Posts tonen met het label sterven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sterven. Alle posts tonen

woensdag 28 maart 2018

Hij heeft liefgehad tot het einde

De loyale van de royale - IX

En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
1 Samuël 31 : 2

Bij de dood van Jonathan wil ik wat uitvoerige stilstaan. Vooral in deze Stille Week voor Pasen. Omdat ik enkele mooie overeenkomsten, zij het gebrekkige, tussen Jezus en Jonathan. Over Jezus lezen we in Johannes 13 : 1b die bijzonder diepe woorden: “…alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.” Bij Jonathan zien we eenzelfde houding. Hij bleef David liefhebben, maar bleef evenzeer strijden aan de zijde van zijn vader. Hier in dit hoofdstuk, zien we hem nog eenmaal loyaal aan de royale: hij bleef zijn vader trouw, ondanks wie Saul was.

In deze strijd moet hij zich ook bewust zijn geweest van het feit dat David zich in dat andere kamp bevond. Wat zal dat met hem hebben gedaan? Je hartsvriend in het leger van de vijand?! Echter, hier moeten we de lijn van Jezus loslaten. Jonathan streed niet tegen de vijand om zijn geliefde vriend en diens trouwelingen te bevrijden. Hij offerde zich niet op om mensen vrij te krijgen uit de klauwen van de Filistijnen. Wat hem wel bewoog blijft helaas duister. Dat zal te maken hebben gehad met zijn visie op hoe het koninkrijk uiteindelijk bij David terecht zou komen. Immers, als de Filistijnen zouden winnen dan zou David nooit koning van Israël worden. En als hij dat wel werd, zou hij vooral afhankelijk blijven van de vijanden.
Naar Jonathans overleggingen kunnen we enkel gissen. Wat ons wel opvalt is dat hij zijn leven inzet in deze strijd. Een strijd die zijn vader niet ziet zitten. Niet voor niets week hij uit naar een tovenares om zekerheid te verkrijgen over de afloop. Die afloop moet Jonathan ook geweten hebben, al was hij er waarschijnlijk niet bij toen Samuël uit de dood ‘opstond’.
Jonathan heeft niet veel van de strijd meegemaakt. Hij is, zo lijkt het althans, een van de eersten die sneuvelen. Samen met zijn broers strijdt hij, maar sneuvelt. Alle drie delven het onderspit. En Saul blijft achter terwijl de strijd voortwoedt! Is Saul dan de ‘messias’ van Israël? Of wordt dit zijn moment van inkeer en bekering?

Jonathans lichaam wordt dodelijk geraakt en smakt neer tussen de lichamen van de andere gesneuvelden. Over zijn wapendrager lezen we niets. Maar hoe hij er ook aan toe was, Jonathan vraagt niet aan zijn wapendrager om hem te doden! Dat is een groot verschil. Hij is niet bang voor de dood. Hij heeft voor zijn kinderen een ‘verzekering’ afgesloten bij David en weet ze bovendien veilig in Gods handen.
Hij sluit zijn ogen. Wat zal er door hem zijn heengegaan? Of is hij op slag dood geweest? Wat waren zijn laatste woorden? De Bijbel zwijgt erover. Laat staan dat we weten wat zijn laatste gedachten waren. Zijn strijd is gestreden en de overwinning leek verkeken.

Geen sterven met een gewin voor al de zijnen. Hoe anders is dat met Jezus. Hij was evenmin bang voor de dood. Van Hem weten we dat Hij daadwerkelijk het doel van Zijn strijd voor ogen hield. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Hoe diep zijn die woorden. Hoe ver blijft Jonathan hier achter! Jezus stierf ook voor Jonathan. Want die kon onmogelijk Gods Koninkrijk binnengaan door zijn eigen trouw en vriendschap aan David! Ook hij moest het hebben van Davids grote Zoon: Jeshua Meshiach, dé Koning der Joden!

vrijdag 16 september 2016

Sterven en leven met eeuwigheidsperspectief

"En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; …"
Genesis 50 : 24a


Talloze graven voor de Golden Gate in Jeruzalem; wachtend op de komst van de Messias.
Hoe begraven wij tegenwoordig onze doden? Ook in de verachting van de Komende?

