Posts tonen met het label David. Alle posts tonen
Posts tonen met het label David. Alle posts tonen

donderdag 21 juni 2018

God wil bij mensen wonen


Hoofdstuk 15
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Welken ook onze vaders ontvangen hebbende,
met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten,
die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen,
tot de dagen van David toe;
Dewelke voor God genade gevonden heeft,
en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
En Salomo bouwde Hem een huis.
Handelingen 7 : 44-47
O ja, Stefanus had lelijke dingen gezegd over de tempel. Stefanus?
Ze beschuldigden hem ervan, terwijl Jezus het had gezegd!
Bij verstek werd Jezus dus eigenlijk veroordeeld in Stefanus.
Maar… had Stefanus dan een hekel aan de tempel? Bijzonder is dat hij juist in zijn preek bijzondere aandacht heeft voor het huis van God.
Een paar jaar geleden bracht het bekende koor ‘Vox Jubilans’ uit Waddinxveen een bijzondere bewerking uit van Psalm 5. De bewerking was gemaakt door André van Vliet en geweldig getoonzet. De climax zat hem in het laatste vers, dat in de normale zetting van de psalm werd gezongen, maar in kracht opbouwend, zodat de rillingen je over de rug lopen bij de laatste regel:

’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Wonderlijk genoeg staand die woorden niet in de onberijmde tekst! Daar blijft God als het ware nog op afstand, maar in de berijming komt Hij zelfs bij Zijn volk wonen. En – misschien ligt het aan mij – dat aspect krijgt vooral een diepere dimensie bij de wederkomst. Dan zal God definitief bij Zijn volk wonen, op een manier die zelfs het Paradijs te boven gaat!

Huis van Go(u)d
Op de zondagsschool kon je vroeger punten sparen en die inleveren. In een van de hoogste klassen koos ik boekje met de titel ‘Huis van Go(u)d’. Op het omslag staat ook het woord ‘Welkom’… dat vond ik toen al bijzonder. Welkom in Gods huis! De titel was in goud gedrukt en de u van Goud was outline gemaakt, waardoor je dus zowel ‘God’ als ‘Goud’ kon lezen.
Het is inmiddels in heel wat talen vertaald en nog steeds te koop bij de Zakbijbelbond. Het boekje vertelt over de tempel en is mooi geïllustreerd: “De tabernakel, het heiligdom van het volk van Israël vóór de tempel, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen, worden in woord en beeld gebracht en toegelicht in het licht van de Bijbel. Een prachtige brochure over de geestelijke betekenis van de tabernakel, voorzien van full colour foto’s van een model van de tabernakel, dat vervaardigd is door een goudsmid. Leerzaam en praktisch voor jong en oud. Kan ook uitstekend gebruikt worden voor evangelisatie.”
Juist bij deze tabernakel zet Stefanus in en laat zien dat God opdracht gaf tot het maken van een huis voor Hem. Hijzelf maakte daarvoor de ontwerptekening en de al eerder genoemde Bezaleël en Oholiab werden door God begiftigd met Zijn Geest en waren in staat dit kunstwerk te maken conform het ontwerp. God wilde wonen bij mensen en Hij maakte voor Zichzelf een huis, maar schakelde daar mensen bij in! Het hele volk wordt er zelfs bij betrokken door hun giften en praktische inzet!

God wil bij mensen wonen
Over dat mysterie gaat de kinderbijbel die we op dit moment met onze kinderen lezen: ‘God wil bij mensen wonen’. Een sterke titel met een bezondere vertelwijze.
Laat dat wonder eens op je inwerken. De heilige God die in de onbeschrijfelijk grootse en heerlijke hemel woont, gaat wonen in een kleine tent. Zeker, het blonk er enorm van goud en er was van alles te zien, dat iets vertelde over God Zelf. Maar het is toch in geen verhouding met de heerlijkheid die God in de hemel heeft?
Stefanus gaat weer in de wij-vorm verder: “De tabernakel was te midden van onze voorvaderen in de woestijn. Zo had God het geïnstrueerd aan Mozes, conform de afbeelding (werktekening) die Hij aan Mozes had laten zien op de berg. Onze voorvaderen hebben die tabernakel ook gekregen; wat een wonder! En Jozua bracht die tabernakel mee in het land dat voorheen door heidenen werd bewoond. Die werden verdreven door God en Hij gaf dat land in ‘betere handen’ zo leek het: de handen van onze voorvaderen!”
Ik interpreteer de toonzetting van Stefanus een beetje, maar dat is wel zo’n beetje de strekking van zijn woorden! Die heidenen met hun eigengemaakte goden werden uit de weg geruimd en God wilde er een beter land van maken, door er Zijn volk in de laten wonen. Zijn volk zou toch een betere godsdienst moeten kennen, nietwaar? Stefanus maakt geen toepassing op zijn woorden. Ik vermoed dat hij die toepassing overlaat aan zijn luisteraars die slim genoeg waren.
Hij slaat ook de hele periode van de richters over; zelfs Saul wordt niet genoemd. Een boekwerk vol met zwarte bladzijden. Nee, hij steekt in een keer door naar David, de man naar Gods hart. Die kreeg er zin in om een huis voor God te bouwen.
Zelf woonde hij in een prachtig paleis. Hij was een herders jongen geweest en was niet veel luxe gewend. Hij was aan het hof gekomen bij Saul; daar was waarschijnlijk meer luxe. Hij was opgetrokken met Jonathan, een boerenzoon die vroeger op de boerderij in Gibea ook niet veel goud en glitter gewend was. Maar beide jongens waren godvrezend en ze wisten dat de tabernakel er nog steeds was, bij Samuël.
Die tent kenden ze, al zal die er waarschijnlijk niet meer zo hebben uitgezien als die eerste. De algemene mening is dat er inmiddels een ‘tijdelijk houten gebouwtje’ was met de entourage van de tabernakel. Dat gebouwtje kon ook gemakkelijk worden afgebroken en verplaatst; daarom vinden we dat heiligdom nu eens in Gilgal, dan weer in Silo, in Nob en vervolgens in Gibeon. Dat was enige jaren geleden voor mij wel een verrassing; ik had er nooit zo bij stilgestaan. Ik geef graag een fragment weer van christipedia.nl hierover:

Sinds Saul al de bewoners van de priester-stad Nob (1 Sam. 22: 19) liet ombrengen, verliezen wij het vaste spoor van het vervoerbare heiligdom uit het oog. Wel bericht de Kroniekschrijver dat het te Gibeon gestaan heeft, totdat de tempel van Salomo gereed was en dat Salomo en het volk aldaar plachten te offeren op het door Bezaleël vervaardigde, koperen Brandofferaltaar (2 Kron. 1:3-6, 13;
1 Kron. 21: 29).
Onder Eli, Samuël, David en Salomo zijn Tabernakel en Ark gescheiden geweest, misschien als teken van het ongenoegen van de Heer daarover, dat het volk van het Verbond niet leefde naar Zijn Wet.
David bracht de Ark in de stad van David “op haar plaats”, in het binnenste van de tent, welke hij daartoe had opgeslagen
(2 Sam. 6:17): “Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers. (HSV)
Bedoeld wordt zonder twijfel een andere tent dan de Mozaïsche Tabernakel; de handeling van David is alleen goed te begrijpen, wanneer de Mozaïsche Tabernakel destijds niet meer bestond. Deze Davidische hut bedoelde de koning toen hij tot Nathan sprak hetgeen wij lezen in 2 Sam. 7: 2; zij komt sedertdien herhaaldelijk in de geschiedenis voor (zie 2 Sam. 15: 25; 1 Kon. 1:39; 2: 28v; vgl . 1:50vv.; 3: 15) en werd later met haar toebehoren en met de Bondsark uit de stad Davids in de tempel van Salomo gebracht en daar bewaard. Ook de Kroniekschrijver maakt meermalen melding van deze Davidische Tabernakel (1 Kron. 16: 1; 6: 32; 9: 21; 23:32; 2 Kron. 5: 5). Een nadere omschrijving hebben wij van Davids tabernakel niet. Toch verdienen enkele -bijzonderheden de aandacht.
Vooreerst, dat David in 2 Sam. 7: 2 van zijn tent dezelfde uitdrukking bezigt, waarmede in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de afzonderlijk tapijten aangeduid worden (Statenvert, gordijnen); ten tweede, dat in het woord van God tot Nathan, 2 Sam. 7:6, de Godswoning met twee woorden (tent en woning) aangeduid wordt, welke in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de gewone uitdrukkingen zijn voor het geitenharen en het byssus-dekkleed (alleen of met inbegrip van het houten getimmerte), evenals zij ook in Ps. 78:60 van het heiligdom te Silo gebruikt worden. Ten derde zij herinnerd, dat Nathan geen onderscheid maakt tussen de Davidische en de Mozaïsche tent. Men kan uit een en ander afleiden, dat beide grote overeenkomst met elkaar zullen gehad hebben, te meer daar David zijn tent niet inrichtte volgens eigen goeddunken maar volgens de overgeleverde traditie. Hij zal ze ook wel rijk versierd hebben, waarmede 2 Sam. 7: 2 niet in tegenspraak is.
Toen Salomo’s tempel voltooid was, kregen de overblijfsels van de tabernakel een plaats in één van de zijvertrekken van de tempel (1 Kon. 8 :4, 2 Kron. 5 :5).
De door Mozes opgerichte tabernakel was eenvoudiger dan de door Salomo -gebouwde tempel, die Gods tentwoning als heiligdom verving. De tempel week op allerlei punten van de Tabernakel af.

De toekomst
Het is vooral de profeet Ezechiël die iets heeft geschreven over Gods aanwezigheid in de toekomst. Die aanwezigheid wordt ook ‘tabernakel’ genoemd, zeg maar Zijn woning of aanwezigheid bij de mensen. Israël zal weer in het Beloofde Land worden verenigd tot één volk, onder één Herder (de grote Zoon van David) en Gods tabernakel zal voor altijd bij hen zijn (hoor je daar diezelfde woorden uit Psalm 5 weer terug? Zou de berijmer dit in gedachten hebben gehad?
“Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
(Ezechiël 37 : 26-28, HSV)
In Hebreeën 8 en 9 gaat het ook over de tabernakel als beeld van de hemel. Dat was de plek waar Christus binnenging met Zijn Eigen bloed. Het is juist deze tabernakel waarin Stefanus zo meteen een inblik krijgt. Even schoof God het voorhangsel van het Heilige der Heilige weg en zag Stefanus de troon van God. Niet de ark waarop God op aarde woonde, maar de hemelse troon van God.

Slotopmerking
David wilde een blijvend huis voor God maken, maar hij mocht dat niet. Zijn zoon, de vrede-koning, mocht dat wel. En toch gaat Stefanus in het volgende gedeelte in op het feit dat God niet gebonden is aan een plek, waar Hij zou wonen. De eerste tabernakel was 30 el lang en 10 el breed, maar Salomo bouwde een tempel die tweemaal zo groot was: 60 el bij 20 el! En nog was dat voor God maar een klein hutje (het woord hebreeuwse tabernakel kan ook worden vertaald met hut). Niettemin moet je je erover verwonderen dat God tóch bij mensen wil wonen. Als we daarvan meer doordrongen zouden zijn en ook leven in het besef dat Hij bij ons woont, dan zouden we ook een intenser en dieper leven kennen. Dan zijn we ons ook meer bewust dat Hij erbij is in onze zorgen en ellende. Maar ook in de gesteggel in de kerk en het gediscussieer over details die niet relevant zijn. Het gekke is: hoewel we geen tabernakel meer kennen, toch ís Hij bij ons. Waar twee of drie in Zijn Naam bij elkaar zijn, ís Hij er ook! Elke kerkdienst en elke bijbelstudieavond. Ja zelfs in onze binnenkamer. Hoe relevant is dit besef in onze gemeenten en ons persoonlijk leven? Juist met het zinderende verlangen naar Zijn eeuwigblijvende aanwezigheid?

maandag 2 april 2018

Geef mij mijn Michal terug

De loyale van de royale - XVII


En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met u maken; doch één ding begeer ik van u, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, tevoren inbrengt, als gij komt om mijn aangezicht te zien. Ook zond David boden tot Isboseth, den zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb. Isboseth dan zond heen, en nam haar van den man, van Paltiel, den zoon van Lais. En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder. En hij keerde weder.
2 Samuël 3 : 13-16



Dat had ik nou niet direct verwacht van David. Harde woorden die zijn gedaan in een onderhandelingssessie blijkbaar. Dit is niets voor David. Nota bene had hij inmiddels al een paar (!) andere vrouwen. Aan de hand van de eerste verzen van dit hoofdstuk zetten we ze, met hun zonen die in Hebron zijn geboren, op een rij:
  1. Ahinoam, de Jizreëlietische: zij gaf hem Amnon
  2. Abigaïl, weduwe van Nabal, de Karmeliet: zij gaf hem Chileab
  3. Maächa, dochter van Thalmai, koning van Gesur: zij gaf hem Absalom
  4. Haggith: zij gaf hem Adonia
  5. Abital: zij gaf hem Sefatja
  6. Egla: zij gaf hem Jithream
Maar niemand van die zes (misschien dat Abigaïl hier uitzondering op maakt) kon zijn eerste liefde vervangen: Michal, zusje van Jonathan.

