Posts tonen met het label broers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label broers. Alle posts tonen

donderdag 15 februari 2018

Loyaal zijn terwijl je vader jou openlijk afvalt

De loyale van de royale - I

Toen zeide Saul tot zijn knechten die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden en oversten van honderden stellen? Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt en niemand voor mijn oor ­openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart. Want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.
1 Samuël 22 : 7-8


De volgende keer dat we Jonathans naam in de Bijbel tegenkomen is pas in hoofdstuk 23. Maar… dan hebben we over één aspect heen gelezen! De tekst van vandaag zet ons stil bij een ingrijpend moment.

In hoofdstuk 21 zien we David wegvluchten nadat zowel Samuël als Jonathan hem niet meer kunnen beschermen. Op zich zou je hem vogelvrij kunnen noemen, maar al snel blijkt dat hij niet alleen over de wereld trekt. Aanvankelijk zijn er slechts een paar jongens bij hem, maar later is hij aanvoerder van een fikse bende van circa 400 man!

De eerste plek die hij bezoekt is Nob, waar op dat moment de tabernakel met de ark staat. David gaat hier de fout in door Achimélech te bedriegen. Dat is natuurlijk uit zelfbescherming, maar dit zal uitlopen op een bloedbad! Terwijl David staat te smoezen met de priester, is daar een man die in de tabernakel komt offeren: Doëg. David lijkt hem niet te hebben herkend (vers 22 echter laat zien dat David het probleem Doëg tóch al voorzag), maar Doëg heeft David wél herkend! Als David, na wat juridisch heen en weer gepraat met de priester, vertrekt met de toonbroden (en Jezus zal daar later nog iets over zeggen!) en het gigantische zwaard van Goliath is hij zich niet bewust van de sporen die hij daar heeft achtergelaten.

Vervolgens zoekt David zijn heil bij Achis, nota bene in Gath, de stad van Goliath. Zie je hem lopen met dat kapitale zwaard van de overwonnen reus? “Hé kijk, daar heb je de moordenaar van broer Goliath,” stoot een inwoner van Gath zijn buurman aan. “Is hij het echt?” “Zeker weten! Weet je nog van dat liedje?” Hij neuriet de wijs van het deuntje dat de meisjes in Israël al dansend op straat zongen: “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?”
Aan het hof komen er een paar klagen bij koning Achis. Ze hebben David écht wel herkend. Moet je horen wat ze zeggen: “Is deze niet David, de koning des lands?” (vers 11). Zouden ze bedoelen ‘de schoonzoon van de koning’, zoals de Kanttekeningen ons willen laten geloven of zou het gerucht toch ook al hier zijn aangekomen dat David de gezalfde opvolger van Saul is?
We kennen de ellendige situatie waarin David hier terechtkwam: dat hij zich als een bezetene aanstelde en zo ontkwam uit deze stad. Maar fraai is het allemaal niet. Een kat in het nauw… En toch dichtte hij ook psalm 34 bijvoorbeeld: “Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech (dat is de koningstitel; hij heette Achis), die hem wegjoeg, dat hij doorging.” Merkwaardig!

Toen vertrok hij (hoofdstuk 22) naar de spelonk van Adullam. Geen paleis, geen beschutting in barakken, maar een kille spelonk in de bush-bush! En let dan op wat er gebeurt: zijn broers hoorden dat hij daar was en ook zijn vader en moeder, ja de hele huishouding uit Bethlehem pakt zijn en haar biezen en vertrekt naar Adullam, ongeveer halverwege tussen Bethlehem en Gath. Je snapt dat die hun conclusie hebben getrokken over hun veiligheid, nu Saul driftig op zoek is naar David. Dan is ook de familie van David niet meer veilig! En kort daarop: “En tot hem vergaderden alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.” Denk je eens in wat dat allemaal betekent daar in die wildernis: ­logistiek (het verplaatsen en huisvesten van deze grote groep) en het voorzien van eten, drinken en kleding! Kort is David met deze groep nog in Moab geweest. In de Kanttekeningen wordt gewezen naar connecties die er wellicht nog zijn geweest met familie van Davids overgrootmoeder Ruth. Maar de profeet Gad stuurt David weer terug.

En die hele troepenverplaatsing komt ook Saul (en Jonathan) in losse brokken en onvolledig (want pas na deze verzen legt Doëg een ontbrekend stukje in Sauls puzzel) ter ore. En dan komen we bij de tekst van vandaag. Eerst had Saul via zijn spionnen of verkenners gehoord dat David herkend was in Gath. Later zullen hem ook andere tipgevers hebben verteld over de tocht naar Moab en de terugkeer in Juda. Saul zit op de uitkijk op een heuvel bij Gibea. De bekende speer heeft hij in zijn hand. En het is precies op dit moment dat Saul zijn trawanten een voor een aankijkt, met de speer op de grond tikkend om de spanning wat op te voeren: “Luister, mannen van Benjamin! Denken jullie soms dat die zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden zal geven? Denken jullie soms dat hij van jullie allemaal aanvoerders in zijn leger zal maken? Waarom anders zijn jullie allemaal tegen mij? Het is een samenzwering! Waarom heeft niemand mij gezegd dat mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isaï? Niemand van jullie trekt zich iets van mij aan! Niemand van jullie waarschuwt mij dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgestookt. Hij loert op een kans om mij te doden!”

