Posts tonen met het label Mozes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mozes. Alle posts tonen

donderdag 21 juni 2018

God wil bij mensen wonen


Hoofdstuk 15
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Welken ook onze vaders ontvangen hebbende,
met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten,
die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen,
tot de dagen van David toe;
Dewelke voor God genade gevonden heeft,
en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
En Salomo bouwde Hem een huis.
Handelingen 7 : 44-47
O ja, Stefanus had lelijke dingen gezegd over de tempel. Stefanus?
Ze beschuldigden hem ervan, terwijl Jezus het had gezegd!
Bij verstek werd Jezus dus eigenlijk veroordeeld in Stefanus.
Maar… had Stefanus dan een hekel aan de tempel? Bijzonder is dat hij juist in zijn preek bijzondere aandacht heeft voor het huis van God.
Een paar jaar geleden bracht het bekende koor ‘Vox Jubilans’ uit Waddinxveen een bijzondere bewerking uit van Psalm 5. De bewerking was gemaakt door André van Vliet en geweldig getoonzet. De climax zat hem in het laatste vers, dat in de normale zetting van de psalm werd gezongen, maar in kracht opbouwend, zodat de rillingen je over de rug lopen bij de laatste regel:

’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Wonderlijk genoeg staand die woorden niet in de onberijmde tekst! Daar blijft God als het ware nog op afstand, maar in de berijming komt Hij zelfs bij Zijn volk wonen. En – misschien ligt het aan mij – dat aspect krijgt vooral een diepere dimensie bij de wederkomst. Dan zal God definitief bij Zijn volk wonen, op een manier die zelfs het Paradijs te boven gaat!

Huis van Go(u)d
Op de zondagsschool kon je vroeger punten sparen en die inleveren. In een van de hoogste klassen koos ik boekje met de titel ‘Huis van Go(u)d’. Op het omslag staat ook het woord ‘Welkom’… dat vond ik toen al bijzonder. Welkom in Gods huis! De titel was in goud gedrukt en de u van Goud was outline gemaakt, waardoor je dus zowel ‘God’ als ‘Goud’ kon lezen.
Het is inmiddels in heel wat talen vertaald en nog steeds te koop bij de Zakbijbelbond. Het boekje vertelt over de tempel en is mooi geïllustreerd: “De tabernakel, het heiligdom van het volk van Israël vóór de tempel, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen, worden in woord en beeld gebracht en toegelicht in het licht van de Bijbel. Een prachtige brochure over de geestelijke betekenis van de tabernakel, voorzien van full colour foto’s van een model van de tabernakel, dat vervaardigd is door een goudsmid. Leerzaam en praktisch voor jong en oud. Kan ook uitstekend gebruikt worden voor evangelisatie.”
Juist bij deze tabernakel zet Stefanus in en laat zien dat God opdracht gaf tot het maken van een huis voor Hem. Hijzelf maakte daarvoor de ontwerptekening en de al eerder genoemde Bezaleël en Oholiab werden door God begiftigd met Zijn Geest en waren in staat dit kunstwerk te maken conform het ontwerp. God wilde wonen bij mensen en Hij maakte voor Zichzelf een huis, maar schakelde daar mensen bij in! Het hele volk wordt er zelfs bij betrokken door hun giften en praktische inzet!

God wil bij mensen wonen
Over dat mysterie gaat de kinderbijbel die we op dit moment met onze kinderen lezen: ‘God wil bij mensen wonen’. Een sterke titel met een bezondere vertelwijze.
Laat dat wonder eens op je inwerken. De heilige God die in de onbeschrijfelijk grootse en heerlijke hemel woont, gaat wonen in een kleine tent. Zeker, het blonk er enorm van goud en er was van alles te zien, dat iets vertelde over God Zelf. Maar het is toch in geen verhouding met de heerlijkheid die God in de hemel heeft?
Stefanus gaat weer in de wij-vorm verder: “De tabernakel was te midden van onze voorvaderen in de woestijn. Zo had God het geïnstrueerd aan Mozes, conform de afbeelding (werktekening) die Hij aan Mozes had laten zien op de berg. Onze voorvaderen hebben die tabernakel ook gekregen; wat een wonder! En Jozua bracht die tabernakel mee in het land dat voorheen door heidenen werd bewoond. Die werden verdreven door God en Hij gaf dat land in ‘betere handen’ zo leek het: de handen van onze voorvaderen!”
Ik interpreteer de toonzetting van Stefanus een beetje, maar dat is wel zo’n beetje de strekking van zijn woorden! Die heidenen met hun eigengemaakte goden werden uit de weg geruimd en God wilde er een beter land van maken, door er Zijn volk in de laten wonen. Zijn volk zou toch een betere godsdienst moeten kennen, nietwaar? Stefanus maakt geen toepassing op zijn woorden. Ik vermoed dat hij die toepassing overlaat aan zijn luisteraars die slim genoeg waren.
Hij slaat ook de hele periode van de richters over; zelfs Saul wordt niet genoemd. Een boekwerk vol met zwarte bladzijden. Nee, hij steekt in een keer door naar David, de man naar Gods hart. Die kreeg er zin in om een huis voor God te bouwen.
Zelf woonde hij in een prachtig paleis. Hij was een herders jongen geweest en was niet veel luxe gewend. Hij was aan het hof gekomen bij Saul; daar was waarschijnlijk meer luxe. Hij was opgetrokken met Jonathan, een boerenzoon die vroeger op de boerderij in Gibea ook niet veel goud en glitter gewend was. Maar beide jongens waren godvrezend en ze wisten dat de tabernakel er nog steeds was, bij Samuël.
Die tent kenden ze, al zal die er waarschijnlijk niet meer zo hebben uitgezien als die eerste. De algemene mening is dat er inmiddels een ‘tijdelijk houten gebouwtje’ was met de entourage van de tabernakel. Dat gebouwtje kon ook gemakkelijk worden afgebroken en verplaatst; daarom vinden we dat heiligdom nu eens in Gilgal, dan weer in Silo, in Nob en vervolgens in Gibeon. Dat was enige jaren geleden voor mij wel een verrassing; ik had er nooit zo bij stilgestaan. Ik geef graag een fragment weer van christipedia.nl hierover:

Sinds Saul al de bewoners van de priester-stad Nob (1 Sam. 22: 19) liet ombrengen, verliezen wij het vaste spoor van het vervoerbare heiligdom uit het oog. Wel bericht de Kroniekschrijver dat het te Gibeon gestaan heeft, totdat de tempel van Salomo gereed was en dat Salomo en het volk aldaar plachten te offeren op het door Bezaleël vervaardigde, koperen Brandofferaltaar (2 Kron. 1:3-6, 13;
1 Kron. 21: 29).
Onder Eli, Samuël, David en Salomo zijn Tabernakel en Ark gescheiden geweest, misschien als teken van het ongenoegen van de Heer daarover, dat het volk van het Verbond niet leefde naar Zijn Wet.
David bracht de Ark in de stad van David “op haar plaats”, in het binnenste van de tent, welke hij daartoe had opgeslagen
(2 Sam. 6:17): “Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers. (HSV)
Bedoeld wordt zonder twijfel een andere tent dan de Mozaïsche Tabernakel; de handeling van David is alleen goed te begrijpen, wanneer de Mozaïsche Tabernakel destijds niet meer bestond. Deze Davidische hut bedoelde de koning toen hij tot Nathan sprak hetgeen wij lezen in 2 Sam. 7: 2; zij komt sedertdien herhaaldelijk in de geschiedenis voor (zie 2 Sam. 15: 25; 1 Kon. 1:39; 2: 28v; vgl . 1:50vv.; 3: 15) en werd later met haar toebehoren en met de Bondsark uit de stad Davids in de tempel van Salomo gebracht en daar bewaard. Ook de Kroniekschrijver maakt meermalen melding van deze Davidische Tabernakel (1 Kron. 16: 1; 6: 32; 9: 21; 23:32; 2 Kron. 5: 5). Een nadere omschrijving hebben wij van Davids tabernakel niet. Toch verdienen enkele -bijzonderheden de aandacht.
Vooreerst, dat David in 2 Sam. 7: 2 van zijn tent dezelfde uitdrukking bezigt, waarmede in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de afzonderlijk tapijten aangeduid worden (Statenvert, gordijnen); ten tweede, dat in het woord van God tot Nathan, 2 Sam. 7:6, de Godswoning met twee woorden (tent en woning) aangeduid wordt, welke in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de gewone uitdrukkingen zijn voor het geitenharen en het byssus-dekkleed (alleen of met inbegrip van het houten getimmerte), evenals zij ook in Ps. 78:60 van het heiligdom te Silo gebruikt worden. Ten derde zij herinnerd, dat Nathan geen onderscheid maakt tussen de Davidische en de Mozaïsche tent. Men kan uit een en ander afleiden, dat beide grote overeenkomst met elkaar zullen gehad hebben, te meer daar David zijn tent niet inrichtte volgens eigen goeddunken maar volgens de overgeleverde traditie. Hij zal ze ook wel rijk versierd hebben, waarmede 2 Sam. 7: 2 niet in tegenspraak is.
Toen Salomo’s tempel voltooid was, kregen de overblijfsels van de tabernakel een plaats in één van de zijvertrekken van de tempel (1 Kon. 8 :4, 2 Kron. 5 :5).
De door Mozes opgerichte tabernakel was eenvoudiger dan de door Salomo -gebouwde tempel, die Gods tentwoning als heiligdom verving. De tempel week op allerlei punten van de Tabernakel af.

