij de Zoon van God zijn, was de angst weer naar de oppervlakte gekomen. Judas, die stille, super zelfstandige zoon was in een sekte terecht gekomen! En daar hadden ze er al een paar van gehad, de afgelopen tijd. Theudas bijvoorbeeld; of wat dacht je van Judas de Galileër, die een tijdje na hem van zich deed spreken? Ook al een Judas… zou het in de naam zitten? Nee, zij hadden hun zoon toch écht vernoemd naar stamvader Juda… Uit hem zou immers de Messias voortkomen, die een heerser in Israël zou zijn? Wel, heel simpel, dat kon die Jezus van Nazareth (uit Galiléa) nooit zijn! Waar was hun zoon toch in terecht gekomen?
Lange tijd hadden ze niets meer van Judas vernomen. Wel geruchten over die Jezus. Bij tijd en wijle trok Hij met Zijn volgelingen naar de tempel in Jeruzalem. Het leek hen toch wel een trouw volgeling van de wetten van Mozes. Maar die opzienbarende verhalen… die wonderen en die confrontaties met de geestelijke leiders in Jeruzalem.
Een keer hadden ze Judas gespot in Jeruzalem, toen ook Simon en zijn vrouw waren opgegaan naar de tempel voor het Loofhuttenfeest. Ze hadden hem zien staan te midden van een groep, dichtbij die Jezus, Die opeens was begonnen te spreken in het openbaar: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien." Er was commotie ontstaan. Hier riep er een: "Dit is de grote Profeet, die Mozes had voorspeld", daar wreef iemand vertwijfeld over zijn baard en mompelde halfluid: "Tja, dit moet haast wel de Christus zijn!" Achter hen hadden verschillenden verontwaardigd gereageerd: "De Christus? Ken jij je Bijbel niet, man? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?" Het had Simon en zijn vrouw in verwarring gebracht; een verwarring die hen persoonlijk diep raakte, want hun zoon was erbij betrokken.
En nu was Jezus gekruisigd als een misdadiger. Ook al zo'n raar gebeuren. Niemand kon duidelijk aangeven wat Hij had misdaan. Maar Hij was dood; hoe dan ook. Echter, Hij was niet de enige… hun zoon Juda had zich in een ravijn gestort. Hoe is dat toch mogelijk? Judas! Die zelfstandige denker; ja, hij was onbereikbaar soms en trok zijn eigen pad. Maar ze hadden het nog kunnen accepteren dat hij met die rabbi meeliep, al waren ze wel argwanend over Jezus. Maar dat ook Juda nu zichzelf… Langzaamaan druppelde nieuwe feiten over zijn dood de villa in Kerioth binnen. Hij zou smeergeld hebben aangenomen. Hij zou bij een corruptieschandaal zijn betrokken. Hij zou Jezus hebben verraden. Zat hij in geldnood? Waarom had hij dan nooit bij hen aangeklopt? Zij hadden genoeg geld. Waarom… 
Wat gaat er allemaal door je heen als je kind een strafblad blijkt te hebben, zonder dat je dat hebt geweten en er iets aan had kunnen doen? En nu is het te laat. Voor eeuwig!

