Posts tonen met het label Christus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Christus. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

vrijdag 30 maart 2018

De gezalfde gehangen tussen hemel en aarde

De loyale van de royale - XII

…en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-san. Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
1 Samuël 31 : 10-12

Wat me trof in deze verzen? Misschien wel het meest trieste: dat iedereen zijn handen aftrekt van de gezalfde des Heeren! Wat je ook van Saul kunt zeggen, David was er kraakhelder over: hij is en blijft de gezalfde, de ‘christos’ zoals het in het Nieuwe Testament zou worden genoemd. En hoe extreem is dat in Jezus de Gezalfde werkelijkheid geworden. Hij werd uitgespogen door alles en iedereen. In tegen­stelling tot Saul niet door Eigen schuld. Nee, Hij werd tot zonde gemaakt!
Het tweede is: het erbarmen dat uit Gilead kwam. De mannen van Jabes waren de enige die zich vermanden en op pad gingen om de lichamen van de gezalfde en zijn zoons te zoeken en veilig te stellen van de verdergaande spot en smaadheid.

Ik zie in hen een lijn naar Jozef van Arimathea en Nicodémus lopen. Met name Jozef heeft zich vermand en eiste van Pilatus het lichaam van Jezus. Dat was waarlijk een heldendaad, want daarmee bekende hij zodanig kleur, dat hem dat zijn plek in de Joodse Raad zou kosten. Wie wilde een vervloekte in zijn graf hebben liggen? Maar het kon Jozef niet meer schelen: Hij wilde Zijn Jezus zelf begraven. Daarover de volgende keer. Arimathea… het is de griekse vertaling van Rama(th) en dat brengt ons terug bij Samuël, die er was geboren!
Op eenzelfde manier als Jozef zien we nu de mannen van Jabes naar Beth-San (of Beth-Shan of Beth-Sean) gaan. Die naam betekent overigens ‘Huis van Rust’! Deze stad lag vlakbij Gilboa, aan de oostkant van het gebergte, dichtbij de Jordaan. Jabes daarentegen lag aan de overkant van de Jordaan. Dus er is niet persé een logische verbinding tussen Beth-San en Jabes dan alleen dat het beiden het gebied van Manasse betrof, aan weerskanten van de Jordaan.

Bij de stad gekomen nemen ze de opgehangen dode lichamen van Saul en zijn zonen mee. De lichamen hingen daar als afschrikwekkend voorbeeld naar de joodse bevolking natuurlijk. Maar er zullen ook Filistijnen hebben gewoond in dat gebied, zoals we in de vorige tekst lazen. Als je de Bijbeltekst leest lijkt het voorspoedig te zijn verlopen. Ze nemen de lichamen mee… maar bedenk dat ze de dag ervoor al zijn gesneuveld en nu al enige tijd in de hitte aan de muur hingen. De lucht moet vreselijk geweest zijn; een lucht die je je leven lang zult onthouden. Maar de mannen van Jabes schrikken er niet voor terug.

Saul en zijn zonen moesten daar hangen en droegen deze boodschap uit: “hier had jij kunnen hangen…” Deze indoctrinatie pasten de Filistijnen toe om mensen te ontmoedigen tegen hen in opstand te komen. Ook Jonathans lichaam moest deze boodschap uitdragen!
Hoe anders is de boodschap van Jezus’ lichaam op deze Goede Vrijdag waarop wij het evangelie van Golgotha mogen horen: “Hij in mijn plaats zodat ik nooit zo ontluisterd zal worden als Hij”. Goed wil je geen angst inboezemen maar juist Zijn liefde voor jou laten zien in Zijn Zoon. Zie je het verschil? Wat Jonathan nooit kon, laat staan Saul, dat kan Jezus wel.

zondag 17 december 2017

De zoon moet sterven en het volk gaat vrij uit

De zoon van de boerenkoning - XV (slot)

Saul nu sprak tot den HEERE, den God Israëls: Toon den onschuldige.
Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrij uit.
Toen zeide Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt.
Saul dan zeide tot Jonathan: Geef mij te kennen, wat gij gedaan hebt.
Toen gaf het Jonathan hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste des stafs, dien ik in mijn hand had;
zie hier ben ik, moet ik sterven?
Toen zeide Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan!
gij moet den dood sterven.
Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote ­verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als de HEERE leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.
1 Samuël 14 : 41-45

Dat God zwijgt wijt Saul aan de zogenaamde goddeloosheid die men heeft bedreven door Sauls gebod te overtreden. Als dan niemand zijn mond wil open doen om te zeggen wie die zonde op zijn geweten heeft, dan gaat Saul over tot het gebruik van het ‘ultieme waarheids-medium’ dat God Zelf heeft aangewezen: het lot. En let dan eens op wat er gebeurt. let vooral op hóe Saul zijn vraag aan God stelt! En… wat (wie) God precies aanwijst!
Om de een of andere reden kiest Saul ervoor om God te laten kiezen tussen ‘het volk’ en ‘hem en zijn zoon’. Vermoedt hij al dat het Jonathan is? Anders maak je toch niet zo’n ruwe tweedeling? Let nu op wie God aanwijst, als ‘de onschuldige’ (letterlijk conform Sauls vraag aan God)!
Het lot – dus Gods aanwijzing van de onschuldige – valt op hem en zijn zoon Jonathan. Nu zou je verwachten dat Saul een onderzoek instelt onder het volk. Want: het volk is dus schuldig! Immers, God zou toch aanwijzen door het lot wie onschuldig was? Lees ook maar wat de Kanttekeningen opmerken: “Saul bidt in 1 Sam. 14:41: Toon den onschuldige, willende zeggen den schuldige. Maar God toont hier dien, die inderdaad onschuldig was, naar luid van Sauls woorden.” Merkwaardig!
Maar Saul heeft al snel zijn conclusies getrokken en hij zet de uitkomst naar zijn hand: het volk  heeft hij nodig voor zijn eigen eer en roem. En Jonathan zit zijn succes in de weg. Hij laat voor de vorm nogmaals loten, maar Saul weet voor zichzelf dat hij het niet kan zijn! De condities voor de loting blijven gewoon dezelfde: de vraag dat God de ‘onschuldige’ opnieuw zal aanwijzen. Immers, Saul zegt enkel: “Werp het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan”. Het lot valt op Jonathan! Juridisch strikt genomen betekent dat dus: Jonathan is onschuldig (zie ook de al eerder aangehaalde Kanttekeningen). Maar Saul gaat verder met zijn contra-uitleg van het lot. Laten we al deze dingen nog éénmaal op een rijtje zetten:
• de 1e loting: het volk is schuldig;
• de 2e loting: Jonathan is onschuldig en Saul is dus schuldig!

En let dan eens op Jonathan: hij legt uit wat hij heeft gedaan en zegt dan enkel: “Moet ik sterven?” Elk vaderhart zou breken; maar Saul verhardt! Dit gaat zijn positie juist versterken voor het volk, meent hij; en hij kan zich zo prima handhaven, als God hier zo duidelijk heeft gesproken, zo denkt hij. Hij zet de uitleg van het lot dus heel duidelijk naar zijn eigen hand.
Jonathan verdedigt zich niet. Let daar op! Hij wijst zelfs niet de onrechtvaardigheid van zijn vader aan. En hij roept zelfs het volk niet tot getuige voor hem, om zich door hen vrij te pleiten. Hij vraagt slechts: “Moet ik steven?”
Of, zoals een hebreeuws leraar ooit eens uitlegde bij Jezus’ woorden ‘Eli, Eli, lama zabachtani?’ ‘Sabachtani’ is Aramees voor ‘verlaten’; ‘Zabachtani’ is Hebreeuws voor ‘offeren’; ‘Azabhtani’ is Hebreeuws voor ‘verlaten’ (lees de Matthaüs Passion): “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij geofferd?” Of… “Moet ik geofferd worden?”

We zien hier in Jonathan iets oplichten, dat we bij Jezus zo intens zulen terughoren: “Zie Ik kom… om Uw wil te doen!” Later zouden het aanvankelijk Davids woorden zijn in de ons bekende
40e Psalm. Maar ze gingen in Jezus zo prachtig in vervulling.
Het was beter dat Eén stierf voor het hele volk, dan dat het hele volk verloren zou gaan! Ook hier in deze geschiedenis. Met dit verschil dat het volk het voor Jonathan gaat opnemen in vers 45. Het volk komt hem te hulp en houdt zich niet afzijdig met de woorden: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Geen “Weg met Hem” of “Kruisigt Hem!” Nee, we lezen in vers 45: “Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.” Jezus draait het om: “Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.”

Niet Izak moest sterven… Niet Jonathan moest sterven… Brandoffers en andere offers voor de schuld voldeden niet aan Gods eis en eer… Totdat Jezus zei: Zie Ik kom… De boekrol is niet alleen met Mijn naam vervuld, maar loopt uit op Mij! “Alzo verloste Jezus het volk, dat het niet stierf.”

dinsdag 12 december 2017

Sauls eerste offer en zijn ­bereidheid tot een mensenoffer

De zoon van de boerenkoning - XV


Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost,
al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.
En niemand uit het ganse volk antwoordde hem.
1 Samuël 14 : 39


Er wordt een grote slag geslagen onder de Filistijnen. En je zou denken: de HEERE is met Israël, dus wat kan er fout gaan? Als het volk de overwinning ruikt en de buit ziet, kunnen ze niet meer. Ze vreten zich gek aan het eten dat zomaar voor het grijpen ligt en staat. Ze slachten in het wilde weg en eten het vlees van de dieren halfgaar, terwijl het bloed er nog in zit; omdat ze zich geen tijd gunnen het vlees fatsoenlijk te koken of te braden. Dat was verboden!
Terecht grijpt Saul in als er iemand komt klikken: “Zie, het volk verzondigt zich aan den HEERE, etende met het bloed.” Dat verzondigen zit hem dus in het eten van bloed. Puur de wetsregel. Er wordt niet gesproken over het hart van het volk! Saul vermaant het volk met forse woorden, alsof hij zelf zo’n heilige was. Weliswaar geeft hij het goede voorbeeld nu. En zie daar… hij loopt verder het vrome pad op: hij gaat een altaar bouwen en laat een dankoffer brengen aan de HEERE. Heel sinister staat daar dat zinnetje bij: “Dat was het eerste altaar dat hij den HEERE bouwde.” Hij was al enige tijd koning, en dit was nog maar het eerste altaar dat hij voor God bouwde. Dat heeft ons iets te zeggen. Wanneer roepen wij de HEERE aan, als we een moeilijke klus moeten doen? Wanneer we verantwoordelijkheden moeten dragen die al gauw onze draagkracht te boven gaan?! Komt het er überhaupt wel van? Of moet de HEERE ‘hopen’ op een goede afloop, waarna Hij nog even snel de dank krijgt toegespeeld?

