Posts tonen met het label Hebreeën. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebreeën. Alle posts tonen

woensdag 30 mei 2018

Rechter spelen; verdachte worden

Hoofdstuk 9

Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken. En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt? En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.
Handelingen 7 : 23-29

De Bijbel waarschuwt ons om niet op plekken te komen waar we in verleiding worden gebracht. Is dat hier aan de orde? Eveneens wordt ons geleerd dat we een voorbeeld moeten zijn voor ongelovigen; faalde Mozes hier met zijn actie? Wegvluchten is meer dan eens een bewijs dat je (mede) schuldig bent. Wat is het verschil tussen Jozef en Mozes?

In een notendop wordt ons een van de dieptepunten in Mozes’ leven getekend. Hij moest zijn land, status en luxe leventje achterlaten en vluchten voor zijn leven. Werd hij, net als Jezus, onterecht slacht­offer van mensen die zijn welmenende bevrijdingspogingen niet begrepen?



De ingeving
Stefanus beweert dat het pas na veertig jaar bij Mozes ‘in zijn hart kwam’ om zijn broeders te bezoeken. Dat blijven vooral vage bewoordingen die niet terug te vinden zijn in het Oude Testament. Mozes zelf schrijft erover: “… toen Mozes groot geworden was …”. Hij stelde dat bezoeken van zijn broeders ook niet tot doel, maar het zien van hun lasten, hun verdrukking.
Daaruit kun je concluderen dat hij zich al langere tijd bewust was een Hebreeër te zijn, maar dat hij te horen kreeg dat juist dát volk zo enorm werd onderdrukt. Mozes werd als kind in bad gedaan en zijn verzorgster moet hebben gezien dat hij besneden was. Hij is vast ook weleens tegelijk met andere kinderen in bad gegaan of merkte bij sportieve activiteiten dat hij anders was dan de Egyptische jongeren. Ook hij heeft in die Egyptische tijd geleerd (of ondervonden) dat er een verschil was tussen meisjes en jongens en dat er ook een verschil was tussen besneden jongens en onbesneden jongens. Dat moet hij al veel eerder hebben ontdekt dan in zijn veertigste levensjaar!
Het blijkt vooral de onderdrukking van het volk van Israël te zijn die iets in hem heeft wakker gemaakt. Hij wil er nu zelf weleens iets van zien. Zou het écht zo erg zijn? Misschien is hij al die tijd al bij dat volk weggehouden door de prinses en het personeel dat ervan op de hoogte was. Maar zoals dat met veel adoptiekinderen gaat: er komt een ­moment dat je wilt weten waar je vandaan komt. Niet eens in de eerste plaats om weg te open, maar om te weten wie jezelf bent! Dat vormt dus de achtergrond waarom het ‘in zijn hart kwam’. Die ingeving kwam vanuit zijn roots! En… door de Heilige Geest.

De reactie
Hoopte hij dat het allemaal wel zou meevallen? Exodus zwijgt over Mozes’ innerlijke gevoelens, voordat hij ging kijken. Je kunt er hooguit naar gissen.
Mozes heeft een gelegenheid gezocht om ‘ongezien’ in Gosen terecht te komen. Het lijkt me niet eens zo gemakkelijk om dat ongezien te doen, als je zo’n hoge positie aan het hof hebt. Er zullen altijd bewakers bij hem zijn geweest die hem beschermden; ze vormden tegelijk ook zijn statussymbool. Het is niet bekend of de prinses nog leefde (of was zij ­inmiddels zelf doorgeschoven naar de regering?), maar het zou best eens zo kunnen zijn dat zij overleed toen Mozes ongeveer 40 jaar was. En dat dit overlijden juist de aanzet is geweest om op ­zoek te gaan naar zijn roots.
Hoe schokkend is de confrontatie met het harde leven van zijn broeders! Het is dus tóch waar dat ze onderdrukt werden! Wat slaven waren en hoe die werden behandeld wist Mozes ongetwijfeld wel. Ook aan het hof waren slaven en die zullen niet helemaal ‘vorstelijk’ ­behandeld zijn. Wellicht werden ze niet vernederd, maar wel tweederangs behandeld. Ze zullen een bijzonder onderdanige houding hebben aangenomen, harde woorden hebben moeten verduren en zwijgend hun werk hebben moeten doen. Maar wat Mozes hier in Gosen ziet raakt hem enorm. Natuurlijk ook vanuit de bloedband met zijn volk. ­Ongetwijfeld ook vanuit zijn mensbeeld, dat in een goede Hebreeuwse opvoeding is aangeleerd. Elk mens is een schepsel van de Eeuwige en draagt iets van Zijn beeld.
Mozes’ bloed kookt in een ommezien. Dit raakt hem diep en hij staat op de tweesprong: weglopen of ingrijpen. Juist dat ingrijpen lijkt de meest eerlijke en enig mogelijke wijze van handelen. Hoe hij dat heeft gedaan blijft onduidelijk. Sprong hij ertussen en ving hij de slagen op? Of greep hij de Egyptenaar van achteren beet en rukte hij de zweep uit zijn hand?