Toen David moest vluchten heeft Saul iets gemeens gedaan. Hij heeft Michal uitgehuwelijkt aan “Palti (of Palthiël), de zoon van Lais” uit Gallim. Vermoedelijk had Michal niet zo veel in te brengen. Ze zal wellicht al blij zijn geweest dat ze het er levend had afgebracht, omdat haar vader ziedend was op haar man, David, en op haar, omdat ze de soldaten had bedrogen met die ‘pop in bed’.
Nooit meer wordt er over haar gerept in het Woord van God, maar blijkbaar is haar naam diverse keren door het hoofd van David gegaan. Wat David ertoe bewoog om een andere vrouw te nemen is niet bekend. Mogelijk dat hij Michal uit zijn hoofd probeerde te zetten om dat zij al hertrouwd was. Maar die andere zes moeten zich altijd op de tweede plaats hebben gevoeld. Zou hij tegen hen weleens hebben gesproken over Michal? Als er eentje tussen zat met wie hij zijn pijn weleens zou hebben gedeeld, dan was het hoogstwaarschijnlijk wel Abigaïl. Zij was een wijze vrouw met wie David een geestelijke klik had.

Maar nu blijkt dat, ondanks al Davids voorspoed, zijn vrouwen en zijn kinderen, Michal nog steeds in zijn gedachten was. Jonathan leefde niet meer, maar zijn zusje Michal, die eveneens Davids hart had gestolen, leefde nog wel. Zou het kunnen zijn dat David haar daarom bij zich wilde hebben, om zo iemand te hebben die hem aan Jonathan herinnerde? Met haar zou hij het verdriet over Jonathan kunnen delen als met geen ander. Met haar zou hij zich weer compleet voelen. Maar zij was toch van een ander? Mocht hij nog wel aan haar denken?

De transactie die Abner voor ogen staat krijgt voor hem een heel vervelende wending, door het feit waarvoor David hem stelt. Sterker nog: David legt het ook bij Ishboseth neer. Hij gebruikt zijn machts­positie om deze twee gesprekspartners (hoe dubieus hun beweeg­redenen ook waren) onder druk te zetten. Krachtens de wet van Mozes had hij nog wel recht op Michal; maar die andere vrouwen die David had genomen inmiddels, maken dat recht wel erg onzeker en aanvechtbaar.
Dat er nog iemand is die van Michal hield, blijkt wel uit het vervolg van deze merkwaardige geschiedenis. Michal wordt botweg uit haar huis ontvoerd, terwijl Palthi erbij was. Hij rent achter de soldaten die haar meenemen aan. En hij huilt erbij; wat een ontroerend  tafereel is dat. Palthi loopt helemaal vanaf zijn huis (in Benjamin) naar Bahurim (vlakbij de grens met Juda), achter de troep aan. Aldoor huilend (en roepend, vermoed ik) om zijn lieve vrouwtje.
Abner heeft deze klus zijn mik geschoven gekregen. Het gejank irriteert hem mateloos: “Ga weg, ga naar huis.” Bij Bahurim houdt Palthi het voor gezien. Hij druipt af. Het staat er met kille woorden, maar wie kan de pijn in zijn hart peilen? Had hij er schuld aan? Hij had deze vrouw immers van Saul gekregen, terwijl hij wist dat David haar man was. Palthi deed eigenlijk aan heling op ethisch gebied! Maar wat doe je als je goede maatjes met de baas van het land kunt worden?
Nu is er iemand anders ‘de baas van het land’. Hoewel… Dat was eigenlijk Ishboseth, de bastaardzoon van Saul. Liet hij dat zomaar toe? Of was voor hem zijn halfzus eigenlijk niet meer dan een mooi stuk onderhandelwaar?

En hoe zal David zijn eerste liefde hebben terugontvangen? Hoe zullen die twee elkaar hebben aangekeken? Zou ze in David nog de David van weleer hebben herkend? Hij was gehard door de jarenlange vlucht en de strijd die hij heeft moeten leveren. Hij heeft in gebieden geleefd waar hij moest zien te overleven. Wat was er nog over van die eerste liefde?

En had Michal hem misschien ook wat te verwijten? David heeft nooit een poging ondernomen om haar eerder terug te halen. Nooit! Wilde hij wel Michal terug? Of wilde hij iets nabijs van Jonathan bij zich hebben? Jonathans spullen laten bij de Filistijnen. Zijn lichaam was verbrand en begraven in Jabes. Maar… waar was zijn vrouw? Waar waren zijn kinderen over wie David zich krachtens de eed aan Jonathan zou ontfermen?

Ere wie ere toekomt en stank voor dank

De loyale van de royale - XVI


Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende:
Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul ­gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
2 Samuël 2 : 4-7


Wat zou er van Jozef van Arimathéa zijn geworden? We lezen nog van hem dat Hij Jezus’ lichaam heeft begraven in zijn eigen, nieuwe graf. Maar daarna blijft het stil. Evenals we over Nicodémus niets meer lezen. Jozef moet zich met die begraaf­actie onmogelijk gemaakt hebben bij de Joodse Raad. Eindelijk had hij openlijk partij gekozen voor Jezus. Temeer zal hij buitengeworpen zijn, toen bleek dat Jezus’ lichaam uit Jozefs graf was verdwenen. Zou Jozef er de hand in hebben gehad? Ongetwijfeld zullen ze hem en Nicodémus erop aan hebben gekeken. Immers, het was Jozefs graf; dus hij wist precies alle sluipweggetjes in de tuin. En die lichtflits? En die aardbeving? Opzet!
Je kunt begrijpen dat Jozef en Nicodémus geen beloning kregen van het Sanhedrin, voor hun daad jegens de Gezalfde. Zouden we zijn opgenomen in de groep van 120? Zouden die hen hebben beloond met broederschap en liefde?

Ik vraag dat, omdat ik dat wel zie bij de mensen van Jabes. Kort na de dood van Saul vraagt David aan de HEERE wast hij nu moet gaan doen. Hij wil niet zelf het heft in handen nemen. Maar de HEERE duwt hem op weg naar het koningschap. Het begint klein. Hij moet naar Hebron gaan en daar roepen de mensen uit Juda hem uit als hun nieuwe koning. Blijkbaar konden zij dat autonoom en onafhankelijk doen van de andere stammen. Maar daarmee was David nog geen koning over het gehele koninkrijk. De zalving door de Judeërs was voor David een bevestiging van zijn eerder verkregen zalving. Je zou haast zeggen dat hij een dubbel-gezalfde was.

En dan lezen we een vreemde zin in vers 4. Als uit het niets gaan mensen opeens tegen David praten. Maar de Kanttekeningen wijzen er terecht op dat David waarschijnlijk eerst een vraag heeft gesteld: “Waar is zijn de lichamen van Saul, Jonathan en zijn broers?” Het het stellen van die vraag stappen er mensen naar voren die het antwoord weten op die vraag. Misschien heeft David hier en daar navraag gedaan; hoe het ook zij: “Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.”
David neemt een besluit. Hij wil zijn erkentelijkheid aan deze mensen tonen en uitspreken. Hij doet dat overigens niet zelf en blijkbaar heeft hij daar een reden voor. Meende hij dat hij zijn leven buiten Juda nog niet zeker was? Was deze actie misschien een doel om te kijken hoe de vlag erbij hing bij de andere stammen en gebruikte hij de actie van de mannen van Jabes om een positieve ingang bij de rest van het volk te vinden?
Hoe het ook zij, hij stuurt boden naar Gilead, over de Jordaan, en vertelt hen: “De Heere zal jullie zegenen, omdat jullie goed zijn geweest voor jullie heer Saul en hem hebben begraven. De Heere zal daarom ook goed voor jullie zijn, en ik ook. Wees dapper en houd moed. Saul is wel gestorven, maar nu hebben de Judeeërs mij tot koning van de stam van Juda gezalfd” (versie: Basisbijbel).

Dat klinkt positief en David moet hebben gedacht dat hij hen zo wel gemakkelijk voor zich kon winnen. Er waren geen andere kapers op de kust en men was, dat moet hem wel duidelijk geweest zijn, Saul ook meer dan zat. Daarbij: David is door God aangewezen; de HEERE heeft hem nu een duwtje in de rug gegeven, dus wat kan er nog misgaan?
Hij stuurt hen bewust geen geschenken. Ook zoomt hij in zijn dankwoord alleen in op de gezalfde, Saul, hun oude koning. Maar tussen de regels door mogen we denk ik wel lezen dat hij hen ook zeer dankbaar is voor de respectvolle begrafenis van zijn vriend Jonathan.
De vraag is nu: zullen de mensen in het overjordaanse Gilead nu massaal achter David aankomen? Zal geheel Manasse zich verzamelen achter David? En zullen die twee gescheiden helften van één stam de rest van het land meekrijgen?
Er is echter één gevaarlijk persoon met twee gezichten. Abner! Hij wil zich niet achter David scharen, omdat dat voor hem betekent dat hij macht moet inleveren. Hij ziet zijn kans schoon. De zonen van Saul zijn tegelijk met hun vader gesneuveld, maar er is nog een ­bastaard: Ishboseth. Zijn naam betekent ‘man van schaamte’, een niet zo heldhaftig personage. Maar Abner kiest hem niet uit om een leider te hebben, maar om zijn naam en afkomst te misbruiken voor zijn eigen coupe. Abner dacht in dinastieën en in stambomen. Daar paste David natuurlijk niet in. David en Abner pasten ook niet bij elkaar in geestelijk opzicht. Lees de kernachtige samenvatting van christipedia:
“Isboseth dankte zijn kroon niet aan zichzelf, daar het hem ten enenmale aan moed, kennis en veerkracht ontbrak, maar aan de dappere krijgsoverste Abner. Abner heeft vervolgens tot stand gebracht, wat er dan nog goeds onder de regering van Isboseth is verricht. Onder dit goede behoort in de eerste plaats genoemd te worden de verdrijving van de Filistijnen uit de Israëlitische steden, welke zij na hun overwinning op Saul hadden veroverd en bezet. Daarna sloeg Abner het oog op Juda en trachtte ook deze stam aan de kroon van zijn heer te hechten , maar vruchteloos. Zijn leger werd verslagen, hij zelf moest vluchten. Na een tijdsverloop van zeven jaren, toen hij inzag, dat Isboseth de man niet was, die het rijk waardig besturen kon, knoopte hij met David onderhandelingen aan, en zou zijn heer onttroond hebben, zo Joab hem niet verraderlijk om het leven had gebracht. De zwakke Isboseth, van zijn steun beroofd, werd kort daarna door zijn veldheren Baëna en Rechab gedood , die zijn hoofd aan David brachten. Zij ontvingen echter geen beloning, maar de rechtmatige straf voor de koningsmoord. Daarop huldigde geheel Israël de zoon van Isaï.”

