Posts tonen met het label de HEERE. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de HEERE. Alle posts tonen

donderdag 1 februari 2018

De twee vrienden en het teken van de Ezel-steen

De vriend van de gezalfde - III

Daarna zeide Jónathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uw zitplaats zal ledig gevonden worden. En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af
en ga tot de plaats waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling; en blijf bij den steen Ezel.
1 Samuël 20 : 18-19

Het lijkt haast wel een jeugddetective. Maar die steen is toch wel een bijzonder ding in dit verhaal. Eerst maar even naar de strekking van dit gedeelte. Jonathan bespreekt zijn plan met David; een plan dat moet worden gemaakt, zodat David en hij los van elkaar kunnen acteren, teneinde de boodschap helder over komt, maar niemand enig risico loopt. Het plan begint met de plaatsbepaling (vers 18-19); vervolgens de uitvoering ervan (vers 20-22) en tenslotte de bezegeling van dat plan (vers 23). Voor deze Bijbelstudie beperken we ons tot de plaats.

De vraag die David had gesteld was (vers 10): “Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt?” Jonathan had hem aan zijn mouw getrokken en mee naar buiten genomen. Mee naar een specifieke, bekende plek. De Kanttekeningen vertellen dat het de plek is “waar gij en ik gewoon zijn naartoe te gaan, als wij wat heimelijks met elkander te spreken hebben.” Samen een vaste, stille, plek hebben waar de vreugde of verdriet van je hart deelt, is een mooie gewoonte. De binnenkamer is een ruimere plek dan alleen het kamertje in je huis waar je stil met God bent. Het is een unversele plek, waar je Gods nabijheid het meest effectief voelt. Hannah ging naar de tabernakel bij Eli, maar Jezus zocht vaak een plek op de berg. En dat zijn nog plaatsen waar je zélf naartoe wordt getrokken, om stil te zijn met God. Maar heb je ook zulke plekken, of gebieden, waar je het prettig vindt met je hartsvriendin of hartsvriend te praten? Een plek die makkelijk te bereiken is en toegankelijk voor beiden. Het kan zelfs een tafeltje in een bistro zijn. Maar met voldoende privacy, zodat emoties zich onbelemmerd een weg kunnen banen.

De tijd die Jonathan noemt is ‘drie dagen’. Hij spreekt zelfs over ‘uitblijven’. Dus David moet zich gedeisd, buiten beeld, houden. Immers, ze hadden een plan gemaakt, waarbij David het feest van de nieuwe maan(d) zou gaan vieren bij zijn thuisfront. Vandaag de dag is dat sneller te controleren, met mail, sms en whatsapp; of wat dacht je van face-time? Drie dagen moest David zich onzichtbaar maken, maar… in de buurt blijven. Daarna zouden ze elkaar hier zien.

Ondertussen zou de maaltijd in het paleis beginnen, terwijl de stoel, of rustbank, van David leeg zou blijven. “Men zal u missen”, stelde Jonathan geheel realistisch. De andere paleisbewoners zouden hem missen, zoals Davids vrouw Michal. Rare situatie eigenlijk! Ook Jonathans moeder zou hem missen en natuurlijk de hogere militairen en de trawanten, het elitekorps van Saul. Die stonden immers op scherp om bij elke kleine aanwijzing op David aan te vallen.
Maar de belangrijkste persoon die David zou moeten missen is koning Saul. Davids lege plek zou bij hem vragen moeten oproepen, omdat Saul het meest geëerd wordt als iedereen onvoorwaardelijk en van ganser harte gehoor zou geven aan de uitnodiging voor deze maaltijd. Daarover zou hij misschien zijn wenkbrauwen fronsen om vervolgens verbaasd te informeren: “Hé, waar is David eigenlijk? Weet iemand waar hij blijft?” Voor die situatie had Jonathan een antwoord klaar liggen dat David had gedicteerd: “David heeft van mij zeer begeerd, dat hij tot zijn stad Bethlehem mocht lopen; want aldaar is een jaarlijks offer voor het ganse geslacht.” Als Saul verder geen dubbele agenda zou hebben, zal hij natuurlijk antwoorden: “O, goed hoor!”
Maar als hij toch andere plannen met deze maaltijd heeft, en juist David vlakbij wenste om hem uit de weg te gaan ruimen, dan zal hij ziedend zijn, omdat David hem doorzien heeft. Saul zal zich ­opvreten omdat David hem te glad af is en wellicht zal hij nog extra verbolgen zijn omdat hij deze streep door zijn rekening zal wijten aan Gods Geest, die Saul heeft verlaten en David beschermt. Let daarom op hoe hij reageert! Want als hij ‘ontstoken’, zwaar geïrriteerd of ziedend, zal reageren, dan weet je dat hij ‘het kwaad ten volle besloten heeft’. Het kwaad: de moord op zijn schoonzoon en concurrent.

Zouden David en Jonathan niet hebben gerekend met de ­mogelijkheid dat Saul, aangeblazen door satan, Jonathans dubbelrol doorzien heeft? Want je kunt natuurlijk van Saul zeggen dat hij een dubbele agenda had, maar Jonathan had dat in zeker opzicht ook. Al duiden wij dat positief natuurlijk, maar toch. Nee, het lijkt erop dat ze beiden toch uitgaan van die ontmoeting die óf verlossend zal zijn voor beiden, óf een definitief einde zal betekenen van hun contact.
Beiden spreken ‘drie dagen’ af: een periode die duidelijk moet maken hoe de hazen lopen bij Saul. Drie dagen wachten! Je komt die ‘drie dagen’ enorm vaak tegen in de Bijbel: Jacob met zijn gespikkelde schapen bij Laban, de schenker en de bakker bij Jozef in de gevangenis, Esther voordat ze naar de koning ging, Jona in de vis, het volk bij Jezus, Jezus in het graf, Paulus verblind in Damaskus… Drie dagen op Gods antwoord wachten. Weliswaar door de middellijke weg, maar toch Zijn antwoord. Met alle consequenties van dien. Niet halsoverkop, niet in een dolle bui of in een vlaag van ­verstandsverbijstering, maar in zekere zin weloverwogen en duidelijk.
Ook niet passief, lijkt me, al lees ik er niets over. De aanbevolen gebedshouding is dat we ‘wachten’ op (verlangend uitzien naar) de HEERE. En dat wachten moest elders, op een niet nader bepaalde plek gebeuren. Maar na die drie dagen, zo lezen we in vers 19, moest David zo snel mogelijk terugkomen naar ‘deze plek’. Dat is die plek, zagen we gisteren, waar hij eerder zich verborgen had gehouden, toen Jonathan met zijn vader over David sprak. Tóen had Saul nog klip en klaar gezegd dat hij ‘natuurlijk David niets wilde aandoen’.

