Posts tonen met het label offer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label offer. Alle posts tonen

zondag 17 december 2017

De zoon moet sterven en het volk gaat vrij uit

De zoon van de boerenkoning - XV (slot)

Saul nu sprak tot den HEERE, den God Israëls: Toon den onschuldige.
Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrij uit.
Toen zeide Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt.
Saul dan zeide tot Jonathan: Geef mij te kennen, wat gij gedaan hebt.
Toen gaf het Jonathan hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste des stafs, dien ik in mijn hand had;
zie hier ben ik, moet ik sterven?
Toen zeide Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan!
gij moet den dood sterven.
Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote ­verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als de HEERE leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.
1 Samuël 14 : 41-45

Dat God zwijgt wijt Saul aan de zogenaamde goddeloosheid die men heeft bedreven door Sauls gebod te overtreden. Als dan niemand zijn mond wil open doen om te zeggen wie die zonde op zijn geweten heeft, dan gaat Saul over tot het gebruik van het ‘ultieme waarheids-medium’ dat God Zelf heeft aangewezen: het lot. En let dan eens op wat er gebeurt. let vooral op hóe Saul zijn vraag aan God stelt! En… wat (wie) God precies aanwijst!
Om de een of andere reden kiest Saul ervoor om God te laten kiezen tussen ‘het volk’ en ‘hem en zijn zoon’. Vermoedt hij al dat het Jonathan is? Anders maak je toch niet zo’n ruwe tweedeling? Let nu op wie God aanwijst, als ‘de onschuldige’ (letterlijk conform Sauls vraag aan God)!
Het lot – dus Gods aanwijzing van de onschuldige – valt op hem en zijn zoon Jonathan. Nu zou je verwachten dat Saul een onderzoek instelt onder het volk. Want: het volk is dus schuldig! Immers, God zou toch aanwijzen door het lot wie onschuldig was? Lees ook maar wat de Kanttekeningen opmerken: “Saul bidt in 1 Sam. 14:41: Toon den onschuldige, willende zeggen den schuldige. Maar God toont hier dien, die inderdaad onschuldig was, naar luid van Sauls woorden.” Merkwaardig!
Maar Saul heeft al snel zijn conclusies getrokken en hij zet de uitkomst naar zijn hand: het volk  heeft hij nodig voor zijn eigen eer en roem. En Jonathan zit zijn succes in de weg. Hij laat voor de vorm nogmaals loten, maar Saul weet voor zichzelf dat hij het niet kan zijn! De condities voor de loting blijven gewoon dezelfde: de vraag dat God de ‘onschuldige’ opnieuw zal aanwijzen. Immers, Saul zegt enkel: “Werp het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan”. Het lot valt op Jonathan! Juridisch strikt genomen betekent dat dus: Jonathan is onschuldig (zie ook de al eerder aangehaalde Kanttekeningen). Maar Saul gaat verder met zijn contra-uitleg van het lot. Laten we al deze dingen nog éénmaal op een rijtje zetten:
• de 1e loting: het volk is schuldig;
• de 2e loting: Jonathan is onschuldig en Saul is dus schuldig!

En let dan eens op Jonathan: hij legt uit wat hij heeft gedaan en zegt dan enkel: “Moet ik sterven?” Elk vaderhart zou breken; maar Saul verhardt! Dit gaat zijn positie juist versterken voor het volk, meent hij; en hij kan zich zo prima handhaven, als God hier zo duidelijk heeft gesproken, zo denkt hij. Hij zet de uitleg van het lot dus heel duidelijk naar zijn eigen hand.
Jonathan verdedigt zich niet. Let daar op! Hij wijst zelfs niet de onrechtvaardigheid van zijn vader aan. En hij roept zelfs het volk niet tot getuige voor hem, om zich door hen vrij te pleiten. Hij vraagt slechts: “Moet ik steven?”
Of, zoals een hebreeuws leraar ooit eens uitlegde bij Jezus’ woorden ‘Eli, Eli, lama zabachtani?’ ‘Sabachtani’ is Aramees voor ‘verlaten’; ‘Zabachtani’ is Hebreeuws voor ‘offeren’; ‘Azabhtani’ is Hebreeuws voor ‘verlaten’ (lees de Matthaüs Passion): “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij geofferd?” Of… “Moet ik geofferd worden?”

We zien hier in Jonathan iets oplichten, dat we bij Jezus zo intens zulen terughoren: “Zie Ik kom… om Uw wil te doen!” Later zouden het aanvankelijk Davids woorden zijn in de ons bekende
40e Psalm. Maar ze gingen in Jezus zo prachtig in vervulling.
Het was beter dat Eén stierf voor het hele volk, dan dat het hele volk verloren zou gaan! Ook hier in deze geschiedenis. Met dit verschil dat het volk het voor Jonathan gaat opnemen in vers 45. Het volk komt hem te hulp en houdt zich niet afzijdig met de woorden: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Geen “Weg met Hem” of “Kruisigt Hem!” Nee, we lezen in vers 45: “Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.” Jezus draait het om: “Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.”

Niet Izak moest sterven… Niet Jonathan moest sterven… Brandoffers en andere offers voor de schuld voldeden niet aan Gods eis en eer… Totdat Jezus zei: Zie Ik kom… De boekrol is niet alleen met Mijn naam vervuld, maar loopt uit op Mij! “Alzo verloste Jezus het volk, dat het niet stierf.”

dinsdag 12 december 2017

Sauls eerste offer en zijn ­bereidheid tot een mensenoffer

De zoon van de boerenkoning - XV


Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost,
al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.
En niemand uit het ganse volk antwoordde hem.
1 Samuël 14 : 39


Er wordt een grote slag geslagen onder de Filistijnen. En je zou denken: de HEERE is met Israël, dus wat kan er fout gaan? Als het volk de overwinning ruikt en de buit ziet, kunnen ze niet meer. Ze vreten zich gek aan het eten dat zomaar voor het grijpen ligt en staat. Ze slachten in het wilde weg en eten het vlees van de dieren halfgaar, terwijl het bloed er nog in zit; omdat ze zich geen tijd gunnen het vlees fatsoenlijk te koken of te braden. Dat was verboden!
Terecht grijpt Saul in als er iemand komt klikken: “Zie, het volk verzondigt zich aan den HEERE, etende met het bloed.” Dat verzondigen zit hem dus in het eten van bloed. Puur de wetsregel. Er wordt niet gesproken over het hart van het volk! Saul vermaant het volk met forse woorden, alsof hij zelf zo’n heilige was. Weliswaar geeft hij het goede voorbeeld nu. En zie daar… hij loopt verder het vrome pad op: hij gaat een altaar bouwen en laat een dankoffer brengen aan de HEERE. Heel sinister staat daar dat zinnetje bij: “Dat was het eerste altaar dat hij den HEERE bouwde.” Hij was al enige tijd koning, en dit was nog maar het eerste altaar dat hij voor God bouwde. Dat heeft ons iets te zeggen. Wanneer roepen wij de HEERE aan, als we een moeilijke klus moeten doen? Wanneer we verantwoordelijkheden moeten dragen die al gauw onze draagkracht te boven gaan?! Komt het er überhaupt wel van? Of moet de HEERE ‘hopen’ op een goede afloop, waarna Hij nog even snel de dank krijgt toegespeeld?