Je zult maar bij Jezus horen

Op een van Jezus' eerste tochten naar Jeruzalem was Judas tussen Diens volgelingen een paar oude bekenden tegengekomen. Jezus had ze Zelf geselecteerd, korte tijd daarvoor. Toen Judas aan Hem werd voorgesteld door Johannes Zebedeüszoon had Jezus hem doordringend aangekeken. "Volg Mij… met een volkomen hart", had Hij gezegd en de klank in Zijn woorden was vreemd, dwingend, ja, waarschuwend haast. Waarschuwend? Waarom? Om hem tot een 'ja' te dwingen of…
Judas voelde zich te midden van die onervaren en ongeletterde vissers niet helemaal op zijn gemak, maar met Johannes kon hij gelukkig wel goed opschieten. Die was toch wat meer ontwikkeld, hoewel hij ook visser was. Het was een denker met helder inzicht op politiek en geestelijk terrein. Vooral dat politieke zinde Judas wel. Het zionisten-, of eigenlijk het zelotenbloed, zat hem diep in de aderen. En met die Jezus van Nazareth, Die ook zo bijzonder eigenzinnig Zijn weg ging, leken zijn dromen over een vrije staat eindelijk waarheid te worden. Een staat, waarin Judas een toppositie met een topsalaris zou kunnen verwerven. Het leek hem een opgaande lijn naar een droomcarrière. En dat alles onder een perfecte, godsdienstige dekmantel.
Gaandeweg had hij zich binnen de vriendenkring rond Jezus een vertrouwenspositie verworven. Ze hadden hem bijzondere taken toebedeeld, en hij was er door gevleid: penningmeester. Het moest een dienende taak zijn, maar hij nam zijn functie wel serieus op. Hij gooide geen geld over de balk, want wat je weggaf was je kwijt. Er moest op termijn geïnvesteerd gaan worden en daar was veel geld voor nodig. Veel geld betekende ook veel macht.
Maar na een jaar of twee van afzien en rondzwerven met Jezus begon hij te twijfelen aan de realisatie van die toekomst. Elke Jood had gedreven genen in zijn bloed: gedreven voor de vrijheid van het eigen volk, het Volk van God. Die Romeinse overheersing was een doorn in zijn oog. Maar het leek Jezus hoe langer hoe minder te interesseren. De overheersing waar Hij over sprak, was die van de Joodse leidslieden, die de weg van Zijn Vader – zo noemde Hij dat – overheersten. Hij zette ze neer als vijanden van Zijn Koninkrijk. Vijanden? Judas snapte er niets van. De trots die hem had vervuld – dat hij bij die groep van deze opzienbarende rabbi uit Nazareth behoorde – ebde weg. Stond Jezus dan misschien een ander doel voor ogen? Ook de andere vrienden raakten hoe langer hoe meer in verwarring en dat irriteerde Judas. Sterker nog, Jezus begon over Zijn dood te spreken, als een offer voor de zonde. Waar was hun Leider toch mee bezig? Had Hij een tweede agenda?