En daar op die plek staat een markeerpunt, een steen, die de naam ‘Ezel’ draagt. Natuurlijk niet vernoemd naar ons dier, de ‘ezel’. Nee, het hebreeuwse woord ‘ezel’ (het is dus onvertaald gebleven) betekent ‘vertrek’ of ‘weggaan’. Het lijkt erop dat David en Jonathan die steen toen, of drie dagen later, die naam gaven. Want het wordt genoemd een ‘gedenksteen tussen Rama en Nob’. De Kanttekeningen leggen hierbij uit: “bij den steen die den weg aanwijst, dat is, een steen die aan den weg staat en wijst den reizenden man wat weg hij moet ingaan” of “den steen van den gang”. De steen die de wegwijst. Misschien heel eenvoudig een ‘wegwijzer’: linksaf nog 3 kilometr naar Nod, rechtsaf nog 2 kilometer naar Rama… zo iets.
Hier, bij deze steen, vragen ze eigenlijk aan God: “HEERE, wijst U ons de richting aan die we zullen moeten opgaan”. Straks zal blijken wát die richting zal worden. “HEERE, wat wilt U dat ik doen zal?” Echte vriendschappen kennen zulke stenen. Je deelt er je kwetsbaarheid en je vragen. En het kan zijn dat je beiden een verschillende richting zult moeten inslaan. Uiteenlopende wegen. We hebben dat met onze vrienden ook ervaren in 2004, toen de een de PKN in moest gaan en wij de HHK. Maar de vriendschap bleef. Een verschillende roeping, fystiek uiteengedreven, maar… geestelijk bleef er de band.
Het teken van de ‘Ezel-steen’ vormt ook een markeringspunt in je vriendschap. Je kunt er weer naar teruggaan en die momenten herbeleven. Maar vooral Gods zorg en erbarmen samen belijden en bezingen. Stel dat je naar zo’n steen terug moet gaan en er pijnlijk aan wordt herinnert dat je een zondige weg bent ingeslagen! Bekeersteen.

donderdag 21 december 2017

Als God je vader aan de kant schuift

De fan van de muzikant - I


Toen zeide Samuël tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.
1 Samuël 15 : 28


De eerstvolgende keer dat we de naam van Jonathan weer lezen in de Bijbel, is pas in hoofdstuk 18, na de overwinning op Goliath. Al direct in het eerste vers lezen we: “Het geschiedde nu, als hij (David) geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.” David is op dat moment nog slechts ‘de muzikant’ aan het hof. Nou ja, hij heeft dan weliswaar een reus ‘omgelegd’, maar dat is ook het enige. Meer dan dat heeft Jonathan niet van David meegemaakt. En de klik die Jonathan heeft ervaren in Davids woorden is ook al bijzonder, want zo geweldig zijn die woorden van David niet: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, den Bethlehemiet.” Dus… onmiskenbaar is de Heilige Geest hier aan het werk, waardoor deze twee zielen aan elkaar worden verbonden.

Maar wat ging eraan vooraf? Hoewel de naam van Jonathan niet wordt genoemd in de voorgaande hoofdstukken, is hij er wel degelijk bij! En die gebeurtenissen zijn onmiskenbaar van invloed op het innerlijke leven van Jonathan. Laten we even teruggaan naar waar we gebleven waren: hoofdstuk 14. In de laatste verzen lezen we: Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde. De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal. En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël. En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.
Allemaal interessante gegevens, die van invloed zijn over de toekomstige geschiedenissen van zowel Jonathan als David! Slechts kort: Saul ontwikkelt zich als een strateeg, en misschien zelfs als een dictator. Met een neus voor goede militairen: mannen waarop hij kan vertrouwen (dat zie je vaker bij dit soort leiders). Jonathan is één van die leiders en dat is wel opmerkelijk als je het voorgaande in dit hoofdstuk leest! Immers, Jonathan lag beter bij het volk dan Saul zelf. Dat had ook Jonathans leven kunnen kosten.
Ook lezen we de naam van Sauls neef, Abner, die later bij David een vooraanstaand – en afgewezen – generaal zal zijn. En tenslotte lezen we er de naam van Michal, de latere vrouw van David; let wel: zijn liefste maar meest moeilijke vrouw!
Maar dan gaat hoofdstuk 15 met Saul een diep dal in. Samuël wordt naar Saul gestuurd met een opdracht van God. Er gaat dus oorlog komen met de Amelekieten. Daarnet zagen we al in het veertiende hoofdstuk: “En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde.

Welnu, daar gaat het vandaag over. Hoofdstuk 15 begint met: “Toen zeide Samuël tot Saul: de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN. Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit Egypte opkwam. Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe. Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda.”
Let erop dat Saul hier wordt ingezet om een zaak van God uit te voeren en niet persé een zaak van Saul en het volk. Het vermoeden bestaat dan ook dat Saul in deze actie niet zo’n zin had, want de eer zou voor God zijn. Er was voor hem geen eer en dus ook geen voordeel te behalen uit deze slag. En dat maakte dat hij de opdracht van God vrij en naar eigen inzicht interpreteerde. Hij brengt de boodschap van Samuël nog wel over op het krijgsvolk: “Dit verkondigde Saul het volk”.

We kennen de geschiedenis: Saul houdt zich maar gedeeltelijk aan de opdracht: hij brengt Agag als eigen overwinningstrofee mee. Met nog een forse buit, ter compensatie. En het schijnheilige voorwendsel dat een deel van die buit bestemd was voor een offer aan God. En hij geeft er in vers 15 het volk nota bene de schuld van!
Samuël is furieus. “Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE vannacht tot mij gesproken heeft. […] Is het niet alzo, toen ge klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israël geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israël gezalfd heeft? En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet. Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?”
Saul handhaaft zich. Hij geeft daarnaast nogmaals het volk de schuld van de buit, die is meegenomen, maar huichelt daar een ­religieus argument bij: het offeren van een dankoffer in Gilgal.
En dan volgt de nekslag voor Saul. Samuël veroordeelt hem scherp en kondigt het oordeel aan: “Heeft de HEERE lust aan brand­offeren, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des ­HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen. Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.”

Saul denkt er met een schuldbelijdenis en een ‘sorry’ vanaf te komen, maar hij rekent mis. Hij denkt te heersen over de profeet, door hem te gebieden mee te komen voor het offer. Maar Samuël weigert: “Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN ­verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn.” Die klanken ‘de HEERE heeft u verworpen’ gaan een eigen leven leiden in Sauls hoofd en ze brengen hem tot waanzin en uitzinnigheid. Hij probeert het probleem nog fysiek de baas te blijven, door Samuël bij zijn jas te grijpen. Die draait zich echter met zoveel geweld om, dat er een stuk van zijn mantel afscheurt. En die gescheurde flard wordt direct de illustratie bij het vervolg van zijn preek: “De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij. En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.”

Moet je je even indenken hoe fors die dolkstoot in Sauls trotse hart moet zijn geweest! Zijn concurrent (want zo zal hij hem blijven zien) waardeert God als ‘beter dan hij’! Wat Saul daaroverheen smeekt heeft iets aandoenlijks en afschrikwekkends tegelijk: “eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israël; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.” Zie daar de ware aard van Saul. Zijn werkelijke motief is: hoe zien de mensen mij! Niet: hoe ziet de HEERE mij? Ken je ook zulke mensen uit je omgeving of ben jij er zelf een? Dat je met al je vroomheid en godsdienstigheid alleen maar leeft voor de buitenkant en voor de mensen. Wat een in en in diep triest mens ben je dan. Beklagenswaardig. Je merkt er iets van hoe kil en gevoelloos de satan mensen zijn greep houdt! Juist daarom zo meelijwekkend!

Samuël laat zich verbidden; de HEERE niet! Niettemin slaat hij Agag dood, waar iedereen bij staat. Daarmee eerde hij Saul zeker niet. Want iedereen heeft kunnen zien hoe verbeten zijn gezicht moet hebben gestaan. Iedereen… ook Jonathan. En te vrezen is, dat hij ook de woorden van Samuël heeft gehoord. Het moet haast. Dat oordeel had namelijk ook impact op Jonathans leven… hoewel… Misschien heeft Jonathan (en misschien ook Saul wel) nog het idee gehad dat de HEERE op hem doelde. Uw ‘naaste’ die ‘beter is dan gij’… Die wapendrager, zie je hem staan? Keek hij nou verwachtingsvol naar zijn ­meester Jonathan? Interpreteerde hij die woorden ook op Jonathan? We weten het niet, maar vermoeden het slechts.

