Posts tonen met het label Egypte. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Egypte. Alle posts tonen

vrijdag 8 juni 2018

De door de bouwlieden verworpen Hoeksteen komt in beeld


Hoofdstuk 11


En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land. Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
Handelingen 7 : 33-35

Mozes was niets in zichzelf. Hij moest voor God zijn schoenen uitdoen. Daarmee erkende hij zijn nederige plek en eerbiedigde hij God als de Overste en Rechter aller zielen. Eerbied… in onze dagen een uitgestorven begrip. Of niet?

De opbouw van de preek
Lange tijd vraag je je af wat Stefanus met deze preek beoogt. Houdt hij een lesje vaderlandse geschiedenis voor zijn luisteraars? Allerlei interessante figuren passeren de revue en Mozes spant in zekere zin wel de kroon. Maar dat hij juist Mozes uitkiest heeft een doel.
Niet Mozes’ wonderlijk geleidde leven was het uitgangspunt voor deze episode uit de vaderlandse geschiedenis. Ook niet Mozes bijna goddelijke positie! Weliswaar sprak hij persoonlijk met God en God sprak met hem zoals een man met zijn vriend spreekt. Dat boeide die ‘gelovigen’ wel erg, maar dát beoogde Stefanus niet.
Hij trekt zijn luisteraars mee in de preek. Ze zien zichzelf opgenomen worden in dit verhaal. Dit was Mozes, hún leider. En wat heeft die man niet een voorname positie gehad?! Een soort Willem van Oranje, een bevrijder. Er borrelt een soort chauvinisme boven. Ze voelden zich als volk, door God uitgekozen, heel wat!
Maar juist wanneer ze zich zo laven aan hun chauvinisme, geeft Stefanus een verrassende wending aan zijn betoog. Kun je het eigenlijk wel een preek noemen? Het lijkt haast wel een juridisch betoog! Zou Stefanus misschien zo’n achtergrond hebben gehad, als griekse Jood?
Even geeft hij een venijnige steek; wie zal het hebben opgemerkt? Want hij gaat toch nog even door op dat chauvinisme in de volgende verzen, waarin hij Mozes’ grote daden nog verder optelt.
Maar let even op die steek: “Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.”
Mozes wordt allereerst neergezet als een ‘miskende’. “Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld?” Daarmee doelt hij niet op die twee Joodse ruziemakers, maar op de houding die het volk elke keer weer jegens Mozes en ook jegens Aäron toonde. Waar baseer ik dat op? In Exodus 4 : 21 komen Mozes en zijn broer bij Farao vandaan en inmiddels zijn de instructies van Farao al uitgegaan dat het volk maar zelf stro moet gaan regelen. Ze zijn er dus op achteruit gegaan! “Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag. En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen. En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.”
“Ja, lekker zeg! Wij dachten dat jullie ons kwamen helpen, maar we zakken dieper weg in de modder van de slavernij! God zal jullie oordelen over dit geknoei!”

Eerbied voor God
Wat opvalt in Exodus 3 en Exodus 4 is dat Mozes gewend is met God te twisten. Hij is soms zelfs nukkig tegen God. Eerst wilde hij niet naar Egypte, want ja… ze zouden hem daar doden! Toen had hij allerlei smoesjes over zijn voordrachtskunst die niet op orde was. “Mijn praten zal geen indruk maken bij Farao.” Mozes kende de hofetiketten en hij wist wat hem te wachten stond. Aäron wist dat niet. Dus wat Mozes zei, sneed wel hout, maar het boeide God niet. Omdat niet Mozes, maar God een betoog ging houden. Dat is het grote verschil. En als het er dan eindelijk van komt en het volk zich tegen Mozes en Aäron keert, vat Mozes dat op als een persoonlijke afwijzing. Zijn commentaar aan het adres van God is ferm: “Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden? Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.”
Mozes doet hier niet echt onder voor het volk! Hij verwijt God snel en scherp. Is dat een herkenbare houding? Is dat een genetisch bepaalde manier van reageren, die in het Joodse volk zit? Of een trek die in alle mensen na Genesis 3 zit?
Waar is de eerbied voor God, die hij toonde bij de brandende braambos? Daar viel hij op de grond voor God en beefde. Dat zelfde bevende rietje heeft nu best een grote mond tegen God! Of is dat een te ongenuanceerde conclusie?
Zijn wij refo’s misschien te veel geïndoctrineerd door ‘eerbied’ en durven we niet met God de twisten? Met Hem in gesprek gaan en onze frustraties, visies en moeiten te bespreken? Is de zogenaamde deemoedige refo-manier van ‘geloven’ een onnatuurlijke godsdienst die gelijk is aan alle godsdiensten van de heidenen? Moeten wij misschien van de Joden leren om met God te spreken als een man met zijn vriend spreekt? Weliswaar in het besef dat we ‘stof en as’ zijn, maar toch ook onze gevoelens eerlijke uiten. Proberen we in de kerk misschien niet heel braaf tegen God te doen en schijnheilig ‘eenswillend’ met God te zijn, terwijl we diepweg heel andere gevoelens hebben? Zou God die dieper liggende gevoelens niet kennen? Houden we Hem voor de gek en proberen we met onze houding Hem gunstig te stemmen? Vind wat je vindt, maar Mozes is een open boek! Mozes is namelijk ook die man die het niet met God eens is als Hij het oordeel over het volk aankondigt. Dat vinden we toch zo’n mooie Messias-gestalte?