Maar dan gaat het mis. Saul wil weer aan de slag (letterlijk: de slag tegen de Filistijnen). Het is al iemand die zijn eten op heeft; hij heeft ervoor gebeden, alvorens het naar binnen te werken. Maar als hij de laatste kruimels uit zijn baard veegt, staat hij op om aan het werk te gaan. De hogepriester voelt zich gepasseerd en roept: “Laten we eerst nog tot God in het gebed gaan.” Je kunt wel denken dat je aan de slag moet, maar wat wil de HEERE? Nou, die vraag wil Saul dan nog wel stellen, voor de vorm. Wat is er tegen een beetje vroomheid? Dat ligt altijd al gevoelig bij het verbondsvolk. God een beetje te vriend ­houden; je kunt niet weten… Baat het niet dan schaadt het zeker niet.
Maar als Saul, via de door God aangegeven middelen, een antwoord van God vraagt, blijft het stil. En let erop dat dat telkens een waanzinnigheid bij Saul teweeg brengt. Kijk maar, later, in 1 Sam. 28:6!
Als God Zich niet laat commanderen, is Saul uitzinnig van woede en angst. Want ja, daarmee verlies je je gezicht voor de mensen (en daar is hij o zo gevoelig voor!).

Saul heeft haarfijn in de gaten dat er iets aan de hand is. Er moet iets gebeurd zijn, waarover God vertoornd is geweest. En let er maar op, dit soort mensen gaat altijd aan het spitten bij anderen: “Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt en ziet waarin deze zonde heden geschied zij.” Er klinken forse woorden uit Sauls mond als hij zijn volk voor zich ziet. Hij spaart niemand, al zou het zijn zoon Jonathan zijn: “Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.” Vermoedde hij al iets? Was hij gebelgd over het succes van zijn zoon, terwijl hijzelf niets voor elkaar kreeg? Merkte hij een soortgelijke jaloezie als ook Kaïn in zich bemerkte jegens Abel? Dat zou best eens kunnen.

Wrevel is een venijnig gif. Als dingen niet lukken in de gemeente of in een persoonlijk leven, en bij andere (gemeenten) lukt dat wel, dan is wrevel een groot gevaar. Als mensen een bepaalde positie in de gemeente hebben, maar anderen worden meer gevraagd om hun mening dan zij… Als ideeën worden doorgedrukt, maar tegen­argumenten blijven venijnig overeind staan… Als bepaalde zonden en ­houdingen worden aangewezen, maar ambtsdragers kijken weg… Als predikanten worden aangesproken op onvoorzichtige en vooral ondoordachte, zogenaamd geestelijke termologiën en ideeën… De lange tenen van de godsdienst, waar het echte leven uit is; ja, waar het nooit in heeft gezeten. Geen hervorming of reformatie; geen bekering maar een doldriest doordraven op een doodlopende weg. Als je dit soort dingen ­signaleert, is het ­oppassen geblazen!

Saul deinst er niet voor terug om zijn zoon te doden, als die de zonde zou hebben begaan, waardoor Saul geen contact met God kan maken. We zien hier iets transparant worden van Christus die de dood in ging voor vijanden van Hem en van Zijn Vader; zondaren die geen contact meer konden krijgen met Zijn Vader. Niet uit eigen belang, maar omdat Hij Zijn volk – in tegenstelling tot koning Saul – zo intens en welmenend liefheeft. Daar gaan we in het volgende hoofdstuk nog wat dieper op in.
Grote tegenstelling vormt het volk, waarover we in de dagtekst lezen: “niemand uit het ganse volk antwoordde hem.” Niemand verraadt Jonathan. Geen “Kruisigt Hem!” Geen “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” Nee, ze nemen Jonathan als het ware in bescherming tegen zijn vader! Daar schuilt deels angst voor Saul achter, maar zeker ook eerbied voor die oprechte en dappere zoon van de boerenkoning.

dinsdag 11 april 2017

De roepende God

"Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham, Abraham. En hij zeide: Zie, hier ben ik."
Genesis 22 : 11
 

Ons leven is een handbreed gesteld, zeggen we weleens. Er staat in Psalm 39: "Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid." We willen vaak benadrukken met die woorden dat er maar één schrede tussen ons en de dood is (ook zo'n clichée-uitdrukking). En dat is waar. Maar Psalm 39 benadrukt vooral dat we niet dik moeten doen over ons bestaan. Wat het ook aan glitter en glamour heeft, het is een zuchtje ten opzichte van God en de eeuwigheid. We doen wel alsof we heel wat zijn en het leven heel wat betekent, maar laten we eerlijk zijn en de dingen niet overdrijven.
In het geval van Izak was het leven zelfs een mes-snede van de dood verwijderd. Dat mes stond al haast op zijn keel. God wachtte tot het alleralleruiterste momentje. Je zou kunnen denken, met een grimmig hart: met alle risico's van dien! Maar zeg liever dat God alles op meer dan een nano-nauwkeurigheid in de hand heeft! Want ook hierin blijkt Zijn grootheid, macht en doeltreffendheid. Abraham moest elke escape echt hebben verworpen… er leek geen ontkomen meer aan. De doodsteek had hij al toegebracht in zijn beleving. Maar dán klinkt vanaf de hemel een stem.

Bij name geroepen

Wat zou God allemaal moeten roepen om deze doodsactie te stoppen? Een stortvloed van argumenten, alarmwoorden, attentiekreten? Wel iets met een A… de naam van Abraham. En dat tot tweemaal toe.
Abraham had al vaker zijn naam horen noemen. Zijn vader zal die naam gedurende de 75 jaar dat Terah hem meemaakte – tot in Haran toe – hebben genoemd. Abraham wist zich aangesproken; hij moet een goede relatie met zijn vader hebben gehad, ook na zijn roeping. Toch moest hij hem achterlaten in Haran, waar Terah stierf.
Ook neef Lot zal die naam hebben gebruikt, in het samen optrekken met de kudden. Echter, de laatste keer dat die naam hem in de oren klonk vanuit Lots mond was een bijzonder schrijnende keer: ze hadden ruzie gekregen en moesten uiteengaan.
Ook Sara zal de naam van haar men hebben uitgesproken. Dat was een klank van een geheel andere orde! Hoewel het huwelijksformulier beweert dat ze Abraham 'mijn heer' heeft genoemd. Wat te denken, hoe ze hem aansprak tijdens de intieme momenten waaruit na heel veel jaren Izak werd geboren!
En ook de HEERE heeft Abrahams naam meermalen uitgesproken. Hij heeft die naam zelfs veranderd en er Zijn naam mee verweven door er Zijn letter h in te weven: Abram --> Abraham. Telkens, als Hij Abrahams naam noemde, hem riep, was er iets aan de hand met het verbond. Het moest weer bevestigd worden vanwege de twijfel die was ontstaan. En de HEERE had Zijn Naam gestand gedaan: Ik ben! Ik ben, zoals Ik zeg te zullen zijn!
Tot slot: Het gevoeligst zal de vadernaam Abraham in de oren geklonken hebben, uit de mond van Izak! Dat kun je begrijpen! En precies die mond stond hij op het punt te stoppen; voorgoed! Izak zal geen 'Abraham' hebben gezegd, zoals kinderen vandaag de dag hun ouders bij de voornaam noemen, vaak. "Mijn vader…" Het had daarnet nog geklonken: "Mijn vader… waar is het lam ten brandoffer?" Izaks adamsappel klokte op en neer, toen het kille metaal van het mes in de buurt van zijn keel kwam. Zo slikte ook Abraham zijn droge keel moeizaam.