David moet dus nog zeven jaar wachten. En opnieuw beloont hij de moordenaars van zijn ‘gezalfde’ vijand niet, maar straft hen. Daarmee – maar hoeveel geduld moet hem dat gekost hebben? – schaarde hij geheel Israël uiteindelijk achter zich. Een weg van geduld, maar onder Gods zegenende hand.
Wanneer viel het rijk van Israël uiteen in twee rijken? Je zou als antwoord kunnen geven: onder Rehabeam. Maar we zien dat het al direct na Sauls dood gebeurde: Juda achter David; de rest achter Ishboseth. Onder David en Salomo worden de beide bloedgroepen weer met elkaar vermengd. Maar toch blijkt het maar van beperkte duur te zijn. Macht is zo beperkt. Zo kort van stof. Als het volk niet bewust kiest, laat het zich als een dode vis op de stroom meedrijven. Dan kun je misschien met krachtige argumenten en harde hand nog wel wat goede bewegingen ontplooien, maar als het hart van het volk niet bewust kiest is het allemaal korte termijn denken… Zou dat geestelijk in de kerk niet precies eender zo gaan?

zaterdag 31 maart 2018

Wir setzen uns mit Tränen nieder

De loyale van de royale - XV


Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren. En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israëls, omdat zij door het zwaard gevallen waren.
2 Samuël 1 : 11-12


Wir setzen uns mit Tränen nieder
und rufen dir im Grabe zu:
Ruhe sanfte, sanfte ruh !
Ruht, ihr ausgesognen Glieder !
Ruhet sanfte, ruhet wohl !
Euer Grab und Leichenstein
soll dem ängstlichen Gewissen
ein bequemes Ruhekissen.
und der Seelen Ruhstatt sein.
Höchst vergnügt schlummern da die Augen ein.
Wir setzen uns mit Tränen nieder
und rufen dir im Grabe zu:
ruhe sanfte, sanfte ruh !
Huilend gaan wij zitten
en roepen u in het graf toe:
rust in vrede, rust zacht.
Rust nu, uitgeputte ledenmaten.
Rust zacht, rust goed.
Uw graf en uw grafsteen
zullen voor het angstige geweten
een aangenaam hoofdkussen
en rustplaats voor de ziel zijn.
Vergenoegd sluimeren de ogen toe.
huilend gaan wij zitten
en roepen u in het graf toe:
rust in vrede, rust zacht.
http://matthauspassion.nadro.nl


De mannen van Jabes vastten en klaagden zeven dagen. Bij David zien we een klagen en vasten tot op de avond. De rest van de dag dus.
De Amelekiet die dit semi-nepnieuws kwam brengen, om daarmee de bink uit te hangen, heeft dat met de dood moeten bekopen. Terecht. Zeker als je Davids argument hoort: “Je hebt je vergrepen aan de gezalfde des HEEREN!” David is consequent en ziet de dood van Saul zelfs nu niet al een welkome oplossing van zijn ballingschap.
Voor David was het koningschap geen doel op zich. Althans hier niet. Hij kon op Gods tijd wachten. Maar wat er nu is gebeurd doorziet hij beter dan wie ook: hier ondergaat het volk dat hij straks zal moeten gaan leiden, het oordeel van God. Hoe pijnlijk precies zal het dus in de komende tijd voor hem komen om Gods beeld in het volk van het verbond weer te herstellen! De straf op deze Amelekiet is er het eerste begin van.


Wat David altijd heeft gezegd over ‘niet je handen uitsteken naar de gezalfde’ handhaaft hij ook nu. En wat hij altijd heeft gedaan, wanneer zijn innerlijk werd bewogen in blijheid of droefheid, doet hij evenzeer ook nu: hij zingt een lied. Enerzijds roept hij in het lied op om de schande van de gesneuvelde helden niet toe te laten in het land van de vijand: “Hoe zijn de helden gevallen! Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde.” Anderzijds roept hij tot de dauw en de regen om de sporen van Sauls en Jonathans bloed niet uit te wissen. Het lijkt een bede om gerechtigheid en om respect en eerbied voor de doden.
Ook benoemt hij de pijn over dat ‘de krijgswapens zijn verloren’. Het is de schande, de smaad, die hem hier meer raken haast dan de dood zelf. Veel mensen zijn bang voor de dood, omdat mensen hen dan op hun kwetsbaarst zien. Dan ben je pas echt wie je bent. Zolang je leeft kun je de schijn ophouden en mooie woorden spreken. Maar de dood liegt niet. Dat is nog maar een slap aftreksel van hoe er in de Bijbel over schande wordt gesproken. Smaad die wordt aangedaan is vele malen ingrijpender dan lichamelijk pijn, zo zei onze dominee pas.

Daarbij is de liefde en verbondenheid die David in Jonathan met elkaar hebben gedeeld, iets dat zo kostbaar en teer is, dat de dood en het sneuvelen in de strijd, daar iets verachtelijks van maakt. De wapens zijn verloren; dat is: de macht en dapperheid die je een leven lang hebt laten zien, hebben toch het onderspit gedolven. Maar de vriendschap was nog iets veel indrukwekkenders.
Het is daarom opmerkelijk dat David juist Jonathan zo vaak in het lied betrekt: “Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten! Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!” Jonathan, die zich altijd wist te redden, tegenover welke grote overmacht ook. En vlak zijn wapendrager niet uit! Maar nu hebben ze gefaald… ze hebben het niet kunnen redden. Helden? Als een stuk vuil zijn ze aan de muur van Beth-San gehangen. Jonathan… het beeld van zijn lieve vriend schuift voor zijn geestesoog en David probeert dat beeld te rijmen met de boodschap dat zijn sterke lichaam al een stuk vuil is opgehangen… Mensen mochten er zomaar op spugen, om lachen en van griezelen.

Is dat niet het beeld dat Golgotha oproept? Kennen we Jezus zo persoonlijk, dat we dat beeld van het kruis op Golgotha niet kunnen verdragen? Past dat afzichtelijke van Zijn kruisafname en zijn graf­legging ook niet in ons beeld over Hem? Omdat we Hem zo lief hebben gehad?

Wat David niet doet is: een bedevaart naar Gilboa of Jabes. Geen bezoek aan die afschrikwekkende plaatsen. Misschien dat hij ze later nog wel heeft bezocht. Mij hij laaft zich aan het beeld dat hij nog van Jonathan heeft… misschien wel die laatste ontmoeting. Laten wij hetzelfde doen op deze Stille Zaterdag en “…huilend gaan wij zitten en roepen U in het graf toe: rust in vrede, rust zacht.” Maar laten we dat wel doen met het oog op de wederopstanding van het vlees: Pasen!

Ik wil mijn Jonathan zelf begraven

De loyale van de royale - XIII

En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes;
en zij vastten zeven dagen.
1 Samuël 31 : 13


Afgelopen dagen hoorde ik meerdere keren de indrukwekkende aria uit de Mattheüs Passion ‘Ich will Jesum selbst begraben’ en ik vroeg me af: wat beweegt je ten diepste als je zo iets zingt? Mijn vrouw zei: “Misschien wil je dan zelf toch iets aan toevoegen”. Het blijft me erg intrigeren die zinsnede. Juist toen ik de tekst van deze bijbelstudie zag.

De mensen uit Jabes hebben het mooiste gedaan dat we in deze geschiedenis hebben gelezen. Ik vind dat er, net als met Maria die Jezus’ voeten zalfde, ook over hen in de gehele wereld, alle eeuwen door, mag worden gesproken. Want al hebben ze het aan een afvallige gezalfde (Saul) gedaan, ze hebben het ten diepste aan Jezus zelf gedaan, omdat Saul wel de gezalfde bleef van God!

We lezen wel merkwaardige dingen, op het eerste gezicht. Ze hebben de lichamen van Saul en zijn zonen, dus ook Jonathan, verbrand. Is dat crematie? Nee. De lichamen waren reeds verminkt en in een zekere staat van ontbinding. Die moet een ondraaglijke lucht hebben gegeven en daarom werd hun rottende vlees verbrand. Maar hun as werd niet verstrooid. Integendeel. We lezen dat hun beenderen met respect en eerbied werden begraven. Begraven in een natuurbegraafplaats: onder het geboomte van Jabes.
En ook daarmee was de kous niet af. Ze vastten zeven dagen. Zouden alleen de mensen van Jabes die hebben gedaan? De rest van Israël dus niet? Het lijkt er wel op helaas!

Hoe aangrijpend is het vervolgens als je te horen krijgt dat een geliefde is overleden en reeds begraven?! De plek kan nog worden aangewezen waar hij of zij stierf/verongelukte en misschien is er ook een plaats aan te wijzen waar het lichaam begraven ligt. Maar verder is er niets meer te doen. Ik kan me daarom zo voorstellen dat David deze aria had meegezongen uit het diepst van zijn hart, gewijzigd met deze woorden: “Ik wil mijn Jonathan zelf begraven”. Alleen… hij is al begraven.
Sterker nog… David riep uit toen hij hoorde dat zijn hartsvriend was gesneuveld: “Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der ­vrouwen.”

Naast Jonathan roemde hij ook de daadkracht van Saul. Een wonderlijk loflied op de man die hem naar het leven stond! Hij zong goed over zijn vijand. Hij schold niet terug, maar riep tot God. Er is nog iets dat David doet, dat doet denken aan het intro van de Matteüs Passion: “Gij, dochteren Israëls, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.”
David benadrukt dat Saul en Jonathan onafscheidelijk aren in hun leven: “Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.” Vandaar dat ik ook zo vaak de geschiedenissen over Saul waarin Jonathan ontbrak heb gekoppeld aan de aanwezigheid van Jonathan.

Ondank zijn vlucht, waarin David gescheiden was van zijn vriend, valt er nu een definitief gat in zijn leven dat geen van zijn vrouwen of ­kinderen zal kunnen vullen. Hoe graag had hij Jonathan zelf begraven en tranen gestort op de plek waar jonathans bloed de aarde had rood­gekleurd. Zou hij ooit nog eens naar Gilboa of Jabes gaan?

vrijdag 30 maart 2018

De gezalfde gehangen tussen hemel en aarde

De loyale van de royale - XII

…en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-san. Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
1 Samuël 31 : 10-12

Wat me trof in deze verzen? Misschien wel het meest trieste: dat iedereen zijn handen aftrekt van de gezalfde des Heeren! Wat je ook van Saul kunt zeggen, David was er kraakhelder over: hij is en blijft de gezalfde, de ‘christos’ zoals het in het Nieuwe Testament zou worden genoemd. En hoe extreem is dat in Jezus de Gezalfde werkelijkheid geworden. Hij werd uitgespogen door alles en iedereen. In tegen­stelling tot Saul niet door Eigen schuld. Nee, Hij werd tot zonde gemaakt!
Het tweede is: het erbarmen dat uit Gilead kwam. De mannen van Jabes waren de enige die zich vermanden en op pad gingen om de lichamen van de gezalfde en zijn zoons te zoeken en veilig te stellen van de verdergaande spot en smaadheid.

Ik zie in hen een lijn naar Jozef van Arimathea en Nicodémus lopen. Met name Jozef heeft zich vermand en eiste van Pilatus het lichaam van Jezus. Dat was waarlijk een heldendaad, want daarmee bekende hij zodanig kleur, dat hem dat zijn plek in de Joodse Raad zou kosten. Wie wilde een vervloekte in zijn graf hebben liggen? Maar het kon Jozef niet meer schelen: Hij wilde Zijn Jezus zelf begraven. Daarover de volgende keer. Arimathea… het is de griekse vertaling van Rama(th) en dat brengt ons terug bij Samuël, die er was geboren!
Op eenzelfde manier als Jozef zien we nu de mannen van Jabes naar Beth-San (of Beth-Shan of Beth-Sean) gaan. Die naam betekent overigens ‘Huis van Rust’! Deze stad lag vlakbij Gilboa, aan de oostkant van het gebergte, dichtbij de Jordaan. Jabes daarentegen lag aan de overkant van de Jordaan. Dus er is niet persé een logische verbinding tussen Beth-San en Jabes dan alleen dat het beiden het gebied van Manasse betrof, aan weerskanten van de Jordaan.

Bij de stad gekomen nemen ze de opgehangen dode lichamen van Saul en zijn zonen mee. De lichamen hingen daar als afschrikwekkend voorbeeld naar de joodse bevolking natuurlijk. Maar er zullen ook Filistijnen hebben gewoond in dat gebied, zoals we in de vorige tekst lazen. Als je de Bijbeltekst leest lijkt het voorspoedig te zijn verlopen. Ze nemen de lichamen mee… maar bedenk dat ze de dag ervoor al zijn gesneuveld en nu al enige tijd in de hitte aan de muur hingen. De lucht moet vreselijk geweest zijn; een lucht die je je leven lang zult onthouden. Maar de mannen van Jabes schrikken er niet voor terug.

Saul en zijn zonen moesten daar hangen en droegen deze boodschap uit: “hier had jij kunnen hangen…” Deze indoctrinatie pasten de Filistijnen toe om mensen te ontmoedigen tegen hen in opstand te komen. Ook Jonathans lichaam moest deze boodschap uitdragen!
Hoe anders is de boodschap van Jezus’ lichaam op deze Goede Vrijdag waarop wij het evangelie van Golgotha mogen horen: “Hij in mijn plaats zodat ik nooit zo ontluisterd zal worden als Hij”. Goed wil je geen angst inboezemen maar juist Zijn liefde voor jou laten zien in Zijn Zoon. Zie je het verschil? Wat Jonathan nooit kon, laat staan Saul, dat kan Jezus wel.

En ze verdeelden zijn klederen onder zich

De loyale van de royale - XI

Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
1 Samuël 31 : 8

Ook het aspect van ‘kleding verdelen’ of ‘spullen verdelen’, nadat die zijn ontvreemd, komt in deze geschiedenis aan de orde. Het staat er zo expliciet dat het me direct opviel. Het is niet vreemd dat ik direct moest denken aan het gebeuren op een andere berg. Niet op Gilboa maar op Golgotha…
De dag na de veldslag bij Gilboa komen de ‘aasgieren’ die alles wat bruikbaar is meenemen. De Filistijnen trekken over het slagveld en roven alles weg wat maar enigszins bruikbaar is. Terecht wordt het hier ‘plunderen’ genoemd.

