Posts tonen met het label vluchten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vluchten. Alle posts tonen

donderdag 29 maart 2018

Sla de herder en de schapen zullen verstrooid worden

De loyale van de royale - X


Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
1 Samuël 31 : 7


Het effect, als je de leider weghaalt, dat de strategische actie helemaal ineenstort. Dat was wat Zacharia profeteerde: “Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.” Hij sprak over ontferming van de HEERE, wanneer dit zou gaan gebeuren.

Het staat natuurlijk ter discussie of je van Saul kan zeggen dat hij een herder was voor zijn volk. Maar Jonathan was er ook nog. En ook hij is geslagen, gesneuveld. Ik krijg regelmatig het gevoel dat het volk Saul niet echt als leider zag. We zitten natuurlijk nog in de voorfase waarin de stammen tot één volk moeten worden gevormd. Ze zijn ook na al die jaren nog niet eensgezind onder hun vorst. Maar duidelijk wordt ook dat zij achter hun eigen keuze proberen weg te komen. Dit is was ze wilden… en nu danken ze hem af.
Het volk heeft geen hart dat dapper de strijd aan gaat. Jonathan was wel zo’n voorbeeldfiguur. Maar nu hij weg is lijkt de geest weg uit het leger. De stedelingen, evenals de soldaten, vluchten weg voor de nietsontziende Filistijnen. En die nemen de steden met gemak in. Ze gaan er direct wonen en bouwen er een bestaan op van de spullen die de gevluchte inwoners hebben achtergelaten.
Aan het einde van dit hoofdstuk is er slechts één bevolkingsgroep die zich kordaat opstelt: de mensen uit Jabes in Gilead. Dat moet worden gezegd!
Jonathans sterven had dus effect op het hele volk: de moed is hen in de schoenen gezonken. Even hadden ze hun dapperheid ­getoond door moedig met Saul en zijn zonen de strijd aan te gaan. Een overigens niet te winnen strijd, gezien de overmacht.

Ik zie Petrus in de Hof van Gethsémané, die zijn zwaard trekt en de overmacht te lijf wil gaan. Zou hij echt gedacht hebben dat hij met zijn zwaard het wel zou winnen van al die zwaar bewapende soldaten? Ik denk dat hij dat inderdaad dacht. Een vlaag van overmoedige liefde voor zijn Heiland. En een vlaag van trouw aan zijn eigen grote woorden, die hij vorm wilde geven. Jezus was er immers nog bij.
Maar toen Jezus niet meeging met Petrus in diens bevrijdings­actie, stortte zijn hele kasteel van dapperheid in. En die andere ­discipelen eveneens, die enkele uren daarvoor nog grimmig op Petrus waren, omdat die suggereerde dat híj wel stand zou houden “…al zouden ze ook allemaal aan U geërgerd worden, ik niet!”.
Hij begreep niet dat Jezus Zich vrijwillig overgaf, ja aanstuurde op gevangenneming en veroordeling. Hij snapte Jezus strategie niet. Dat lag natuurlijk anders bij Jonathan. En al helemaal anders bij Saul! Nog éénmaal komen die woorden uit Davids psalm boven: “Met mijn God spring ik over muren en dring ik door sterke benden…” Als Jonathan dat heeft gezongen toen hij de strijd aanging, dan val ik hem zeker bij! Jij ook? Maar dan moet het een zuivere strijd zijn met een open verbinding naar die God die over muren laat springen en door benden laat dringen. Bij Jonathan ga ik er blindelings vanuit. Maar Israël en zijn koning hadden slechts eigen belang op het oog.

woensdag 24 januari 2018

Jonathan de mediator tussen twee geesten

De zwager van de nieuwe koning - V

En Jónathan riep David, en Jónathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jónathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.
1 Samuël 19 : 7