Dictators denken super achterdochtig in complotten. Daarin maken ze meer dan eens fouten, maar door angst in te boezemen houden ze het zinkend schip nog een tijdje varend. Het verwijt knalt door de lucht als een zweep: “Mijn zoon (hij noemt de naam van Jonathan niet eens!) verraadt mij en spant samen met ‘mijn dienaar’ (David).” Als ik mij niet vergis staat Jonathan hier gewoon bij, al staat dat hier niet. Hoe dan ook: deze woorden zijn hem binnen 24 uur ter ore gekomen. En hij vlucht niet. Hij blijft in de nabijheid van zijn vader. Opnieuw verwonderen we ons over Jonathans gedrag. Hij blijft trouw aan zijn vader en laat aan niets merken dat hij Davids kant kiest. Is dat halfslachtig? Had hij misschien nog diepweg een hoopje dat het toch allemaal nog goed zou komen met Saul?
Nee, hij bleef loyaal aan de royale, de gezalfde koning. En… David bleef dat ook. “Den ko-ho-ho-honing van Hispanje heb ik altijd geëerd!”, zong Willem de Zwijger. Zo iets moet het zijn geweest. Hier wordt het spanningsveld zichtbaar tussen meedeinen en verzet. Op het scherpst van de snede tussen lange- en kortetermijnvisie.

David heeft gekozen voor de afstand, omdat hij in levensgevaar verkeerde. Dat begrijpen we allemaal. Maar Jonathan, zoveel wordt nu wel duidelijk, staat er niet heel veel beter voor! Hij daarentegen blijft op zijn post en blijft loyaal. Hij blijft niet om zoveel mogelijk verzet te plegen en te saboteren. Nee hij blijft zelfs, waar mogelijk, meewerken. Is hij een soort Nicodémus? Een soort Jozef van Arimathéa? Ik hef de spanning niet op door de vragen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Denk er maar eens over na… misschien helpen deze twee paradoxale keuzes je wel om Gods weg te gaan.

vrijdag 2 september 2016

Ik zal je onderhouden


"Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden."
Genesis 50 : 21a

Onderhouden: "Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op zijn volkomen offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op den enigen grond en fondament onzer zaligheid wijst, waar Hij onzen hongerigen en dorstigen zielen tot een waarachtige spijs en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijn dood heeft Hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer, namelijk de zonde, weggenomen, en ons den levendmakenden Geest verworven; opdat wij door dien Geest (die in Christus als in het Hoofd, en in ons als zijn lidmaten, woont) met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en al zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid deelachtig worden.

Mooie woorden over de HEERE en Zijn barmhartigheid impliceren nog niet altijd mooie daden van mensen. Jozef kan alles wel mooi op een rijtje hebben – met zijn betoog over Gods plan – en dat ook nog bewogen uitleggen, maar onderwijl kan hij vanuit zijn positie rustig zijn broers uitbuiten of wegjagen. Niet dat ik dat van Jozef verwacht en ik denk ook dat de broers – na Jozefs woorden niet zulke dingen hebben gedacht – maar waar ik op doel is dat woorden met daden gepaard moeten gaan. Daar komt het op aan.
"Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen," zo daagde Jacobus zijn lezers uit. Over die woorden is nogal wat verschil van inzicht. Je kunt er een wedijver in lezen waarbij beiden hun geloof uit hun daden bewijzen. Maar andere uitleggers wijzen erop dat het woord 'uit' in de eerste zin moet worden vertaald met 'zonder'. Dan betekent het: bewijs jij je geloof maar zónder daden, ík zal het bewijzen vanuit mijn daden. Hoe het ook zij, de uitkomst is natuurlijk dat we wel mooie vrome en theologisch/bevindelijk zeer doorwrochten zegswijzen kunnen bezigen, maar dat neemt nog niet weg dat geloof zonder werken dood is. Hoe mooi er ook wordt gepraat. Evenzeer is het waar dat we verloren gaan wanneer we alleen maar mooie werken hebben en geen geloof in Jezus Christus.