Op deze strooptocht vinden ze niet alleen iets bruikbaars, maar ook treffen ze bekenden aan: Saul en zijn zonen. Het is niet bekend hoe ze die herkenden. Blijkbaar was toen ook al gebruikelijk dat men met vlaggen en andere onderscheidingen werkte om tijdens de strijd direct te zien wie bij welk leger hoorde.
Een van de dingen die de strijders van elkaar onderscheidden was natuurlijk hun werktenue, hun uniform. De pantsers, helmen en schilden van de Israëlieten weren in vorm en detail duidelijk onderscheiden van die van de Filistijnen. En zelfs kenden ze het onderscheid in rang. Daardoor worden naast Saul ook zijn zonen (als prinselijke legeraanvoerders) direct herkend. Direct zien ze de waarde van zowel de tenues als de personen die ze tot hun dood droegen.

De gesneuvelden, Saul en zijn zonen, worden ontkleed. Een ieder roofde wat hij wilde, als overwinningstrofee. Want wees eerlijk, dat tenue zullen ze niet hebben gedragen in de volgende strijd!
Maar die lichamen, het lijkt haast IS wel, zijn hen even waardevol als de spullen. Al hebben ze Saul en zijn zonen niet levend in handen kunnen krijgen, ze kunnen zich nu wel uitleven op hun dode lichamen. En dat is precies wat satan voortdurend doet. Hij leeft zich uit op wat hij niet levend in handen heeft kunnen krijgen. De lichamen worden meegenomen om tentoongesteld te worden. En, hoe bizar (!), het lichaam van Saul wordt onthoofd. Hij was in zijn leven een kop groter dan zijn volksgenoten. Ook dat zal voor hen een herkenningspunt zijn geweest. Maar in zijn dood wordt hij aan zijn volk gelijkgesteld.
“En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk. En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth (Dagon)…” Nota bene!

Jezus is als het ware ook de overwinningstrofee van de hel. Maar zijn het de romeinen die Hem bespottelijk maken? Is Hij voor de romeinen de overwinningsschat? Het lijkt er op dat Hij dat van Zijn eigen volk is! De soldaten verdelen wel Zijn klederen en werpen er het lot over “wat een iegelijk wegnemen zou” (Markus 15). Dat was wegens de profetie, zoals Mattheüs vertelt in hoofdstuk 27.
Jonathan en Jezus delen hetzelfde lot. Naakt worden ze als een stuk vuil behandeld. Met dit verschil dat Jonathan het niet levend heeft meegemaakt. Maar wie was die profeet die dit verzegd had? We lezen het in Psalm 22, de psalm van David! “Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.” Dacht hij aan Jonathan toen hij over Jezus, zijn grote Zoon, profeteerde?

woensdag 28 maart 2018

Hij heeft liefgehad tot het einde

De loyale van de royale - IX

En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
1 Samuël 31 : 2

Bij de dood van Jonathan wil ik wat uitvoerige stilstaan. Vooral in deze Stille Week voor Pasen. Omdat ik enkele mooie overeenkomsten, zij het gebrekkige, tussen Jezus en Jonathan. Over Jezus lezen we in Johannes 13 : 1b die bijzonder diepe woorden: “…alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.” Bij Jonathan zien we eenzelfde houding. Hij bleef David liefhebben, maar bleef evenzeer strijden aan de zijde van zijn vader. Hier in dit hoofdstuk, zien we hem nog eenmaal loyaal aan de royale: hij bleef zijn vader trouw, ondanks wie Saul was.

In deze strijd moet hij zich ook bewust zijn geweest van het feit dat David zich in dat andere kamp bevond. Wat zal dat met hem hebben gedaan? Je hartsvriend in het leger van de vijand?! Echter, hier moeten we de lijn van Jezus loslaten. Jonathan streed niet tegen de vijand om zijn geliefde vriend en diens trouwelingen te bevrijden. Hij offerde zich niet op om mensen vrij te krijgen uit de klauwen van de Filistijnen. Wat hem wel bewoog blijft helaas duister. Dat zal te maken hebben gehad met zijn visie op hoe het koninkrijk uiteindelijk bij David terecht zou komen. Immers, als de Filistijnen zouden winnen dan zou David nooit koning van Israël worden. En als hij dat wel werd, zou hij vooral afhankelijk blijven van de vijanden.
Naar Jonathans overleggingen kunnen we enkel gissen. Wat ons wel opvalt is dat hij zijn leven inzet in deze strijd. Een strijd die zijn vader niet ziet zitten. Niet voor niets week hij uit naar een tovenares om zekerheid te verkrijgen over de afloop. Die afloop moet Jonathan ook geweten hebben, al was hij er waarschijnlijk niet bij toen Samuël uit de dood ‘opstond’.
Jonathan heeft niet veel van de strijd meegemaakt. Hij is, zo lijkt het althans, een van de eersten die sneuvelen. Samen met zijn broers strijdt hij, maar sneuvelt. Alle drie delven het onderspit. En Saul blijft achter terwijl de strijd voortwoedt! Is Saul dan de ‘messias’ van Israël? Of wordt dit zijn moment van inkeer en bekering?

Jonathans lichaam wordt dodelijk geraakt en smakt neer tussen de lichamen van de andere gesneuvelden. Over zijn wapendrager lezen we niets. Maar hoe hij er ook aan toe was, Jonathan vraagt niet aan zijn wapendrager om hem te doden! Dat is een groot verschil. Hij is niet bang voor de dood. Hij heeft voor zijn kinderen een ‘verzekering’ afgesloten bij David en weet ze bovendien veilig in Gods handen.
Hij sluit zijn ogen. Wat zal er door hem zijn heengegaan? Of is hij op slag dood geweest? Wat waren zijn laatste woorden? De Bijbel zwijgt erover. Laat staan dat we weten wat zijn laatste gedachten waren. Zijn strijd is gestreden en de overwinning leek verkeken.

Geen sterven met een gewin voor al de zijnen. Hoe anders is dat met Jezus. Hij was evenmin bang voor de dood. Van Hem weten we dat Hij daadwerkelijk het doel van Zijn strijd voor ogen hield. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Hoe diep zijn die woorden. Hoe ver blijft Jonathan hier achter! Jezus stierf ook voor Jonathan. Want die kon onmogelijk Gods Koninkrijk binnengaan door zijn eigen trouw en vriendschap aan David! Ook hij moest het hebben van Davids grote Zoon: Jeshua Meshiach, dé Koning der Joden!

woensdag 7 maart 2018

Jezelf in de nesten werken

De loyale van de royale - VIII

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij en zijn hart beefde zeer. En Saul vraagde den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten.
1 Samuël 28 : 5-6


Op een van de heuvels langs de vlakte van Jizreël staat een man. Hij kijkt uit over de vlakte, maar zijn blik reikt verder, naar Sunem, vlak onder Naïn in het stamgebied van Issaschar. De man is ver van huis. Hij heeft zijn legers vanuit Gibea ver naar het noorden getrokken, vanwege een grootse aanval van de Filistijnen, die meer langs de zeekant naar het noorden zijn getrokken. De Filistijnen hadden zich in Afek, vlakbij Joppe, verzameld. De verspieders van de man hadden niet alleen de troepenbeweging feilloos in kaart gebracht voor hem, maar ze hadden er ook nog een ontstellende ontdekking bij vermeld: David heeft zich met zijn leger gevoegd bij een van de Filistijnse koningen, Achis. Daarom herkennen we de man op de heuvel niet direct als Saul!
Het is een andere Saul die hier observeert. Of eigenlijk… hij kijkt uit op een enorme blinde muur. Waar zijn woeste kracht nog wel eens een overwinning afdwong op de Filistijnen, is hem nu alle moed in de schoenen gezonken? Vanwege de overmacht? Nee, die is niet heel veel groter dan in de voorgaande jaren. Vanwege het ontbreken van kundige legeraanvoerders? Ook dat is niet het probleem. Het eigenlijke probleem wordt verwoord in de tekst van vandaag: “De HEERE antwoordde hem niet.” En Saul had nog wel zo gebeden! Hij had de HEERE gevraagd hoe hij dit moest aanpakken. Maar het bleef stil.

Dat God zwijgt is voor Saul onheilspellend. En bijgelovig als hij is geworden, heeft dat enorm vat op hem. Wij zeggen misschien wel veel te gemakkelijk ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’, maar er zit wel een diepe van waarheid in, ook al wordt dat keihard ontkend. Elk mens zoekt zekerheid. Is het niet in God dan is het wel in de utopie dat Hij niet bestaat. Het probleem met Saul is echter dat hij voluit weet dat God bestaat en daar ook geen moment aan twijfelt. Maar God zwijgt tegen hem, omdat Saul niet naar Hem luistert. Die houding kun je met recht ‘in de nesten werken’ noemen. Zijn leven is één ondoordringbare kluwe van problemen geworden.

Maar er is nog iets dat Saul aan de rand van de waanzin brengt: daarginds, in de achterhoede van de Filistijnen bevindt zich David. En God is wel met David! Sauls verspieders hebben hem dat mogelijk met angst in het hart gemeld, maar het was essentiële informatie! Wat zij en dus ook Saul niet wisten is dat David zich ook de nesten had ­gewerkt, door zich bij Achis aan te sluiten. Hij wilde via zelfgekozen wegen de veiligheid van zijn groep waarborgen en zicht die opnieuw bij Achis. Deze stond op het punt om ten strijde te trekken tegen Israël en David wilde zijn betrouwbaarheid bewijzen; daarom zei hij met een grote mond dat hij met Achis wilde meetrekken. Even daar gelaten of hij daar een even dubbel plan mee had als Jonathan aan Sauls kant.

Toen de verschillende Filistijnse legers zich in Afek verzamelden, waren er weer een aantal die David herkenden. Het lijkt het verhaal van Petrus wel in de zaal van Kajafas! David gokte veel te hoog; maar de HEERE maakte dat de andere Filistijnse vorsten hem absoluut niet mee wilden hebben. Hij zou hen zo van achteren kunnen aanvallen als zijn vooraan in strijd waren met Saul en zijn leger. Nu was Davids leger niet zo groot als de duizenden der Filistijnen. Maar men hield wel rekening met Davids bijzondere kracht die hij van God had ontvangen! Moet je horen wat David veinst, wanneer Achis hem toch moet zeggen dat de anderen hem niet mee willen: “Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw ­aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer den koning?” Nota bene!
Of had hij mee willen vechten om Saul te kunnen beschermen? Hoe dan ook, Saul is doodsbenauwd voor de Filistijnen bij wie hij nog steeds David vermoedt. Zou Jonathan daar bij hem hebben gestaan? Nergens wordt zijn naam genoemd, maar er gebeuren een hele hoop dingen die iets met hem móeten hebben gedaan! Ook hij moet hebben geweten van Davids aanwezigheid daar ginds in het leger van de Filistijnen. Dat heeft hem wellicht met vreugde vervuld, maar toch…

En dan is daar dat moment dat Saul de wijk neemt tot het rijk van de duisternis. Als dan God zwijgt, dan zal hij kijken of de satan spreekt. Toen Samuël stierf had hij – uit krankzinnige angst voor het boven­natuurlijke – de waarzeggers en de duivelskunstenaars laten doden. Zo meende hij dat het rijk van satan ook het zwijgen werd opgelegd en zo kon hij vrij zijn gang gaan. Maar gek genoeg vraagt hij nu om een waarzegster. Waarom juist om een vrouw? En als hij die zo secuur had uitgeroeid, waarom vermoedde hij er dan toch nog eentje? Moet je indenken hoeveel risico zijn knechten liepen, toen zij hem antwoord gaven: “In Endor is er nog wel eentje”. Endor! Dat betekende dat hij met een boog om de legers van de Filistijnen moest, want Endor lag recht naar het noorden, vlak onder het Thaborgebergte. Ze moesten de zijtak van de Jordaan over en dan over het gebergte rechts van Sunem. Een niet ongevaarlijke tocht, maar het ‘lukt’.