De toekomst
Het is vooral de profeet Ezechiël die iets heeft geschreven over Gods aanwezigheid in de toekomst. Die aanwezigheid wordt ook ‘tabernakel’ genoemd, zeg maar Zijn woning of aanwezigheid bij de mensen. Israël zal weer in het Beloofde Land worden verenigd tot één volk, onder één Herder (de grote Zoon van David) en Gods tabernakel zal voor altijd bij hen zijn (hoor je daar diezelfde woorden uit Psalm 5 weer terug? Zou de berijmer dit in gedachten hebben gehad?
“Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
(Ezechiël 37 : 26-28, HSV)
In Hebreeën 8 en 9 gaat het ook over de tabernakel als beeld van de hemel. Dat was de plek waar Christus binnenging met Zijn Eigen bloed. Het is juist deze tabernakel waarin Stefanus zo meteen een inblik krijgt. Even schoof God het voorhangsel van het Heilige der Heilige weg en zag Stefanus de troon van God. Niet de ark waarop God op aarde woonde, maar de hemelse troon van God.

Slotopmerking
David wilde een blijvend huis voor God maken, maar hij mocht dat niet. Zijn zoon, de vrede-koning, mocht dat wel. En toch gaat Stefanus in het volgende gedeelte in op het feit dat God niet gebonden is aan een plek, waar Hij zou wonen. De eerste tabernakel was 30 el lang en 10 el breed, maar Salomo bouwde een tempel die tweemaal zo groot was: 60 el bij 20 el! En nog was dat voor God maar een klein hutje (het woord hebreeuwse tabernakel kan ook worden vertaald met hut). Niettemin moet je je erover verwonderen dat God tóch bij mensen wil wonen. Als we daarvan meer doordrongen zouden zijn en ook leven in het besef dat Hij bij ons woont, dan zouden we ook een intenser en dieper leven kennen. Dan zijn we ons ook meer bewust dat Hij erbij is in onze zorgen en ellende. Maar ook in de gesteggel in de kerk en het gediscussieer over details die niet relevant zijn. Het gekke is: hoewel we geen tabernakel meer kennen, toch ís Hij bij ons. Waar twee of drie in Zijn Naam bij elkaar zijn, ís Hij er ook! Elke kerkdienst en elke bijbelstudieavond. Ja zelfs in onze binnenkamer. Hoe relevant is dit besef in onze gemeenten en ons persoonlijk leven? Juist met het zinderende verlangen naar Zijn eeuwigblijvende aanwezigheid?

zaterdag 9 juni 2018

De profeet voorzegt de Profeet

Hoofdstuk 12

Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
Handelingen 7 : 36-37

Het is opmerkelijk hoeveel Stefanus verzwijgt van Mozes. Hij heeft het niet over Mozes’ halstarrige houding, zijn driften en zijn moedeloosheid over het ongeloof van het volk. Hij schildert hem enkel uit als een profeet die tekenen en wonderen deed. Het lijkt wel alsof Stefanus zichzelf een beetje uittekent voor de oren van het opgehitste volk.
Zondigen tegen beter wetenWaarom staat Stefanus zo uitgebreid stil bij Mozes. Ik had die vraag nog niet goed overdacht, maar in de Kanttekening las ik dit: “Hier toont Stefanus dat hij tegen Mozes niet leert als hij Jezus Christus predikt, dewijl Mozes zelf van Hem geprofeteerd heeft.” Met het diep ingaan op Mozes laat Stefanus dus zien dat hij niets tegen Mozes heeft. Zijn eerste beschuldigers zeiden in hoofdstuk 6: “Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.” De ­beschuldigers die daarna kwamen zeiden: “Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de ­Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.” Stefanus laat dus ook zien in dit verweer dat Mozes een goed zicht had op Jezus Christus!
Stefanus doet alsof Mozes zelf al die wonderen deed. Hij wil Mozes geen goddelijke eer geven, maar hij zoomt in op die wonderen waar tegenover het volk juist zoveel ongeloof en haat stelt!
Dat is de zonde die voor Stefanus ‘live’ werden uitgeleefd door de massa die hem naar het Sanhedrin heeft geleid. Ja, het Sanhedrin zélf betreedt met vast tred hetzelfde pad, als waarmee ze ook Jezus en al de profeten van het Oude Testament de dood in hebben gedreven.

Veertig jaar wonderen
Hoe ver kun je gaan, als je tegenover veertig jaar wonderen, hulp en zegen even zoveel jaren dwarsliggen en opstand zet? Over die veertig jaar omzwerving wilden de Joden maar liever niet te veel horen. Je mocht spreken over hun afmatting, hun ‘afzien’ en hun lijden, zowel in dorst en honger als in verdrukking van vijanden. Maar je mocht niet spreken over de oorzaak van die dingen: ongeloof en botte tegenstand. Was het niet juist deze Mozes die voor het volk had gepleit toen God dat hele zooitje had willen wegvagen?

Veertig jaar tekenen
Het waren niet alleen wonderen die door Mozes werden verricht. Wonderen staan niet op zichzelf! Daar zouden we vandaag de dag ook eens meer bij moeten stilstaan. De wonderen van genezing zijn geen doel op zich. De wonden van uitredding hebben een ander doel dan ‘lekker leven’ en ‘doorgaan met waarmee je bezig was’. Dat nare woordje ‘bekering’ (tot inkeer komen) zit er onlosmakelijk aan verbonden.
Nee, er is ook sprake van ‘tekenen’, zo zegt Stefanus. Die veertig jarige reis door de woestijn stond bol van allerlei hints en heen­wijzingen naar iets anders. Naar Iemand anders! Eigenlijk moet je zeggen dat het volk veertig jaar lang langs al die hints en heenwijzingen heen heeft geleefd. Hoeveel tekenen krijg je vandaag de dag mee van God? Niet alleen elke zondag, maar toch zeker ook juist die dag?!


Mozes’ profetieën
Wat was Mozes eigenlijk? Een prins, een generaal, een leider, een held… en ja toch ook een moordenaar! Hij was ook de kroniekschrijver van het volk Israël; zijn kronieken lezen we in Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Je zou hem ook de ‘man van de wet’ kunnen noemen. Maar kennen we hem ook als een profeet? We hebben zijn Psalm, Psalm 90, de Oudejaarspsalm. Het is die man, die zulke diepe en prachtige dingen kon zeggen over God:
“Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.”
“Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
“Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.”
“Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij ­verschrikt.”
“Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.”
“Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.”
“Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.”
“En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons”


De Messias
Hoe veelkleurig praat hij over God?! Maar luister eens wat Mozes, aldus Stefanus, zegt over de Messias! Hij zegt: “De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij…” Hij heeft dus al voorzegt dat de Messias niet een ­opzienbarend figuur zal zijn. Het zal een soort Mozes zijn. Gewoon iemand uit het volk! Let daar dus op, want voor je het weet kijk je ‘over Hem heen’ en ga je voorbij aan Zijn aanwezigheid. Dat ‘als ik’ duidt zeker ook, volgens Stefanus op de wonderen die de Messias zal doen, net als Mozes. Aan Mozes’ wonderen en tekenen hadden ze voorbij geleefd; zo zal het ook gaan met de Messias!
Johannes wist Mozes niettemin wel te ­onderscheiden van Jezus, als hij schrijft in Joh. 1:17-18 “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Er is verschil. Mozes gaf de wet van God door. Maar wat Mozes niet kon, kon Jezus: genade van God aanbrengen! En… het grootste verschil met Mozes is, dat Jezus God heeft gezien. Mozes kon het niet aan, maar Jezus wel. Sterker nog, Hij kende God door en door. Wat een verschil is dat?! Daarom was Hij bij uitstek zo geschikt om genade aan te brengen. Omdat Hij de ingrediënten van genade kende! Moet je eens over nadenken.

De Messias horen
Nog één groot verschil lijkt Stefanus hier te onderstrepen. De Messias zal even ongedacht en onverwacht komen als Mozes; eveneens uit het volk gekomen. Maar Stefanus zegt erbij: “Dien zult bij horen.” Wat bedoelt hij – en achter hem Mozes – met deze woorden? Het is zo dat Petrus deze woorden ook gebruikt in zijn Pinksterpreek. Maar ze komen niet bij de discipelen zelf vandaan. Mozes had dit inderdaad gezegd in Deut. 18. Daar stelt hij de profetie en de profeten van het Woord van God tegenover de guichelaars en alle andere afgodenpredikers. “Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen.” En Mozes zegt hier ook stellige dingen over hoe we die profetie moeten duiden: komt het uit, dan blijkt dat het het Woord van God is geweest. Als we er dan niet direct voluit geloof aan hechtten, dan toch zeker na afloop. Het is de zonde tegen de Heilige Geest als we ons verharden en die woorden van God aanwijzen als godslasterlijk. Je merkt dat Stefanus hier tussen de regels door iets aan de Joden vertelt over Jezus’ profetieën!
Het volk was juist door de wet van Mozes gehouden om de profetie te geloven en op te volgen. God had het Zelf geboden! God de Vader had in dit verband ook nog iets specifieks gezegd over Jezus, dat Petrus – als getuige van de verheerlijking van Jezus – in zijn achterhoofd moet hebben gehad, toen hij Mozes’ woorden citeerde: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!”
We hebben in Jezus niet te maken met zomaar een profeet, maar met dé Profeet, ja, met de Zoon van God; een Zoon in Wie de Vader al Zijn welbehagen, Zijn diepste genot en meest intense vreugde heeft. Zou je Hem dan niet horen?