Jonathan was een randfiguur, latent aanwezig, in deze intens aangrijpende geschiedenis. Iedereen lijkt tot de orde van de dag over te gaan, alsof er geen mokerzwaar oordeel boven het koningshuis hangt: “Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibea-sauls.” Over Samuël en over de HEERE lezen we nog wel wat inhoudelijks, maar over Saul niet. “En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.”

Raakt dit je? Voel je hoe nauw het luistert in het leven met de HEERE? Voel je ook hoe scherp en zwaar die woorden van God zijn, die Saul in één veeg aan de kant schuift? En merk je ook hoe intens beklagenswaardig en verloren je bent, als God je aan de kant schuift? Je zou haast vergeten dat er nog ruimte tot bekering was. Wat zou juist dít aspect met Jonathan hebben gedaan?

woensdag 29 november 2017

Opklimmen tot de vijand, voor Gods aangezicht

De zoon van de boerenkoning - XI

Jónathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen,
en wij zullen ons aan hen ontdekken.
Indien zij aldus tot ons zeggen: Staat stil totdat wij aan ulieden komen, zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen.
Maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want de HEERE heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons een teken zijn.
1 Samuël 14 : 8-10

Jonathans wapendrager had gezegd dat hij zijn heer onvoorwaardelijk zou volgen. Dat waren grote en stoere woorden. Ze worden nu op de proef gesteld, want Jonathan voegt de daad bij het woord: hij gaat de vijand tegemoet. Hij klimt die oergevaarlijke weg omhoog en is zo uiterst kwetsbaar voor zijn vijand.

Is dat nu niet een beetje riskant en onverantwoord? Ik lees helemaal niet dat Jonathan de dingen eerst overlegd met de HEERE! Hij gaat zomaar, zo lijkt het. Nou, het is waar dat we niets lezen over een of ander gebed tot God, maar hij weet zich wel afhankelijk van de HEERE. Ooit zei de HEERE tot vader Abraham: “Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht”. Geen mooie woorden, Abraham, maar laat met je daden zien dat je wéét dat Ik je zie. En laat aan je hele houding zien, zowel aan de wereld als aan Mij, dat wát je doet geheel gericht is op mij. Als Jonathan ook zo leefde – en het heeft er alles van weg – dan kunnen we ook zijn volgende woorden plaatsen!

Die andere bekende richter ‘verzocht’ God met een schapenvacht: Gideon. Hij wilde zeker weten dat de HEERE met hem was. De afspraak die Jonathan maakt lijkt hier veel op. Dit is geen verzoeken van God in negatieve zin, maar God vragen door een teken de weg te wijzen.
“Kom,” zegt Jonathan, “wij zullen opklimmen naar die filistijnen en ons duidelijk laten zien. En let dan goed op wat er gaat gebeuren, wapendrager! God zal ons de weg wijzen, vanuit de reactie van de vijand. Als zij zeggen: ‘Hé, wat moet dat daar?! Staan blijven, wij zullen wel eens even naar jullie toe komen om je een lesje te leren’, dan weten we dat God niet wil dat we verder gaan. Dan zullen we God gehoorzamen en Hem niet verzoeken. Maar… als ze zeggen: ‘Hé, angsthazen, klim maar op, als je durft!’, dan dagen ze ten diepste de HEERE uit… Dán weten we dat de HEERE ze al in onze hand heeft gegeven, nog vóór wij één vinger naar hen hebben kunnen uitsteken.” Met die woorden gaf hij al op voorhand de eer van de overwinning aan de HEERE Zelf!

Opklimmen tot… Jaren later zou Jonathans vriend en zwager David een prachtige psalm dichten: “Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils. Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.” (Psalm 24 : 3-6)
Dat zijn woorden die Jonathan ook had kunnen dichten. Hij voelde zich niet waardig om zomaar tot God op te klimmen. Niet lichtzinnig, maar weloverwogen. Hij kende zijn plaats, als zoon van de koning, onder God. Hij wist dat God het hart aanzag. En in dat hart was een verlangen dat Gods volk weer op de HEERE zou vertrouwen. Dat het niet zijn angstige vader zou volgen, maar dat het Gods Geest zou ervaren en kloeke daden zou doen ter ere van God Zelf. In deze zaken is Gods eer in het geding. En daarom is het niet onverantwoord om tot de vijanden van God op te klimmen.
Maar dat teken, dat Jonathan ten diepste met God afspreekt, had ook anders uit kunnen pakken. God had ook dat andere kunnen laten gebeuren. Dan had Jonathan geen ‘grote daden’ kunnen laten zien en had hij zijn durf en dapperheid niet kunnen tonen. Was het hem dan ook goed geweest? Ja, daar getuigt zijn antwoord ook van. En zijn wapendrager heeft het goed kunnen horen. Die wapendrager diende een legeraanvoerder, die onvoorwaardelijk de God van het Verbond gehoorzaamde.
Je bent gezegend als je zo’n predikant in je gemeente hebt. Als je zulke ambtsdragers hebt, die gaan in de kracht van God, maar die ook stil kunnen zijn en super geconcentreerd letten op wat de HEERE doet. Geen mystiek en mistig toneelstuk, maar ­transparant voor de hele gemeente. Je wordt als ­‘wapendragers’ meegenomen in een intenste vriendschap met God, waarin je ziet en merkt dat Hij het voor het zeggen heeft in het leven van de gemeente.

Opklimmen tot de vijand… alleen als de HEERE voorop gaat. Maar áls Hij ook gaat, dan ga je onvoorwaardelijk mee. Dan is de overwinning al behaald, nog voor de strijd begonnen is. Wie is hier de grote Overwinnaar? David vroeg het zich ook al af: “Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.” Of, zoals David in Psalm 60 zingt: “Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Wie zal mij voeren in een vaste stad? […] Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten? Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want ‘s mensen heil is ijdelheid. In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.”

zaterdag 18 november 2017

Jonathans eigen weg met God

De zoon van de boerenkoning - IX


Het geschiedde nu op een dag, dat Jónathan, de zoon van Saul,
tot den jongen die zijn wapenen droeg, zeide: Kom en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is;
doch hij gaf het zijn vader niet te kennen.
1 Samuël 14 : 1


Allereest wil ik insteken met de laatste woorden van dit vers: Jonathan gaf het zijn vader niet te kennen. De Kanttekeningen tekenen hier is schrijnends bij aan: “Vermoedelijk omdat hij vreesde dat zijn vader hem hiertoe geen verlof zou gegeven hebben.” Waarom doet hij dit en waarom zou Saul hem dit verboden hebben. Daarover laten de Kanttekenaren ons in het ongewisse, niettemin zijn het veelzeggende woorden!

Daarnet nog had hij erbij gestaan, doen zijn vader door Samuël terecht is gewezen. Is het Samuël die deze woorden heeft geschreven? Kende hij Jonathan tot in het hart? Jonathan is niet het stille, ingetogen en bedachtzame godvrezende jongetje. We moeten hier toch het beeld van een dappere, het gevaar niet schuwende, soldaat voor ons hebben. Net als dat aangepaste beeld dat we van dat ‘lieve jongetje bij de schapen’, David, hebben. Dat ‘lieve jongetje’ was een man die een leeuw te lijf ging en een beer wegknuppelde bij de schapen. Dat is net zo’n dappere kerel als die ‘herdertjes die bij nachte lagen’!