We weten hoe het afliep. Daar ontmoette hij een spirituele simulatie van Samuël; Sauls wordt ondanks zijn vermomming herkend door de waarzegster, waarmee ze aantoont ‘betrouwbaar’ te zijn. Maar de boodschap is verpletterend. En ondanks al dat spirituele komt Saul niet tot verandering maar verhardt hij in zijn weg. Zou Jonathan hier ook bij zijn geweest? Ik vraag het me af. Wat een kluwe van losse eindjes is zijn leven geworden. Hij heeft zich in de nesten gewerkt.

dinsdag 6 maart 2018

Een herhaling van zetten

De loyale van de royale - VII

Deze zaak die gij gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als de HEERE leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, gij die over uw heer, den gezalfde des HEEREN, geen wacht gehouden hebt. En nu, zie waar de spies des konings is en de waterfles die aan zijn hoofdeinde was.
1 Samuël 26 : 16


We maken even een sprongetje in de tijd, omdat we vooral de lijn van Jonathan volgen en niet teveel uitweiden ver Saul of David. Maar soms is dat niet helemaal te voorkomen, zoals vorige overdenking. Eén ding moet nog wel worden genoemd uit 1 Samuël 25, het hoofdstuk begint met die aangrijpende woorden “En Samuël stierf…”. Op geestelijk gebied is er iets wezenlijks weg uit Israël: David, de gezalfde nieuwe koning, is weg (dus ook de belofte); en nu is ook Samuël er niet meer, het sprekend geweten van Saul en het volk! Israël is aan zichzelf over­geleverd en dat moet voor Jonathan een stuk lijden hebben betekend!
Dat David nog steeds vogelvrij is blijkt wel in het hoofdstuk dat nu voor ons ligt. Opnieuw komen de Zifieten bij Saul. Opnieuw gaan ze David verraden met bijna dezelfde woorden! En opnieuw trekt Saul erop uit. We nemen weer even aan dat ook Jonathan zal zijn mee gegaan. Hij is dan ook getuige geweest van deze hele scène waarin zijn vader opnieuw in deemoed en boete eindigt. Triest als je dat ziet van je vader, want hij wist (misschien wel als enige) hoe het écht zat!

Maar waar ik op wil inzoomen is het feit dat David opnieuw iets gaat provoceren bij Saul. De vorige keer is hij al op het randje gaan acteren, maar zal hij dat nu weer gaan doen? Waar doel ik op?
Saul traceert, middels verkenners of verspieders, het gebied waar David zich schuilhoudt. De verspieders van David hebben alle bewegingen van Saul en zijn mannen gevolgd en boodschappen David exact wat er achter hem gebeurt. David kent het gebied inmiddels op zijn duimpje; daar getuigt het vorige hoofdstuk met Nabal wel van. Bedenk dat er voor David nu een wezenlijke verandering heeft plaatsgehad: hij heeft een vrouw getrouwd, die geestelijk gezien zijns gelijke is en daarmee kreeg hij een nieuwe dimensie aan zijn beschermtaak. Abigaïl, de weduwe van Nabal, heeft zich aan hem toevertrouwd.

Maar er is ook een man wiens naam bijna dezelfde letters heeft: Abísaï. Samen sluipen zijn ’s nachts naar het legerkamp van Saul om de situatie te observeren. Saul gebruikt – en dat is iets dat kenmerkend voor zijn argwanende karakter is – als strategische vorm een ‘wagenburg’. Wat is dat? En waarom deze vorm?
Een wagenburg is een strategische opstelling van materieel. De materieelwagens worden in een grote kring rondom het kampement opgesteld als een soort muur. Vandaar dat het een ‘burg’ of ‘burcht’ van wagens wordt genoemd. “En Saul lag in den wagenburg en het volk was rondom hem gelegerd.” Zie je wat ik bedoel: Saul is niet de ­aanvoerder, maar gebruikt het volk als bescherming voor zichzelf!
David doorziet dat en zijn oog valt op iemand die die veiligheid nog eens extra moet waarborgen: Abner, zijn krijgsoverste. Abner stond dus zelfs dichter bij Saul dan Jonathan; en dat is veelzeggend. Ik zwijg maar over de merkwaardige rol die Abner later zal spelen, door evenzeer trouwheid te spelen aan David. Nota bene!

David kijkt de twee jongens naast zich (Abisaï en Achimélech) aan en zegt: “Wie gaat er met me mee naar Saul?” Abisaï is de enige die reageert. Samen gaan ze naar het leger en sluipen met een haast onwaarschijnlijke behendigheid tussen de manschappen door en komen bij de slapende Saul. Nou, als je al zover bent gekomen zonder enige vorm van tegenstand, dan is dat voor Abisaï duidelijk: “Dit is de dag waarop God uw vijand aan u heeft overgegeven!” Hij gebruikt haast dezelfde woorden als uit die eerdere geschiedenis waar David een stuk uit de mantel van Saul sneed. Abisaï ziet de speer in de grond staan aan het hoofdeind van Saul. “Sta me toe dat ik die speer in één keer in zijn hart steek. Ik beloof dat ik er geen slachtpartij van zal maken door meermalen in hem te steken!” Abisaï voelde haarfijn aan hoe David met dit soort dingen omging.
Maar nee, David verbiedt hem de gezalfde van God te doden. Dat zal Gods wraak oproepen. Maar… waarom doet David déze actie dan wel? Waarom provoceert hij opnieuw?
Hij neemt de speer mee en Sauls waterfles. Het is nu onmogelijk dat Saul bij het opstaan niet zal bemerken dat iemand dichtbij hem is geweest. De vorige keer was Saul nog onwetend van Davids actie, maar nu mist hij bij het wakker worden direct zijn speer en als hij zich wil wassen of wil drinken, zal hij de waterzak of kruik missen. Waarom merkte niemand iets? Was David zo behendig en listig? Nee, “een diepe slaap van de HEERE” lag over het leger!

Als David weer terug is – ik dacht altijd ‘vroeg in de morgen’, maar het blijkt direct na terugkeer te zijn – roept hij vanaf een rots aan de andere kant van het dal tot het leger en daarna tot Abner (niet tot Saul!): ““Waarom zeg je niets, Abner?” Abner antwoordde: “Wie roept daar naar de koning?” David riep terug: “Jij bent toch zo’n moedig man? In heel Israël is er toch niemand als jij? Waarom heb je dan je koning niet bewaakt? Want er is iemand in het kamp geweest om de koning te doden. Je hebt je werk niet goed gedaan. Ik zweer bij de Heere dat jullie de dood verdienen. Want jullie hebben je koning, de gezalfde van de Heere, niet bewaakt. Want waar zijn de speer en de waterkruik van de koning?” (BasisBijbel)

Zijn dat goede woorden die David kiest? Dat zijn toch ronduit sarcastische woorden? En hij gebruikt er de term ‘gezalfde van de HEERE’ zelfs bij. Is dat niet vroom vloeken? Meende hij dat wel echt, al die woorden? Was hij écht bezorgd? Of had hij schik van zijn daad?
Daarbij: David wilde eigenlijk iets heel anders aantonen. Niet de ontrouw van Abner. Want Abner zal heus trouw geweest zijn richting Saul. David wist toch ook wel dat de HEERE (en niet de behendigheid van David) deze actie tot een geslaagd einde had gebracht?
Dit moet ook Jonathan hebben getroffen. Hoe zal hij Davids woorden hebben beleefd en aangehoord? Ook hij was in gebreke gebleven! Hij had zijn vader niet voldoende beschermd. En… zijn vriend was super dichtbij geweest, zonder dat hij hem had kunnen spreken? En ook nu zal hij hem niet kunnen spreken, want dat zou zijn positie onhoudbaar maken! Dit was echt de laatste keer dat hij David zag!

David gaat nu met Saul in gesprek en wijst hem op zijn afgoderij. Op eenzelfde manier als Jezus later zal doen tegen de overpriesters. Hij zet Saul voor een dilemma: is uw haat tegen mij uit God of uit de mensen? Rare invalshoek. Maar luister: “Als God het is Die u tegen mij ophitst, breng Hem dan offers zodat Hij van gedachte zal veranderen. Maar als de mensen om u heen, koning, u hiertoe ophitsen, vervloek hen dan! Want zij maken dat ik niet meer bij het volk van het verbond kan blijven. Ze jagen mij weg naar heidens gebied; weg van de plek waar ik de HEERE kan en moet dienen! En precies daar gaat Saul niet op in. Hij kijkt weg van de problematiek. Hij negeert de essentie van dit probleem en… hij nodigt hem niet uit terug te keren in het land!

Ze gaan weer uiteen. Saul heeft – van een afstand weliswaar – nog toegegeven dat de HEERE met David is en dat hem alles zal lukken wat hij onderneemt. Maar hij blijft dezelfde. David vertrekt; Saul gaat naar zijn huis terug. Het gevaar is voor David geweken, maar datzelfde gevaar gaat zich huizenhoog manifesteren voor Saul en… Jonathan!

David wordt in het keurslijf van defensie en zelfs van aanval gedwongen door het ontrouwe gedrag van Saul. Dat gebeurt nota bene te midden van Gods verbondsvolk! Zeg maar: in de kerk. David gaat niet de ‘onderste weg’, maar blijft staan waarop hij staat: omdat het de zaak van de HEERE juist treft! Gods eer is in het geding in dit gedrag.

maandag 5 maart 2018

De vos en zijn streken

De loyale van de royale - VI

“…Toen hief Saul zijn stem op en weende. En hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden en ik heb u kwaad vergolden.”
1 Samuël 24 : 17b en 18


Haas zou je zeggen: kwamen maar meer mensen zover als Saul. Ze zouden inzien hoeveel schade ze berokkenden met hun ego-centrisch gedrag. Maar is daarmee alles gezegd? Kom je echt verder zal mensen Saul nadoen? Het probleem is dat de psyche van Saul moeilijk te doorgronden is. Hij lijkt af en toe op haast schizofrene wijze een totaal ander mens te zijn (of moet je hem een borderliner noemen?). En je denkt: nu komt het goed; nu ziet hij in dat het anders moet! Maar het volgende ogenblik zint hij weer op totale vernietiging. Wat is er gebeurd?

In de vorige Bijbeloverdenking zagen we dat David met een kloppend hart een stuk van de mantel van Saul sneed. Door die even later aan Saul te tonen, leverde David direct ook het bewijs dat hij Saul niet wilde doden. Hij had het gemakkelijk kunnen doen. Zijn knechten zetten hem ertoe aan. Maar toch deed hij het niet. Want David zei: ik wil de gezalfde des HEEREN niet aanroeren. Toch sneed hij die lap af! Dus hij provoceerde wel iets! Vond hij dat wel toegestaan?

Toen Saul dat zag en ontdekte dat zijn leven aan een zijden draad had gehangen, kromp hij ineen. Hoe argwanend Saul zich ook gedroeg en hoe omzichtig hij ook zijn veiligheid had proberen te waarborgen, toch wist David ongezien bij hem te komen. Met alle risico’s van dien!
Dan gaat David spreken. En zijn toon is eigenlijk bijzonder scherp en confronterend. Kan dat wel? Saul is toch de gezalfde des HEEREN volgens hem? Moet hij dan niet een toontje lager zingen en een meer ingetogen spreektrant bezigen? David gebruikt zelfs de HEERE en zet Hem tussen zichzelf en Saul: “de HEERE zal zijn tot Rechter en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin en twisten mijn twist en richten mij van uw hand.”
En let dan op wat Saul doet, welk rolletje hij speelt: “Is dit uw stem, mijn zoon David?” Die stem herkende hij uit duizenden. De stem van degenen naar wie hij koortsachtig op zoek was. Al die mannen rondom hem heeft hij opnieuw gemobiliseerd. Ze moeten de waanzin die Saul in zijn greep hield, hebben opgemerkt, maar… ze gingen toch mee met hem. En nu knakt hun krankzinnige leider opeens. Hij noemt zijn aartsvijand zelfs weer gewoon ‘mijn zoon’! Wat moeten die ruige soldaten, die daarnet nog de Filistijnen hadden teruggejaagd met grof geweld en van strijdkreten schorgeschreeuwde kelen, nu toch denken?

Saul huilt. Maar wat zijn dat voor tranen? De Bijbel omschrijft zijn stemgeluid niet, maar ik stel me er een bibberig, jankerig stemmetje bij voor. Zoals je dat te vaak tegen komt. “Ik ben ook geen goeie…” of “Ik kan het ook niets…” Maar zijn het tranen die God als Geadresseerde hebben? Of zijn ze het etalagemateriaal van iemand die koortsachtig zoekt naar speelruimte om in het zadel te blijven? Saul lijkt diep door het stof te gaan: “Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden en ik heb u kwaad vergolden. En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goedgedaan hebt; want de HEERE had mij in uw hand besloten en gij hebt mij niet gedood. Zo ­wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goeden weg laten gaan? De HEERE nu vergelde u het goede voor dezen dag dien gij mij heden gemaakt hebt.” Saul duidt de daad van David als ‘het mij weer op de goede weg zetten’. Het merkwaardige is dat hij niet verder op dat ‘rechtvaardige’ doorgaat! En dat is kenmerkend voor dit soort mensen. Kijk maar.
Hij zoomt opnieuw en vooral in op zijn bijna-dood. Zijn spel had definitief uit kunnen zijn en daarmee had hij zijn doel niet gehaald. David heeft, in zijn ogen, het lef niet gehad om hem te doden en dat geeft hem moed. Maar om zeker te weten dat hij hiermee wegkomt, gebruikt hij de God Die hij heeft afgezworen, als dekmantel voor zijn haat tegen de HEERE! God zegene je vanwege deze bijzondere dag die jij hebt gemaakt. Ik krijg nog een kans, maar ik zal nóg meer op mijn hoede zijn.
Hoogst waarschijnlijk heeft Saul dat niet direct, op dat moment, gedacht. Hij is de man die een kortzichtige strategie volgt en de lange lijnen niet gemakkelijk kan overzien. Zijn daden moeten snel doel treffen anders raakt hij geïrriteerd. Dus de feiten van dit moment kan hij nog niet direct plaatsen. Maar al rap moet hij deze gedachten wel hebben uitgebroed. Dat zal ook blijken.