De moord
Wat ik als kind kind mij altijd afvroeg bij deze geschiedenis: hoe heeft Mozes dit zo ongezien kunnen doen, als er zoveel slavendrijvers waren op deze bouwplaats? In gedachte zag ik een duin van zand voor me, waarachter dit plaatsvond. Het helmgras wuifde in de zinderende woestijn­wind. De andere slavendrijvers in de buurt waren net even met wat anders bezig. Maar de volgende vraag was: hoe heeft hij zo snel een heel mens onder het zand kunnen begraven, ongezien? Ik heb er nog steeds geen antwoord op, merk ik. Maar deze geschiedenis zet me wel aan het denken. Heeft Mozes deze man echt in een opwelling doodgeslagen? Dan moeten veel meer mensen het hebben gezien. Zeker die Hebreeër die door deze slavendrijver werd mishandeld. Zou het niet zo zijn, zoals Kaïn zijn broer mee nam naar het veld? Mozes had de positie van een generaal. Deze slaven­drijver stond ver beneden hem in rang. Hij had hem ter plaatse kunnen sommeren te stoppen met die brute geweld en de man had moeten gehoorzamen.
Wat nu als Mozes de beelden van die mishandeling in zijn brein opsloeg? Dat hij daarover heeft lopen broeden en de slavendrijver later die dag even apart heeft genomen, buiten het bouwkamp. Wellicht zijn ze nog even in gesprek geraakt over hun visie op de behandeling van dit volk. Lang zal dat niet hebben geduurd. Mozes stond op tegen die man, die geen schijn van kans had tegenover hem, de getrainde militair. Mozes had die zweep helemaal niet nodig. Hij was een gespierde strijder die door zijn imposante corpus angst inboezemde bij zijn tegenstanders. Zijn ferme spierbundels draaiden de nek van deze man met gemak in een hoek die compleet ongezond was voor een mens. De zogenaamde heldendaad had weinig met geloof te maken. Het was meer een moord met voorbedachte rade!