Hoeveel mensen zouden bij volle bewustzijn sterven? Althans, hoevelen zullen er aanvoelen dat ze gaan sterven? Ik weet het niet, maar vermoedelijk zijn dat er niet heel veel. Ik vermoed dat de meesten zwoegend voor hun leven, of snakkend naar adem wegzinken in de dood. Een lang ziekbed is niet altijd een bewust toeleven naar het einde. Een coma of beneveling door morfine zijn gemakkelijker voorstelbaar. Ook de aftakeling door dementie behoort tot de mogelijkheden die misschien wel dagelijks voorkomen. Hoeveel gelegenheid is er dan om jouw geliefden nog toe te sprekende van de Komende en het eeuwigheidsperspectief dat je in dit leven hebt (of had moeten hebben)?

"Gedenk aan je Schepper," adviseerde Salomo, "nog vóórdat de gebreken van de ouderdom zich aandienen." Je zou er ook aan toe kunnen voegen: en weest bereid om te sterven, vóórdat je verongelukt, plotseling sterft door een hartstilstand of in een onbereikbaar psychisch gebied belandt door een hersenbloeding. Hoewel de dood in het walgelijk modernisme een goede vriend moest zijn geworden – de dood zou bij het leven horen, aldus deze dwaallichten – denken weinigen over hun sterven na. Ja, als je na de dood niets wilt hebben (dood = dood) dan moet je er inderdaad maar niet aan denken dat er tóch wel iets zou zijn. Het is voor de atheïst ook vele malen afgrijselijker te denken aan de mogelijkheid dat er misschien tóch iets zou kunnen zijn, dan voor de christen om te denken aan de mogelijkheid dat alles bij de dood ophoudt (hoewel hij gelukkig beter weet). Maar… denken we ook weleens na over het feit dat na onze dood onze kinderen/familie/vrienden verder moeten? We zijn vaak egocentrisch gericht op onze eigen zaligheid, maar wat laten we na? In de bijbelstudies van vandaag en de komende keren wil ik vanuit dat perspectief naar Jozef kijken en luisteren. Noem het 'The Joseph Legacy'.

Confronterend

Nadenken over 'ik sterf' wanneer je dochter 'op alledag loopt'? Nadenken over de dood, als misschien wel vandaag juist het léven centraal staat? Nou, beginnen te leven is tevens beginnen te sterven; dat dan weer wel. Cole Porter maakte ooit een vreemdsoortig liedje dat begon met de woorden "Every time we say goodbye, I die a little". Elk afscheid is een stukje sterven. We zijn daar misschien wel te zeer aan gewend. Vroeger emigreerden mensen (soms alleen slechts naar een andere provincie), niet wetend of ze elkaar ooit nog zouden zien. Tegenwoordig zijn afstanden niets en is alles bereikbaarder dan ooit. Is het niet fysiek, dan wel digitaal (mail, app, skype etc.).
De betrekkelijkheid van alles wordt niettemin vandaag de dag wel heel erg verbloemd! Over de dood moet niet te zwaar worden nagedacht. Tuurlijk, je moet je dingen regelen voor je kids en je vrienden (mocht je plots overlijden), maar als dat gedaan is kun je volop leven zonder één gedachte aan het einde. En wat zal dat einde zijn? Is dat een nieuw begin, in de vorm van reïncarnatie? Of een nieuw begin vanuit de Bijbelse eeuwigheidsgedachte? Ik ben zo benieuwd hoe Jozef dat zal hebben gezien. In ieder geval confronteert hij zijn familie er mee. En hoe!

