Posts tonen met het label Judas. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Judas. Alle posts tonen

vrijdag 1 september 2017

Begreep Jezus de vraag van Judas eigenlijk wel?

“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.”
Johannes 14 : 23
 
Hoogsensitieve en hoogbegaafde mensen hebben oog voor detail, vragen door, denken zwart/wit en leggen de lat hoog; waarschijnlijk was Judas de Goede zo iemand en hadden hij een Johannes een bijzondere geloofs-click

Die Judas! Stelt hij een vraag en krijgt hij eigenlijk hetzelfde te horen, als Jezus net vóór die vraag al heeft gezegd. Soms krijg je een antwoord op een vraag, of een voorstel dat op een bepaalde manier is verwoord, waarbij je je afvraagt: “Heb je m’n vraag wel begrepen?” En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat bij Jezus’ antwoorden heel vaak heb: is dit nu het antwoord op de vraag die is gesteld? De invalshoek die Jezus bij Zijn antwoorden kiest, is zeker niet een voor de hand liggende!
Bij een normaal mens zou ik hebben gezegd: “Hebben we het wel over hetzelfde?” of “Je snapt mijn vraag niet.” Maar bij Jezus ga ik toch maar eens goed kijken wát Hij zegt. Want het kan niet zo zijn dat Hij mijn (of Judas’) vraag niet heeft begrepen. Zijn antwoorden zijn niet onze (verwachtte) antwoorden. Daarom ga ik dit antwoord leggen naast vers 21, waar Jezus ogenschijnlijk dezelfde dingen zegt. En we gaan kijken wat dit antwoord Judas – én de discipelen alsmede ons – leert.

Goed luisteren

Allereerst moet ik zeggen dat Judas voor mijn gevoel de enige is die goed heeft geluisterd. Hij ziet al luisterend de verbanden, de lijnen in Jezus’ verhaal. Zijn vraag is dus opgekomen uit een lijn die hij ontdekte, maar niet geheel begreep. Je wordt door het woord ‘openbaren’ misschien op een verkeerd been gezet (als zou Judas een vraag stellen over Jezus’ woorden in vers 21), maar Judas grijpt eigenlijk terug op wat Jezus al een zin of vijf eerder zei. Kijk maar, we luisteren naar Jezus’ woorden vanaf vers 15:
"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven. In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”

Judas luisterde scherp en legde de verbinding tussen het ‘openbaren’ en ‘de wereld kent Mij niet’. Hij voelde de spanning in het ‘de wereld zal Mij niet meer zien, maar gij zult Mij zien’. Hij voelde aan dat er een scheiding gaat komen tussen hen en de wereld. Maar wat hield dat precies in en hoe zou dat dan gaan? Er op de achtergrond van Judas’ vraag vermoed ik zelfs die woorden van Jezus, nog een zin eerder: dat “de Wereld de Heilige Geest níet kan ontvangen” maar dat Hij in Zijn jongeren wél blijft wonen. Dat was voor hem iets wonderlijks. Iedereen kon Jezus toch zien? Gaat er nu dus een scheiding plaatsvinden in een ‘andere dimensie’?
Eerder al had Jezus zo’n zelfde soort scheiding gemaakt, tussen de wereld en de discipelen, toen Hij besloot voortaan in gelijkenissen te spreken en het enkel in de intieme kring van de discipelen toe te lichten. Maar als Jezus nu dus zegt weg te gaan, hoe gaat Hij die exclusieve uitleg dan realiseren? Snap je dat Judas hier iets heel duidelijk ‘aanvoelt’, maar de praktische invulling daarvan nog niet bevat. Luisterde iedereen maar zo scherp. Dan zouden veel preken een beter resultaat in de gemeente hebben. En … zaten maar meer preken zo in elkaar, als Jezus’ preken, dan zouden er misschien ook wel meer goede Judassen in de gemeente opstaan, die vragen stellen over dingen die ze aanvoelen, vermoeden, maar nog niet geheel doorgronden. Die begerig zijn in te zien in de geheimen van God, net als de engelen! Die bidden met de dichter van Psalm 119: “maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere", en “Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen” en “O HEERE! … maak mij verstandig naar Uw woord”. Dan zit je toch op het puntje van je stoel, bij zo’n preek? Dan kun je het toch niet hebben dat mensen slapen tijdens de dienst of direct na de dienst beginnen over het weer of over die of die? Dan kun je het ook niet hebben, als predikanten een preek maken van opgestapelde waarheden, zonder dat daar werkelijk leven in zit!

Tweemaal hetzelfde?

Nu naar die twee ogenschijnlijk dezelfde teksten:
Vers 21: “Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”Vers 23: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.”

Zelf vind ik vers 23 een stuk duidelijker, ook naar alle remonstrantse denkers toe, dan vers 21. Want in vers 23 vloeit het bewaren van Gods Woord voort uit het liefhebben van God Zelf. In beide gevallen wordt de link dus gelegd tussen liefhebben en bewaren. En dat woord ‘bewaren’ is een nogal omstreden begrip.
Het woord kun je uitleggen vanuit de grondtekst als het ‘bewaken’ van een gevangene, of ‘conserveren’ van een kostbaar object. Dan zijn we vooral bezig met het afschermen van dat te beschermen object! Gods Woord wordt dan iets dat streng bewaakt moet worden, afgeschermd met allerlei regeltjes die als een hermetische kluisdeur moeten fungeren.
Je kunt het ook vertalen met ‘reserveren’. Dan loop je het gevaar anderen buiten te sluiten en je reserveert, conserveert of exclusiviseert het zelfs voor een bepaald publiek, waardoor het wel een heel bezitterig gebeuren wordt. Gods Woord wordt dan exclusief voor intimi.
Echter, je kunt het ook opvatten als ‘onderhouden’, dus in de praktijk brengen en er serieus én actief mee omgaan. Wel, het lijkt me duidelijk dat Jezus de liefde tot Hem graag geassocieerd wil zien met het ‘tot uitvoering brengen’ en ‘koesteren’ ja, zelfs ‘liefhebben’ van Zijn geboden, Zijn Woord. Daar heb je smaak in, als je tenminste van Hem houdt! Liefde tot Hem is dus ook liefde tot wat bij Hem vandaan komt: Zijn Woord.