Je zult er maar buiten staan

Langzaam maar zeker daalde een gevoel van afkeer in het hart van Judas. Hij begon financiën veilig te stellen, mocht het helemaal mislopen met Jezus. Want dan zou hij, Judas, zijn eigen bevrijdingsplan openbaar maken. Hij zag het al voor zich, hij, Judas, aanvoerder van de nieuwe bevrijdingsbeweging. Af en toe, maar in toenemende mate vaker, drukte hij geld achterover. Hij werd zuinig als er geld moest worden uitgegeven aan de armen. Hij plaatste kritische kanttekeningen als er ruimhartig moest worden gegeven. Die Maria bijvoorbeeld had nota bene een kapitaal vergoten over Jezus' voeten: zalf met de abominabele waarde van 300 penningen! Dat had duur kunnen worden verkocht ten behoeve van de armen, loog hij hardop. Jezus had hem boos en doordringend aangekeken. Nota bene had Jezus gesproken dat er later juist met respect zou worden gesproken in de hele wereld over deze verkwistende en zondige vrouw!
En later waren er nog meer voorvallen geweest. Jezus had gesproken over dat er eentje in de kring was die een duivel was. Verbaasd had hij langs Jezus weggekeken, maar in zijn ooghoeken probeerde hij te ontdekken of Jezus naar hem keek. Nog later had hij Jezus plots horen zeggen dat er eentje zou zijn die Hem zou gaan verraden. Hoe kon Jezus dat weten? Hij had een goede vriend contact laten leggen met een van de leden van het sanhedrin. Opperste geheimhouding had hij geboden; en ze zouden er zeker niet bij gebaat zijn als de boel verlinkt werd. 
Verraden? Ach, dat was zo'n zwaar woord. Met Jezus ging het overduidelijk de verkeerde kant uit. Ze konden Hem maar beter gevangen laten nemen. Doden mochten ze hem toch niet van de Romeinen. Gevangen zetten… net als Jozef. Even kwamen de woorden van aartsvader Juda, waarnaar hij vernoemd was, bovendrijven: "Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees…" Verkopen was handiger. Je kon nooit weten hoe het later allemaal zou gaan lopen. Het was misschien zo dom nog niet om Jezus toch nog ergens, ver weg, achter de hand houden.
Maar hoe langer hoe meer liet Jezus tussen de regels door voelen dat Judas degene was die er buiten stond. Het had hem getroffen, geïrriteerd en het had de kiem gelegd van haat, blinde haat. Die Jezus zat hem op de huid. Hij doorzag hem en blokkeerde al zijn plannen, maar Hij zei het nooit vrijuit! Judas zette het aanvankelijke droompje over de verkoop van Jezus, om in een concreet plan. Totdat… totdat hij erachter kwam – te laat – dat zijn broeders (de joodse leidslieden waartussen hij zich een latente ereplaats had verworven) iets heel anders van plan waren. Ze waren werkelijk ziedend op Jezus en zochten koortsachtig naar een mogelijkheid om Hem uit de weg te ruimen. Een en een is twee… 
Ach, wat zij met Jezus deden was toch Judas' verantwoordelijkheid niet? Voor hem moest Jezus alleen van het toneel af. Het was hem verder een zorg hoe zij dat afhandelden. Totdat die avond aanbrak, waarop hij de eerste concrete tip had gegeven: het sanhedrin moest zich paraat houden. Het proces was in een stroomversnelling gekomen toen Jezus Judas had ontmaskerd, te midden van de andere vrienden. Ongelofelijk dat de anderen het nog steeds niet door hadden. Wat een troep domme vissers was dat toch eigenlijk. Moest je daar de oorlog mee winnen?
"Ben ik het, Heere?" Dat laatste woord kwam nog met moeite over zijn lippen. Die eerste woorden raakten hem al niet eens meer. Hij was opgestaan en weggelopen. Jezus had hem nog een duwtje in de rug gegeven eigenlijk! Het was nacht. Stikdonker, ook in zijn hart. Alleen zijn ogen gaven licht: ze flikkerden van haat. Hoe had Jezus het gedurfd!
Na de kus in Gethsémané had hij zich teruggetrokken in de achterhoede. Zoals een pyromaan vaak staat te kijken bij het blussen van de brand die hij zelf heeft aangestoken, zo stond Judas in de hof van Kajafas te zien hoe dit ging aflopen. En opeens vielen de schellen van zijn ogen. Hij had Petrus driemaal horen liegen over zijn band met Jezus. Hij had de haan horen kraaien. Hij had Petrus bedroefd zien wegvluchten en Jezus zien kijken naar Petrus. "Ik heb voor u gebeden," had Jezus gezegd. 
Opnieuw merkte Judas dat hij er buiten stond, want Jezus keek niet naar hem! Maar ditmaal vervulde hem dat niet met haat, maar met uitzinnige angst. Hij hoorde er inderdaad niet bij, bij Jezus. Loepzuiver doorzag hij dat Jezus alles wist, Gods Zoon was, Zijn enige redding. Echter… niet voor Judas. Kraakhelder schetste de satan alle beelden voor ogen bij Judas. Wat hij had gedaan, gedacht en gevoeld. Voor jou geen plek, sliste diabolos. Een bovennatuurlijke waanzin vervulde hem. De eeuwigheid kwam als een Temple of Doom op hem af en vluchten kon niet meer. Het was te laat. Hij sloeg zich op het hoofd, om die gedachten te stoppen, maar het wilde niet. Hij rende naar buiten en even buiten de stad brulde hij de nacht in, om zijn angst weg te schreeuwen, maar het hielp niet. De brand in zijn hoofd en hart werd niet geblust. 
Voor hem in de donkere nacht gaapte een nóg donkerder gat. Was het de hel? Of was het de hemel? Het was zwart en donkerder dan duister. Zou daar lafenis te krijgen zijn? Het was over… dit gat was zijn enige redding om weg te komen van die angst. 
Nog één plan moest worden uitgevoerd, want er brandde niet alleen angst in zijn hart, maar ook geld in zijn zak. Hij keerde zich bruusk om. Het begon al te lichten. In volle vaart liep hij de stad weer in, betrad de voorhof van de tempel en zocht naar een paar priesters die bij het verraad betrokken waren geweest. Toen hij ze zag, krijste hij dat hij onschuldig bloed had vergoten en smeet het geld in volle vaart over de vloer van de tempel. Geschrokken keken ze wie dat lawaai in Gods Rustoord maakte. Judas? In de verte zagen ze hem gaan. 
Hij had nog maar één doel voor ogen. De smak van het geld had dat waanzinnigmakende gevoel in zijn hart niet gestild. Zijn belijdenis van schuld evenmin. Er moest meer gebeuren. Een offer… het offer van zijn leven. 
Weldra fladderde een mantel van de steilte. De doffe smak die het daar beneden in het Kidrondal maakte, vertelde dat er een lichaam in zat. Langzaam kleurde het linnen rood en doofde de uitzinnigheid in het hart van Judas op aarde…

