Posts tonen met het label horen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label horen. Alle posts tonen

zaterdag 9 juni 2018

De profeet voorzegt de Profeet

Hoofdstuk 12

Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
Handelingen 7 : 36-37

Het is opmerkelijk hoeveel Stefanus verzwijgt van Mozes. Hij heeft het niet over Mozes’ halstarrige houding, zijn driften en zijn moedeloosheid over het ongeloof van het volk. Hij schildert hem enkel uit als een profeet die tekenen en wonderen deed. Het lijkt wel alsof Stefanus zichzelf een beetje uittekent voor de oren van het opgehitste volk.
Zondigen tegen beter wetenWaarom staat Stefanus zo uitgebreid stil bij Mozes. Ik had die vraag nog niet goed overdacht, maar in de Kanttekening las ik dit: “Hier toont Stefanus dat hij tegen Mozes niet leert als hij Jezus Christus predikt, dewijl Mozes zelf van Hem geprofeteerd heeft.” Met het diep ingaan op Mozes laat Stefanus dus zien dat hij niets tegen Mozes heeft. Zijn eerste beschuldigers zeiden in hoofdstuk 6: “Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.” De ­beschuldigers die daarna kwamen zeiden: “Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de ­Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.” Stefanus laat dus ook zien in dit verweer dat Mozes een goed zicht had op Jezus Christus!
Stefanus doet alsof Mozes zelf al die wonderen deed. Hij wil Mozes geen goddelijke eer geven, maar hij zoomt in op die wonderen waar tegenover het volk juist zoveel ongeloof en haat stelt!
Dat is de zonde die voor Stefanus ‘live’ werden uitgeleefd door de massa die hem naar het Sanhedrin heeft geleid. Ja, het Sanhedrin zélf betreedt met vast tred hetzelfde pad, als waarmee ze ook Jezus en al de profeten van het Oude Testament de dood in hebben gedreven.

Veertig jaar wonderen
Hoe ver kun je gaan, als je tegenover veertig jaar wonderen, hulp en zegen even zoveel jaren dwarsliggen en opstand zet? Over die veertig jaar omzwerving wilden de Joden maar liever niet te veel horen. Je mocht spreken over hun afmatting, hun ‘afzien’ en hun lijden, zowel in dorst en honger als in verdrukking van vijanden. Maar je mocht niet spreken over de oorzaak van die dingen: ongeloof en botte tegenstand. Was het niet juist deze Mozes die voor het volk had gepleit toen God dat hele zooitje had willen wegvagen?

Veertig jaar tekenen
Het waren niet alleen wonderen die door Mozes werden verricht. Wonderen staan niet op zichzelf! Daar zouden we vandaag de dag ook eens meer bij moeten stilstaan. De wonderen van genezing zijn geen doel op zich. De wonden van uitredding hebben een ander doel dan ‘lekker leven’ en ‘doorgaan met waarmee je bezig was’. Dat nare woordje ‘bekering’ (tot inkeer komen) zit er onlosmakelijk aan verbonden.
Nee, er is ook sprake van ‘tekenen’, zo zegt Stefanus. Die veertig jarige reis door de woestijn stond bol van allerlei hints en heen­wijzingen naar iets anders. Naar Iemand anders! Eigenlijk moet je zeggen dat het volk veertig jaar lang langs al die hints en heenwijzingen heen heeft geleefd. Hoeveel tekenen krijg je vandaag de dag mee van God? Niet alleen elke zondag, maar toch zeker ook juist die dag?!


Mozes’ profetieën
Wat was Mozes eigenlijk? Een prins, een generaal, een leider, een held… en ja toch ook een moordenaar! Hij was ook de kroniekschrijver van het volk Israël; zijn kronieken lezen we in Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Je zou hem ook de ‘man van de wet’ kunnen noemen. Maar kennen we hem ook als een profeet? We hebben zijn Psalm, Psalm 90, de Oudejaarspsalm. Het is die man, die zulke diepe en prachtige dingen kon zeggen over God:
“Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.”
“Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
“Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.”
“Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij ­verschrikt.”
“Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.”
“Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.”
“Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.”
“En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons”


De Messias
Hoe veelkleurig praat hij over God?! Maar luister eens wat Mozes, aldus Stefanus, zegt over de Messias! Hij zegt: “De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij…” Hij heeft dus al voorzegt dat de Messias niet een ­opzienbarend figuur zal zijn. Het zal een soort Mozes zijn. Gewoon iemand uit het volk! Let daar dus op, want voor je het weet kijk je ‘over Hem heen’ en ga je voorbij aan Zijn aanwezigheid. Dat ‘als ik’ duidt zeker ook, volgens Stefanus op de wonderen die de Messias zal doen, net als Mozes. Aan Mozes’ wonderen en tekenen hadden ze voorbij geleefd; zo zal het ook gaan met de Messias!
Johannes wist Mozes niettemin wel te ­onderscheiden van Jezus, als hij schrijft in Joh. 1:17-18 “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Er is verschil. Mozes gaf de wet van God door. Maar wat Mozes niet kon, kon Jezus: genade van God aanbrengen! En… het grootste verschil met Mozes is, dat Jezus God heeft gezien. Mozes kon het niet aan, maar Jezus wel. Sterker nog, Hij kende God door en door. Wat een verschil is dat?! Daarom was Hij bij uitstek zo geschikt om genade aan te brengen. Omdat Hij de ingrediënten van genade kende! Moet je eens over nadenken.