Jonathan was van boerenzoon een dappere strijder geworden met visie op strategie, krijgskunst en met als doel de overwinning. Al moet worden gezegd dat hij in Gibea met zijn familie ook al tot de verdedigers van de stad behoorde! Hij ging de vijanden van zijn volk niet uit te weg, omdat ze vijanden waren van zijn HEERE en God! Neem dat eens mee!
Een houding die zuivere motieven kent, maar niet altijd ­begrepen wordt in het midden van de gemeente. Ook door zijn vader liet hij zich niet beperken, hoewel hij zich gebonden wist aan het gebod van de HEERE: “Eert uw vader en uw moeder…” Daarmee eerde hij ook God, Die boven hem en boven alles stond.
‘Tot de bezetting van de vijand overgaan’ betekent ‘het gevaar ­opzoeken’. Zou zijn vader het hem verboden hebben, omdat hij zuinig was op zijn zoon? Dat zou een positief beeld van Saul geven. Of zou zijn vader het verbieden, omdat hij dan één van zijn twee zwaarden moest missen? Dat zou Saul gelijkstellen aan de bange Israëlieten die zich liever verstopten dan dat zij weerstond wilden bieden aan de vijanden.
Jonathan wist ook niet wat het effect van zijn actie zou zijn. We zullen echter wel zien, dat hij weloverwogen en tactische te werkt gaat. Hij stort zich niet zomaar blindelings in het gevaar. En daarmee verzoekt hij dus ook de HEERE niet.
Uit alles wat we lezen in deze geschiedenis in de Bijbel krijgen we wel het idee dat Jonathan niet lijdzaam wil afkijken hoe het zal misgaan met het volk van de HEERE. Hij wil met een daad ook een voorbeeld geven aan het volk. Als twee zwaarden genoeg zijn, als twee strijders voldoende zijn om de vijand te slaan, dan moet dat moed geven aan de anderen. De HEERE is met mij… wat zal een nietig (ook een nietig filistijns) mens mij doen? Later zou zijn vriend David een lied maken, dat wij kennen als Psalm 18:
“Want met U loop ik door een bende,
en met mijn God spring ik over een muur.
Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij,
en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder,
totdat ik hen verdaan had.
Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde;
Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE,
maar Hij antwoordde hun niet.
Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind;
ik ruimde hen weg als slijk der straten.
Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks;
Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen;
het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen,
en verhoogd zij de God mijns heils!
De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
Die mij uithelpt van mijn vijanden;
ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan;
Gij redt mij van den man des gewelds.
Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen;
en Uw Naam zal ik psalmzingen;
Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.”

Zou hij daarom zijn opgestaan? Omdat hij zag dat de gezalfde, zijn vader Saul, niet serieus werd genomen, en dat daardoor de HEERE niet aan Zijn eer kwam? Immers, als wij ons hoofd in de schoot leggen en de dingen laten gebeuren, die afbreuk doen aan de HEERE, dan werken wij in zekere zin mee aan de overwinning van Satan op Gods volk. Daar moet je toch eens goed over nadenken, als er dingen misgaan, juist binnen de kerk!

dinsdag 7 november 2017

De betekenis van de Filistijnen voor Saul en voor Jonathan

De zoon van de boerenkoning - III

Doch Jónathan sloeg de bezetting der Filistijnen die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden.
Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreeën horen.
1 Samuël 13 : 3

Nog éénmaal maken we een stap terug in de tijd. In het vorige hoofdstuk heeft Samuël het volk bij elkaar geroepen in Gilgal. Hij heeft hen nogmaals geconfronteerd met de foute keuze die zij hebben gedaan, door een koning te willen en daarmee de HEERE te negeren.
Het is een heel merkwaardig hoofdstuk. Samuël legt ongevraagd een soort verantwoording af van zijn leven. Hij is overduidelijk niet blij met de keuze van het volk. Maar de HEERE heeft hem niettemin opgedragen niet te blijven steken in negatieve gedachten. Hij moet het volk ook laten horen dat de HEERE deze ongerechtigheid wil vergeven en Zijn volk blijft Zijn volk! Maar dat heeft wel een consequentie: zij worden opgeroepen om Hem te blijven gehoorzamen.
Het volk knikt en beaamt. Maar het komt er nogal gemakkelijk uit. En als woorden niet meer binnendringen, gaat Samuël over tot daden. Hij laat merken dat, wanneer ze met hun koning de HEERE verlaten, zij ook van hem geen voorbidding meer moeten verwachten. Het is de vraag of de HEERE dat goed vond. Weliswaar antwoordde de HEERE direct op Samuël roep om regen en donder. Dus…
Dat maakt een enorme impact op het volk. En als ik mijn iet vergis ook op Jonathan, al wordt hij daar niet met name genoemd. Lees de laatste verzen eens aandachtig: “20 Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart. 21 En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden. 22 Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams wil, dewijl het den HEERE beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk te maken. 23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren. 24 Vreest slechts den HEERE, en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft! 25 Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.
Drie dingen vallen op: Samuël zet in met het Evangelie van Gods trouw en genade; gekoppeld aan de verplichting van het volk om de HEERE van ganser harte te dienen! Het tweede dat opvalt is dat Samuël belooft om voor het volk te blijven bidden én hij belooft het de rechte weg te blijven wijzen. De voorbidder, die het volk vreesde te verliezen, zal hij blijven voor hen! Maar voor het volk achterover gaat leunene, klinken er die dreigende woorden, het derde dat opvalt: het volk zal mét haar koning ten onder gaan, als verder gaan op de weg bij de HEERE vandaan.
De vraag die direct boven komt bij de tekst van vandaag is: wat betekenen die Filistijnen voor Saul en voor Jonathan? Als de HEERE Zijn hulp en bescherming belooft – we zitten nog maar één jaar na het vorige hoofdstuk! – wat zeggen die vijanden dan vandaag? Waarom zijn ze er? Geeft God hen over in de hand van de Filistijnen, omdat zij Hem verlaten hebben óf om hun geloof op de proef te stellen?
Dat moet voor Jonathan ook een vraag zijn geweest. Juist hij moet er dit afgelopen jaar al zijn achtergekomen dat Saul niet met zijn hele hart de HEERE diende!
We gaan nog even twee hoofdstukken terug, waar Samuël in vers 25 dit doet: hij “nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en leide het voor het aangezicht des HEEREN.” Hoe kwam Francine Rivers er nu bij om dat boek in Jonathans handen  te leggen en er hem de opdracht bij te geven om zijn vader daar dagelijks uit voor te lezen? Dan moet je nog eens even terug gaan naar Deuteronomium 17, waar Mozes al allerlei zaken vertelt over de koning die ooit zal komen (en dat gaat dus bij Saul in vervulling). Lees vers 18: “Voorts zal het geschieden, als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen dat voor het aangezicht der Levitische priesters is.” En kijk vervolgens naar de Kanttekeningen: “hij zal het wetboek dat bij de priesters berust, laten halen en daaruit een kopie overschrijven of laten overschrijven.” Het mooiste zou zijn als Saul dat zelf deed; deze ­opdracht van God aan Mozes móet Samuël hier in de praktijk hebben gebracht! En Jonathan moet dat een mooie taak hebben gevonden. Maar… het is alleszins aannemelijk dat hij al rap merkte dat zijn vader geen structuur in zijn ‘stille tijd’ kon krijgen en het al gauw teveel moeite vond!
Dat Jonathan nu ten strijde moet trekken moet een teken aan de wand zijn voor hem, zo is te vrezen. In dit alles gehoorzaamt hij zijn vader, maar we zien hem hier al gescheiden optrekken van zijn vader! En dat is niet alleen een strategische keuze. Je krijgt eerder het gevoel dat Saul in het wilde weg iets onderneemt, en dat Jonathan eigenlijk de leiding heeft.
Het het meest aangrijpende bewijs voor deze veronderstellingen van hiervoor zit nog in het feit dat het volk bang is en wegkruipt. Een houding die Saul later opnieuw zal overnemen!

dinsdag 30 juni 2015

Wat doe je als de zonde voor je deur ligt?