Je zou kunnen zeggen: geen vuiltje aan de lucht meer… Jonathan heeft zijn klus geklaard. Zijn vader is weer wat bedaard. Hij heeft nu eenmaal een opvliegend karakter. En die boosmakende geest, die onstuimige driftbuien die horen er nu eenmaal bij. Dan roept Saul gewoon onbezonnen dingen, maar als het er echt op aan komt valt het allemaal wel weer mee.
Wie Saul echter een beetje kent, weet dat je je dan lelijk vergist! Het lijkt alsof Jonathan dat niet wil zien. Natuurlijk, het is zijn vader en dat blijft Saul natuurlijk. Maar … moet je de kat op het spek binden? Jonathan zowel als David gaan bewust dat risico nemen. En hoezeer ze het misschien ook niet hebben beseft, de HEERE laat door hen zien Wie Hij is en hoeveel geduld Hij heeft met Saul.
Het gaat al één vers later mis. Er is weer oorlog met de Filistijnen en David trekt erop uit. Ook Jonathan moet zijn meegegaan, maar aan alles blijkt dat David in the picture staat. Zijn successen zijn spraak­makend.

Die boze geest zakt weer als een loden deken over Saul heen. En het is een kleine moeite voor David om de boel weer in balans te brengen met zijn harp. Zo hanteert hij zwaard en boog, even later tokkelt hij zijn eeltige vingers kapot om zijn psalmenzingende stem te begeleiden. Wat een contrasten!
Vanuit zijn ooghoek ziet David het gebeuren. De hand van Saul glijdt zachtjes van zijn leuning, tast langs de zijkant van zijn zetel, overbrugt de ruimte tussen zetel en muur en vindt blindelings de buigzame schacht van zijn speer, die altijd binnen handbereik staat. Sinds een mens Gods volk moet regeren, is niemand meer zeker van zijn eigen veiligheid. Ook de koning zelf niet.

David herkent direct de kleine beweging van Sauls schouder, zijn aanspannende spieren die zich moeten uiten in witter wordende knokkels. Trefzeker suist in een fractie van een seconde een vlijmscherpe speerpunt door de voorzaal richting de hoek waarin David zit te musiceren. Maar de hoek is al leeg. Buiten sterven de vliegens­vlugge voeten van het opgejaagde hert David weg, terwijl binnen de klanken van zijn Hertenpsalm nog aarzelend rondhangen onder de zoldering van de voorzaal.

Jonathan staat als aan de grond genageld. Zijn ogen schieten heen en weer tussen de donkere en lege opening van de deur en zijn zich herstellende vader. Even ziet hij een schim in het schemer van de gang. Michal! Ze heeft het gezien, maar houdt zich op de achtergrond. Ze heeft net voldoende gezien; de schrikogen van Jonathan doen de rest. Ze wacht af.
Saul wenkt zijn trawanten en ze steken de gang over naar de andere zaal, voor overleg. Saul gebaart naar Jonathan dat hij hier moet blijven. In de schemerige gang beent Saul langs Michal die zich bang terugtrekt in tussen de loshangende gordijnen. Even later weet ze via een dienstmeisje wat er is besloten. Morgen zal ze weduwe zijn. Zo jong nog! Haat en minachting worstelen zich omhoog in haar boezem. Maar ze laat het niet toe. Haar hart golft van liefde voor haar man, voor David, die ze moet delen met God!
Ze snelt naar hun slaapvertrek, aan de achterkant van het paleis. Daar vindt ze haar liefste, huilend op bed. Zich afvragend waarom Saul het toch elke keer op hem heeft gemunt. Maar op die kwestie gaat Michal niet in. Ze trekt hem naar zich toe en smeekt hem te vluchten. Jonathan had haar geadviseerd, toen ze hem passeerde in de gang, om David naar Samuël te sturen. Daar is hij voorlopig veilig, zo hoopt hij.
Maar dan komen soldaten en installeren zich voor de deuren van het woongedeelte van David en Michal:
11 Toen stuurde Saul soldaten naar Davids huis. Ze moesten daar de wacht houden en hem ’s morgens doden als hij naar buiten kwam. Maar Michal, de vrouw van David, zei tegen David: “Als je vannacht niet vlucht, zul je morgen worden gedood.” 12 En ze liet hem door een raam naar beneden zakken. Hij vluchtte en ontsnapte. 13 Toen legde Michal een godenbeeld op het bed, sloeg er een deken overheen en legde een vacht van geitenhaar op het hoofd ervan. 14 Saul stuurde de mannen om David te halen. Maar Michal zei: “Hij is ziek.” 15 Toen beval Saul de mannen om naar David te gaan kijken en zei: “Breng hem met bed en al hier. Dan kan ik hem doden.” 16 Toen ze binnenkwamen, ontdekten ze dat op het bed een godenbeeld lag met een vacht van geitenhaar op het hoofd. 17 Saul zei tegen Michal: “Waarom heb je me bedrogen? Je hebt mijn vijand helpen vluchten! Nu is hij ontsnapt!” Maar ze antwoordde: “Hij zei tegen mij: ‘Help me ontsnappen, anders dood ik je.’” (BasisBijbel)