De confrontatie
Mozes zelf beschrijft deze daad nogal omzichtig. Hij zegt dat hij om zich heen keek om te zien of er iemand in de buurt was. Maar hij verzwijgt de scene waarin dit gebeurde. Was het te midden van drukte op de bouwplaats? Onmogelijk! Was het midden op de dag, op een rustig moment? Of was het toch in het schemerdonker, vlak voor de woestijn aardedonker werd?
Dat maakt namelijk uit. Doe je dit stiekem en zonder dat de betrokken persoon erop bedacht is, dan is de misdaad groter. Doodslag in een opwelling na een ruzie wordt minder zwaar aangerekend dan een weloverwogen moord. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik van dat laatste overtuigd raak.
De volgende dag gaat Mozes weer kijken. Waarom? Is hij de crimineel die terugkeert naar de plaats delict om te zien wat er gebeurt? Veinst hij dat hij er niets mee te maken heeft? Kijkt hij of zijn actie zoden aan de dijk heeft gezet? Of zint hij op meer wraak? Het is niet ondenkbaar dat het dat laatste was. Juist daarom is hij zo gebelgd als hij twee van zijn volks­genoten met elkaar ziet vechten.
De woorden die hij op dat moment uitspreekt worden nogal eens erg zalvend beschreven en neergezet als oprechte en voorbeeldige woorden. Maar is dit niet juist heel schijnheilig? Is zijn woede over dit gedrag niet een woede omdat dit zijn eigen gekozen bevrijdingsactie ondermijnt? Het antwoord van de Hebreeën is een klap in Mozes’ gezicht. De grote mond – die hij zo had kunnen laten zwijgen vanuit zijn positie als Egyptisch generaal – doet hem zijn eigen mond dichtklappen van angst. Wat zagen deze twee kemp­hanen in Mozes? Een collaborateur of toch een bedreiging? Het botte antwoord van een van de Hebreeën was risicovol, dat is wel duidelijk: “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt?” Het had inderdaad zijn dood kunnen worden. Zeker, omdat hij oog in oog met een moordenaar stond.



De vlucht
Dat antwoord is vreemd. Hier zegt een slaaf van de Egyptenaren tegen nota bene een Egyptenaar: “Wie heeft u boven ons geplaatst?” Of hij het nu fijn vond of niet: dat de Egyptische slaven­drijver boven hem stond, was buiten kijf. De Hebreeër zal dat vreselijk hebben gevonden, maar hij moest er maar mee leven. Maar dat deze man, Mozes, zich boven hem verhief riep vragen bij hem op. Mozes was een ‘Egyptenaar’ dus die stond sowieso boven deze slaaf. Onterecht of niet; het was een feit. Waarom zou hij dan toch zo reageren?
Zouden deze mannen Mozes en zijn ‘geheim’ kennen? Zou onder de Hebreeën bekend zijn geweest dat er een joods jongetje opgroeide in het Egyptische paleis? Zou dát kwaad bloed hebben gezet? Misschien wel zonder dat Mozes dat heeft geweten. Het lijkt er sterk op dat deze mannen Mozes hebben gekend of herkend en dat zij hun antipathie tegen deze ‘geluksvogel’ op hem uitspuwden. “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?” Zou dat niet een wrevelwoord kunnen zijn richting God? Waarom worden wij als Uw volk zo onderdrukt en leidt deze kerel een lekker leventje. Is dat niet erg oneerlijk?
De werkelijke ondertoon van deze woorden moet aan Mozes voorbij zijn ­gegaan. Hij begreep maar al te goed dat dit heel gevaarlijk voor hem kon uitpakken. Of… heeft hij de ondertoon juist heel goed begrepen? Zullen zijn ‘broeders’ nu met de Egyptenaren gaan samenspannen tegen hem? De geslagen hond zal blijven zoeken naar een moment waarop hij zelf ook een keer kan ‘heersen’ en ‘terugbijten’. ­Ongeacht of het de juiste persoon is. Dat geldt niet voor alle mensen gelukkig, maar diepweg zit er zelfs in het meest heilige kind van God een oude mens die het woord ‘wraak’ prima kan spellen.