"En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur.
Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen."
Genesis 4 : 6-7

"Ga eerst eens even zitten en bekijk de situatie rustig van een afstandje," zo vertelde een van mijn directeuren me enige tijd geleden. Die les had hij geleerd van zijn leermeester. "Het voorkomt dat je in het wilde weg dingen gaat doen, gejaagd naar oplossingen zoekt en zo een deel van de mogelijkheden niet eens in beeld hebt." Ga eerst eens even zitten… Het is alsof de HEERE aan Kaïn zo'n zelfde advies heeft. Waar kijken ze dan samen naar?

Een confronterende vraag

Het is haast een grapje, de tegenstelling die de HEERE tekent; ware het niet dat Hij bloedserieus is, wanneer Hij Kaïn achterna gaat en tot rede wil brengen. Tegenover het naar beneden gerichte, mokkende gezicht van Kaïn plaatst God de verhoging die er wacht, wanneer hij zal breken met de zonde en kiest voor 'weldoen'. Kaïn kijkt naar beneden, naar de aarde; God tilt als het ware Kaïns hoofd omhoog en laat hem opkijken naar de hemel.
We zijn in dergelijke situaties misschien snel geneigd om omzichtig te werk te gaan, niet al te direct; de kool en de geit sparend. De HEERE niet: "Waarom ben je boos? Ik zie het aan je gezicht; het is verwrongen van haat!" Zo'n zelfde confronterende vraag als Hij stelde aan Jona: "Is uw toorn billijk (terecht) ontstoken?"
Direct het mes erin. Ik zal niet zeggen dat dat altijd werkt, maar wees er wel altijd duidelijk in dat je niet van zin bent om om de hete brei heen te draaien. Stel aan je kinderen directe en concrete vragen. Maar laat ze merken dat liefde de drijfveer en het motief van je confronterende vragen is. Ik geeft toe dat dat soms erg lastig is. Als clubleider of -leidster speel je wel een andere rol, dan als ouders. Als ouders maak je je kinderen langer mee dan als clubleiding. In dat laatste geval is het soms ook zoeken naar 'andere' momenten dan die clubavond die vaak omvliegt en waarbij je ook je aandacht bij de les moet hebben. Het gesprek kan dan niet zomaar uitlopen.
Concrete vragen, als er pijn en moeite is; confronterende vragen, als er boosheid en zelfs onredelijke kwaadheid is. Tussen jongeren of… tussen een jongere en jou als leider/ouder. In het geval van Kaïn zette God hem als het ware op een bankje langs de weg neer en zette het mes er direct in. Scherp en toch… liefdevol. Wij hadden Kaïn misschien allang afgeschreven, maar onze tekstwoorden laten toch echt wel Gods liefdevolle pogingen zien om hem tot bedaren te brengen.

Een kalme overweging

De HEERE zet de dingen helder op een rijtje; geef eens eerlijk antwoord, Kaïn: is het niet zo dat… Eigenlijk zet je op deze manier voor die ander even de dingen helder tegenover elkaar. Je verbindt oorzaak en gevolg met elkaar, daad en beoordeling. Welk resultaat wil je bereiken? Verhoging of verwerping?
Nou, de HEERE omzeilt dat geladen woord zelfs. Hij spreekt over 'de zonde ligt aan de deur'. Als je het goede kiest – in dit geval ten opzichte van Abel – dan ontvang je verhoging, geluk. Maar als je bewust voor het kwade kiest – de haat tegen Abel met alle gevolgen van dien voor Abel – dan laat je de zonde, die op de loer ligt voor de deur van je hart, zijn gang gaan. En dan is de ramp niet te overzien, Kaïn! Welk doel wil je bereiken? Het schuurt haast tegen het punt van Kaïns vrije wil aan. Wat zal Kaïn kiezen? Of… vind je dat een remonstrantse gedachte en wuif je dat zonder na te denken weg met "Kaïn kan gewoon niet anders kiezen dan het kwade, want hij heeft een onbekeerd hart". Zou dat een ware constatering zijn? Zouden we daarmee recht doen aan Gods welmenende roeping? Wordt Zijn lokking dan niet juist uiterst sarcastisch? Gebruik niet te snel clichée-dogmatische termen om deze tekstwoorden in te kleuren. Welk beeld schets je dan van de HEERE? En klopt dat beeld met Hemzelf? Ik zeg niet dat Kaïn nog een vrije wil had; maar… de HEERE komt daar wel heel dicht bij; wellicht om hem te laten voelen dat hij die vrije wil is verspeeld en het dus helemaal van de HEERE moet leren verwachten!

Een mogelijke toekomst

"Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?" Wat een bijzondere woorden! De Kanttekeningen beperken die 'verhoging' tot de toekomst die hem als eerstgeborene te wachten stond:
"Dat is, zult gij niet [als de eerstgeborene] verheven en verhoogd blijven boven uw broeder? Of anders vertaald: zult gij uw hoofd of aangezicht niet vrijelijk opsteken, in plaats dat het nu nedergeslagen of zo ontvallen is? Sommigen vertalen het met: Aanneming, aangenaamheid, of vergeving, overeenkomstig de verschillende betekenissen van het hebreeuwse woord."
Zou de HEERE dát bedoelen met deze woorden? Ik vraag het me eerlijk gezegd af; dit doet toch wat te kort aan Gods bedoeling. De woorden zijn niet enkel op aardse eer gericht, maar ook en vooral op de glorierijke toekomst in Gods heerlijkheid. Natuurlijk belooft de HEERE ook aan Zijn verbondsvolk dat, wanneer ze in Zijn geboden en inzettingen wandelen, zij een stil en gerust, ja een lang leven zullen hebben in het land dat Hij hen geeft. Maar het blijft niet steken in materialisme, in materiële voorspoed.
"Indien gij weldoet"; het woord 'weldoen' heeft ook de betekenis van 'vrolijk zijn' en 'aangenaam zijn'. Daar heb je die lijn weer, die we ook zagen in de vorige bijbelstudie: God zag het offer en de persoon van Abel aan, Hij had er een vermaak in. Zo is het ook met wat Hij aan Kaïn uitlegt: "Als je maakt dat Ik een vermaak in je heb… dan is er verhoging". 'Verhoging' betekent verheffing of waardigheid, maar is gerelateerd aan een ander woord dat 'opheffen' of 'dragen' betekent. De God des heils, Die Zich aan Kaïn bekend maakt zal in Psalm 68 worden bezongen als de God Die ons dag aan dag draagt. Zijn zorg, als je Hem tot vermaak bent, zal je door alles heen dragen, levenslang. Wat een stil en gerust leven heb je dan!