Een halt toegeroepen

"Abraham! Abraham!" God sprak zijn naam dubbel uit. De Kanttekeningen vertellen:
"De naam wordt verdubbeld, omdat de zaak haast vereiste, dewijl Abraham bezig was om het mes aan de keel te brengen en de snede te geven."
Het blijft voor mij de vraag, waarom de HEERE hier (pas) ingrijpt. Ik moest denken aan die geschiedenis van Jefta, die beloofde het eerste dat uit zijn huis hem tegemoet kwam te offeren als een dankoffer. Sommigen beweren dat Jefta's dochter uiteindelijk toch echt werd geofferd, maar ik waag het te betwijfelen. Ze zonderde zich af en de jonge dochters bezochten haar in de eenzaamheid, als ze de trouwlustige leeftijd begonnen te krijgen. God wil geen mensenoffer. En toch… toch moest een mens het offer gaan brengen voor de zonde! Daar denken we juist in deze Stille Week aan: de Mens, de tweede Adam.
Zou dat hier ook het geval zijn geweest? Greep God in, omdat Abraham Hem niet had begrepen? Net zoals Jefta ook een ondoordachte belofte deed met zijn dankoffer? Greep God in, omdat Abraham op het verkeerde spoor zat óf greep Hij in omdat Abraham zijn juiste gestalte van toewijding had geïllustreerd met een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God?
Nog een bijzonder element; ik het dat al eerder aangehaald: hier roept God de Zoon (de latere Jezus Christus) de mens een halt toe, omdat niet Izak, maar de meerdere Izak het offer zou brengen; het Lam ten brandoffer zou worden.
Aan dat offer kon niemand meer iets toevoegen; het was 'volbracht' en volmaakt áf! Er zijn nogal wat mensen in de kerk die met hun levensstijl niet een dankoffer, maar een brandoffer willen brengen. Ze willen een streepje voor hebben bij God, krachtens hun vermeende rechtzinnigheid of barmhartigheid of volhardendheid. Als dat je diepste drijfveer voor je godsdienst is dan roept Hij een krachtig halt toe. "Abraham! Abraham!" Vul je eigen naam er maar in. Bekeer je en bewonder het volkomen offer van Jezus Christus, Gods Zoon. Hij roept hier Abraham een halt toe. Hij zegt zoveel als: "Het is genoeg." Maar dat is wat anders dan "Het is volbracht!" Is dat voor jou ook zo'n geweldige troostvolle wetenschap, dat Jezus' offer zó enorm volmaakt volkomen was, dat je er vandaag nog steeds uit diepe dankbaarheid uit kunt leven en… sterven?
72. Koor
Wenn ich einmal soll scheiden,So scheide nicht von mir,Wenn ich den Tod soll leiden,So tritt du denn herfür !Wenn mir am allerbängstenWird um das Herze sein,So reiß mich aus den ÄngstenKraft deiner Angst und Pein !

Als ik eenmaal moet sterven,
blijf dan bij mij,
als ik de dood moet lijden,
wees Gij mij dan nabij.
Als mij het allerbangste
om het hart zal zijn,verlos mij uit mijn angsten
door uw angst en pijn.

vrijdag 31 maart 2017

Vraagt God een kinderoffer?

En Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes, om zijn zoon te slachten.
Genesis 22 : 10
 

In een tijd dat IS er trots op is massa's christenen en andersgelovigen te kelen (want dat staat er in de tekst eigenlijk voor 'slachten'), roept deze tekst dubbele aversie op. En ik begrijp dat er mensen zijn die zich afvragen: wat voor God is dat Die dergelijke dingen vraagt? Ik probeer te begrijpen… en te bedenken hoe ik met deze tekst en dit gedeelte moet omgaan. Deze tekst is een harde noot!
Uiteindelijk komen er verwarrende gevoelens bij me boven; ik vind de platgetreden paden van theologisch-juiste uitleggers van toen en u, die predikanten te gemakkelijk hanteren bij de voorbereiding van de preken, te weinig zeggend. Natuurlijk kun je alles met dogmatiek recht praten; maar welke theoloog gaat in op de enorme vragen die dit oproept? Wie geeft eerlijk toe dat atheïsten hier wel een punt hebben in hun aversie tegen God? Ik heb er geen antwoord op; maar toen ik een artikel van Ignace Demaerel las op knack.be vond ik het sluitstuk van dat betoog zo sterk dat ik het graag geheel citeer. Denk er maar eens over na!


Het offer van Abraham, één van de meest controversiële Bijbelverhalen: twee tegenovergestelde lezingen


Abraham is een man uit de wereldliteratuur die tot de verbeelding blijft spreken. Hij is één van de oerfiguren van onze cultuur, niet meer weg te denken uit onze beschaving.

Hij is dé gemeenschappelijke voorvader van jodendom, christendom en islam. Je kan gerust stellen dat de helft van de wereldbevolking hem als een tijdloos rolmodel ziet. 'Abraham' is een begrip geworden in onze taal doorheen verschillende uitdrukkingen en zegswijzen. Je ziet hem terugkomen in de literatuur, de schilderkunst, de muziek, de beeldhouwkunst... Deze eenvoudige Aramese veehouder heeft een erfenis nagelaten die hij zelf nooit voor mogelijk had gehouden.

Zijn eigenlijke 'leven' begon toen hij een stem uit de hemel hoorde vanwege een God wiens naam hij niet kende, en op weg moest gaan naar een land waarvan die geheimzinnige God ook de naam niet zei (Genesis, hoofdstuk 12). Maar het toppunt van alle Abraham-verhalen is dat waar hij zijn zoon moet offeren voor diezelfde God. Rembrandt, Titiaan, Caravaggio, Teniers, en tientallen anderen hebben hem afgebeeld in die vreselijke tweestrijd waarbij hij het mes opheft om zijn enige zoon te doden. Voor de één het toppunt van geloof en gehoorzaamheid, voor de ander het toppunt van irrationaliteit en absurditeit. Voor menig atheïst is dit verhaal reden genoeg om te zeggen: 'In zulke God weiger ik resoluut te geloven! Ik wil met godsdienst niets meer te maken hebben!'

