Posts tonen met het label bidden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bidden. Alle posts tonen

woensdag 24 januari 2018

Jonathan de mediator tussen twee geesten

De zwager van de nieuwe koning - V

En Jónathan riep David, en Jónathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jónathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.
1 Samuël 19 : 7


Je zou kunnen zeggen: geen vuiltje aan de lucht meer… Jonathan heeft zijn klus geklaard. Zijn vader is weer wat bedaard. Hij heeft nu eenmaal een opvliegend karakter. En die boosmakende geest, die onstuimige driftbuien die horen er nu eenmaal bij. Dan roept Saul gewoon onbezonnen dingen, maar als het er echt op aan komt valt het allemaal wel weer mee.
Wie Saul echter een beetje kent, weet dat je je dan lelijk vergist! Het lijkt alsof Jonathan dat niet wil zien. Natuurlijk, het is zijn vader en dat blijft Saul natuurlijk. Maar … moet je de kat op het spek binden? Jonathan zowel als David gaan bewust dat risico nemen. En hoezeer ze het misschien ook niet hebben beseft, de HEERE laat door hen zien Wie Hij is en hoeveel geduld Hij heeft met Saul.
Het gaat al één vers later mis. Er is weer oorlog met de Filistijnen en David trekt erop uit. Ook Jonathan moet zijn meegegaan, maar aan alles blijkt dat David in the picture staat. Zijn successen zijn spraak­makend.

Die boze geest zakt weer als een loden deken over Saul heen. En het is een kleine moeite voor David om de boel weer in balans te brengen met zijn harp. Zo hanteert hij zwaard en boog, even later tokkelt hij zijn eeltige vingers kapot om zijn psalmenzingende stem te begeleiden. Wat een contrasten!
Vanuit zijn ooghoek ziet David het gebeuren. De hand van Saul glijdt zachtjes van zijn leuning, tast langs de zijkant van zijn zetel, overbrugt de ruimte tussen zetel en muur en vindt blindelings de buigzame schacht van zijn speer, die altijd binnen handbereik staat. Sinds een mens Gods volk moet regeren, is niemand meer zeker van zijn eigen veiligheid. Ook de koning zelf niet.

David herkent direct de kleine beweging van Sauls schouder, zijn aanspannende spieren die zich moeten uiten in witter wordende knokkels. Trefzeker suist in een fractie van een seconde een vlijmscherpe speerpunt door de voorzaal richting de hoek waarin David zit te musiceren. Maar de hoek is al leeg. Buiten sterven de vliegens­vlugge voeten van het opgejaagde hert David weg, terwijl binnen de klanken van zijn Hertenpsalm nog aarzelend rondhangen onder de zoldering van de voorzaal.

Jonathan staat als aan de grond genageld. Zijn ogen schieten heen en weer tussen de donkere en lege opening van de deur en zijn zich herstellende vader. Even ziet hij een schim in het schemer van de gang. Michal! Ze heeft het gezien, maar houdt zich op de achtergrond. Ze heeft net voldoende gezien; de schrikogen van Jonathan doen de rest. Ze wacht af.
Saul wenkt zijn trawanten en ze steken de gang over naar de andere zaal, voor overleg. Saul gebaart naar Jonathan dat hij hier moet blijven. In de schemerige gang beent Saul langs Michal die zich bang terugtrekt in tussen de loshangende gordijnen. Even later weet ze via een dienstmeisje wat er is besloten. Morgen zal ze weduwe zijn. Zo jong nog! Haat en minachting worstelen zich omhoog in haar boezem. Maar ze laat het niet toe. Haar hart golft van liefde voor haar man, voor David, die ze moet delen met God!
Ze snelt naar hun slaapvertrek, aan de achterkant van het paleis. Daar vindt ze haar liefste, huilend op bed. Zich afvragend waarom Saul het toch elke keer op hem heeft gemunt. Maar op die kwestie gaat Michal niet in. Ze trekt hem naar zich toe en smeekt hem te vluchten. Jonathan had haar geadviseerd, toen ze hem passeerde in de gang, om David naar Samuël te sturen. Daar is hij voorlopig veilig, zo hoopt hij.
Maar dan komen soldaten en installeren zich voor de deuren van het woongedeelte van David en Michal:
11 Toen stuurde Saul soldaten naar Davids huis. Ze moesten daar de wacht houden en hem ’s morgens doden als hij naar buiten kwam. Maar Michal, de vrouw van David, zei tegen David: “Als je vannacht niet vlucht, zul je morgen worden gedood.” 12 En ze liet hem door een raam naar beneden zakken. Hij vluchtte en ontsnapte. 13 Toen legde Michal een godenbeeld op het bed, sloeg er een deken overheen en legde een vacht van geitenhaar op het hoofd ervan. 14 Saul stuurde de mannen om David te halen. Maar Michal zei: “Hij is ziek.” 15 Toen beval Saul de mannen om naar David te gaan kijken en zei: “Breng hem met bed en al hier. Dan kan ik hem doden.” 16 Toen ze binnenkwamen, ontdekten ze dat op het bed een godenbeeld lag met een vacht van geitenhaar op het hoofd. 17 Saul zei tegen Michal: “Waarom heb je me bedrogen? Je hebt mijn vijand helpen vluchten! Nu is hij ontsnapt!” Maar ze antwoordde: “Hij zei tegen mij: ‘Help me ontsnappen, anders dood ik je.’” (BasisBijbel)