God aanbidden
Zijn niet Jezus’ woorden bij uitstek woorden die je moet gehoorzamen? Wat heeft Hij niet allemaal gezegd over de wet van Mozes? Of over de liefde tót de Vader en de liefde ván de Vader? Hij kende als geen ander de Vader tot in het diepst van Zijn ziel. Hij kende de intenties van Zijn Vader en Hij vertelde ons erover.
In Hem hebben we enorm goed kunnen zien Wie de Vader is. Mozes heeft dat allemaal niet zelf kunnen zien en duiden. Het was de Heilige Geest Die hem daar woorden voor gaf. En het is diezelfde Geest Die Stefanus vol vuur laat preken. Reken maar dat de Joden hier iets van hebben gemerkt. Hier staat niet zomaar een man uit het volk. Hier staat niet zomaar een volgeling van Jezus, maar hier staat een profeet te prediken die Gods Woord brengt.
Ze voelden vanuit Deuteronomium 18 de klem om hier iets mee te doen. Mozes stond voor hen en stelde hen voor de keus: “Wat doe je met Gods Woord, Dat hier wordt gepreekt? Neem je het aan en buig je of verwerp je het en recht je je rug? Deze man kant zich niet tegen mij, Mozes, maar hij valt mij bij. Hij kant zich niet tegen God en Zijn wet, maar hij verkondigt die wet op Gods bevel. Dus… wat doe je?”
Je kunt je levendig voorstellen wat het antwoord werd, toen ze hun oren dichtstopten en briesend op Stefanus aanvielen. Maar voor we verder gaan lezen toch die vraag: Wat doe jij met Gods Woord? Als dat morgen, zondag, gepreekt wordt, leg je het dan aan de kant en vind je het allemaal teveel liefde en teveel Jezus en te weinig de zondige mens en zijn walgingopwekkende zondestaat? Of val je dit Woord bij en leef je op in God, aanbid je Hem nederig, heel je leven, conform Psalm 96?
Aanbidt Hem need’rig al uw leven,
Hem, die, in ‘t heiligdom verheven,
Een Godd’lijk licht van zich verspreidt;
Leer, aarde, voor Zijn majesteit,
Leer voor Zijn aangezichte beven.

vrijdag 8 juni 2018

De door de bouwlieden verworpen Hoeksteen komt in beeld


Hoofdstuk 11


En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land. Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
Handelingen 7 : 33-35

Mozes was niets in zichzelf. Hij moest voor God zijn schoenen uitdoen. Daarmee erkende hij zijn nederige plek en eerbiedigde hij God als de Overste en Rechter aller zielen. Eerbied… in onze dagen een uitgestorven begrip. Of niet?

De opbouw van de preek
Lange tijd vraag je je af wat Stefanus met deze preek beoogt. Houdt hij een lesje vaderlandse geschiedenis voor zijn luisteraars? Allerlei interessante figuren passeren de revue en Mozes spant in zekere zin wel de kroon. Maar dat hij juist Mozes uitkiest heeft een doel.
Niet Mozes’ wonderlijk geleidde leven was het uitgangspunt voor deze episode uit de vaderlandse geschiedenis. Ook niet Mozes bijna goddelijke positie! Weliswaar sprak hij persoonlijk met God en God sprak met hem zoals een man met zijn vriend spreekt. Dat boeide die ‘gelovigen’ wel erg, maar dát beoogde Stefanus niet.
Hij trekt zijn luisteraars mee in de preek. Ze zien zichzelf opgenomen worden in dit verhaal. Dit was Mozes, hún leider. En wat heeft die man niet een voorname positie gehad?! Een soort Willem van Oranje, een bevrijder. Er borrelt een soort chauvinisme boven. Ze voelden zich als volk, door God uitgekozen, heel wat!
Maar juist wanneer ze zich zo laven aan hun chauvinisme, geeft Stefanus een verrassende wending aan zijn betoog. Kun je het eigenlijk wel een preek noemen? Het lijkt haast wel een juridisch betoog! Zou Stefanus misschien zo’n achtergrond hebben gehad, als griekse Jood?
Even geeft hij een venijnige steek; wie zal het hebben opgemerkt? Want hij gaat toch nog even door op dat chauvinisme in de volgende verzen, waarin hij Mozes’ grote daden nog verder optelt.
Maar let even op die steek: “Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.”
Mozes wordt allereerst neergezet als een ‘miskende’. “Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld?” Daarmee doelt hij niet op die twee Joodse ruziemakers, maar op de houding die het volk elke keer weer jegens Mozes en ook jegens Aäron toonde. Waar baseer ik dat op? In Exodus 4 : 21 komen Mozes en zijn broer bij Farao vandaan en inmiddels zijn de instructies van Farao al uitgegaan dat het volk maar zelf stro moet gaan regelen. Ze zijn er dus op achteruit gegaan! “Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag. En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen. En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.”
“Ja, lekker zeg! Wij dachten dat jullie ons kwamen helpen, maar we zakken dieper weg in de modder van de slavernij! God zal jullie oordelen over dit geknoei!”

Eerbied voor God
Wat opvalt in Exodus 3 en Exodus 4 is dat Mozes gewend is met God te twisten. Hij is soms zelfs nukkig tegen God. Eerst wilde hij niet naar Egypte, want ja… ze zouden hem daar doden! Toen had hij allerlei smoesjes over zijn voordrachtskunst die niet op orde was. “Mijn praten zal geen indruk maken bij Farao.” Mozes kende de hofetiketten en hij wist wat hem te wachten stond. Aäron wist dat niet. Dus wat Mozes zei, sneed wel hout, maar het boeide God niet. Omdat niet Mozes, maar God een betoog ging houden. Dat is het grote verschil. En als het er dan eindelijk van komt en het volk zich tegen Mozes en Aäron keert, vat Mozes dat op als een persoonlijke afwijzing. Zijn commentaar aan het adres van God is ferm: “Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden? Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.”
Mozes doet hier niet echt onder voor het volk! Hij verwijt God snel en scherp. Is dat een herkenbare houding? Is dat een genetisch bepaalde manier van reageren, die in het Joodse volk zit? Of een trek die in alle mensen na Genesis 3 zit?
Waar is de eerbied voor God, die hij toonde bij de brandende braambos? Daar viel hij op de grond voor God en beefde. Dat zelfde bevende rietje heeft nu best een grote mond tegen God! Of is dat een te ongenuanceerde conclusie?
Zijn wij refo’s misschien te veel geïndoctrineerd door ‘eerbied’ en durven we niet met God de twisten? Met Hem in gesprek gaan en onze frustraties, visies en moeiten te bespreken? Is de zogenaamde deemoedige refo-manier van ‘geloven’ een onnatuurlijke godsdienst die gelijk is aan alle godsdiensten van de heidenen? Moeten wij misschien van de Joden leren om met God te spreken als een man met zijn vriend spreekt? Weliswaar in het besef dat we ‘stof en as’ zijn, maar toch ook onze gevoelens eerlijke uiten. Proberen we in de kerk misschien niet heel braaf tegen God te doen en schijnheilig ‘eenswillend’ met God te zijn, terwijl we diepweg heel andere gevoelens hebben? Zou God die dieper liggende gevoelens niet kennen? Houden we Hem voor de gek en proberen we met onze houding Hem gunstig te stemmen? Vind wat je vindt, maar Mozes is een open boek! Mozes is namelijk ook die man die het niet met God eens is als Hij het oordeel over het volk aankondigt. Dat vinden we toch zo’n mooie Messias-gestalte?

De Messias wordt zichtbaar
Ja, de Messias wordt zichtbaar in dit tekstgedeelte. Er komt een bevrijder en verlosser naar het volk toe, maar hun houding is “wat heb jij over ons te zeggen?” Mozes komt tot het zijne (zijn broedervolk) maar ‘de zijnen’ (zijn broeders) hebben hem niet aangenomen. Ze hebben de duisternis van de slavernij liever dan het licht. Weg met hem! Hij paste niet in hun plaatje dat zij van de Messias hadden!
Dit is de kant die Stefanus op wil met deze geschiedenis, die het volk zo goed kende. Zou het volk dat op dat moment al hebben begrepen? Stefanus is een man die constructief denkt en tijdens het preken scherp in de gaten blijft houden waar hij heen wil. Gezegend als je onder zulke predikers mag zitten, zondag aan zondag. Ook als ze dingen aanroeren die je niet zo welgevallig zijn. Die je chauvinisme onderuit halen en eerlijk voor God maken!

maandag 4 juni 2018

Als God spreekt wordt het stil


Hoofdstuk 10

En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos. Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem, zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
Handelingen 7 : 30-32

Stefanus markeert de periode dat Mozes in Madiam (Midian) was als 40 jaar. Zowel in Exodus als in Handelingen blijft het die periode ademloos stil tussen Mozes en God. De Bijbel wijdt daar geen woorden aan, maar het is wel een aangrijpende werkelijkheid! Als God zwijgt, blijft het doodstil, maar als Hij spreekt komt er leven.

Niet vergeten
Toen het onlangs onweerde, was onze jongste bang. Ik legde uit dat de HEERE Zijn stem laat horen (zoals Psalm 29 zingt) en dat Hij Zijn grootheid laat merken. Maar het is niet direct de bedoeling dat je bang wordt. De HEERE wil dat we Hem niet vergeten. “Maar dan hoeft Hij me niet zo te laten schrikken! Ik denk heus wel aan Hem,” zei hij met verontwaardigde stem.
We vergeten God zo gemakkelijk, omdat Hij Zich niet in ons leven infiltreert. De normale dagelijkse omgang met Hem in het gebed, het zingen, het overdenken en vooral het Bijbellezen is de reguliere communicatie waarvan de HEERE Zich bedient. Als je geen gebruik maakt van Zijn normale middelen, is de kans groot dat je Hem niet hoort in je leven. En als Hij dan tóch van Zich laat horen, maakt dat diepe impact! Een donderslag bij heldere hemel, als het goed is. Je gaat merken – als je tenminste iets van het leven met Hem kent – wat je mist en je gaat verlangen naar Zijn merkbare aanwezigheid in je leven.
Hoe het bij Mozes precies was, vertelt de Bijbel ons niet. Mozes zelf zwijgt er ook over in Exodus. Hij vertelt alleen dat hij naar Midian vlucht en er zijn vrouw ontmoet. Ze is de dochter van een priester en later zal blijken dat deze priester ook iets met God heeft al blijft het raadselachtig wát dat dan precies is.