Het verschil in de bovengenoemde twee teksten zit hem vooral in het einde van de teksten: "Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.” en “Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.” Er zit dus een link tussen ‘openbaren’ en ‘woning maken’. In vers 21 sprak Jezus nog over dat Hij Zichzelf ging openbaren, maar in vers 23 doen én de Vader én de Zoon (en eigenlijk ook, het hele Bijbelgedeelte bijeenhoudend, de Heilige Geest) iets. Ze gaan ‘woning maken’ bij of in die persoon die Hem liefheeft. Dat is, volgens Strong, metaforisch gesproken over de Drieënige God, “Die een enorm gezegende invloed uitoefent op de zielen van de gelovigen”. Woningmaken, residentie oprichten, een woonplaats creëren, heeft ook iets ‘blijvends’. In het Oude Testament zou dat denk ik zijn omschreven als ‘tabernakelen’, blijven wonen. Hoe heerlijk is dat, dat God in je blijft wonen (en dat de Heilige Geest in je blijft wonen, vers 16 en 17); dat is een voorproefje van de hemel, zoals Psalm 5 dat bezingt:
’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Vraag en antwoord?

Is het antwoord van Jezus dus een antwoord op Judas’ vraag? Wel, we hebben gezien dat Judas’ vraag niet in eerste instantie opkwam uit Jezus’ laatste woorden in vers 22, maar op de dingen die Hij al eerder heeft gezegd. Er is dus geloof en liefde voor nodig om die inwoning van Jezus in je hart te ontvangen. De wereld, heeft die niet, want ze kunnen ten diepste met die inwoning ook niet uit de voeten. Als God in je hart woont, moet alles eruit. Wil je niet alles eruit gooien, dan is er ook geen ruimte voor Hem.
Maar Judas wijst op nóg iets: dat heel specifieke ‘jullie wel’ maar ‘de wereld niet’! In de komende verzen gaat Jezus daar dieper op in en ja, Judas krijgt een prachtig antwoord op zijn vraag. Zal Judas het begrepen hebben? De Bijbel zwijgt erover.

Het is opmerkelijk dat we Johannes zo expliciet een denker en gevoelsmens noemen en over Judas meestal zwijgen. Ik wil toch graag dit scheefgetrokken beeld rechttrekken en Judas een scherpe luisteraar, hoogsensitief en misschien wel hoogbegaafd, noemen. En Johannes heeft dit wel opgeschreven, maar op dat moment toch net even iets minder door gehad. Ik denk wel dat deze twee ‘hoogbegaafden’ een click met elkaar hebben gehad; dat zie je vaker. Zet twee hoogbegaafden in een grote groep en ze vinden elkaar, vaak zonder veel woorden…
God verbindt harten door Zijn liefde aan Zichzelf en hij verbindt ook harten onderling aan elkaar. Harten die elkaar aanvoelen, elkaar opscherpen, dezelfde soort vragen stellen en dezelfde verrukking, beleving en sensitiviteit kennen met betrekking tot de HEERE en Zijn Woord. Noem het ‘gemeenschap der heiligen’ in een misschien voor de grote massa te kleine, te enge, context. Ik denk dat God daar anders tegenaan kijkt. Die ‘buitenbeentjes’ worden vaak gillend gek in de grote massa van een gemeente, maar blijven er toch bij gehouden door dat gouden gevoelsdraadje dat hen met die ander(en) verbindt. Je zou willen dat de grote massa dat ook zag, begreep en koesterde.

donderdag 31 augustus 2017

Het is goed om vragen te stellen

“Judas, niet de Iskáriot, zeide tot Hem:
Heere, wat is het dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?”

Johannes 14 : 22
 


In toenemende mate vragen mijn vrouw en ik ons af waarom zo weinig mensen goede vragen stellen. Is het omdat ze dingen niet signaleren? Wordt informatie aangehoord (het ene oor in) maar landt het niet (het andere oor uit)? Op tal van terreinen, de kerk, de school, het dagelijks werk, ervaren we dat mensen informatie heel anders verwerken. Het lijkt wel of de materie niet werkelijk doordringt. Of dat zo is, kun je pas weten als je mensen ook spreekt. Maar… inmiddels laat het 'niet reageren' ook een indruk achter.
Ik vermoed dat veel mensen zich onnodig schamen voor het stellen van vragen. Als zouden zij blijk geven van hun domheid, wanneer zij vragen stelden. Er is niets zo goed als duidelijkheid verschaffen en misverstanden voorkomen. In de communicatie tussen mensen is dat wezenlijk en onmisbaar. Al in een eerder stadium werd ik door de tekst die vandaag aan de beurt is getriggerd. En dat kwam met name door wat ik in de Bijbelverklaring van Dächsel las:
"De discipelen deden recht, dat zij hun onwetendheid bekenden en door vragen om verder onderricht verzochten; hun vragen geven ons voortreffelijke vruchten, omdat zij Christus aanleiding gaven tot nadere verklaring en bevestiging."

Dächsel, of wie de verklaarder ook is die hij citeert, duidt het dus juist positief als je vragen stelt. Niet uit betweterigheid of eigen eer ("Hoor mij eens intelligent zijn"), maar om kennis te vermeerderen. En… zo zien we, daar hebben wij vandaag de dag dus profijt van. De vraag van Judas zet Christus aan tot vertellen en zo leren wij Hem beter kennen!

Vragen stellen verootmoedigt

De vraag van Judas wordt niet gevolgd door een verwijt, zoals bij Filippus. Jezus maakt onderscheid in het type vraag dat we stellen. Open deuren prikt Hij door; de bekende weg hoeft Hij je niet te wijzen. Maar Judas, dat moet ik toch wel zeggen, trekt de stoute schoenen aan om na Filippus toch nog een vraag te stellen. Het moet een wat verwarrende situatie geweest zijn daar aan tafel. Je merkt uit alles dat een deel van de informatie uit Jezus' mond over hun hoofden gaat. Ze voelen dat er iets in de 'lucht' hangt, maar ze bevatten het nog niet; daarmee ontgaat hen denk ik ook een deel van Jezus' woorden. Toch gaat het niet het ene oor in en het andere uit. Want 'nadien zult gij het verstaan' betekent dat het tijdelijk ergens opgeborgen ligt in hun geheugens!
Niettemin moest Judas een stuk schroom overwinnen om zijn vraag toch te stellen. Gelukkig deed hij dat! In het citaat van Dächsel stond dat de discipelen, bij monde van Judas, er goed aan deden hun onkunde eerlijk toe te geven. Op die manier gaven ze Jezus de eer en gingen aan Zijn voeten zitten, zoals een discipel bij zijn rabbi altijd deed. Even, let erop, waren ze niet meer druk met de discussie: wie is de meeste? Ze waren even allemaal 'de minste', de onwetende, die nader onderwijs nodig had.