Let erop dat in deze vertaling Saul nog degene wil zijn die David eigenhandig zal doden. Maar in de SV staat ‘dat men hem dode’! De geschiedenis lijkt geheel door de boze geest van God, of liever van de duivel, te worden beheerst. Maar dan trekt God een vreemd, haast ludieke lijn door het verhaal.
Er waart daar in Najoth bij Rama een andere geest rond: de Heilige Geest! Kijk maar: in doldrieste woede stuurt Saul een troepje soldaten om David te kidnappen in Rama. Maar hij had misgerekend. De Geest van God was vaardig geworden over de profeten die daar bij Samuël waren. En die soldaten worden ook door Gods Geest in beslag genomen. In de Kanttekeningen lezen we over dat profeteren: “Dat is, God lovende en Zijn Naam grootmakende met gebeden en lofzangen.” Maar over het profeteren van die soldaten wordt ook iets opgemerkt: “Zij stelden zich aan gelijk de profeten deden als zij profeteerden. Zie 1 Sam. 18:10. Het schijnt dat deze boden van Saul zo van zin zijn veranderd geworden dat zij hun wapenen afleggende, niet verder gedachten de handen aan David te slaan, waar zij nochtans om uitgezonden waren.”
Goddelijke humor, zou je denken. Spotten met die hooghartige Saul en met die boze geest die hem heeft bezet. Toch denk ik dat het nog veel dieper gaat. Want kijk maar hoe de HEERE het opbouwt. Saul wordt ongeduldig en stuurt andere soldaten om te kijken waar die vorige groep blijft. Ook die gaan profeteren. En een derde groep overkomt hetzelfde.
Dan is voor Saul de maat vol. Hij gaat zelf op pad. En dat is de eerste keer dat we hem dat zien doen! Wanneer hij in Najoth komt lezen we in vers 23: “en dezelve Geest Gods was ook op hem, en hij al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam.” Denk je nog even in wat dat profeteren ook alweer was: “God lovende en Zijn Naam grootmakende met gebeden en lofzangen”. Dat was precies hetzelfde als wat David voor Saul moest doen om hem weer rustig te krijgen. Saul wilde David met zijn speer het zwijgen opleggen, maar nu treft Gods ‘speer’ hém en gaat hij bidden en zingen. En over zingen zei Luther vaak: daar gaat de satan door op de loop! Saul trok er zijn eigen koninklijke klederen voor uit! En hij deed dat die verdere dag en nácht! Dat gaat dieper dan alleen ‘Goddelijke ironie’, nietwaar? God maakt zelf wel dat Zijn lof bezongen worden…

donderdag 13 juli 2017

Wat wil je bereiken met jouw gebed?

"Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen."
Johannes 14 : 14




Het lijkt misschien alsof ik een heel stuk oversla. Maar de voorgaande vier verzen hebben alles met dit 14e vers te maken. Eerst vertelt Jezus hoe sterk die band tussen Hem en Zijn Vader is. Daarna springt Hij over op ons gebed. Hoe hoe moet je bidden? Wat moet je uitgangspunt (doel) zijn?

Jezus en de Vader

Allereerst lezen we in vers 10: "Gelooft gij niet dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken."
Hier vraagt Jezus naar onze visie op Hemzelf. Zien we Hem los van de Vader of zien we in Hem juist de Vader? In dit vers heeft Hij het nog over Zijn woorden. Maar in vers 11 richt Hij Zich op Zijn daden: "Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve."
Mocht je die band dus nog niet zien, zie hem dan in de daden, de werken, die Hij doet. Die staan niet op zichzelf! Hij is geen tovenaar, maar Jezus laat in die daden weer zien Wie en hóe Zijn Vader is!

Jezus en de apostelen

Dat geloof in Hem (en dus ook in de Vader) is wezenlijk belangrijk (vers 12): "Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen en zal meerdere doen dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader"
Grootse beloften: de apostelen zullen wonderen doen in woord en daad. En ook zij zullen geen tovenaars zijn! Al blijken ze in Handelingen meer dan eens zo te worden gezien. Allerminst! Ze laten eveneens iets zien van hun Hemelse Vader! Daar gaat het om. Jezus deed al grootse werken, maar zij zullen 'nog meerdere werken' doen. Bij 'meerdere' moeten we niet denken aan grotere of indrukwekkender werken, maar meer in aantal. En toch ook andere. Lees de Kanttekeningen maar:
Namelijk dan sommige wonderen zijn die Christus in de dagen Zijns vleses gedaan heeft, gelijk daar zijn door oplegging der handen den Heiligen Geest te geven, de kennis der talen, en de wonderbaarlijke bekering der wereld, en andere. Zie ook Mark. 16:17, enz.
En dan snap je ook waarom Jezus die merkwaardige zin erachteraan zegt: "Want Ik ga heen tot Mijn Vader". Hij zal namelijk de Heilige Geest gaan sturen, Die de apostelen in staat zal stellen die werken te kunnen doen. En niet alleen doen, maar ook begrijpen en uitleggen aan de mensen. Wondertekenen staan niet op zichzelf! Pinksterkringen isoleren de gaven van de Geest. Maar nee, ze horen onlosmakelijk verbonden te zijn aan het 'tonen van de Vader'. De mensen moeten God de Vader weer leren kennen. Dat was Jezus' taak op aarde. Hij stond ten diepste niet in het middelpunt (en ook de Heilige Geest zal dat niet staan)! Ook de apostelen mogen niet in het middelpunt staan. Nee… alles wat ze zullen doen, zal gericht moeten zijn op 'het kennen van God de Vader'. De mens was Zijn Schepper, de Vader, vergeten. De verbinding was verbroken. Die connectie moet weer gelegd worden. Want daar zit een breuk, die Jezus met Zijn offer kan herstellen.