De HEERE wijst in het vervolg van het vers er nog op dat Kaïn krachtens de eerstgeboortezegen zal 'heersen' over zijn broer. Hij hoeft dus helemaal niet bedrukt te zijn of bang voor verlies van zijn positie op aarde. Dat heersen hoeft niet negatief te zijn, hoor! Deze orde heeft de HEERE in het eerstgeboorterecht ingezet. Kaïn, je hebt – zo stellen de Kanttekeningen – niets te mopperen of te toornen, want Abel zal er genoegen in hebben dat jij de eerste zult zijn en in de familie de eerstverantwoordelijke. Daarmee is Abel ook geacht zijn oudere broer lief te hebben en te dienen. De oudste broer mag stedehouder van God op aarde zijn. Heerschappij over de schepping en degenen die aan hem zijn toevertrouwd. En dat met het oog op het heil van zowel Kaïn als Abel.
Welnu, wat is je keuze, Kaïn? Wil je heersen en tegelijk gedragen worden door God Die je tot deze taak roept? Of loop je weg van je verantwoordelijkheid en daarmee ook van je zegen?
Tot dat moment was het, menselijkerwijs gesproken, nog een mogelijke toekomst voor Kaïn. Voordat we gaan zien wat Kaïn kiest, de vraag: wat kies jij? Ga eerst eens even zitten en bekijk jouw situatie rustig van een afstandje… en overweeg wat tot je eeuwige vrede zal dienen!

donderdag 5 februari 2015

Hoe ga jij God ontmoeten?

"en na het vuur het suizen van een zachte stilte"
1 Koningen 19 : 12b






 
Hoe ga jij God ontmoeten?


Als tiener vond ik het altijd heerlijk om ergens in de polder te lopen, ver weg van de auto's en ander lawaai. En dan even stilstaan en de stilte voelen. Héél in de verte hoorde je dan nog een hond blaffen of een brommer knetter of kinderstemmen. Heel in de verte… maar om je heen was de stilte die drukte op je trommelvliezen. Heerlijk. Het suisde zachtjes in je oren. Dát… dat moet dat suizen van een zachte stilte zijn geweest. En nog steeds vind ik het heerlijk om zo'n plek op te zoeken, er te wandelen, af en toe even stilstaan en de stilte voelen. Gouden momenten… stilte; stil met God!

Suizelingwekkend
Sowieso kan stilte suizen na een enorm lawaai. Denk je in welk geluidsgeweld er op Elia's oren is afgekomen toen de orkaan bulderde, de aarde op haar grondvesten schudde en de klaterende donder rolde terwijl het vuur sissend om zich heen spoot. En dan… stilte. Dan suist het in je oren. Suizelingwekkend!
Hoe was het in de Hof van Eden? Daar was ook dat suizen van een zachte stilte. Een lichte ritseling, waaraan Adam en Eva bemerkten: nu komt de HEERE. Wel, zo'n paradijsmoment mag Elia hier op de berg beleven. Hij mag Hem bemerken aan het suizen van een zachte stilte. Tot driemaal toe heeft hij gespannen opgelet of de HEERE meekwam. Spiedend gingen zijn ogen rond, zijn oren stonden op scherp, ondanks het natuurgeweld. Maar wat zijn zintuigen ook waarnamen, de HEERE was er niet in…

Duizelingwekkend
De massaliteit van een groot orkestwerk of orgelstuk kan je imponeren. De gigantisch bombastische klanken van een oeuverture, waarin de componist zijn gehele muziekstuk samenbalt en alles uit de kast haalt. of een indrukwekkende toccata waarin de musicus zijn technische kunnen uitstalt en de toetsen haast rapper dan zijn vingerkootjes laat bewegen. In duizelingwekkende vaart tuimelen de klanken over elkaar heen. Maar… als dat grootse en imponerende dan soms niet tippen aan een ingetogen etude of nocturne met maar enkele toetsen tegelijk, soms slechts één.
De stilte die God trekt in je geloofsleven bij het lezen en rustig overdenken van een enkel woord uit de Bijbel, kan indrukwekkender zijn dan de stapels impressies die je bij tijden mag ervaren in een preek, waarin de prediker je meeneemt in bevlogen bewoordingen en de diepten van God beeld na beeld toont. Soms slechts één woordje dat inslaat…

Huiveringwekkend
Elia wordt stil. Deze stilte maakt hem sprakeloos. Hij heeft opeens niet meer zo geijverd voor de HEERE. Een suizelingwekkende stilte, want God komt er aan. Nu! De kaken op elkaar. De spieren gespannen tot elke vezel. Wat zal er gaan gebeuren. Immers, God komt mee… dan mag er verwachting zijn.
Ziende op zijn omstandigheden, met de naklank van zijn verbolgen woorden nog in zijn oren, trekt er een huiver door Elia heen. In het volgende vers blijft hij stokstijf staan bij de opening van de spelonk en bedekt zijn gezicht. God ontmoeten is huiveringwekkend. Het ligt niet glad, lijkt het wel. Hij wilde veertig dagen daarvoor nog door de HEERE weg worden genomen. Het lijkt wel of die veertigdagentijd hem tot andere gedachten heeft gebracht. Huiveringwekkend is Gods nadering. Maar tegelijkertijd… daar komt geen onbekende God aan. Hij Die daar nadert is Zijn God, Die Zich verbond aan Elia's naam. De God van het verbond. De God van het volk Israël. De God van Elia.


Voor wie deze God  tegemoet gaat – en dat ga je als je moet sterven – zonder een nieuw hart, is God een verterend vuur! Wie deze God denkt te kunnen ontmoeten met grootse prestaties in zijn of haar aardse leven, zal door Gods aardbeving al zijn vergankelijke idealen ineen zien storten. Wie een huis meende te bouwen zonder het fundament Christus, zal moeten toezien dat Gods wind ertegenaan blaast. En zijn val is groot… Is je paspoort getekend door Hem?


Lied 890, bundel Johannes de Heer
Ieder uur, ied're stap brengt ons nader. Bij de grens van leven en dood.
Heeft de Heiland uw paspoort getekend? Met Zijn bloed dat Hij reddend vergoot?
Nog is het tijd, de Heer geeft gená. De toegang is vrij door Golgotha.
Jezus ging voor, Hij wacht bij de grens. Is uw paspoort getekend, o, mens?


Gij kunt zelf de tol niet betalen. Zilver en goud verliest daar zijn macht.
Slechts het kruis in uw paspoort geeft toegang. Tot het land waar de Heiland u wacht.
Nog is het tijd, de Heer geeft gená. De toegang is vrij door Golgotha.
Jezus ging voor, Hij wacht bij de grens. Is uw paspoort getekend, o, mens?


Het is nu het uur der beslissing. Bij de grens begint het gericht.
O, geloof in uw Heiland uw Redder. En Hij voert u naar het eeuwige licht.
Nog is het tijd, de Heer geeft gená. De toegang is vrij door Golgotha.
Jezus ging voor, Hij wacht bij de grens. Is uw paspoort getekend, o, mens?
       

maandag 2 februari 2015

Grote tekenen, maar God was er niet in

"En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet; en na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet…"

1 Koningen 19 : 11b-12a

Elia heeft de vernietigende kracht van een orkaan, een aardbeving of hemelvuur vlak voor zich gezien, maar… God was er niet in!



De elementen aarde, wind en vuur spreken spirituelen erg tot de verbeelding. Samen met water vormen ze de basiselementen en de vier segmenten van de horoscoop. Niet dat ik je met die kennis wil belasten, maar soms vraag je je af, waar occultisten en aanverwanten hun kennis en theorieën vandaan halen. Ik ben ervan overtuigd dat in de occulte wereld niets zelf verzonnen is, maar alles nageäapt door satan en veelal omgekeerd toegepast. God gebruikt hier drie elementen, wind, aarde en vuur en laat Elia in een spiegel zien, waar hij zijn verwachting op stelde. Spiritualiteit en occultisme spreekt tot de verbeelding, maar voor je het weet heeft het je in zijn greep. Macht en kracht spreken eveneens tot de verbeelding. Elia moest leren dat het niet door kracht, niet door geweld zou geschieden, maar… door Mijn Geest, Die Zich manifesteerde, zoals Hij dat ook in de Hof van Eden deed.