De Messias wordt zichtbaar
Ja, de Messias wordt zichtbaar in dit tekstgedeelte. Er komt een bevrijder en verlosser naar het volk toe, maar hun houding is “wat heb jij over ons te zeggen?” Mozes komt tot het zijne (zijn broedervolk) maar ‘de zijnen’ (zijn broeders) hebben hem niet aangenomen. Ze hebben de duisternis van de slavernij liever dan het licht. Weg met hem! Hij paste niet in hun plaatje dat zij van de Messias hadden!
Dit is de kant die Stefanus op wil met deze geschiedenis, die het volk zo goed kende. Zou het volk dat op dat moment al hebben begrepen? Stefanus is een man die constructief denkt en tijdens het preken scherp in de gaten blijft houden waar hij heen wil. Gezegend als je onder zulke predikers mag zitten, zondag aan zondag. Ook als ze dingen aanroeren die je niet zo welgevallig zijn. Die je chauvinisme onderuit halen en eerlijk voor God maken!

woensdag 30 mei 2018

Rechter spelen; verdachte worden

Hoofdstuk 9

Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken. En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt? En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.
Handelingen 7 : 23-29

De Bijbel waarschuwt ons om niet op plekken te komen waar we in verleiding worden gebracht. Is dat hier aan de orde? Eveneens wordt ons geleerd dat we een voorbeeld moeten zijn voor ongelovigen; faalde Mozes hier met zijn actie? Wegvluchten is meer dan eens een bewijs dat je (mede) schuldig bent. Wat is het verschil tussen Jozef en Mozes?

In een notendop wordt ons een van de dieptepunten in Mozes’ leven getekend. Hij moest zijn land, status en luxe leventje achterlaten en vluchten voor zijn leven. Werd hij, net als Jezus, onterecht slacht­offer van mensen die zijn welmenende bevrijdingspogingen niet begrepen?



De ingeving
Stefanus beweert dat het pas na veertig jaar bij Mozes ‘in zijn hart kwam’ om zijn broeders te bezoeken. Dat blijven vooral vage bewoordingen die niet terug te vinden zijn in het Oude Testament. Mozes zelf schrijft erover: “… toen Mozes groot geworden was …”. Hij stelde dat bezoeken van zijn broeders ook niet tot doel, maar het zien van hun lasten, hun verdrukking.
Daaruit kun je concluderen dat hij zich al langere tijd bewust was een Hebreeër te zijn, maar dat hij te horen kreeg dat juist dát volk zo enorm werd onderdrukt. Mozes werd als kind in bad gedaan en zijn verzorgster moet hebben gezien dat hij besneden was. Hij is vast ook weleens tegelijk met andere kinderen in bad gegaan of merkte bij sportieve activiteiten dat hij anders was dan de Egyptische jongeren. Ook hij heeft in die Egyptische tijd geleerd (of ondervonden) dat er een verschil was tussen meisjes en jongens en dat er ook een verschil was tussen besneden jongens en onbesneden jongens. Dat moet hij al veel eerder hebben ontdekt dan in zijn veertigste levensjaar!
Het blijkt vooral de onderdrukking van het volk van Israël te zijn die iets in hem heeft wakker gemaakt. Hij wil er nu zelf weleens iets van zien. Zou het écht zo erg zijn? Misschien is hij al die tijd al bij dat volk weggehouden door de prinses en het personeel dat ervan op de hoogte was. Maar zoals dat met veel adoptiekinderen gaat: er komt een ­moment dat je wilt weten waar je vandaan komt. Niet eens in de eerste plaats om weg te open, maar om te weten wie jezelf bent! Dat vormt dus de achtergrond waarom het ‘in zijn hart kwam’. Die ingeving kwam vanuit zijn roots! En… door de Heilige Geest.

De reactie
Hoopte hij dat het allemaal wel zou meevallen? Exodus zwijgt over Mozes’ innerlijke gevoelens, voordat hij ging kijken. Je kunt er hooguit naar gissen.
Mozes heeft een gelegenheid gezocht om ‘ongezien’ in Gosen terecht te komen. Het lijkt me niet eens zo gemakkelijk om dat ongezien te doen, als je zo’n hoge positie aan het hof hebt. Er zullen altijd bewakers bij hem zijn geweest die hem beschermden; ze vormden tegelijk ook zijn statussymbool. Het is niet bekend of de prinses nog leefde (of was zij ­inmiddels zelf doorgeschoven naar de regering?), maar het zou best eens zo kunnen zijn dat zij overleed toen Mozes ongeveer 40 jaar was. En dat dit overlijden juist de aanzet is geweest om op ­zoek te gaan naar zijn roots.
Hoe schokkend is de confrontatie met het harde leven van zijn broeders! Het is dus tóch waar dat ze onderdrukt werden! Wat slaven waren en hoe die werden behandeld wist Mozes ongetwijfeld wel. Ook aan het hof waren slaven en die zullen niet helemaal ‘vorstelijk’ ­behandeld zijn. Wellicht werden ze niet vernederd, maar wel tweederangs behandeld. Ze zullen een bijzonder onderdanige houding hebben aangenomen, harde woorden hebben moeten verduren en zwijgend hun werk hebben moeten doen. Maar wat Mozes hier in Gosen ziet raakt hem enorm. Natuurlijk ook vanuit de bloedband met zijn volk. ­Ongetwijfeld ook vanuit zijn mensbeeld, dat in een goede Hebreeuwse opvoeding is aangeleerd. Elk mens is een schepsel van de Eeuwige en draagt iets van Zijn beeld.
Mozes’ bloed kookt in een ommezien. Dit raakt hem diep en hij staat op de tweesprong: weglopen of ingrijpen. Juist dat ingrijpen lijkt de meest eerlijke en enig mogelijke wijze van handelen. Hoe hij dat heeft gedaan blijft onduidelijk. Sprong hij ertussen en ving hij de slagen op? Of greep hij de Egyptenaar van achteren beet en rukte hij de zweep uit zijn hand?