Om zijn verwarring te camoufleren haalt hij er een raar element bij. Het is een onverwachte en eigenlijk ook heel ­ondoordachte actie. Of… er moet toch al een plannetje achter zitten. Hij brengt het koningschap te berde: “En nu, zie, ik weet dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israël in uw hand bestaan zal.” Waar baseert Saul dat op? Wel, Jonathan had kort hiervoor al tegen David gezegd dat Saul wist dat David zijn opvolger was. Hoe hij dat te weten is gekomen is niet bekend, maar dát hij het wist is wel duidelijk en super gevaarlijk. Maar, zo zegt de verklaarder in Oude Sporen “het is echter een gedwongen erkenning die tot een nog grotere haat voert.”

Let op wat Saul ten slotte doet. Hij geeft niets uit dankbaarheid maar hij doet juist een extra beroep op Davids goedheid jegens hem (hoe paradoxaal!): “Zweer mij dan nu bij den HEERE, zo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen van mijns vaders huis!” David stemt in. Weer moet er een vroom sausje over Sauls egocentrisch en onoprecht gemoed! De vos past zijn gedrag niet aan, omdat zijn roof­instinct niet ophoudt en zich laat bekeren!

donderdag 1 maart 2018

Het spanningsveld tussen respect en provocatie

De loyale van de royale - V


“Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.
En David scheidde zijn mannen met woorden en liet hun niet toe dat zij opstonden tegen Saul.”
1 Samuël 24 : 6 en 8a


In de vorige Bijbelstudie hoorden we David zingen: “Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid”, nog vóór dat de redding zichtbaar was! Wel, die redding kwám! Vanuit ongedachte hoek. Geen verderfengel van God die het leger van Saul sloeg, of die Saul doodde of ernstig ziek maakte. Saul lijkt vaak op Hitler, die ongedurig was en dán hier, dán daar een offensief begon, wanneer het niet snel genoeg ging. Hij was gemakkelijk af te leiden, als het hem teveel moeite dreigde te kosten.
Een boodschapper slaat alarm: “Haast u en kom, want de ­Filistijnen zijn in het land gevallen” (1 Sam. 23 : 27). Direct laat Saul alles vallen waarmee hij bezig was (het uitkammen van het gebied, waar David zich verborgen hield; hij was hem al héél dicht genaderd, want ze hadden hem reeds omsingeld, zie vers 26!).

Als Saul vertrokken is naar het Filistijnse offensiefgebied, trekt David met zijn leger verder naar het oosten, naar Engédi, tegen de Dode Zee aan. Maar let op: ook die troepenbeweging wordt direct gerapporteerd aan Saul. En zodra hij die Filistijnen weer in hun hok heeft teruggejaagd, jakkert hij terug naar de wildernis bij de Dode Zee.

Nu neemt hij ‘uitgelezen’ mannen mee. Zijn elitetroepen. Hoewel dit er zo’n 3.000 zijn, is het niet zeker of Jonathan hier bij is. Toch denk ik dat hij er bij zal zijn geweest. Om twee redenen. Ten eerste kennen we Jonathan als een expert in het beklimmen van rotsen (samen met zijn wapendrager). Ten tweede zal hij zijn uiterste best hebben gedaan om argumenten te geven voor zijn deelname aan deze operatie. Zo kan hij de troepenbeweging ietwat beïnvloeden.
Ik moest denken aan het onverklaarbaar onopgeloste recherche-werk naar de Bende van Nijvel. Waarom verliep het onderzoek zo raar en is de bende zelfs na dertig jaar nog niet opgerold? Omdat er zich figuren bij bevonden die diep waren geïnfiltreerd bij de politie en zelfs een vinger in de pap hadden bij het politieonderzoek naar de bende!
Nu is Jonathan geen crimineel, maar hij gebruikt wel deze tactiek, waarbij hij de mogelijkheid optimaal kan benutten om deze actie te doen mislukken. Maar… voor Saul zal zijn klim-capaciteit een doorslaggevend argument zijn geweest.

Er is nóg een reden, waarom ik aanneem dat Jonathan hierbij zal zijn geweest. Jonathan krijgt namelijk van David, zonder dat die het zich bewust zal zijn geweest, een stimulerend voorbeeld van loyaliteit aan de verdorven, maar gezalfde koning.
Ook Saul is blijkbaar goed in staat te klimmen, maar ik kan het beeld niet van mijn netvlies krijgen dat hij vooral een voorhoede voor zich wil blijven houden. Te meer is het opvallend dat hij zich terugtrekt in een spelonk om ‘zijn voeten te bedekken’ of ‘zijn gemak te nemen’, ofwel ‘naar het secreet (toilet) te gaan’. We lezen niet dat de spelonk onder controle is na een grondige inspectie. Nota bene ín het gebied waar hij David vermoed, volgens de boodschap van een verrader, gaat hij zomaar een spelonk in.
Misschien verwachtte hij een felle aanval van David in plaats van een defensieve, terugtrekkende manoeuvre; maar de vorige acties van David hadden hem toch wel wijzer moeten maken?
Bij zijn grote boodschap heeft Saul niemand nodig. Zijn elitekorps zal bij de ingang van de spelonk zijn blijven staan, in afwachting van een offensief van Davids krijgers. Maar let op wat er ‘onzichtbaar’ in de spelonk gebeurt!

De mannen bij David houden elkaar vast. Ze zien de gewraakte koning de spelonk binnenkomen en staan op scherp. De spanning is te snijden. Omdat hún ogen wel aan het donker gewend zijn, zien zij juist goed wat er gebeurt. Saul hurkt in het schemer, met zijn rug naar hen toe. De mannen stoten David aan en fluisteren bijna onhoorbaar: “Kijk nou toch! Dit is de dag waarop de HEERE tot u zegt: Let op, Ik geef u uw vijand in handen en u mag met hem doen wat u wilt!”
Wat een verleiding is dat voor David! De mannen wrijven in hun handen als ze David als een kat naar Saul zien sluipen. Bijna waren ze al overeind gesprongen, in de verwachting dat het hoofd van Saul over de spelonkvloer zou rollen, zoals jaren geleden het hoofd van Goliath werd afgehakt. Maar er wordt geen hoofd afgehakt, enkel wordt een stuk uit de mantel van Saul geknipt. Een herkenbaar stuk, dat wel!

Maar moet je lezen wat er met David gebeurt als hij deze ­provocerende daad verricht: “Davids hart sloeg hem, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.” Kan dat wel, provoceren? Past zo’n daad van lef wel in de context van de dienst aan de HEERE? David kruipt met bonzend hart weer terug naar zijn mannen en Saul veegt zijn achterste af, trekt zijn jas weer recht, om zich bij zijn mannen te voegen en verder te trekken in het rotsgebied.

Zijn mannen vinden het maar onzin en ze mokken. Ja, ze klonten samen om hun ongenoegen te uiten over Davids zwakheid. Maar die is resoluut en jaagt zijn mannen uit elkaar: “Aan me nooit niet dat ik mijn vingers brandt aan de gezalfde van God!” David heeft blijkbaar meer discipline bij zijn mannen ingescherpt dan Saul, want ze gehoorzamen hem met eerbied en respect. Ze volgens hem naar buiten, het pad op achter Saul. En daar krijgen zowel zij als Saul en Jonathan een les.

David roept Saul na. De Bijbel zegt er verder niets over, maar ik had toch wel willen voelen wat Davids hart doet; willen zien hoe David zijn woorden kiest… hoeveel adrenaline er door zijn lichaam giert, als hij roept: “Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie dat er in mijn hand geen kwaad noch overtreding is en ik tegen u niet gezondigd heb. Nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.”

Hij zegt ‘vader’, lees schoonvader. Daarmee treft hij Saul op een zwak punt en brengt hij Jonathan in één klap bij de les die hij wil leren: immers Jonathan en zijn broers zijn de echte zonen van Saul! Maar wat zal de uitdrukking in de ogen van David zijn geweest toen hij Saul die afgesneden lap liet zien? Probeer je dat eens in te denken. Zou daar geen spoortje van ironie in hebben gezeten? En wat dacht je van die woorden ‘geen kwade bedoelingen bij mij’, ‘ik zondig niet tegen u’ en dat ‘en toch jaagt u op mij als op een prooi!’ Hij zet zichzelf haast weg als een heilige en laat Saul de conclusie trekken dat die wel een super ontaard demoon moet zijn, zonder enige vorm van rechtvaardigheid.
Mocht je dat niet met me eens zijn, omdat het je beeld van David zou aantasten, dan moet je even doorlezen naar vers 15: “Beste Saul, wie jaag je na? Een dooie hond? Of een klein vlooitje?” Wij zouden dat een brutale opmerking vinden. Provocerend, niet? Goliath zei nog: “Hé, ben ik een hond, dat je met een stok naar me toekomt?” Maar David zegt: “Doe geen moeite, koning, ik ben maar een dode hond!” Onthoudt die opmerking, want de zoon van Jonathan zal die later herhalen, maar dan minder cynisch.

Is dat nou een respectvolle vorm van discussiëren, zoals wij dat graag zien in de 21e eeuw? David let op je woorden. Ook al zeg je: “Koning doe toch niet zoveel moeite om mij te vangen. Het is het allemaal niet waard!” Eigenlijk bedoel je: “Stop maar, want God is met mij; tegen Hem moet je het altijd afleggen!” Is dit soort aanvallende conversatie misschien wel juist veel passender bij christenen van nu?

woensdag 28 februari 2018

Vrees de dolkstoot in je rug niet maar verwacht hem en zing een Psalm...

De loyale van de royale - IV


“Toen zeide Saul: Gezegend zijt gijlieden den HEERE, dat gij u over mij ontfermd hebt.”
1 Samuël 23 : 21


Ken je dat? Mensen die een gebeurtenis duidden als een gave van God omdat die wel heel goed in hun straatje past? Die anderen een rad voor ogen draaien met op de klank af vrome woorden, maar die hun eigen projectje aan het uitvoeren zijn en daar eer mee in proberen te leggen. In de vorige Bijbelstudie werd gesteld: “Wat Jonathan van zijn vader zegt, maakt de vreselijke afval van Saul duidelijk. Saul handelt tegen beter weten in.” De dagtekst is topsport in de categorie schijnheiligheid.
De categorie mensen waar ik op doel hebben altijd andere mensen nodig, die voor hen in de bres gaan staan. Ze durven zelden met open vizier te strijden. En als er tegenstand dreigt, zijn ze vaak buiten beeld. Saul is typisch zo’n voorbeeld. En kijk maar als hij een steuntje in de rug lijkt te krijgen: hij herpakt zich en gebruikt God.

Ik maak even dit uitstapje, omdat Jonathan in de geschiedenis weer wat naar de achtergrond is verdwenen, maar waarschijnlijk hierbij wel aanwezig is. Hij als rechterhand van zijn vader en oudste van zijn broers moet dit gebeuren hebben meegemaakt. Hier staan mensen voor Saul die zijn hartsvriend David verraden. Jonathan moet op zijn hoede zijn geweest, maar hij zal er geen woord van hebben willen missen. Alarm! Een gebed stijgt op uit zijn hart.
Hoe krenkend moet het voor hem zijn geweest dat zijn vader hier zo over in zijn nopjes is. Zó in zijn nopjes zelfs, dat hem de rol van Jonathan ontgaat! Jonathan moet voor Saul toch een soort lopend geweten zijn geweest; dat kan haast niet anders. Dat moet Saul dus ook enorm hebben geïrriteerd, waardoor hij juist heel onzeker werd wanneer Jonathan in zijn buurt was en zag/hoorde wat hij deed.