Jezus en ons gebed

Dus apostelen en ook de gelovigen van vandaag zijn geen geloofsbinken. Geen sterren op het doek van Gods Koninkrijk! Maar gelovigen – en predikers in het bijzonder – hebben tot taak de Vader weer zichtbaar te maken. Drie elementen zullen dan zichtbaar worden: ellende, verlossing én dankbaarheid.
En luister dan eens goed wat Jezus daarover zegt: "En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde."
Dat ga je dus niet kunnen in eigen kracht. Het gevaar zal op de loer liggen dat je met die wonderen en daden (maar ook die schitterende preken) zelf iets wordt. Allereerst moet je je afhankelijk weten: bidden in Jezus' naam! Vervolgens moet je overtuigd zijn dat Jezus zal geven wat je nodig hebt. Maar… en dat is het cruciale thema in deze verzen: het moet wel één doel hebben. Als jij Jezus bidt om gaven, dan moeten ze ook besteedbaar zijn in Zijn Koninkrijk. Dan moet die ander niet onder de indruk zijn van wat jij kunt. Zelfs – en lees dat goed – moet die ander Jezus niet geweldig gaan vinden! Dat deed Simon de tovenaar in Samaria ook. Hij wilde Petrus geld geven om de Heilige Geest ook te kunnen geven aan mensen. Maar zijn motief was eigen belang.
Nee, De Vader moet daardoor worden verheerlijkt. Elke daad, elk woord, elke preek moet een prachtig schilderij van de Vader zijn. Geen theologisch waterdicht systeem. Geen dogmatisch dichtgetimmerd passende puzzel. Geen 'God op grote afstand van de zondaar' maar 'de Vader dichtbij in al Zijn heerlijkheid'. Nou, ga er maar aanstaan, predikers, ambtsdragers, gelovigen in de wereld van vandaag.
Is wat je zegt van toegevoegde waarde voor de Vader? Hebben we met al ons gebrabbel weer eens prachtig gezegd dat God een ontoegankelijk licht bewoont en daarom totaal onbereikbaar is? Hebben we het Woord uit zijn verband gerukt en toonden we een karikatuur van de Vader? Dan kun je bidden tot je een ons weegt, maar Jezus zal je niet geven waar je om bidt.
Dit geldt overigens ook voor de andere kant, alsof we maar moeten geloven dat Jezus geeft waar wij om vragen. Hij heeft het immers beloofd, dus Hij geeft het ook. Dan moeten we maar pleiten op dat woord en krijgen we wat we hebben willen. Nee, dat is te simplistisch en een grove dwaling.

Kijk er je gebed nog eens op na: bedoel ik de verheerlijking van de Vader? En als ik ageer tegen geldende gedachten over God in mijn gemeente, ben ik dan furieus omdat er een karikatuur van mijn hemelse Vader wordt geschetst? Of probeer in mensen, groepen, te behagen met vrome, zalvende, zwaar klinkende, of juist prettig eigentijdse woorden?
Zoals die ouderling die vlak voor de dienst tegen de predikant zei: "Zeg het ze maar eens goed aan, dominee!" Wat een rare opdracht is dat? Wat wilde die ouderling?
Nee, Jezus maakt de drempel laag: "Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen." Als zei Hij: "Teken Mijn Vader maar in alle kleuren en toonaarden uit voor ze. Vertel ze maar, uit eigen bevinding en door Mijn Geest, hóe Mijn Vader is. Ik zal je wel van alle bagage voorzien, Mijn kind. Toe maar… vertel maar. Want Mijn Vader wordt er door verheerlijkt. Daarom zit Ik hier in de hemel, naast Hem: zodat jij daar beneden dat prachtige werk van Mij mag voortzetten! En als Mijn Vader wordt verheerlijkt, geniet Ik met volle teugen mee. Let er maar op: jij zult ook genieten! En straks, straks mag je Hem zien zoals Hij is! Dan zul je eens zien dat je de helft nog niet hebt gezegd en uitgeschilderd! Wacht maar!

woensdag 15 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Aanbidding of offer?

"En Abraham zeide tot zijn jongens: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.
Genesis 22 : 5
 
Aanbidding is offer en offer is aanbidding

"Blijf bij hier met de ezel…" Ooit hoorde ik over een schoonhovens predikant die ruim een eeuw geleden afscheid preekt met die tekst. Toen hij 'gij' zei knikte hij naar de kerkenraad en toen hij 'ezel' zei, knikte hij naar zijn collega met wie hij totaal niet kon opschieten. Ze zouden nog bijna 15 jaar met die achterblijvende predikant blijven zitten. Als ik deze tekst lees, moet ik altijd weer aan die anekdote denken.

Niettemin is de tekst van een totale andere ingrijpendheid. En waar ik door ben getroffen is de dingen die Abraham tussen de regels door zegt. Iets van zijn innerlijk gloort naar buiten. Iets van Hebreeën 11 lijkt zichtbaar te worden. Opnieuw wil ik er ook de heilsgeschiedenis van onze Heere Jezus Christus naast leggen. Kijk maar eens mee.