Maar dan gaat het mis. Saul wil weer aan de slag (letterlijk: de slag tegen de Filistijnen). Het is al iemand die zijn eten op heeft; hij heeft ervoor gebeden, alvorens het naar binnen te werken. Maar als hij de laatste kruimels uit zijn baard veegt, staat hij op om aan het werk te gaan. De hogepriester voelt zich gepasseerd en roept: “Laten we eerst nog tot God in het gebed gaan.” Je kunt wel denken dat je aan de slag moet, maar wat wil de HEERE? Nou, die vraag wil Saul dan nog wel stellen, voor de vorm. Wat is er tegen een beetje vroomheid? Dat ligt altijd al gevoelig bij het verbondsvolk. God een beetje te vriend ­houden; je kunt niet weten… Baat het niet dan schaadt het zeker niet.
Maar als Saul, via de door God aangegeven middelen, een antwoord van God vraagt, blijft het stil. En let erop dat dat telkens een waanzinnigheid bij Saul teweeg brengt. Kijk maar, later, in 1 Sam. 28:6!
Als God Zich niet laat commanderen, is Saul uitzinnig van woede en angst. Want ja, daarmee verlies je je gezicht voor de mensen (en daar is hij o zo gevoelig voor!).

Saul heeft haarfijn in de gaten dat er iets aan de hand is. Er moet iets gebeurd zijn, waarover God vertoornd is geweest. En let er maar op, dit soort mensen gaat altijd aan het spitten bij anderen: “Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt en ziet waarin deze zonde heden geschied zij.” Er klinken forse woorden uit Sauls mond als hij zijn volk voor zich ziet. Hij spaart niemand, al zou het zijn zoon Jonathan zijn: “Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven.” Vermoedde hij al iets? Was hij gebelgd over het succes van zijn zoon, terwijl hijzelf niets voor elkaar kreeg? Merkte hij een soortgelijke jaloezie als ook Kaïn in zich bemerkte jegens Abel? Dat zou best eens kunnen.

Wrevel is een venijnig gif. Als dingen niet lukken in de gemeente of in een persoonlijk leven, en bij andere (gemeenten) lukt dat wel, dan is wrevel een groot gevaar. Als mensen een bepaalde positie in de gemeente hebben, maar anderen worden meer gevraagd om hun mening dan zij… Als ideeën worden doorgedrukt, maar tegen­argumenten blijven venijnig overeind staan… Als bepaalde zonden en ­houdingen worden aangewezen, maar ambtsdragers kijken weg… Als predikanten worden aangesproken op onvoorzichtige en vooral ondoordachte, zogenaamd geestelijke termologiën en ideeën… De lange tenen van de godsdienst, waar het echte leven uit is; ja, waar het nooit in heeft gezeten. Geen hervorming of reformatie; geen bekering maar een doldriest doordraven op een doodlopende weg. Als je dit soort dingen ­signaleert, is het ­oppassen geblazen!

Saul deinst er niet voor terug om zijn zoon te doden, als die de zonde zou hebben begaan, waardoor Saul geen contact met God kan maken. We zien hier iets transparant worden van Christus die de dood in ging voor vijanden van Hem en van Zijn Vader; zondaren die geen contact meer konden krijgen met Zijn Vader. Niet uit eigen belang, maar omdat Hij Zijn volk – in tegenstelling tot koning Saul – zo intens en welmenend liefheeft. Daar gaan we in het volgende hoofdstuk nog wat dieper op in.
Grote tegenstelling vormt het volk, waarover we in de dagtekst lezen: “niemand uit het ganse volk antwoordde hem.” Niemand verraadt Jonathan. Geen “Kruisigt Hem!” Geen “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” Nee, ze nemen Jonathan als het ware in bescherming tegen zijn vader! Daar schuilt deels angst voor Saul achter, maar zeker ook eerbied voor die oprechte en dappere zoon van de boerenkoning.

vrijdag 20 oktober 2017

Speel geen spelletjes met satan!

“Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”
Johannes 14 : 30

Veel christenen onderschatten de gevaarlijke aanwezigheid van satan




In deze tijd waarin Halloween – nota bene op 31 oktober! – heel populair is geworden, lezen we over 'de overste der wereld' die komt. Daarnet zat ik achter een bus met een macabere plaat over een tentoonstelling over Halloween. Afschuw en horror geven mensen tegenwoordig blijkbaar een kick. Het spookhuis van vroeger voldoet niet meer. Hoe meer bizar, spectaculair en stuitend, hoe 'beter'. Hoe ver gaat die invloed van satan, dat mensen er geen probleem in zien?

Wij leven in een tijd, die omgekeerd is aan de tekst. De Koning van hemel en aarde komt en Hij zal alles in de hel wegwerpen, waar Hij niets aan heeft. Dat is de realiteit van de eindtijd. Daartegenover staat de werkelijkheid voor Gods kinderen: "En wij verwachten die dag met een groot verlangen, omdat we eindelijk bij Hem zullen zijn, Die ons heeft liefgehad met een eeuwige liefde!”

Spreken

Allereerst lezen we in de tekst dat Jezus vertelt dat Hij niet veel meer met Zijn jongeren zal spreken. Denk het je eens in dat Jezus het zwijgen ertoe gaat doen. Vind je dat ook niet aangrijpend en beangstigend? Is de situatie 'als God zwijgt' erger dan de hel voor je? Dan vind je Halloween walgelijk en vind je dat soort afbeeldingen, films en games ook weerzinwekkend en godslasterlijk. Dan is elke affiniteit met de hel, de satan en de demonen, iets dat je op grote afstand wilt houden. Jezus zegt in de tekst dat de overste van deze wereld 'niets aan Hem heeft'. Dat kon alleen Hij zeggen. En doordat dat ook zo is, moeten christenen de satan niet onderschatten. Want hij weet juist heel goed dat hij aan hen juist heel veel heeft. Maar daarover zo meteen.
Jezus zal niet veel meer met Zijn jongeren converseren. Dat betekent dat er een breuk aanstaande is en dat ze op eigen benen moeten gaan staan. Daarover was Hij in voorgaande verzen ook al best duidelijk. Toch denk ik dat deze woorden bij de discipelen een 1-dimensionale werkelijkheid hebben opgeroepen: radiostilte met Jezus; nu breekt het 'grote niets' aan. Echter, Jezus had ook gesproken over die andere Trooster, Die dingen aan hen zou leren (dus wel degelijk tot hen zo spreken), Die 'indachtig' zou maken en de kwartjes zou laten vallen (Hij riep Jezus' woorden weer tot leven in hen). Indirect bleef er dus spraken van het 'spreken van Jezus'.

Komen

Jezus doorzag de werkelijk problematiek als geen ander. Hij zag de satan komen. In Lukas 10 komen de zeventig discipelen weer terug bij Jezus, nadat ze overal het evangelie hebben gepreekt en wonderen hebben verricht; en opgetogen vertellen ze: “Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam”. Die euforie ontnam Jezus hen tóen al direct door te zeggen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.”
Jezus richtte toen reeds hun oog op de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Het is mooi als je 'machtiger' bent dan de duivelen, maar daarin ligt geen vastigheid. Je ziet dat terug in heel veel films, strips en games, waarin 'het goede' altijd momenten beleeft dat het niet is opgewassen tegen 'het kwade'. De meeste films lopen goed af, maar ze dragen allen hetzelfde motto: de macht van 'het goede' moet groter zijn dan de macht van 'het kwade'. Altijd weer is er de angst dat 'het kwaad' de kop op steekt. Die angst moet worden weggenomen door tegenkracht.
Maar dat is niet de weg die Jezus wijst. Zo zul je het nooit redden en altijd weer zal het dan ongewis blijven of 'het kwaad' misschien niet toch weer nieuwe wapens heeft uitgevonden, dat het je te slim af is… Zo zal de vernietiging alsnog het laatste woord hebben.
Daarin zie je dat deze wereld behekst is door angst, omdat er in de wereld nooit vastigheid en zekerheid bestaat over de definitieve overwinning. Als de mensheid het in eigen kracht moet fixen, zijn we ten dode opgeschreven. Want vergis je niet: de overste dezer wereld komt (en is gekomen!). Jezus zag hem al uit de hemel vallen. En denk niet dat dat vlak voor de zondeval gebeurde!
Jezus kreeg daar in Lukas 10 een voorproef van Zijn overwinning op Golgotha, over dood, graf en hel heen! En nu breekt dat moment aan, waarop Hij wel dwars door de dood in de heerlijkheid van Zijn Vader zal terugkeren, maar Hij ziet ook Zijn jongeren… die zullen met die 'overste dezer wereld' in conflict gaan komen!
Nogmaals, vergis je niet in de macht van satan. Dat zeg ik niet om je bang te maken, maar speel geen spelletje met hem. Jezus verbiedt het je, omdat je op Hem moet vertrouwen. Doe als Luther – nu we het toch over 31 oktober hebben – die menigmaal door satan werd belaagd en hem telkens weer duidelijk liet merken dat Luthers zekerheid vast lag in Jezus Christus en Die gekruisigd! Maar Luther is er evenzeer een toonbeeld van dat je niet moet spotten met satan. Zijn macht is reëel en vele malen vernietigender dan de sterkste macht van een mens. De pot inkt van Luther kon satan niet wegjagen; zijn zingen van psalmen daarentegen wel!