Kijken we even terug naar wat er met David gebeurde. Want wat Jonathan op afstand heeft gesignaleerd van Davids leven is ingrijpend. Aan het begin van hoofdstuk 23 trok het legertje vrijheidsstrijders van David naar Kehila in Juda, dat door de Filistijnen was belegerd. Vergeet even niet dat David kort daarvoor bij de Filistijnen in de problemen was gekomen doordat ze hem herkenden! Nadat de HEERE hem toestond om Kehilia – nota bene in zijn vaderland – te bevrijden (en de overwinning schonk) hoorde Saul dat David daar was. En let dan op wat Saul zegt: “God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij is ­besloten, komende in een stad met poorten en grendels.” Wanneer David hoort dat Saul eraan komt (zo kort waren de info-lijntjes in die tijd dus ook al!) vraagt hij aan God of de inwoners van Kehila hem zullen verraden en uitleveren aan Saul. Onwaarschijnlijk: ja dat zullen ze!

David en zijn mannen vluchtten naar het woud in de woestijn. En daar vond die ontmoeting met Jonathan plaats. Maar dan gebeurt er opnieuw iets. Waren de inwoners van Kehila misschien nog zwak, als Saul hen onder druk zette om David uit te leveren, de Zifieten bakken ze nog bruiner!
Saul is blijkbaar weer in Gibea (dus misschien is dat ‘Jonathan ging naar zijn huis’ toch gewoon Gibea geweest, omdat Saul David niet heeft kunnen vinden; Gibea en Kehila liggen niet zo heel ver van elkaar trouwen!). Ze vormen de dolkstoot in de rug van David en verraden hem bij Saul: “Weet u wel dat David zich bij ons verborgen heeft? Hij zit in de berggrotten in de bossen op de heuvel van Hachila, aan de zuidkant van de woestijn. U kan hem gerust komen halen, mijn heer de koning. We zullen hem aan u uitleveren.” Wat voor baat hadden die mensen daarbij? Ze hadden het niet hoeven doen! Er moet een stuk eigenbelang in het spel zijn. Dat zie je vaker als mensen op een heel merkwaardig ­moment in actie komen, terwijl ze zich voordien ‘gedeisd’ hielden en de ‘schaduw’ probeerden op te zoeken.
De wildernis van Maon ligt naar het zuidoosten, richting de Dode Zee! Dus een directe dreiging van de Filistijnen kan niet direct het probleem zijn geweest. Het bekende, zo niet beruchte witte voetje moet eerder de aanleiding geweest zijn. Wat een minne streek. Dit moet ook bij Jonathan een schok hebben gegeven. Hij kon nu niets meer doen. De inwoners van Zif kenden de streek als hun broekzak en ze wisten ongeveer waar David zich schuilhield. Maar de specifieke plek vertellen ze niet aan Saul. Dus Jonathan zou niet alleen het leger van zijn vader moeten voorkomen, maar ook de Zifieten omzichtig moeten ontwijken om niet herkend te worden.

In het vorige hoofdstuk was het Doëg die met zijn verraad een hele schare priesters de dood in jaagde. Maar nu is het een bevolkingsgroep die verraad pleegt en een Judasdaad verricht. Het verbaast eigenlijk nog dat ze niet over een ‘prijs’ onderhandelen voor deze deal!
Saul stuurt ze weg, om ze de precieze plek van David te laten uitzoeken. Onderwijl mobiliseert hij zijn leger. En ook Jonathan zal zijn meegegaan. De snelheid waarmee Saul handelt verraadt dat hij zijn vertrouwen niet op God maar op zijn eigen ‘geluk’ stelt. “Dit keer zal hij me niet ontsnappen!” moet Saul hebben gedacht.

Het gerucht van de naderende Saul en de dolkstoot van de Zifieten doet David niet moedeloos in elkaar zakken, maar hij dicht de 54e Psalm. Woorden vol van liefde tot zijn vervolgers? De linkerwang? De onderste weg? Of juist een slimme weg, om behendig een veilige schuilplaats voor de groep rondom hem te vinden?

“O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht. […] Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen  zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Ziet, God is mij een Helper; Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden."

Dat zijn forse woorden die er stevig inhakken. Er wordt om wraak gebeden. De tirannen zijn zowel de eigen volksgenoten die de dolkstoot in de rug gaven, als de door God gezalfde koning Saul! Wij zingen die woorden van David berijmd zo:

O God, verlos mij uit den nood, En red door Uwen naam mijn leven;
[…] Want vreemden steken ’t hoofd omhoog Tot mijn verderf;
ik zie tirannen, Om mij te doden, samenspannen; Zij stellen God zich niet voor ’t oog. […] Roei uit, die tegen mij zich stelden; Het gaat Uw trouw en waarheid aan. […] Want God wil mij Zijn bijstand biên. Hij heeft mij ‘t onheil doen ontkomen, En mijn benauwdheid weggenomen: lk heb mijns vijands val gezien.

Past dat in onze 21e-eeuwse visie? Is David nog wel die lieve, vrome en op God vertrouwende man in onze ogen, als we dit zingen? Kan Jonathan deze woorden ook meemaken? Zeker is dat hij David zou zijn bijgevallen bij diens laatste woorden: “lk zal U, met een blij gemoed Vrijwillig off’ren, HEER der heren; lk zal Uw naam met lofzang eren, Dit eist Uw naam, want hij is goed.” Zingen, terwijl er nog niets van is te zien. Rotsvast vertrouwen dat de HEERE zál helpen. Waarom? “Het gaat Uw trouw en waarheid aan…” Geen eigen belang, zoals bij de Zifieten, maar Gods belang voorop!

Waar bleef Jonathan?

De loyale van de royale - III

David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
1 Samuël 23 : 18b


Bijna alle vertalingen vertalen het hebreeuwse ‘bayith’ (of ‘beith’) met ‘huis’ en dat doet je denken dat Jonathan ‘naar huis ging’, naar ‘zijn verblijf in het paleis in Gibea’. Je denkt er zijn vrouw en kinderen bij, want die waren er ook, immers?! In de uitleg van Oude Sporen las ik hierover het volgende: “Wat Jonathan van zijn vader zegt, maakt de vreselijke afval van Saul duidelijk. Saul handelt tegen beter weten in. Na dit gezegd te hebben sluiten ze opnieuw een verbond. Dan komt de definitieve scheiding. Jonathan gaat weer naar zijn huis en David vlucht verder. Van Jonathan lezen we niet dat hij terugkeert naar het paleis, of dat hij plaats neemt in de gelederen van de vervolgers van David, maar dat hij naar zijn huis gaat. Hij is geen volgeling van de vervolgde David, maar ook geen vervolger. We kunnen wel een hard oordeel over Jonathan vellen, maar laten we daar maar voorzichtig mee zijn. Zijn liefde voor David is op vele wijzen gebleken. We horen David op indrukwekkende wijze getuigen van zijn liefde voor Jonathan (2 Sam. 1:26). Van de kant van David is er geen enkel verwijt naar Jonathan. Laten wij dat dan ook maar niet doen."

Natuurlijk verwijten we Jonathan niets; maar zijn houding trekt wel onze aandacht: hoe ging hij te werk en hoe kon hij dat volhouden zonder zijn geweten geweld aan te doen? We maken het ons makkelijk door het woord ‘bayith’ dus te vertalen met ‘huis’, zodat hij duidelijk niet bij Saul zijn verblijf hield. Maar hoe logisch is dat? Hoe gevaarlijk ook? Als hij echt naar huis ging, dan zou er een moment komen waarop vader Saul terugkeerde. En als hij David dan niet had gevangen, zouden de rapen gaar zijn. Jonathan kon onmogelijk ‘thuis blijven’ (net als David later zou doen en de zonde met Bathséba beging). Dat zou namelijk een veel duidelijker positiekeuze ten opzicht van zijn vader laten zien. Met het ‘niet mee gaan met het leger van zijn vader’ liet hij zien dat hij zich distantieerde van diens beleid. En als je Saul een beetje kent is dat een super riskante situatie.
Maar dat woord ‘bayith’ kan vele meer betekenen. Naast ‘huis’ of ‘verblijfplaats’ betekent het ook ‘schuilplaats voor dieren’, ‘familie’ of ‘huishouden’. Zelfs kan het soms ‘tempel’ betekenen. In de Bijbel zit het woord ook in ‘diensthuis’. Niet alles is toepasbaar op onze tekst, maar de tekst sluit zeker niet uit dat hij terugging naar zijn tent in het legerkamp die voor die tijd zijn ‘thuis’ vormde. Vlakbij zijn vader. Zou hij juist daar niet veel beter tot nut voor David kunnen zijn? Misschien wel de enige tent in het kamp waarin een voortdurend gebed voor David opklom tot God! En hij kon met enige omzichtigheid invloed uitoefenen op zijn vader, als diens rechterhand.
Want laten we eerlijk zijn: in 1 Samuël 31 komen we Saul gewoon weer tegen mét zijn zonen. Ze strijden tegen de Filistijnen en moeten het onderspit delven. Niks geen ingewikkelde familie-intriges en ruzies tussen Saul en Jonathan. Het meest logische is dus dat Jonathan een dubbelrol speelde en hij is ook de enige geweest die precies wist waar het heen ging: David zou koning worden en linksom of rechtsom zou zijn vader van het toneel worden verwijderd door God.

Vandaag de dag wordt nogal eens gedacht dat je met een zekere vorm van ‘verdraagzaamheid’ en ‘liefde’ meer kunt bereiken dan met een aanvallende houding tegen vijandig gezinde typen. Een top­crimineel van onze dagen (Holleeder) bezigde een interessante kreet die ik in het volgende fragment uit een wetenschappelijk onderzoek terugvond: “Sun Tzu, de Chinese generaal, filosoof en schrijver van het beroemdste boek over militaire strategie, gebruikte naar verluidt regel­matig de beroemde zin: ‘Houd je vrienden dichtbij, maar je vijanden dichterbij,” zo stellen de onderzoekers. En de proefpersonen gaven daar goed gehoor aan. “Zij gaven aan dat hun ‘vijanden’ dichterbij waren, maar alleen wanneer deze vijanden een bedreiging vormden. Ons onderzoek suggereert dat we onze vijanden psychisch dichter bij ons houden door onze representatie van de fysieke wereld, in dit geval de fysiek afstand, te veranderen.” En dat is evolutionair helemaal niet zo’n slecht idee. Men kan beter te fel op een dreiging reageren dan te laat reageren en zelf het onderspit delven.” Het veranderen van die fysieke afstand is dus: dichter bij die zogenaamde ‘vijand’ gaan staan om beter en sneller te acteren.

Natuurlijk kun je stellen dat dat in het geloof niet zo te werk gaat en strategie eigenlijk een vorm van ongeloof in Gods almacht is. Maar is dat zo? Ook al geloven we onomstotelijk in de almacht van God dan wachten we de problemen toch niet af? Als de HEERE oproept tot ‘bid én werk’ dan houdt dat toch niet in dat we ons verstand en ons ‘in actie komen’ moeten uitschakelen? En als niemand reageert, terwijl het gevaar aanwijsbaar is dan kun je toch niet alles afdoen met ‘lief zijn’ en ‘de houding van Jezus laten zien’? ­Natuurlijk: toen Hij gescholden werd schold Hij niet terug. Hij was God, maar zelfs als Zíjn persoon in het geding was, zweeg Hij; echter, wanneer Zijn Vader in het geding was kwam Hij in actie. En hoe! Zie hoe Hij het tempelplein leeg veegt met een bos touwtjes. Hoor hoe Hij ageert – haast fulmineert – tegen de zogenaamde schriftgeleerden: “Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid” (Mat. 23:27) en “Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb” (Joh. 10:26). Ja, Hij was God Zelf en kon dat zeggen, maar… willen we ook naar deze kant van Jezus kijken? En zegt ons dat misschien ook wat? Is de beruchte Dordtsche Synode (1618-1619) misschien ook zo’n moment? Zijn wij misschien te zeer aangetast door zogenaamde ‘tolerantie’?

maandag 26 februari 2018

Je hand versterken in God


De loyale van de royale - II


Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud. Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. En hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel. En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des HEEREN; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
1 Samuël 23 : 15-18


Soms zijn er momenten dat je het plaatje weer helder en compleet hebt: zo zal het gaan en zo is het goed. Terwijl zo vaak de structuur van het leven een raadsel voor je is en niets is wat het lijkt. Gods plan? Is dat er eigenlijk wel? Wat zie je ervan? En áls God dan een plan heeft en dat zogenaamd ‘onwederstandelijk’ uitwerkt… waarom gaat het dan schijnbaar totaal de verkeerde kant op? Waarom blijven mensen om je heen voortdurend vreemde keuzes maken en waarom lijken zovelen zo vaak te slapen? Als God al een plan had, waarom stelt niemand de vraag: “God, hoe zit het met dat plan? Dit gaat toch niet goed zo?” Vind je dat een brutale vraag?
Ik ga er niet over in discussie, maar als je dat brutaal vind, zou ik toch adviseren je vragen te stellen en te laten zien dat je leeft. Niet om daarmee antwoorden te ­vergaren en het plaatje weer passend te krijgen, maar om minder God te zijn en meer van Hem afhankelijk.
Er is namelijk een levensgroot verschil in het stellen van vragen en het uiten van frustratie over onbegrepen wegen. Je kunt er arrogant en brutaal mee richting een ‘lege’ hemel roepen, zoals Gerard Reve:
Graf te Blauwhuis – voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Gerard Reve (1923-2006) – Uit: Nader tot u
Maar beter is om met je vragen naar God gaan en eerlijk je kleine mensenverstandje aan Hem laten zien. Dat wij de antwoorden niet ­weten is eigenlijk vanzelfsprekend. Omdat jij en ik de grote lijn van God niet kunnen overzien. Die spanningsboog is te groot. Maar als wetenschappers zich kunnen vastbijten in ‘berekende zekerheden’ van miljoenen jaren terug, waarom kan een christen dan niet, ondanks alle tegenstrijdige zichtbaarheden, vast blijven staan op Gods plan?