De Messias horen
Nog één groot verschil lijkt Stefanus hier te onderstrepen. De Messias zal even ongedacht en onverwacht komen als Mozes; eveneens uit het volk gekomen. Maar Stefanus zegt erbij: “Dien zult bij horen.” Wat bedoelt hij – en achter hem Mozes – met deze woorden? Het is zo dat Petrus deze woorden ook gebruikt in zijn Pinksterpreek. Maar ze komen niet bij de discipelen zelf vandaan. Mozes had dit inderdaad gezegd in Deut. 18. Daar stelt hij de profetie en de profeten van het Woord van God tegenover de guichelaars en alle andere afgodenpredikers. “Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen.” En Mozes zegt hier ook stellige dingen over hoe we die profetie moeten duiden: komt het uit, dan blijkt dat het het Woord van God is geweest. Als we er dan niet direct voluit geloof aan hechtten, dan toch zeker na afloop. Het is de zonde tegen de Heilige Geest als we ons verharden en die woorden van God aanwijzen als godslasterlijk. Je merkt dat Stefanus hier tussen de regels door iets aan de Joden vertelt over Jezus’ profetieën!
Het volk was juist door de wet van Mozes gehouden om de profetie te geloven en op te volgen. God had het Zelf geboden! God de Vader had in dit verband ook nog iets specifieks gezegd over Jezus, dat Petrus – als getuige van de verheerlijking van Jezus – in zijn achterhoofd moet hebben gehad, toen hij Mozes’ woorden citeerde: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!”
We hebben in Jezus niet te maken met zomaar een profeet, maar met dé Profeet, ja, met de Zoon van God; een Zoon in Wie de Vader al Zijn welbehagen, Zijn diepste genot en meest intense vreugde heeft. Zou je Hem dan niet horen?

God aanbidden
Zijn niet Jezus’ woorden bij uitstek woorden die je moet gehoorzamen? Wat heeft Hij niet allemaal gezegd over de wet van Mozes? Of over de liefde tót de Vader en de liefde ván de Vader? Hij kende als geen ander de Vader tot in het diepst van Zijn ziel. Hij kende de intenties van Zijn Vader en Hij vertelde ons erover.
In Hem hebben we enorm goed kunnen zien Wie de Vader is. Mozes heeft dat allemaal niet zelf kunnen zien en duiden. Het was de Heilige Geest Die hem daar woorden voor gaf. En het is diezelfde Geest Die Stefanus vol vuur laat preken. Reken maar dat de Joden hier iets van hebben gemerkt. Hier staat niet zomaar een man uit het volk. Hier staat niet zomaar een volgeling van Jezus, maar hier staat een profeet te prediken die Gods Woord brengt.
Ze voelden vanuit Deuteronomium 18 de klem om hier iets mee te doen. Mozes stond voor hen en stelde hen voor de keus: “Wat doe je met Gods Woord, Dat hier wordt gepreekt? Neem je het aan en buig je of verwerp je het en recht je je rug? Deze man kant zich niet tegen mij, Mozes, maar hij valt mij bij. Hij kant zich niet tegen God en Zijn wet, maar hij verkondigt die wet op Gods bevel. Dus… wat doe je?”
Je kunt je levendig voorstellen wat het antwoord werd, toen ze hun oren dichtstopten en briesend op Stefanus aanvielen. Maar voor we verder gaan lezen toch die vraag: Wat doe jij met Gods Woord? Als dat morgen, zondag, gepreekt wordt, leg je het dan aan de kant en vind je het allemaal teveel liefde en teveel Jezus en te weinig de zondige mens en zijn walgingopwekkende zondestaat? Of val je dit Woord bij en leef je op in God, aanbid je Hem nederig, heel je leven, conform Psalm 96?
Aanbidt Hem need’rig al uw leven,
Hem, die, in ‘t heiligdom verheven,
Een Godd’lijk licht van zich verspreidt;
Leer, aarde, voor Zijn majesteit,
Leer voor Zijn aangezichte beven.

vrijdag 10 juni 2016

Ik trek Mijn handen er van af

De profeet Jeremia, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Natuurlijk moet je bidden voor mensen die afdwalen. En al helemaal voor afhakers, toch? Immers, hun ziel en eeuwige toekomst staat fors op de tocht. En we leren toch dat niemand wordt weggestuurd bij de HEERE? Kom, zoals je bent… doe je niet beter voor dan je bent: wees eerlijk tegenover Hem Die je hart, ja zelfs je motieven kent. Hoe vaak heeft de HEERE door Zijn profeten Zijn volk niet teruggeroepen? Hoeveel moeite heeft Hij gedaan om op te zoeken dat verloren dreigde te gaan. Dat begon al in Genesis 3! En dan nu die keiharde boodschap aan Jeremia: "Bid niet voor dit volk… want Ik zal niet horen". Is dat wel dezelfde God?