God hoort
Mozes en Zippora krijgen er twee zonen. De geboorte van de eerste wordt door Mozes zo beschreven: “en hij [Mozes] noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.” Je zou zeggen: een tamelijk egoïstische gang van zaken. Zippora wordt er niet in gemoeid; dit kind krijgt een naam die iets van Mozes zelf tot uitdrukking brengt. Mozes voelt zich hier duidelijk niet op zijn plek. Speelt hij een slachtofferrol? Het blijft vaag.
Pas in Exodus 18 vertelt Mozes meer over zijn kinderen, als zijn schoonvader hem bij de berg Sinaï bezoekt: “Zo nam Jethro, Mozes’ schoonvader, Zippora, Mozes’ huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had), met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land); en de naam des anderen was Eliëzer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao’s zwaard. Toen nu Jethro, Mozes’ schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had, zo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.”
Schreef Mozes eerst nog ‘Ik ben een vreemdeling geworden, later schreef hij dus ‘Ik ben een vreemdeling geweest. Die andere toonzetting vinden we ook in de naamgeving van zijn jongste zoon terug. Al is het niet duidelijk wanneer hij dit zo schreef: bij de geboorte of pas nadat hij uit Egypte is weggetrokken met het volk. Dus na de vervulling met de Heilige Geest Die hem vaardig maakte om naar de nieuwe Farao te gaan en hem te confronteren met zijn harde hart.
In ieder geval laat Mozes in zijn zoon Eliëzer iets zien (of horen) over God: Hij is mij tot Hulp geweest en heeft mij verlost. God heeft gehoord en heeft ongezien naar hem. En precies dat is ook aan de orde, ten opzichte van het volk. Als Mozes aan het einde van Exodus 2 schrijft over de geboorte en naamgeving van zijn zoon Gersom, staat er direct achteraan: God hoorde het klagen van Zijn volk, God dacht aan Zijn verbond en Hij kende Zijn volk!

God komt in actie
Hoe gaat God daar ‘handen en voeten’ aan geven? Gaat Hij met Zijn verderfengel naar beneden en doodt Hij het hele Egyptische volk, zoals Mozes deed met die slavendrijver? Mozes meende de Messias, de Verlosser, te zijn. Dus is zijn optreden ook het beeld dat mensen moeten krijgen van een Verlosser: grof geweld, de botte bijl, dood en verderf… uitroeien die hap!
Gaat God zo te werk? Achteraf gezien zou je misschien zo iets kunnen denken, als je de tiende plaag uit zijn verband rukt. Echter, daar ging een lange weg aan vooraf! Zijn optreden begint in de woestijn met een ontmoeting van de man die denkt te zijn uitgeschakeld, maar die God heeft uitgekozen om deze grote taak te gaan uitvoeren. Was Mozes dus de meest perfecte persoon om deze klus te klaren? Wat God onder de indruk van Mozes durf en kracht? Is Mozes de man naar Gods hart? God zegt er niets over maar zijn zwijgen hierover is veelzeggend!

Mozes’ sollicitatiegesprek
In het normale leven solliciteer je op een vacature en bied je jezelf aan. Je noemt je pluspunten en als het goed is ook je min- of leerpunten. En dan is het oordeel aan de man of vrouw achter de tafel of ze met je verder willen of niet. Maar soms wordt je uitgenodigd voor een gesprek over een ontstane vacature. En dat is er in dit deel van de preek van Stefanus aan de hand.
Mozes schreef in Exodus 2 dat de Farao (eigenlijk zijn pleegopa) stierf; deze Farao had hem willen doden, omdat hij zich misdragen had jegens een personeelslid van zijn organisatie.
Als je gevraagd wordt voor een gesprek kan het zijn dat je je vereerd voelt. Je denkt misschien wel: ze zien zeker iets in mij, waardoor ze een gesprek willen. Maar dat beeld gaat bij de geschiedenis van Mozes bij de brandende braamstruik finaal onderuit. Mozes wordt getriggerd door een brand in een struik. Niet zozeer dat zo’n brand vreemd was. Het is er smoorheet en droge dingen vatten makkelijk vlam. Maar hij zijn aandacht wordt getrokken doordat die brand niet snel uitgaat. De struik wordt niet verteerd door het vuur! Mozes kende het woestijnleven inmiddels heel goed. Dit opmerkelijke voorval kwamen niet overeen met zijn ervaringsdeskundigheid.
Hoe groot is de schrik, wanneer hij dichterbij komt en ontdekt dat dit geen gewoon vuur is. Het is de Engel des HEEREN, Die zich openbaart in deze struik. Vuur! Geen toevallig symbool!
De interesse die Mozes aanvankelijk had voor deze brandende struik, slaat om in angst. Hij valt bevend op de grond en durft niet langer naar de vlammen te kijken. De vraag die bij me bovenkwam is: werd Eliëzer na of vóór dit fenomeen geboren? Is dit het moment geworden waarop Mozes voor het eerst weer iets van God ervoer in zijn leven? Is deze ontmoeting met de Eeuwige voor Mozes een bekering geworden? Of is dit een vervolgfase in zijn leven met de God van zijn voorouders Abraham, Izak en Jacob? Mozes stamde uit Levi en elke Israëliet had weer andere roots, maar zij hadden allen drie gemeenschappelijke voorouders: Abraham, Izak en Israël (Jacob).

God spreekt
Mozes weet direct Wie hij voor zich heeft. Het is echter zeer merkwaardig wat we in het vervolg lezen, wanneer Mozes naar het volk moet gaan. In Exodus 3 : 13 lezen we: “Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?”
Dat is toch raar? Mozes wist direct Wie God was, toen Hij zei: “Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs.” Maar wanneer God tegen hem zegt: Jij moet naar je volk gaan en zeggen dat Ik je heb gestuurd, komt Mozes met die tegenwerping: maar ze zullen naar Uw Naam vragen; wat moet ik hen dan zeggen? Begrijp je waarom dit voor Mozes een probleem is?
Een nog interessantere vraag is: zou het volk echt naar Gods naam hebben gevraagd? Ze wisten toch wel Wie de HEERE was? Ze kenden Hem toch als de God van het verbond, de God van Abraham, Izak en Jacob? Kende Mozes zijn eigen volk wel? Hij had toch nooit een van zijn volksgenoten gesproken? Was het misschien omdat Mozes zelf in Egypte was opgegroeid met allerlei goden. Zat het probleem dus niet zozeer bij het volk, maar meer bij Mozes? Ik denk van wel.
Waarom? Kijk maar verder in het vierde hoofdstuk van Exodus. Mozes vertelt aan zijn schoonvader dat hij zijn ‘broeders’ wil gaan bezoeken in Egypte. Jethro laat zijn schoonzoon gaan en Mozes neemt zijn vrouw en zonen mee. Onderweg overnachten ze in een herberg. God komt hem daar ‘tegen’ en wilde hem doden. Dat had te maken met het feit dat Mozes zijn zonen niet had besneden. Mozes kwam in het nauw en zijn vrouw voert als enige vrouw in de geschiedenis de besnijdenis uit! Daarmee is God tevreden. Te meer opmerkelijk daar er hier sprake is van een ‘vrouw in het ambt’!
Later op de reis, komen ze bij de Berg van God, de Sinaï en daar wordt Mozes bevestigd in zijn roeping: Aäron komt hem daar tegemoet en ze omhelzen elkaar. Bedenk even dat Aäron zijn broer al tachtig jaar niet heeft gezien! Hij heeft zijn broer nooit bewust meegemaakt. Toch herkent hij hem. Dit zou er op wijzen dat hij Mozes heeft gekend als ‘die generaal in het leger van Egypte’. Dat moet het verhaal zijn geweest dat in de familie werd rondverteld. De broers herkennen elkaar ook door het werk van de Heilige Geest, Die herkenning creëert tussen broeders!

God kennen
Maar let dan op wat er gebeurt, als ze bij het volk komen en de oudsten (de voormannen of zo je wilt de ouderlingen) uitnodigen voor een vergadering. “En Aäron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks. En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israëls bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.”
Het volk lijkt hier direct te weten Wie de HEERE is. Daarover is geen discussie maar pure ootmoed en aanbidding. De onkunde zat dus echt bij Mozes. Hij had slechts een heel beperkte visie op de God van zijn voorvaderen, omdat hij de eerste veertig jaar van zijn leven geen enkel nader onderwijs over God had ontvangen. Ik vermoed dat zijn schoonvader hem meer heeft verteld over de HEERE. Het blijft een raadsel wie en wat Jethro precies was, maar Mozes moet het getroffen hebben met zijn schoonvader. En eigenlijk ook met diens dochter, zijn vrouw Zippora!
Ik had erbij willen zijn toen Mozes God persoonlijk ontmoette. Wat zal er precies door hem heen zijn gegaan? Hoe heeft de HEERE zijn hart geraakt. Het zou ook mijn hart hebben geraakt.
Die bevende houding van Mozes – ik vertelde dat ook aan onze jongste zoon – heeft Mozes ook leren nuanceren. Zeker, hij bleef diepe eerbied voor God houden. Maar er kwam jaren later ook het moment waarop hij de ‘brutale’ vraag aan God stelde: Toon mij nú Uw heerlijkheid!” Niet als een bevel, maar als een diepe wens om zo dicht mogelijk bij God te zijn. Hem in de ogen te kijken. Dat heeft Mozes ook leren vragen in zijn leven. Een hartelijk wens om intimiteit met de HEERE. Is dat niet bij uitstek een heerlijke wens in een voorbereidingsweek voor het Heilig Avondmaal? Maar is dat eigenlijk niet een wens die elke dag van ons leven zou moeten stempelen? Want dat moment gaat aanbreken! Dan wordt het echt stil. Dan zullen we Hem zien zoals Hij is! Dan kijkt Hij mij in de ogen, zonder dat ik mijn ogen hoef neer te slaan. Dan kijk ik Hem in de ogen en kijk in een zee van barmhartigheid en overweldigende liefde. Herken je dat?

woensdag 30 mei 2018

Rechter spelen; verdachte worden

Hoofdstuk 9

Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken. En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt? En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.
Handelingen 7 : 23-29

De Bijbel waarschuwt ons om niet op plekken te komen waar we in verleiding worden gebracht. Is dat hier aan de orde? Eveneens wordt ons geleerd dat we een voorbeeld moeten zijn voor ongelovigen; faalde Mozes hier met zijn actie? Wegvluchten is meer dan eens een bewijs dat je (mede) schuldig bent. Wat is het verschil tussen Jozef en Mozes?