Een paar uur later had de boodschap van deze zelfmoord het huis van Simon in Kerioth bereikt. Het vulde de voorgaande geruchten ijzingwekkend in. Het zal je zoon maar wezen! Wat zal het hebben gedaan in het hart van Simon en van zijn vrouw? Het kind dat zij had gebaard en het leven dat was geschonken en gespaard, was na een jaar of dertig, in de kracht van zijn leven, gesmoord. Vermoord… Waarom? Zij zullen waarschijnlijk de echte toedracht niet hebben geweten en al helemaal niet hoe Judas' laatste momenten waren. Ze hebben slechts kunnen gissen. En al hun gissingen maakten het verdriet alleen maar ingrijpender en pijnlijker. 
Een ziel, verloren voor de eeuwigheid. Dat is de klem die op ons ligt, zolang onze kinderen de HEERE nog niet kennen. Zolang ze buiten Christus zijn, kan het je toch niet onbewogen laten dat elke dag hen dichter bij de ontmoeting met God de Vader zal brengen, zonder dat God de Zoon voor hen in de bres zal springen? Snap je de klem en bid je mee voor al die mensen in je gemeente die nog niet werkelijk verzoening in Christus gevonden hebben?

zaterdag 1 augustus 2015

Een rocknummer dat erin hakte

Lamech en zijn twee vrouwen, William Blake, 1795

 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech!
neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde,
en een jongeling, om mijn buile! Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden,
maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
Genesis 4 : 23-25

Ooit moest mijn vrouw een werkstuk maken over muziek in de Bijbel. Ik wees haar op de passage die vandaag voor ons ligt: het lied van Lamech; de eerste popsong in de Bijbel. Nou, ik zou het liever een hardrocksong noemen. Als Lamech de techniek van onze dagen zou hebben gehad dan werd het vast een gruntend gebral met jankende gitaren, veel drums en oorverdovende bas. Al zijn agressie bralt hij eruit, tegenover zijn vrouwen maar… vooral tegen God!

Flavius Josephus

De bekende militair en geschiedschrijver Flavius Josephus had blijkbaar meerdere bronnen ter beschikking die hem een iets uitgebreider verhaal verschaften over de geschiedenis van Kaïn en zijn nazaten. Ik geef het graag door met de kritische kanttekening dat de Bijbel deze details voor ons achterwege laat. Met name de achtergrond van Lamechs song tekent in dit fragment wel, waarom hij juist tegen zijn vrouwen dit lied of dit gedicht aanhief.
Na dan verscheiden landen doorgetrokken te hebben, zette hij zich met der woon neer in een plaats genaamd Naïs: waar hij veel kinderen teelde. Maar ’t was er zo ver af dat zijn  straf hem enigszins beter maakte, dat hij integendeel nog erger werd: hij gaf zich over aan allerlei wellusten, en pleegde ook geweld; hij roofde, om zich te verrijken, eens  anders goed; hij verzamelde booswichten en schelmen, waarover hij zich tot hoofd stelde; en hij voerde hen aan om allerhande misdaden en goddeloosheden te bedrijven.  Hij veranderde die eenvoudige manier van leven welke men in ’t begin onderhield, vond gewichten en maten uit, doende de 15 kunstgrepen en bedriegerij volgen op die gulhartigheid en oprechtheid, welke plaats had toen men van deze dingen niet wist.