Geloven zonder vrees

Terug naar de tekst. Opnieuw benadrukt Jozef dat de broers niet moeten vrezen. Hun woorden ademen klaarblijkelijk angst en vrees uit. Dat wegwuiven van vrees is typisch een karaktertrek van de HEERE; hoewel Hij vrees inboezemt. Dat ligt niet in eerste instantie aan Hem, maar aan onze breuk met Hem. Kijk maar naar Adam en Eva. Toen God naderde (hoeveel tijd heeft er gezeten tussen het eten en de ontmoeting met God?) schrokken ze. Ze duiken niet weg, wanneer ze ontdekken dat ze naakt zijn (dan lossen ze hun probleem enkel op door de aanblik op hun schaamte aan elkaar te onttrekken), maar wanneer God nadert (dan verstoppen ze zich). Hem kunnen ze niet onder ogen komen en ook hun provisorische ondergoed biedt niet voldoende bescherming.
Er zitten ook bij deze ontmoeting tussen de broers en Jozef twee kanten aan die vrees. Hun vrees komt voort uit angst voor de straf of de verdervende reactie van hem die ze onder ogen komen. En hun vrees wordt ook aangejaagd door de spanning die ontstaat vanuit het besef dat ze hier eigenlijk niet mogen komen. De toegang was dicht; althans in hun optiek. Daar konden zij vanuit zichzelf geen enkele verandering in brengen. Zij konden Jozef niet tot barmhartigheid bewegen. In hoeverre niet ergens diepweg toch die drang in hun verootmoediging zat weet ik niet; God weet het. Maar… het stelt ons vooral de vraag: proberen wij die vrees weg te redeneren? Of proberen we met zogenaamde bevindelijke deemoedigheid God tot barmhartigheid te bewegen? Praten we met grote woorden van slijkzoekende vernedering, zodat het hart van God zou moeten breken? Praten we God voor: U heeft helemaal gelijk als U ons zou wegdoen…? Of smeken we Hem om oprechte verootmodiging, wetend dat het ons ten ene male ontbreekt aan puur, ondubbelzinnig berouw?
De HEERE geeft bovenal puur, ondubbelzinnig. Als Zijn Geest je vervult met berouw, hoef je niet te twijfelen of het wel echt is. Als Hij zegt – en daarin is de HEERE beduidend anders dan welk mens ook – "vreest niet", dan is de vrees ook weg; dan valt er niets meer te vrezen. "Nu dan…" Nogmaals, kort samengevat: "Vreest niet!"

Stil en gerust leven

Jozef voegt bij zijn woorden een belofte die hij ook kan waarmaken, gezien zijn macht en invloed: "Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden." Niet vrezen; wees maar gerust, je kunt een stil en gerust leven leiden, daar in Gosen. Jozef spreekt niet over de lengte van deze belofte; die was immers eindig… Jozef zou eens overlijden (hij was nu reeds op leeftijd maar zou zeker nog een halve eeuw leven). Tevens zou het volk niet eindeloos in Gosen blijven; ze moesten eenmaal weer terug naar Kanaän, nietwaar? Voor die tijd belooft hij hen een stil en gerust leven. Hij zal doen wat in zijn vermogen ligt. 'Onderhouden', 'voorzien van ál het nodige' betekent dat.
Ook in het Avondmaal belooft de HEERE, zoals Hij ook in de Doop beloofde, een gezegend leven in Zijn nabijheid. Voor de tijd die wij hier op aarde zijn, maar in nog veel heerlijkere realiteit in het Beloofde Land! Hij belooft, wat Hij ook kan waarmaken, gezien Zijn macht en invloed. Kom maar, zeul geen ballast aan goddeloosheid noch godsdienstigheid mee. Laat Mij je dragen, maar zonder dingen die niet nodig zijn te dragen. Ik zal je voorzien van ál het nodige, om Mij te dienen, anderen tot het heil met jaloersheid te trekken én om eindelijk in het Beloofde Land aan te komen.
Stil en gerust… dat is het vertrouwen van een kind aan de borst van zijn of haar moeder. Het vertrouwen van een kleuter die de hand van zijn of haar vader beet houdt. Al de weg leidt mij mijn Heiland… Jezus ga ons voor! Wie maar de Goede God laat zorgen. Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand loop ik met gesloten ogen naar het onbekende (nu ja, onbekend!) land.
  1. Geloof je de gewisse belofte dat je zonden zijn vergeven om Christus' wil?
  2. Vertrouw je de HEERE op Zijn Woord? En laat je Hem dus voor je zorgen?
  3. Hoe staat het met het verlangen naar het Beloofde Land? Wat is de kern van dat verlangen?

maandag 29 augustus 2016

Bij de HEERE weet je écht waar je aan toe bent

"… maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! […]
Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!"

Genesis 50 : 17b en 18


De verloren zoon wilde ook een dienstknecht zijn vanwege zijn zonden; maar zover kwam het niet.

Als ik de verzen van vandaag even op mij laat inwerken, komt als vanzelf het beeld van de verloren zoon mij voor ogen. Die zoon die koste wat het kost terug wilde naar zijn vader en zich voornam dat hij dan maar een huurling van zijn vader moest worden. Die woorden komen hem echter niet over de lippen. Zijn vader kust ze als het ware weg. Zie het intense geluk in zijn vaders ogen: zijn zoon gevonden is, terwijl hij verloren was! De broers echter gebruiken wel tot tweemaal toe dat woord 'slaaf' of 'knecht'. Ze hullen zich in nederigheid en ootmoed, als ze hun rechtvaardige broer benaderen.

Misschien is het goed te beseffen dat zij dat niet hadden hoeven doen. Ze hadden in een hoek in Gosen kunnen wegkruipen en net doen of ze er niet waren. Ze hadden kunnen doen alsof hun neus bloedde, maar dat deden ze niet. Ze zochten bewust het contact met Jozef. Blijkbaar op advies van vader Jacob. Eerst citeren ze hun vader, vervolgens benadrukken ze dat ze kinderen van één Vader (hun hemelse Vader) zijn en daarom hoop mogen hebben op vergeving. Vervolgens komen ze zelf bij Jozef en werpen zich voor hem neer, net als Mefiboseth deed. Of wat dacht je van Esther? 'Komen we om dan komen we om, maar we zullen tot de (onder)koning gaan!"