Je hebt van die mensen die allerlei Bijbelteksten uit hun Bijbeltje knippen en er hun eigen theologie van maken. Zo is de hele gezelschapstheologie ontstaan en alle soortgelijke uitwassen in de linker- en rechterflanken van kerkelijk Nederland. Om van de vrijzinnigheid nog maar te zwijgen; die hebben allerlei teksten uit hun Bijbeltje geknipt om ze vervolgens weg te gooien: wat ik niet kan begrijpen, geloof ik niet. Maar… ik ben geen vrijzinnige, evenwel begrijp ik deze tekst niet. Daarom ga ik erover nadenken en hoop deze paradoxale tekst te doorgronden en er een les uit te leren voor ons vandaag de dag.

"Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op,
en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen."
Jeremia 7 : 16

"Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op;
want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen."
Jeremia 11 : 14 

"Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede."
Jeremia 14 : 11

Gebed geboden

Eerlijk gezegd vind ik Jeremia een trieste, meelijwekkende figuur. Eentje die altijd aan het kortste eind lijkt te trekken; de pechvogel onder de profeten. En je hebt er allerlei soorten tussen zitten. Wat dacht je van Jona, van Amos, van Elia en Jesaja. Uiteenlopende karakters, net zoals bij de discipelen. Misschien moet je ze de apostelen van het Oude Testament noemen. En ze hebben wat een boodschappen door te geven! Sommigen noemen het terecht 'een last'.
Even intiem als de Heere Jezus was met Zijn jongeren, is de HEERE soms ook met Zijn profeten. Hoe praatte God met Mozes! Of wat dacht je van de discussie die Hij voerde met Elia? Maar nu naar Jeremia. James C. Lewis, de fotograaf van het beeld hierboven, noemt Jeremia de 'weeping prophet'. Ik herinner me nog een oude gravure waarop je Jeremia op een berghelling zag zitten, terwijl Jeruzalem werd verwoest en de rook opsteeg uit de ruïne. Ik was nog maar een lagereschooljochie en die prent maakte indruk op mij.
Jeremiëren is een zeurderige manier van klagen; ik heb er altijd een hekel aan gehad. Hoewel… als de problemen af en toe opstapelen en de berg zorgen je het uitzicht beneemt, ben je snel geneigd te somberen. En zo sta ik dan toch weer heel dicht bij Jeremia. Het gebed is op die momenten zo'n enorm cruciaal middel. Je kunt al die problemen niet oplossen; niet torsen, laat staan wegvegen. Hoe heerlijk is het dan het door God (aan)geboden middel van het gebed te gebruiken. Tegen Gods Vaderhart aan schurken. Waar zou ik heengaan, zonder U? Ook met mijn zorgen over afhakers en wegdwalers.