Heengaan tot daar…

De opdracht die Abraham kreeg was dat hij zijn zoon moest offeren. Aldoor lijkt Abraham te hebben gezwegen; hooguit wat spaarzamelijke instructies te hebben gegeven, maar niet meer dan dat. Nu echter is hij iets spraakzamer. Er klinkt een bevel: "Blijven jullie hier bij de ezel!" Blijkbaar is er óf één ezel in het spel óf doelt Abraham hier enkel op zijn eigen ezel (maar… waarom zwijgt hij dan over de ezel van Izak?). Vermoedelijk diende de ezel slechts als 'bagagekarretje' of 'lastdier' en werd de tocht geheel te voet afgelegd.
Vervolgens wijst hij schuin omhoog, naar de plaats waarvan hij weet dat God daar op hem wacht. Het is verder dan een steenworp afstand vermoed ik, maar toch. In Mattheüs 26 : 36 lezen we eenzelfde lijn: "Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben."
Nadat Hij negen van zijn discipelen heeft achtergelaten, neemt Hij er drie mee. Dan begint Zijn emotie ook zichtbaar te worden, de angst voor de toorn van Zijn Vader en de scheiding die er zal zijn tussen Hem en de Vader! "En […] begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide Hij tot de drie vertrouwelingen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij." Abraham geeft niet zo'n instructie: "blijf hier en bid met mij". Hij zegt slechts: "Wij zullen daar aanbidden."
Vader en zoon zullen heengaan tot aan die plek daar. Abraham wist precies waar hij zijn moest. Hij zoekt niet eerst het gebed om licht en kracht, maar gaat door. Zo ging het ook op de reis vanuit Ur. De tussenstop in Haran had hem het leven van zijn vader gekost. Geen oponthoud maar onvoorwaardelijk gaan tot het einddoel is bereikt. Dat is een wijze les voor elke pelgrim die op weg is naar het Nieuw Jeruzalem. Soms klinkt Gods stem ter aansporing: "Haast u, om uws levens wil!" Soms ook is het zien van het reisdoel voldoende om gaande te blijven. Doorgaan, levend vanuit het volbrachte werk van Christus "totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden."

Wederkeren

De grootste geloofsmoed komt openbaar als Abraham het woord 'wederkeren' in zijn mond neemt in combinatie met het woordje 'wij'. Misschien wel duizendmaal heeft Abraham zich het moment voor de geest proberen te toveren dat hij 'alleen' weer terug zal moeten keren tot Sara, zonder Izak! Maar dwars door die spookbeelden heen – die toch de meest aannemelijke realiteit zullen zijn – zegt hij: "Blijf hier totdat wij allebei weer terug zijn bij jullie". Niemand ging er verder nog mee. Dus wat Abraham ook zal hebben gedacht en geloofd, hij sprak de verwachting uit dat hij niet alleen zou terugkeren. En het woordje 'wij' laat zich niet anders uitleggen dan dat dat én Abraham én Izak zal zijn.
God had hem op geen enkele wijze een hint gegeven die sprak van een escape in deze verzoeking. Nergens lees ik dat Abraham gaat pleiten bij God, zoals hij dat wel deed voor het goddeloze Sodom, vanwege zijn neef Lot. Abraham is gegaan en spreekt – hoe zullen die woorden geklonken hebben? – van een gezamenlijke terugkeer. In de komende verzen zal meermalen de nadruk worden gelegd op het feit dat 'die beiden samen' gingen. Een soort dubbelop om het accent nog verder aan te zetten.
Vreemd dat Abraham reeds zónder belofte deze belijdenis doet. Terwijl de HEERE zoveel beloften heeft gedaan waar kerkmensen niets of nauwelijks iets mee doen. Hoevelen twijfelen bijvoorbeeld aan het feit dat Jezus eens zal wederkeren? Hij heeft het wel gezegd, een belofte gedaan (en Zijn woorden hebben altijd de lading van een eed in zich), maar rekenen we er ook mee? Roepen we ook om Zijn terugkeer? Gaat ons verlangen naar Hem uit?

Aanbidden of offeren?