Verstoren

Jezus stelt dat de satan wel komt, maar aan Hem niets heeft. Toch zie ik Hem kruipen in de hof; toch hoor ik Hem angstig en afgemat roepen aan het kruis: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Je kunt misschien zeggen dat daar niet de satan aan het werk was, maar dat de breuk met Zijn Vader, vanwege de zondelast, Hem radeloos van angst maakte. Ik wil dat wel be-amen, want vlak naast de macht van satan de macht van de zonde ook niet uit! Toch is het waar dat satan aan Hem niets had.
Satan kwam in de arena van Goede Vrijdag op Jezus aan om Hem uit het zadel te wippen, Hem te laten struikelen in zonde, Hem te verleiden de makkelijke weg te kiezen. Dat zou hem echter niets baten, omdat hij misrekende met de macht van Jezus over zonde en angst.
Maar denk nu niet dat Jezus satan zozeer heeft overwonnen dat hij niets meer kan. De kop van de slang is wel vermorzeld, maar zijn staart kan nog rake klappen uitdelen. Dit ‘monster van Loch Ness’ weet dat zijn tijd nog maar kort is. Daar is de Bijbel duidelijk over. En elke satanische wereldmacht reageerde hetzelfde: als het merkte dat de ondergang nabij was, werden ze nietsontziend en allesverwoestend. Als overwinnen geen optie meer is, dan moet er maar zoveel mogelijk kapot! Als satan Jezus niet heeft kunnen tackelen, dan moeten Zijn kinderen het maar ontgelden. Natuurlijk weet de satan wel dat hij met die actie Jezus’ overwinning niet meer ongedaan kan krijgen. Maar hij zal er alles aan doen om Hem zoveel mogelijk te krenken. En wees eerlijk: onze Heere en Heiland is nergens zo zeer door gekrenkt als dat Zijn bruid Hem ontrouw is, Zijn Vader smaad en een karikatuur van Hem maakt door theologische of ongelovige theorieën. Onze bruidegom is nergens zo door gekrenkt als door het negeren van Hem, het bedroeven en uitblussen van de Geest en het vergeten van de grote Huwelijksdag, de Jongste Dag. Bedenk dat Jezus naar je staat te kijken als je je inlaat met zaken als Halloween, zaken die horen bij het rijk van satan. Voor Hem was de dood naast de Godverlatenheid het meest onterende dat er bestond; hoe kunnen wij er dan een gezellig griezelfeestje van maken? De dood is net als de satan, onze vijand, omdat ze Christus' vijanden zijn!
En voordat je denkt dat ik alleen inzoom op Halloween… dat geldt voor alle zaken die ons van Hem afhouden, die ons Zijn grote Dag doen vergeten en die ons hinderen om de lof aan Hem te brengen in het midden van de gemeente en in ons gezin. Laat niets de relatie met de HEERE verstoren!

woensdag 11 oktober 2017

“Wees blij, want Ik ga naar Mijn Vader!”

“…Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.”
Johannes 14 : 28b
 
De zekerheid van Christus’ opstanding gaf Hij vooraf Zelf!

Ik moet toch nog even terugkomen bij het vers van afgelopen keer! Dat komt door de opmerking die in de Kanttekeningen bij de StatenVertaling wordt gegeven. Die gaat in op dat “indien gij Mij liefhadt…” Er zit – misschien nog wel in meerdere mate voor ons dan voor de verwarde discipelen – een kritische ondertoon in Jezus’ woorden. Wij mensen kunnen zo met onszelf en onze situatie bezig zijn, dat we de hoofdlijn uit het oog verliezen. Vandaar dat ik er nog even op terugkom.

Waar gaat het over? Er zit een toon in Jezus' woorden ‘indien bij Mijn liefhadt’, die bij me is blijven hangen. Vanwaar dat ‘verwijt’, terwijl de discipelen zo in verwarring waren? Waar is Jezus' erbarmen? Zeker, Hij staat vlak voor Zijn grote lijden en heeft naar de mens gesproken ‘genoeg’ aan Zichzelf. Maar Hij is ook God. En juist deze woorden spreekt Hij naar Zijn godheid! Waarom dat verwijt?

Een terecht verwijt

Moet je horen wat ik in de Kanttekeningen las bij die woorden ‘Mijn Vader is meerder dan Ik’: “Namelijk in majesteit of heerlijkheid dan Ik ben in dezen staat Mijner vernedering. En daarom behoort gij u te verblijden, dat Ik heenga om het gebruik derzelver heerlijkheid weder aan te nemen, die Ik bij Hem gehad heb eer de wereld was, dewijl hetzelve ook tot uw zaligheid zal strekken, Joh. 17:5, 24.”
“Met dat ‘uit het lood zijn vanwege het naderend afscheid’, focus je teveel op jezelf. Je zou daarentegen niet jezelf moeten liefhebben (en je bezorgd maken over je eigen leven), maar blij moeten zijn met Mijn aanstaande verhoging! Het draait niet om jou/jullie, maar om Mij, Jezus, en om Mijn Vader! Ik ga iets doen, dat geen mens had kunnen bedenken, laat staan uitvoeren. En… daarna ga ik terug naar Mijn Vader. Ik weet al precies wat er komen gaat. Dat zal Me een gebeurtenis zijn, als Ik terug kom in de hemel, Mijn Thuis! Dan zal de hemel daveren op haar grondvesten. En… de hel zal barsten van venijn en afgrijzen. Mijn gerucht zal al voor Mij uitgaan. Vanaf de heuvel Golgotha zal Ik “Het is volbracht!” uitschallen en Mijn stem zal verder reiken dan welke stem op aarde ook, tot in de hemelse gewesten. Dus wees blij met Mij, want er gloort hoop als ik spreek over ‘Ik ga heen tot Mijn Vader’. Als Ik dat zo zeker kan zeggen, dan hoeft er bij jullie geen twijfel meer te zijn. Ik ga Mijn heerlijkheid tegemoet!”
Jezus spreekt over de heerlijkheid die Hij bij de Vader had, voordat Hij naar de aarde kwam. Maar eigenlijk – het kan in zekere zin niet – zal deze aanstaande heerlijkheid nog veel heerlijker zijn! Dit zal een heerlijkheid zijn waarin Vader en Zoon nagenieten van de grote lakmoesproef van Hun Beider liefde. Ze hebben de wereld, ja zelfs de hel, laten zien hoe onafscheidelijk ze van Elkaar zijn en hoe intens verbonden in liefde. Dat moet me een vreugdegeschal hebben gegeven, op Goede Vrijdag… maar meer nog bij Jezus terugkeer in de hemel! “Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen…”

Een troostvol verwijt

Soms heb je iemand nodig die je aandacht gevangen neemt en je de dingen vanuit een andere hoek laat bekijken. Je staart naar een probleem, bekijkt het voor jouw idee van alle kanten, maar je komt er niet uit. Of je vormt je mening over een kwestie, zet de voors en tegens op een rij en raakt overtuigd van je conclusie. Totdat iemand je opeens vanuit een totaal ongedachte hoek laat kijken, waardoor je conclusies, meningen, standpunten onderuit gehaald lijken. Of, in het eerste geval, het probleem is kleiner dan je dacht, of zelfs helemaal oplosbaar!
In het geval van de ontroering van de discipelen is dat laatste het geval. Jezus had al eerder gezegd: “Uw hart worde niet ontroerd”, maar de beargumentering in de tekst van vandaag, is nóg sterker, overtuigender. Ik ga naar Mijn Vader! Dat had bij de discipelen de schellen van de ogen moeten doen vallen. Jezus sprak enerzijds over heengaan, sterven en gedood worden; over verraad en ergernissen. Maar onomwonden spreekt Hij hier over de weg ‘na de dood’. “Ik ga naar Mijn Vader!” Er ligt grote troost in dit liefdevolle verwijt. Het tipje van de sluier vertoont goud. Maar het lijkt wel of Jezus onmachtig is Zijn jongeren voldoende te troosten. Is dan alles voor niets? Verzwaart dat het lijden nog eens extra voor Hem?
In de volgende tekst zullen we zien dat Jezus dit onderwijs en deze troost 'op voorhand' geeft. Hij zet het alvast in de gedachten/herinnering van Zijn jongeren. Zij zullen zich die dingen opeens gaan herinneren, wanneer de een na de andere voorzegging in vervulling zal gaan. Het effect van troost en vreugde zal dan dubbel zo groot zijn. Inderdaad, daar kunnen ze op dit moment nog niets van bevroeden. Ze staren zich blind op een betonnen muur van verdriet en afscheid. En vlak het niet uit! Het was heftig en het zou nog wel even heftig blijven. Maar daarna…! Daarna zal Hij naar Zijn Vader gaan. Hij, het Hoofd van Zijn Kerk, zal veilig Boven aankomen! Hoeveel te zekerder zal de rest van Zijn lichaam daar aankomen. “Ik ga naar Mijn Vader!” Je leest er zomaar overheen, maar wát een troost, hoe heerlijk blinkt Jezus’ macht en majesteit. En hoe zeer wordt God de Vader in de Zoon verheerlijkt. Als een trotse peuter die groot opgeeft over zijn aardse vader. Ja, veel meer nog dan dat!

zaterdag 2 september 2017

De rechtzinnige keerzijde van de liefde tot God

 “Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het Woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.”
Johannes 14 : 24

We moeten bij God de Vader uitkomen, de bedenker van Zijn Eigen Woord!

Waar in de prediking en in het gemeente-denken de gouden middenweg wordt verlaten, belanden we in de berm van vrijzinnige of rechtzinnige God-loosheid. Jezus heeft vlak hiervóór het Evangelie gepredikt, de heerlijke kant van het leven met Hem geschilderd.