Doelbewust gaan

Zoals al eerder gezegd, er waren heel wat redenen om niet te gaan. Wilde je geen onrust creëren of risico’s lopen, dan moest je niet het contact met Jozef zoeken. Hoewel, Jozef was toch ook maar onder Farao gesteld? Dus moesten ze dan misschien liever via Farao de dingen veilig stellen. Konden ze niet lobbyen aan het hof van Farao? Dan was de kans op een veilige plek voor de toekomst veiliggesteld. Maar nee, ze kiezen voor het risicovolle contact met Jozef.
De hele reis naar de begraafplaats van Jacob was het er blijkbaar niet van gekomen, maar nu ze terug zijn worden ze innerlijk gedrongen om hun broer op te zoeken en alles op het spel te zetten. Waarom doen ze dat? Ik denk toch dat ze dat met het oog op de toekomst deden. Een zekere vorm van langetermijn-denken. En dat is toch een verstandig besluit. Niet alleen zij, maar ook hun kinderen en kleinkinderen moesten hier een veilige plek hebben. Mocht Jozef ze nog met rust laten, Jozefs kinderen zouden wellicht nóg intenser wraak kunnen nemen voor hun vader! Daar hadden zij al helemaal geen invloed op. Ongetwijfeld hadden Efraïm en Manasse ook al een goede positie aan het hof. Wie weet welke ellende dat zou gaan betekenen.
Al die voors en tegens tegens terzijde schuivend, besluiten ze tóch te gaan. Op het risico af dat ze zouden worden gedood, of op zijn minst in de gevangenis te worden gegooid, mochten hun voorgevoelens waarheid worden. Dat doelbewuste, onverschrokkene mag toch wel onze houding zijn wanneer we naar God gaan. Niet vrijpostig of brutaal, maar voortvarend, doelbewust en aanhoudend. "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd," adviseert en stimuleert Paulus in Hebreeën 4 : 16.

Welbewust dienen

Ik zei daarnet: waarom geen gelobby aan het hof van Farao? Waarom zo doelbewust naar broer Jozef? En wat denken ze te bereiken met hun dienstknechtspositie? Nou, let er eens op dat ze zich heel bewust in de handen van Jozef werpen: "Zie, wij zijn u tot dienstknechten"! Niet: "Anders willen best wel voor jou werken of zo…" Nee, zonder enig voorbehoud: "We zijn jouw knechten, jouw slaven, jouw eigendom." Alle eigen rechten worden opgegeven. Wat je ook van die broers vindt en wat wellicht ook hun diepere en diepste motieven zijn geweest (ik kan me voorstellen dat ze niet allemaal even intens en volkomen waren in hun uitlevering), toch zijn ze een prachtige illustratie voor elke afgedwaalde: Ga terug; kom doe het maar!
Bij dat woordje 'u' moest ik denken aan David, die door God werd gestraft voor zijn hoogmoedige plan om het volk te tellen. Hij moest kiezen uit drie straffen en hij kon eigenlijk niet kiezen. Hoor wat hij zei: "Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen." (2 Sam. 24 : 14).
De broers hadden wel een hekel aan die altijd vrome en brave Jozef, maar alles overziende moesten ze erkennen dat hij een oprechte en barmhartige broer was. Met Farao, de wispelturige despoot (hoewel hij zich in deze geschiedenissen nog wel van een positieve kant heeft laten zien, vind ik), wist je het maar nooit. Maar van Jozef wisten ze nog wel hoe hij vroeger was. Dat zou kunnen zijn veranderd door het leven hier en de omstandigheden waarin hij hier terecht kwam, maar toch…

Nou, mocht je bij Jozef nog aarzelen, bij de HEERE weet je écht waar je aan toe bent. Geen betere plek, geen kloppender hart en geen warmer omhelzing te verwachten. De vader uit de gelijkenis stond op de uitkijk… Wat denk je? Was dat een nietszeggend sprookje? Of vertelde Jezus daar iets wezenlijks over Zijn Vader? In deze week van Voorbereiding op het Heilige Avondmaal worden we opgeroepen om te zien of er soms afstand is tussen de HEERE en ons hart. En er is weinig fantasie voor nodig om te bekennen dat die afstand er zeker is en dat het hoog tijd is voor de bediening van het Avondmaal. Terug naar Huis, terug naar het Vaderhart. En alles wat er tussenin staat moet opgeruimd. "Zie, wij zijn U tot knechten!" Geen nieuwe slavernij, maar welbewust dienen in de vrijheid van de kinderen Gods. Verlang je daar ook naar?