Constaterend

Jozef is zich bewust van het feit dat zijn stervensuur nadert. Daarin is hij misschien wel in een bijzondere positie; niet ieder krijgt dat zicht op zijn of haar dood. Wat Jozef niet doet is angstig en gestrest raken. Hij voelt zijn einde, zijn ontbinding (zoals Paulus dat noemt) naderen en dat schept een diepe vreugde. Niet dat hij dan van alle ellende in dit leven af is; immers hij moet toch ook zijn kinderen, zijn klein- en achterkleinkinderen loslaten! Maar hij mag over dood en graf heen zien. Hij constateert als nooit te voren dat Gods dubbele bevrijding aanstaande is: Jozefs aardse huis wordt afgebroken en hij mag een huis bij God in de hemel gaan bewonen, het hemels Kanaän. Maar daarnaast: het volk van Israël zal – na een diepe vervolging en onderdrukking – weer huiswaarts gaan, naar het aardse Kanaän.

Conformerend

Ook valt het me op dat Jozef niet van alles aangrijpt om zijn levenseinde op te rekken. Hij conformeert zich aan Gods tijd en richt zich op zijn geliefden in opdracht van God Die hem nog een boodschap geeft om door te geven. God had hem verder doen zien dan dit aanstaande stervensmoment. Hij had Jozef een opdracht gegeven om nogmaals zijn broederen te troosten met warme woorden over Gods ontferming. Het zou er echt van gaan komen dat God ze uit deze eerste ballingschap, hier in Egypte, zou terugbrengen naar het beloofde land, waarover overgrootvader Abraham al zulke enorm rijke beloften had gekregen. Overgrootvader Abraham… die was toch al jaren overleden? Ja, en toch… en toch… hij had de toekomst van verre gezien en Christus’ Dag bewonderd. Hij had reeds omhelsd, wat nog in het verschiet lag. Moet je eens over nadenken. Omhels jij zo ook wel eens het zalig hemelleven? Zo, alsof je er al bent?

Contrasterend

Jozef wel. Hij mag verrukt spreken over Gods naderend optreden en handelen. En werkelijk waar, dat moeten troostvolle woorden zijn geweest voor zijn nabestaanden! Woorden die hout sneden, harten troffen en perspectief boden. Want… dat terugkeren naar Kanaän was geen doel op zich. Er was een reden. Sommigen staren zich blind op het land Israël, alsof dat koste wat kost moet worden gekoesterd. Maar het grondgebied van Israël is geen eindstation, doch een ontvangsthal voor de Messias! Toen, in de volheid des tijds (en dat lag voor Jozef en de zijnen nog ver in de toekomst) en straks voor Zijn wederkomst. Dat lag voor de mensen uit het Oude Testament als 1 punt op elkaar, maar wij staan ertussenin en zien de steeds groter wordende afstand tussen 'Komst' en 'Wederkomst'. Niettemin ligt er een onverbrekelijke lijn tussen die beiden 'Komsten'. En daarin ligt eveneens een contrast. Christus’ eerste komst was er een van genade en bijeenvergadering; Zijn tweede komst zal er een zijn van oordeel en scheiding.
Alle oog zal Hem zien. Jozef en de zijnen hadden wel de beloften, en zagen ook in de verte, alsof die dag al zeer binnenkort kon aanbreken, maar concreet waren hun beelden nog niet. En wij? Wij staan achter Christus’ eerste komst… is voor ons Zijn wederkomst een realiteit? En welk beeld staat er op ons netvlies? Hoe ziet in 2016 dat grote verlangen eruit, waarover de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het slot spreekt?  
"Zie, ik sterf…" En dan? Al worden er vandaag 10.000 baby's geboren, zou ik dan niet over mijn eigen sterven nadenken? En is elke geboorte niet een moment waarop de dood heel dichtbij kan zijn? Laten we daar niet gering over denken. Het gaat vaak goed, maar er zijn helaas ook andere voorbeelden. Dankbaarheid aan God Die moeder en kind spaarde is wel op zijn plaats.