De moord
Wat ik als kind kind mij altijd afvroeg bij deze geschiedenis: hoe heeft Mozes dit zo ongezien kunnen doen, als er zoveel slavendrijvers waren op deze bouwplaats? In gedachte zag ik een duin van zand voor me, waarachter dit plaatsvond. Het helmgras wuifde in de zinderende woestijn­wind. De andere slavendrijvers in de buurt waren net even met wat anders bezig. Maar de volgende vraag was: hoe heeft hij zo snel een heel mens onder het zand kunnen begraven, ongezien? Ik heb er nog steeds geen antwoord op, merk ik. Maar deze geschiedenis zet me wel aan het denken. Heeft Mozes deze man echt in een opwelling doodgeslagen? Dan moeten veel meer mensen het hebben gezien. Zeker die Hebreeër die door deze slavendrijver werd mishandeld. Zou het niet zo zijn, zoals Kaïn zijn broer mee nam naar het veld? Mozes had de positie van een generaal. Deze slaven­drijver stond ver beneden hem in rang. Hij had hem ter plaatse kunnen sommeren te stoppen met die brute geweld en de man had moeten gehoorzamen.
Wat nu als Mozes de beelden van die mishandeling in zijn brein opsloeg? Dat hij daarover heeft lopen broeden en de slavendrijver later die dag even apart heeft genomen, buiten het bouwkamp. Wellicht zijn ze nog even in gesprek geraakt over hun visie op de behandeling van dit volk. Lang zal dat niet hebben geduurd. Mozes stond op tegen die man, die geen schijn van kans had tegenover hem, de getrainde militair. Mozes had die zweep helemaal niet nodig. Hij was een gespierde strijder die door zijn imposante corpus angst inboezemde bij zijn tegenstanders. Zijn ferme spierbundels draaiden de nek van deze man met gemak in een hoek die compleet ongezond was voor een mens. De zogenaamde heldendaad had weinig met geloof te maken. Het was meer een moord met voorbedachte rade!

De confrontatie
Mozes zelf beschrijft deze daad nogal omzichtig. Hij zegt dat hij om zich heen keek om te zien of er iemand in de buurt was. Maar hij verzwijgt de scene waarin dit gebeurde. Was het te midden van drukte op de bouwplaats? Onmogelijk! Was het midden op de dag, op een rustig moment? Of was het toch in het schemerdonker, vlak voor de woestijn aardedonker werd?
Dat maakt namelijk uit. Doe je dit stiekem en zonder dat de betrokken persoon erop bedacht is, dan is de misdaad groter. Doodslag in een opwelling na een ruzie wordt minder zwaar aangerekend dan een weloverwogen moord. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik van dat laatste overtuigd raak.
De volgende dag gaat Mozes weer kijken. Waarom? Is hij de crimineel die terugkeert naar de plaats delict om te zien wat er gebeurt? Veinst hij dat hij er niets mee te maken heeft? Kijkt hij of zijn actie zoden aan de dijk heeft gezet? Of zint hij op meer wraak? Het is niet ondenkbaar dat het dat laatste was. Juist daarom is hij zo gebelgd als hij twee van zijn volks­genoten met elkaar ziet vechten.
De woorden die hij op dat moment uitspreekt worden nogal eens erg zalvend beschreven en neergezet als oprechte en voorbeeldige woorden. Maar is dit niet juist heel schijnheilig? Is zijn woede over dit gedrag niet een woede omdat dit zijn eigen gekozen bevrijdingsactie ondermijnt? Het antwoord van de Hebreeën is een klap in Mozes’ gezicht. De grote mond – die hij zo had kunnen laten zwijgen vanuit zijn positie als Egyptisch generaal – doet hem zijn eigen mond dichtklappen van angst. Wat zagen deze twee kemp­hanen in Mozes? Een collaborateur of toch een bedreiging? Het botte antwoord van een van de Hebreeën was risicovol, dat is wel duidelijk: “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt?” Het had inderdaad zijn dood kunnen worden. Zeker, omdat hij oog in oog met een moordenaar stond.



De vlucht
Dat antwoord is vreemd. Hier zegt een slaaf van de Egyptenaren tegen nota bene een Egyptenaar: “Wie heeft u boven ons geplaatst?” Of hij het nu fijn vond of niet: dat de Egyptische slaven­drijver boven hem stond, was buiten kijf. De Hebreeër zal dat vreselijk hebben gevonden, maar hij moest er maar mee leven. Maar dat deze man, Mozes, zich boven hem verhief riep vragen bij hem op. Mozes was een ‘Egyptenaar’ dus die stond sowieso boven deze slaaf. Onterecht of niet; het was een feit. Waarom zou hij dan toch zo reageren?
Zouden deze mannen Mozes en zijn ‘geheim’ kennen? Zou onder de Hebreeën bekend zijn geweest dat er een joods jongetje opgroeide in het Egyptische paleis? Zou dát kwaad bloed hebben gezet? Misschien wel zonder dat Mozes dat heeft geweten. Het lijkt er sterk op dat deze mannen Mozes hebben gekend of herkend en dat zij hun antipathie tegen deze ‘geluksvogel’ op hem uitspuwden. “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?” Zou dat niet een wrevelwoord kunnen zijn richting God? Waarom worden wij als Uw volk zo onderdrukt en leidt deze kerel een lekker leventje. Is dat niet erg oneerlijk?
De werkelijke ondertoon van deze woorden moet aan Mozes voorbij zijn ­gegaan. Hij begreep maar al te goed dat dit heel gevaarlijk voor hem kon uitpakken. Of… heeft hij de ondertoon juist heel goed begrepen? Zullen zijn ‘broeders’ nu met de Egyptenaren gaan samenspannen tegen hem? De geslagen hond zal blijven zoeken naar een moment waarop hij zelf ook een keer kan ‘heersen’ en ‘terugbijten’. ­Ongeacht of het de juiste persoon is. Dat geldt niet voor alle mensen gelukkig, maar diepweg zit er zelfs in het meest heilige kind van God een oude mens die het woord ‘wraak’ prima kan spellen.