Maar er zit ook een andere kant aan de prediking van het geluk en de zegen. Waar we God negeren, of waar we ons enkel richten op Zijn wetten/regels zonder Hem erbij te bedoelen, lopen we óók een toekomst tegemoet: de anti-zaligheid. Allereerst de vraag: wordt die andere kant wel benoemd in de gemeente en in de prediking? En zo ja: naar welke kant dan? Het is zo goedkoop om mensen weg te zetten die geen zin hebben in de kerk en het geloof. Die lopen natuurlijk regelrecht naar de hel, wordt er dan gezegd. Maar waar lopen mensen heen die jaar en dag onveranderd in de kerk zitten? Of zij die zich richten op de regeltjes, maar de Bedenker van die regels niet kennen? Je kunt als een moslim perfect de plichten nakomen, je leven intomen, uiterlijk voorbeeldig leven, bewegen en praten, maar waarom doe je dat? Is die zogenaamde liefde tot Gods wet een lifestyle zonder dat je een levende relatie met de Ontwerper van die lifestyle hebt? Dan lig je evenzeer verworpen en loop je naar de hel. Nota bene met open ogen, terwijl je de goddeloze kroegtijgers, de hoeren en tollenaars in een 21e-eeuws jasje, kunt omschrijven als mensen die met gesloten ogen naar de verlorenheid lopen.

De andere kant van de medaille

Ik vraag me in alle ernst af wie Jezus voor ogen heeft, als hij zegt: “Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet”. Je bent namelijk gauw geneigd te denken dat dat dan wel over goddeloze gasten gaat die opgaan in de wereld. Maar zou Hij niet heel goed juist die mensen bedoelen, die zeggen Zijn wetten, woorden, te bewaren (conserveren), en die volgens Hem, omdat ze Hem niet persoonlijk liefhebben, daarom helemaal niet bezig zijn Zijn woorden te bewaren (in praktijk brengen)?
Als Jezus namelijk spreekt over de wereld die de Heilige Geest niet kan ontvangen, dan richt Hij zich misschien nog wel het meest tot die godsdienstige wereld, die er uiterlijk bij hoort, maar er door het ontbreken van de liefde tot Hem volledig buiten staat.
Die andere kant van de medaille zit dus gewoon in de kerk, misschien wel naast je in de kerkbank of… erger nog: ben jij het? Herken je (je in) die profielschets van 'uiterlijk vroom' en 'zwaarwichtig of ingewikkelde theologische zaken', maar als het gaat over het hart van het Evangelie en het eigen hart, dan staat de wagen stil? Je kunt er kort of lang over praten; het heeft geen zin: alles staat of valt met de liefde tot de Heere Jezus. Wat vind jij van Christus?

De andere Eigenaar van het Woord

Je kunt wellicht zwaarwichtige dingen zeggen over Jezus' woorden; misschien gebruik je Zijn woorden wel om andere te laten zien dat zij er nog helemaal buiten staan. Misschien gebruik je Zijn woorden wel om er Hem mee te laten buikspreken. Let dan goed op, want Jezus opent een onverwachte deur: “Die woorden, die Ik spreek, zijn niet van mij, maar van Mijn Vader!” Goochelen met de Bijbel is goochelen met Gods Vaderlijke Woord. En dat is bloedlink! Want als jouw constructie lijkt te kloppen en Hij geeft er een klein tikje tegen, zou het zomaar eens kunnen instorten. Omdat het niet gegrond blijkt op de Steenrots! Omdat het de draagkracht van de liefde miste. Omdat het was gelijmd met eigengemaakt vroom cement van uiterlijke schijn.
Slaafs naleven van Gods geboden, inzettingen en rechten is de dood en níet het leven! Ik denk daarbij aan dingen als 'christenen moeten ook de joodse feesten gaan vieren', of 'de tweede feestdagen van Kerst, Pasen, Pinksteren en zelfs Goede Vrijdag, zijn maar menselijke bedenksels, dus die moet je niet houden', of 'het houden van de sabbat is het enige juiste; de zondag is een foute instellen', of 'we moeten in het zwart gaan en gebogen onder de zondelast lopen', 'alle preken met afsnijdend zijn: de wet moet erin gegooid worden en de mens moet als zondaar worden gepredikt' …
Ik sprak eens iemand over de preken in onze gemeente, die zei 'dankbaar te zijn dat we nog elke zondag mochten horen dat we zondaren zijn'. Hij had een klepel zien hangen, een klok horen luiden, maar hij maakte er zijn eigen carillon van. Ik ben mensen tegengekomen die wat op mijn kleding hadden aan te merken, omdat ze zich niet konden voorstellen dat een kind van God ooit zulke kleuren en kleren zou dragen. Veel succes in Afrika of Azië… Ik kom teveel mensen tegen die de mond vol hebben van de leer (en het blijft vaak vaag wat ze dan precies bedoelen), maar het als heel lastig ervaren als er dan gevraagd wordt naar hun Heer! Want ja, je kunt je mond wel vol hebben van leer en leefregels, maar als het leven eruit is en de liefde tot de HEERE niet de bodem is van jouw liefde tot de leer… dan is het alles net zo ijdel als de godsdienstigheid van de indiaan, de bosneger, de moslim, de hindoe en de boeddhist… Vraag maar aan Luther!

Tot slot nog iets over mensen die juist heel druk met Jezus zijn. Je zou zeggen, wat is daar fout mee. Op zich niets, maar… waarom verwijst Jezus naar Zijn Vader? Ik kom die mensen vaak tegen in evangelische kringen, maar in een iets gewijzigde versie komen ze ook onder refo's veel voor! De invalshoek is iets verschillend, maar het effect is even ontwrichtend. Je kunt je heel blind staren op Jezus, maar het moet je echt tot de Vader brengen. Hij deed het werk op Golgotha niet voor Zichzelf, maar puur voor Zijn Vader: en dan zo dat Hij zondaars weer in een rechte verhouding tot Zijn Vader bracht.
Niet voor niets zegt Jezus hier dat wat Hij zegt niet Zíjn woorden zijn, maar de woorden van Zijn Vader. Kijk nog eens goed naar jouw Godsbeeld. Is dat correct in balans? Blijft de Vader niet te zeer buiten schot? En… is er voldoende ruimte voor de Heilige Geest? Niet om allerlei spirituele ervaringen en gaven te creëren, niet om de aandacht op de Geest Zelf te vestigen, maar beiden, zowel God de Zoon als God de Heilige Geest, richten Zichzelf en ons op de Vader, op Zijn heerlijke troon. En rondom die troon liggen al onze kronen. En naast de troon, de zetel van Christus, het Lam dat geslacht is. En de volheid van de Geest omringt en verbindt. Dát is de hemel. Ben jij erheen op weg?

vrijdag 1 september 2017

Begreep Jezus de vraag van Judas eigenlijk wel?

“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.”
Johannes 14 : 23
 
Hoogsensitieve en hoogbegaafde mensen hebben oog voor detail, vragen door, denken zwart/wit en leggen de lat hoog; waarschijnlijk was Judas de Goede zo iemand en hadden hij een Johannes een bijzondere geloofs-click

Die Judas! Stelt hij een vraag en krijgt hij eigenlijk hetzelfde te horen, als Jezus net vóór die vraag al heeft gezegd. Soms krijg je een antwoord op een vraag, of een voorstel dat op een bepaalde manier is verwoord, waarbij je je afvraagt: “Heb je m’n vraag wel begrepen?” En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat bij Jezus’ antwoorden heel vaak heb: is dit nu het antwoord op de vraag die is gesteld? De invalshoek die Jezus bij Zijn antwoorden kiest, is zeker niet een voor de hand liggende!
Bij een normaal mens zou ik hebben gezegd: “Hebben we het wel over hetzelfde?” of “Je snapt mijn vraag niet.” Maar bij Jezus ga ik toch maar eens goed kijken wát Hij zegt. Want het kan niet zo zijn dat Hij mijn (of Judas’) vraag niet heeft begrepen. Zijn antwoorden zijn niet onze (verwachtte) antwoorden. Daarom ga ik dit antwoord leggen naast vers 21, waar Jezus ogenschijnlijk dezelfde dingen zegt. En we gaan kijken wat dit antwoord Judas – én de discipelen alsmede ons – leert.

Goed luisteren

Allereerst moet ik zeggen dat Judas voor mijn gevoel de enige is die goed heeft geluisterd. Hij ziet al luisterend de verbanden, de lijnen in Jezus’ verhaal. Zijn vraag is dus opgekomen uit een lijn die hij ontdekte, maar niet geheel begreep. Je wordt door het woord ‘openbaren’ misschien op een verkeerd been gezet (als zou Judas een vraag stellen over Jezus’ woorden in vers 21), maar Judas grijpt eigenlijk terug op wat Jezus al een zin of vijf eerder zei. Kijk maar, we luisteren naar Jezus’ woorden vanaf vers 15:
"Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven. In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”

Judas luisterde scherp en legde de verbinding tussen het ‘openbaren’ en ‘de wereld kent Mij niet’. Hij voelde de spanning in het ‘de wereld zal Mij niet meer zien, maar gij zult Mij zien’. Hij voelde aan dat er een scheiding gaat komen tussen hen en de wereld. Maar wat hield dat precies in en hoe zou dat dan gaan? Er op de achtergrond van Judas’ vraag vermoed ik zelfs die woorden van Jezus, nog een zin eerder: dat “de Wereld de Heilige Geest níet kan ontvangen” maar dat Hij in Zijn jongeren wél blijft wonen. Dat was voor hem iets wonderlijks. Iedereen kon Jezus toch zien? Gaat er nu dus een scheiding plaatsvinden in een ‘andere dimensie’?
Eerder al had Jezus zo’n zelfde soort scheiding gemaakt, tussen de wereld en de discipelen, toen Hij besloot voortaan in gelijkenissen te spreken en het enkel in de intieme kring van de discipelen toe te lichten. Maar als Jezus nu dus zegt weg te gaan, hoe gaat Hij die exclusieve uitleg dan realiseren? Snap je dat Judas hier iets heel duidelijk ‘aanvoelt’, maar de praktische invulling daarvan nog niet bevat. Luisterde iedereen maar zo scherp. Dan zouden veel preken een beter resultaat in de gemeente hebben. En … zaten maar meer preken zo in elkaar, als Jezus’ preken, dan zouden er misschien ook wel meer goede Judassen in de gemeente opstaan, die vragen stellen over dingen die ze aanvoelen, vermoeden, maar nog niet geheel doorgronden. Die begerig zijn in te zien in de geheimen van God, net als de engelen! Die bidden met de dichter van Psalm 119: “maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere", en “Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen” en “O HEERE! … maak mij verstandig naar Uw woord”. Dan zit je toch op het puntje van je stoel, bij zo’n preek? Dan kun je het toch niet hebben dat mensen slapen tijdens de dienst of direct na de dienst beginnen over het weer of over die of die? Dan kun je het ook niet hebben, als predikanten een preek maken van opgestapelde waarheden, zonder dat daar werkelijk leven in zit!