Let erop dat in deze vertaling Saul nog degene wil zijn die David eigenhandig zal doden. Maar in de SV staat ‘dat men hem dode’! De geschiedenis lijkt geheel door de boze geest van God, of liever van de duivel, te worden beheerst. Maar dan trekt God een vreemd, haast ludieke lijn door het verhaal.
Er waart daar in Najoth bij Rama een andere geest rond: de Heilige Geest! Kijk maar: in doldrieste woede stuurt Saul een troepje soldaten om David te kidnappen in Rama. Maar hij had misgerekend. De Geest van God was vaardig geworden over de profeten die daar bij Samuël waren. En die soldaten worden ook door Gods Geest in beslag genomen. In de Kanttekeningen lezen we over dat profeteren: “Dat is, God lovende en Zijn Naam grootmakende met gebeden en lofzangen.” Maar over het profeteren van die soldaten wordt ook iets opgemerkt: “Zij stelden zich aan gelijk de profeten deden als zij profeteerden. Zie 1 Sam. 18:10. Het schijnt dat deze boden van Saul zo van zin zijn veranderd geworden dat zij hun wapenen afleggende, niet verder gedachten de handen aan David te slaan, waar zij nochtans om uitgezonden waren.”
Goddelijke humor, zou je denken. Spotten met die hooghartige Saul en met die boze geest die hem heeft bezet. Toch denk ik dat het nog veel dieper gaat. Want kijk maar hoe de HEERE het opbouwt. Saul wordt ongeduldig en stuurt andere soldaten om te kijken waar die vorige groep blijft. Ook die gaan profeteren. En een derde groep overkomt hetzelfde.
Dan is voor Saul de maat vol. Hij gaat zelf op pad. En dat is de eerste keer dat we hem dat zien doen! Wanneer hij in Najoth komt lezen we in vers 23: “en dezelve Geest Gods was ook op hem, en hij al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam.” Denk je nog even in wat dat profeteren ook alweer was: “God lovende en Zijn Naam grootmakende met gebeden en lofzangen”. Dat was precies hetzelfde als wat David voor Saul moest doen om hem weer rustig te krijgen. Saul wilde David met zijn speer het zwijgen opleggen, maar nu treft Gods ‘speer’ hém en gaat hij bidden en zingen. En over zingen zei Luther vaak: daar gaat de satan door op de loop! Saul trok er zijn eigen koninklijke klederen voor uit! En hij deed dat die verdere dag en nácht! Dat gaat dieper dan alleen ‘Goddelijke ironie’, nietwaar? God maakt zelf wel dat Zijn lof bezongen worden…

zaterdag 11 november 2017

Als je vader Gods inzettingen naar zijn eigen hand zet

De zoon van de boerenkoning - VI

De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem. Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
1 Samuël 13 ; 7-9


Wat doe je als koning, wanneer je de mensen – die jou als hun leider hebben uitgeroepen – van je weglopen? Even direct een vraag die juist in deze tijd wordt gesteld: wat doe je als je gemeente leegloopt en mensen zich aansluiten bij ‘lichtere kerken of gemeenten’ of evangelische groepen óf zich juist voegen bij heel zware kerken/gemeenten? Wat doe je? Ervaar je het als signaal en reflecteer je het op je eigen gemeente? Is er misschien iets van waar, wat de mensen zeggen? Of is er wat anders dat speelt? En… maak je hier ook beleid op door een duidelijke visie te ontwikkelen die óf een aantal aanpassingen betekent óf aansprekender verwoordt waar je als gemeente voor staat? Doe je niets en zet je je hakken in het zand, of handel je vanuit angst en pas je lukraak maar van alles aan, dan zal het werk je bij de handen afbreken.