Gebed afgeraden

En dan is daar Jeremia die Gods plan aanhoort. Het gaat ervan komen: oordeel en verwoesting. Bijna knikt Jeremia zijn knieën en wil op zijn aangezicht voor de HEERE neervallen… "Ho!" zegt God, "Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen." Is dat dezelfde God als Die oproept tot verootmoediging en gebed? "Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren", zingt Psalm 50. Ik snap het niet; en ik vraag me af hoe de uitdrukking op het gezicht van Jeremia er uitzag bij die woorden. Jeremia krijgt nota bene tot driemaal toe deze woorden te horen van de HEERE! "Ja, maar het volk dreigt verloren te gaan!" "Ja, maar het is toch Uw volk?" "Ja, maar ik kan het volk toch zomaar niet loslaten?" Allemaal begrijpelijke vragen. En toch, al komt het maar sporadisch in de Bijbel voor, zegt God: "Val me er niet meer mee lastig; Ik trek Mijn handen ervan af. Pleit niet, spring niet in de bres… want anders zou Ik naar jou, Jeremia, toch eigenlijk wel moeten luisteren, zoals Ik naar Mijn belofte altijd naar al Mijn kinderen luister. Maak het Me niet lastig." Althans zo, komen die woorden op mij over.
Iets dergelijks horen we de HEERE ook tegen Samuël zeggen, over Saul: "Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël?" (1 Samuël 16 : 1a). Ook zo'n hard woord: "Houd toch op met treuren, Ik trek Mijn handen van Saul af, maak jij er dan geen drama van!" Samuël moet stoppen met jeremiëren, Jeremia moet zijn mond houden, de Spreukendichter hoort God zelfs nog extremer dingen zeggen: "…zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden…" (Spreuken 1 : 26-28).
Als je die teksten uit hun verband knipt, zou je een tirannieke collage van God kunnen creëren. Maar klopt dat? Bij een paar uitleggers kwam ik de uitleg tegen dat de HEERE wel lankmoedig is, maar dat er wel een einde is aan Zijn geduld. En als Hij dan, om Zijn rechtvaardigheid te handhaven, tot oordelen overgaat, dan is het ook onherroepelijk. God is niet soft, zoals wij in deze eeuw maar al te graag willen doen geloven. Gods barmhartigheid is niet, dat we maar raak kunnen zondigen en we roepen even om vergeving en dan is het weer OK. Je mag komen zoals je bent, maar… je mag niet blijven zoals je bent. Als ook in die offers, die toch uitbeelden de dienst der verzoening, het hart van het volk niet oprecht blijkt, waar blijft Gods rechtvaardigheid dan als Hij er genoegen mee zou nemen? Echter, als Hij wil overgaan tot oordeel en straf, blijft Hij gevoelig voor de interventie van Zijn kinderen, Zijn knechten. Hij is zeker 'gevoelig' voor hun gebeden.
Het gebed van de rechtvaardige vermag veel. Maar niet alles. Paulus moest zwijgen over die doorn in zijn vlees: "Mijn genade is u genoeg." Daar kón hij het ook mee doen, want God stuurt hem niet weg, maar laat hem gaan onder Zijn zegenende vaderhanden. Beter voorbeeld in het verband van deze bijbelstudie is misschien Mozes, die moest zwijgen over het feit dat hij Gods volk niet op de plaats van bestemming mocht brengen, als straf voor zijn publieke ongehoorzaamheid.
Het oordeel moet er komen en zal er ook snel komen. De tijd van onderhandelen is over. Te vrezen is dat het hele volk niet alleen wordt weggevoerd, maar ook weggevaagd. En dan klinkt dat indringende gebed van iemand als Hábakuk: "In de toorn, gedenk aan Uw ontferming." Gij straft ons, maar niet naar de maat van onze zonden. Hij slaat, maar dan wel als een vader… met inhouding van Zijn totale toorn. Die liet Hij ontbranden op Zijn geliefde Zoon! Voor Hem stopte God de Vader één moment Zijn oren toe…

Gebed aangeraden

Terecht brengt iemand op Refoforum te berde dat Jezus nogal eens iemand genas en er dan bij zei: "Maar vertel niemand wat er is gebeurd!" Zo'n wonder, dat je hart bijna uit elkaar barst van verwondering en blijdschap en dan moet je je mond houden?! Ga er maar aan staan. Dat lukte dan ook zelden. En nergens lees je dat Jezus die genezenen op het matje riep: "Wat had Ik nou gezegd?!"
Wel, zou God dat dan hier tegenover Jeremia ook niet bedoelen? Dus eigenlijk een ontmoedigende stimulans, een negatieve prikkel om iets positiefs in werking te zetten. Is dat de achterliggende reden van deze woorden?
Ik denk het niet. De ongelovigen hebben veel baat bij het gebed van de rechtvaardigen, maar soms houdt het op. De HEERE is er echt wel voor Zijn knecht Jeremia, maar Jeremia kan er niet in alle omstandigheden zijn voor zijn en Gods volk. De HEERE is als het ware de Vader en als er moet worden gestraft, wordt er ook gestraft. Nu sprong Mozes ook weleens in de bres voor het volk, en wees de HEERE op de eer van Zijn naam, maar hier bij Jeremia gaat God niet vernietigen, maar opvoeden. En Hij zou welzeker temidden van de toorn aan Zijn ontferming denken. Maar de weg waarlangs, was voor Jeremia wel een weg die hem tot tranen drong… De weeping prophet.

Dit bloedserieuze in je achterhoofd houdend, wordt – ondanks deze situatie bij Jeremia – ons het gebed ten zeerste aangeraden. Laten we werken nu het nog dag is; laten we bidden en spreken, nu het nog genadetijd is. Voordat God zou kunnen besluiten dat we niet meer kunnen bidden; als de genadetijd om is. Velen leven onwetend voort buiten God; maar afhakers zijn niet ontwetend! Het gesprek met hen is vele malen lastiger – en kan op botter afwijzen rekenen – dan met buitenkerkelijken. Bidt en werkt… je kunt het in die volgorde doen, maar soms kan het ook andersom: dan moet er a la minute worden gewerkt en mag je na afloop stevig bidden dat de HEERE er in doorwerkt tot Zijn eer.
Op datzelfde refoforum stond een zeer merkwaardig verhaal dat ik toch wel wil doorgeven, maar met een zeer kritische noot erbij: dat ik niet geloof dat de HEERE ons het gebed voor afhakers kan afraden. Het is een mooi verhaal, maar gezien de vraagtekens die het oproept bij anderen op dit forum, is het zeker een aanvechtbaar verhaal. Dus ik geef het eerder ter waarschuwing mee (mensen kunnen soms zó 'geestelijk geïnspireerd' handelen dat het me haast mystiek en occult overkomt!). Kijk hiermee uit!