Tweemaal hetzelfde?

Nu naar die twee ogenschijnlijk dezelfde teksten:
Vers 21: “Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.”Vers 23: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.”

Zelf vind ik vers 23 een stuk duidelijker, ook naar alle remonstrantse denkers toe, dan vers 21. Want in vers 23 vloeit het bewaren van Gods Woord voort uit het liefhebben van God Zelf. In beide gevallen wordt de link dus gelegd tussen liefhebben en bewaren. En dat woord ‘bewaren’ is een nogal omstreden begrip.
Het woord kun je uitleggen vanuit de grondtekst als het ‘bewaken’ van een gevangene, of ‘conserveren’ van een kostbaar object. Dan zijn we vooral bezig met het afschermen van dat te beschermen object! Gods Woord wordt dan iets dat streng bewaakt moet worden, afgeschermd met allerlei regeltjes die als een hermetische kluisdeur moeten fungeren.
Je kunt het ook vertalen met ‘reserveren’. Dan loop je het gevaar anderen buiten te sluiten en je reserveert, conserveert of exclusiviseert het zelfs voor een bepaald publiek, waardoor het wel een heel bezitterig gebeuren wordt. Gods Woord wordt dan exclusief voor intimi.
Echter, je kunt het ook opvatten als ‘onderhouden’, dus in de praktijk brengen en er serieus én actief mee omgaan. Wel, het lijkt me duidelijk dat Jezus de liefde tot Hem graag geassocieerd wil zien met het ‘tot uitvoering brengen’ en ‘koesteren’ ja, zelfs ‘liefhebben’ van Zijn geboden, Zijn Woord. Daar heb je smaak in, als je tenminste van Hem houdt! Liefde tot Hem is dus ook liefde tot wat bij Hem vandaan komt: Zijn Woord.

Het verschil in de bovengenoemde twee teksten zit hem vooral in het einde van de teksten: "Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.” en “Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.” Er zit dus een link tussen ‘openbaren’ en ‘woning maken’. In vers 21 sprak Jezus nog over dat Hij Zichzelf ging openbaren, maar in vers 23 doen én de Vader én de Zoon (en eigenlijk ook, het hele Bijbelgedeelte bijeenhoudend, de Heilige Geest) iets. Ze gaan ‘woning maken’ bij of in die persoon die Hem liefheeft. Dat is, volgens Strong, metaforisch gesproken over de Drieënige God, “Die een enorm gezegende invloed uitoefent op de zielen van de gelovigen”. Woningmaken, residentie oprichten, een woonplaats creëren, heeft ook iets ‘blijvends’. In het Oude Testament zou dat denk ik zijn omschreven als ‘tabernakelen’, blijven wonen. Hoe heerlijk is dat, dat God in je blijft wonen (en dat de Heilige Geest in je blijft wonen, vers 16 en 17); dat is een voorproefje van de hemel, zoals Psalm 5 dat bezingt:
’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Vraag en antwoord?

Is het antwoord van Jezus dus een antwoord op Judas’ vraag? Wel, we hebben gezien dat Judas’ vraag niet in eerste instantie opkwam uit Jezus’ laatste woorden in vers 22, maar op de dingen die Hij al eerder heeft gezegd. Er is dus geloof en liefde voor nodig om die inwoning van Jezus in je hart te ontvangen. De wereld, heeft die niet, want ze kunnen ten diepste met die inwoning ook niet uit de voeten. Als God in je hart woont, moet alles eruit. Wil je niet alles eruit gooien, dan is er ook geen ruimte voor Hem.
Maar Judas wijst op nóg iets: dat heel specifieke ‘jullie wel’ maar ‘de wereld niet’! In de komende verzen gaat Jezus daar dieper op in en ja, Judas krijgt een prachtig antwoord op zijn vraag. Zal Judas het begrepen hebben? De Bijbel zwijgt erover.

Het is opmerkelijk dat we Johannes zo expliciet een denker en gevoelsmens noemen en over Judas meestal zwijgen. Ik wil toch graag dit scheefgetrokken beeld rechttrekken en Judas een scherpe luisteraar, hoogsensitief en misschien wel hoogbegaafd, noemen. En Johannes heeft dit wel opgeschreven, maar op dat moment toch net even iets minder door gehad. Ik denk wel dat deze twee ‘hoogbegaafden’ een click met elkaar hebben gehad; dat zie je vaker. Zet twee hoogbegaafden in een grote groep en ze vinden elkaar, vaak zonder veel woorden…
God verbindt harten door Zijn liefde aan Zichzelf en hij verbindt ook harten onderling aan elkaar. Harten die elkaar aanvoelen, elkaar opscherpen, dezelfde soort vragen stellen en dezelfde verrukking, beleving en sensitiviteit kennen met betrekking tot de HEERE en Zijn Woord. Noem het ‘gemeenschap der heiligen’ in een misschien voor de grote massa te kleine, te enge, context. Ik denk dat God daar anders tegenaan kijkt. Die ‘buitenbeentjes’ worden vaak gillend gek in de grote massa van een gemeente, maar blijven er toch bij gehouden door dat gouden gevoelsdraadje dat hen met die ander(en) verbindt. Je zou willen dat de grote massa dat ook zag, begreep en koesterde.

donderdag 31 augustus 2017

Het is goed om vragen te stellen

“Judas, niet de Iskáriot, zeide tot Hem:
Heere, wat is het dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?”

Johannes 14 : 22
 


In toenemende mate vragen mijn vrouw en ik ons af waarom zo weinig mensen goede vragen stellen. Is het omdat ze dingen niet signaleren? Wordt informatie aangehoord (het ene oor in) maar landt het niet (het andere oor uit)? Op tal van terreinen, de kerk, de school, het dagelijks werk, ervaren we dat mensen informatie heel anders verwerken. Het lijkt wel of de materie niet werkelijk doordringt. Of dat zo is, kun je pas weten als je mensen ook spreekt. Maar… inmiddels laat het 'niet reageren' ook een indruk achter.
Ik vermoed dat veel mensen zich onnodig schamen voor het stellen van vragen. Als zouden zij blijk geven van hun domheid, wanneer zij vragen stelden. Er is niets zo goed als duidelijkheid verschaffen en misverstanden voorkomen. In de communicatie tussen mensen is dat wezenlijk en onmisbaar. Al in een eerder stadium werd ik door de tekst die vandaag aan de beurt is getriggerd. En dat kwam met name door wat ik in de Bijbelverklaring van Dächsel las:
"De discipelen deden recht, dat zij hun onwetendheid bekenden en door vragen om verder onderricht verzochten; hun vragen geven ons voortreffelijke vruchten, omdat zij Christus aanleiding gaven tot nadere verklaring en bevestiging."

Dächsel, of wie de verklaarder ook is die hij citeert, duidt het dus juist positief als je vragen stelt. Niet uit betweterigheid of eigen eer ("Hoor mij eens intelligent zijn"), maar om kennis te vermeerderen. En… zo zien we, daar hebben wij vandaag de dag dus profijt van. De vraag van Judas zet Christus aan tot vertellen en zo leren wij Hem beter kennen!

Vragen stellen verootmoedigt

De vraag van Judas wordt niet gevolgd door een verwijt, zoals bij Filippus. Jezus maakt onderscheid in het type vraag dat we stellen. Open deuren prikt Hij door; de bekende weg hoeft Hij je niet te wijzen. Maar Judas, dat moet ik toch wel zeggen, trekt de stoute schoenen aan om na Filippus toch nog een vraag te stellen. Het moet een wat verwarrende situatie geweest zijn daar aan tafel. Je merkt uit alles dat een deel van de informatie uit Jezus' mond over hun hoofden gaat. Ze voelen dat er iets in de 'lucht' hangt, maar ze bevatten het nog niet; daarmee ontgaat hen denk ik ook een deel van Jezus' woorden. Toch gaat het niet het ene oor in en het andere uit. Want 'nadien zult gij het verstaan' betekent dat het tijdelijk ergens opgeborgen ligt in hun geheugens!
Niettemin moest Judas een stuk schroom overwinnen om zijn vraag toch te stellen. Gelukkig deed hij dat! In het citaat van Dächsel stond dat de discipelen, bij monde van Judas, er goed aan deden hun onkunde eerlijk toe te geven. Op die manier gaven ze Jezus de eer en gingen aan Zijn voeten zitten, zoals een discipel bij zijn rabbi altijd deed. Even, let erop, waren ze niet meer druk met de discussie: wie is de meeste? Ze waren even allemaal 'de minste', de onwetende, die nader onderwijs nodig had.

Vragen stellen verbindt

De vraag van Judas verbindt de discipelen ook aan elkaar. En… het verbindt hen aan Jezus; dat vooral! Samen luisteren naar de Heere Jezus wist alle verschillen in ontwikkeling, ervaring, beleving uit. Als je aandachtig luistert, een en al oor bent, getroffen wordt door wat Jezus te zeggen heeft, en je keert weer tot de werkelijkheid terug, dan ben je diep dankbaar dat iemand die vraag heeft durven stellen. Misschien was je zelf wel nooit op het idee gekomen zo'n vraag te stellen. Je merkt dat anderen, die anders denken, beleven en ervaren, weer andere dingen opmerken dan jijzelf. En dat verbindt als het goed is. Maar als Judas vaker dit soort vragen zou hebben gesteld en de andere discipelen stelden nooit of slechts zelden zulke vragen… hoe zou hij dat dan hebben ervaren? Zou hij hebben gedacht: "Ben ik nou zo raar, dat ik dit soort vragen stel? Denken de anderen daar dan nooit over na? Waarom krijg ik het gevoel dat iedereen alles maar aanhoort, zonder dat het iets raakt en doet van binnen?" In die zin kun je ook zeggen dat het de andere discipelen positief moet raken en in beweging moet brengen, dat Judas hier een vraag stelt die hout snijdt. Alleen al van de vraag kun je leren! Laat staan van het onderwijs dat die vraag oplevert.