De messias




Het is pure angst die Mozes doet zien dat zijn situatie hier onhoudbaar is geworden. Hij vlucht niet weg zoals Jozef wegvluchtte voor de zonde. Hij vlucht weg uit angst voor de gevolgen van zijn daad. En juist die angst doet mij de vraag stellen: maar wat was dan zijn diepste motief om zijn broeders te gaan bezoeken? Meende hij zelf de ‘Messias’ te zijn? Hij moet hebben geweten dat er een Messias zou komen.
Slaat Stefanus hier niet de spijker precies op zijn kop als hij preekt: “…hij (Mozes) meende, dat zijn broeders zouden ­verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.” Gaat Mozes hier niet heel dicht langs het randje van de afgrond? Hoe fout kan dit aflopen!
Hoe anders kwam Jezus, de enig juiste Messias, naar deze aarde, waar Hij zich moest bewegen tussen vijanden. Zij die door Hem moesten worden verlost, zinden op Zijn dood. Hij heeft werkelijk alles welgedaan, tot vele cijfers achter de komma, maar wij moesten Hem niet! Waarom? Omdat Hij aan het licht bracht, wat wij liever in het donker hielden of wat wij liever begraven hielden onder het zand. Hij zou het aan de orde brengen, maar wij zeiden: “Wie heeft U tot een Overste en Rechter over ons gesteld?” Herken je je in deze vijanden? Dan ben je op en top mens. Juist voor dit soort types kwam Hij!
Jezus had oneindig veel geduld. Mozes had alle know-how op organisatorisch gebied die afgelopen veertig jaar aan boord gekregen. Hij kon een leger aanvoeren en in stelling brengen. Hij kon afgematte en uitgehongerde strijders erdoorheen trekken en ze aanvuren om vol te houden. Je zou zeggen: hij was er klaar voor om zijn volk te bevrijden. Maar er moest nog één bijscholingscursus plaatsvinden in de woestijn: geduld met een wederstrevig volk.
Het is Mozes nooit echt helemaal gelukt. Er moest een Jozua aan te pas komen… en ook die redde het niet. Dé Joshua (Yeshua Hamashiach) moest komen, Die Zijn volk in het Beloofde Land zou binnen­voeren. Wat vind je van die Messias? Het is Hem wél gelukt om Zijn volk te bevrijden!

zondag 3 december 2017

Weglopers, ­meelopers en ­voorlopers

De zoon van de boerenkoning - XIII

Toen zeide Saul tot het volk dat bij hem was: Telt toch en beziet wie van ons weggegaan zij. En zij telden, en zie, Jónathan en zijn wapendrager waren er niet.[…] Saul nu, en al het volk dat bij hem was, werd samengeroepen, en zij kwamen ten strijde[…] Er waren ook Hebreeën bij de Filistijnen, als eertijds, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; dezen nu vervoegden zich ook met de Israëlieten die bij Saul en Jónathan waren. […] Alzo verloste de HEERE Israël te dien dage…
1 Samuël 17, 20a, 21, 23a

Wat Jonathan begon was de overwinning nog niet! God gaat ermee aan het werk. Het volk van God had Hem de rug toegekeerd, maar de HEERE is het genadig.
Saul vermoedt dat er een groep uit zijn leger is weggegaan die een slag heeft geslagen onder de Filistijnen. Maar als hij zijn mannen laat tellen, blijkt slechts zijn zoon Jonathan met diens wapendrager te zijn verdwenen. Dat kan volgens hem nooit de oorzaak van het tumult zijn. Er moet een ander oorzaak zijn. En die was er! Saul gelooft niet écht, maar neemt wel een gelovig besluit: hij wil God raadplegen over wat hier aan de hand is en wat hem nu te doen staat.

De Statenvertaling spreekt over de ‘ark’ die hij Ahia wil laten halen, maar we moeten waarschijnlijk denken aan de ‘efod’; immers daarmee werd God gevraagd over zaken die onduidelijk waren? Ahia moet die efod te gaan halen, om zo Gods wil te raadplegen.
Maar als Saul signaleert dat werkelijk iedereen bij de Filistijnen in verwarring is, heeft hij Gods advies niet meer nodig. Hij gaat bij zijn eigen strategisch inzicht te raden. Nú is het tijd om in actie te komen, denkt Saul. Saul en het volk worden bijeengeroepen (vers 20). Rare zin! Door wie dan? Door Ahia?