Vragen stellen verbindt

De vraag van Judas verbindt de discipelen ook aan elkaar. En… het verbindt hen aan Jezus; dat vooral! Samen luisteren naar de Heere Jezus wist alle verschillen in ontwikkeling, ervaring, beleving uit. Als je aandachtig luistert, een en al oor bent, getroffen wordt door wat Jezus te zeggen heeft, en je keert weer tot de werkelijkheid terug, dan ben je diep dankbaar dat iemand die vraag heeft durven stellen. Misschien was je zelf wel nooit op het idee gekomen zo'n vraag te stellen. Je merkt dat anderen, die anders denken, beleven en ervaren, weer andere dingen opmerken dan jijzelf. En dat verbindt als het goed is. Maar als Judas vaker dit soort vragen zou hebben gesteld en de andere discipelen stelden nooit of slechts zelden zulke vragen… hoe zou hij dat dan hebben ervaren? Zou hij hebben gedacht: "Ben ik nou zo raar, dat ik dit soort vragen stel? Denken de anderen daar dan nooit over na? Waarom krijg ik het gevoel dat iedereen alles maar aanhoort, zonder dat het iets raakt en doet van binnen?" In die zin kun je ook zeggen dat het de andere discipelen positief moet raken en in beweging moet brengen, dat Judas hier een vraag stelt die hout snijdt. Alleen al van de vraag kun je leren! Laat staan van het onderwijs dat die vraag oplevert.

Vragen stellen verdiept

We horen Judas maar zelden spreken! Dus zijn we hem te meer dankbaar voor deze vraag. Want nu ontvangen ook wij meer onderwijs! Lees dat citaat uit Dächsel maar: "hun vragen geven ons voortreffelijke vruchten, omdat zij Christus aanleiding gaven tot nadere verklaring en bevestiging". En als Jezus gaat praten – of tot praten wordt aangezet – valt er van alles te beleven en te leren.
Veel onderwijs in de praktijk is een wisselwerking tussen theorie en praktijk. Hier geeft Jezus theorie vooraf, zodat Hij er straks, in de praktijk, met hen over door kan praten. En die praktijk strekt zich uit tot na Zijn hemelvaart. Wat is er voor de discipelen een gigantische verdieping bewerkt door de Heilige Geest Die met Pinksteren is uitgestort! Zo werkte Christus zelfs nadat Hij was opgevaren. Hij bouwde verder en door Zijn discipelen heen bouwde Hij Zijn Kerk ook uit! Meer van dezelfde informatie kan tot de reactie leiden: “Ja, nu weet ik het wel.” Maar bij Jezus gaat het zeker weten altijd verder de diepte in.

zondag 12 juni 2016

Als je kind er buiten blijkt te staan

Judas, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
De fotograaf James C. Lewis kon het niet nalaten onder Judas' naam naast 'Disciple' ook de toevoeging 'Betrayer of Jesus Christ' te plaatsen. Ik neem het hem niet kwalijk… iedereen weet precies wie Judas Iskarioth was, wat een Judaskus is en een enkeling zal weten dat er nog een betere was, Judas Jakobi (Thaddeüs in het hebreeuws), in de vriendenkring rond Jezus. Je moet de Yin-Judas (de duistere) duidelijk scheiden van de Yang-Judas (de verlichte), nietwaar? We hebben ons oordeel vrij snel klaar als het over Judas gaat, maar wat zouden onze oordelen doen met de vader en moeder van Judas, als zij ons hoorden praten?

Jaren geleden hoorde ik een meditatie van ds. J.J. Poort over de moordenaar aan het kruis. Jezus sprak: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn…" Dominee Poort nam de luisteraars mee naar de moeder van de jongen die door deze man was vermoord. Genade? Voor de moordenaar van mijn kind? Lekker makkelijk zeg, net voor de poorten van de dood. Dat 'effe anders kijken naar zo'n bekende situatie' trof me wel in mijn tienerjaren. Gisteren werd ik door onze dominee gewezen op het boek van ds. H. Veldkamp met de titel 'Dubieuze posten' vanwege mijn vragen over Manasse. Interessant om te lezen hoe deze theoloog ons even anders laat kijken naar bijvoorbeeld de bekering van Manasse. Het is inderdaad maar de vraag of er sprake van een bekering was… de Bijbel zegt er eigenlijk niet echt iets duidelijks over. Wat ik leerde uit dit boek was dat er meerdere kanten aan zo'n verhaal zitten. En met Judas is dat eigenlijk ook. Ik wil me verplaatsen in de vader en moeder van hem en ik probeer te schetsen – in navolging van een bijbelstudie die ik afgelopen seizoen hield over 'Verduiveld gedrag', waarin ik ook Judas beschreef – wat er in hem moet zijn gebeurd rondom zijn afhaken.

"En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? 
Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd."
Mattheüs 26 : 25