Vragen stellen verdiept

We horen Judas maar zelden spreken! Dus zijn we hem te meer dankbaar voor deze vraag. Want nu ontvangen ook wij meer onderwijs! Lees dat citaat uit Dächsel maar: "hun vragen geven ons voortreffelijke vruchten, omdat zij Christus aanleiding gaven tot nadere verklaring en bevestiging". En als Jezus gaat praten – of tot praten wordt aangezet – valt er van alles te beleven en te leren.
Veel onderwijs in de praktijk is een wisselwerking tussen theorie en praktijk. Hier geeft Jezus theorie vooraf, zodat Hij er straks, in de praktijk, met hen over door kan praten. En die praktijk strekt zich uit tot na Zijn hemelvaart. Wat is er voor de discipelen een gigantische verdieping bewerkt door de Heilige Geest Die met Pinksteren is uitgestort! Zo werkte Christus zelfs nadat Hij was opgevaren. Hij bouwde verder en door Zijn discipelen heen bouwde Hij Zijn Kerk ook uit! Meer van dezelfde informatie kan tot de reactie leiden: “Ja, nu weet ik het wel.” Maar bij Jezus gaat het zeker weten altijd verder de diepte in.

zaterdag 29 juli 2017

And in that Day

“In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.”
Johannes 14 : 20



And in that Day
(Isaiah 2, Micah 4, Philippians 2)

And in that day every knee shall bow
Every tongue confess that Christ is Lord
He has conquered death for evermore
And in that day all the earth shall see
All the world will know that Christ is King
He has conquered death and He is Lord

Earth shall hear His voice and feel His power
And His glory shall be seen in every land
For His Kingdom shall reach out to every nation
And our King of Kings
Shall reign over all the world.

And in that day Zion shall rejoice
For the Word of God shall be made known
All His Word goes from Jerusalem.
And in that day every tongue shall praise
All creation are to greet their King
Jesus Christ is risen and He is Lord.

Earth shall hear His voice and feel His power
And His glory shall be seen in every land
For His Kingdom shall reach out to every nation
And our King of Kings
Shall reign over all the world.
And our King of Kings
Shall reign over all the world.


Zie je ook zo uit naar die dag waarop Jezus alles zal rechtzetten wat wij mensen krom hebben gemaakt? De dag waarop Zijn gerechtigheid de aarde zal vervullen. Met als gevolg dat de schapen van de bokken zullen gescheiden worden. Dat wel. Maar in ieder geval dat Hij zichtbaar regeert en dat niets Zijn heerlijkheid meer zal verderven en verstoren!

Het verlangen naar die dag is weliswaar een geloofselement, een wezenlijk onderdeel van de leer die de kerk behoort uit te dragen. Predikanten behoren de mensen op te roepen zich voor te bereiden op die dag. En als het goed is leren zij de mensen die dag ook met een groot verlangen te verwachten. Want ja, als zij zelf die dag met vrees en beven tegemoet zien, dan moet je er niet gek van opkijken dat de gemeente dat ook gaat doen.
Maar, dan moet er wel wat positiefs te verwachten zijn. Want als je Jezus negeert in dit leven, zul je er toch alvast over na moeten denken hoe dat zal zijn als Hij plots voor je staat. Wat ga je dan zeggen? Waar is je grote, vrome of vuile, mond dan mee gevuld? Maar ik ga ervan uit dat je van de HEERE, God de Drieënige, met heel je hart houdt, en Hem elke dag wilt volgen. Nou, dan is er zeker wat te verwachten. Op die dag, of zoals Adrian Snell het zong vanuit de engelse vertaling: "And in that Day…"

Over welke dag gaat het?

De term 'op die dag' heeft altijd iets geladens in de Bijbel. Ergens sluimert daar onder die woorden het moment waarop God Zich zal bewijzen. God koos een dag uit, waarop Hij óf de mensen erachter liet komen dat er buiten Hem geen leven is (bijvoorbeeld het einde van Zijn geduld met Zijn ontrouwe verbondsvolk Israël), óf de dag waarop Hij de dingen in vervulling zou laten gaan, zodat er geen twijfel meer overbleef.
Die geladen term, raakte mij direct in de dagtekst. Sommige dagen zijn speciaal, voelen bijzonder, zoals mijn verjaardag vandaag. Ik houd niet van veel visite, maar innerlijk beleef je die dag wel anders dan de 364 voorgaande en ook de 364 volgenden. De dag kent een bepaalde lading die het midden houdt tussen dankbaarheid en kwetsbaarheid. En veel verjaardagsgekakel overstemt dat gevoel…
Maar als het gaat over de dag die God uitkiest om Zich speciaal te laten gelden, dan gaat dat verder dan alleen 'het voelt anders'. Dan gaan er werkelijk dingen gebeuren, die je als mens maar amper of zelfs niet kunt overzien. Als je bedenkt dat God een moment uitkoos om Zijn volk uit Egypte te verlossen, dan is dat moment het einde van Zijn geduld met Egypte, met de Mizraïm. Als je bedenkt dat God een speciaal moment uitkoos om Zijn verbondsvolk (!) juist in ballingschap te zenden, inclusief Daniël en Hadassah, omdat het Hem negeerde, dan huiver je. Wat zal zich dán ontketenen?
Maar over welke dag heeft Jezus het? Je zou denken: de Jongste Dag en ik denk dat die gedachte niet persé verkeerd is, maar daarover zometeen. Volgens de Kanttekeningen gaat het over het moment ná Zijn opstanding en hemelvaart. Al direct bij Zijn opstanding, hoe onwerkelijk ook, drong het tot de discipelen door hoe hecht en intiem de Vader en de Zoon zijn. Stapje voor stapje begonnen de stukjes op hun plaats te vallen. Maar het bleef nog beperkt. Dat 'op zijn plaats vallen' ging in een versneld tempo, toen de Heilige Geest was uitgezonden. Vandaar dat het ook zo nodig was voor hen dat Jezus heenging naar de Vader. Dan zou namelijk ook dat tweede aspect op z'n plaats vallen: "Gij in Mij, en Ik in u". Met de uitstorting van de Heilige Geest wás Hij ín hen.


De vreugde van die dag

Toch zal alles zijn heerlijke vervulling gaan krijgen als Jezus weerkomt. Dan pas zal God echt alles zijn én in allen. Dan is er de volmaakte harmonie, zoals die er tussen de Vader en de Zoon was en is. Want dan verdwijnt de twijfel, het onbegrip, de ongerechtigheid en de onrechtvaardige gedachten en interpretaties over God en Zijn daden.
Wat een vreugde moeten deze woorden Jezus juist hier hebben gegeven! Hij zit hier klem voor Zijn lijden en sterven! En Hij spreekt hier zo heerlijk van het moment van Zijn opstanding en verheerlijking bij de Vader! Als kwam er geen moment van "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Verlaten? Eenheid, intieme eenheid juist; daar spreekt Jezus met verve over!
En wat een verrukking moet Hem de Jongste Dag hier reeds verschaft hebben! Wat Hij nu ging doen, sterven voor de zonde, maar ook de opstanding en hemelvaart, zou op die dag (in thát day!) volmaakt op Zijn plaats vallen. Dan zal rijp en groen, bok en schaap, erkennen dat God toch gelijk had!

Dan zal alle knie zich voor Hem buigen. 
Dan zal elke tong (taal) belijden dat Hij Jezus, de Gezalfde Messias en HEERE is. 
Dan zal Hij de dood voor eeuwig overwinnen
(hoewel Hij dat al op Golgotha had gedaan) en verdrijven. 
En op die dag zal heel de aarde zien, en de hele wereld weten
(lees liever 'toegeven' of 'be-amen') dat Christus Koning is
en dat Hij écht overwonnen heeft de dood.
Er blijft maar één belijdenis over: Christus is HEERE! 

Die tekst had Adrian Snell ook niet van zichzelf… Hij citeerde volledig terecht Gods Eigen Woord (Jesaja 2, Micha 4, Filippenzen 2)! Wat ben je gezegend als jij dat ook doet. En reikhalzend uitziet naar díe Dag van Jezus!

dinsdag 28 februari 2017

Lijdenstijd 2017 - Offer Uw Zoon

"En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moría; en offer hem aldaar tot een brandoffer op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal."
Genesis 22 : 2

Daar waar in Davids tijd nog de berg Moria onbebouwd was, bouwde Salomo er de tempel op, dé offerplaats die God uitkoos om er door Zijn volk gediend te worden.

Het was niet de eerste keer dat Abraham door God werd geroepen om te reizen naar het land dat Hij hem zou wijzen. Eindelijk in het beloofde land aangekomen, brak er hongersnood uit. Wat was dat voor een land der belofte? En nu? Het lijkt alleen maar meer bergafwaarts te gaan. Moria, hoe zal dat in Abrahams oren hebben geklonken? Je zoon offeren. Aan wat? Aan wie? Deden de heidenen rondom Abraham dat ook niet? Was Jaweh ook zo’n wreed en bloeddorstig God?
 
Gisteren werd er door ds. W. van Vlastuin gepreekt over Jezus' angst voor de toorn van Zijn Vader. Een zeer indrukwekkende preek, die een krater opende van peilloze diepte in God. Jezus was nooit bang voor iets of iemand. Maar nu wordt Hij intens bang, nu de scheiding van Zijn Vader eraan zit te komen. Hoe zal het in de hemel eraan toe zijn gegaan? Immers, de Vader kon Zijn toorn niet inhouden. Het moest ervan komen! Ook al kostte het Hem Zijn Zoon, Zijn Enige, Die Hij liefhad!

