Posts tonen met het label Chûsas. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Chûsas. Alle posts tonen

dinsdag 15 december 2015

Een driedubbel wonder in het tweede teken

Rondom het Meer van Galiléa spelen zich veel voorvallen met Jezus af.
Kapernaüm (Capernaum) was jarenlang zijn woonplaats.

"En hij geloofde zelf en zijn gehele huis.
Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judéa in Galiléa gekomen was."
Johannes 4 : 53b-54

Goed kijkend naar de tekst valt mij iets op. Er wordt gesproken over een 'tweede teken'; dat betekent dat er dus ook een 'eerste teken' was. En het woordje 'wederom'; Jezus deed opnieuw een teken in Galiléa, nadat Hij Judéa achter Zich liet. Lees ik dat goed? Betekent dat iets belangrijks? Laten we eens gaan kijken.

Tweede teken, eerste wonder: de genezing

Dit 'tweede teken' blijkt volgens deze geschiedenis, te bestaan uit drie wonderen. Allereerst wordt dus gesproken over 'dit tweede teken'. Wat is het eerste teken geweest? Wel, dat was de verandering van water in wijn op de bruiloft te Kana. De vraag is: waarom wordt dit zo specifiek verteld? Naar mijn weten worden nergens wonderen of tekenen opgeteld. Er wordt ook niet doorgeteld, al zijn er uitleggers die dat wel doen; zij zien in die 'tekenen' die Jezus doet een betekende lijn (die tekenen vertellen samen dus een verhaal).
Dit is wat ik tegenkwam op oudesporen.nl Ik geef er direct bij aan, dat dit dicht bij inlegkunde komt; toch is het wel goed hier notie van te nemen en zo de tekst nog eens te bekijken.

Overzicht van de acht tekenen
  1. Water in wijn veranderd (Joh. 2:1-11): Overvloed van vreugde na het herstel van Israëls relatie met Jahweh in de eindtijd.
  2. Genezing van de zoon van een (Romeinse) hoveling (Joh. 4:46-54): Herstel van een gelovige rest (ook uit de volken), redding van de dood en nieuw leven door het geloof in Jezus’ woord.
  3. Genezing van een man die 38 jaar lang ziek was geweest (Joh. 5:1-18): De macht van de Zoon om levend te maken wie Hij wil, en dat tegenover de krachteloosheid van de wet die door bemiddeling van engelen was gegeven.
  4. Spijziging van de vijfduizend (Joh. 6:1-15): Christus, het ware manna, is het brood uit de hemel dat eeuwig leven geeft aan een ieder die gelooft. Hij is ook de Messias, die de armen van Zijn volk met brood verzadigt (Ps. 132:15).
  5. Jezus loopt op de zee (Joh. 6:16-21): Christus is de Meester van de stormen van de eindtijd, en Hij brengt de Zijnen veilig aan land.
  6. Genezing van de blindgeborene (Joh. 9): De Messias opent de ogen van het blinde volk, opdat zij Zijn heerlijkheid zien en Hem aanbidden (Jes. 35:5).
  7. Opwekking van Lazarus (Joh. 11:1-44): Herrijzenis en herstel van geheel Israël in de eindtijd (Ezech. 37; Dan. 12; Rom. 11:25vv.).
  8. Tweede wonderbare visvangst (Joh. 21:1-14): Een grote menigte uit de volkerenzee wordt ook gered en in het Vrederijk ingevoerd
Wat je hiervan ook vindt, feit is dat er in onze tekst wordt gesproken over 'tweede teken' en niet over 'tweede wonder'. Ik citeer opnieuw die bijbelstudie van Hugo Bouter, die uitlegt wat het verschil is tussen wonder en teken:
"Alle tekenen zijn tegelijkertijd ook wonderen, d.w.z. bovennatuurlijke werkingen van Gods macht. Het gaat hierbij om het opzienbarende effect dat wonderen hebben op degenen die ze waarnemen. Maar niet alle wonderen zijn tegelijk ook tekenen, want de Bijbel koppelt bijzondere lessen aan de tekenen. Er ligt specifiek onderwijs opgesloten in de tekenen, want er worden geestelijke lessen door meegedeeld. Bij de tekenen die in het evangelie naar Johannes beschreven worden, is dit heel duidelijk het geval en is er naast het bovennatuurlijke karakter en de werking van Gods macht steeds een speciale ‘be-teken-is’ op te merken.

De beperkte selectie van tekenen die in dit evangelie zijn beschreven (acht in totaal), heeft als doel dat wij zouden geloven ‘dat Jezus de Christus is, en dat wij gelovend het leven hebben in Zijn naam’ (Joh. 20:30-31). Het gaat steeds om wonderwerken die:
(1) de godheid van Christus onderstrepen,
(2) Zijn heerlijkheid openbaren,
(3) opdat wij door het geloof in Hem en in Zijn werk het eeuwige leven ontvangen.

