Posts tonen met het label Dächsel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dächsel. Alle posts tonen

zaterdag 11 november 2017

Als je vader Gods inzettingen naar zijn eigen hand zet

De zoon van de boerenkoning - VI

De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem. Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
1 Samuël 13 ; 7-9


Wat doe je als koning, wanneer je de mensen – die jou als hun leider hebben uitgeroepen – van je weglopen? Even direct een vraag die juist in deze tijd wordt gesteld: wat doe je als je gemeente leegloopt en mensen zich aansluiten bij ‘lichtere kerken of gemeenten’ of evangelische groepen óf zich juist voegen bij heel zware kerken/gemeenten? Wat doe je? Ervaar je het als signaal en reflecteer je het op je eigen gemeente? Is er misschien iets van waar, wat de mensen zeggen? Of is er wat anders dat speelt? En… maak je hier ook beleid op door een duidelijke visie te ontwikkelen die óf een aantal aanpassingen betekent óf aansprekender verwoordt waar je als gemeente voor staat? Doe je niets en zet je je hakken in het zand, of handel je vanuit angst en pas je lukraak maar van alles aan, dan zal het werk je bij de handen afbreken.

Wat doet Saul, als hij ziet dat het bange volk, waarover hij nu al een jaar koning is (hij heeft het volk dus niet echt kunnen opvoeden, zoals de richters altijd deden!)? De dagteksten zoomen vooral in op het gewone volk, dat hier ‘Hebreeën’ wordt genoemd, een naam die Saul hen geeft, zoals de heidenen rondom hen aanspraken; hij vermijdt de naam ‘volk des HEEREN’ of ‘volk van Israël’ (verbondsnaam). Dit zijn niet zozeer de soldaten die bij Saul zijn. Maar je kunt je natuurlijk goed indenken dat die soldaten prima konden rekenen; en dat zij best konden inschatten dat er zo’n tien (!) filistijnse strijdwagens stonden tegenover één joodse soldaat. En dan was er nog een massa voetvolk! Ik heb me onlangs verdiept in de strijd die Richard Leeuwenhart voerde tegen Saladin en zijn moslimbroeders in de Derde Kruistocht, maar dat waren toch nog wel andere machtsverhoudingen.
De overmacht die voor hen stond was onmogelijk groot. En Saul – of hij dat nu voelde of niet – was verantwoordelijk voor het welzijn van alle burgers. Niets doen was eigenlijk geen optie, hoe onmogelijk de strijd ook leek. Daarom moest de HEERE écht wel in actie komen.

Nu heb ik de verklaring van Dächsel gelezen en daar staan een aantal tekst-kritische, maar ook verwarrende, gegevens in. Over getallen die zijn weggevallen in zowel vers 1 (dus dat Saul niet pas 1 jaar (het getal ontbreekt namelijk in de grondtekst) regeert in deze ­geschiedenis, maar al een jaar of 20); en ook de schets van de situatie van deze geschiedenis (hoe dat ging met die legers; en de aantallen strijdwagens die niet kloppen: teveel ten opzichte van het aantal ruiters en meer dan welk volk in de omtrek ook, dus daarom moeten dat slechts 1.000 strijdwagens geweest zijn). Verwarrend en ook dat blijken maar gissingen. Ik laat dat voor wat het is. Iets meer helderheid geeft de verklaring op Oude Sporen.

Maar er wordt bij Dächsel wel een tip gegeven op de vraag waarom Saul juist nu naar Gilgal gaat en daar zeven dagen op Samuël wacht. Had hij overleg met de oude priester/richter gehad? Er wordt door zowel Dächsel als Oude Sporen gewezen naar 1 Samuël 10 : 7-8 waar staat: “En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn. Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brand­offeren te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden (wachten), totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.”
Is dat een afspraak die voor altijd gold? Dus dat – zodra Saul een vraag had aan God – hij dan naar Gilgal moest gaan en een bode naar Samuël moest sturen, waarna hij een week moest wachten(denk ook aan reistijd en gebedstijd)? Het zou kunnen. Het lijkt onmogelijk een link te zijn tussen deze tekst uit hoofdstuk 10 én de tekst van vandaag uit hoofdstuk 13. Want daar zit immers al een bijeenkomst in Gilgal tussen (hoofdstuk 12), nietwaar?