Er was eens een godvrezend echtpaar wier zoon vreselijk losbandig was, luisterde niet naar de waarschuwingen, koos eigen respectievelijk verkeerde wegen, etc. Beide ouders baden (uiteraard!) veel voor hun zoon, en de vader verzuimde dit ook nooit te doen bij het eten, dus waar zijn zoon bij was. Bij elke maaltijd werd ook in het bijzonder voor (de bekering van) hun zoon gebeden. Dit duurde jaren, maar de zoon bleef zijn eigen leven leiden. Totdat... God de ouders er beiden (!) bij bepaalde dat zij voor hun zoon niet meer mochten bidden.
Dus… bij de eerste beste maaltijd bad de vader niet voor de zoon. En juist dít was voor de zoon de slag naar binnen! “Mijn ouders bidden niet meer voor mij, en nu kan ik niet meer bekeerd worden.” En... toen werd hij het juist wél.

donderdag 10 december 2015

Waarom we niet altijd een bevestiging krijgen

 
"Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft.
En de mens geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging heen."
Johannes 4 : 50

Wat zou je zulk soort nieuws graag uit Jezus' mond horen! "Ga heen, je geliefde is gezond", "Ga heen, je problemen zijn over" of "Ga heen, je kind is wedergeboren". Zou je het geloven, als Hij het je zei, zonder dat je dat ter plekke kon checken? Zou je niet twijfelen, als je zulke berichten kreeg; toch ergens in je achterhoofd een reserve? Of – en dat is ook mogelijk – zou je na zo'n bericht achterover gaan leunen, omdat wedergeboorte onuitwisbaar en onverbrekelijk is? Daarmee zou je een gearriveerd christen zijn; maar kan dat wel?

Horen

Bij het nadenken over deze tekst vond ik een vertaalde preek van Spurgeon over dit gedeelte. Soms heeft Spurgeon een hang naar  inlegkunde en gaan refo's in Holland daarmee aan de haal in het vertalen van zijn preken. Deze preek neigt daar ook naar; er wordt ingegaan op de vonk van geloof bij de man, die Spurgeon ook mogelijk als Chûsas aanwijst. In de preek staan een aantal waardevolle dingen die ik hier en daar inlas. Bijvoorbeeld dit:
"Mogelijk had hij er nooit aan gedacht om Jezus te zoeken als het niet was geweest om die dierbare stervende knaap. Hoe vaak gebeurt het, dat kinderen, ofschoon het geen engelen zijn, nochtans gebruikt worden om beter werk te doen dan engelen zouden kunnen volbrengen; want zij leiden op zoete wijze hun ouders tot God in de hemel. Zij slingeren zich om ons hart, en als wij dan zien dat zij ziek worden, en hun pijnen merken, wordt ons medegevoelend hart door angst en benauwdheid aangegrepen, en wij roepen uit: "O God, spaart Gij mijn kind! Heere, ontferm U over mijn kleine lieveling!" De eerste gebeden die uit menig hart voortkomen, worden, onder Gods bestel, ontlokt door de smart over teer beminde kleine kinderen. Staat er niet geschreven: "En een klein jongsken zal ze drijven?" Zo was het bij deze man; hij werd door de onrust, door de angst om een kind, tot Jezus gebracht. Op dit ogenblik ligt de gedachte mij sterk bij, dat ik tot sommige personen het woord richt, die niet bekeerd zijn, maar hier zijn gekomen, omdat zij in grote benauwdheid verkeren; mogelijk wel, dat één van hun geliefde kleinen wegkwijnt, en hun hart roept tot God, dat, zo het mogelijk is, het dierbare leven gespaard moge blijven. In het huis des gebeds gevoelen zij zich enigermate verlicht, hun hart is anders op het punt om te breken vanwege het verlies, dat zij zozeer duchten. Hoezeer bid ik onze Heere, dat Hij deze onrust moge gebruiken als een middel der genade!"
Wie God wil horen spreken moet wel bij Hem komen: in Zijn huis, maar ook in Zijn Woord en in het gebed. Deze man moet een corrigerend voorbeeld voor je zijn, wanneer het lijkt dat je God niet hoort/bemerkt, maar je toch verder niets onderneemt. In al zijn verdriet en zorg krijgt Chûsas een antwoord op zijn vraag. Maar wat zal hij ermee doen?