Je zult maar zo'n kind hebben

Wat zal er door Simon en zijn vrouw in Kerioth gegaan zijn, toen hen het bericht bereikte dat hun zoon Juda zichzelf van het leven had beroofd? "Juda, gij zijt het," had vader Jacob geroepen. Ze hadden hun zoon naar deze aartsvader vernoemd; hij was een zoon die hen hoop gaf. Toen hij later te kennen gaf dat hij zich had aangesloten bij de groep rond Jezus van Nazareth, had Simon nog even gedacht dat het een van de vele bevrijdingslegertjes was. Verzet tegen de Romeinse overheersers had hij altijd al toegejuicht. Zijn vrouw had bezorgd gekeken, maar toen bleek dat die Nazarener een rabbi was, zonder zwaard en geweld, had het hen enigszins gerustgesteld. Waar kon je kind beter terechtkomen dan aan de voeten van een rabbi?
Toen echter onrustbarende geruchten over die Jezus van Nazareth de ronde deden, als zou Hij de Zoon van God zijn, was de angst weer naar de oppervlakte gekomen. Judas, die stille, super zelfstandige zoon was in een sekte terecht gekomen! En daar hadden ze er al een paar van gehad, de afgelopen tijd. Theudas bijvoorbeeld; of wat dacht je van Judas de Galileër, die een tijdje na hem van zich deed spreken? Ook al een Judas… zou het in de naam zitten? Nee, zij hadden hun zoon toch écht vernoemd naar stamvader Juda… Uit hem zou immers de Messias voortkomen, die een heerser in Israël zou zijn? Wel, heel simpel, dat kon die Jezus van Nazareth (uit Galiléa) nooit zijn! Waar was hun zoon toch in terecht gekomen?
Lange tijd hadden ze niets meer van Judas vernomen. Wel geruchten over die Jezus. Bij tijd en wijle trok Hij met Zijn volgelingen naar de tempel in Jeruzalem. Het leek hen toch wel een trouw volgeling van de wetten van Mozes. Maar die opzienbarende verhalen… die wonderen en die confrontaties met de geestelijke leiders in Jeruzalem.
Een keer hadden ze Judas gespot in Jeruzalem, toen ook Simon en zijn vrouw waren opgegaan naar de tempel voor het Loofhuttenfeest. Ze hadden hem zien staan te midden van een groep, dichtbij die Jezus, Die opeens was begonnen te spreken in het openbaar: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien." Er was commotie ontstaan. Hier riep er een: "Dit is de grote Profeet, die Mozes had voorspeld", daar wreef iemand vertwijfeld over zijn baard en mompelde halfluid: "Tja, dit moet haast wel de Christus zijn!" Achter hen hadden verschillenden verontwaardigd gereageerd: "De Christus? Ken jij je Bijbel niet, man? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?" Het had Simon en zijn vrouw in verwarring gebracht; een verwarring die hen persoonlijk diep raakte, want hun zoon was erbij betrokken.
En nu was Jezus gekruisigd als een misdadiger. Ook al zo'n raar gebeuren. Niemand kon duidelijk aangeven wat Hij had misdaan. Maar Hij was dood; hoe dan ook. Echter, Hij was niet de enige… hun zoon Juda had zich in een ravijn gestort. Hoe is dat toch mogelijk? Judas! Die zelfstandige denker; ja, hij was onbereikbaar soms en trok zijn eigen pad. Maar ze hadden het nog kunnen accepteren dat hij met die rabbi meeliep, al waren ze wel argwanend over Jezus. Maar dat ook Juda nu zichzelf… Langzaamaan druppelde nieuwe feiten over zijn dood de villa in Kerioth binnen. Hij zou smeergeld hebben aangenomen. Hij zou bij een corruptieschandaal zijn betrokken. Hij zou Jezus hebben verraden. Zat hij in geldnood? Waarom had hij dan nooit bij hen aangeklopt? Zij hadden genoeg geld. Waarom… 
Wat gaat er allemaal door je heen als je kind een strafblad blijkt te hebben, zonder dat je dat hebt geweten en er iets aan had kunnen doen? En nu is het te laat. Voor eeuwig!

Je zult maar bij Jezus horen

Op een van Jezus' eerste tochten naar Jeruzalem was Judas tussen Diens volgelingen een paar oude bekenden tegengekomen. Jezus had ze Zelf geselecteerd, korte tijd daarvoor. Toen Judas aan Hem werd voorgesteld door Johannes Zebedeüszoon had Jezus hem doordringend aangekeken. "Volg Mij… met een volkomen hart", had Hij gezegd en de klank in Zijn woorden was vreemd, dwingend, ja, waarschuwend haast. Waarschuwend? Waarom? Om hem tot een 'ja' te dwingen of…
Judas voelde zich te midden van die onervaren en ongeletterde vissers niet helemaal op zijn gemak, maar met Johannes kon hij gelukkig wel goed opschieten. Die was toch wat meer ontwikkeld, hoewel hij ook visser was. Het was een denker met helder inzicht op politiek en geestelijk terrein. Vooral dat politieke zinde Judas wel. Het zionisten-, of eigenlijk het zelotenbloed, zat hem diep in de aderen. En met die Jezus van Nazareth, Die ook zo bijzonder eigenzinnig Zijn weg ging, leken zijn dromen over een vrije staat eindelijk waarheid te worden. Een staat, waarin Judas een toppositie met een topsalaris zou kunnen verwerven. Het leek hem een opgaande lijn naar een droomcarrière. En dat alles onder een perfecte, godsdienstige dekmantel.
Gaandeweg had hij zich binnen de vriendenkring rond Jezus een vertrouwenspositie verworven. Ze hadden hem bijzondere taken toebedeeld, en hij was er door gevleid: penningmeester. Het moest een dienende taak zijn, maar hij nam zijn functie wel serieus op. Hij gooide geen geld over de balk, want wat je weggaf was je kwijt. Er moest op termijn geïnvesteerd gaan worden en daar was veel geld voor nodig. Veel geld betekende ook veel macht.
Maar na een jaar of twee van afzien en rondzwerven met Jezus begon hij te twijfelen aan de realisatie van die toekomst. Elke Jood had gedreven genen in zijn bloed: gedreven voor de vrijheid van het eigen volk, het Volk van God. Die Romeinse overheersing was een doorn in zijn oog. Maar het leek Jezus hoe langer hoe minder te interesseren. De overheersing waar Hij over sprak, was die van de Joodse leidslieden, die de weg van Zijn Vader – zo noemde Hij dat – overheersten. Hij zette ze neer als vijanden van Zijn Koninkrijk. Vijanden? Judas snapte er niets van. De trots die hem had vervuld – dat hij bij die groep van deze opzienbarende rabbi uit Nazareth behoorde – ebde weg. Stond Jezus dan misschien een ander doel voor ogen? Ook de andere vrienden raakten hoe langer hoe meer in verwarring en dat irriteerde Judas. Sterker nog, Jezus begon over Zijn dood te spreken, als een offer voor de zonde. Waar was hun Leider toch mee bezig? Had Hij een tweede agenda?