Het is inderdaad een verhaal dat de meest tegenstrijdige gedachten en gevoelens kan oproepen. Het is een verhaal 'op het scherp van de snede': hier scheiden zich de geesten: je bent vóór of radicaal tégen, hier kan je niet neutraal blijven. Hoe je hierop reageert, zegt eigenlijk heel veel over jezelf, je eigen houding in het leven en je visie op God. Laten we het eens ontleden en de twee tegenstrijdige interpretaties onder het licht houden.

Om de dramatische diepgang van dit verhaal ten volle te beseffen, moeten we de aanloop even schetsen. Abraham was al 75 jaar toen hij uit het Ur der Chaldeeën (het huidige Irak) vertrok, en hij en zijn mooie vrouw Sara waren kinderloos. Kinderloosheid in die tijd werd vaak gezien als een straf van de goden, bracht veel onzekerheid mee ('wie zorgt voor mij op mijn oude dag?') en vooral veel stil verdriet. Sara moet er kapot van geweest zijn. Maar toen dan die onbekende God Abraham de opdracht gaf om alles achter te laten en op weg te gaan naar het onbekende, volgde daarop een driedubbele belofte: God zou hem tot een groot volk maken, een land geven, hem zegenen en tot een zegen voor de hele aarde maken. Vooral dat eerste zal Abraham erg geïnteresseerd hebben: een volk worden betekende immers ook kinderen krijgen. Dus, erg gelokt door deze belofte, vertrok hij, met knikkende knieën. Gezien hij al 75+ was, verwachtte hij dat die zoon al heel snel moest komen, maar een jaar ging voorbij, en nog één en nog één... We slaan snel enkele verhalen over, want uiteindelijk duurde het 25 jaar vooraleer de beloofde zoon geboren werd. Slechts zeer weinigen onder ons kunnen de pijnlijke verzuchtingen van zulk langgerekt wachten aanvoelen. Elk jaar moet een eeuwigheid geleken hebben, en de gedachte 'Was dit allemaal geen inbeelding?' zal nooit ver geweest zijn. En dan staat er nog uitdrukkelijk bij dat Sara op zeker ogenblik voorbij haar menopauze was: het lijkt wel alsof God extra lang wachtte om het nóg onmogelijker te maken dan het al was. Maar toen gebeurde dit onvoorstelbare toch: de 100-jarige Abraham en 90-jarige Sara kregen hun wondertje. Precies daarom moet de geboorte ook een onvergelijkbare vreugde-explosie geweest zijn - de kleine boreling wordt dan ook 'Isaak' genoemd, wat betekent 'hij lacht'. 25 jaar langgerekt hopen werden eindelijk beloond. Isaak was zijn enige zoon uit Sara, degene van wie hij zielsveel hield: het eindeloze wachten zal de emotionele 'waarde' van dit kind eindeloos verhoogd hebben. Deze voorgeschiedenis maakt het verhaal van het offer enkel maar dramatischer.

Want toen klonk die intussen vertrouwde stem uit de hemel opnieuw: 'Abraham, offer mij je enige, geliefde zoon' (Genesis 22). Het moet voor Abraham een donderslag bij heldere hemel geweest zijn: dit kon hij op geen enkele manier rijmen of plaatsen. Deze opdracht was compleet tegengesteld aan alle vorige opdrachten en beloften van God. Als hij dit deed, zou hij al het vorige ongedaan maken: dan zou hij toch geen groot volk worden, dan was hij voor niets vertrokken uit zijn land, dan had hij voor niets 25 jaar gezworven als een vreemdeling, ontberingen geleden en gevaren doorstaan, maar vooral: dan werd zijn toekomst brutaal afgesneden, dan was zijn leven één grote mislukking, totaal zinloos. Abraham legde niet alleen zijn teergeliefde zoon op het altaar, maar minstens evenveel zichzelf, zijn leven, zijn toekomst, zijn reputatie, zijn huwelijk, zijn plannen en ambities: hij had evengoed zijn eigen hart kunnen uitrukken.

Hier komt de atheïstische lezing natuurlijk onvermijdelijk naar boven: 'wat voor een God is dat!?' En zelfs als het enkel een test is voor Abrahams geloof (wat Abraham natuurlijk niet weet), wat voor spelletje speelt Hij met de mens? Het lijkt wel een kat die haar wrede spelletje speelt met een muis. Eerst iets geven en het dan weer afpakken...? Zeker als het precies gaat om de enige teergeliefde zoon. Sadistisch lijkt dit wel. Zo bekeken, roept dit inderdaad ofwel veel vragen op (ook bij gelovigen!), ofwel veel revolte en afkeer. Heeft God wel het recht om zoiets te vragen? Om een mens zo op de proef te stellen? Is dit geen bewijs dat godsdienst irrationeel en gevaarlijk is?

Voor de volledigheid moeten we ook nog even toelichten dat kinder- en mensenoffers in de meeste van de toenmalige culturen gebruikelijk waren. Zelfs bij de Grieken, een cultuur die wij als verheven en beschaafd beschouwen, waren mensenoffers normaal en zelfs 'nodig'. Maar zeker bij de Kanaänitische volken waren er meer van die barbaarse praktijken zoals kinderen door het vuur laten lopen voor de Moloch.

Maar we vertellen Abrahams verhaal nu eerst verder: het is merkwaardig dat de Bijbel hierbij niets vertelt over zijn 'binnenkant'. Er staat gewoon dat hij de volgende dag vertrok met Isaak en enkele knechten naar de berg Moria, drie dagreizen ver. Geen discussie met God, geen onderhandelingen, geen protest, zelfs geen vraag om uitleg. Abraham ging op weg, en de stilte onderweg moet oorverdovend geweest zijn: met stomheid geslagen, de mond vol tanden, het hart verbrijzeld, de dood in de ziel... Er wordt zelfs niet verteld wat hij aan zijn vrouw gezegd moet hebben toen hij op weg ging. Misschien niets? Om haar te sparen?

En dan moest hij de berg beklimmen, een altaar bouwen, het hout erop schikken, zijn zoon vastbinden, het mes opheffen... Kan een mens ooit iets moeilijkers doen in zijn leven? Het blijft ons, als we ons hierin verdiepen, met verstomming slaan. Ook een gelovige heeft hier reuzengrote vragen bij: kan God dan echt álles vragen? Zou Hij dat ook bij mij kunnen doen? Heeft Hij dat recht?