Geloven

"Oké, dan zullen we maar snel gaan," besluit Jezus, terwijl Hij de man in de ogen kijkt. Dat zou deze man hebben verwacht; zijn hartekreet vroeg om snelle reactie van Jezus. Hij lijkt wel een beetje op Naäman die bij Elisa aanklopt en alvast in zijn verbeelding bedenkt hoe het zal gaan verlopen. Elisa zal zul of zo zeggen of doen… Niets van dat al: "Was u zevenmaal in de Jordaan…". Deze man had ook zo'n voorstellingsvermogen en dacht dat Jezus wellicht machtig was, maar toch wel lijfelijk aanwezig moest zijn bij zijn zieke zoon. Echter, Jezus stuurt hem met dezelfde stelligheid weg als Elisa met Naäman deed.
“Vele mensen zouden door hun verstandelijke vooroordelen de Heere der genade wel willen binden aan een bepaalde weg om hen te behouden; maar onze Heere wil Zich niet aldus onder bedwang laten brengen; waarom zoude Hij dat ook doen? Hij wil behouden die Hij wil, en Hij wil redden zoals Hij wil. Zijn evangelie is niet: "Gij moet zo en zoveel verschrikkingen en wanhoop ondergaan, en gij zult leven", maar "Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig  worden." Hij komt tot velen en roept hen met kracht door het zacht gefluister van Zijn liefde; zij stellen slechts hun vertrouwen op Hem en genieten onmiddellijk rust. Met weinig treffend gevoel, hetzij van verschrikkelijke, hetzij van opwindende aard, oefenen zij met een kalm gemoed een kinderlijk vertrouwen op hun gekruisigden Heere, en zij vinden het eeuwige leven. Waarom zou het met u niet zo zijn? Waarom zoudt gij uzelf buiten alle troost sluiten door een programma op te stellen en te vragen, dat de vrije Geest Zich daaraan houdt? Laat Hem u behouden gelijk Hij wil. Weg met dwaze vooroordelen!



Wat moest hij doen? Er was niets te zien, niets te verifiëren. Als hij nu niet zou aanhouden bij Jezus en naar huis zou gaan, dan zou hij zijn zoon wellicht dood aantreffen. Hij moest Jezus er toch van overtuigen dat Hij écht mee moest?! We lezen er niets van. Er staat dat ontstellende, verrassende en verblijdende: "en de mens geloofde het woord tot hem zeide."
“Merkt op, dat dit geloof zulk een klein geloof was, dat het slechts betrekking had op het genezen van het zieke kind. De koninklijke hoveling wist niet, dat zijn eigen hart genezing van node had; hij bemerkte zijn eigen onkunde aangaande Jezus en zijn blindheid ten opzichte van de Messias, niet; wellicht was het hem onbekend, dat hij behoefte had aan de wedergeboorte; en evenmin verstond hij het, dat de Zaligmaker hem geestelijk leven en licht kon schenken. Hij had weinig kennis van de geestelijke macht van de Zaligmaker, en aldus was zijn geloof zeer beperkt van omvang. Wat hij geloofde was, dat de Heere Jezus, als Hij tot zijn huis wilde komen, zijn kind kon behoeden voor het sterven aan de koorts. Zover was het met hem; en het geloof dat hij bezat, wendde hij terstond aan tot een praktisch gebruik.