Zes jaar geleden wenste een predikant mijn vrouw een gezegende baring, toen ze op het laatst liep van onze jongste. Gezegende baring… eigenlijk vóór die tijd nog nooit van gehoord. Maar wat een bijzonder rijke wens is dat. Dat baren niet een worsteling alleen is, maar onder Gods zegenende hand nieuw leven voortbrengen dat wellicht fysiek Zijn komst zal meemaken. In ieder geval een leven ter wereld brengen, dat gestempeld mag zijn van hetzelfde perspectief als dat van Jozef: "Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken…" Zo gaat hij in de volgende Bijbelstudie verder. Opvoeden met eeuwigheidsperspectief; wat ben je dan best af!
  1. Wat verwacht jij van het sterven? Wat verwacht jij van Christus' wederkomst? Wat verwacht jij van de hemel?
  2. Hoe denk je dat God de dood ziet? Hoe kun je tegen de modernistische stroom in roeien, die de dood bij het leven vindt horen?
  3. Praat jij met je 'broeders' (gezinsleden, echtgenoot/echtgenote, kinderen) over sterven? Loop je ook tegen moeilijkheden op? Deel je die met anderen?

dinsdag 20 januari 2015

Uithuilen aan Gods Vaderhart

"Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen."
1 Koningen 19 : 4

Elia is gevlucht uit het Noorden, door Samaria en Judea, tot Berseba aan Kanaäns zuidergrens.

Soms verlies ik me in details. Zoals hier, in deze geschiedenis: was er een profetenschool waar Elia zijn jongen achterliet? Ik wilde weten waar hij hem achterliet. Hij moet dat met een doel hebben gedaan. Ik kwam het niet te weten. Maar ik geloof dat Elia hem veilig achterliet. Zeker. Echter, ik vond wel iets anders, aangrijpends – een herkenbaar plaatje – en wil het je doorgeven. Een antwoord op de vraag: was Elia ook zijn uitzicht kwijt? Kun je zo'n vlucht maken en tóch op de HEERE betrouwen?

De richting van Elia's vlucht

We zagen Elia fier en onverschrokken op de Karmel. En we zien hem hier in zijn vlucht naar het zuiden als een geslagen hond. Is dit dezelfde Elia? Zal zijn knecht de hele weg gezwegen hebben? Zullen ze woorden hebben gewisseld? Heeft hij gezwegen tegen zijn jongen, terwijl hij in zijn hoofd een plan van zelfmoord uitbroedde? Wilde hij zijn jongen wegstoppen voor wat hij zelf ging meemaken? Ooit zag ik een film, waarin een oude vrouw die zeer ziek was, een hoge berg beklom om er daarboven te sterven. Haar vriendinnen volgden haar tot op een zekere hoogte; toen wees ze hen terug. Ze wilde deze weg alleen gaan en in eenzaamheid sterven. Was het zo bij Elia?
Ik kreeg een stuk van het boek 'Wagen Israëls en zijn ruiteren' van de markante – aanvankelijk hervormde en later gereformeerde – ds. J.C. Sikkel onder ogen en het raakte me, vlijmscherp en peilloos diep!