De messias




Het is pure angst die Mozes doet zien dat zijn situatie hier onhoudbaar is geworden. Hij vlucht niet weg zoals Jozef wegvluchtte voor de zonde. Hij vlucht weg uit angst voor de gevolgen van zijn daad. En juist die angst doet mij de vraag stellen: maar wat was dan zijn diepste motief om zijn broeders te gaan bezoeken? Meende hij zelf de ‘Messias’ te zijn? Hij moet hebben geweten dat er een Messias zou komen.
Slaat Stefanus hier niet de spijker precies op zijn kop als hij preekt: “…hij (Mozes) meende, dat zijn broeders zouden ­verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.” Gaat Mozes hier niet heel dicht langs het randje van de afgrond? Hoe fout kan dit aflopen!
Hoe anders kwam Jezus, de enig juiste Messias, naar deze aarde, waar Hij zich moest bewegen tussen vijanden. Zij die door Hem moesten worden verlost, zinden op Zijn dood. Hij heeft werkelijk alles welgedaan, tot vele cijfers achter de komma, maar wij moesten Hem niet! Waarom? Omdat Hij aan het licht bracht, wat wij liever in het donker hielden of wat wij liever begraven hielden onder het zand. Hij zou het aan de orde brengen, maar wij zeiden: “Wie heeft U tot een Overste en Rechter over ons gesteld?” Herken je je in deze vijanden? Dan ben je op en top mens. Juist voor dit soort types kwam Hij!
Jezus had oneindig veel geduld. Mozes had alle know-how op organisatorisch gebied die afgelopen veertig jaar aan boord gekregen. Hij kon een leger aanvoeren en in stelling brengen. Hij kon afgematte en uitgehongerde strijders erdoorheen trekken en ze aanvuren om vol te houden. Je zou zeggen: hij was er klaar voor om zijn volk te bevrijden. Maar er moest nog één bijscholingscursus plaatsvinden in de woestijn: geduld met een wederstrevig volk.
Het is Mozes nooit echt helemaal gelukt. Er moest een Jozua aan te pas komen… en ook die redde het niet. Dé Joshua (Yeshua Hamashiach) moest komen, Die Zijn volk in het Beloofde Land zou binnen­voeren. Wat vind je van die Messias? Het is Hem wél gelukt om Zijn volk te bevrijden!

Preken met accent- en interpretatieverschillen

Hoofdstuk 8


In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon. En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
Handelingen 7 : 20-22



Als je preken naast elkaar legt – dat kan gevaarlijk zijn – zie je soms mooie overeenkomsten en ook bijzondere verschillen. Als we dit stukje van de preek van Stefanus leggen naast de preek van Paulus in ­Hebreeën 11, dan zien we dat hij ook van Jozef naar Mozes springt. Maar stilstaat bij enkele ándere details.

Broninterpretatie
Wetenschappers zweren bij ‘bronnen’ die hun theorieën kunnen onderbouwen. Wie geen bronnen kan noemen, heeft geen ‘poot’ om op de staan. Maar wanneer je een bron hebt, hoe interpreteer je die? Ook daarover zijn grote discussies. Zelfs de Bijbel is onderhevig aan zulke discussies en daarom is er binnen de kerk zoveel verdeeldheid, omdat ieder zich beroept op het Woord, maar er zijn eigen waarheid mee creëert. Als je Exodus leest of de brief aan de Hebreeën, merk je verschillen in interpretatie. En als je daar dan weer jouw interpretaties op loslaat, krijg je helemaal grote verschillen! Laten we eens zien wat Paulus en Stefanus doen met Exodus.
We gaan uit van de beschrijving zoals Mozes ons die geeft in Exodus. Hij zal zijn kinderjaren en jeugd van zijn ouders hebben doorgekregen, maar later zullen ook Aäron en Mirjam, waarmee hij pas vanaf zijn tachtigste optrok, zijn vroege geschiedenis hebben ingekleurd met hún herinneringen.
Daar sta je misschien niet zo snel bij stil, maar Mozes heeft net zo’n leven gehad als elk adoptiekind. Pas op latere leeftijd ontdek je dat je een andere oorsprong hebt, dan het milieu waarin je bent ­opgegroeid. Zijn moeder, de prinses, bleek een adoptiemoeder te zijn. En dat hij altijd voelde dat hij ‘anders’ was bleek te kloppen. Maar wie was hij echt? En wie zijn zijn bloedverwanten? Zie welke kater hij krijgt als hij ‘zijn broeders’ bezoekt en helpt!

Stefanus (Handelingen 7)
20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.
22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de ­kinderen Israëls, te bezoeken.
24 En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
25 En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, ­zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?
27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den ­Egyptenaar omgebracht hebt?
29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.


Paulus (Hebreeën 11)
23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie ­maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.
24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden;
25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te ­worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;
26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke.


Mozes (Exodus 2)
2 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.
3 Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij leide het knechtje daarin, en leide het in de biezen, aan den oever der rivier.
5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.
6 Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreën!
9 Toen zeide Farao’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.
10 En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao’s dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.
11 En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.
12 En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand.
13 Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste?
14 Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!
15 Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Farao’s aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.