Hoe dan ook, Saul keert terug naar de plaats waar hij als koning is bevestigd in een duidelijk verbond aan de HEERE. Geen slechte plek om naar terug te keren. En dat Samuël ook naar deze plek komt is een goed teken. Maar de naderende troepen, die vanuit het land van de Filistijnen zijn gerecruteerd en gemobiliseerd, boezemen ook de dappersten van de elite-troepen van Saul angst in. Eén dag wachten kan nog wel, twee dagen ook nog wel, maar wanneer de afgesproken zevende dag aanbreekt (een magische dag die hen ook herinnert aan de geschiedenis bij Jericho) daalt het vertrouwen van zowel het volk als Saul tot een absoluut dieptepunt. De een na de ander kiest eieren voor zijn geld en op deze manier blijft er niets over van het legertje van Saul. In dit alles vernemen we niets van Jonathan, maar hij was erbij.

Het wachten op Samuël duurt te lang. Saul durft niet aan de strijd te beginnen zonder gebed en offers (denk ook eens aan hoe je je dagelijks werk of je examens/tentamens begint!). Hij voelt wel aan dat hij geen schijn van kans maakt met zijn handje vol strijders. Er moet wel een wonder gebeuren, dus hij moet God op de een of andere manier gunstig stemmen. Er staat niet dat Saul zelf offert; goed ­mogelijk dat hij een priester sommeert om te offeren. Maar toch is het Saul die het moment bepaalt; hij zet Gods regels naar zijn hand.

donderdag 31 augustus 2017

Het is goed om vragen te stellen

“Judas, niet de Iskáriot, zeide tot Hem:
Heere, wat is het dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?”

Johannes 14 : 22
 


In toenemende mate vragen mijn vrouw en ik ons af waarom zo weinig mensen goede vragen stellen. Is het omdat ze dingen niet signaleren? Wordt informatie aangehoord (het ene oor in) maar landt het niet (het andere oor uit)? Op tal van terreinen, de kerk, de school, het dagelijks werk, ervaren we dat mensen informatie heel anders verwerken. Het lijkt wel of de materie niet werkelijk doordringt. Of dat zo is, kun je pas weten als je mensen ook spreekt. Maar… inmiddels laat het 'niet reageren' ook een indruk achter.
Ik vermoed dat veel mensen zich onnodig schamen voor het stellen van vragen. Als zouden zij blijk geven van hun domheid, wanneer zij vragen stelden. Er is niets zo goed als duidelijkheid verschaffen en misverstanden voorkomen. In de communicatie tussen mensen is dat wezenlijk en onmisbaar. Al in een eerder stadium werd ik door de tekst die vandaag aan de beurt is getriggerd. En dat kwam met name door wat ik in de Bijbelverklaring van Dächsel las:
"De discipelen deden recht, dat zij hun onwetendheid bekenden en door vragen om verder onderricht verzochten; hun vragen geven ons voortreffelijke vruchten, omdat zij Christus aanleiding gaven tot nadere verklaring en bevestiging."

Dächsel, of wie de verklaarder ook is die hij citeert, duidt het dus juist positief als je vragen stelt. Niet uit betweterigheid of eigen eer ("Hoor mij eens intelligent zijn"), maar om kennis te vermeerderen. En… zo zien we, daar hebben wij vandaag de dag dus profijt van. De vraag van Judas zet Christus aan tot vertellen en zo leren wij Hem beter kennen!