Wat doet Saul, als hij ziet dat het bange volk, waarover hij nu al een jaar koning is (hij heeft het volk dus niet echt kunnen opvoeden, zoals de richters altijd deden!)? De dagteksten zoomen vooral in op het gewone volk, dat hier ‘Hebreeën’ wordt genoemd, een naam die Saul hen geeft, zoals de heidenen rondom hen aanspraken; hij vermijdt de naam ‘volk des HEEREN’ of ‘volk van Israël’ (verbondsnaam). Dit zijn niet zozeer de soldaten die bij Saul zijn. Maar je kunt je natuurlijk goed indenken dat die soldaten prima konden rekenen; en dat zij best konden inschatten dat er zo’n tien (!) filistijnse strijdwagens stonden tegenover één joodse soldaat. En dan was er nog een massa voetvolk! Ik heb me onlangs verdiept in de strijd die Richard Leeuwenhart voerde tegen Saladin en zijn moslimbroeders in de Derde Kruistocht, maar dat waren toch nog wel andere machtsverhoudingen.
De overmacht die voor hen stond was onmogelijk groot. En Saul – of hij dat nu voelde of niet – was verantwoordelijk voor het welzijn van alle burgers. Niets doen was eigenlijk geen optie, hoe onmogelijk de strijd ook leek. Daarom moest de HEERE écht wel in actie komen.

Nu heb ik de verklaring van Dächsel gelezen en daar staan een aantal tekst-kritische, maar ook verwarrende, gegevens in. Over getallen die zijn weggevallen in zowel vers 1 (dus dat Saul niet pas 1 jaar (het getal ontbreekt namelijk in de grondtekst) regeert in deze ­geschiedenis, maar al een jaar of 20); en ook de schets van de situatie van deze geschiedenis (hoe dat ging met die legers; en de aantallen strijdwagens die niet kloppen: teveel ten opzichte van het aantal ruiters en meer dan welk volk in de omtrek ook, dus daarom moeten dat slechts 1.000 strijdwagens geweest zijn). Verwarrend en ook dat blijken maar gissingen. Ik laat dat voor wat het is. Iets meer helderheid geeft de verklaring op Oude Sporen.

Maar er wordt bij Dächsel wel een tip gegeven op de vraag waarom Saul juist nu naar Gilgal gaat en daar zeven dagen op Samuël wacht. Had hij overleg met de oude priester/richter gehad? Er wordt door zowel Dächsel als Oude Sporen gewezen naar 1 Samuël 10 : 7-8 waar staat: “En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn. Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brand­offeren te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden (wachten), totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.”
Is dat een afspraak die voor altijd gold? Dus dat – zodra Saul een vraag had aan God – hij dan naar Gilgal moest gaan en een bode naar Samuël moest sturen, waarna hij een week moest wachten(denk ook aan reistijd en gebedstijd)? Het zou kunnen. Het lijkt onmogelijk een link te zijn tussen deze tekst uit hoofdstuk 10 én de tekst van vandaag uit hoofdstuk 13. Want daar zit immers al een bijeenkomst in Gilgal tussen (hoofdstuk 12), nietwaar?