  1. Waarom kozen de broers voor die dienstknecht-positie? Wat zal dat met Jozef hebben gedaan?
  2. Wij kennen biecht en penetentie niet of nauwelijks meer sinds de Reformatie. Missen we daar iets aan, of zou dat toch weer moeten worden ingevoerd?
  3. Mag je tot God vluchten om de straf te ontgaan/in de hemel te komen? Waarom dien jij de HEERE eigenlijk? Of dien je hem nog niet?

vrijdag 26 augustus 2016

Wát raakte Jozef in het spijtbetoog van zijn broers?

"Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken."
Genesis 50 : 17

Pleading (pleiten), Manie Connoway (geboren in 1950; woont in Graskop, Zuid-Afrika), brons, 1000x20mm

Dat de broers niet zélf in eerste instantie bij Jozef kwamen – zie vers 18 waar staat: “Daarna kwamen ook zijn broeders…” – mag hen verweten worden. Maar niet dat ze een verkeerde weg bewandelden ín hun verzoek. We kunnen ook anno 2016 dezelfde lijnen en lessen trekken.  Laten we de broers dit keer maar in een wat positiever daglicht stellen en zien wat dat bij Jozef teweeg bracht.

In deze geschiedenis beginnen vanaf hier steeds meer lijnen op te doemen van het geestelijk leven. Laten we niet doorslaan, maar met enige voorzichtigheid kunnen we in deze tekst ook een advies en een stimulans lezen voor ons gebedsleven. En tegelijk zien we ook zondaren die zich indirect – middels knechten of juist hogere hoflieden – wenden tot de 'troon der genade'. Er tekent zich een drang af om de relatie weer goed te krijgen tussen de broers en hun koninklijke broeder. Wat het ook was dat hen deed aarzelen om in eerste instantie zélf naar Jozef te gaan, gesteld kan worden dát ze gingen. En dat zou velen in de kerk ertoe moeten aanzetten om ook vasthoudend en vastbesloten te zijn in hun gebed tot God.

Pleiten

Door de preek van afgelopen zondag vanuit Psalm 119 – waar David pleitte op Gods barmhartigheden die velen waren én op Zijn belofte – werd ik in Genesis 50 vers 17 met eenzelfde gebedshouding geconfronteerd. Ook de broers pleitten bij Jozef. Ze citeren hun vader, die hen de woorden in de mond had gelegd (aldus hun verslag) en alleen al daarom is er verwachting. Zou Jozef hén niet willen horen, dan zou hij toch in ieder geval zijn vader wél willen horen. Nu zijn vader er echter niet meer is, moeten deze woorden posthume toch dezelfde uitwerking hebben in zijn hart. Het is ons duidelijk dat de broers zelf – dankzij hun kwade geweten en hun slechte gedachten over Jozef – weinig hoop hadden om te worden gehoord. En tóch gaan ze!
Pleiten als een rechteloze is een vaak onbegrepen activiteit. De doorsnee mens reageert: "Wat heeft het dan voor zin? Ik weet toch wel hoe het antwoord zal zijn." Ook in de kerk, helaas. Dat geeft ook aan hoe men tegen God aankijkt. Men maakt een menselijk beeld van Hem en denkt dat Hij zal reageren zoals elk mens dat zou doen. Maar, wees eerlijk, dat wij elke morgen wakker worden, geeft toch al aan dat de HEERE lankmoediger is dan welk mens ook? Als we nu van elke dag moeten belijden dat die vol zonde en kwade gedachten, woorden en werken zit (en dat elke dag weer opnieuw), kunnen we het dan nog vanzelfsprekend vinden dat God ons elke morgen weer een nieuwe dag geeft? Ik zou willen dat we meer oog hadden voor Gods werkelijke karakter, dan van ons godsbeeld (dat vaak een karikatuur is). In die zin zijn in reformatorische kringen nog veel restanten van het roomse zuurdeeg te vinden: alsof wij met onze zondenkennis iets zouden kunnen toevoegen aan onze zaligheid of iets zouden kunnen bewegen ín God! Het gaat daarom ook niet om de zondenkennis op zich, maar om de uitwerking, de vrucht. En die is niet 'mishagen van mijzelf' of welke zelfkrenking ook, maar die is: "Ik moet Jezus hebben" en "Hoe komt God weer aan Zijn eer". Hij is de grote Voorspraak bij de Vader. Zonder Hem zal het niet gaan en toch… dankzij Hem mogen we vrij tot God de Vader gaan. Laten we dat ook nooit vergeten!