Tweede teken, tweede wonder: de bekering

Binnen dit tweede teken gebeuren er een aantal dingen. De gezondmaking van de zoon van Chûsas is eigenlijk nog maar het voorportaal van het grote wonder dat daarop volgt: de bekering van Chûsas' hart. De HEERE had, zo zagen we al eerder, de ziekte van de jongen gebruikt om Chûsas bij Hem te krijgen. In een andere bijbelstudie las ik iets dat met nog niet was opgevallen: Jezus had dertig jaar in Nazareth gewoond en toen Hij op Zichzelf wilde gaan wonen, koos Hij Kapernaüm uit. Let erop: dat was ook de woonplaats van Chûsas! Al die tijd had Jezus vlakbij gewoon, maar nu loopt Chûsas de weg van Kapernaüm naar Kana om Jezus om genezing te vragen! Er was dus al 'voorwerk' gedaan door de HEERE. En Chûsas wachtte niet tot Jezus weer thuis was. Het feit dat Jezus juist in Kana was, zou de herinnering aan het eerste teken dat Hij deed kunnen hebben veroorzaakt. Wie weet dat hij zelfs dacht dat, als Jezus dáár is, gebeuren er wonderen; daar moet ik dus bij zijn!
Het verzoek om de genezing van zijn zoon had echter veel ingrijpender consequenties. Zijn hele leven zou veranderen, meer nog dan de gezondheid van zijn zoon. En niet alleen werd Chûsas bekeerd, ook zijn gehele huis(gezin) werd gelovig en diende de HEERE. Net als bij Lydia in Filippi en ook de stokbewaarder daar. En ik vermoed ook bij Cornelius. Wat een enorm wonder. Hier mag een vreemdeling uit de heiden (althans vermoedelijk is hij een Romein). Eerst geloofde de vrouw uit Sichar 'en heel haar stad', nu gelooft een hoveling aan het hof van Herodes 'en heel zijn huis'.
En dan te bedenken dat Jezus daar na verloop van tijd weer vlakbij in de stad gaat wonen. Wat is het heerlijk in de nabijheid van de Heere Jezus te verkeren. Pas na je bekering ga je de diepe waarde daarvan zien en ervaren. Ik snap wel dat Johanna Jezus is gevolgd naar Jeruzalem. Ze wilde net als Maria Magdalena de Heere Jezus vlakbij haar houden. En samen met nog enkele vrouwen zorgden ze voor Hem, onderweg, zodat Hij alle tijd voor de dienst aan Zijn Vader kon hebben. Wat moet dat Jezus goed hebben gedaan. Wat jammer dat de Roomse Kerk deze vrouwen tot half-goddelijk heeft verheven. Het was 'slechts' "al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus".

Tweede teken, derde wonder: de lokalisering

Er is nog iets wonderlijks in onze dagtekst. Dit tweede wonder deed Hij opnieuw, toen Hij in Galiléa aankwam, nadat Hij Judéa achter Zich gelaten had. Dat woordje 'wederom' vind ik op een opmerkelijke plek staan. Er staat niet enkel dat Hij een wonder deed, maar dat Hij dat 'opnieuw' deed toen Hij Judéa verwisselde voor Galiléa. Wat kan dat betekenen?
In Judéa had Hij misgunning ervaren en rivaliteit. Zijn tijd was nog niet gekomen en de akker van het geloof was er alles behalve toebereid. Je zou nog kunnen denken dat Hij dit tweede teken op de weg vanuit Judéa naar Galiléa deed, nadat Hij het eerste teken in Sichar had gedaan; dus twee tekenen op dezelfde weg naar Galiléa. Maar dat betekent het niet. Het is een herhaling van een eerder teken.
Was dat dan het teken in Kana? Inderdaad. Voorafgaand aan het verhaal van de bruiloft in Kana (Johannes 2) lezen we in Johannes 1 dat Jezus discipelen uitkiest. En dan lezen we dit in vers 44: "…des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galiléa, en vond Filippus…" Later zal Hij ook Nathanaël vinden die zo stellig zei: "Kan uit Nazareth (lees Galiléa) iets goeds komen?" Ja, daar kon zeker iets Goeds uit voort komen. Nadat Jezus Zijn goddelijke almacht had getoond, door hem te zeggen dat Hij Nathanaël al had gezien, nog voordat Filippus hem riep, nam Hij hem mee op zijn reis naar… Galiléa. Kom dan maar, Nathanaël en zie dat uit Galiléa iets Goeds kan komen. Hij nam hem en de andere discipelen mee naar die bekende bruiloft en toonde hem dat eerste teken van Zijn almacht.
En nu, opnieuw na een reis vanuit Judéa naar Galiléa, toont Hij hem het tweede teken van Zijn almacht. "Opdat gij gelovende het leven hebt!" Kan uit Galiléa iets goeds komen? In ieder geval is uit Judéa niet veel beters te verwachten. Jezus stelt hier Zijn 'geboortegrond' tegenover Zijn 'jeugdomgeving'. En hier prefereert Hij nog tot het uiterste dat verachte Galiléa. Maar laten ze daar niet prat op gaan! Want weldra zullen ze Hem uit de synagoge gooien en gooien ze de deur naar Zijn hart bijna dicht! "En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden!" Hij was gezonden tot het volk dat in duisternis wandelde, opdat het het grote Licht zou zien, maar het heeft niet gewild. Wat een waarschuwing! Zo dicht bij en toch zo ver af!