In een notendop wordt ons een van de dieptepunten in Mozes’ leven getekend. Hij moest zijn land, status en luxe leventje achterlaten en vluchten voor zijn leven. Werd hij, net als Jezus, onterecht slacht­offer van mensen die zijn welmenende bevrijdingspogingen niet begrepen?



De ingeving
Stefanus beweert dat het pas na veertig jaar bij Mozes ‘in zijn hart kwam’ om zijn broeders te bezoeken. Dat blijven vooral vage bewoordingen die niet terug te vinden zijn in het Oude Testament. Mozes zelf schrijft erover: “… toen Mozes groot geworden was …”. Hij stelde dat bezoeken van zijn broeders ook niet tot doel, maar het zien van hun lasten, hun verdrukking.
Daaruit kun je concluderen dat hij zich al langere tijd bewust was een Hebreeër te zijn, maar dat hij te horen kreeg dat juist dát volk zo enorm werd onderdrukt. Mozes werd als kind in bad gedaan en zijn verzorgster moet hebben gezien dat hij besneden was. Hij is vast ook weleens tegelijk met andere kinderen in bad gegaan of merkte bij sportieve activiteiten dat hij anders was dan de Egyptische jongeren. Ook hij heeft in die Egyptische tijd geleerd (of ondervonden) dat er een verschil was tussen meisjes en jongens en dat er ook een verschil was tussen besneden jongens en onbesneden jongens. Dat moet hij al veel eerder hebben ontdekt dan in zijn veertigste levensjaar!
Het blijkt vooral de onderdrukking van het volk van Israël te zijn die iets in hem heeft wakker gemaakt. Hij wil er nu zelf weleens iets van zien. Zou het écht zo erg zijn? Misschien is hij al die tijd al bij dat volk weggehouden door de prinses en het personeel dat ervan op de hoogte was. Maar zoals dat met veel adoptiekinderen gaat: er komt een ­moment dat je wilt weten waar je vandaan komt. Niet eens in de eerste plaats om weg te open, maar om te weten wie jezelf bent! Dat vormt dus de achtergrond waarom het ‘in zijn hart kwam’. Die ingeving kwam vanuit zijn roots! En… door de Heilige Geest.

De reactie
Hoopte hij dat het allemaal wel zou meevallen? Exodus zwijgt over Mozes’ innerlijke gevoelens, voordat hij ging kijken. Je kunt er hooguit naar gissen.
Mozes heeft een gelegenheid gezocht om ‘ongezien’ in Gosen terecht te komen. Het lijkt me niet eens zo gemakkelijk om dat ongezien te doen, als je zo’n hoge positie aan het hof hebt. Er zullen altijd bewakers bij hem zijn geweest die hem beschermden; ze vormden tegelijk ook zijn statussymbool. Het is niet bekend of de prinses nog leefde (of was zij ­inmiddels zelf doorgeschoven naar de regering?), maar het zou best eens zo kunnen zijn dat zij overleed toen Mozes ongeveer 40 jaar was. En dat dit overlijden juist de aanzet is geweest om op ­zoek te gaan naar zijn roots.
Hoe schokkend is de confrontatie met het harde leven van zijn broeders! Het is dus tóch waar dat ze onderdrukt werden! Wat slaven waren en hoe die werden behandeld wist Mozes ongetwijfeld wel. Ook aan het hof waren slaven en die zullen niet helemaal ‘vorstelijk’ ­behandeld zijn. Wellicht werden ze niet vernederd, maar wel tweederangs behandeld. Ze zullen een bijzonder onderdanige houding hebben aangenomen, harde woorden hebben moeten verduren en zwijgend hun werk hebben moeten doen. Maar wat Mozes hier in Gosen ziet raakt hem enorm. Natuurlijk ook vanuit de bloedband met zijn volk. ­Ongetwijfeld ook vanuit zijn mensbeeld, dat in een goede Hebreeuwse opvoeding is aangeleerd. Elk mens is een schepsel van de Eeuwige en draagt iets van Zijn beeld.
Mozes’ bloed kookt in een ommezien. Dit raakt hem diep en hij staat op de tweesprong: weglopen of ingrijpen. Juist dat ingrijpen lijkt de meest eerlijke en enig mogelijke wijze van handelen. Hoe hij dat heeft gedaan blijft onduidelijk. Sprong hij ertussen en ving hij de slagen op? Of greep hij de Egyptenaar van achteren beet en rukte hij de zweep uit zijn hand?

De moord
Wat ik als kind kind mij altijd afvroeg bij deze geschiedenis: hoe heeft Mozes dit zo ongezien kunnen doen, als er zoveel slavendrijvers waren op deze bouwplaats? In gedachte zag ik een duin van zand voor me, waarachter dit plaatsvond. Het helmgras wuifde in de zinderende woestijn­wind. De andere slavendrijvers in de buurt waren net even met wat anders bezig. Maar de volgende vraag was: hoe heeft hij zo snel een heel mens onder het zand kunnen begraven, ongezien? Ik heb er nog steeds geen antwoord op, merk ik. Maar deze geschiedenis zet me wel aan het denken. Heeft Mozes deze man echt in een opwelling doodgeslagen? Dan moeten veel meer mensen het hebben gezien. Zeker die Hebreeër die door deze slavendrijver werd mishandeld. Zou het niet zo zijn, zoals Kaïn zijn broer mee nam naar het veld? Mozes had de positie van een generaal. Deze slaven­drijver stond ver beneden hem in rang. Hij had hem ter plaatse kunnen sommeren te stoppen met die brute geweld en de man had moeten gehoorzamen.
Wat nu als Mozes de beelden van die mishandeling in zijn brein opsloeg? Dat hij daarover heeft lopen broeden en de slavendrijver later die dag even apart heeft genomen, buiten het bouwkamp. Wellicht zijn ze nog even in gesprek geraakt over hun visie op de behandeling van dit volk. Lang zal dat niet hebben geduurd. Mozes stond op tegen die man, die geen schijn van kans had tegenover hem, de getrainde militair. Mozes had die zweep helemaal niet nodig. Hij was een gespierde strijder die door zijn imposante corpus angst inboezemde bij zijn tegenstanders. Zijn ferme spierbundels draaiden de nek van deze man met gemak in een hoek die compleet ongezond was voor een mens. De zogenaamde heldendaad had weinig met geloof te maken. Het was meer een moord met voorbedachte rade!

De confrontatie
Mozes zelf beschrijft deze daad nogal omzichtig. Hij zegt dat hij om zich heen keek om te zien of er iemand in de buurt was. Maar hij verzwijgt de scene waarin dit gebeurde. Was het te midden van drukte op de bouwplaats? Onmogelijk! Was het midden op de dag, op een rustig moment? Of was het toch in het schemerdonker, vlak voor de woestijn aardedonker werd?
Dat maakt namelijk uit. Doe je dit stiekem en zonder dat de betrokken persoon erop bedacht is, dan is de misdaad groter. Doodslag in een opwelling na een ruzie wordt minder zwaar aangerekend dan een weloverwogen moord. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik van dat laatste overtuigd raak.
De volgende dag gaat Mozes weer kijken. Waarom? Is hij de crimineel die terugkeert naar de plaats delict om te zien wat er gebeurt? Veinst hij dat hij er niets mee te maken heeft? Kijkt hij of zijn actie zoden aan de dijk heeft gezet? Of zint hij op meer wraak? Het is niet ondenkbaar dat het dat laatste was. Juist daarom is hij zo gebelgd als hij twee van zijn volks­genoten met elkaar ziet vechten.
De woorden die hij op dat moment uitspreekt worden nogal eens erg zalvend beschreven en neergezet als oprechte en voorbeeldige woorden. Maar is dit niet juist heel schijnheilig? Is zijn woede over dit gedrag niet een woede omdat dit zijn eigen gekozen bevrijdingsactie ondermijnt? Het antwoord van de Hebreeën is een klap in Mozes’ gezicht. De grote mond – die hij zo had kunnen laten zwijgen vanuit zijn positie als Egyptisch generaal – doet hem zijn eigen mond dichtklappen van angst. Wat zagen deze twee kemp­hanen in Mozes? Een collaborateur of toch een bedreiging? Het botte antwoord van een van de Hebreeën was risicovol, dat is wel duidelijk: “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt?” Het had inderdaad zijn dood kunnen worden. Zeker, omdat hij oog in oog met een moordenaar stond.