Jonathan trekt met zijn vader Saul en een fors leger richting de plek waar men David vermoedt. Dat moet me een dwaze vertoning zijn geweest! Een leger van soldaten met een goed verstand, hollend achter een krankzinnige leider die slechts één doel heeft, dat weinig onder doet voor Hitlers doel: Gods verbond moet onwaarschijnlijk worden en Zijn volk uitgeroeid. Als God mensen aan de kant schuift om beter bij Zijn doel te komen, zullen de reacties tweeërlei zijn: óf verblinde en drieste haat óf gebrokenheid met gerustheid en tranen.
Saul vervult duidelijk het eerste voorbeeld. En je zou verwachten dat Jonathan daardoor in totale wanhoop terecht komt. Maar toch is dat niet zo. Hij weet David te zitten en sluipt weg uit het leger. Zou zijn wapendrager weer bij hem zijn?

Die actie van Jonathan was niet zonder risico. Het staat er in de Bijbel een beetje romantisch en kort beschreven, maar allereerst liep hij het risico dat zijn vader hem als deserteur en/of collaborateur zou zien en botweg laten doden. Vervolgens is het ‘David opzoeken’ niet slechts een taak van uitvogelen waar hij zich schuilhoudt, maar ook zijn wachtposten, die op scherp staan, passeren. Hen overtuigen dat hij geen spion is van zijn vader, maar de hartsvriend van hun leider! De meeste van de meute rondom David had juist aversie tegen Saul, dus diens zoon zouden ze zeker niet ontzien! Maar…we lezen niets van overleggingen bij Jonathan. Hij gaat op zoek en vindt zijn vriend.
Het eerste dat Jonathan doet is David geruststellen. Niet met zichtbare feiten, maar met geloofszekerheden: “Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden…” Daar was, met dat leger van Saul voor de ‘deur’, allerminst reden toe om dat klakkeloos aan te nemen, maar toch… Daarnaast belijdt Jonathan iets dat we nog niet eerder zo stellig hebben gehoord: “…gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn…” Wij weten hoe het gaat aflopen, maar deze twee mannen weten dat nog niet. Daarmee ontdekken we dus hoe Jonathans gestalte is: hij blijft loyaal aan de royale (de huidige koning, maar ook aan de nieuwe koning!). Hij biedt zich aan om dienstbaar te zijn voor de nieuwe koning. Dat is geen desertie, maar een belijdenis aan David: ik buig voor Gods plan en val Hem bij!

Jonathan voegt er nog iets schijnbaar onheilspellends bij: “…ook weet mijn vader Saul zulks wel.” Saul heeft het door. Die informatie heeft iets raar in zich: immers, als Saul de twee vrienden door had en wist wat Davids positie was, zou hij dan Jonathan niet gevangen hebben gezet of zelfs gedood? Allerminst zou hij hem toch hebben meegenomen op zijn strooptocht om David op te sporen? Maar… Jonathan is er tóch bij en weet zelfs ongezien weg te komen om David te spreken. Zouden ze een geheim afgesproken teken hebben gehad, zodat Jonathan zo gemakkelijk contact kon leggen met David?
De geheime missie van Jonathan had niet slechts tot doel om de boodschap over te brengen en David te waarschuwen: “Pas op, mijn vader weet dat jij de nieuwe koning zult zijn!” Jonathan had ook niet tot doel om zijn eigen hachje te redden en zijn toekomst bij David veilig te stellen. Alhoewel het er wel erg op lijkt! Nee, Jonathan komt bij David om hem te troosten en moed in te spreken. Onder allerlei dekmantels en schijnbare vormen van eigenbelang zat het hart voor de goede zaak: het plan van God zou doorgaan. De vrienden troosten elkaar en sluiten voor Gods aangezicht een verbond. Want we lazen een vers eerder al: “…hij versterkte zijn hand in God.” En die ‘hij’ is hier Jonathan, terwijl ‘zijn’ zowel op hemzelf als op David kan duiden. En dat laatste is het meest waarschijnlijk. Jonathan kon David niets geven dat hem versterkte. Maar hij wees zijn vriend op de machtige God Die ze beiden dienden. Soms kun je iets betekenen voor je vriend/vriendin door iets te doen dat zichtbaar is. Soms is het enige dat je kunt doen: wijzen op de HEERE en Zijn beloften. De zalfolie was voor David  niet iets dat hem uit de problemen redde; hij moest het doen met de betekende zaak die in het teken verborgen zat: de belofte van God.

Toen gingen de vrienden weer uiteen: “David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.” God bleef Dezelfde en dat verbond hen beiden: hoe de weg ook zou gaan. David bleef vluchteling, maar Jonathan ging naar huis… Naar huis? Niet terug naar het leger?

donderdag 15 februari 2018

Loyaal zijn terwijl je vader jou openlijk afvalt

De loyale van de royale - I

Toen zeide Saul tot zijn knechten die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden en oversten van honderden stellen? Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt en niemand voor mijn oor ­openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart. Want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.
1 Samuël 22 : 7-8


De volgende keer dat we Jonathans naam in de Bijbel tegenkomen is pas in hoofdstuk 23. Maar… dan hebben we over één aspect heen gelezen! De tekst van vandaag zet ons stil bij een ingrijpend moment.

In hoofdstuk 21 zien we David wegvluchten nadat zowel Samuël als Jonathan hem niet meer kunnen beschermen. Op zich zou je hem vogelvrij kunnen noemen, maar al snel blijkt dat hij niet alleen over de wereld trekt. Aanvankelijk zijn er slechts een paar jongens bij hem, maar later is hij aanvoerder van een fikse bende van circa 400 man!

De eerste plek die hij bezoekt is Nob, waar op dat moment de tabernakel met de ark staat. David gaat hier de fout in door Achimélech te bedriegen. Dat is natuurlijk uit zelfbescherming, maar dit zal uitlopen op een bloedbad! Terwijl David staat te smoezen met de priester, is daar een man die in de tabernakel komt offeren: Doëg. David lijkt hem niet te hebben herkend (vers 22 echter laat zien dat David het probleem Doëg tóch al voorzag), maar Doëg heeft David wél herkend! Als David, na wat juridisch heen en weer gepraat met de priester, vertrekt met de toonbroden (en Jezus zal daar later nog iets over zeggen!) en het gigantische zwaard van Goliath is hij zich niet bewust van de sporen die hij daar heeft achtergelaten.

Vervolgens zoekt David zijn heil bij Achis, nota bene in Gath, de stad van Goliath. Zie je hem lopen met dat kapitale zwaard van de overwonnen reus? “Hé kijk, daar heb je de moordenaar van broer Goliath,” stoot een inwoner van Gath zijn buurman aan. “Is hij het echt?” “Zeker weten! Weet je nog van dat liedje?” Hij neuriet de wijs van het deuntje dat de meisjes in Israël al dansend op straat zongen: “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?”
Aan het hof komen er een paar klagen bij koning Achis. Ze hebben David écht wel herkend. Moet je horen wat ze zeggen: “Is deze niet David, de koning des lands?” (vers 11). Zouden ze bedoelen ‘de schoonzoon van de koning’, zoals de Kanttekeningen ons willen laten geloven of zou het gerucht toch ook al hier zijn aangekomen dat David de gezalfde opvolger van Saul is?
We kennen de ellendige situatie waarin David hier terechtkwam: dat hij zich als een bezetene aanstelde en zo ontkwam uit deze stad. Maar fraai is het allemaal niet. Een kat in het nauw… En toch dichtte hij ook psalm 34 bijvoorbeeld: “Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech (dat is de koningstitel; hij heette Achis), die hem wegjoeg, dat hij doorging.” Merkwaardig!

Toen vertrok hij (hoofdstuk 22) naar de spelonk van Adullam. Geen paleis, geen beschutting in barakken, maar een kille spelonk in de bush-bush! En let dan op wat er gebeurt: zijn broers hoorden dat hij daar was en ook zijn vader en moeder, ja de hele huishouding uit Bethlehem pakt zijn en haar biezen en vertrekt naar Adullam, ongeveer halverwege tussen Bethlehem en Gath. Je snapt dat die hun conclusie hebben getrokken over hun veiligheid, nu Saul driftig op zoek is naar David. Dan is ook de familie van David niet meer veilig! En kort daarop: “En tot hem vergaderden alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.” Denk je eens in wat dat allemaal betekent daar in die wildernis: ­logistiek (het verplaatsen en huisvesten van deze grote groep) en het voorzien van eten, drinken en kleding! Kort is David met deze groep nog in Moab geweest. In de Kanttekeningen wordt gewezen naar connecties die er wellicht nog zijn geweest met familie van Davids overgrootmoeder Ruth. Maar de profeet Gad stuurt David weer terug.

En die hele troepenverplaatsing komt ook Saul (en Jonathan) in losse brokken en onvolledig (want pas na deze verzen legt Doëg een ontbrekend stukje in Sauls puzzel) ter ore. En dan komen we bij de tekst van vandaag. Eerst had Saul via zijn spionnen of verkenners gehoord dat David herkend was in Gath. Later zullen hem ook andere tipgevers hebben verteld over de tocht naar Moab en de terugkeer in Juda. Saul zit op de uitkijk op een heuvel bij Gibea. De bekende speer heeft hij in zijn hand. En het is precies op dit moment dat Saul zijn trawanten een voor een aankijkt, met de speer op de grond tikkend om de spanning wat op te voeren: “Luister, mannen van Benjamin! Denken jullie soms dat die zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden zal geven? Denken jullie soms dat hij van jullie allemaal aanvoerders in zijn leger zal maken? Waarom anders zijn jullie allemaal tegen mij? Het is een samenzwering! Waarom heeft niemand mij gezegd dat mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isaï? Niemand van jullie trekt zich iets van mij aan! Niemand van jullie waarschuwt mij dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgestookt. Hij loert op een kans om mij te doden!”

Dictators denken super achterdochtig in complotten. Daarin maken ze meer dan eens fouten, maar door angst in te boezemen houden ze het zinkend schip nog een tijdje varend. Het verwijt knalt door de lucht als een zweep: “Mijn zoon (hij noemt de naam van Jonathan niet eens!) verraadt mij en spant samen met ‘mijn dienaar’ (David).” Als ik mij niet vergis staat Jonathan hier gewoon bij, al staat dat hier niet. Hoe dan ook: deze woorden zijn hem binnen 24 uur ter ore gekomen. En hij vlucht niet. Hij blijft in de nabijheid van zijn vader. Opnieuw verwonderen we ons over Jonathans gedrag. Hij blijft trouw aan zijn vader en laat aan niets merken dat hij Davids kant kiest. Is dat halfslachtig? Had hij misschien nog diepweg een hoopje dat het toch allemaal nog goed zou komen met Saul?
Nee, hij bleef loyaal aan de royale, de gezalfde koning. En… David bleef dat ook. “Den ko-ho-ho-honing van Hispanje heb ik altijd geëerd!”, zong Willem de Zwijger. Zo iets moet het zijn geweest. Hier wordt het spanningsveld zichtbaar tussen meedeinen en verzet. Op het scherpst van de snede tussen lange- en kortetermijnvisie.

David heeft gekozen voor de afstand, omdat hij in levensgevaar verkeerde. Dat begrijpen we allemaal. Maar Jonathan, zoveel wordt nu wel duidelijk, staat er niet heel veel beter voor! Hij daarentegen blijft op zijn post en blijft loyaal. Hij blijft niet om zoveel mogelijk verzet te plegen en te saboteren. Nee hij blijft zelfs, waar mogelijk, meewerken. Is hij een soort Nicodémus? Een soort Jozef van Arimathéa? Ik hef de spanning niet op door de vragen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Denk er maar eens over na… misschien helpen deze twee paradoxale keuzes je wel om Gods weg te gaan.