Accentverschillen
 Zijn alle verschillen in de Bijbel bewijzen dat Gods Woord niet klopt? Zeker niet! Het zijn vaak accentverschillen, dienstbaar aan de boodschap die men ermee wil geven. De geschiedenis kennen we, maar kijk naar dit detail… het zegt ons dat…
We zien dat Mozes van zijn moeder of zus heeft gehoord dat men hem ‘schoon’ vond. Paulus neemt dat ook over, maar Stefanus zegt ‘uitnemend schoon’ wat kan worden vertaald met ‘goddelijk schoon’!
Mozes zwijgt over zijn opleiding aan het hof. Alleen dat de prinses hem haar zoon noemde en hem de naam ‘Mozes’ gaf. Dat was overigens niet zijn hebreeuwse naam! Paulus zegt dat hij weigerde om haar zoon te worden genoemd. Dat is het adoptiekind dat zich gaat oriënteren op zijn werkelijke afkomst en zijn biologische ouders. Maar weigeren is wel een te sterk woord, want hij heeft het goed gehad aan het hof en werd er zelfs generaal! Paulus blijft bij het contrast tussen ‘zonde’ en ‘wereld’ en laat Mozes zich distantiëren van dit decadente leven. Loochent hij daarmee dat Mozes intellectueel en staatkundig is ontwikkeld door God, om straks Zijn volk – een grote mensenmassa – door de woestijn te loodsen? Nee, dat niet, maar je krijgt wel het gevoel dat hier de concrete geschiedenis wat wordt ­vertekend voor een ánder doel.
Paulus verzwijgt ook Mozes’ moord­aanslag op de Egyptische slavendrijver. Hij wil van hem geen zeloot maken; geen geus, of verzetsstrijder, zouden wij zeggen.
Hij richt zich meer op de daden die Mozes in het geloof deed. Maar… slaat hij dan niet een beetje door, wanneer hij zegt over Mozes: “Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke”? Maakt hij Mozes daarmee toch niet, onbedoeld, tot een zeloot die zijn moord begaat vanuit een ideologie om zijn eigen volk boven anderen te stellen? Dat gevaar is er zeker en Paulus is zelf ook zo’n extremist geweest in zijn ‘eertijds’. Als mensen dat vandaag de dag tegen je zeggen, mag je daar zeker wel wat toegeeflijk in zijn: hier was Mozes net zo min op zijn plek als Jacob toen hij loog tegen zijn vader Izak!
Als er dan vervolgens staat dat Mozes ‘zich overeind hield door te zien op de Onzienlijk God’, dan is het begrijpelijk dat mensen soms afhaken. Al vergeten ze dat hier twee verschillende gebeurtenissen worden bedoeld: de vlucht van Mozes na de moord (met vrees) was een andere dan de exodus, waarbij Mozes inderdaad niet meer vreesde voor de koning van Egypte!
De woorden in de ­Hebreeënbrief zijn geen betoog naar ongelovigen, maar een stimulans voor gelovigen. De boodschap is niet ‘ik vertel je precies wat er is gebeurd’, maar ‘kijk, zo gingen gelovigen er vroeger ook al mee om!’
Over accent- en interpretatieverschillen kun je eindeloos discussiëren. Maar als je die verschillen uit hun context haalt mis je de boodschap die werd bedoeld! Dan mis je ook de boodschap van de Heilige Geest, Die je iets wilde leren.

Was was Mozes’ echte naam?

De prinses heeft Mozes willen claimen door hem ‘mijn zoon’ te noemen en hem zelfs van zijn identiteit te beroven door hem een ‘nieuwe naam’ te geven.
Over de naam ‘Mosje’ en ‘Mozes’ is al heel veel nagedacht. Op Christipedia kun je lezen: “De naam ‘Mozes’ ontving hij van Farao’s dochter en betekent ‘uitgetrokken’, indien ontleend aan het Hebreeuwse werkwoord ‘mashah’ (= uittrekken), of de naam betekent ‘uit het water gered’, indien ontleend aan de Egyptische ­woorden ‘mo’ (= water) en ‘yses’ (= gered, behouden), ‘uit het water gered’.”
Echter, op Wikipedia wordt de vinger gelegd bij de onwaarschijnlijkheid van deze taalkundige constructie: “De naam Mozes werd afgeleid van het Egyptische werkwoord ‘mś’ / ‘mśj’ (“dragen”). Het is een verkorte vorm van de Egyptische naamvorm zoals Toetmosis “geboren uit Thot”, waarbij het element dat de god benoemt, is weggevallen en betekent dus letterlijk: “geboren uit [een naamloze god]”. In de Hebreeuwse Bijbel is de herinnering aan de Egyptische herkomst van de naam overgeleverd in het verhaal waarin de dochter van de farao het kind een naam geeft, waarbij haar een etymologie in de mond wordt gelegd die teruggaat op de Hebreeuwse stam mšh ­(“uittrekken”): “ik heb hem uit het water gehaald”. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat een dochter van de farao kennis van Hebreeuwse etymologie zou hebben; mogelijk berust deze herkomst op een legende. Bovendien kan objectief worden vastgesteld dat de context strijdig is met deze etymologische herleiding, die een passieve vorm van het werkwoord mšh is, die de betekenis “die [er]uit getrokken werd” doet verwachten. Ook werd Mozes nergens aangeduid met de uit de morfologie volgende betekenis “de [er]uit trekkende”.”