vrijdag 11 december 2015

Jezus bevestigt Zijn belofte exact


Op onze pelgrimstocht door het leven zijn er af en toe ontmoetingen die ons bemoedigen en het zicht op Thuis versterken.


"En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft. Zo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was; en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het op dezelve ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft."
Johannes 4 : 51-53a

In vers 47 en 49 zagen we dat Chûsas het woord 'afkomen' gebruikte. Dat heeft letterlijk de betekenis van naar beneden komen. Echter, Jezus ging niet mee naar beneden. Hij stuurde de man naar beneden en liet hem vergezeld gaan van Zijn Heilige Geest. De roeping van de man lag nog tot aan zijn sterven hier beneden. En dat geldt ook voor ons. Dat neemt niet weg dat Jezus ons bij tijden optrekt uit de diepten van dit aardse bestaan en ons even aan Zijn hart drukt, als voorproef van de eeuwige heerlijkheid. Een van die 'knuffels', met eerbied gesproken, ondervindt de man onderweg, terwijl hij de weg afdaalt van Kana naar Kapernaüm.

De volharding van vandaag

Toen God Abram riep uit Ur – en later uit Haran – gaf Hij hem slechts een bevel om te vertrekken. En hij ging, zonder iets te zien van waar God hem uiteindelijk zou brengen; geen idee waar hij uit zou komen en – naar ik vermoed – ook vast weleens twijfelend of het allemaal wel waar was wat hij had gehoord. Die reis duurde ettelijke jaren; wat een momenten zijn daarin geweest waar de satan had  kunnen binnendringen in het geloofsleven van Abram. De Bijbel zwijgt erover; stelt slechts dat hij volhardend doorreisde in het geloof, zonder de stad te zien of te kennen waarheen hij op weg was.
Deze hoveling Chûsas – laten we maar aannemen dat hij het is – wordt ook op pad gestuurd, zonder dat hij zekerheid heeft over de situatie van zijn lieve zoon. Er was nog geen WhatsApp, geen SMS of andere datacommunicatie om verbinding te hebben met het thuisfront. Hij had ook geen snelle Ferrari om zo snel mogelijk naar Kapernaüm te sjezen. Hooguit reed hij op een rijdier, maar dat is niet aannemelijk als we op de tijden letten die we lezen in de tekst. Want we lezen dat de reis van 25-40 kilometer nog niet ten einde is, als hij de volgende dag tijdens zijn afdaling zijn knechten tegenkomt, die inmiddels ook al een flink stuk hebben omhoog gelopen!
Tot dat moment moet zijn innerlijke gemoedsgesteldheid het doen met geloof, zonder aanschouwen. Het staat er slechts in een paar woorden, maar het is goed dat we daar even goed bij stilstaan. Herken je dat? Dat je niet kunt overzien waar het heen zal gaan in dit leven; dat het niet troost, wanneer je speculeert dat zekerheid misschien over een week, een maand of een jaar zal komen? Deze man heeft in onze ogen alles tegen qua religieusiteit ten opzichte van ons; maar hij mag een goed voorbeeld voor ons zijn. Hij gaat vandaag reeds in het geloof en de HEERE rekt die spanningsboog van dat geloof niet tot het oneindige op; luister maar.