Hij was de eerste die palen stelde om de landerijen te onderscheiden, en die een stad bouwde, welke hij naar de naam zijns oudsten zoons, Enos (Hanoch) noemde, en voorts met muren omringde, en met inwoners bevolkte.

Enos teelde Jered, Jared Malaleël, Malaleël Mathusala, en Mathusala Lamech, die bij zijn twee vrouwen Sella en Ada zeven en zeventig kinderen kreeg, waarvan een, genaamd Jobel, zoon van Ada, in hutten en tenten woonde, en een herdersleven leidde. Jubal, zijn broeder, was de uitvinder van muziek, snarenspel, en de luit. Thobel, zoon van Sella, overtrof alle de anderen in dapperheid en kracht, en was een groot krijgsman, waardoor hij zich verrijkte, en wellustig van zijn rijkdom leefde. Hij vond het eerst de kunst van smeden uit.
Lamech had ook één dochter, geheten Naama; en alzo hij in Goddelijke zaken onderwezen was, begreep hij gemakkelijk dat hij de straf van de moord, door Kaïn aan Abel begaan, zou moeten dragen; en hij gaf zulks zijn twee vrouwen te verstaan.

Voor ’t overige dompelden Kaïns nakomelingen zich terwijl Adam nog leefde in allerhande misdaden: zij vergenoegden zich niet met die van hun vaderen na te volgen, maar zij bedachten nieuwe. Men zag onder hen niet dan moorden en roverijen; en die hun handen niet in ’t bloed doopten, waren vol van hoogmoed en gierigheid.

Songwriter

Wat ik al verwachtte blijkt waar te zijn, de naam Lamech wordt in de wereld van muziek ook als merk gebruikt: het is een muzieklabel in Zweden 'Lamech Records'. De satanische pulp die daar wordt uitgegeven doet niet alleen een aanslag op je oren en maag – passend bij het gebral van Lamech – maar ook een aanslag op je ziel en gemoed. Enige tijd geleden sprak ik een jongen aan op de lugubere prent op zijn vieszwarte shirt. Het was een tekening met grafstenen en er boven in bloedrood de naam van de metalgroup Metallica. Heel zijn uiterlijk toonde dat hij deze muziek gaaf vond. Echt diep nadenken over de inhoud van de songs deed hij niet. Het was gewoon lekker ruig voor hem. De pulp die hij zo via zijn oren binnenkreeg en die zijn denken en doen bezoedelde nam hij niet serieus. Ik dacht nog dat het openlijk uitkomen voor deze muzieksmaak de laatste decennia explosief is toegenomen; maar ook het lied van Lamech is een openlijke slag in het gezicht van God. De songwriter – was het misschien toch zijn zoon Jubal? – had weinig raffinement gebruikt. De song staat bol van lomp geweld, giftige agressie zelfs en tomeloze revanche. Er is de afgelopen zes eeuwen niet veel veranderd.