Als Saul bij het slagveld aankomt, ziet hij direct dat de strijd zonder hem en zijn mannen wordt gestreden. God heeft ‘afvallige Hebreeën’ (let erop dat de Heilige Geest hen nog steeds de naam ‘Hebreeën’ geeft!) ingezet en passeert hiermee Saul en zijn bange legertje van zeshonderd man.
Die weglopers worden nu opeens meelopers. Waren het ­collaborateurs? Waren het ‘foute mensen in oorlogstijd’? Waren het krijgsgevangenen? Dat laatste lijkt onwaarschijnlijk. Overlopers net als David later in Ziklag, dat zou een beter beeld geven van de situatie. Maar in ieder geval zien ze nu het voordeel bij Israël en kiezen voor het gemak van dat voordeel.

Dat gebeurt vandaag de dag nog steeds. Mensen voegen zich nogal makkelijk bij een gemeente waar groei is. Waar een wervelende en inspirerende predikant is en waar ze het ‘naar hun zin’ hebben. Dat zijn mensen die ook weer heel gemakkelijk weglopen, als het minder gaat in de gemeente. Als er zorgen komen, spanningen en liggings­verschillen of een nieuwe predikant die niet zo boeit. Als het Woord van de prediking, niet naar hun zin is. Of als er tegenslagen komen.
Ze tellen de zegeningen slechts in getallen; horizontaal. ­Gemeentewerk is pas succesvol als er zo en zoveel poppetjes aan meedoen; niet als het aantal bezoekers wat klein is, maar daarentegen de gesprekken prachtig de diepte in gaan. Gods werk is namelijk niet te meten, dus zonder écht geloof moet je het maar doen met je ratio, je getallen en je strategische inzichten.
Deze mensen zijn allerminst voortrekkers die tegen de stroom in durven zwemmen. Die vasthoudend blijven staan in Gods dienst, zoals Jonathan. Het zijn geen mensen die zelfstandig durven denken en handelen; die niet afhankelijk zijn van de grootte van de groep. Die zelfs, wanneer iedereen ander denkt, vasthouden aan Gods strategie van de lange termijn en de eeuwige toekomst.

Voortrekkers daarentegen zijn mensen waar je op kunt bouwen, dwars door de verdrukkingen heen. Niet omdat ze zichzelf zoeken of hun ideeën doordrammend propageren, maar omdat het ze om Gods eer te doen is. Jonathan is daarvan een schitterend voorbeeld, zonder dat hij zichzelf daartoe heeft opgeworpen. Vraag het zijn wapendrager maar! Het was puur Soli Deo Gloria!

zaterdag 11 november 2017

Als je vader Gods inzettingen naar zijn eigen hand zet

De zoon van de boerenkoning - VI

De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem. Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
1 Samuël 13 ; 7-9


Wat doe je als koning, wanneer je de mensen – die jou als hun leider hebben uitgeroepen – van je weglopen? Even direct een vraag die juist in deze tijd wordt gesteld: wat doe je als je gemeente leegloopt en mensen zich aansluiten bij ‘lichtere kerken of gemeenten’ of evangelische groepen óf zich juist voegen bij heel zware kerken/gemeenten? Wat doe je? Ervaar je het als signaal en reflecteer je het op je eigen gemeente? Is er misschien iets van waar, wat de mensen zeggen? Of is er wat anders dat speelt? En… maak je hier ook beleid op door een duidelijke visie te ontwikkelen die óf een aantal aanpassingen betekent óf aansprekender verwoordt waar je als gemeente voor staat? Doe je niets en zet je je hakken in het zand, of handel je vanuit angst en pas je lukraak maar van alles aan, dan zal het werk je bij de handen afbreken.