De ontmoeting van morgen

Het is de andere dag. Hoe onwerkelijk zal de situatie in het hart van deze man zijn geweest. De herinnering aan het gesprek met Jezus, gisteren, ligt nog wel vers in zijn geheugen, maar met die herinnering moet hij deze morgen weer verder, op weg naar zijn jongen. Het verlangen naar huis maakt zijn voeten vaardig.
Hij heeft alweer enige tijd gelopen – is het een uur geweest of zijn het misschien wel vijf uren geweest? – als hij in de verte mensen ziet aankomen die hij kent. En wat meer, zij herkennen hem ook! Het zijn knechten uit zijn huishouding. Druk zwaaiend rennen ze de afstand tussen hun heer en zichzelf dicht. Wat kan dat betekenen? De man zal niet direct hun gezichten hebben gezien; het stralen van hun ogen was nog niet waarneembaar. Is het foute boel? Is zijn jongen tóch overleden… aanvechting en twijfel liggen zomaar op de loer, al lezen we er niets van!
Maar ze staan nog niet vlak voor hun heer, als hij al wel weet waarom ze hem tegemoet zijn gelopen: "Uw kind leeft!" Onwillekerug vraag je je af: waarom zijn deze knechten eropuit gestuurd? Want zij zullen niet zelf naar hun heer zijn gelopen; iemand moet hen hebben gestuurd. De jonge zoon? Of de moeder, Johanna? Ze hebben er bewust voor gekozen Chûsas niet langer in het ongewisse te laten. Daar spreekt liefde uit. Hij ging met zo'n bezwaard en bedroefd hart van huis! Nu willen ze hem zo snel mogelijk blij maken. De houding die je vandaag de dag nogal eens tegenkomt, "O, hij zal het vanzelf wel een keer horen", was hen vreemd. Ze waren dolgelukkig en wilden Chûsas er zo snel mogelijk in betrekken. Ze lijken wel op de herders die net uit de stal in Bethlehem komen. Of net als die vrouw uit de gelijkenis die haar penning weer gevonden had; of die herder, die zijn schaap had terug gevonden.

De bevestiging van gisteren

Al met al is er een dag verstreken. Het eerste dat Chûsas doet is vragen naar het tijdstip waarop de jongen is genezen. Zijn knechten weten het hem tamelijk precies te melden en terugrekenend concludeert hij dat die tijd exact overeenkomt met het moment waarop Jezus hem wegstuurde met de mededeling dat zijn zoon was genezen. Sterker nog: de knechten gebruiken dezelfde woorden als Jezus: "Uw zoon leeft!" (al noemen zij hem 'kind' in plaats van 'zoon'). Ze zeggen niet "uw kind is weer gezond", of "hij is weer beter geworden". Ook spreken ze niet over "hij is aan de beterende hand". De stelligheid waarmee Jezus' wonder wordt bekrachtigd is kenmerkend voor het werk van Christus. Geen half werk.
Met name die match met het tijdstip van de genezing is voor de man – wanneer hij werkelijk rentmeester Chûsas is – van doorslaggevend belang geweest. Het moet cijfermatig, exact kloppen. En het klopt! De man komt mij niet over als een zweverig gevoelsmens; meer als een rationele denker. Daarom is het eerste dat hij vraagt niet "Hoe is het gegaan?", maar "Om welke tijd werd mijn zoon gezond?".
De koorts was om zeven uur geweken; dat betekent volgens onze tijdsindeling: rond 13.00 uur. De man had Jezus dus midden op de dag ontmoet, net als die vrouw uit Sichar! Jezus werkt de hele dag! Op het snikheetste moment zelfs. Ik ga ervan uit dat de man niet direct is omgekeerd op dat snikhete moment, maar toch zal hij de vorige dag nog wel een uur of vier hebben kunnen lopen. Ik vermoed dat de knechten vrijwel direct na het wonder van de genezing zijn vertrokken; wellicht wilde Johanna het nog even afkijken, omdat zij niet kon begrijpen wat er zo opeens gebeurde met haar kind. Jezus was er immers nog niet en tóch werd haar zoon opeens gezond! Het leek haar een wonder buiten Jezus om; niets was minder waar.
Maar terugrekenend zullen ze dus vandaag hooguit een uur of twee hebben gelopen en elkaar ergens halverwege in de heuvels van Galilea hebben ontmoet. Merkwaardig dat ze elkaar tegenkwamen; ze moeten van elkaar geweten hebben welke weg gebruikelijk was. De HEERE brengt deze twee groepen reizigers met elkaar in contact en samen mogen ze genieten van de wonderen des HEEREN. Daarna mogen ze samenop naar huis wandelen!
Want Chûsas kon natuurlijk precies vertellen wat er was gebeurd, waardoor zijn zoon gezond was geworden. Zulke ontmoeten mogen er regelmatig zijn: pelgrims die elkaar onderweg spreken en geestelijke ervaringen mogen uitwisselen met elkaar, zodat soms de dingen weer op hun juiste plek vallen en ze goedsmoeds, toegerust mogen voortreizen naar Huis.

donderdag 10 december 2015

Waarom we niet altijd een bevestiging krijgen

 
"Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft.
En de mens geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging heen."
Johannes 4 : 50

Wat zou je zulk soort nieuws graag uit Jezus' mond horen! "Ga heen, je geliefde is gezond", "Ga heen, je problemen zijn over" of "Ga heen, je kind is wedergeboren". Zou je het geloven, als Hij het je zei, zonder dat je dat ter plekke kon checken? Zou je niet twijfelen, als je zulke berichten kreeg; toch ergens in je achterhoofd een reserve? Of – en dat is ook mogelijk – zou je na zo'n bericht achterover gaan leunen, omdat wedergeboorte onuitwisbaar en onverbrekelijk is? Daarmee zou je een gearriveerd christen zijn; maar kan dat wel?