Maar dan nu de joods-christelijke lezing, door de ogen van het geloof, d.w.z. van boven gezien. Waarom vroeg God dit bovenmenselijke van de man die Hij zelf 'zijn vriend' noemde? God had Abraham geroepen om de stamvader te zijn van een nieuw volk, een volk van geloof. Daarom moest hij, a.h.w. het fundament van dit volk, ook een man van geloof zijn: hij moest het geestelijke DNA doorgeven aan zijn nakomelingen en dat moest van superkwaliteit zijn. Als je een appartement bouwt met vele verdiepingen, moet het fundament des te sterker zijn. Daarom moest Abraham vele keren getest worden. De leerschool van het geloof kent vele graden en klassen, veel lessen en praktijkoefeningen, vele toetsen en examens. Je begint bij de kleuterschool en sommigen stromen door naar de univ. Maar de examens worden altijd veeleisender, vragen soms het uiterste van een student. Abraham had tot nu toe de meeste tests goed doorstaan (er zijn ook twee, drie verhalen waarin hij tijdelijk verflauwt en foute keuzes maakt). Maar uiteindelijk acht God hem rijp voor het doctoraatsexamen, de 'final test'. Hoe onmenselijk zwaar dit ook voor Abraham moet geweest zijn, het is, van boven gezien, een hele eer dat hij hieraan mocht deelnemen: hij had de eerste tests goed doorlopen en was geselecteerd voor de finale! Het hele hemelrijk stond op de eerste rij in de tribune, meer gespannen dan voor het WK voetbal. Ze keken toe, supporterden dat Abraham maar niet zou falen. Hier hing uitermate véél van af, het hele plan van God met Israël, Jezus en de mensheid. Had God wel een plan B voor als dit mislukte?

Nee, we zien hier geen wrede God die absurde spelletjes speelt met mensen. We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens. Het is waar, Hij spaart Abraham niet, maar hierin is Hij zoals een trainer die voor zich zijn allerbeste loper ziet: Hij ziet al een potentiële wereldkampioen in hem, en zal, schijnbaar meedogenloos, de lat steeds hoger leggen om er álles uit te halen. God laat Abraham de ultieme test afleggen, omdat Hij bijzonder van hem houdt en gelóóft dat hij het kan.
En uiteindelijk komt alles goed: God houdt Abrahams hand op het laatste nippertje tegen, hij krijgt Isaak terug, en het resultaat is vandaag dat de helft van de wereldbevolking Abraham als hun voorvader ziet! Wie doet hem dat na?

De christelijke lezing van het verhaal voegt er nog een hoofdstukje aan toe. Op het eerste zicht lijkt het dat deze God onmogelijke dingen vraagt van zijn mensen. Maar alles wat Hij van mensen vraagt (bijv. je vijand liefhebben), doet Hij zelf ook, en nog méér. Want heel dit verhaal is tegelijk een geestelijke allegorie/voorafbeelding van wat God later zelf zal doen in Jezus. Abraham mocht op het laatste nippertje zijn hand terugtrekken en behield zijn zoon. Tweeduizend jaar later heeft God ook zijn enige, geliefde Zoon geofferd, met dit verschil dat Hij voor Zichzelf nog harder was dan voor Abraham: de hand werd niet teruggetrokken. Jezus werd wel degelijk gedood, geslacht als een Lam, maar dan vele keren brutaler. Een verhaal dat wreed lijkt, wordt plots, in een ander licht, een verhaal van onbegrijpelijke liefde en zelfopoffering.

Abraham zal in de eeuwigheid één van de weinigen zijn die zal begrijpen wat het betekent om, net als God, je enige zoon te offeren. Het opperste vertrouwen blijkt pas bij de allermoeilijkste opdracht. Of Abraham zijn eigen rationaliteit kan loslaten en vertrouwen op een hogere intelligentie, dat is dé lakmoesproef voor écht geloof. Abraham had misschien tien goede redenen om dit niet te doen, en één zéér goede reden om het wél te doen. Hij is geen speelbal, geen proefkonijn, geen slachtoffer, maar een geloofsheld, een bevoorrecht man. Ik stel me zo voor dat God in de hemel eindeloos fier is op zulke man: één van de zeer zeldzamen die bereid is (bijna) even vér te gaan in de liefde als Hijzelf.

En een laatste opmerking: of God het recht heeft om zoiets van een mens te vragen? Ik zou de vraag willen omdraaien: als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God? Zoals gezegd: hoe je dit verhaal leest, zegt in feite het meest over jezelf. En dat steeds meer mensen het ontieglijk moeilijk hebben met dit verhaal, zegt héél veel over onze cultuur en onze humanistische (mensgerichte) tijdsgeest.
Dit sterk geschreven artikel lezend ben ik getroffen door het geluid dat uit het grotendeels roomse België komt. Ik laat je dit niet lezen om het onnadenkend voor waar te houden. Ik geef toe dat je een punt het als er wat remonstrantse aspecten in zitten; maar ik vraag je denk er eens goed over na!
Eén van mijn kritiekpunten is wel deze frase: "We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens." Alsof God de mens een prestatie laat leveren waar Hij Zelf ook de adem bij inhoudt: als dat maar goed gaat. God is er 100% bij betrokken. Toch draait de schrijver ons denken op een frappante en treffende wijze om, als hij dit offer schetst als een lakmoesproef. En… dat hij de lezers de tegenvraag stelt op het commentaar of God daar wel het recht toe heeft: "…als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God?" Wij zijn sterk geneigd God ter verantwoording te roepen. Ik voel dat direct in mij opkomen. En daar moeten we van bekeerd worden. God is wel degelijk iets machtigs aan het doen in deze geschiedenis. Misschien niet dat Hij fier op een man als Abraham was; maar hem toch wel als een voorbeeld stelt. Zo iets lees je ook bij Abrahams tijdgenoot Job; als God vraagt: "Heb je acht geslagen op Mijn knecht Job?" Zou God misschien tegenover de duivel (die de zonde koos in haat tegen God) wel een zekere 'fierheid' (lees: uitdagende trots) hebben? Zou er in de hemel misschien ook zo'n twist tussen satan en God zijn geweest als bij Job? Als dat zo is begrijp ik opeens heel veel meer van dit verhaal…

donderdag 16 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Persoonlijke en gemeenschappelijke beleving

"En Abraham nam het hout des brandoffers en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen tezamen."
Genesis 22 : 6

Terwijl Izak voor zijn vader uitloopt is dat voor vader Abraham natuurlijk des te zwaarder: hij weet wat er gaat gebeuren; Izak nog niet.


Het komt nogal eens voor dat de omgang met de HEERE slechts persoonlijk wordt beleefd en niet gedeeld. We leven in een individualistische tijd van zowel 'het eigen recht' als 'alles voor jezelf houden'. Dat is misschien dan wel je eerste reactie, maar delen is dubbel genieten. En voor wat betreft lijden is delen half lijden.

In de tekst van vandaag zie ik een vader de berg op klimmen, achter zijn zoon aan. Ze spreken niet of nauwelijks met elkaar. Straks zal Izak de stilte verbreken, maar nu is het nog stil. We lezen slechts van daden. Het hout wordt opgestapeld op Izaks schouders. Gekloofd hout, weet je nog wel? De zware bundel brandhout wordt van de ezel afgenomen en met een zucht en een traan legt Abraham het op zijn lieveling. Maar dan… pakt hij het vuur om dat hout straks aan te steken. En verbeten omklemt hij het heft van zijn mes. Een huivering gaat door zijn lichaam.