Blijkbaar is de zogenaamde wetenschapper niet voldoende op de hoogte van de Bijbel. Want er zit wel degelijk een lijn in dat ‘uit het water trekken’ en het ‘uit het slavenhuis trekken’. Gods Woord serieus nemen is wat anders dan ‘elk detail kloppend en passend krijgen’. De Heere Jezus wijst tot slot op dit probleem in Johannes 5: “44 Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt? 45 Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. 47 Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?”

De grote vraag blijft: wat doe ik met Gods Woord? Geloof ik het van kaft tot kaft of gebruik ik liever een ‘leesbril’ zodat mijn verstand het kan plaatsen? De Bijbel lezen zonder geloof is onmogelijk. Dan ontgaan je duizenden details die zo enorm essentieel zijn! God ontgaat je dan…

dinsdag 25 oktober 2016

Opbaring voor een openbaring

"En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte."
Genesis 50 : 26

Het lichaam van Jozef wordt gebalsemd en opgebaard; illustratie uit de Holman Bijbel uit 1890

Gisteren zag ik een harde, zelfverzekerde en dictatoriale man. Zijn toon was dwingend, zijn gezicht emotieloos en zijn optreden was hard. Achter dat masker zat een mens met heftige levenservaringen; een mens die niet kon omgaan met tranen en emoties en die alles in eigen hand wilde houden. Er flitste door mij heen: als zo iemand in een rolstoel terecht zal komen, of erger… op zijn sterfbed, hoe zal dat dan voor hem zijn (en voor zijn omgeving)? Misschien wel eens goed om over na te denken, juist als je je in deze karakter-tekening herkent.
Jozef is waarschijnlijk geen hard en heerszuchtig mens geweest (al weten we dat natuurlijk niet 100% zeker). Niettemin had hij een heel heftig leven achter de rug, waarin familiebinding en presoonlijke hechting onder druk hebben gestaan. Overleven moet ook voor hem een mechanisme zijn geweest. Natuurlijk was er het geloof in God en Gods merkbare nabijheid. Maar laten we niet uitvlakken dat zelfs de meest intens gelovende mens kapot kan gaan aan kleinering en onrecht. We mogen het zeker aan God danken dat Jozef het geloof heeft behouden en ook de liefde tot zijn broeders.
Daarnaast heeft God hem rijk gezegend en grote macht gegeven. Maar al die macht heeft niet kunnen voorkomen dat ook hij op zijn sterfbed terecht kwam. Het was gedaan met Jozef. Hoe heerlijk hij ook in aanzien was, hij was nu een hulpbehoevende. Echter, hij weet dat sterfbed te gebruiken om zijn nabestaanden te troosten en zijn laatste wil bekend te maken. Daarin spreekt hij groot van de HEERE. Tot dat… zijn laatste adem zijn neusgaten verlaat, zijn longen niet meer volgezogen worden en zijn hart staakt met kloppen. Honderdtien jaar heeft zijn hart hem gesteund, maar nu staakt het en sijpelt het leven weg. Jozef is gestorven; overleden. En nu?

Zorg voor zijn ziel

De Bijbel zwijgt meer dan eens over de ziel van de overledene. In de gelijkenis van de rijke man en de 'arme' Lazarus krijgen we een inkijkje (in door Jezus met wijsheid gekozen woorden die voor ons mensen enigszins te bevatten zijn en dus niet persé letterlijk letterlijk zo behoeven te zijn) in het hiernamaals. Ook Jozef zal in de 'schoot' van opa Abraham zijn gedragen door de engelen. Die figuurlijke uitspraak lijkt te zijn ontleend aan de woorden van God 'in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden' en de geestelijke kinderen die uit Abrahams heup zouden voortkomen. Jozefs ziel is weliswaar in de hemel, maar daarmee is het nog niet klaar. Zijn lichaam blijft nog achter op aarde. Op de Jongste Dag zal dat lichaam, dat men nu aan het balsemen is, opstaan in een vernieuwde hoedanigheid, een herschepping. En lichaam en ziel zullen verenigd worden. Dan pas zal het compleet en eeuwig heel zijn.

Zorg voor zijn lichaam

Maar terwijl de ziel voor God verschijnt ontfermen de deskundigen zich over Jozefs lichaam. Het moet naar de gebruiken van Egypte gebalsemd worden. En na lange tijd (is het zeventig dagen?) begraven worden in een graf dat zich in de directe nabijheid van de nu heersende farao bevindt. De bekende rituelen zullen door de vaardige Egyptenaars zijn uitgevoerd en ik vermoed dat Jozefs familie het allemaal met een zekere scepsis heeft staan te bekijken.
Wat een overdreven zorg voor een dode en wat een bijgelovige handelingen allemaal. Althans, dat is het beeld dat bij me opkomt. Dat zou ook een hele juiste reactie zijn geweest. Of moeten we vaststellen dat ze al aardig gewend waren in Egypte en al deze dingen heel normaal zijn gaan vinden? Misschien wel een eye-opener voor ons; onze tijd is vergeven van oude en nieuwe rituelen (omdat men God ten diepste kwijt is). Rituelen zijn in en dat merk je bij ongemakkelijke momenten als overlijden en begraven, maar ook bij kerkdiensten waarin het Woord niet meer of niet écht centraal staat. Ik denk aan overdoop en aan handoplegging die een bijzondere emotie moeten oproepen, zodat het geloof weer tastbaar wordt en eigenlijk (ten diepste) niet meer geloven is doch 'aanschouwen'. Het moet allemaal emotioneler, tastbaarder. En ergens hoor je er die hang in die het volk Israël ook had toen het gouden kalf moest worden gemaakt. Een onzichtbare God is 'uit' en 'lastig uitlegbaar'. Velen haken af als iets ze niet aanstaat of als God op Zich laat wachten. Hij is je hondje niet!