Spijten

De broers zetten hun pleitrede aan het slot nog extra kracht bij door niet alleen hun vaders woorden te citeren, maar ook hun verbondenheid in God te onderstrepen. Zij noemen zich naar Jozef toe "dienaren van den God uws vaders". Waarom doen ze dat? De Kanttekeningen leggen hierbij uit: "Die denzelfden God met u dienen, Die ons bevolen heeft elkander de misdaden te vergeven, gelijk wij begeren, dat Hij ons genadig is."
Vragen om vergeving kan uiteraard niet zonder spijt. Kinderen kunnen soms zo vlug 'sorry' zeggen dat je je afvraagt of ze wel beseffen wat ze hebben misdaan. Wel, grote mensen begaan diezelfde fout. Sorry zeggen om van gezeur en problemen af te zijn is geen echt excuses maken. Daarentegen hoeven we ook geen hele voorstelling op te voeren als bewijsmateriaal voor onze welmenendheid. Gek genoeg vragen we dat wel heel vaak van de HEERE. We trekken voortdurend Zijn welmenendheid in twijfel. Er zijn zelfs hele kerkgenootschappen die Gods welmenendheid ontkennen! Zo diep ingevreten zit de goddeloosheid in de mens (ook de godsdienstige mens).
Er zijn mensen die het 'Onze Vader' niet willen bidden, omdat ze vinden dat je God niet zomaar 'jouw Vader' mag noemen. Ze zeggen dan: dit was een gebed van Jezus; Hij mocht dat zeggen. Maar let eens op wat Jezus verderop zegt: "Vergeef ons (?) onze schulden, gelijke ook wij vergeven onze schuldenaren". Mogen we dat ook niet bidden? Dan is dit gebed een leugen, immers, Jezus heeft nooit zonden gedaan en dus ook geen schuld bij Zijn Vader gemaakt. Laten we Jezus' woorden maar even nauwgezet en serieus naspreken als de broers doen met de woorden van hun vader Jacob.
En laten we ook maar net zo berouwvol onze zonde belijden: "Vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben U kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch…" Waar de broers mee aankwamen zetten was 'kwaad gedaan' en waar ze om vroegen was tot tweemaal toe 'vergeef toch'.
Was er voor de broers reden om dat aan Jozef te vragen? Hoe wisten ze dat er een mogelijkheid bestond dat Jozef géén wraak zou nemen? Misschien heb je je die vraag nooit gesteld, maar laten we daar toch kort over nadenken en een aantal dingen op een rijtje zetten die we vooral in Genesis 45 vinden:
  • Jozefs eerste verlangen na zijn bekendmaking ging uit naar zijn vader, die hen nu deze woorden in de mond heeft gelegd (vers 3);
  • Jozef opende zelf de deur naar vergeving, met de woorden "nadert tot mij … en weest niet bekommerd" (vers 4 en 5);
  • Jozef liet zijn aanbidding van Gods wonderlijke reddingsplan direct verkondigen: hij zou de behouder des levens voor hen en voor zichzelf zijn (vers 7);
  • hij ontneemt hen de schuld (niet jullie deden dat), door het aan te merken als Gods actieve daad (maar God deed dit…) (vers 8);
  • Jozef had hen vruchtbaar land en woningen gegeven in Gosen, dat staat toch haaks op wraak? (vers 9-11);
  • hij had zijn eigen woorden waar gemaakt die hij op merkwaardige manier had onderstreept: "jullie en mijn broer Benjamin hebben kunnen zíen dat mijn mond het heeft gesproken" (vers 12).
Farao had er nog een schepje bovenop gedaan uit pure blijdschap voor Jozef (vers 16-22) en om diens getuigenis maar kracht bij te zetten, zodat de broers (en vader Jacob) zouden vertrouwen op Jozefs bedoelingen. Na afloop van die intense en bewogen openbaring hebben Jozef en de broers elkaar diep en lang gesproken, onder veel tranen (in ieder geval van de kant van Jozef). En dat laatste gebeurt nu weer.

Krijten

Er blijft nog een vraag over: waarom huilt Jozef nu opnieuw? Wat raakte hem in het verzoek van de broers? Bedenk daarbij dat die broers nog steeds niet lijfelijk voor hem stonden! Naast het feit dat ze hun ootmoedig verzoek indirect (dus zeer terughoudend, maar wel met de grootste slagingskans) aan Jozef overbrachten, moet het ook het feit zijn geweest dat ze hun woorden niet van gestalten wilden vergezellen. Ze wilden dat Jozef hun verzoek objectief in overweging zou nemen. Geen gekronkel, gezucht en gesteun; geen 'kijk mij eens diep in het stof bijten' of 'o, o wat verfoei ik mijzelf toch". Jozef kreeg geen illustratie bij de woorden. Hij had dus de mogelijkheid om zich er van alles bij voor te stellen (en zo liepen de broers het risico dat een snelle vlaag van haat in hem zou kunnen opwellen, zonder dat ze hem konden bedaren). Geen ruis op de lijn dus.
Ook zullen hem de kernwoorden én de bezittelijke voornaamwoorden uit hun verzoek geraakt hebben: "de overtreding van uw broers", "hun zonde", "zij hebben u kwaad aangedaan" en "de overtreding van de dienaren van uw vaders God". Belangrijke kernwoorden 'zonde', 'overtreding' en 'kwaad', maar vooral dat zij die op zichzelf betrokken: ze namen de schuld op zich!