Hoe dan ook, Saul keert terug naar de plaats waar hij als koning is bevestigd in een duidelijk verbond aan de HEERE. Geen slechte plek om naar terug te keren. En dat Samuël ook naar deze plek komt is een goed teken. Maar de naderende troepen, die vanuit het land van de Filistijnen zijn gerecruteerd en gemobiliseerd, boezemen ook de dappersten van de elite-troepen van Saul angst in. Eén dag wachten kan nog wel, twee dagen ook nog wel, maar wanneer de afgesproken zevende dag aanbreekt (een magische dag die hen ook herinnert aan de geschiedenis bij Jericho) daalt het vertrouwen van zowel het volk als Saul tot een absoluut dieptepunt. De een na de ander kiest eieren voor zijn geld en op deze manier blijft er niets over van het legertje van Saul. In dit alles vernemen we niets van Jonathan, maar hij was erbij.

Het wachten op Samuël duurt te lang. Saul durft niet aan de strijd te beginnen zonder gebed en offers (denk ook eens aan hoe je je dagelijks werk of je examens/tentamens begint!). Hij voelt wel aan dat hij geen schijn van kans maakt met zijn handje vol strijders. Er moet wel een wonder gebeuren, dus hij moet God op de een of andere manier gunstig stemmen. Er staat niet dat Saul zelf offert; goed ­mogelijk dat hij een priester sommeert om te offeren. Maar toch is het Saul die het moment bepaalt; hij zet Gods regels naar zijn hand.

donderdag 5 november 2015

Op de vlucht voor succes?


Vluchten voor je succes?


"Als dan de Heere verstond, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes; (hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea."
Johannes 4 : 1-3

Als je de dagtekst leest zou je haast denken dat Jezus wegvlucht voor het succes. Hordes mensen lopen Hem na. Dit is toch precies wat Hij zou moeten willen? "Komt allen tot Mij…"; maar nu ze komen, vertrekt Hij en keert terug naar Zijn woongebied Galilea.

De valkuil van succes

Het Evangelie verkondigen is een prachtig werk. Maar wat, als er veel mensen onder je gehoor komen, speciaal voor jouw preken? Wat, als gemeenteleden je ophemelen en je kwaliteiten breed uitmeten. Wat, als je geen kwaad bij hen kunt doen? Als er nooit eens een is die je vraagt waarom je dit zus doet en dat zo? Waarom je dit vergeet, dat nalaat. Apollos was zo'n welsprekend en gevierd prediker. En toch had hij de gave van de Heilige Geest om zich te laten onderwijzen door gemeenteleden als Aquilla en Priscilla. Ze wezen hem op nalatigheden en mankementen. Niet om hem onderuit te halen, maar om hem te laten groeien, te laten ontwikkelen in het preken. En zo nóg dienstbaarder te zijn in het Koninkrijk van God. Prachtig toch?
Hoeveel predikanten, voorgangers en sprekers die enig succes ervaren, gaan naast hun schoenen lopen. De toehoorders hebben ze nodig om zich succesvol te voelen. Ik vrees dat er ook verschillende oudvaders in die valkuil zijn gestapt. De zichtbare problemen ontstaan, wanneer er een kritische opmerking wordt gemaakt over de lezing of preek. Men beschouwt het als kritiek, afbrekende kritiek. Maar het werkelijke probleem zit dieper en ligt al veel eerder op de loer: men is zichzelf tot een middelpunt gaan verheffen. Het Evangelie staat niet werkelijk centraal. En zo is een klinkende preek uiteindelijk een vals-luidende schel.
En wat je aan zowel de over-bevindelijke kant als aan de over-evangelische kant ziet: men doet aan klantenbinding. Er worden geestelijke problemen gecreëerd zowel in de levensheiliging als in de rechtvaardigmaking. En het resultaat is dat God op grote afstand komt te staan, mensen aan het dwalen gaan en er sprake is van geesteloosheid, dorheid en verachtering in de genade. Het is niet erg veel verschillend van wat wij met het milieu doen: we buiten het uit, zonder dat we ons rekenschap geven van ons rentmeesterschap. Dus: wat is de insteek van ons gemeente-zijn, de kerkdiensten en alle kerkelijk werk? Misschien goed om op dit zijspoor van deze tekst eens te overdenken.