Horen

Bij het nadenken over deze tekst vond ik een vertaalde preek van Spurgeon over dit gedeelte. Soms heeft Spurgeon een hang naar  inlegkunde en gaan refo's in Holland daarmee aan de haal in het vertalen van zijn preken. Deze preek neigt daar ook naar; er wordt ingegaan op de vonk van geloof bij de man, die Spurgeon ook mogelijk als Chûsas aanwijst. In de preek staan een aantal waardevolle dingen die ik hier en daar inlas. Bijvoorbeeld dit:
"Mogelijk had hij er nooit aan gedacht om Jezus te zoeken als het niet was geweest om die dierbare stervende knaap. Hoe vaak gebeurt het, dat kinderen, ofschoon het geen engelen zijn, nochtans gebruikt worden om beter werk te doen dan engelen zouden kunnen volbrengen; want zij leiden op zoete wijze hun ouders tot God in de hemel. Zij slingeren zich om ons hart, en als wij dan zien dat zij ziek worden, en hun pijnen merken, wordt ons medegevoelend hart door angst en benauwdheid aangegrepen, en wij roepen uit: "O God, spaart Gij mijn kind! Heere, ontferm U over mijn kleine lieveling!" De eerste gebeden die uit menig hart voortkomen, worden, onder Gods bestel, ontlokt door de smart over teer beminde kleine kinderen. Staat er niet geschreven: "En een klein jongsken zal ze drijven?" Zo was het bij deze man; hij werd door de onrust, door de angst om een kind, tot Jezus gebracht. Op dit ogenblik ligt de gedachte mij sterk bij, dat ik tot sommige personen het woord richt, die niet bekeerd zijn, maar hier zijn gekomen, omdat zij in grote benauwdheid verkeren; mogelijk wel, dat één van hun geliefde kleinen wegkwijnt, en hun hart roept tot God, dat, zo het mogelijk is, het dierbare leven gespaard moge blijven. In het huis des gebeds gevoelen zij zich enigermate verlicht, hun hart is anders op het punt om te breken vanwege het verlies, dat zij zozeer duchten. Hoezeer bid ik onze Heere, dat Hij deze onrust moge gebruiken als een middel der genade!"
Wie God wil horen spreken moet wel bij Hem komen: in Zijn huis, maar ook in Zijn Woord en in het gebed. Deze man moet een corrigerend voorbeeld voor je zijn, wanneer het lijkt dat je God niet hoort/bemerkt, maar je toch verder niets onderneemt. In al zijn verdriet en zorg krijgt Chûsas een antwoord op zijn vraag. Maar wat zal hij ermee doen?

Geloven

"Oké, dan zullen we maar snel gaan," besluit Jezus, terwijl Hij de man in de ogen kijkt. Dat zou deze man hebben verwacht; zijn hartekreet vroeg om snelle reactie van Jezus. Hij lijkt wel een beetje op Naäman die bij Elisa aanklopt en alvast in zijn verbeelding bedenkt hoe het zal gaan verlopen. Elisa zal zul of zo zeggen of doen… Niets van dat al: "Was u zevenmaal in de Jordaan…". Deze man had ook zo'n voorstellingsvermogen en dacht dat Jezus wellicht machtig was, maar toch wel lijfelijk aanwezig moest zijn bij zijn zieke zoon. Echter, Jezus stuurt hem met dezelfde stelligheid weg als Elisa met Naäman deed.
“Vele mensen zouden door hun verstandelijke vooroordelen de Heere der genade wel willen binden aan een bepaalde weg om hen te behouden; maar onze Heere wil Zich niet aldus onder bedwang laten brengen; waarom zoude Hij dat ook doen? Hij wil behouden die Hij wil, en Hij wil redden zoals Hij wil. Zijn evangelie is niet: "Gij moet zo en zoveel verschrikkingen en wanhoop ondergaan, en gij zult leven", maar "Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig  worden." Hij komt tot velen en roept hen met kracht door het zacht gefluister van Zijn liefde; zij stellen slechts hun vertrouwen op Hem en genieten onmiddellijk rust. Met weinig treffend gevoel, hetzij van verschrikkelijke, hetzij van opwindende aard, oefenen zij met een kalm gemoed een kinderlijk vertrouwen op hun gekruisigden Heere, en zij vinden het eeuwige leven. Waarom zou het met u niet zo zijn? Waarom zoudt gij uzelf buiten alle troost sluiten door een programma op te stellen en te vragen, dat de vrije Geest Zich daaraan houdt? Laat Hem u behouden gelijk Hij wil. Weg met dwaze vooroordelen!