Wind

Achter Elia's woorden zit niet alleen teleurstelling. Elke teleurstelling creëert een geest van boosheid over het onrecht. Er zal vast wel een wetenschappelijke verklaring zitten over wat die boosheid voor stofje in je hersenen aanmaakt, zodat je 'er' weer tegen kunt of zo. Maar dat neemt de kern niet weg: de boosheid die, hoe gering ook, vrijkomt, komt voort uit onze oude mens. Het feit dat God grote krachten aan Elia laat zien, wijst erop dat Elia moet leren dat het niet in kracht gelegen is, of er overwinning is.
Wind is een fenomeen, dat in de Bijbel tamelijk regelmatig voorkomt. Middels krachtige wind liet God de wateren van de zondvloed stilstaan (Gen. 8:1).
God gebruikte de wind om het volk Israël te voorzien van kwakkelen (Num. 11:31).
En nog onlangs had Elia het geweld van de wind ervaren, waardoor hij Achab moest aansporen om snel naar Jizreël terug te rijden (1 Kon. 18:45). Dat leek het geweld van God te zijn, maar in die krachtige wind – die weliswaar de langverwachte regen voortbracht – was het werkelijke resultaat niet waar Elia op had gehoopt.
En ook in onze dagtekst scheurt de wind de bergen wel, zodat er brokken steen naar beneden tuimelen, misschien wel rakelings langs Elia heen, maar… dat geweld is nog geen liefelijk aangezicht van God. God is er niet in. We lezen wel dat God Zich aan Elia wilde vertonen: de HEERE 'ging voorbij'. Dat doet me denken aan Jezus, Die wandelend op de golven 'voorbij wilde gaan'. Ds. A.J. Kunz legde dat jaren geleden eens uit als wilde Jezus Zijn almacht tonen aan Zijn jongeren. Een prachtige en diep lijn…
In onze tekst merken de Kanttekenaren op bij dat 'voorbijgaan': "De Heere is aldus Elia verschenen, om hem te verzekeren van Zijn tegenwoordigheid, te onderwijzen van zijn goddelijke eigenschappen, en te versterken in Zijn dienst, opdat hij overwonnen hebbende de vrees der mensen in zijn roeping standvastiglijk zou voortgaan." Geen riet, dat door de wind heen en weer bewogen wordt, maar de zwaarste stormen trotserend…

Aarde

Het natuurgeweld is dus een oefening voor Elia. Maar… God  was niet merkbaar in dat natuurgeweld. Daarbij wordt door de Kanttekenaren aangemerkt: "De Heere is wel overal, maar niet op allerlei manier. Hij is in den wind, in de aardbeving en in het vuur niet geweest ten aanzien van Zijn goddelijke aanspraak, maar alleen ten aanzien van de openbaring van enige goddelijke eigenschappen." De HEERE is wel alomtegenwoordig, maar dat betekent nog niet dat we Hem overal in herkennenl, laat staan dat we Hem er beter door leren kennen. Wij zijn uit de aarde aards… uit stof geformeerd en we zullen, zo de Jongste Dag niet eerder aanbreekt, tot stof weerkeren.
Was het in het voorgaande de bulderende orkaan die de steenrotsen deed afbrokkelen, nu scheurt de basis van de bergen, de aarde. En dan te bedenken dat de mensen in die oude tijd nog meenden dat de aarde plat was… dat betekent dat de aarde kon breken en waar val je dan heen?
Het is diezelfde aarde die op de eerste Paasmorgen schudt, wanneer een engel bij het graf in de Hof van Jozef van Arimathéa neerdaalt. Het is eenzelfde aardbeving, die de aarde en de rotsen doet scheuren, op de allerbeste Vrijdag die de wereld ooit heeft gekend. Zó zelfs dat niet alleen de graven open breken, maar ook de doden opstaan. Als voorproef van de grote en doorluchte Jongste Dag die komen gaat.
Maar hier in onze tekst is God niet in de aardbeving. Wat een impact moet het op Elia hebben gehad, ondanks de wetenschap dat God het wel was Die dit ontketende. Elia wist dat de HEERE er was, maar niet ín dat geweld van die aardbeving!

Vuur

De krachten stapelen zich op. Eerst het gebulder van de wind, daarbij het gedaver door de ferme aardbeving. En als klap op de 'vuurpijl' een serie helle lichtflitsen. Ook dat herkende Elia… van de Karmel. Vuur van de hemel. "Spreek o God, laat Uw volk zien, als door de bliksem getroffen, dat U God bent!" Ze hebben het geweten, het volk, de koning en Elia.
Maar nu, opnieuw vuur. Het zal niet hebben ondergedaan voor het vuur op de Karmel. Wanneer God met vuur spreekt is er veelal verbolgenheid. Maar zelfs dát merkt Elia hier niet op. Het is vuur, van een bovennatuurlijk geladenheid, maar… God is er niet in. Geen enkele reactie van God, na de vuurklap.
De Boanerges, de zonen des donders, zouden gejuicht hebben als ze dit vuur hadden gezien. Wat dacht je, als ze erbij waren geweest, op de Karmel. Het had hen hoogstwaarschijnlijk tegengevallen dat dat vuur van de hemel die goddeloze koning Achab en zijn trawanten niet had gedood. Was God eigenlijk wel in dat vuur op de Karmel? Ja, het was Zijn antwoord en het volk was op de grond gevallen maar daarna bleef het toch erg stil.
O, denk niet dat God nooit wat met vuur heeft. Het waren Jezus' Eigen woorden: "Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, indien het alrede ontstoken is?" (Lukas 122 : 49). De Kanttekenaren lichten dat toe: "Dat is, de leer des Evangelies, welke in zichzelve en ten aanzien der gelovigen ene leer des vredes is, maar door de boosheid der mensen, die haar niet willen verdragen, wordt zij een vuur der vervolging en aanleiding van tweedracht." Maar wat wil ik nog meer, constateert Jezus, het is al aangestoken. Opmerkelijk is het dat Jeremia tegen het volk moet zeggen: "Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?" (Jeremia 23 : 29). Wie denkt daarbij niet aan de aardbeving en het vuur bij Elia, hier op de berg Sinaï? 
Is de twist over geloofszaken ook niet vaak een vuur, waarin God niet is? Zeker, we moeten grenzen stellen. We kunnen niet alles maar goed vinden, maar… een godsdienst zonder geloof in Christus is als een vuur zonder passie. Dat is slechts een verterend vuur, zonder enige opbouw!
Vuur… de aarde zal eenmaal niet door water, maar door vuur vergaan; de hel is gevuld met onuitblusselijk vuur. Maar dat is niet het doel dat God voor ogen heeft. Het vuur zal niet het laatste woord hebben. Zo ook hier. Er is nog één element over: lucht, adem of … geest; Geest. Dat zullen we morgen zien.