De vlucht
Dat antwoord is vreemd. Hier zegt een slaaf van de Egyptenaren tegen nota bene een Egyptenaar: “Wie heeft u boven ons geplaatst?” Of hij het nu fijn vond of niet: dat de Egyptische slaven­drijver boven hem stond, was buiten kijf. De Hebreeër zal dat vreselijk hebben gevonden, maar hij moest er maar mee leven. Maar dat deze man, Mozes, zich boven hem verhief riep vragen bij hem op. Mozes was een ‘Egyptenaar’ dus die stond sowieso boven deze slaaf. Onterecht of niet; het was een feit. Waarom zou hij dan toch zo reageren?
Zouden deze mannen Mozes en zijn ‘geheim’ kennen? Zou onder de Hebreeën bekend zijn geweest dat er een joods jongetje opgroeide in het Egyptische paleis? Zou dát kwaad bloed hebben gezet? Misschien wel zonder dat Mozes dat heeft geweten. Het lijkt er sterk op dat deze mannen Mozes hebben gekend of herkend en dat zij hun antipathie tegen deze ‘geluksvogel’ op hem uitspuwden. “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?” Zou dat niet een wrevelwoord kunnen zijn richting God? Waarom worden wij als Uw volk zo onderdrukt en leidt deze kerel een lekker leventje. Is dat niet erg oneerlijk?
De werkelijke ondertoon van deze woorden moet aan Mozes voorbij zijn ­gegaan. Hij begreep maar al te goed dat dit heel gevaarlijk voor hem kon uitpakken. Of… heeft hij de ondertoon juist heel goed begrepen? Zullen zijn ‘broeders’ nu met de Egyptenaren gaan samenspannen tegen hem? De geslagen hond zal blijven zoeken naar een moment waarop hij zelf ook een keer kan ‘heersen’ en ‘terugbijten’. ­Ongeacht of het de juiste persoon is. Dat geldt niet voor alle mensen gelukkig, maar diepweg zit er zelfs in het meest heilige kind van God een oude mens die het woord ‘wraak’ prima kan spellen.

De messias




Het is pure angst die Mozes doet zien dat zijn situatie hier onhoudbaar is geworden. Hij vlucht niet weg zoals Jozef wegvluchtte voor de zonde. Hij vlucht weg uit angst voor de gevolgen van zijn daad. En juist die angst doet mij de vraag stellen: maar wat was dan zijn diepste motief om zijn broeders te gaan bezoeken? Meende hij zelf de ‘Messias’ te zijn? Hij moet hebben geweten dat er een Messias zou komen.
Slaat Stefanus hier niet de spijker precies op zijn kop als hij preekt: “…hij (Mozes) meende, dat zijn broeders zouden ­verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.” Gaat Mozes hier niet heel dicht langs het randje van de afgrond? Hoe fout kan dit aflopen!
Hoe anders kwam Jezus, de enig juiste Messias, naar deze aarde, waar Hij zich moest bewegen tussen vijanden. Zij die door Hem moesten worden verlost, zinden op Zijn dood. Hij heeft werkelijk alles welgedaan, tot vele cijfers achter de komma, maar wij moesten Hem niet! Waarom? Omdat Hij aan het licht bracht, wat wij liever in het donker hielden of wat wij liever begraven hielden onder het zand. Hij zou het aan de orde brengen, maar wij zeiden: “Wie heeft U tot een Overste en Rechter over ons gesteld?” Herken je je in deze vijanden? Dan ben je op en top mens. Juist voor dit soort types kwam Hij!
Jezus had oneindig veel geduld. Mozes had alle know-how op organisatorisch gebied die afgelopen veertig jaar aan boord gekregen. Hij kon een leger aanvoeren en in stelling brengen. Hij kon afgematte en uitgehongerde strijders erdoorheen trekken en ze aanvuren om vol te houden. Je zou zeggen: hij was er klaar voor om zijn volk te bevrijden. Maar er moest nog één bijscholingscursus plaatsvinden in de woestijn: geduld met een wederstrevig volk.
Het is Mozes nooit echt helemaal gelukt. Er moest een Jozua aan te pas komen… en ook die redde het niet. Dé Joshua (Yeshua Hamashiach) moest komen, Die Zijn volk in het Beloofde Land zou binnen­voeren. Wat vind je van die Messias? Het is Hem wél gelukt om Zijn volk te bevrijden!

Preken met accent- en interpretatieverschillen

Hoofdstuk 8


In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon. En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
Handelingen 7 : 20-22



Als je preken naast elkaar legt – dat kan gevaarlijk zijn – zie je soms mooie overeenkomsten en ook bijzondere verschillen. Als we dit stukje van de preek van Stefanus leggen naast de preek van Paulus in ­Hebreeën 11, dan zien we dat hij ook van Jozef naar Mozes springt. Maar stilstaat bij enkele ándere details.

Broninterpretatie
Wetenschappers zweren bij ‘bronnen’ die hun theorieën kunnen onderbouwen. Wie geen bronnen kan noemen, heeft geen ‘poot’ om op de staan. Maar wanneer je een bron hebt, hoe interpreteer je die? Ook daarover zijn grote discussies. Zelfs de Bijbel is onderhevig aan zulke discussies en daarom is er binnen de kerk zoveel verdeeldheid, omdat ieder zich beroept op het Woord, maar er zijn eigen waarheid mee creëert. Als je Exodus leest of de brief aan de Hebreeën, merk je verschillen in interpretatie. En als je daar dan weer jouw interpretaties op loslaat, krijg je helemaal grote verschillen! Laten we eens zien wat Paulus en Stefanus doen met Exodus.
We gaan uit van de beschrijving zoals Mozes ons die geeft in Exodus. Hij zal zijn kinderjaren en jeugd van zijn ouders hebben doorgekregen, maar later zullen ook Aäron en Mirjam, waarmee hij pas vanaf zijn tachtigste optrok, zijn vroege geschiedenis hebben ingekleurd met hún herinneringen.
Daar sta je misschien niet zo snel bij stil, maar Mozes heeft net zo’n leven gehad als elk adoptiekind. Pas op latere leeftijd ontdek je dat je een andere oorsprong hebt, dan het milieu waarin je bent ­opgegroeid. Zijn moeder, de prinses, bleek een adoptiemoeder te zijn. En dat hij altijd voelde dat hij ‘anders’ was bleek te kloppen. Maar wie was hij echt? En wie zijn zijn bloedverwanten? Zie welke kater hij krijgt als hij ‘zijn broeders’ bezoekt en helpt!

Stefanus (Handelingen 7)
20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.
22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de ­kinderen Israëls, te bezoeken.
24 En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
25 En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, ­zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?
27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den ­Egyptenaar omgebracht hebt?
29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.


Paulus (Hebreeën 11)
23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie ­maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.
24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden;
25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te ­worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;
26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke.


Mozes (Exodus 2)
2 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.
3 Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij leide het knechtje daarin, en leide het in de biezen, aan den oever der rivier.
5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.
6 Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreën!
9 Toen zeide Farao’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.
10 En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao’s dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.
11 En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.
12 En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand.
13 Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste?
14 Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!
15 Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Farao’s aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.


Accentverschillen
 Zijn alle verschillen in de Bijbel bewijzen dat Gods Woord niet klopt? Zeker niet! Het zijn vaak accentverschillen, dienstbaar aan de boodschap die men ermee wil geven. De geschiedenis kennen we, maar kijk naar dit detail… het zegt ons dat…
We zien dat Mozes van zijn moeder of zus heeft gehoord dat men hem ‘schoon’ vond. Paulus neemt dat ook over, maar Stefanus zegt ‘uitnemend schoon’ wat kan worden vertaald met ‘goddelijk schoon’!
Mozes zwijgt over zijn opleiding aan het hof. Alleen dat de prinses hem haar zoon noemde en hem de naam ‘Mozes’ gaf. Dat was overigens niet zijn hebreeuwse naam! Paulus zegt dat hij weigerde om haar zoon te worden genoemd. Dat is het adoptiekind dat zich gaat oriënteren op zijn werkelijke afkomst en zijn biologische ouders. Maar weigeren is wel een te sterk woord, want hij heeft het goed gehad aan het hof en werd er zelfs generaal! Paulus blijft bij het contrast tussen ‘zonde’ en ‘wereld’ en laat Mozes zich distantiëren van dit decadente leven. Loochent hij daarmee dat Mozes intellectueel en staatkundig is ontwikkeld door God, om straks Zijn volk – een grote mensenmassa – door de woestijn te loodsen? Nee, dat niet, maar je krijgt wel het gevoel dat hier de concrete geschiedenis wat wordt ­vertekend voor een ánder doel.
Paulus verzwijgt ook Mozes’ moord­aanslag op de Egyptische slavendrijver. Hij wil van hem geen zeloot maken; geen geus, of verzetsstrijder, zouden wij zeggen.
Hij richt zich meer op de daden die Mozes in het geloof deed. Maar… slaat hij dan niet een beetje door, wanneer hij zegt over Mozes: “Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke”? Maakt hij Mozes daarmee toch niet, onbedoeld, tot een zeloot die zijn moord begaat vanuit een ideologie om zijn eigen volk boven anderen te stellen? Dat gevaar is er zeker en Paulus is zelf ook zo’n extremist geweest in zijn ‘eertijds’. Als mensen dat vandaag de dag tegen je zeggen, mag je daar zeker wel wat toegeeflijk in zijn: hier was Mozes net zo min op zijn plek als Jacob toen hij loog tegen zijn vader Izak!
Als er dan vervolgens staat dat Mozes ‘zich overeind hield door te zien op de Onzienlijk God’, dan is het begrijpelijk dat mensen soms afhaken. Al vergeten ze dat hier twee verschillende gebeurtenissen worden bedoeld: de vlucht van Mozes na de moord (met vrees) was een andere dan de exodus, waarbij Mozes inderdaad niet meer vreesde voor de koning van Egypte!
De woorden in de ­Hebreeënbrief zijn geen betoog naar ongelovigen, maar een stimulans voor gelovigen. De boodschap is niet ‘ik vertel je precies wat er is gebeurd’, maar ‘kijk, zo gingen gelovigen er vroeger ook al mee om!’
Over accent- en interpretatieverschillen kun je eindeloos discussiëren. Maar als je die verschillen uit hun context haalt mis je de boodschap die werd bedoeld! Dan mis je ook de boodschap van de Heilige Geest, Die je iets wilde leren.

Was was Mozes’ echte naam?