Nog één ding viel me op: Abraham spreekt hier niet over 'offeren' maar over 'aanbidden'. In het kader van die twee woorden vond ik een mooie eye-opener:
„We kennen allemaal wel van die dagen waarop God zo ver weg lijkt. David wilde aanbidding van God daar niet afhankelijk van laten zijn: ‘O mijn ziel, wat buigt g’u neder, waartoe zijt g’ in mij ontrust; zoekt het oud vertrouwen weder: zoek in ‘s Hoogsten lof uw lust’, (Ps. 42 berijmd). Daarom ligt in het onderwijs over aanbidding het accent deels op offeren (‘Wie lof offert, eert Mij en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien’, Ps. 50:23.) De eerste keer dat het woord aanbidding in het Oude Testament wordt gebruikt, is in Genesis 22: Abraham die Isaäk gaat offeren. Wíj zeggen dat Abraham in gehoorzaamheid de berg opging om te offeren, maar Abraham zei dat hij met Isaäk de berg opging om te aanbidden (vs. 5). Dat is uitermate moeilijk. Maar hij maakte de keuze om God te aanbidden met zijn gehoorzaamheid. Eenmaal boven op de berg voorziet God en leert Abraham dat gehoorzamen, offeren en aanbidden de toegang vormen tot Gods voorziening. Dat leert ons dat God aanbidden een levensstijl, een keuze is. Omstandigheden veranderen, maar de Here blijft altijd Dezelfde. Hij is voortdurend onze aanbidding waard. Het leven van een gelovige, van een aanbidder, moet gebaseerd zijn op geloof. Maar als je je realisme baseert op je gevoelens of op omstandigheden, of op zintuiglijke waarneming, kom je tekort. We kúnnen God niet behagen zonder geloof. Daar mogen we veel meer vanuit leren leven. Je kunt financiële noden hebben. Leven we dan vanuit wat onze bankrekening ons vertelt, of durven we te geloven dat God Degene is Die zal voorzien? God wacht tot we Hem leren durven vertrouwen en gaan handelen vanuit geloof. Hetzelfde geldt voor het aanbidden van Jezus. Laten we dat afhankelijk zijn van gevoel of omstandigheden, of eren we Hem op basis van Wie Hij is? Dan is er altijd reden om Hem te aanbidden. Niet-christenen hebben vijf zintuigen, christenen hebben er één extra: geloof (Hebr. 11:6).“

dinsdag 11 augustus 2015

Genieten met volle teugen

"Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien."
Johannes 3 : 2

Je kunt het gesprek tussen Jezus en Nicodémus een van de bekendste Bijbelgedeelten noemen, maar het is ook een van de meest ingewikkelde gesprekken. Ik wil er niet te diep theologisch op ingaan, maar er blijven toch veel vraagtekens over als je dit gedeelte eens doorleest. Een van die vraagtekens rijst ook op in onze dagtekst. Waar antwoordt Jezus eigenlijk op?

Als Jezus antwoord geeft

Jezus antwoordde… Dit lijkt een antwoord op Nicodémus' stelling "wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is". Immers, dat is het laatste dat Nicodémus zei, voordat Jezus de woorden van onze dagtekst uitspreekt. Als het inderdaad een antwoord zou zijn op díe stelling, dan wordt het gesprek wel heel troebel. Dan lijkt het alsof – en dat gebeurt vaker in dit Evangelie – alsof Jezus de vragen ontwijkt en iets in het luchtledige poneert.
Toch menen de kanttekenaren dat Jezus hier wel degelijk antwoordt op Nicodémus' vragen: "Namelijk óf op de vraag van Nicodemus van het middel om zalig te worden, die hier niet uitgedrukt is; óf op zijne begeerte om dit te weten, hoewel hij zulks nog niet had geopenbaard." Ik wil dat eerste wel geloven, dat Jezus op een vraag kan beantwoorden, die niet in de Bijbel staat opgeschreven, maar wel gesteld werd. Echter, het wordt dan wel een heel rommelig verhaal. We moeten dan gaten gaan opvullen en hiaten in het verhaal zelf gaan interpreteren. Ik vraag me af of dat de bedoeling is.
Dat tweede wat de Kanttekeningen opperen zou nog wel eens veel aannemelijker kunnen zijn. Uit meerdere plaatsen in de Schrift blijkt dat Jezus de gedachten van de omstanders kende. Dan staat er bijvoorbeeld "Jezus wetende dat…" of "Jezus kennende hun gedachten, zeide…" of "Jezus kennende hun overleggingen, zeide…" Dit zou hier ook aan de hand kunnen zijn. Luister maar.
Nicodémus leidde het gesprek met Jezus in op zijn eigen gebruikelijke, omslachtige wijze. Maar al die woorden hadden ten diepste niets te maken met wat Nicodémus eigenlijk wilde bespreken. Het was een omslachtige inleiding op een theologisch gesprek over hoe je zalig kunt worden. Ken je dat, van die omzichtige bewegingen in een gesprek?
Jezus ontwijkt die omzichtigheid en poneert een stelling die het gesprek direct bij de kern brengt. Bij Jezus hoef je niet omzichtig te doen. Dat heeft geen enkele zin. Ook onze gebeden hoeven niet onnodig versierd te zijn met deemoedige clichées, als was het enkel via deze rituele toverspreuken dat we God aan het luisteren kunnen krijgen. Vertel maar wat er op je hart ligt; Hij weet toch al lang wat je wilt vragen. Maar Hij wil het zo graag uit jouw mond horen. Dus… wees concreet en oprecht in je gebeden. En maak Zijn naam groot vanuit een oprecht hart en niet vanuit een clichéematig theologisch-juist taalgebruik.
Als Jezus antwoord is dat altijd met macht; en toch onderstreept Hij Zijn woorden al op voorhand met dat gewichtige "voorwaar, voorwaar zeg Ik u…" Let op, nu komt het!