Wat moest hij doen? Er was niets te zien, niets te verifiëren. Als hij nu niet zou aanhouden bij Jezus en naar huis zou gaan, dan zou hij zijn zoon wellicht dood aantreffen. Hij moest Jezus er toch van overtuigen dat Hij écht mee moest?! We lezen er niets van. Er staat dat ontstellende, verrassende en verblijdende: "en de mens geloofde het woord tot hem zeide."
“Merkt op, dat dit geloof zulk een klein geloof was, dat het slechts betrekking had op het genezen van het zieke kind. De koninklijke hoveling wist niet, dat zijn eigen hart genezing van node had; hij bemerkte zijn eigen onkunde aangaande Jezus en zijn blindheid ten opzichte van de Messias, niet; wellicht was het hem onbekend, dat hij behoefte had aan de wedergeboorte; en evenmin verstond hij het, dat de Zaligmaker hem geestelijk leven en licht kon schenken. Hij had weinig kennis van de geestelijke macht van de Zaligmaker, en aldus was zijn geloof zeer beperkt van omvang. Wat hij geloofde was, dat de Heere Jezus, als Hij tot zijn huis wilde komen, zijn kind kon behoeden voor het sterven aan de koorts. Zover was het met hem; en het geloof dat hij bezat, wendde hij terstond aan tot een praktisch gebruik.






Bij Jezus komen met een verzoek – Spurgeon wijst daar ook heel sterk op – verschaft je nog geen recht dat Hij zal horen. Niettemin mag er grote verwachting zijn op Zijn genade. Pleiten op Zijn genade is eerlijk toegeven dat je niets verdient en toch alles verwacht van Hem.
Let op de drangreden, die hij gebruikt. Hij smeekte Jezus om af te komen en zijn zoon te genezen, want deze lag op zijn sterven. Hij stelde geen verdienstelijkheid op de voorgrond, maar bepleitte het diep treurige van het geval. Hij wees er niet op, dat de knaap van aanzienlijke geboorte was – dat zou een zeer slecht pleiten bij Jezus geweest zijn; ook stelde hij niet op de voorgrond, dat het een beminnelijk kind was – dat zou al een onbeduidende drangreden geweest zijn. Neen, hij pleitte, dat hij op zijn sterven lag. Dat hij in zijn uiterste lag, dat was de reden voor de aandrang; het kind was aan de poort des doods, daarom smeekt de vader, dat de deur der genade moge worden geopend. Wanneer gij, mijn vriend, door genade geleerd hebt om op de rechte wijze te bidden, zult gij die feiten op de voorgrond plaatsen, welke uw eigen nood en gevaar openbaren, en niet die, welke u rijk en rechtvaardig zouden doen schijnen. Bedenk hoe David bad. "Heere", zeide hij, "vergeef mijn ongerechtigheid, want zij is groot." Dat is een evangelisch pleiten. De meeste mensen zouden gezegd hebben: "Heere, vergeef mijn onrechtmatigheid, want zij was verschoonbaar en reikte op verre na niet tot de afschuwelijkheid van mijn medemensen." David wist het beter. Zijn geroep luidt: "Vergeef mijne ongerechtigheid, want zij is groot."
Bepleit bij God, arme zondaar, de grootheid van uw nood, het ellendige van uw toestand; zeg, dat gij op uw sterven ligt; zeg, dat de zaak, waaromtrent gij pleit, een zaak van leven of dood is; dit zal een drangreden zijn, die er op berekend is om het hart, dat met oneindig mededogen vervuld is, te bewegen. Iedere tint van goedheid, welke uw trots in verzoeking mocht brengen op de schilderij te werpen, zou ze bederven: leg de zwarte kleuren er maar dik en driedubbel op.
Pleit bij God, terwijl gij u beroept op Zijn genade; want genade is het enige, waarop gij met hope u gronden kunt in uw toenadering tot Hem, gij, die een zondaar zijt, welke nog geen vergiffenis heeft ontvangen. Gij kunt de Heere niet vragen u te zegenen vanwege enigerlei verdienste of waardigheid, die gij bezit, want er is geen spoor van zoiets bij u aanwezig; maar gij zult wijs handelen, wanneer gij uw noden voordraagt. Roep: "o God, wees mij genadig, want ik heb Uw genade van node!" Leg het geval met uw kind bloot en zeg: "Want hij ligt op zijn sterven." Dit is de sleutel, die de deur der genade opent. Volgt gij mij, waarde toehoorders, gij, die niet bekeerd zijt? Is er in ieder geval in u een begeerte om tot de Heere Jezus Christus te komen, al is het dan ook alleen, omdat een tijdelijk leed u zwaar terneer drukt? Een paard heeft geen dozijn sporen nodig om het vooruit te krijgen. Die, welke nu uw zijde wonden, zijn scherp genoeg, en zij worden zo diep ingedrukt, dat gij het wel moet gevoelen. Luistert er naar, opdat er niet een zweep zowel als sporen nodig zijn om u in beweging te krijgen. Indien gij tot het uitverkoren volk des Heeren behoort, zult gij moeten komen, en hoe bereidwilliger gij dit doet, des te beter zal het voor u zijn. Komt terstond. Wees niet gelijk een paard, of gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft; maar komt tot Jezus, terwijl Hij zachtjes trekt. Al is het ook met zulk een zwak geloof, dat gij vreest dat het eerder ongeloof dan geloof is, nadert nochtans tot Hem. Komt juist zoals gij zijt, en ziet biddend naar Jezus op; want in dat bidden zal de hoop, ja de zekerheid der bevrijding liggen. Het grote hart van Jezus zal uw gebed gevoelen en zeggen: "Gaat heen in vrede."