Zorg voor zijn toekomst

Wat Jozefs familie ook heeft gedacht, ze wísten in ieder geval beter. Jozefs lichaam werd niet verafgood, maar 'bewaard' tot de exodus. Geen grafmaker vol attributen voor de lange reis naar de eeuwige horizon. Met recht kan Jozefs graf een 'wachtkamertje' worden genoemd. Het zou nog wel een flinke tijd duren (was het 1 eeuw of langer?), maar het lichaam lag er in afwachting. En dat heeft Jozef heel duidelijk kunnen maken aan zijn broers, voor hij overleed.
Het uiteindelijke graf was ook bekend bij de nabestaanden: Sichem. Wij Nederlanders zijn niet zo van de familie-verhalen en -tradities (hoewel…), maar Joden kennen dat heel sterk. Ik heb me laten vertellen dat families als Kahn, Cohen en Duhen etc. nazaten zijn van de stam van Levi (ik vind het juist daarom interessant omdat mijn overgrootmoeder ook Duhen heette). Er wordt beweerd dat zij de overlevering van de priesterdienst nog kennen. En wanneer ooit die derde tempel er zal staan, weet elke Leviet wat hem te doen staat.
Wat Jozef betreft: het bevel voor de toekomst van zijn sarcofaag is ook prima van vader op zoon doorgegeven. Luister maar wat er gebeurt bij en na de exodus:
  • "En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israëls bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!" (Exodus 13:19)
  • "Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden." (Jozua 24:32)
Die eed, die Jozef liet zweren, werd dus écht gehouden en serieus genomen. Wat je er ook van vindt, dit moet ons Christenen toch wel aanspreken. De Heere Jezus roept ons op om niet te zweren, maar laat uw 'ja' ook 'ja' zijn. Houdt je belofte en wees eerlijk en oprecht/transparant. Hij heeft ons ook getoond dat Zijn Vader doet wat Hij belooft. De HEERE noemt Zich Jahweh, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal. Wel hier wordt door Zijn volk dat beeld vertoond. Tot zover Jozef en diens beeldtenis van de komende Christus. Zijn onbeschrijfelijk en diepe vermogen om lief te hebben die hem in zoveel ellende hadden gestort. Geen kort lontje, maar steeds weer het goede zoekend voor zijn volk. Een echte Zaphnath Paäneah. Een schaduw van Christus, Die als Hem kwaad werd gedaan niet terugschold maar het overgaf in de handen van Hem Die rechtvaardig en ook accuraat oordeel velt: Zijn Vader.

  1. Jozef wilde in Egypte begraven worden; maar liet wel zweren dat zijn lichaam in Sichem zou worden herbegraven. Heeft dat ons in 2016 nog iets te zeggen?
  2. Jozef werd begraven. Heeft dat ons in 2016 nog iets te zeggen?
  3. Jozef werd als een hoogwaardigheidsbekleder begraven. Niettemin moest hij sterven zoals elk ander mens (ook een bedelaar). Wat zegt ons dat over het sterven? Mag er een zeker status en deftigheid getoond worden bij een begrafenis?

woensdag 12 oktober 2016

Het graf van Jozef als teken en zegel

"En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!"
Genesis 50 : 25
Piramide van Djozer, waarbij sommigen het graf van Jozef vermoeden; let op het is slechts 'vermoeden'

Je kinderen wat laten beloven op je sterfbed… het heeft iets dieps en moois en tegelijk kan het ook iets beklemmends hebben. Ik herinner mij een verhaal – tijdens een familieonderzoek – van een stervende moeder die haar enigste dochter liet beloven dat ze niet zou trouwen zoland haar vader nog leefde. Wat een bizarre belofte werd dit meisje afgedwongen! En… ze heeft die belofte gehouden, want kort na het overlijden van haar vader trouwde ze. Dieper gaat het nog toen ik hoorde dat haar man al veel langer van haar hield maar vanwege die belofte haar niet ten huwelijk heeft gevraagd. Tegen een buurman vertelde hij later: "Ik heb ze wel al die tijd in mijn hart gedragen". Het is het verhaal van de oudste broer van Zwart Jannetje uit Veenendaal, Hendrik Hootsen, die trouwde met de buurvrouw van mijn opa, Leentje de Heer in Brandwijk.

Hoeveel familiegeheimen zijn bij een sterfbed bezegeld in zwijgen? Daarentegen ook: hoeveel familiegeheimen en -tragedies zijn openbaar gekomen op een sterfbed. Tv-programma's als Spoorloos zijn er meer dan eens mee gevuld. Maar laten we toch terugkeren bij een positieve belofte op een sterfbed: die van Jozef's familie aan de stervende Jozef, om zijn doodskist bij de exodus mee te nemen naar Kanaän.

Zweren voor een begraafplaats

Laten we nog even teruggaan naar het sterfbed van vader Jacob. Hij liet specifiek Jozef zweren dat hij zou worden begraven in het familiegraf in Kanaän. Lees maar hoe dat ging in Genesis 47:29-31: "Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord! En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed."
Er moest duidelijk gezworen worden; Jacob nam met een mondelinge toezegging geen genoegen. De HEERE werd erbij gehaald en voor Diens aangezicht werd deze belofte gedaan, onder aanroeping van de Verbondsnaam. Bij die plechtigheid wees Jacob hoogstwaarschijnlijk Jozef aan als zijn 'executeur testamentair'.