Neem Uw Zoon

Hier in onze tekst gaat het niet over toorn, vergelding of wraak over de zonde. Hier gaat het om een schier onmogelijke opdracht die nota bene is gegeven door God Zelf! "Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak…" Abraham had zijn oudste zoon, Ismaël, ook al verloren. Ik denk niet dat er na het wegsturen van Ismaël nog veel contact is geweest tussen Abraham en zijn oudste zoon (en Hagar); niet toen Hager een vrouw voor Ismaël koos; en op geen enkel kruispunt in het leven van Ismaël speelde Abraham verder nog een rol. God had hem uit de functie van vader ontheven. Alleen komen we Ismaël – heel ontroerend – nog tegen bij de begrafenis van Abraham in Genesis 25: "En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela…"
Deze zoon was Abraham dus al kwijt; er was geen escape meer. Als Izak nu dus óók van hem wordt weggenomen, is alle hoop voor de toekomst, maar ook hoop op de Messias, verkeken. De vraag van de HEERE aan Zijn vriend Abraham moest eigenlijk enorme vragen oproepen. Maar we horen Abraham geen enkele vraag stellen. Zelfs geen gedachten van "De HEERE zal wel weten wat Hij doet" of "Als het moet kan Hij Sara en mij nogmaals verblijden met een kindje". Let erop dat God Izak 'uw zoon, uw enige' noemt. Natuurlijk had Abraham zijn zoon in 'bruikleen'; maar de verantwoordelijkheid van zijn aanstaande daad lag in Abrahams eigen handen.

Ga naar Moria

Het zal ongetwijfeld een gebied zijn geweest dat de naam 'Moriah' droeg, maar toch krijg ik bij steeds meer teksten in de Bijbel de indruk dat plaatsen de naam kregen ná een bepaalde gebeurtenis. Moria, Moriah (die h is niet onbelangrijk, omdat het de letter van God is), heet in het hebreeuws Moriy-yah dat betekent 'uitgekozen door Jahweh'. Snap je wat ik dus bedoel? Het zou dus best zo kunnen zijn dat de je tekst zou moeten lezen op de volgende manier: "Ga naar het land dat Ik heb uitgekozen en offer dáár je geliefde zoon op juist díe berg die Ik je zal aanwijzen." Daarmee komt deze tekst heel dicht bij Abrahams eerdere roeping in Ur: "Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal." Moriah is hier dus dan nog niet een eigennaam, maar een aanduiding vanuit het gebeurde.
Geen TomTom, ja zelfs geen concreet reisdoel. Hoe reis je dan? Hoe beweeg je je door onbekend gebied als je niet kunt zien? Je moet iemand in de buurt hebben die je instructies geeft. 'Gehaastheid' moet je wegdoen, maar 'lijdzaamheid' aandoen. Sterk luisterend naar de instructeur. Hadden de wijzen uit het Oosten nog een richtingbepaler in hun toenmalige TomTom (de sterrenhemel) en werden zij bevestigd door de plots weer opduikende ster, Abraham moet het hebben van de stem van God.
De HEERE brengt hem bij een plek waar eeuwen later zijn verre nazaat Salomo de tempel zal bouwen. Ook dat was voor Salomo een plek die God hem zou wijzen. God was altijd weer Degene die de plek van de dienst aan Hem bepaalde. Hij liet het ook lange tijd in het midden waar Hij wilde 'rusten' in de tabernakel. Die had niet altijd een vaste plek. God is niet persé aan plaats of tijd gebonden, maar áls Hij kiest, kun je daar maar beter zijn. Want daar gebeuren wonderen. Dat is voor jou de plek waar de gemeente samenkomt en Hij jou heeft gesteld. Waar het Woord opengaat en waar de Heilige Geest Zijn werkplaats houdt.
In het Oude Testament kostte het je leven als je Hem tóch op de door jou zelf gekozen plek of op de door jou zelf gekozen manier wilde dienen. In de tijd van de nieuwe bedeling is dat wat veranderd, maar toch is het niet 'om het even'. Moria, een prachtige naam voor je kerkgebouw. Dat is de plaats waar het offer wordt uitgestald, Jezus Christus wordt voorgesteld en de aanbidding of lofprijzing van God in alle toonaarden wordt ingesteld. Als Jahweh daar nou voor gekozen heeft, zou jij het dan op je eigen manier willen doen? Dat getuigt niet echt van onvoorwaardelijke liefde. Op Moria is God het Middelpunt. Ook voor Abraham, al ziet hij dat nog niet direct door die ingrijpende opdracht die hem in de maag wordt gesplitst.

Offer Hem tot een Brandoffer

Even een stapje terug: hoe beschrijft een andere vertaling die eerste twee verzen? Het treft me dat in de meeste nieuwere vertalingen bepaalde vragen niet meer in mij laten bovenkomen. De formulering van de tekst moet dus wel secuur en prikkelend blijven. Zodra we teveel gaan inkleuren, verdwijnt een dimensie in de meditatie over Gods Woord. Het kopje boven het gedeelte geeft de bril vaak al aan waardoor we het tekstgedeelte moeten bekijken.

Fragment uit de Basisbijbel:
God test Abrahams vertrouwen
1 Op een keer wilde God Abrahams vertrouwen in Hem testen. Hij zei tegen hem: "Abraham!"

2 Abraham zei: "Ja, Heer." God zei: "Izaäk is je enige zoon en je houdt heel veel van hem. Ga nu met hem naar het gebied Moria en offer hem daar aan Mij op één van de bergen. Het moet een brand-offer worden. Ik zal je later zeggen op welke berg."

Fragment uit de Nieuwe BijbelVertaling:
Abraham op de proef gesteld
1 Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei hij. ‘Ik luister,’ antwoordde Abraham.
2 ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’

Fragment uit de Herziene StatenVertaling:
Het offer van Abraham
1 En het gebeurde na deze dingen dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.
2 Hij zei: Neem toch uw zoon,  uw enige, die u liefhebt, Izak, ga  naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal.

Voor wat betreft het onderdeel waar we nu bij zijn aangekomen, brandoffer, is het opmerkelijk dat de NBV het woord gewoon vervangt door 'offeren', terwijl de basisbijbel tóch weer vasthoudt aan 'brandoffer'. Daarmee hechten zij wel waarde aan het soort offer: brandoffer. Het maakt nogal uit wat je God aanbiedt. Over het brandoffer vond ik een mooie uiteenzetting op CIP die je op een rustig moment maar eens moet lezen. Ik knip er een paar fragmenten uit:
In Leviticus 1 lezen we over het brandoffer – dat een beeld is van onze totale overgave aan God als een offer. Het brandoffer moest eerst in stukken verdeeld worden om zeker te zijn dat er geen gebrek in enig deel van het dier zou zijn, voordat het geofferd werd.
Het brandoffer is een tevens een beeld van de wijze waarop de Heere Jezus zijn lichaam gedurende Zijn leven hier op aarde als een levend offer heeft gegeven aan Zijn Vader – resulterend uiteindelijk in Zijn dood aan het kruis. Gedurende Zijn hele leven heeft hij Zijn lichaam rein bewaard in elke verzoeking, voordat Hij het aan de Vader als offer gaf door aan het kruis te sterven. God zou Zijn offer aan het kruis niet hebben aangenomen als er ook maar één bezoedeling geweest zou zijn in de 33 ½ jaar van Zijn leven.
Jezus deed nooit iets zonder de aanwijzing van de Vader, zelfs als het iets onbeduidend scheen, zoals stenen in brood veranderen als men honger heeft! Dit is de norm van gehoorzaamheid tot welke God ook ons roept.
Bent u al tot zo’n besef van zonde gekomen? Hoeveel van ons denken dat het houden van opwekkingssamenkomsten een zonde kan zijn? Dit was de gevoelige afstemming waarop en besef van zonde waarin Jezus leefde. We denken vaak dat zonden alleen zoiets kan zijn als boosheid, onreine gedachten, jaloezie of bitterheid, etc. Natuurlijk zijn dit ook zonden – maar op kleuterschool niveau. Jezus houding tegen over de zonde was op Doctor-titel niveau. Beseft u dat, als God u niet geroepen heeft om ergens samenkomsten te beleggen of te spreken, u zondigt?
Als het offer in stukken opgedeeld is en geheel op het altaar is gelegd kunt u zeggen: "Heere, laat nu Uw vuur op het offer vallen en het verteren". We lezen in Leviticus 9:24 hoe het vuur van God neerdaalde op het brandoffer en het geheel verteerde. Dat vuur is een beeld van de doop met de Heilige Geest en met vuur dat ons offer geheel verteert en onze lichamen in vuur en vlam zet voor God. Maar het vuur zal nooit neerdalen voordat het laatste stukje van het brandoffer op het altaar gelegd is.
Kernwoorden zijn 'totale overgave' en 'gehoorzaamheid' bij het brandoffer. Precies deze kenmerken komen om de hoek kijken als God Abraham hier opnieuw roept en deze opdracht geeft. In het CIP-artikel wordt nog een mooie aanvulling gegeven op het einde van de vorige serie bijbelstudies, waarin Jezus wordt gevraagd te blijven in Kapernaüm; waarom weigerde Hij? Zijn Vader had Hem iets anders bevolen. Dezelfde houding zien we hier terug bij Abraham: geen vragen, maar totale overgave en gehoorzaamheid.
Schitterend is ook de lijn naar de Heere Jezus, naar Zijn totale overgave aan Zijn Vader en Zijn gehoorzaamheid aan Hem. Tijdens de verzoekingen, maar zeker in Zijn lijden en sterven. Daarom kon er ook een opstandingsmorgen aanbreken. Op Golgotha klonk het: "Offer Uw Zoon!" Wie riep dat? Mijn zonden riepen daar om. Duidelijk bleek ook de volkomenheid van dát Offerlam!