De valkuil voor Jezus

Maar is dit aan de orde in de tekst? Is Jezus op de vlucht voor het succes van Zijn optreden. Misschien vind je die vraag raar, maar toch komt dit hier en daar in het Evangelie aan de orde, wanneer je dit soort dingen leest: "Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende" (Joh. 2 : 24). En op meerdere plaatsen lezen we dat Jezus Zichzelf wat uit het zicht houdt, wanneer de schare in extase dreigt te raken. Zo ook op het laatste Paasfeest in Jeruzalem. Is dat ook hier in onze dagtekst aan de hand? Of distantieert Hij Zich, om Johannes de Doper meer ruimte te geven?
Nee, het probleem zat niet in wedijver met Johannes of vrees voor de schare die euforisch was over Jezus, maar het probleem zat 'em in de farizeeën die voortdurend zichzelf als werktuigen van satan aanboden om Jezus maar op een ander tijdstip en onder andere omstandigheden dan Hij Zelf had bedacht, uit de weg te ruimen. Jezus doet er bij wijze van spreken weinig moeite voor. Hij trekt gewoon weg. De Kanttekeningen wijzen erop dat er geen wedijver is van Jezus ten opzichte van de farizeeën, maar wel andersom: de farizeeën ten opzichte van Jezus. "Zij vreesden dat zij hun aanzien bij het volk meer zouden verliezen door Jezus, dan inmiddels geschied was door Johannes; en dat zij daarover met nijdigheid en haat tegen Hem hoe langer hoe meer ontstoken werden". Om hen niet al te zeer te tarten – en dus nog genadetijd en tijd van inkeer te geven – week Jezus van hen en keerde terug naar de streek waar Hij was opgegroeid.

De valkuil voor christenen

Jezus had met Zijn goddelijke almacht kunnen blijven waar Hij was. Wie zou Hem eigenlijk ooit iets kunnen doen, wat Hij niet wilde? Vind je het ook niet vreemd dat Jezus wegvlucht? Had Hij niet juist nu en daar Zijn almacht kunnen tonen? De farizeeën kunnen wegvagen of en-masse tot bekering brengen? Had Hij niet… had Hij… Nee, Zijn ure is nog niet gekomen.
Wij mensen – en christenen zijn daar zeker niet een uitzondering op – houden wel van vuurwerk, krachtwerk en succes. Maar dat is een grote valkuil. Voortijdige overwinning – die misschien wel alle kracht heeft gevergd, die later nog nodig blijkt te zijn – is niet altijd de juiste en totale overwinning. Jezus wacht Zijn tijd af. Niet geslepen zoals satan, niet listig als een slang, een sluipmoordenaar of een roofdier, maar kalm, Zijn tijd afwachtend.
Christenen zouden ook wat meer dat terughoudende geduld moeten hebben én tegelijk een secure inschatting van de tijd, waarin ze leven. Je hoeft niet altijd in actie te komen, om actief christen te zijn. Je hoeft niet altijd te spreken om wat te zeggen. Weloverwogen, vastberaden en vooral doelgericht: op Hem! Daarmee zeg ik niet dat christenen er vooral het zwijgen toe moeten doen. Juist in deze eindtijd moet het Evangelie helder en duidelijk hoorbaar klinken.
Maar waar ik op doel is dat het teveel voorkomt dat christelijke voorgangers, leiders en zegsmannen in de ban komen van hun 'succes' en daarmee onbruikbaar worden. Ja, het Koninkrijk van God soms grote schade berokkenen, hoewel ze dat natuurlijk niet bewust gewild hadden. De satan gaat rond… we moeten de tijd uitkopen en soms uitkoken… En we leven in een tijd waarin veel achter de schermen gebeurt, in lobby-circuits. Ook in kerkelijke structuren. Denk aan de vorming van de PKN en zoveel trammelant meer. Waakt en bidt en kijk vooral kritisch naar je eigen motieven. Waarom doe ik het? Moet ik dit wel doen? Is dit de juiste tijd? Proef je nieren! Bid en sta stevig in de verdrukking die veelkoppig is.