Je zult er maar buiten staan

Langzaam maar zeker daalde een gevoel van afkeer in het hart van Judas. Hij begon financiën veilig te stellen, mocht het helemaal mislopen met Jezus. Want dan zou hij, Judas, zijn eigen bevrijdingsplan openbaar maken. Hij zag het al voor zich, hij, Judas, aanvoerder van de nieuwe bevrijdingsbeweging. Af en toe, maar in toenemende mate vaker, drukte hij geld achterover. Hij werd zuinig als er geld moest worden uitgegeven aan de armen. Hij plaatste kritische kanttekeningen als er ruimhartig moest worden gegeven. Die Maria bijvoorbeeld had nota bene een kapitaal vergoten over Jezus' voeten: zalf met de abominabele waarde van 300 penningen! Dat had duur kunnen worden verkocht ten behoeve van de armen, loog hij hardop. Jezus had hem boos en doordringend aangekeken. Nota bene had Jezus gesproken dat er later juist met respect zou worden gesproken in de hele wereld over deze verkwistende en zondige vrouw!
En later waren er nog meer voorvallen geweest. Jezus had gesproken over dat er eentje in de kring was die een duivel was. Verbaasd had hij langs Jezus weggekeken, maar in zijn ooghoeken probeerde hij te ontdekken of Jezus naar hem keek. Nog later had hij Jezus plots horen zeggen dat er eentje zou zijn die Hem zou gaan verraden. Hoe kon Jezus dat weten? Hij had een goede vriend contact laten leggen met een van de leden van het sanhedrin. Opperste geheimhouding had hij geboden; en ze zouden er zeker niet bij gebaat zijn als de boel verlinkt werd. 
Verraden? Ach, dat was zo'n zwaar woord. Met Jezus ging het overduidelijk de verkeerde kant uit. Ze konden Hem maar beter gevangen laten nemen. Doden mochten ze hem toch niet van de Romeinen. Gevangen zetten… net als Jozef. Even kwamen de woorden van aartsvader Juda, waarnaar hij vernoemd was, bovendrijven: "Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees…" Verkopen was handiger. Je kon nooit weten hoe het later allemaal zou gaan lopen. Het was misschien zo dom nog niet om Jezus toch nog ergens, ver weg, achter de hand houden.
Maar hoe langer hoe meer liet Jezus tussen de regels door voelen dat Judas degene was die er buiten stond. Het had hem getroffen, geïrriteerd en het had de kiem gelegd van haat, blinde haat. Die Jezus zat hem op de huid. Hij doorzag hem en blokkeerde al zijn plannen, maar Hij zei het nooit vrijuit! Judas zette het aanvankelijke droompje over de verkoop van Jezus, om in een concreet plan. Totdat… totdat hij erachter kwam – te laat – dat zijn broeders (de joodse leidslieden waartussen hij zich een latente ereplaats had verworven) iets heel anders van plan waren. Ze waren werkelijk ziedend op Jezus en zochten koortsachtig naar een mogelijkheid om Hem uit de weg te ruimen. Een en een is twee… 
Ach, wat zij met Jezus deden was toch Judas' verantwoordelijkheid niet? Voor hem moest Jezus alleen van het toneel af. Het was hem verder een zorg hoe zij dat afhandelden. Totdat die avond aanbrak, waarop hij de eerste concrete tip had gegeven: het sanhedrin moest zich paraat houden. Het proces was in een stroomversnelling gekomen toen Jezus Judas had ontmaskerd, te midden van de andere vrienden. Ongelofelijk dat de anderen het nog steeds niet door hadden. Wat een troep domme vissers was dat toch eigenlijk. Moest je daar de oorlog mee winnen?
"Ben ik het, Heere?" Dat laatste woord kwam nog met moeite over zijn lippen. Die eerste woorden raakten hem al niet eens meer. Hij was opgestaan en weggelopen. Jezus had hem nog een duwtje in de rug gegeven eigenlijk! Het was nacht. Stikdonker, ook in zijn hart. Alleen zijn ogen gaven licht: ze flikkerden van haat. Hoe had Jezus het gedurfd!
Na de kus in Gethsémané had hij zich teruggetrokken in de achterhoede. Zoals een pyromaan vaak staat te kijken bij het blussen van de brand die hij zelf heeft aangestoken, zo stond Judas in de hof van Kajafas te zien hoe dit ging aflopen. En opeens vielen de schellen van zijn ogen. Hij had Petrus driemaal horen liegen over zijn band met Jezus. Hij had de haan horen kraaien. Hij had Petrus bedroefd zien wegvluchten en Jezus zien kijken naar Petrus. "Ik heb voor u gebeden," had Jezus gezegd. 
Opnieuw merkte Judas dat hij er buiten stond, want Jezus keek niet naar hem! Maar ditmaal vervulde hem dat niet met haat, maar met uitzinnige angst. Hij hoorde er inderdaad niet bij, bij Jezus. Loepzuiver doorzag hij dat Jezus alles wist, Gods Zoon was, Zijn enige redding. Echter… niet voor Judas. Kraakhelder schetste de satan alle beelden voor ogen bij Judas. Wat hij had gedaan, gedacht en gevoeld. Voor jou geen plek, sliste diabolos. Een bovennatuurlijke waanzin vervulde hem. De eeuwigheid kwam als een Temple of Doom op hem af en vluchten kon niet meer. Het was te laat. Hij sloeg zich op het hoofd, om die gedachten te stoppen, maar het wilde niet. Hij rende naar buiten en even buiten de stad brulde hij de nacht in, om zijn angst weg te schreeuwen, maar het hielp niet. De brand in zijn hoofd en hart werd niet geblust. 
Voor hem in de donkere nacht gaapte een nóg donkerder gat. Was het de hel? Of was het de hemel? Het was zwart en donkerder dan duister. Zou daar lafenis te krijgen zijn? Het was over… dit gat was zijn enige redding om weg te komen van die angst. 
Nog één plan moest worden uitgevoerd, want er brandde niet alleen angst in zijn hart, maar ook geld in zijn zak. Hij keerde zich bruusk om. Het begon al te lichten. In volle vaart liep hij de stad weer in, betrad de voorhof van de tempel en zocht naar een paar priesters die bij het verraad betrokken waren geweest. Toen hij ze zag, krijste hij dat hij onschuldig bloed had vergoten en smeet het geld in volle vaart over de vloer van de tempel. Geschrokken keken ze wie dat lawaai in Gods Rustoord maakte. Judas? In de verte zagen ze hem gaan. 
Hij had nog maar één doel voor ogen. De smak van het geld had dat waanzinnigmakende gevoel in zijn hart niet gestild. Zijn belijdenis van schuld evenmin. Er moest meer gebeuren. Een offer… het offer van zijn leven. 
Weldra fladderde een mantel van de steilte. De doffe smak die het daar beneden in het Kidrondal maakte, vertelde dat er een lichaam in zat. Langzaam kleurde het linnen rood en doofde de uitzinnigheid in het hart van Judas op aarde…