ds. J.C. Sikkel

Elia heeft een groot wonder mogen doen op de Karmel; dat wonder heeft het volk in beweging gebracht en heeft wellicht Achab aan het twijfelen gebracht, maar de granieten goddeloze Izébel is er niet van onder de indruk. En juist die ene halstarrige blijft bij Elia haken! "Wat heeft hij nog langer in Jizreël te zoeken?" vraagt ds. Sikkel zich af? (Prik alsjeblieft door de taal van 100 jaar geleden heen en zet je ertoe te begrijpen wat deze predikant je wil zeggen).
"Elia is op Izebels dreiging van Jizreël gevloden, om zijns levens wil. Hij is gevlucht uit het Noorden, door Samaria en Judea, tot Berseba aan Kanaäns zuidergrens. Daar heeft hij zijn knecht achtergelaten en is van Israëls bodem gescheiden. In de woestijn, die zich zuidwaarts naar Sinaï en Egypte uitbreidt, is Elia getrokken, een dagreis ver.
Hier zoekt hem niemand. Hier is Elia veilig. En hier is hij eenzaam. Hij zet zich hier onder een “jeneverboom”, één der hooggewassen bremstruiken, die in deze streken de vlakte breken, en die met eenige schaduw en beschutting tegen zon en wind haar bessen tot lafenis bieden.
Hier zit Elia neer; hier vindt hij rust in het eenzaam uitzien, al beroert de dreiging nog zijn ziel. Elia gevoelt zich hier aan het einde van zijn levensweg en levenstaak; en hij zucht hier zijn ziel uit tot den Heere, om hier en thans te mogen sterven doordat de Heere zelf zijn ziel wegneemt: “Het is genoeg! Neem nu, Heere! mijn ziel! want ik ben niet beter dan mijn vaderen!”
Zoo heeft Elia zich, na zijn ziel den Heere bevolen te hebben, hier te slapen neergelegd, om te sterven."

De visie in Elia's vlucht

Wie Elia echter wil schetsen als een depressieveling, of iemand met een burn-out, vindt weliswaar aanknopingspunten voor die visie, maar doet tekort aan de echte Elia. Ik haast me om nog meer te citeren uit het boek van ds. Sikkel:
"We hebben hier zeker eenigermate een tegenbeeld van den Elia op den Karmel. Zij, die het Woord Gods en het leven der genade in den dienst des Heeren niet verstaan, spelen die twee tegen elkaar uit met de bewering, dat het ééne beeld van Elia het andere onmogelijk maakt, en dus niet beide tegelijk waar kunnen zijn. Bij het waarachtige licht van Gods Woord ziende zullen wij echter veeleer getuigen, dat het ééne beeld voor de waarheid van het andere instaat; deze twee kunnen elkaar in zekeren zin niet missen; het ééne is niet te verklaren zonder het andere.
Reeds een zekere geestelijke inzinking, terugbuiging of ontspanning, die bij Elia op de hooge spanning van den Karmeldag volgt, is zielkundig alleszins verklaarbaar en schier noodzakelijk; en die ontspanning of terugbuiging moest dan wel in zekeren zin in haar kracht aan de voorgaande spanning evenredig zijn.

Hiermee is echter veel te weinig gezegd en verklaard; te weinig en te veel. Wij moeten verstaan, dat Elia’s strijd in den Naam des Heeren Israël gold in volk en koningshuis, en daarmee de eere van den levenden God tegenover de afgodische volken rondom en tegenover de vereerders van Baäl en Astarte in het bizonder.
Heel Elia’s zending en taak was die strijd. Daarom is zijn optreden gezet in het teeken van den regen, dien de Heere zou weren van de aarde en dien Hij te Zijner tijd van den hemel geven zou.
Zóó kwam de groote dag op den Karmel, waar Elia tegenover Achab en Israël en tegenover de vereering van Baäl voor den Heere stond, nadat in heel Israëls Tienstammenrijk des Heeren altaren verbroken en Zijn vereerders uitgeroeid waren.
In den grooten strijd op den Karmel heeft de Heere gezegepraald en is Zijn profeet gerechtvaardigd voor de conscientiën van koning en volk. De Heere heeft Zich de levende God betoond na Baäls beschaming; en Israël heeft Hem beleden.
Toen is de kracht van den Baäldienst in het dooden van Baäls profeten gebroken; en de regen des Heeren is gestroomd van den hemel over heel Israëls bodem, mensch en beest en aardrijk zegenend. Door de kracht des Heeren aangegrepen en juichend over zijn volk is Elia vóór Achab heen in Jizreël gekomen.
En toen – toen bleek daar in Jizreël in Izebel de ongerechtigheid onverbrekelijk en voor het dooden van den profeet des Heeren niet terug te deinzen. Alle hoop op den zwakken laffen Achab verging en ook de hope voor Israël verging mee bij den profeet. Elia’s taak was ten einde toe volvoerd; – en het scheen voor het oogenblik wel alles tevergeefs.