Wat is het belangrijk dat we God werkelijk kennen. Telkens weer zullen we er achter komen dat de HEERE zo geheel anders is. Zijn wegen zijn hoger dan de onze. Zijn gedachten hoger dan de onze. Zalig ben je als je dat gaandeweg je leven meer gaat ontdekken. Dat maakt Hem niet onbereikbaarder; integendeel! Juist dat grove natuurgeweld hoort bij het godsbeeld dat de wereld van God tekent. Ook de godsdienstige wereld in de kerk! Maar wie de HEERE écht heeft leren kennen, heeft het ongedachte, onbegrijpelijke en onpeilbaar diepe van Gods vriendelijk aangezicht leren zien. En dat is een vuur, dat God in je hart wekt, waar je steeds meer van wil ervaren. De beperktheid van dit ondermaanse stelt je keer op keer teleur. Hoe voedt het evenwel het verlangen om Zijn aangezicht eeuwig, ongestoord te mogen zien en aanbidden! Herken je het? Laat het stil worden. Want in de stilte schiep God, in de stilte streed Jezus, in de stilte stond Hij op en in de stilte werkt Gods Geest in je hart. Totdat het oorverdovende geluid van de laatste bazuin aanbreekt. Ja dan! Dan breekt alle natuurgeweld los. Een dag waarop mensen zullen gillen: "Bergen bedek ons…" Een onzinnig gebed. Maar voor Gods kinderen zal juist die dag iets zijn om naar uit te zien. Met een groot verlangen!


Psalm 130 vers 2 en 3
Zo Gij in 't recht wilt treden,
O HEER, en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, HEER, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.

Ik blijf den HEER verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den HEER,
Dan wachters op den morgen;
Den morgen, ach, wanneer?

vrijdag 30 januari 2015

Op weg naar een bergtopervaring

"En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN."
1 Koningen 19 : 11a

Op een 'bergtop' geeft de HEERE uitzicht, overzicht en doorzicht voor het geestelijk leven


Vind jij het ook zo bijzonder dat de Heere Elia gewoon laat uitpraten, zonder hem tegen te spreken? Sterker nog, God gaat er verder niet op in. Hij zegt enkel: kom uit die spelonk en klim net als Mozes deze berg op. En ga daar voor Gods aangezicht staan. Wat een merkwaardig bevel. Kom laten we dichterbij gaan staan en kijken war er precies gebeurt.

Op de berg - I

Toen God Zijn wet aan het verbondsvolk Israël gaf, deed Hij dat vanaf de berg Horeb of Sinaï. Het was Zijn vriend Mozes die gedurende veertig dagen en veertig nachten op deze berg in Zijn nabijheid verkeerde. In de kinderbijbel-verhalen leer je al vroeg druk bezig te zijn met het gouden kalf en Mozes' verbolgenheid over die zonde. Maar hoeveel aandacht wordt er besteed aan die dagen van intieme omgang met de HEERE? Ik begrijp het wel, daar staat niet zoveel over in de Bijbel. En een kind kan zich daar dan misschien niet zo veel bij voorstellen. Maar wij grote mensen? Kunnen wij ons er misschien toch wel iets bij voorstellen? Of kunnen wij op zijn minst toch eens nadenken over hoe dat moet zijn geweest? Niet uit nieuwsgierigheid, maar uit een stuk verrukking en verlangen om ook zo dicht bij de HEERE te leven? En Mozes keerde enkele dagen later opnieuw terug en verbleef daar dicht bij God.
Toen Mozes van de berg kwam, met de wet op de ongebroken stenen tafelen, was aan zijn gezicht te zien dat hij bij God was geweest. Zoals ook aan Zacharias op het tempelplein te zien was dat hij een gezicht van engelen had gezien.
Mozes - Horeb - Gods nabijheid --> de verheerlijking op de berg. Daar, bij Jezus' verheerlijking op de berg (een andere berg!) komen we Mozes opnieuw tegen. Waarom hij?

Op de berg - II

Zoals de HEERE Mozes het bevel gaf om de berg op te klimmen en bij Hem te komen, zo geeft de HEERE ook in onze tekst zo'n zelfde bevel aan Elia. Kom uit die grot, daar onderaan de berg en klim de berg op om daar dicht bij Mij te zijn. Elia wilde weg uit het leven en eeuwig bij God zijn. Welnu, hij mag dichtbij God zijn, maar wel daar, bovenop de berg. We horen geen reactie van Elia, maar wat moet er door hem heen gegaan zijn? Daar zal toch wel enige schaamte zijn over die woorden die Elia tegen de HEERE had gezegd: "Ik heb zeer geijverd…"? Ik vrees van niet, want hij zal diezelfde woorden aanstonds herhalen!
De HEERE nodigt hem bij Zich. Zoals Hij ook met Zijn volk zou doen, later: "Komt, laat ons tezamen rechten". God gaat nog niet in discussie, maar nodigt in alle lankmoedigheid en barmhartigheid om naast Hem te komen zitten en eens samen naar de dingen te kijken. Dan ziet het er al een stuk anders uit! Het is een rijke zaak, als we samen met de HEERE naar onze onmogelijkheden kijken. Immers, dan kijken we er naar met een Kenner en een Expert (met eerbied gezegd). Hij overziet het geheel. Zijn plannen falen niet. Hij weet wat van Zijn maaksel is te verwachten. Maar Hij weet ook hoe het verder moet.


Op de berg - III

Op de berg… het is een plek, hoog boven alle aardse beslommeringen. Misschien staat bij jou het water aan je lippen. Maar op Gods berg is er een plaatsje daar je kunt uitkijken over je problemen. Neerkijken op alle zorgen, en opzien naar de zaligheid.
Op de Berg des HEEREn zal het worden voorzien, zo ondervond Abraham het, toen hij zijn zoon moest offeren.
Jesaja mocht profeteren: "En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem."
God laat profeteren door Obadja dat er op de Berg des HEEREN, Sion, heilanden zullen komen, verlossers, van wie de Heere Jezus de voornaamste Verlosser is…
En was de Heere Jezus ook niet vaak op de berg in gebed? In dit verband komt de verheerlijking op de berg ook weer op in mijn gedachten, want ook Elia was daarbij aanwezig. Elia - Horeb - Gods nabijheid --> de verheerlijking op de berg. Waarom hij? 
En tenslotte stierf de Heiland op een berg en voer van een berg op naar de hemel. Een berg is een bijzonder object in het geloof… geloof, dat bergen verzet.
En wat mag Jesaja in het 25e hoofdstuk diepe dingen laten zien: "En de HEERE der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn. Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken."
Ook voor Elia zal gelden dat het 'bewindsel' van zijn oog zal worden afgenomen als hij daar bij de HEERE op de berg is. Hij zal mogen gaan zien dat zijn wens geen goede wens was en dat de HEERE zijn bede toch verhoort, maar veel rijker dan hij had durven hopen.


Nog even terug naar die twee vragen: waarom Mozes op de berg der verheerlijking was en waarom Elia? Er wordt meestal een symbolische link gelegd naar deze twee vertegenwoordigers van het Oude Testament: de wet (Mozes) en de profeten (Elia). Dat is wel een heel bijzonder detail. Waar Elia in onze geschiedenis nog dacht de enig overgebleven profeet te zijn, daar verheft de HEERE hem in het Nieuwe Testament tot de vertegenwoordiger van alle profeten uit het Oude Testament. Nogmaals, op een bergtop overzie je de dingen anders. En de HEERE geeft in dit aardse leven meer dan eens zo'n bergtop. Soms om het leven weer te kunnen overzien, maar veelal om het hemels Jeruzalem weer in het vizier te krijgen. Daar gaat het heen! Heb jij ook wel eens zulke bergtopervaringen?

Psalm 24 vers 2 en 3
Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor 't oog van Sions God, betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.

Die zal, door 's HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils, ontvangen.
Dit 's Jacob, dit is't vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht,
En zoekt Zijn aanschijn met verlangen.