Maar het meest zullen hem die laatste woorden hebben geraakt, waarin de broers belijden dat ze dienaars van dezelfde God zijn als Jozef. Denk je niet dat dat hem diep heeft geraakt? Hij had er vroeger altijd zo'n verdriet van gehad dat zijn broers spotten en grove taal bezigden (Genesis 37 : 2). De broers – en het is te vrezen dat ook Juda daarbij moet worden gerekend – lieten uit heel hun handel en wandel zien dat ze de God van hun vaderen Abraham, Izaäk en Jacob niet werkelijk dienden. En nu, na al die ingrijpende gebeurtenissen, leggen ze deze belijdenis af! Zou dat geen vreugde hebben gegeven in het hart van Jozef? Zelfs gedurende die 17 jaar in Gosen hadden die woorden niet geklonken. Het kan soms lang – eigenlijk veel te lang – duren voordat mensen tot belijdenis komen en voordat het tot een werkelijke doorbraak komt. Veel goede levensjaren zijn er verloren gegaan; veel goede krachten zijn verkwist. De HEERE kreeg alleen het overschot van hun leven, maar toch… het was nog op tijd!

  1. Wat doet het met je als iemand tot een bewuster kerkelijk en geestelijk leven komt na verloop van vele jaren? Wellicht heb je hem of haar ook in slechter doen gekend en komen die herinneringen bij je boven; hoe ga je daarmee om?
  2. Herken je iets van de vreugdetranen van Jozef?
  3. Hoe moeilijk vind jij het om mensen te vergeven die jou persoonlijk kwaad hebben aangedaan?

donderdag 11 augustus 2016

Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken

"Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben."
Genesis 50 : 15

Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken; leken de broers van Jozef op een vos?

Het blijft een beetje vaag waar je de tekst van vandaag moet plaatsen. Chronologisch staat de tekst ná de terugkeer in Egypte, dus ná de begrafenis. Maar… inmiddels hadden de broers toch wel door dat hun vader dood was? Als je zo naar de tekst kijkt, lijkt het alsof je hem al eerder, net na het overlijden en vóór de begrafenisplechtigheid moet plaatsen. Echter, misschien moeten we hem toch maar hier laten staan; ik zal uitleggen waarom en dat dat nog eens een extra negatieve dimensie aan de tekst geeft.


Bij het lezen van de tekst kwamen er wat herinneringen boven. Hier wordt namelijk een scene ingezet, waarin de broers van Jozef een vos-achtige rol spelen. Jozef daarentegen laat een staaltje genade zien die hij heeft geleerd door Gods weg met hem. Ik zie in Jozef veel contouren van Christus, maar wel beperkt; want Christus, Die ons Zijn Vader toonde, is zoveel hoger, heerlijker en heiliger.

De vos en zijn streken

Vroeger keek ik naar de Fabeltjeskrant en ik herinner mij de sluwe vos Lowieke, die altijd een dubbele agenda had, wanneer hij een aardig voorstel deed. Ook zat ik vroeger aan de beeld gekluisterd als de tekenfilmserie 'De dieren van het groene woud' er was. Daarin speelde een domme vos en zijn sluwe moeder altijd weer de rol van het kwaad dat overal op de loer lag. Het liep weliswaar altijd goed af door de slimheid van de eekhoorns, ondanks de onnozelheid van de konijntjes.
Een vos verliest wel zijn haren maar nooit zijn streken, luidt het spreekwoord. En zie hier een bijbelse illustratie bij die tegelspreuk. We zitten in vers 15 in de eerste acte van het toneelstuk 'After the funeral'. De broers hebben tijdens de terugreis met elkaar overlegd en ze zijn er allen van overtuigd dat er problemen voor de deur staan. What to do? Ik weet wel dat ze niet allen van dezelfde lap gescheurd zijn, ook niet allen dezelfde dingen op hun kerfstok hebben (denk aan Benjamin die eigenlijk part nog deel had aan de ellende die zijn tien halfbroers over zijn echte broer hebben gebracht), maar ze treden hier als één blok op. Het lijkt erop dat ook Benjamin zich bevindt in het vossenkamp en mee bewilligt in het voorstel dat ze met elkaar aan Jozef willen doen. Echter, een vos die door het stof kruipt is gevaarlijker dan een die fier met kop en staart boven het wuivende gras uitsteekt, wanneer hij op pad gaat.
Het please-plan dat ze in de volgende verzen uit de doeken gaan doen, deed mij de wenkbrauwen fronsen. Wat is dit? Hmm… daar heb je ze weer. Een compleet en integraal excuus gaan maken, terwijl ze die hele rit samen hebben gereisd? Boete en berouw, terwijl ze al 17 jaar in Gosen wonen? Waarom nu? Waarom überhaupt? Immers, 17 jaar is nogal een tijd: dik 6200 dagen. Me dunkt, had je al die tijd, na dat enorme genadige optreden van Jozef, 17 jaar gelden, geen tijd genoeg om boete te doen?
Ik word ook altijd een beetje kriegel als mensen jaar en dag naast je leven en opeens in een week van Voorbereiding op het Avondmaal excuses gaan aanbieden voor soms de meest onbenullige dingen. Het is mij een paar keer overkomen en soms schoot ik in de lach, omdat dat het om dingen van jaren her ging, en om zinnetjes of woorden zelfs, ergens in de kantlijn. Ik kon het me ook zelfs niet herinneren. Waarom doe je dat zo, waarom doe je dat juist dán en niet eerder of later? Misschien moet ik er niet teveel achter zoeken, maar mijn intuïtie doet dat helaas wel. Een appellerende preek bij de Voorbereiding en sommige mensen komen dan opeens heel geforceerd in beweging. En ook nog op een manier, terloops of in een briefje, waar je bepaald weinig mee kunt. Ik weet het niet. Denk er nog eens hartig over na of jij het misschien ook weleens zo hebt aangepakt. Bedenk dat dat bij die ander misschien wel heel apart kan overkomen. Als het echt op je hart zit, zou je dan niet beter een eerder en een onbeladen moment kunnen uitkiezen?