Wat heeft Elia dan nog in Jizreël te doen Wat heeft hij dan nog te doen in Israël! Zóó zal hij straks lagen bij Horeb, en zóó is zijn zielestemming bij zijn ontvlieden van Jizreël en Kanaän.
Zeker, Elia vlucht om zijns levens wil. Maar het is niet, omdat hij den dood vreest. Neen, sterven wil hij; te sterven begeert hij in de woestijn; hij bidt daar, om te mogen sterven, en hij maakt geen aanspraak, om te mogen leven tot zijn rechtvaardiging. Alleen, hij wil sterven doordat de Heere zijn ziel neemt.
Elia wil niet sterven door Izebel; hij, die de eere van den Naam des Heeren in Israël tegen Baäl en Astarte ophief, hij wil niet, door als profeet des Heeren te vallen onder den slag van Izebel, de fanatieke beschermvrouw van Baäls dienst, dat de Naam des Heeren gelasterd zal worden in zijn dood, gelijk die geloofd is in zijn leven."

De correctie op Elia's vlucht

Zo kan het gaan, als gevoelens in je leven de overhand krijgen. Zijn dat zondige gedachten? Hoe eenzaam kun je je voelen, hoe zwaar drukt het vreemdelingschap hier op aarde. Je voelt aan alles: ik hoor hier niet. Er is zoveel onrecht, zoveel goddeloosheid (niet in de laatste plaats in je eigen hart!). Echter, de balans is zoek. Het verlangen om ontbonden te zijn en met Christus te zijn is weliswaar legitiem, maar niet op die momenten: sterven is geen escape, maar een doorgang op Gods tijd naar het eeuwige leven! En dat verschil ben je op zo'n moment soms uit het oog verloren. Luisteren we tenslotte nog naar diepe woorden van ds. Sikkel daarover: 
"En zóó zal Elia ook niet sterven; zoo mag hij niet sterven; neen, zijn einde zal een getuigenis in Israël blijven, gelijk zijn leven een getuigenis voor den Heere was. Dat weet Elia niet; maar nu de taak, die de Heere hem in Israël heeft opgelegd, volbracht is, en de goddeloosheid in Jizreël volhardt, nu ontvlucht Elia Izebel vluchtend tot den Heere in de woestijneenzaamheid, en smeekend, om daar eenzaam bij zijn God te mogen sterven.
Neen, hier is bij Elia geen inzinking zonder geloof, geen vertwijfeling, geen daad zonder beraad, – al buigt in de eenzaamheid der woestijn Elia’s ziel, nu zich loslatend in smartvollen weedom, voor den Heere diep ter neer, snikkend smeekend om te mogen sterven.
Die smartvolle nederbuiging in weeklacht teekent ons den profeet des Heeren in de woestijn. Zeker, Elia is hier aan het einde van zijn kracht; hij klaagt hier in zieledroefheid en levensweerzin.
Maar Elia is hier in de woestijn voor het aangezicht des Heeren. Hij is hier eenzaam. Geen menschenoog bespiedt hem hier; geen menschenoor beluistert hier zijn zielesnikken. Hier is geen gevaar voor lastering van des Heeren Naam; hier is Elia alleen bij den Heere.
Tenslotte trekt ds. Sikkel de geschiedenis naar ons toe. Herken je er iets van? Luister dan naar zijn zachte, welgemeende en terechte correctie:
Zeker, er is een einde aan onze levenstaak voor den Heere, voor Zijn Naam en Woord, al kunnen wij ons in dat einde als Elia vergissen. Er is een einde ook aan de kracht, die door de genade des Heeren ons verleend is. O ja, en zeker, dan moeten wij ons terugtrekken; dan moeten wij ons onttrekken aan menschenoog. Dan mogen wij in eenzaamheid vluchten tot den Heere. En ja, dan mogen wij ook in onze woestijn in zekeren zin onze ziele voor den Heere laten gaan, al kan zij te ver gaan; en al gaat zij ook in haar klagend wegvlieten voor den Heere allicht te ver.