Bij Jezus komen met een verzoek – Spurgeon wijst daar ook heel sterk op – verschaft je nog geen recht dat Hij zal horen. Niettemin mag er grote verwachting zijn op Zijn genade. Pleiten op Zijn genade is eerlijk toegeven dat je niets verdient en toch alles verwacht van Hem.
Let op de drangreden, die hij gebruikt. Hij smeekte Jezus om af te komen en zijn zoon te genezen, want deze lag op zijn sterven. Hij stelde geen verdienstelijkheid op de voorgrond, maar bepleitte het diep treurige van het geval. Hij wees er niet op, dat de knaap van aanzienlijke geboorte was – dat zou een zeer slecht pleiten bij Jezus geweest zijn; ook stelde hij niet op de voorgrond, dat het een beminnelijk kind was – dat zou al een onbeduidende drangreden geweest zijn. Neen, hij pleitte, dat hij op zijn sterven lag. Dat hij in zijn uiterste lag, dat was de reden voor de aandrang; het kind was aan de poort des doods, daarom smeekt de vader, dat de deur der genade moge worden geopend. Wanneer gij, mijn vriend, door genade geleerd hebt om op de rechte wijze te bidden, zult gij die feiten op de voorgrond plaatsen, welke uw eigen nood en gevaar openbaren, en niet die, welke u rijk en rechtvaardig zouden doen schijnen. Bedenk hoe David bad. "Heere", zeide hij, "vergeef mijn ongerechtigheid, want zij is groot." Dat is een evangelisch pleiten. De meeste mensen zouden gezegd hebben: "Heere, vergeef mijn onrechtmatigheid, want zij was verschoonbaar en reikte op verre na niet tot de afschuwelijkheid van mijn medemensen." David wist het beter. Zijn geroep luidt: "Vergeef mijne ongerechtigheid, want zij is groot."
Bepleit bij God, arme zondaar, de grootheid van uw nood, het ellendige van uw toestand; zeg, dat gij op uw sterven ligt; zeg, dat de zaak, waaromtrent gij pleit, een zaak van leven of dood is; dit zal een drangreden zijn, die er op berekend is om het hart, dat met oneindig mededogen vervuld is, te bewegen. Iedere tint van goedheid, welke uw trots in verzoeking mocht brengen op de schilderij te werpen, zou ze bederven: leg de zwarte kleuren er maar dik en driedubbel op.
Pleit bij God, terwijl gij u beroept op Zijn genade; want genade is het enige, waarop gij met hope u gronden kunt in uw toenadering tot Hem, gij, die een zondaar zijt, welke nog geen vergiffenis heeft ontvangen. Gij kunt de Heere niet vragen u te zegenen vanwege enigerlei verdienste of waardigheid, die gij bezit, want er is geen spoor van zoiets bij u aanwezig; maar gij zult wijs handelen, wanneer gij uw noden voordraagt. Roep: "o God, wees mij genadig, want ik heb Uw genade van node!" Leg het geval met uw kind bloot en zeg: "Want hij ligt op zijn sterven." Dit is de sleutel, die de deur der genade opent. Volgt gij mij, waarde toehoorders, gij, die niet bekeerd zijt? Is er in ieder geval in u een begeerte om tot de Heere Jezus Christus te komen, al is het dan ook alleen, omdat een tijdelijk leed u zwaar terneer drukt? Een paard heeft geen dozijn sporen nodig om het vooruit te krijgen. Die, welke nu uw zijde wonden, zijn scherp genoeg, en zij worden zo diep ingedrukt, dat gij het wel moet gevoelen. Luistert er naar, opdat er niet een zweep zowel als sporen nodig zijn om u in beweging te krijgen. Indien gij tot het uitverkoren volk des Heeren behoort, zult gij moeten komen, en hoe bereidwilliger gij dit doet, des te beter zal het voor u zijn. Komt terstond. Wees niet gelijk een paard, of gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft; maar komt tot Jezus, terwijl Hij zachtjes trekt. Al is het ook met zulk een zwak geloof, dat gij vreest dat het eerder ongeloof dan geloof is, nadert nochtans tot Hem. Komt juist zoals gij zijt, en ziet biddend naar Jezus op; want in dat bidden zal de hoop, ja de zekerheid der bevrijding liggen. Het grote hart van Jezus zal uw gebed gevoelen en zeggen: "Gaat heen in vrede."

Doen

Hij gaat! Hij gaat! Vind je dat geen wonder? Leg je eigen vertrouwen er eens naast? Als jij hetzelfde zou hebben gedaan, dan nóg zou je het een wonder blijven vinden, omdat je weet hoe groot het wonder in jouw eigen hart zou zijn. Laat staan als je dit niet herkent in je eigen leven en totaal het vertrouwen mist om Jezus op Zijn woord te geloven.
De man ging en we zullen in een van de komende dagen horen en zien dat Jezus hem onderweg toch nog een bevestiging gaf, voordat hij thuis was! Een numeriek, rekenkundig teken zelfs.
Het is zo'n bekend spreekwoord: 'we brengen wel alles bij de HEERE in het gebed, maar we nemen het na het 'amen' voor het merendeel weer op en sjouwen door'. Juist dan, wanneer je niet kunt merken/zien dat God zal verhoren of zelfs al verhoord heeft. Ik blijf dat vertrouwen een lastige zaak vinden; en juist dat doet mij verlangen naar de Jongste Dag, waarop ik nooit meer wantrouwende gevoelens in mijn hart voel opkomen. Wanneer ik Hem altijd en volkomen vertrouw, dien en liefheb.

maandag 12 oktober 2015

Hoe moet God het onder woorden brengen voor ons?

Wat Jezus vertelt kun je onvoorwaardelijk geloven als een kind


En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij;
Johannes 3 : 32a

Wel eens bij stilgestaan hoe ingrijpend en vernederend het is geweest dat de Heere Jezus moest gaan leren praten? Hij moest Zich, als de almachtige God bij de hand laten nemen om de taal van mensen te leren spreken. Zijn vernedering is vele male dieper, dan we zo oppervlakkig in de Schrift lezen.