Vragen stellen verootmoedigt

De vraag van Judas wordt niet gevolgd door een verwijt, zoals bij Filippus. Jezus maakt onderscheid in het type vraag dat we stellen. Open deuren prikt Hij door; de bekende weg hoeft Hij je niet te wijzen. Maar Judas, dat moet ik toch wel zeggen, trekt de stoute schoenen aan om na Filippus toch nog een vraag te stellen. Het moet een wat verwarrende situatie geweest zijn daar aan tafel. Je merkt uit alles dat een deel van de informatie uit Jezus' mond over hun hoofden gaat. Ze voelen dat er iets in de 'lucht' hangt, maar ze bevatten het nog niet; daarmee ontgaat hen denk ik ook een deel van Jezus' woorden. Toch gaat het niet het ene oor in en het andere uit. Want 'nadien zult gij het verstaan' betekent dat het tijdelijk ergens opgeborgen ligt in hun geheugens!
Niettemin moest Judas een stuk schroom overwinnen om zijn vraag toch te stellen. Gelukkig deed hij dat! In het citaat van Dächsel stond dat de discipelen, bij monde van Judas, er goed aan deden hun onkunde eerlijk toe te geven. Op die manier gaven ze Jezus de eer en gingen aan Zijn voeten zitten, zoals een discipel bij zijn rabbi altijd deed. Even, let erop, waren ze niet meer druk met de discussie: wie is de meeste? Ze waren even allemaal 'de minste', de onwetende, die nader onderwijs nodig had.

Vragen stellen verbindt

De vraag van Judas verbindt de discipelen ook aan elkaar. En… het verbindt hen aan Jezus; dat vooral! Samen luisteren naar de Heere Jezus wist alle verschillen in ontwikkeling, ervaring, beleving uit. Als je aandachtig luistert, een en al oor bent, getroffen wordt door wat Jezus te zeggen heeft, en je keert weer tot de werkelijkheid terug, dan ben je diep dankbaar dat iemand die vraag heeft durven stellen. Misschien was je zelf wel nooit op het idee gekomen zo'n vraag te stellen. Je merkt dat anderen, die anders denken, beleven en ervaren, weer andere dingen opmerken dan jijzelf. En dat verbindt als het goed is. Maar als Judas vaker dit soort vragen zou hebben gesteld en de andere discipelen stelden nooit of slechts zelden zulke vragen… hoe zou hij dat dan hebben ervaren? Zou hij hebben gedacht: "Ben ik nou zo raar, dat ik dit soort vragen stel? Denken de anderen daar dan nooit over na? Waarom krijg ik het gevoel dat iedereen alles maar aanhoort, zonder dat het iets raakt en doet van binnen?" In die zin kun je ook zeggen dat het de andere discipelen positief moet raken en in beweging moet brengen, dat Judas hier een vraag stelt die hout snijdt. Alleen al van de vraag kun je leren! Laat staan van het onderwijs dat die vraag oplevert.

Vragen stellen verdiept

We horen Judas maar zelden spreken! Dus zijn we hem te meer dankbaar voor deze vraag. Want nu ontvangen ook wij meer onderwijs! Lees dat citaat uit Dächsel maar: "hun vragen geven ons voortreffelijke vruchten, omdat zij Christus aanleiding gaven tot nadere verklaring en bevestiging". En als Jezus gaat praten – of tot praten wordt aangezet – valt er van alles te beleven en te leren.
Veel onderwijs in de praktijk is een wisselwerking tussen theorie en praktijk. Hier geeft Jezus theorie vooraf, zodat Hij er straks, in de praktijk, met hen over door kan praten. En die praktijk strekt zich uit tot na Zijn hemelvaart. Wat is er voor de discipelen een gigantische verdieping bewerkt door de Heilige Geest Die met Pinksteren is uitgestort! Zo werkte Christus zelfs nadat Hij was opgevaren. Hij bouwde verder en door Zijn discipelen heen bouwde Hij Zijn Kerk ook uit! Meer van dezelfde informatie kan tot de reactie leiden: “Ja, nu weet ik het wel.” Maar bij Jezus gaat het zeker weten altijd verder de diepte in.