Wat doet Saul, als hij ziet dat het bange volk, waarover hij nu al een jaar koning is (hij heeft het volk dus niet echt kunnen opvoeden, zoals de richters altijd deden!)? De dagteksten zoomen vooral in op het gewone volk, dat hier ‘Hebreeën’ wordt genoemd, een naam die Saul hen geeft, zoals de heidenen rondom hen aanspraken; hij vermijdt de naam ‘volk des HEEREN’ of ‘volk van Israël’ (verbondsnaam). Dit zijn niet zozeer de soldaten die bij Saul zijn. Maar je kunt je natuurlijk goed indenken dat die soldaten prima konden rekenen; en dat zij best konden inschatten dat er zo’n tien (!) filistijnse strijdwagens stonden tegenover één joodse soldaat. En dan was er nog een massa voetvolk! Ik heb me onlangs verdiept in de strijd die Richard Leeuwenhart voerde tegen Saladin en zijn moslimbroeders in de Derde Kruistocht, maar dat waren toch nog wel andere machtsverhoudingen.
De overmacht die voor hen stond was onmogelijk groot. En Saul – of hij dat nu voelde of niet – was verantwoordelijk voor het welzijn van alle burgers. Niets doen was eigenlijk geen optie, hoe onmogelijk de strijd ook leek. Daarom moest de HEERE écht wel in actie komen.

Nu heb ik de verklaring van Dächsel gelezen en daar staan een aantal tekst-kritische, maar ook verwarrende, gegevens in. Over getallen die zijn weggevallen in zowel vers 1 (dus dat Saul niet pas 1 jaar (het getal ontbreekt namelijk in de grondtekst) regeert in deze ­geschiedenis, maar al een jaar of 20); en ook de schets van de situatie van deze geschiedenis (hoe dat ging met die legers; en de aantallen strijdwagens die niet kloppen: teveel ten opzichte van het aantal ruiters en meer dan welk volk in de omtrek ook, dus daarom moeten dat slechts 1.000 strijdwagens geweest zijn). Verwarrend en ook dat blijken maar gissingen. Ik laat dat voor wat het is. Iets meer helderheid geeft de verklaring op Oude Sporen.

Maar er wordt bij Dächsel wel een tip gegeven op de vraag waarom Saul juist nu naar Gilgal gaat en daar zeven dagen op Samuël wacht. Had hij overleg met de oude priester/richter gehad? Er wordt door zowel Dächsel als Oude Sporen gewezen naar 1 Samuël 10 : 7-8 waar staat: “En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn. Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brand­offeren te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden (wachten), totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.”
Is dat een afspraak die voor altijd gold? Dus dat – zodra Saul een vraag had aan God – hij dan naar Gilgal moest gaan en een bode naar Samuël moest sturen, waarna hij een week moest wachten(denk ook aan reistijd en gebedstijd)? Het zou kunnen. Het lijkt onmogelijk een link te zijn tussen deze tekst uit hoofdstuk 10 én de tekst van vandaag uit hoofdstuk 13. Want daar zit immers al een bijeenkomst in Gilgal tussen (hoofdstuk 12), nietwaar?

Hoe dan ook, Saul keert terug naar de plaats waar hij als koning is bevestigd in een duidelijk verbond aan de HEERE. Geen slechte plek om naar terug te keren. En dat Samuël ook naar deze plek komt is een goed teken. Maar de naderende troepen, die vanuit het land van de Filistijnen zijn gerecruteerd en gemobiliseerd, boezemen ook de dappersten van de elite-troepen van Saul angst in. Eén dag wachten kan nog wel, twee dagen ook nog wel, maar wanneer de afgesproken zevende dag aanbreekt (een magische dag die hen ook herinnert aan de geschiedenis bij Jericho) daalt het vertrouwen van zowel het volk als Saul tot een absoluut dieptepunt. De een na de ander kiest eieren voor zijn geld en op deze manier blijft er niets over van het legertje van Saul. In dit alles vernemen we niets van Jonathan, maar hij was erbij.

Het wachten op Samuël duurt te lang. Saul durft niet aan de strijd te beginnen zonder gebed en offers (denk ook eens aan hoe je je dagelijks werk of je examens/tentamens begint!). Hij voelt wel aan dat hij geen schijn van kans maakt met zijn handje vol strijders. Er moet wel een wonder gebeuren, dus hij moet God op de een of andere manier gunstig stemmen. Er staat niet dat Saul zelf offert; goed ­mogelijk dat hij een priester sommeert om te offeren. Maar toch is het Saul die het moment bepaalt; hij zet Gods regels naar zijn hand.