Zien en horen

Deze paar – ogenschijnlijk niet zo indrukwekkende – woorden gaven me direct al een schok, toen ik ze las. De rest van het vers komt de volgende keer wel. Hier staan machtige woorden; maar hier staat tussen de regels ook iets aangrijpends en vernederends. God de Zoon is al van eeuwigheid af (wat een rare uitdrukking eigenlijk; immers, de eeuwigheid kent geen beginpunt) gewend om de taal van Zijn Vader te spreken. Ze verstonden Elkaar en hadden – met eerbied gesproken – aan een half woord genoeg. Ze waren het ook volmaakt in alles met Elkaar eens. Niet in de laatste plaats over het feit dat de Zoon Zich zou aanbieden als Offer voor de zonde van de mensen.
Ze verlustigden Zich in elkaar en ook de Heilige Geest had daarin een onbeschrijfelijke en intense rol. In die hemelse en vooral Goddelijke harmonie was het nooit zoeken naar woorden. Maar nu komt het moment waarop God de Zoon het menselijk vlees aanneemt en geboren wordt. Alles wat Hij voordien had gehoord en gezien moet Hij nu in andere woorden gaan verwoorden. De taal der mensen.
Iemand die is geëmigreerd weet er iets van, hoe het is om voortaan een andere taal te moeten spreken wil er communicatie mogelijk zijn. Vooral in het begin is het nog zoeken naar woorden, maar al doende leert men. Dat voelt – lijkt me – de eerste jaren best hinderlijk. Je blijft altijd nog in je hoofd de woorden omzetten naar je moedertaal. Maar op den duur gaat er bovenin een knop om en gaat het wel een beetje als vanzelf. Toch kan er een moment komen, waarop je een bezoek brengt aan je vaderland en daar spreekt men je moedertaal nog gewoon. Dan komt er weer een conflict met die knop bovenin en gooi je er telkens woorden tussendoor uit die vreemde taal; omdat je dat zo gewend bent geweest de afgelopen tijd.
Wij mensen zijn sinds de torenbouw van Babel verbaal gehandicapt. Jezus niet. En toch moest Hij voortdurend zoeken naar woorden die pasten bij Zijn hemelse 'moedertaal'. Menselijke woorden die enigermate tot uitdrukking konden brengen wat Hij had gezien en gehoord. Jezus was dé grote Oog- en Oorgetuige. Hij kon erover spreken, hoe het er in de hemel aan toe gaat. Hij is het ook Die ons Zijn Vader verklaart (uittekent en uitlegt). Hij zocht naar woorden om dat hoge en hemelse onder woorden te brengen.

Spreken

Getuigen gaan in de regel pas spreken als zij tot getuige worden (op)geroepen. Daarom heeft Jezus niet enorm veel verteld over de hemel en Zijn Vader. Alleen dat wat er toe deed en wat wij dragen konden. Wat aan de orde kwam in Zijn onderwijs. En tegelijk was het voldoende om ons een goed beeld te geven van Wie Zijn Vader is, wat de hemel inhoudt en wat God van ons verwacht en vraagt.
Hij sprak erover met allerlei soorten mensen. In de eerste plaats Zijn discipelen; de schare en Zijn tegenstanders die Hem op de voet volgden. Maar Hij sprak er soms ook heel persoonlijk over met mensen als Nicodémus, de Samaritaanse Vrouw, Zacheüs, Maria Magdalena, Petrus, Johannes de Doper (al lezen we daarover niet direct iets in de Schrift; we kunnen het slechts concluderen uit een aantal zaken). Ook sprak Hij met de rabbijnen in de tempel, toen Hij 12 jaar was. En natuurlijk moet er – al is er niets over opgeschreven – in huis bij Maria en de werkplaats bij Jozef het nodige gezegd zijn.
Wat moet dat voor Jozef – voor Maria ook wel, maar anders – zijn geweest, te spreken met deze Zoon waar hij zelf helemaal buitenstond. Geen bloedband en ook in bijna alles anders dat hij. Geen herkenning met zijn eigen karaktertrekken of gewoonten. Zou Jezus weleens bij Jozef aan zijn voeten hebben gezeten? Zou Hij ademloos geluisterd hebben wanneer Jozef vertelde over de grote werken Gods, waar Jozef zelf nooit bij was geweest? Jozef moest zijn Zoon vertellen uit overlevering.
En daar zit het contrast met onze tekst. Jezus vertelt niet uit overlevering, maar uit wat Hijzelf heeft gezien en gehoord. Volgens de Kanttekeningen was dat over hetgeen "waarvan Hij uit Zichzelf volkomen en zekere kennis had". Hij had het immers Zelf gezien en gehoord?!

Als Zijn spreken dan zo waarachtig en betrouwbaar is, waarom geloven mensen Hem niet? Dat lezen we ook in de volgende verzen. En… waarom twijfel ik dan nog zo vaak?