Doen

Hij gaat! Hij gaat! Vind je dat geen wonder? Leg je eigen vertrouwen er eens naast? Als jij hetzelfde zou hebben gedaan, dan nóg zou je het een wonder blijven vinden, omdat je weet hoe groot het wonder in jouw eigen hart zou zijn. Laat staan als je dit niet herkent in je eigen leven en totaal het vertrouwen mist om Jezus op Zijn woord te geloven.
De man ging en we zullen in een van de komende dagen horen en zien dat Jezus hem onderweg toch nog een bevestiging gaf, voordat hij thuis was! Een numeriek, rekenkundig teken zelfs.
Het is zo'n bekend spreekwoord: 'we brengen wel alles bij de HEERE in het gebed, maar we nemen het na het 'amen' voor het merendeel weer op en sjouwen door'. Juist dan, wanneer je niet kunt merken/zien dat God zal verhoren of zelfs al verhoord heeft. Ik blijf dat vertrouwen een lastige zaak vinden; en juist dat doet mij verlangen naar de Jongste Dag, waarop ik nooit meer wantrouwende gevoelens in mijn hart voel opkomen. Wanneer ik Hem altijd en volkomen vertrouw, dien en liefheb.

woensdag 9 december 2015

Worstelen voor het behoud van je kind

Op deze reliëfkaart van Israël kun je zien dat Kana (Cana) beduidend hoger lag dan Kapernaüm (Capernaum),
hemelsbreed ruim 25 kilometer van elkaar verwijderd; dit voor de beeldvorming bij het tekstgedeelte van vandaag.

"En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.
Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem,
dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.
Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.
De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft."
Johannes 4 : 46b-49

De koninklijke hoveling – laten we hem voor het gemak maar Chûsas noemen – kwam met een dringend en dwingend verzoek bij Jezus. Zijn kind – later zal blijken dat het een zoon was – is stervende. Wat lopen we hard als één van onze kinderen ernstig zie is. Het drukt op ons, als hun gezondheid in gevaar is. Maar hoe zit het met onze zorg om hun geestelijke gezondheid? Want al onze kinderen liggen op sterven (ze zullen eenmaal, en wie weet hoe snel al) moeten sterven; zijn ze bereid om Jezus te ontmoeten? Is hun leven in Zijn hand geborgen?

Een noodkreet

De zieke zoon – hoe oud zal hij geweest zijn? – blijkt met de beste medicijnen niet te genezen. De vader van deze jongen is vast en zeker goed bemiddeld, maar geld baat niet. Zullen de ogen van Johanna haar man hebben gesmeekt af te reizen naar Kana? Zullen de koortsige ogen van de jongen zijn vader gesmeekt hebben naar die grote Medicijnmeester te vluchten?
Zacheüs wilde Jezus ook eens graag zien, maar schaamde zich voor de mensen op straat; daarom klom hij in een vijgeboom. Deze man is er eentje van de hofhouding van de collaborateur Herodes. Mensen zullen vast wel misprijzend naar hem hebben gekeken. 
Een tijd geleden had een overste over honderd uit datzelfde Kapernaüm Jezus ook al eens geroepen voor zijn doodzieke knecht (Mattheüs 8 en Lukas 7); toen waren de overpriesters zelfs nog voor de man in de bres gesprongen bij Jezus: "Hij is waardig, dat Gij hem dat doet; want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd." Zeker was daar voor hen bijzonder veel voordeel bij, dat deze overste zou worden geholpen. Het lijkt erop dat Chûsas een stuk minder populair was tot dit moment.
Na al die denkbeeldige drempels te zijn overgegaan, komt hij dan eindelijk bij Jezus en smeekte Hem dat Hij zijn zoon zou genezen. Die andere hoofdman uit Kapernaüm had benadrukt dat Jezus niet onder zijn dak behoefde in te komen: "Spreek slechts één woord en mijn knecht zal genezen." Zou Chûsas daar iets van hebben meegekregen? Toch vraagt hij – op het risico af dat zijn zoon het niet zou overleven – dat Jezus met hem meegaat naar zijn huis. Er is niettemin haast geboden. Een noodkreet… wat zou dat doen bij Jezus?