Legde het op Izak

Die ezel vind ik in deze geschiedenis zo'n bijzonder dier. Ik kan er niets aan doen, maar steeds zie ik het ezeltje uit Bethfagé voor me. Dominee J.J. Poort mediteerde er eens over en een fragment uit die meditatie – die ooit op CD werd uitgegeven – komt bovendrijven: "Ik wou dat ik dat ezeltje was." Herken je dat?
Vandaag lees ik dat het lastdier wordt ontlast. De zware last die het torste wordt van hem afgenomen en… op de zoon gelegd. Niet de ezel wordt geofferd (ik denk trouwens dat dat nooit had gekund; God heeft geen ezels ten offer geboden). Nee, Izak, de lieveling des vaders wordt 'opgezadeld' met dat brandhout. "Hij voor mij…" Zie je de lijn?
En aldoor blijft het stil. Izak moet het gewicht van dit moment hebben gevoeld, want hij is een gevoelsmens. In dit vers zwijgt hij nog, maar de dingen bij elkaar optellend moet hij in dit vers aan het mediteren zijn geslagen: hout, vuur, mes… maar wát gaan we eigenlijk offeren?
Izak was bepaald geen klein kind meer, zoals vaak op schilderijen wordt gesuggereerd. De Kanttekeningen wijzen er ook op dat juist uit het dragen van zo'n zware last blijkt dat hij tussen de 15 en de 25 moet zijn geweest. Izak is geen weerloos kind; ook als hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij zijn volle verstand, dat wat zijn vader deed goed was!

Nam het in zijn hand

Het is bijzonder te zien dat Abraham het vuur en het mes in eigen hand houdt. Je kunt daar allerlei praktische redenen voor bedenken. Izak is nog jong, hij kan prima dat hout sjouwen. Maar niettemin lees ik er ook zorg in. 'Het vuur en het mes'; het zou een prikkelende boektitel kunnen zijn.
Abraham nam het in zijn hand. Wij refo's leren graag dat we tot God moeten komen met lege handen. Hier komt de vader aller gelovigen met het vuur en het mes in zijn hand. Attributen die hij vaker had gehanteerd. Al vaker had hij offers gebracht. Maar nu…
Dat vuur vond ik nogal merkwaardig. Waarom ontsteek je dat al onderaan de berg? Ik neem althans niet aan dat hij het al van huis had meegenomen. Hij zal beneden zijn tondeldoos – of iets dergelijks – hebben gepakt en brandbaar en traagbrandend spul hebben aangestoken. Met dat brandende vuur is hij omhoog geklommen. Ja toch? Of moet ik 'vuur' lezen als 'spullen om vuur mee te ontsteken'? Dat zou wel logischer zijn, maar ik zie het er niet staan.
De betekenis der woorden bekijkend zou je ook 'portie' of 'deel' kunnen lezen voor 'hand'. Dan zou je het zo kunnen lezen dat Abraham het vuur en het mes voor zijn portie/rekening nam. Izak zorgde voor het hout, Abraham voor de rest. Hoe het ook zij, die twee dingen die Abraham dan voor zijn rekening nam, waren ingrijpende zaken. Het vuur om het hout onder zijn kind aan te steken. Het mes om zijn kind van voren (van boven) mee tegemoet te treden. "Het waren mijn zonden die U al die jammeren aandeden!"

Zij beiden gingen tezamen

Samen… dat woord is uiterst actueel. Vandaag likken de verliezers van de Tweedekamerverkiezingen hun wonden en kijken de winnaars wat ze nu werkelijk hebben gewonnen. Hoe 'gewonnen' men ook heeft, men zal het in de nieuwe regering toch samen met anderen moeten gaan doen. 'Samen' is ook niet zo erg hip in refokringen. Het is vooral erg evangelisch, krijg ik weleens de indruk. In degelijke kringen is men vooral introvert geworden. "Vroeger spraken de mensen nog wel samen over Gods wegen met een mensenziel, maar dat kom je niet veel meer tegen", wordt er dan gezegd. Is dat waar? Of wordt er niet meer gesproken, omdat de kritiek op elkaar het geloof heeft verdoofd? Wordt er überhaupt wel meer gedeeld in het huwelijk dan alleen het bed? Waarom kan men lichamelijk wel intiem zijn (ik hoop althans dat dat nog wel het geval is), maar kan dat op geestelijk terrein niet? Vader en zoon gaan "beiden tezamen" lees ik vandaag. Ik had zo gehoopt dat ze ook veel gedeeld hadden en samen eensgeestes aan het klimmen waren, God tegemoet. Het blijft helaas stil. Straks, ja straks zal er gepraat worden. Zeker als ze thuis bij Sara zullen komen; hoewel dat ook nog een dingetje zal zijn geweest!

Het blijft voor mij elke keer weer een merkwaardige zinsconstructie: "beiden tezamen". Een soort dubbelop. Er zit iets onlosmakelijks in dat woordenkoppel. Abraham kon niet zonder Izak gaan en Izak niet zonder zijn vader. Dat brandhout en het vuur hoorden onlosmakelijk bij elkaar; evenals het mes en… het offerdier.
In gedachte – ik las dat daarnet in een meditatie – zie ik een ander Offerlam gaan. Het lijkt erop dat Hij alleen gaat naar de offerplaats. Ook op een berg: Golgotha. Maar ging Hij werkelijk alleen of gingen die Beiden ook tezamen? En wie was die ander/Ander dan? Je zou kunnen denken aan Simon van Cyrene. Maar nee; ik moet ook hier de Vader en de Zoon Beiden tezamen zien gaan. De Zoon als Offerlam (het laatste en het beste!) met het hout op zijn rug. De Vader met het vuur van Zijn toorn en het mes van Zijn eens rechtvaardig gesproken Woord: de ziel die zondigt zal sterven!
De Zoon ging niet als een weerloze, maar bij Zijn volle verstand; ook als Hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij Zijn volle verstand, dat wat Zijn Vader deed goed was!

woensdag 15 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Aanbidding of offer?

"En Abraham zeide tot zijn jongens: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.
Genesis 22 : 5
 
Aanbidding is offer en offer is aanbidding

"Blijf bij hier met de ezel…" Ooit hoorde ik over een schoonhovens predikant die ruim een eeuw geleden afscheid preekt met die tekst. Toen hij 'gij' zei knikte hij naar de kerkenraad en toen hij 'ezel' zei, knikte hij naar zijn collega met wie hij totaal niet kon opschieten. Ze zouden nog bijna 15 jaar met die achterblijvende predikant blijven zitten. Als ik deze tekst lees, moet ik altijd weer aan die anekdote denken.

Niettemin is de tekst van een totale andere ingrijpendheid. En waar ik door ben getroffen is de dingen die Abraham tussen de regels door zegt. Iets van zijn innerlijk gloort naar buiten. Iets van Hebreeën 11 lijkt zichtbaar te worden. Opnieuw wil ik er ook de heilsgeschiedenis van onze Heere Jezus Christus naast leggen. Kijk maar eens mee.