Leadsinger

Grof en banaal bralt Lamech de woorden van zijn song richting zijn publiek, zijn vrouwen. Flavius Josephus doet het nog af met dat hij zijn twee vrouwen in kennis wilde stellen van Gods doem over voorvader Kaïns daad. Maar ik denk dat het dieper gaat. Lamech is persoonlijk aansprakelijk voor dit lied; hoewel hij het misschien niet zelf heeft geschreven, is hij degene die de performance verzorgt. Hij is de leadzanger die de rest voorzingt. Het zou me niet verbazen als hij af en toe zijn publiek bij het lied betrok, dat wellicht half dronken gevoerd meezong. Wie vader Kaïn ooit zou vermoorden, zal zevenvoudig (volkomen) gewroken worden. Hoe kun je één leven zevenvoudig wreken? Dan moeten er naast de moordenaar nog zes sterven. Voor die doem stond God nog in, maar hoe wil leadzanger Lamech zich zeventig maal zevenmaal laten wreken? Is het Jezus niet die Petrus wijst op zeventig maal zevenmaal vergeven? "Ik ben niet gekomen om gediend te worden (te heersten en te verdoemen), maar om te dienen (en te behouden!)." Als Lamech deze woorden van Jezus had gehoord, had hij een walgend geluid gemaakt. En de rest van zijn volgelingen met hem. Even een vraag tussendoor: wat voor leadzanger zijn wij in ons gezin, onze kerkelijke gemeente?

Band & Backingvocals

Wie leadzanger is, heeft ook medezangers of backingvocals. Die volgen slaafs de leadzanger en brallen hem na en proberen met capriolen zelf ook in de picture te komen. Deze Lamech zingt zijn gezin voor en ik denk dat de hamerende deathmetal blacksmith Tubal-Kaïn een van zijn drummers zal zijn geweest. En schuin achter de leadzanger Lamech zie ik zijn dochter Naëma sensueel swingend in extase raken op de woorden van haar vader en op het ritme van de band. Haar lichaamstaal is meer dan duidelijk. Zij is de zinnelijke mascotte die de producer heeft ingezet om een flink publiek op te trommelen en te entertainen.

Producer

Want de band, de backingvocals en zelfs de leadzanger zijn slechts de uitvoerders van wat de producer bepaalt. En wie is deze producer? Lucifer en zijn crew. We kennen hem al van een paar hoofdstukken terug: "Is het niet dat God gezegd heeft…". En in het nieuwe testament horen we hen hun eigen lied zingen, als ze Jezus in het land van de Gergezenen tegenkomen. Ze brallen, ja krijsen: "Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U te doen? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?" (Mattheüs 8 : 28)  Ja, ze kruipen voor Hem: "En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!" (Markus 3:11).  Jezus verbood hen zelfs om dit openlijk uit te zingen! Want achter al die grove, brallende en gruntende dodelijk-metaal muziek zit één grote siddering voor de Jongste dag van onze Heere Jezus Christus! Luister maar wat Jacobus in hoofdstuk 2 vers 19 van zijn zendbrief schrijft: "Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen." 
 

Newsong in concert

Toen God de Hof van Eden omvormde tot een Hof van Justitie en Adam op het matje werd geroepen vanwege diens zonde, wees hij luid beschuldigend naar zijn vrouw Eva. En toen Eva vervolgens werd ondervraagd, wees zij luid beschuldigend naar satan. Maar satan wees nergens naar. Hij moet breed grijnzend God in het gezicht hebben uitgelachen en meende dat hij God een hak had gezet. Hij bruiste van haat, zoals de toon in alle (black-, heavy- en death-)metalmuziek is.
Deze producer van hels geweld siddert bij het horen van Jezus' naam. Hij kokhalst als christenen bidden. Hij krijst de hel door, als hij ons psalmgezang hoort. Zo vol haat en afschuw is hij jegens de HEERE. Maar zijn siddering is het bewijs dat God móet bestaan! Anders zou satan niet zo sidderen!
 
En wat zingen wij? Welk lied komt er bovendrijven als we de naam van Jezus horen? Welke psalmregels schieten door je ziel, als de HEERE van Zich laat horen? Als we Zijn Woord lezen? Als we bidden? Kennen we al iets van de newsong, het lied van Mozes en van het Lam? (Exodus 15 en Openbaringen 15). Dat is ook een song die erin hakt, eeuwig en definitief: "Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!" (Exodus 15) en "Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen! Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden" (Openbaringen 15). 
Naar dat laatste en eeuwigdurend slotconcert gaat het heen. Heb je al kaartjes voor dit concert? Welke plaats is er voor jou gereserveerd?