De mediator en zijn positie

Dat de broers er nu pas mee komen blijkt een heel rare reden te hebben. Hun vader is weggevallen en nu menen ze opeens in de frontlinie tegenover Jozef te staan. Die oude Jacob had blijkbaar in hun beleving een mediator-rol, een buffer tussen slachtoffer en daders. In alle ernst: zou Jacob zich dat bewust zijn geweest? Dan is hem veel te verwijten. Want als hij zo'n invloedrijke positie innam, dan had hij daar ook voortijdig wat aan kunnen doen. En dat heeft hij blijkbaar niet gedaan.
Een vraag die bij mij direct bovenkwam is deze: zijn er daar in Gosen soms nog meer fricties geweest tussen Jozef en de broers? Jozef zal ook niet continue in hun nabijheid zijn geweest. Wellicht liepen de contacten met het hof van Jozef dan ook heel natuurlijk via Jacob.
Maar Jacob moet toch ook verder hebben gekeken dan zijn neus lang was? Jacob kende toch ook zijn eigen vos-achtige karakter? Wordt hij niet juist daarom 'hielenlichter' genoemd? De lompe Ezau had daarin een punt: zijn broer maakte hem bepaald niet jaloers op een leven met de HEERE. Eye-opener?
Jacob zou dus zijn doortrapte zoons moeten kunnen onderscheiden van de onnozele meelopers. Hij moet hun gedrag hebben kunnen doorzien, omdat hij het zelf van binnenuit kende. En… ze hadden nota bene hémzelf bedrogen met de vermeende dood van Jozef.
Hoe het ook zij, Jacob is weg en de broers voelen zich daar in Gosen in de gedoogzone van Jozef. Die hoeft maar met zijn vingers te knippen en de Egyptenaren zullen hen totaal wegvagen. Ja, wat er allemaal niet in een doortrapt geweten naar boven komt, als het aan de toekomst denkt. Een mens moet eerlijk gemaakt worden, wordt er in refo-kringen nogal eens dweepziek gezegd. De mensen die dat het hards zeggen laten nogal eens een gedrag zien dat alles aan transparantheid en oprechtheid mist. Dat eerlijk-gemaakt-worden kan blijkbaar hand in hand gaan met het afzagen van predikanten die vrije genade preken en het ophemelen van predikheren die het heil in een hermetisch afgesloten sacristie van voorwaardelijkheid opsluiten.
Er is nogal wat zendingswerk te bedrijven in reformatorisch Nederland. Misschien goed om toch ook eens met de broers van Jozef aan de toekomst te denken: immers als je de grote Mediator weg-theologiseert dan sta je inderdaad in de frontlinie tegenover God, Wiens beeld je zo enorm verwrongen propageert. Dat gaat niet goed aflopen, dat kan ik je verzekeren.

De waard en zijn gasten

Wat de broers ook van hun vader vonden, ze vonden hem vooral heel handig als buffer. En nu die weg is gaan ze de situatie opeens anders bekijken. Het gaat er dreigend uitzien. En zoals dat altijd gaat – helaas ook in kerkelijk Nederland – degenen die de 'Behouder des volks' het minst uit eigen ervaring kennen, gaan hem als de meest bedreigendste beschouwen. En dat beeld gaan ze ook rondbazuinen. De gifmengers van het eerste uur bieden tegen elkaar op: "Er komt onweer", "Het zal een verloren zaak blijken te zijn", "Er is geen ontkomen aan", "Wie zal ontkomen aan de toorn van Jozef?", "Hij zal ons gevangen zetten", "Hij zal ons pijnigen, uit wraak", "En het is allemaal verdiend!", "We moeten hem er enkel gelijk in geven", "Jozef zou geen onrecht doen, als hij ons vernielde". De een kruipt nog dieper door het stof dan de ander.
Maar, zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Dan ken je Jozef nog niet, vossen! Bedenk eens als je dat openlijk naar hem gaat uitspreken! Zal Jozef dan niet juist in toorn ontbranden? Verblind voor het effect van hun verwrongen Jozef-beeld, stappen ze naar hun grootste dreiging toe, als op een boobytrap afrennend. Je houdt je adem in… hoe zal dat aflopen?

  1. Welk beeld heb jij van de HEERE? En hoe ga jij de Jongste Dag tegemoet?
  2. Zit er een verband tussen zelfbeeld en Godsbeeld? Praat er eens over door hoe deze zonen van Jacob aan zulke overleggingen komen, terwijl ze toch ook van hun vader Jacob op geestelijk terrein beter konden weten?
  3. Ken jij mensen die zo'n verwrongen Godsbeeld hebben? Wat kun jij voor hen betekenen?