Een paar uur later had de boodschap van deze zelfmoord het huis van Simon in Kerioth bereikt. Het vulde de voorgaande geruchten ijzingwekkend in. Het zal je zoon maar wezen! Wat zal het hebben gedaan in het hart van Simon en van zijn vrouw? Het kind dat zij had gebaard en het leven dat was geschonken en gespaard, was na een jaar of dertig, in de kracht van zijn leven, gesmoord. Vermoord… Waarom? Zij zullen waarschijnlijk de echte toedracht niet hebben geweten en al helemaal niet hoe Judas' laatste momenten waren. Ze hebben slechts kunnen gissen. En al hun gissingen maakten het verdriet alleen maar ingrijpender en pijnlijker. 
Een ziel, verloren voor de eeuwigheid. Dat is de klem die op ons ligt, zolang onze kinderen de HEERE nog niet kennen. Zolang ze buiten Christus zijn, kan het je toch niet onbewogen laten dat elke dag hen dichter bij de ontmoeting met God de Vader zal brengen, zonder dat God de Zoon voor hen in de bres zal springen? Snap je de klem en bid je mee voor al die mensen in je gemeente die nog niet werkelijk verzoening in Christus gevonden hebben?

maandag 29 juni 2015

Als God laat merken wat HIj van je vindt

"En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;
Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel."
Genesis 4b-5
"Ja, Kaïn kon er dus niks aan doen," zou een jongere misschien kunnen reageren op de dagtekst. "Hij offerde net als Abel; toch zag God Abel en zijn offer wél aan, maar Kaïn en zijn offer niet. Wat was er mis? Twee gelijkwaardige offers, twee broers. De een wordt aangenomen, de ander verlaten. Pech, je kunt er niets aan doen." Dat is het voortdurende dispuut over de predestinatie.


Wel of niet aanzien

Laten we eerst eens kijken naar dat woordje 'aanzien' (sha'ah). Het betekent 'aanschouwen', 'toeschouwen' of 'bezien' als ook 'zich afkeren' of 'zich afwenden'. Dat lijken toch duidelijk twee tegengestelde dingen: ergens naar kijken, of ergens van wegkijken.
Over het algemeen komt het woord in deze, in zekere zin tegengestelde betekenissen voor in de Bijbel. Je zou, kort door de bocht, kunnen stellen dat God eigenlijk net deed of Hij het offer van Kaïn niet zag en alleen maar aandacht leek te hebben voor Abel en zijn offer. Dat kan je wel eens overkomen in het dagelijks leven, dat iemand 'straal' langs je heenkijkt en net doet of lijkt te doen alsof hij je niet ziet staan. Iemand die zo doet, wekt onze aversie op, nietwaar? Dat is ronduit asociaal. Zo ga je niet met elkaar om, vinden we. Hoewel we toch innerlijke niet altijd onze afkeer van iets kunnen onderdrukken, maken we elkaar wijs dat je het toneelspel van aardig zijn voor elkaar moeten opvoeren. Alsof niemand eens wegkijkt. Irritatie is een gegeven van na de zondeval. Maar… God staat nog steeds vóór de zondeval, als je begrijpt wat ik bedoel. Hij is niet gevallen en is dus rein en zuiver van motief. Hij is ook vrij om sommigen aan te nemen en anderen te verdoen, naar Zijn rechtvaardig oordeel. Hij is – zo noemen we dat – souverein.
Maar is dit hier aan de orde? Al eerder – in de vorige bijbelstudie – zagen we dat de diepere motivatie achter Kaïns offer anders was dan die van Abel. Zou Gods kijken daarmee verband kunnen houden?


Kijken met vermaak

Er is één plaats in de Bijbel waar dit woord anders wordt vertaald. Psalm 119 : 117 luidt als volgt: "Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken." Daar wordt het woord sha'ah vertaald met 'vermaken'. Als God met een waardeoordeel naar de beide offers keek en naar de persoon die offerde, dan moest Hij beide offers afwijzen. Twee broers, buiten het paradijs, besmet met de erfzonde van hun vader en moeder. Dan kan nooit iets worden.
Maar zou het kunnen zijn dat het verschil in Gods kijken hierin ligt dat Hij naar Abel en diens offer met 'vermaak' kijkt?
In Hebreeën 11 : 4 lezen we: "Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is." De Kanttekeningen wijzen op deze tekst als ze stellen: "Habels persoon en offerande waren God aangenaam van wege zijn geloof, ziende op de offerande des beloofden Messias." De HEERE ziet in Abel en zijn offer iets van Zijn Zoon en Diens komende offer. Nog simpeler: Hij ziet er Zijn Eigen werk in terug.
De negatieve spiraal die de zondeval heeft ingezet, is door God Zelf in een positieve spiraal van toewijding en aanbidding omgezet. Wat Abel hier doet is, zoals de HEERE het bij de schepping bedoelde. En dat vermaak bleef niet verborgen in de hemel. Het werd merkbaar op aarde.