De prinses heeft Mozes willen claimen door hem ‘mijn zoon’ te noemen en hem zelfs van zijn identiteit te beroven door hem een ‘nieuwe naam’ te geven.
Over de naam ‘Mosje’ en ‘Mozes’ is al heel veel nagedacht. Op Christipedia kun je lezen: “De naam ‘Mozes’ ontving hij van Farao’s dochter en betekent ‘uitgetrokken’, indien ontleend aan het Hebreeuwse werkwoord ‘mashah’ (= uittrekken), of de naam betekent ‘uit het water gered’, indien ontleend aan de Egyptische ­woorden ‘mo’ (= water) en ‘yses’ (= gered, behouden), ‘uit het water gered’.”
Echter, op Wikipedia wordt de vinger gelegd bij de onwaarschijnlijkheid van deze taalkundige constructie: “De naam Mozes werd afgeleid van het Egyptische werkwoord ‘mś’ / ‘mśj’ (“dragen”). Het is een verkorte vorm van de Egyptische naamvorm zoals Toetmosis “geboren uit Thot”, waarbij het element dat de god benoemt, is weggevallen en betekent dus letterlijk: “geboren uit [een naamloze god]”. In de Hebreeuwse Bijbel is de herinnering aan de Egyptische herkomst van de naam overgeleverd in het verhaal waarin de dochter van de farao het kind een naam geeft, waarbij haar een etymologie in de mond wordt gelegd die teruggaat op de Hebreeuwse stam mšh ­(“uittrekken”): “ik heb hem uit het water gehaald”. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat een dochter van de farao kennis van Hebreeuwse etymologie zou hebben; mogelijk berust deze herkomst op een legende. Bovendien kan objectief worden vastgesteld dat de context strijdig is met deze etymologische herleiding, die een passieve vorm van het werkwoord mšh is, die de betekenis “die [er]uit getrokken werd” doet verwachten. Ook werd Mozes nergens aangeduid met de uit de morfologie volgende betekenis “de [er]uit trekkende”.”

Blijkbaar is de zogenaamde wetenschapper niet voldoende op de hoogte van de Bijbel. Want er zit wel degelijk een lijn in dat ‘uit het water trekken’ en het ‘uit het slavenhuis trekken’. Gods Woord serieus nemen is wat anders dan ‘elk detail kloppend en passend krijgen’. De Heere Jezus wijst tot slot op dit probleem in Johannes 5: “44 Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt? 45 Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. 47 Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?”

De grote vraag blijft: wat doe ik met Gods Woord? Geloof ik het van kaft tot kaft of gebruik ik liever een ‘leesbril’ zodat mijn verstand het kan plaatsen? De Bijbel lezen zonder geloof is onmogelijk. Dan ontgaan je duizenden details die zo enorm essentieel zijn! God ontgaat je dan…

zaterdag 11 april 2015

Een niet af te wentelen steen

"En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?"
Markus 16 : 3

Iemand twitterde afgelopen dagen: "Met een coach in de sportwereld kan ik leven, maar kan die wildgroei aan coaches in de rest van de samenleving eens stoppen." Ik twitterde terug: "Coaches zijn het gat in de markt van de menselijke onzekerheid." De geëmancipeerdheid van (met name van de vrouwen in) onze samenleving, brengt haarfijn aan het licht hoe zeer we afhankelijk van elkaar zijn; hoe goed het is om geholpen te worden. Hier zien we drie vrouwen die eerlijk durven toegeven dat ze het zelf niet redden. Zelfs niet met hun drieën.

Tranen om een niet af te wentelen steen

Die vraag om hulp bij het afwentelen van een steen, zijn we al eens eerder in de Bijbel tegengekomen. Met name bij een put. Zo waren er de dochter van Jethro die water kwamen putten (Exodus 2), toen de vluchteling Mozes daar zat. Net op het moment dat ze wilden putten lezen we: "Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, en verloste ze, en drenkte haar kudden." 
En dat was niet de eerste keer. Voorvader Jacob was ook iets dergelijks overkomen. Ook moest vluchten en we vinden hem op een gegeven ogenblik bij Haran (in Mesopothamië) eveneens bij een put. We lezen daar in Genesis 29: "En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put. En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats." Deze laatste woorden zeggen niet dat op dat moment de put werd geopend, maar dat ze dat gewend waren zo te doen. Want ook zij liepen tegen het probleem op dat ze de steen niet zelf konden afwentelen. Als Jacob met de herders aan de praat raakt vraagt hij  zijn oom Laban nog leeft. De vertellen hem dat Rachel er zometeen wel aankomt om haar schapen te laten drinken. En lees dan eens verder: "En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve. Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken. Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin. En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder. En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende."
Het beeld dat Jacob de steen afwentelde en de schapen te drinken gaf, ervaarde ik als een bijzondere lijn in de schrift naar de Opgestane Heiland. Dat is wat er aanstonds gaat gebeuren. Er komen drie vrouwen aan, in het vermoeden een dood graf te bezoeken, waarin hun geliefde Jezus ligt. Niet voor mogelijk houdend wat hun te wachten stond: een levende Jezus Die hen met open armen ontvangen zou. Zou het ook zo zijn geweest als bij Jacob: "Toen Hij hen zag hief Hij Zijn stem op een weende"? Dat was (ook in het geval van Jacob) geen pijn en verdriet, maar van blijdschap over een heerlijk weerzien. De tranen die bij de vrouwen in de ogen opwelden, waren op dit moment nog tranen van verdriet. Maar als Hij hun ogen opent, zal Hij in die zin de tranen niet van de ogen afwissen, maar verwisselen voor vreugdetranen.

Waarschuwing voor een niet af te wentelen steen

Hij, de Opgestane, is bij machte van stenen harten vlezen, harten te maken. Hij laat je vragen dat oude, steenharde hart aan Hem te geven. En het is niet om het even wat je met die uitnodiging doet. Zelf sprak Jezus over Zichzelf in Mattheüs 21 (en ook in Markus 12 en Lukas 20): "Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt. En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. En als de overpriesters en Farizeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet."
Jezus is de Fundamentsteen bij uitstek. Maar wie niet op Hem wil gebouwd worden, zal door deze Steen worden worden vermorzeld. En let er eens op dat de Farizeeën haarfijn doorhadden dat Hij hén bedoeld. Jezus' boodschap treft altijd Zijn doel; ze waren niet te verontschuldigen. Dat is vandaag nog zo! Als deze Steen op je valt, zal dat een niet af te wentelen steen blijken te zijn! Tot in eeuwigheid. Aangrijpend, vind je niet? Dat risico wil je toch niet lopen?
Want nog een keer neem ik je mee naar de afgewentelde steen. Straks zal daar een engel op gaan zitten en hem gebruiken als een preekstoel van waaraf het Evangelie van vrije genade mag klinken! Morgen gaan Gods dienaars met diezelfde missie op pad. Ze zullen hun plek op de preekstoelen – of waar dan ook – weer innemen en ze mogen Gods mond zijn, alsof God door hen bidt: "Laat je met Mij verzoenen." Is het er al van gekomen? Dan kijk je evenzeer uit naar morgen. Want bekering is dagelijks nodig en wedergeboorte is geen eindstation. Je hart gaat uit naar de Opgestanen, om Zijn stem weer te mogen horen. Dan leeft je hart op en wellen wellicht tranen in je ogen of hart op. Tranen van liefde en verlangen. Tranen van herkenning en verwondering: "Ja, Zulk Een is míjn Liefste!"

zaterdag 7 februari 2015

Hoe zal ik überhaupt verschijnen voor God?

"En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk."
1 Koningen 19 : 13a


Zijn we nog wel voldoende doordrongen van Gods heiligheid? En zo ja, is ons leven dan ook een heilig leven?


Hoe zul je God kunnen ontmoeten, als zondaar? Ik hoop dat je aanvoelt dat dat niet zomaar gaat. De joden hadden daarvoor een heel duidelijk illustratie in de tabernakel en de tempel: het voorhangsel, dat dikke gordijn dat scheiding maakte tussen God en zondaren. Zelfs geheiligde priester moesten afstand bewaren; enkel de hogepriester, nadat hij zich gereinigd en geheiligd had, mocht eenmaal per jaar in het Heilige der Heilge komen. Heb ik het mis, dat we dat best wel kwijt zijn in onze cultuur en tijd? Sterven is God ontmoeten, maar we stellen het toch niet tot dát moment uit om Hem onder ogen te komen?

Onderwonden

Toen Abraham sprak met de drie 'mannen' die bij hem op bezoek kwamen, onderweg naar Sodom en Gomorra, gebruikte hij een merkwaardig woord: "Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben" (Genesis 18 : 27 en 31). Dat woord komt slechts in Handelingen 19 nog een keer voor, waar duivelbezweerders de Naam van Jezus gebruiken, zonder er in te geloven.
Dat woord 'onderwonden' intrigeerde me vroeger al. Ik zag het heel concreet voor me, dat Abraham een doek om zijn onderlichaam wond, uit diepe eerbied voor de heilige God. Tot ik leerde dat het woord iets totaal ander betekende: ondernemen of aandurven, zo je wilt lef tonen, maar wat Abraham betreft wél met eerbied gemengd. Hij had het aangedurfd om met de HEERE te spreken. En dat liet God toe.
We lezen niet dat Abraham op de aarde viel en zijn gezicht bedekte voor de Heilige God. Hij keek met eerbied de twee engelen na en zag de HEERE naar de hemel terugkeren. Na verloop van tijd keerde hij zich om en liep terug naar zijn tent, bij Sara. Nergens een uiting van verbijstering of angst. Hij had gesproken met God en God sprak met hem als een man met zijn vriend. Wonderlijk toch?