Heengaan tot daar…

De opdracht die Abraham kreeg was dat hij zijn zoon moest offeren. Aldoor lijkt Abraham te hebben gezwegen; hooguit wat spaarzamelijke instructies te hebben gegeven, maar niet meer dan dat. Nu echter is hij iets spraakzamer. Er klinkt een bevel: "Blijven jullie hier bij de ezel!" Blijkbaar is er óf één ezel in het spel óf doelt Abraham hier enkel op zijn eigen ezel (maar… waarom zwijgt hij dan over de ezel van Izak?). Vermoedelijk diende de ezel slechts als 'bagagekarretje' of 'lastdier' en werd de tocht geheel te voet afgelegd.
Vervolgens wijst hij schuin omhoog, naar de plaats waarvan hij weet dat God daar op hem wacht. Het is verder dan een steenworp afstand vermoed ik, maar toch. In Mattheüs 26 : 36 lezen we eenzelfde lijn: "Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben."
Nadat Hij negen van zijn discipelen heeft achtergelaten, neemt Hij er drie mee. Dan begint Zijn emotie ook zichtbaar te worden, de angst voor de toorn van Zijn Vader en de scheiding die er zal zijn tussen Hem en de Vader! "En […] begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide Hij tot de drie vertrouwelingen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij." Abraham geeft niet zo'n instructie: "blijf hier en bid met mij". Hij zegt slechts: "Wij zullen daar aanbidden."
Vader en zoon zullen heengaan tot aan die plek daar. Abraham wist precies waar hij zijn moest. Hij zoekt niet eerst het gebed om licht en kracht, maar gaat door. Zo ging het ook op de reis vanuit Ur. De tussenstop in Haran had hem het leven van zijn vader gekost. Geen oponthoud maar onvoorwaardelijk gaan tot het einddoel is bereikt. Dat is een wijze les voor elke pelgrim die op weg is naar het Nieuw Jeruzalem. Soms klinkt Gods stem ter aansporing: "Haast u, om uws levens wil!" Soms ook is het zien van het reisdoel voldoende om gaande te blijven. Doorgaan, levend vanuit het volbrachte werk van Christus "totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden."

Wederkeren

De grootste geloofsmoed komt openbaar als Abraham het woord 'wederkeren' in zijn mond neemt in combinatie met het woordje 'wij'. Misschien wel duizendmaal heeft Abraham zich het moment voor de geest proberen te toveren dat hij 'alleen' weer terug zal moeten keren tot Sara, zonder Izak! Maar dwars door die spookbeelden heen – die toch de meest aannemelijke realiteit zullen zijn – zegt hij: "Blijf hier totdat wij allebei weer terug zijn bij jullie". Niemand ging er verder nog mee. Dus wat Abraham ook zal hebben gedacht en geloofd, hij sprak de verwachting uit dat hij niet alleen zou terugkeren. En het woordje 'wij' laat zich niet anders uitleggen dan dat dat én Abraham én Izak zal zijn.
God had hem op geen enkele wijze een hint gegeven die sprak van een escape in deze verzoeking. Nergens lees ik dat Abraham gaat pleiten bij God, zoals hij dat wel deed voor het goddeloze Sodom, vanwege zijn neef Lot. Abraham is gegaan en spreekt – hoe zullen die woorden geklonken hebben? – van een gezamenlijke terugkeer. In de komende verzen zal meermalen de nadruk worden gelegd op het feit dat 'die beiden samen' gingen. Een soort dubbelop om het accent nog verder aan te zetten.
Vreemd dat Abraham reeds zónder belofte deze belijdenis doet. Terwijl de HEERE zoveel beloften heeft gedaan waar kerkmensen niets of nauwelijks iets mee doen. Hoevelen twijfelen bijvoorbeeld aan het feit dat Jezus eens zal wederkeren? Hij heeft het wel gezegd, een belofte gedaan (en Zijn woorden hebben altijd de lading van een eed in zich), maar rekenen we er ook mee? Roepen we ook om Zijn terugkeer? Gaat ons verlangen naar Hem uit?

Aanbidden of offeren?

Nog één ding viel me op: Abraham spreekt hier niet over 'offeren' maar over 'aanbidden'. In het kader van die twee woorden vond ik een mooie eye-opener:
„We kennen allemaal wel van die dagen waarop God zo ver weg lijkt. David wilde aanbidding van God daar niet afhankelijk van laten zijn: ‘O mijn ziel, wat buigt g’u neder, waartoe zijt g’ in mij ontrust; zoekt het oud vertrouwen weder: zoek in ‘s Hoogsten lof uw lust’, (Ps. 42 berijmd). Daarom ligt in het onderwijs over aanbidding het accent deels op offeren (‘Wie lof offert, eert Mij en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien’, Ps. 50:23.) De eerste keer dat het woord aanbidding in het Oude Testament wordt gebruikt, is in Genesis 22: Abraham die Isaäk gaat offeren. Wíj zeggen dat Abraham in gehoorzaamheid de berg opging om te offeren, maar Abraham zei dat hij met Isaäk de berg opging om te aanbidden (vs. 5). Dat is uitermate moeilijk. Maar hij maakte de keuze om God te aanbidden met zijn gehoorzaamheid. Eenmaal boven op de berg voorziet God en leert Abraham dat gehoorzamen, offeren en aanbidden de toegang vormen tot Gods voorziening. Dat leert ons dat God aanbidden een levensstijl, een keuze is. Omstandigheden veranderen, maar de Here blijft altijd Dezelfde. Hij is voortdurend onze aanbidding waard. Het leven van een gelovige, van een aanbidder, moet gebaseerd zijn op geloof. Maar als je je realisme baseert op je gevoelens of op omstandigheden, of op zintuiglijke waarneming, kom je tekort. We kúnnen God niet behagen zonder geloof. Daar mogen we veel meer vanuit leren leven. Je kunt financiële noden hebben. Leven we dan vanuit wat onze bankrekening ons vertelt, of durven we te geloven dat God Degene is Die zal voorzien? God wacht tot we Hem leren durven vertrouwen en gaan handelen vanuit geloof. Hetzelfde geldt voor het aanbidden van Jezus. Laten we dat afhankelijk zijn van gevoel of omstandigheden, of eren we Hem op basis van Wie Hij is? Dan is er altijd reden om Hem te aanbidden. Niet-christenen hebben vijf zintuigen, christenen hebben er één extra: geloof (Hebr. 11:6).“

dinsdag 27 december 2016

Als Jezus door het midden weggaat is het oppassen geblazen

Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.
Lukas 4 : 30

Jezus wandelde tussen de woeste mensenmassa, zoals het volk Israël achter Mozes aan door de Rode Zee wandelde


Heb je weleens ruzie gekregen met een jongen op het schoolplein? Wat gebeurde er, als je niet terug vocht? Kwam je er dan zonder blauw oog vanaf? Of een bloedneus? Of beiden? Ben je weleens achterna gezeten door een paar grote jongens? En als ze jou te pakken kregen, schudde je ze dan even gemakkelijk van je af, zonder kleerscheuren of pijnlijke schrammen? Ik vermoed dat je er geen beste herinneringen aan hebt overgehouden! Zelfs niet als het je toch lukte te ontsnappen aan je belagers.