Als je Zijn Koninkrijk wilt zien

De discussie over de persoon van Jezus is niet altijd even relevant. En dan bedoel ik een discussie over het feit of Jezus wel echt heeft bestaan of in hoeverre Hij nu mens was en hoe het zat met Zijn Godheid. Een belijden van Jezus' functie en Naam is wat anders. Jezus omzeilt de beargumentering of Hij nu wel of niet een Leraar Israëls is. HIj is de Deur, waardoor je wel of niet het Koninkrijk van God binnenkomt. Daar staat of valt alles mee.
Het is ook opmerkelijk dat Jezus niet zegt: "Als je nu het Koninkrijk der hemelen wilt binnengaan, moet je eerst wederom geboren worden." Nee, hij zegt het anders en stelt het op het eerste gehoor zelfs negatief voor: "Je kunt het Koninkrijk der hemelen niet binnen"; dat is althans de klank die in je oren blijft hangen aan het einde van deze tekst. Maar… wacht eens even, voordat je gaat ja-maren! Want Hij zei er nog iets wezenlijks vóór: "Tenzij dat iemand wederom geboren worde…" Wedergeboorte is het scharnier tussen eeuwig wel of eeuwig wee! Daarom staat het vooraan de zin.
De eerste vraag die opkomt uit deze tekst is: Wil je het Koninkrijk der hemelen wel zien? Of interesseert het je helemaal niet (meer)? Als dat laatste zo is, hoe komt dat dan? Wie heeft je wijsgemaakt dat je je daar niet druk om hoeft te maken? Kom tot bezinning: het gaat om je eeuwige toekomst: een verschil tussen eeuwig tandenknarsen van spijt of eeuwig blijdschap genieten.
De tweede vraag die opkomt is: wat wordt bedoeld met dat 'zien'? Je bent misschien geneigd te denken dat het iets is dat met je ogen te maken heeft. En dat kan ook wel zo zijn. Toch gaat dit 'zien' iets dieper. Het is – lees de Kanttekeningen maar – genieten. Er wordt verwezen naar vers 36 uit dit hoofdstuk: "Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem." Vanuit die tekst wordt doorverwezen naar Psalm 34 : 13 waar het 'zien van goede dagen' wordt uitgelegd als 'het genieten van welvaart'.
Veel mensen genieten met hun ogen. Van kunst of van de natuur. Anderen genieten met hun oren. Van muziek of juist van stilte. Maar het opperste genot is toch het 'zien'; want als we eeuwig bij de HEERE zullen zijn, zullen we Hem zien zoals Hij is. Dan zien we met eigen ogen en genieten met volle teugen, in Zijn nabijheid en scheppen vreugde uit Zijn heerlijkheid. Daar wil jij toch ook bij zijn?