Onomwonden

Toen Mozes veertig dagen en veertig nachten bij God op de berg Horeb was geweest, keerde hij terug tot het volk. Die bedekten hun gezicht, want het gezicht van Mozes was oogverblindend. Het schitterde: "Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken" (Exodus 34:35).
Mozes had het zelf niet door, maar merkte het uit de reactie van het volk. Dat was een aantal jaren geleden wel anders. Toen was God al aan Mozes verschenen bij de braambos. We lezen in Exodus 3 : 6 "Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien."
Het deksel, of de sluier (staat er eigenlijk in de grondtekst) waarmee Mozes zijn gezicht omwond, maakte dat het volk weer durfde te naderen en te luisteren. Blijkbaar moet God Zich wel gedeeltelijk verbergen, om met ons te communiceren. Wel eens goed om over na te denken. Als Hij alles zou tonen van Zijn heerlijkheid, zouden we verteren. Dat vertelde Hij ook aan Mozes, die Gods aangezicht wilde zien (in Exodus 33:20): "Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven." Toch – en daar heb je dat 'onderwinden' weer – durfde Mozes te vragen om Gods aangezicht te zien. Hij begeerde dicht bij de HEERE te zijn. Hij verlangde naar de dag dat het deksel weggenomen zal worden, de scheiding tussen de heilige God en de onheilige mens opgeheven. Ken je dat verlangen? Naar de onomwondenheid?


Om Zijn wonden

Mozes werd door de HEERE in Exodus 33 veiligheidshalve in een kloof van een steenrots gezet, toen Hij voorbijtrok. Elia is op dezelfde plek! In eenzelfde situatie, hoewel zijn begeerten toch anders getoonzet waren dan die van Mozes! Daarom valt Elia nu ook op de grond en wind zijn mantel om zijn gezicht. Zelfs met zijn ogen dicht is de gloed te intens om aan te kunnen. Hoe zou je überhaupt voor God kunnen verschijnen? Die mantel was niet afdoende. Naast dat ze zonden weg moesten tussen Elia en de HEERE, was er nog iets nodig. Er moet nog steeds iets bedekt worden om Gods heerlijkheid te kunnen verdragen, zonder te sterven. Waarmee moet je dan bedekken?
We kunnen God enkel onder ogen komen, doordat onze onheiligheid omwonden, verborgen en verzoend, is door Christus' offer en wonden. Enkel 'in Christus' kan God ons aanzien. En dan niet zo, als menig mens zou reageren: "Nou, okee dan." Maar van harte, volkomen, zonder enige reserve. Anders zou het offer van Christus maar nauwelijks, of net niet, voldoende zijn! Weet je hoe kostbaar Jezus' wonden zijn? Ze zijn je paspoort…


Vind je ook dat we te weinig rekenen met Gods heiligheid? Of ervaar je juist dat het in jouw kerk/gemeente teveel die kant op hangt en dat er dus te weinig aandacht is voor de volkomen verzoening die in Christus is; de verzoening, waardoor wij vrijmoedigheid mogen opvatten om tot de troon der genade te gaan, dagelijks? Zie je hoe belangrijk een evenwichtige preek en een evenwichtig zicht op de HEERE nodig is. Check daarom je bibliotheek, digitaal en papier, of daar de juiste balans in zit. Check wat je hoort, zegt en ervaart. De juiste balans is van levensbelang voor jezelf en voor anderen. Hoe zul je anderen in balans kunnen brengen, als je zelf in onbalans leeft?


Psalm 32 vers 1, 4 en 6

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.
Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren,
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
En die in't vroom en ongeveinsd gemoed,
Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt.


Gij zijt mij, HEER, ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
G' Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar't recht doen hand'len,
En wijzen u den weg dien gij zult wand'len;
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.


Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,
Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd,
Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

vrijdag 30 januari 2015

Op weg naar een bergtopervaring

"En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN."
1 Koningen 19 : 11a

Op een 'bergtop' geeft de HEERE uitzicht, overzicht en doorzicht voor het geestelijk leven


Vind jij het ook zo bijzonder dat de Heere Elia gewoon laat uitpraten, zonder hem tegen te spreken? Sterker nog, God gaat er verder niet op in. Hij zegt enkel: kom uit die spelonk en klim net als Mozes deze berg op. En ga daar voor Gods aangezicht staan. Wat een merkwaardig bevel. Kom laten we dichterbij gaan staan en kijken war er precies gebeurt.

Op de berg - I

Toen God Zijn wet aan het verbondsvolk Israël gaf, deed Hij dat vanaf de berg Horeb of Sinaï. Het was Zijn vriend Mozes die gedurende veertig dagen en veertig nachten op deze berg in Zijn nabijheid verkeerde. In de kinderbijbel-verhalen leer je al vroeg druk bezig te zijn met het gouden kalf en Mozes' verbolgenheid over die zonde. Maar hoeveel aandacht wordt er besteed aan die dagen van intieme omgang met de HEERE? Ik begrijp het wel, daar staat niet zoveel over in de Bijbel. En een kind kan zich daar dan misschien niet zo veel bij voorstellen. Maar wij grote mensen? Kunnen wij ons er misschien toch wel iets bij voorstellen? Of kunnen wij op zijn minst toch eens nadenken over hoe dat moet zijn geweest? Niet uit nieuwsgierigheid, maar uit een stuk verrukking en verlangen om ook zo dicht bij de HEERE te leven? En Mozes keerde enkele dagen later opnieuw terug en verbleef daar dicht bij God.
Toen Mozes van de berg kwam, met de wet op de ongebroken stenen tafelen, was aan zijn gezicht te zien dat hij bij God was geweest. Zoals ook aan Zacharias op het tempelplein te zien was dat hij een gezicht van engelen had gezien.
Mozes - Horeb - Gods nabijheid --> de verheerlijking op de berg. Daar, bij Jezus' verheerlijking op de berg (een andere berg!) komen we Mozes opnieuw tegen. Waarom hij?

Op de berg - II

Zoals de HEERE Mozes het bevel gaf om de berg op te klimmen en bij Hem te komen, zo geeft de HEERE ook in onze tekst zo'n zelfde bevel aan Elia. Kom uit die grot, daar onderaan de berg en klim de berg op om daar dicht bij Mij te zijn. Elia wilde weg uit het leven en eeuwig bij God zijn. Welnu, hij mag dichtbij God zijn, maar wel daar, bovenop de berg. We horen geen reactie van Elia, maar wat moet er door hem heen gegaan zijn? Daar zal toch wel enige schaamte zijn over die woorden die Elia tegen de HEERE had gezegd: "Ik heb zeer geijverd…"? Ik vrees van niet, want hij zal diezelfde woorden aanstonds herhalen!
De HEERE nodigt hem bij Zich. Zoals Hij ook met Zijn volk zou doen, later: "Komt, laat ons tezamen rechten". God gaat nog niet in discussie, maar nodigt in alle lankmoedigheid en barmhartigheid om naast Hem te komen zitten en eens samen naar de dingen te kijken. Dan ziet het er al een stuk anders uit! Het is een rijke zaak, als we samen met de HEERE naar onze onmogelijkheden kijken. Immers, dan kijken we er naar met een Kenner en een Expert (met eerbied gezegd). Hij overziet het geheel. Zijn plannen falen niet. Hij weet wat van Zijn maaksel is te verwachten. Maar Hij weet ook hoe het verder moet.


Op de berg - III

Op de berg… het is een plek, hoog boven alle aardse beslommeringen. Misschien staat bij jou het water aan je lippen. Maar op Gods berg is er een plaatsje daar je kunt uitkijken over je problemen. Neerkijken op alle zorgen, en opzien naar de zaligheid.
Op de Berg des HEEREn zal het worden voorzien, zo ondervond Abraham het, toen hij zijn zoon moest offeren.
Jesaja mocht profeteren: "En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem."
God laat profeteren door Obadja dat er op de Berg des HEEREN, Sion, heilanden zullen komen, verlossers, van wie de Heere Jezus de voornaamste Verlosser is…
En was de Heere Jezus ook niet vaak op de berg in gebed? In dit verband komt de verheerlijking op de berg ook weer op in mijn gedachten, want ook Elia was daarbij aanwezig. Elia - Horeb - Gods nabijheid --> de verheerlijking op de berg. Waarom hij? 
En tenslotte stierf de Heiland op een berg en voer van een berg op naar de hemel. Een berg is een bijzonder object in het geloof… geloof, dat bergen verzet.
En wat mag Jesaja in het 25e hoofdstuk diepe dingen laten zien: "En de HEERE der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn. Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken."
Ook voor Elia zal gelden dat het 'bewindsel' van zijn oog zal worden afgenomen als hij daar bij de HEERE op de berg is. Hij zal mogen gaan zien dat zijn wens geen goede wens was en dat de HEERE zijn bede toch verhoort, maar veel rijker dan hij had durven hopen.


Nog even terug naar die twee vragen: waarom Mozes op de berg der verheerlijking was en waarom Elia? Er wordt meestal een symbolische link gelegd naar deze twee vertegenwoordigers van het Oude Testament: de wet (Mozes) en de profeten (Elia). Dat is wel een heel bijzonder detail. Waar Elia in onze geschiedenis nog dacht de enig overgebleven profeet te zijn, daar verheft de HEERE hem in het Nieuwe Testament tot de vertegenwoordiger van alle profeten uit het Oude Testament. Nogmaals, op een bergtop overzie je de dingen anders. En de HEERE geeft in dit aardse leven meer dan eens zo'n bergtop. Soms om het leven weer te kunnen overzien, maar veelal om het hemels Jeruzalem weer in het vizier te krijgen. Daar gaat het heen! Heb jij ook wel eens zulke bergtopervaringen?

Psalm 24 vers 2 en 3
Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor 't oog van Sions God, betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.

Die zal, door 's HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils, ontvangen.
Dit 's Jacob, dit is't vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht,
En zoekt Zijn aanschijn met verlangen.