Er is een willen sterven ook na groote geestelijke levensworsteling, die op de blindheid en de onbekeerlijkheid der menschen stuit. Er is een stervensverlangen, ja er kan een smeekende zucht zijn, om te mogen sterven; immers een begeerte om ontbonden te worden en met Christus te mogen zijn; maar ook een innig heimwee, om alleen met den Heere, ver van alle menschen, te mogen sterven en tot de rust te mogen ingaan.
Dit kan te ver gaan, en het gaat allicht bij ons, zwakken, te ver na groote spanning en in diepe zielesmart. Maar het is niet enkel zwakheid, die hierin spreekt.
Ook hierin ontbreekt niet geheel de waarachtige daad der zielewijding aan den Heere bij hen, die naar lichaam en ziel Hem ten dienst zijn overgegeven.
Alle groote mannen Gods, allen, die waarlijk den grooten geestelijken heldenstrijd geestelijk gestreden hebben, zij hebben hun vluchten gekend tot den Heere, hun ver terugwijken in zieleëenzaamheid, in donkere nachten, en op verren afstand van het levensgewoel, om te mogen spreken en klagen, te mogen zuchten en smeeken, wat ze onder de menschen nooit zeggen of klagen wilden noch konden, en ook niet mochten.
Ook de Heere Jezus Christus Zelf, Gods Zoon in Zijn Middelaarsvernedering in de dagen Zijns vleesches, had Zijn nachten op de bergen; en Hij heeft Zijn klacht gehad, eenmaal eenzaam in Getsémané, ja zelfs om onzentwille openbaar aan Zijn kruis.

Bij den Heere, in de eenzaamheid, voor Zijn oor en hart, daar mogen wij, ook mannen, schreien en snikken; daar mogen we klagen en smeeken; daar mogen we het harnas onzer ziele losgespen, en haar strijdensmoe laten zinken aan de voeten des Heeren.
Toch, wij zwakken, wij gaan daarin te ver. Wij willen daarin dan slapen en wegslapen, voor altoos ontslapen aan ons levensleed, onbegeerig om ooit weer moed te hebben, en in gevaar om te wanhopen aan de vrucht van ons leven.
De Heere waakt echter ook dan over wie Hem in oprechtheid vreezen en dienen. Hij is ook in onze woestijn bij ons, en Hij waakt ook daar over ons. Hij laat ons wel even slapen en rusten; maar Hij wekt ons dan weer. Hij voedt en verkwikt dan weer onze ziele. Hij leert ons dan weer leven; en Hij richt ons eindelijk weer op, opdat we onzen weg vervolgen, om weer Zijn aangezicht te zien en Zijn Woord te dienen.

Zoo komt in het einde Elia weer in de woestijn uit; zoo komt hij op Horeb; en zoo komt hij ook weer uit de woestijn, als de man Gods, die de eere des Heeren in Israël draagt.
Zoo zijn Gods helden, met verteederd oog, uit de eenzaamheid van hun zielsnood weergekeerd, met nieuwe olie gezalfd!
En zoo richt de Heere ook nog ons hoofd omhoog, en richt Hij weer onzen voet, om in het land der levenden te wandelen voor de eere van Zijn Naam en Woord."
Wat een heerlijk ontwaken; nadat je aan Gods Vaderhart bent uitgesnikt en uitgerust, weer te gaan in Zijn kracht. Veertig dagen… of langer!