Maar hier in onze tekst wordt Jezus door de bevolking van een heel dorp, ja door de hele vrome gemeente van een synagoge, meegesleurd! En Hij werd niet alleen op ferme wijze het dorp uitgewerkt, maar in drieste haat sleuren ze Hem verder de heuvel op – waarop ook hun stad is gebouwd en die een stuk buiten de stad een hoogtepunt bereikt – om Hem daar van een steilte af te gooien… te pletter! Dood moet Hij!
Het zijn geen borderliners of in hun jeugd psychisch verminkten met agressieverschijnselen; het is eenzelfde massa – prima bij hun verstand – als die later ook en masse roept: "Kruist Hem!" en "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen". En toch… niet één been zal aan Hem gebroken worden. Er komt geen engelenleger aan te pas, om er voor te zorgen dat Hij Zich aan geen steen zal stoten. Er wordt zelfs niemand van de belagers de tanden uit de mond geslagen of erger! Jezus bestrafte de zee en die werd stil, maar hier wordt zelfs geen woord gesproken!

Voorganger

Wij mogen Jezus bijzonder vinden, omdat we achteraf naar de geschiedenis kijken en geloven dat Hij de Zoon van God is, maar zo keken de bewoners van Nazareth niet tegen Hem aan. Voor hen was Hij de zoon van Maria en Jozef, een mede-stadbewoner… niet veel meer dan dat. Deze morgen was Hij de voorganger, maar in die functie stond Hij in een lange rij van voorgangers die hier ooit hadden gelezen in de Schrift en er hun kijk op hadden gegeven, al dan niet een oudvader citerend.
Jezus bar Jozef was voorganger, maar wel in hún dienst! Zij maakten de dienst uit en Jezus stond voor hun karretje. En toen dat precies andersom uitpakte – sterker nog, ze bleken niet eens in hun eigen karretje te zítten – toen sloeg de vlam in de pan. Verontwaardiging? Gekrenkte trots? Het zijn zeer verzachtende termen voor de duivelse haat die satan uit zichzelf genereert, wanneer hij zich te binnen brengt dat hij tot in eeuwigheid buiten staat.
Er zijn meer Joden in het Oude Testament geweest, die waren bevangen door diezelfde haat die onlosmakelijk gekoppeld zit aan de uitzinnige helse angst straks eeuwig buiten de staan. Ik noem alleen maar Kaïn, Ezau en Saul. Daar bewerkte zondekennis dus geen bekering, maar duivelse haat! We moeten met ons cliché 'zondekennis' maar een stuk terughoudender zijn. Nood leert niet altijd bidden; zondekennis bewerkt niet altijd verootmoediging.
Dit pijnlijke bracht Jezus aan het licht, hier in de synagoge; hun godsdienst was een dekmantel om de schijn op te houden tegenover God. Omdat Jezus hun hart kende, zo lezen we telkens weer tussen de regels door, laaide die angst op. Dat feit zint satan niet, zodat hij er de haat aan toevoegt (die we bij die boze geesten in Gardara ook zien): "Zijt gij gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?"

Doorganger

Het is voor ons moeilijk voor te stellen hoe groot de angst is, als je deze geschiedenis live had meegemaakt. Wij weten hoe het afloopt; wij zijn overtuigd van Jezus' almacht, toch? Maar tot aan Golgotha waren zelfs Zijn jongeren niet overtuigd van het feit dat Hij alle macht in hemel en op aarde had. Ook hier dreigt het mis te gaan. Zo'n grote menigte… dat moet Hij wel afleggen. Dit wordt onherroepelijk Zijn dood! We horen als het ware de smak al, waarmee Hij te pletter slaat in de diepte, aan de voet van de Heuvel van de Afgrond. We zien als het ware de bloedspatten al tegen de rotswanden naar beneden druipen.
Ik weet niet hoe dicht Hij de rand van de afgrond al genaderd is in onze tekst. Tien meter? Eén meter? Eén centimeter? Maar plots gaat er een rare beweging door de menigte. Een golfbeweging, niet óp Jezus af, maar ván Hem af! Van Hem af… dat is tegelijk het meest aangrijpende in deze tekst!
Er komt een pad in de kolkende massa stadsgenoten en Jezus wandelt rustig tussendoor. Nee, dat staat er niet, Hij ging over dat pad dwars door de mensen heen en… ging weg! Zoals het volk Israël droogvoets dwars door de Rode Zee ging, weg van Farao en zijn ruiters, weg van het diensthuis Egypte. Weg, dat betekent ook 'iets achter latend'. Maar wat?

Wegganger

Die term 'middendoor gaan' bracht mij de geschiedenis van Abraham uit Genesis 15 te binnen. We lezen in vers 10 dat Abraham de offerdieren voor de verbondssluiting met God 'middendoor deelde'. Hij maakte als het ware een pad tussen die dieren, letterlijk dwars door die dieren heen. Een pad waarover hij samen met God zou moeten gaan wandelen. Het kwam er niet van; God ging alleen. Hij sloot dat verbond eenzijdig met Abraham.
Abraham viel ín slaap en er viel iets óp hem: schrik en grote duisternis! Maar toen God bij hem kwam, troostte en bemoedigde Hij Abraham en nam die schrik en duisternis weg. Die werd bewaard, voor iemand anders; Iemand anders. Die schrik en duisternis zouden straks op Jezus Christus worden gelegd. Echter… zij die Hem verwerpen uit puur ongeloof, overgoten met welke vrome saus ook, zouden die schrik en duisternis voor eigen rekening krijgen. Voor hen niet de schoot van Abraham, maar de oneindige afgrijzing van satans nabijheid.
Iets daarvan merk ik in dit weggaan van Jezus. Hij wandelt maar niet zomaar tussen die kluwen hatelingen; Hij gaat dwars door hen heen en verlaat hen! Dat heeft iets sinisters en aangrijpends. Als God middendoorgaat – die term komen we op diverse plaatsen in het Oude Testament tegen – dan is er meestal sprake van oordeel. Dit middendoorgaan in Nazareth is niet minder een oordeel.

Als Jezus voorganger is in jouw gemeente, in jouw leven (!), blijft Hij dan of gaat Hij middendoor weg? Dit voorval is gelukkig een uitzondering; in verreweg de meeste gevallen blijft de HEERE nog roepen: "Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u bijeen willen vergaderen…" Als jij Zijn stem hoort, en Hij is nog niet jouw Voorganger (letterlijk: Hij gaat je nog niet voor op het levensspoor), hoor dan naar Hem, verhard je niet, maar laat je leiden! Wordt wakker en leef!