Als God iets van Zichzelf laat merken

Hoe het voor Kaïn en Abel duidelijk werd hoe God erover dacht, is niet bekend. Oude prenten laten de rook van Abels offer omhoog gaan terwijl de rook van Kaïn verstikkend naar beneden walmt. Maar dat lezen we nergens. Ook zou het best kunnen zijn dat God met vuur uit de hemel antwoordde. Maar het staat er allemaal niet. Feit is dat Gods oordeel over de offers merkbaar werd.
Wat moet het voor Abel een intense vreude zijn geweest, toen hij merkte dat zijn offer God behaagde. Wat intens diep en heerlijk als je Gods goedheid mag ervaren in je diepe verootmoediging voor en toewijding aan Hem. Maar waar bij Abel de tranen van diepe vreugde over zijn wangen liepen, 'vervalt' het gezicht van Kaïn. Zijn gelaatsuitdrukking toont tien dagen storm. Zijn blik is onheilspellend, gemelijk. Grimmig smijt hij de rondslingerende spullen op een hoop en beent weg. Er ontstak geen vuur van Gods goedkeuring op zijn offer, maar er ontstak wel een ander vuur in zijn hart. Geen vuur van toewijding, maar van ergernis en haat. Haat richting zijn broer, maar eigenlijk richting God. Kaïn is – daar moeten we wel heel duidelijk over zijn – niet in de eerste plaats jaloers dat God zijn broer verkoos boven hem (hoewel dat gevoel er zeker bij zal hebben gezeten). Hij is bovenal grimmig over het feit dat God zijn hart doorzag. Net als Saul en Judas heeft Kaïn doorgekregen dat God hem liet merken dat hij er nog helemaal buiten stond, ondanks zijn godsdienstigheid. Dat wekte dus haatgevoelens op in zijn hart, die brandden als een sissend vuur. En dat werd zichtbaar voor Abel; misschien zelfs hoorbaar vanwege het tandenknarsen.
Dit is een heel eng punt, waarvoor ik luid en duidelijk wil waarschuwen. Want in de volgende Bijbelstudie zullen we zien dat de HEERE het er nog niet bij laat zitten. Hij – en niet Abel – gaat Kaïn achterna en klopt op zijn hart, schudt hem wakker en wijst hem op het afgrijselijke gevaar van haat en verharding. Herken jij zulke gevoelens? Ben je stoned? Niet high vanwege drugs, maar versteend vanwege haatgevoelens jegens God, omdat je merkt dat je nog buiten de zaligheid leeft en je onmacht gevoelt om daar verandering in te brengen? Ontspan je vuisten dan, nu, en doof het agressieve vuur in je hart en werp je met al je opstand voor Gods voeten. Roep, schreeuw het maar uit: "O God, hoor mij, ook al ben ik het niet waard! Wees mij, de zondaar genadig! Redt mij naar Uw belofte die U gaf in de doop. Doof het vuur in mij, breek de opstand weg. Verlevendig mij opdat ik leven mag voor U, voor U alleen!"

donderdag 2 april 2015

Niet steil afhankelijk maar afhankelijk van de steilte

"Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeën, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?
Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.
Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener."
Johannes 18 : 3-7


Eerder deze week hoorden we Jezus bidden: "Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde…" Ik zoom nog eenmaal in op die 'zoon der verderfenis', hij die een nazaat of product is van de verderfenis (of lees: de verderver zelf, satan). Vooral, omdat hij zolang is meegelopen met Jezus. Ik vermoed dat hij als enige heeft gezien waar het op zou gaan uitlopen. Je verraadt namelijk nooit je leider, als er nog perspectieven voor je zijn. Judas doorzag daarentegen dat er geen toekomst voor hem meer was. Het enige dat hem nog wat op zou leveren, is de uitlevering van Jezus voor 30 zilverlingen. De grote vraag is: wie heeft hem duidelijk gemaakt dat zijn plek bij Jezus eindig was en wie heeft hem dit laten concluderen?

Judas nam

Voorop gesteld dat Jezus de actieve Persoon bij uitstek is in heel het lijdensevangelie (immers Hij stapt naar voren en Hij geeft Zich gewillig), is er nog een tweede actieveling: Judas. Er is iets, buiten het blikveld van de discipelen veranderd. Pas later zal met name Johannes op diverse plekken tussen de regels door schrijven 'Judas die Hem verried' en 'want hij was een dief' en al dit soort toevoegingen. Hij is later terug gaan kijken wat er was gebeurd; van Petrus zegt hij iets in de trant van 'die Hem zou verlochenen', maar bij Judas deed hij dit soort dingen wel.
Er waren in Judas' optreden eerder in de tijd reeds zaken die pas later aan het licht kwamen; neem bijvoorbeeld het feit dat later bleek dat Judas een dief was. En iemand is nooit alleen maar een dief; meestentijds is er ook aanwijsbaar gedrag van leugenachtigheid en belangenverstrengeling. Het feit dat Judas niet veel in beeld is in de evangeliën versterkt het gevoel dat hij voortdurend buiten beeld wilde blijven, om vervelende vragen te ontwijken. Dit heeft hij tot het laatste Avondmaal kunnen volhouden, maar hij heeft wel gemerkt dat Jezus hem doorhad. Het feit dat zijn reputatie zou instorten – en daarin vormde Jezus uiteindelijk de belangrijkste bedreiging voor hem – heeft Judas' houding op de achtergrond doen veranderen. Het is te simpel om te zeggen dat hij zich aan Jezus' lijdensweg begon te ergeren en daarom tot zijn verraad overging.
Hij is enerzijds bang voor Jezus geworden, omdat Die hem doorzag. Het feit dat Jezus hem openlijk en toch beschermd heeft toegesproken aan de tafel (Johannes 13:21-32) maakte dat we in dat tekstgedeelte lezen: "En na de bete, toen voer de satan in hem". Dit is een heel enge mogelijkheid voor meelopers. Mensen, niet zoals Kaïn en Ezau – grof onverschillig – maar die vooral fel voor de waarheid op zich zijn, zonder dat zij een uitgesproken mening durven te hebben over Hem vanuit Wie de waarheid afkomstig is. Men bekritiseert kleurloos met veilig juiste termen; geeft vooral aan wat het NIET is, maar durft nooit tot een uitspraak te komen Wie Jezus nou daadwerkelijk voor hen is.
Ik doel niet op hen die bescheiden, kleindenkerig over zichzelf, nooit tot grote uitspraken durven komen. Maar ik heb het over hen die wel geluid in de kerk produceren, maar weinig inhoudelijks over de zaligheid en de Zaligmaker kunnen zeggen. Het zijn typen, zoals de beursdrager Judas; vooraanzittingen trekken hen, maar geestelijk leidinggeven is er niet bij. Het Avondmaal is vooral voor diegenen, die je eigenlijk nergens meer vindt; vroeger had je nog weleens zulke mensen. De Doop hangt er maar zo'n beetje bij. Bijbellezingen zijn belangrijk, maar gespreksgroepen en preekbesprekingen, bezinning en meditatie is aan hen niet besteed! Godsdienst, maar geen levend geloof.
Je zou zeggen dat dat toch wel eerder zou zijn opgevallen in een kring met mensen als Petrus, Jacobus en Johannes… maar niets is minder waar. Hoe is het mogelijk dat een figuur als Judas zo'n vooraanstaande positie kon innemen, zo annoniem tegelijk kon blijven dat de discipelen op dat cruciale moment aan de tafel – wanneer Jezus de bete Persoonlijk aan Judas gaf nota bene – nóg denken dat hij misschien nog iets moest gaan kopen voor Pesach, of… een gift aan de armen moest gaan geven. Op dit moment had toch de zaal kunnen verstarren, de blikken zouden Judas bevroren hebben aangezien en Judas zou met een ruk zijn opgestaan van de tafel en de deur zijn uitgestormd richting het Sanhedrin. Maar Jezus houdt hun ogen dat zij op dat moment nog niet zien wat er werkelijke gebeurt.