Een loze kreet

"Komt allen tot Mij…" heeft de Heiland eens gezegd. Een uitnodiging dat de deur altijd open staat. Bij Hem vind je een luisterend oor. Maar kijk eens naar Jezus' gezicht! Hij kijkt de schare rond, nadat Chûsas zijn noodkreet heeft geuit: "Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven." De Kanttekeningen geven deze tekstverwijzing door uit 1 Korinthe 1, waar we in vers 21-24 lezen:
"Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven; overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods."
De begeerte om iets bijzonders mee te maken beperkt zich eigenlijk niet alleen tot de Joden. Dat zit ons – zeker als we gevoelsmensen zijn – allemaal wel in het bloed. Terwijl de nuchtere Griek – de wat meer filosofische en rationele mens – het pas accepteert, als hij het begrijpen kan. Wat een sta-in-de-wegs! Jezus spreekt over 'tekenen' en 'wonderen'. Teken is een woord dat staat voor 'een gebeurtenis die zo bijzonder, buiten het normale, geschiedt dat het iets bovennatuurlijks duidelijk maakt' of 'een duidelijk teken waardoor je kunt weten dat God dit wil of doet' en wonder betekent 'voorteken' of 'wonderlijke verrichting door iemand'. Die woorden lijken elkaar te overlappen, maar er zit denk ik wel een bepaalde nuancering in deze twee woorden. Vooral het woord 'teken' legt duidelijk ene link met God. Jezus moet eigenlijk bewijzen met deze dingen dat Hij God is.
Het is niet duidelijk of Jezus dit tegen Chûsas zegt, of juist tegen de omstanders, of allebei.
En ik denk dat ik er niet ver naast zit dat het jou en mij meer dan eens is overkomen dat we ook door dit soort begeerten worden overmand en een teken, een briefje uit de hemel, begeren. Juist als het gaat over toekomende dingen. Ons werk, onze gezondheid, ons geestelijk leven en de verdieping daarvan; maar zeker ook de zorgen rond de zielen van onze kinderen of ouders of broers en zussen.
Geloven moet het zonder tekenen en wonderen kunnen. Maar is het Avondmaal er niet een teken van dat de HEERE weet heeft van de zwakheid van ons geloof: daar krijgen we tekenen 'voorgeschoteld' zodat we kunnen smaken en tasten dat het écht waar is!
De woorden van Jezus klinken hier wel als een verwijt; de roep om wondertekenen is ten diepste een loze kreet. Het gaat ons in dat geval om de tekenen op zich en niet om de betekende zaak! Het Avondmaal echter is een liefdevolle neerbuiging van God naar ons zwakke hart. En dat teken mogen we dankbaar gebruiken!

Een hartekreet

Terug naar Chûsas; "Heere, kom af, eer mijn kind sterft!" Het is niet alleen het feit dat zijn zoon ziek is, waardoor hij de druk op Jezus opvoert, maar vooral het feit dat er haast geboden is. "Kom toch snel, voordat mijn kind sterft!" Bedenk daarbij dat de loopafstand meer dan 25 kilometer was!
"Kom af…" (kata'baino): 'naar beneden komen' (die woord wordt wel gebruikt voor hemelse wezens die naar de aarde afkomen); 'gezonden worden' of 'terneer geworpen worden in de diepste toestand van ellende en schande'. Chûsas zal dat laatste er zeker niet bij hebben bedacht, maar het eerste waarschijnlijk wel. De hoogteverschillen in het landschap zullen ervoor gezorgd hebben dat Chûsas sprak van 'afkomen', vanwege dat Kana wellicht een stuk hoger lag dan het bij de zee gelegen Kapernaüm (zie het kaartje bovenaan).
Toch is een vraag aan Jezus om mee te komen vanuit Hem gezien ook een 'afkomen'; Hij moet zich vernederen om bij mensen te komen. En hóe heeft Hij dat gedaan, door te worden geboren in een beestenstal. Hij daalde af in ons menselijk vlees, vanuit Zijn hemelse heerlijkheid. "Daal neer, HEERE, in ons door de zonde verworden bestaan. Kyrie eleison: Heere, ontferm U onzer!"
We weten dat Christus wederkomt. Opnieuw zal Hij neerkomen naar ons (en wij Hem tegemoet…) De kerk roept in toenemende mate: "Kom, Heere Jezus, ja kom haastig!" Maar bij die diep doorleefde uitroep bidt ik toch ook: "Heere, kom af in het hart van mijn kinderen, eer ze sterven!" Vul maar in, wie jij op het oog hebt, die nog gered moet worden. Misschien dat ene kind, die ene zoon, die geestelijk op sterven ligt, met de eeuwigheid voor ogen… Schijnbaar onbereikbaar. "Daal, o Heilige Geest, af in hem, eer mijn kind sterft!" Een hartverscheurende hartekreet in het zicht van de Jongste Dag.