Nog een laatste mooie lijn, die ik vond op Christipedia over het brandoffer:
Naast het brandofferaltaar was 'de plaats van as', waar de as van het altaar tijdelijk werd gelegd, om later afgevoerd te worden (zie Brandofferaltaar). Het lichaam van de Heere werd in een graf bij de plaats van de kruisiging gelegd.
Joh 19:41 En er was in de plaats, waar Hij gekruist (lees: geofferd) was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.

dinsdag 15 november 2016

De gezalfde Voorganger spreekt



"De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden…"
Lukas 4 : 18a
 
Jezus Christus kon met recht zeggen dat Hij de vervulling van Jesaja 61:1 was

Je hebt weleens van die Bijbelteksten, die je heel herkenbaar voorkomen als je ze leest, maar wanneer een dominee ze tijdens de preek in een bijzondere context plaatst lijken ze opeens totaal nieuw voor je. Dat kan twee dingen met je doen: je bent verrast en je laat je er door verrassen; het kan ook vraagtekens oproepen en je gaat kritisch lezen of je die zienswijze kunt volgen. De mogelijkheid dat het je niet eens opvalt of dat je het achteloos naast je neerlegt vind ik geen mogelijkheid. Dan zit je totaal nutteloos in de kerk en de geloofwaardigheid en eerbiedwaardigheid van al je godsdienstig vertoon en gepraat verdampt tot niets. Die laatste reactie vermoed ik dan ook totaal niet in de synagoge van Nazareth. Integendeel! De mensen zitten op scherp. Zeker, als Jezus met de deur in huis valt en zegt: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld."

De spanning is te snijden, maar niet pas ná die woorden van Jezus, vermoed ik. Al tijdens de Schriftlezing moet Jezus' intonatie dit Bijbelgedeelte hebben ingekleurd en levend gemaakt. Juist Hij, de Schepper van de hemel, de aarde en van de mens met zijn stem, kende het effect van het gehoor op de ziel. Immers, het geloof is door het gehoor… Dan gaat er opeens een luik voor je gezicht weg, de schellen vallen van je ogen. Er gaat je iets dagen en opeens zie/lees je zoals je nog nooit hebt gedaan. Opeens zie je wat God bedoelde met de woorden die Hij in Zijn Woord liet optekenen. Voor jou persoonlijk!
Het is van het grootste belang dat predikanten goed leren voorlezen. Dan kun je tijdens de Schriftlezing al horen waar de accenten liggen en gaat de Schrift al op voorhand voor je leven. Predikanten en kandidaten die monotoon het Bijbelgedeelte voorlezen op dreunende wijs, doen afbreuk aan de heiligheid en de zeggingskracht van Gods Woord. Het is niet alleen irritant en aanstootgevend, maar ook totaal wezensvreemd aan God Zelf. Je had moeten horen hoe Gods stem klonk, toen Hij daar boven de Jordaan predikte vanuit de hemel: "Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde in Wie Ik ál Mijn welbehagen heb!" De adoratie van de Vader voor Zijn Zoon droop er vanaf. Dat heeft zeker niet geklonken als een monotoon computerstemmetje dat – net als je TomTom – vertelt wat je wel en niet moet doen. Ik snap dat soort voordracht (en je hoort dat vaak ook terug in het bidden; dat is nóg aanstootgevender!) ook helemaal niet; wie heeft dat bedacht? Of is het een gevolg van dat onze oudere generatie eigenlijk diepweg ook een hekel aan (voor)lezen had/heeft? Als jij zo'n voorlezer bent (thuis aan tafel of voorin de kerk): bekeer je. God de Vader heeft je intonatie en klankkleur in je stem gegeven; veronachtzaam Zijn scheppingsgave dan niet!

Wat Jesaja bedoelde

Jezus pakt de boekrol van de overste aan. Of moet ik zeggen: Hij laat de overste de boekrol voorzichtig op de lezenaar leggen en rolt het boek zorgvuldig uit, op zoek naar de beoogde passage: Jesaja 61. En passant rolt Hij de boekrol nog wat verder open naar rechts (terug), zodat ook Jesaja 42 zichtbaar wordt. Dat moet een aardige breedte zijn geweest, want Jesaja houdt van lange teksten.
Bekende klanken, maar uit Jezus’ mond moeten ze toch anders-dan-anders hebben geklonken. Niettemin is de eerste laag, fonetisch, onze Jesaja 61:1 "De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft… Hij heeft Mij gezonden…". Volgens ds. C. den Boer houdt Lukas zich aan de Septuaginta-lezing; als je goed leest lijken deze twee teksten zo diagonaal tegenovergesteld. Bij Jesaja wordt gesteld dat Gods Geest op de profeet (eigenlijk de Messias) is omdat God hem/Hem heeft gezalfd. Maar in de lezing van Lukas lijkt het andersom: Jezus is gezalfd door God, omdat de Geest op Hem was uitgestort.
Isaac da Costa wijst erop dat Jezus dus met deze woorden zegt dat Hij de Messias, de Christus, de Gezalfde is. Daarmee krijgen Zijn woorden ook gezag. Hij ís gezalfd, dus Hij heeft dat niet zelf gedaan. "Toen de Heer dit sprak, was de Heilige Geest op Hem uitgegoten op een enige wijze, in al Zijn volheid," aldus Da Costa, "Dit was het eerste en voorname kenmerk van de beloofde Messias, de Bron van al de andere kenmerken."
Da Costa legt er de vinger bij dat God Hem heeft gezonden: "De Zoon noemt Zich vooral de Gezondene des Vaders, in de zin van de onmiddellijke Gezondene des Vaders; niet zo als Mozes en de profeten door een uiterlijke roeping, maar door de nederdaling van de Heilige Geest op Hem, in Hem."

Wat de Joden lazen

Als Jesaja wordt gelezen komt allereerst de associatie met de algemeen geldende exegese van de rabbi's van dat moment bovendrijven bij de mensen. En dat is op zijn zachtst gezegd een vertekend ingekleurd beeld van de Messias. Ik vermoed dat men ook nog in gedachten hield dat Jesaja hier over zichzelf sprak, omdat hij 'mij' zegt. De Statenvertalers hebben dat wel met een hoofdletter geschreven (terecht), maar dat is vooruitgrijpen op de vervulling van deze profetie.
Er zijn nogal wat verschillende visies op deze tekst uit Jesaja 61; ik geef een leestip: dit document (en als je het juiste hebreeuwse lettertype laadt in je computer kun je het vanuit het hebreeuws volgen) geeft een goede hulp bij het onderzoek naar dit gedeelte. Ik citeer hieruit:
Wie spreekt er in Jesaja 61? Iedereen is het er over eens dat in vers 8 en 9 de Verbonds Jehowah spreekt. Maar wie spreekt er in vers 1-7 en wie spreekt (of spreken) er in vers 10-11? Uiteraard is het gehele bijbelboek Jesaja door de profeet Jesaja uitgesproken of uitgeschreven. De vraag is echter:
• Spreekt de profeet Jesaja direct in naam van Jehowah: “Zo zegt de HEERE…”?
• Spreekt de profeet Jesaja namens zichzelf?
• Beschrijft de profeet Jesaja een visioen aangaande de toekomst?
• Voert hij de Messias sprekende in?
• Laat hij de vervolgde, schuldige, ootmoedige of verloste kerk of Joodse volk spreken?

Volgens Vitringa spreekt de Messias in vers 1-7 en in vers 10-11. De meeste Joodse uitleggers en de Targumim laten de profeet Jesaja zelf spreken. Calvijn geeft aan dat de Heere Jezus hier niet alleen spreekt maar alle profeten. Volgens Alexander wordt in dit Hoofdstuk de Grote Persoon beschreven die de veranderingen uit Hoofdstuk 60 en 61 zal bewerkstelligen. Beuken zit in de lijn van Alexander. Volgens hem is het te massief als men een keuze moet maken tussen de profeet (Jesaja) of de Knecht (des HEEREN). Hij stelt: ”Meer en meer luidt het dat de spreker van vers 1-7 zich wel niet “knecht” noemt, maar zijn taak toch beschrijft in bewoordingen die bij ons de gelijkenis van de Knecht moeten oproepen”.
Ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik zeg dat de meeste toehoorders voor Jezus in de synagoge bij deze woorden direct aan Jesaja zelf hebben gedacht. Des te groter is de schok, als Jezus die woorden op Zichzelf gaat betrekken.

Wat Jezus laat zien

Nog een keer dat uitlegdocument van dr. Jan Weststrate:
"Toen de Heere Jezus aan het begin van Zijn bediening in de synagoge in Nazereth Jesaja 61 voorlas gaf Hij aan dat die woorden in Hem vervuld waren. […] Alleen de Heere Jezus heeft als dé Christus (dat is de Gezalfde!) de opdracht uit vers 1 tot 3 van Jesaja 61 ten volle vervuld. Dit is voor mij de reden om aan te nemen dat in vers 1 tot 7 de Knecht des Vaders door Jesaja sprekende wordt ingevoerd. Deze teksten worden echter ook – al is het slechts in aanvang – vervuld in alle door God gezalfde knechten. Deze verzen worden zelfs vervuld in alle ware gelovigen om het ambt der gelovigen uit te oefenen. Ieder predikant, evangelist, ouderling, iedere arbeider in Gods Koninkrijk zal deel moeten hebben aan de Heilige Geest (zie 1 Cor. 12). Dat blijkt ook uit de Heidelbergse Cathechismus (Vraag en Antwoord 32). “Waarom wordt gij een Christen genaamd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn Naam belijde en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consientie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijdde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere”
En hier gaat 'em de schoen wrikken. Ze kwamen – wees eerlijk – uit een stukje nieuwsgierigheid. "Dat nieuwe kandidaatje, weet je wel – die zeun van Maria en wijlen Jozef de timmerman, die hier een paar straten verderop zijn werkplaats had – komt aanstaande sabbath. Ja, Die wil ik wel graag er 'es effe horen. Es kijken hoe die 't doet." Zo wellicht ging het gekonkelefoes in Nazareth. Herken je dat ook vandaag de dag? Maar zo'n zogenaamde 'kandidaatje' is als het goed is wel een gezondene van de Vader. Ik zeg niet dat je daar voetstoots altijd vanuit kunt gaan, maar ten diepste zou je daar wel voetstoots vanuit behóren te gaan! Hoor je het verschil? Dat geldt voor zowel de luisteraar als de prediker… Want als de Geest zendt, zou ik dan wijzer willen zijn?