Judas stond

Ben je voor of tegen? In een discussie kan dat met woorden worden uitgedrukt. In een ruzie op het schoolplein kan een kind soms vermoeden dat iemand tegen hem is, wanneer hij qua positie dichter bij de tegenpartij staat; zonder dat die persoon – een medeleerling of een meester/juffrouw – dat ook daadwerkelijk zegt. Merkwaardig soms.
In het gedeelte van vandaag gaat dat min of meer ook op voor Judas: "En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen."  Bij hen: bij de meute die Jezus gevangen kwam nemen. Een passieve houding kan nog in het voordeel van iemand pleiten. Niets is minder waar bij Judas. Hoe hij zich aanvankelijk nog wegmoffelde, Johannes – en ik denk alle andere discipelen ook – zag hem; en vooral: Jezus zag hem. Hier ontmoeten hun blikken elkaar weer voor het eerst na de Paasmaaltijd. Jezus' blik heeft hem niet ineen doen krimpen, zoals Jezus' blik bij Petrus deed nadat hij Jezus had verloochend. De blik van Jezus heeft Judas juist gestimuleerd verder te gaan op het ingeslagen pad.
Het feit dat Judas bij hén stond – die meute – vertelt ons ook dat hij nog tweemaal de kans kreeg om ergens anders te gaan staan… Immers Jezus vroeg tot tweemaal toe "Wie zoeken jullie?" Na Zijn antwoord 'Ik ben het', vielen zij achterwaarts. Ook Judas!

Judas verried

In een ander evangelie lezen we dat Judas daarna op Jezus toetrad en hem kuste; een groet, maar ook een afgesproken teken, waarmee Judas had afgesproken de Persoon Die zij zochten aan te wijzen. Wat was de reden van dat teken? Ze kenden Jezus toch allemaal? Het zal met de romeinse soldaten en leiders te maken hebben gehad die er zeker van wilden zijn dat ze de juiste persoon pakten. Die joden vertrouwden ze niet; wat hadden ze al vaak voor trammelant gezorgd. Maar nu is er ook een intimi vanuit de kring van die Jezus bij… hij zal tonen dat ze de juiste zullen grijpen.
Judas verraad. Hij zegt niets smadelijks of verachtelijks. Dit geeft Judas een nóg schimmiger imago dan hij reeds had. Hij doet schijnheilig vriendelijk, maar weet ondertussen haarfijn wat hij uitspookt. En dat weet Jezus ook. Judas wil van Jezus af, om zelf voor de goegemeente de rechtvaardige te blijven. Hij rekent echter mis. Hij wordt door Jezus gebruikt, zodat Die juist daar komt waar Hij wezen wil: aan het kruis, op het altaar! Judas werkt mee aan een oneerlijke berechting van de Joodse maffia en aan een pseudo-eerlijk vonnis van de staatsrechter Pilatus en zijn maatje Herodus. Uit de mond van twee of drie getuigen zal alle ding bestaan; ook het bewijs dat Jezus zonder Eigen schuld wordt veroordeelt. Dit is precies hét bewijsmateriaal, dat mede door Judas' actie wordt bewerktstelligd.
Tot slot… wat was de rol van Judas? Was hij – zoals ook weleens in The Passion wordt uitgebeeld – de tweede heiland, die voor een doel stierf? Was hij een pechvogel die verkeerde vrienden had? Was hij de trieste figuur die op het verkeerde paard had gewed? Laten we tot slot luisteren wat Judas er zelf van zegt: "Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!" (Math. 27:4). Waar David berouw toonde over het onschuldig bloed en zich vernedert voor de HEERE, rent Judas weg omdat zijn positie nu echt onhoudbaar is geworden. Nu blijkt – en die woorden komen nota bene uit zijn eigen keel – dat hij verraden had en schuldig was aan Jezus' onschuldig bloed. Hier… nog een getuige dat Jezus onschuldig was en dus volkomen geschikt was om het offer voor de zonde te brengen. Judas is geen aanklager, maar een vrijpleiter van Jezus. Evenwel stond hij aan de verkeerde kant en wilde niet buigen. In pure waanzin – omdat nu weldra zou blijken in heel Jeruzalem dat hij een verrader en en een dief was – ziet hij geen andere weg dan de steilte af, te pletter. Gelukkig nam hij geen anderen in zijn val mee, zoals die co-piloot van dat duitse vliegtuig. Hij koos dezefde weg van die belgische politicus die vandaag werd gevonden in een kanaal, nadat zijn positie onhoudbaar was gebleken. Het is de afgrijselijke weg die ook Saul ging, toen hij zag dat God bij David was en van hem was geweken. Het was de loden last, een verbondskind te zijn en buiten het verbond te staan.
De weg die Saul en Judas kozen tonen ons, waar de satan op uit is. Velen in de kerk en daarbuiten kiezen niet de manier van Judas of Saul, maar gaan wel op dezelfde manier om met hun zondelast. Ze lopen weg, zwijgen Jezus dood, en proberen zelf onder die last vandaan te komen. Laten deze twee schrijnende gevallen ons tot waarschuwing zijn, dat er op deze manier nooit heil te verwachten is. De zondelast hef je niet op met vrome woorden of eigen gekozen wegen buiten Christus. Hij, het Offerlam bij uitstek, heeft een offer gebracht dat groter was dan de zonden van Judas of Saul, ja het was zelfs groter dan de last van Paulus, de grootste der zondaren! Hoor je me? Laat de satan, in welk vroom kleed hij zich ook wikkelt, toch nooit ingang krijgen in je denken, alsof het allemaal niets meer uit zal halen wat je doet. Vlucht tot Jezus! Tot Jezus alleen…