Executeur testamentair

Blijkbaar had Jacob het meest vertrouwen in zijn lieveling Jozef, hoewel hij niet het kind van de belofte was, die de lijn naar de Messias zou voortzetten. Beging hij misschien ook dezelfde fout als zijn vader Izaäk? En Jozef? Wie nam hij in vertrouwen om zijn testament te gaan uitvoeren, wanneer hij overleden was? Het lijkt erop dat hij al zijn halfbroers en zijn broer Benjamin laat zweren, al denk ik dat velen van hen al zijn overleden. Dus dan zijn het de stamhouders van die elf families. Maar het is ook een belofte die op de schouders van volgende generaties wordt gelegd. Immers, Jozef wist niet precies wanneer de exodus zou zijn. Als hij Gods beloften even duidelijk had doorgekregen via overgrootvader Abraham, opa Izaäk en vader Jacob, dan dat wij ze hebben gekregen in de Bijbel, dan wist hij dat het echt nog wel een paar eeuwen zou duren voordat de exodus zou komen. Jozef wilde daarom dat al de dán levende nazaten precies wisten wat ze moesten doen. En als er tumult zou uitbreken bij deze exodus, dan nog moesten ze niet vergeten de sarcofaag met zijn gebalsemde lichaam mee te nemen naar het Beloofde Land. Om daarvan zeker te zijn, instrueerde hij al zijn broeder-families en liet hen een eed zweren, zodat ze die zware belofte ook zouden doorgeven aan hun nazaten. Tradities doorgeven, daar waren de aartsvaders – en de Joden tot op de huidige dag – meesters in; dat zijn wij wel een beetje kwijt geraakt!

Enkel traditie?

Hoe zit dat nu precies met die belofte die Jozef zijn broers laat doen? De meeste farao's werden begraven in het Dal der Koningen of op nog enkele andere plekken. De piramiden zijn er tot op de huidige dag getuige van. Gek genoeg werden zij wel met pracht en praal begraven, maar werd al die pracht en praal weggestopt in een kale, stenen prisma. Werd er voor Jozef ook zo'n piramide gebouwd? Of wellicht een statig bij-graf bij de piramide van de heersende farao? Goed mogelijk. Er schijnt een graf gevonden te zijn dat verder in tact was, maar waaruit de sarcofaag was verdwenen. Ergens in die ruimte werd een stuk van een stenen beeldje gevonden dat van een grootvizier van buitenlandse komaf moet zijn geweest. Hoe dát precies zat is misschien wel interessant, maar niet voor deze Bijbelstudie.
Waar het mij om gaat is met welk doel Jozef zó begraven wilde worden en wat de betekenis was van die eed over het meenemen van zijn gebeente naar Kanaän. Immers, het is zo dat Jozef van zijn vader een eigen begraafplaats had gekregen bij Sichem; waarom liet hij zich dáár niet begraven, net zoals zijn vader Jacob wel liet doen bij Machpéla? Waarom laat hij specifiek vastleggen dat hij wel in Egypte opgebaard wil worden, maar enkel in afwachting van de beloofde exodus? In de Kanttekeningen staat het volgende:
"Dit beveelt hij, niet uit superstitie, maar uit een vast geloof, waardoor hij voor zeker hield, dat zijn geslacht het land Kanaän bezitten zou, en dat hetzelve hun allen was tot een voorbeeld en onderpand van het hemelse Kanaän; begerende uit zulke oorzaak, dat zijn beenderen daar eindelijk zouden heengevoerd worden."
Verwezen wordt naar Hebreeën 11 : 22, waar we lezen: "Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der kinderen Israëls, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente." De Kanttekeningen leggen uit bij 'heeft Jozef gemeld', dat dat niet een terloopse opmerking was, maar dat hij heeft "betuigd dat God Zijn belofte zou volbrengen, van de verlossing der kinderen Israëls uit Egypte." Jozefs begrafenis in Egypte was een belijdenis van zijn geloof over de toekomst. Daar was hij vast van overtuigd en die overtuiging hield hij niet voor zichzelf; lees nogmaals de Kanttekeningen over dat bevel over zijn gebeente: "Dat is, van het medenemen van zijn gebeente naar het land Kanaän, niet uit enige bijgelovigheid of om zijn gebeente daar te laten aanbidden, hetwelk nooit geschied is, maar om de gemeenschap die hij met zijne broederen aan de belofte van God had, en zijn hoop van de vervulling daarvan, ook na zijn dood, hierdoor te betuigen, en hunne nakomelingen daarin te versterken." Drie dingen dus. Hij wilde dat het gebalsemde lichaam mee ging naar Kanaän uit het verlangen om in gemeenschap met zijn broederen te zijn (en dat is een bijzonder wonder, als we bedenken dat die broers hem tot een heel ander besluit hadden kunnen doen komen door hun gedrag). Ten tweede dus die geloofsbelijdenis over de toekomst en ten derde als een versterking voor de verre nazaten van zowel Jozef als zijn broers; zij hadden wel een mondelinge toezegging, maar wanneer ze bij Jozefs graf stonden en de sarcofaag wellicht betastten met hun handen, dan was die stenen kist een onderpand van de belofte die nog op vervulling wachtte.

Met enige theologische vrijheid zou je het haast een sacrament kunnen noemen: een versterking van het zwakke en aangevochten geloof. Houd moet, want de HEERE is een Waarmaker van Zijn beloften. Jozef bleef nog in Egypte, en was een teken dat het hele volk eens in Kanaän zou komen. Onze Heere Jezus Christus is reeds in de Hemel, als een onderpand dat al de Zijnen veilig zullen aankomen in de Stad met paarl'en poorten. Het is een geweldig rijke gedachte, die Jozef hier zijn broers laten beloven. Maar eveneens werd ik zeer getroffen door die hunker om de onderlinge gemeenschap met zijn broers te zoeken; zelfs na zijn dood. Hier worden de contouren zichtbaar van de meerdere Jozef die niets liever deed dan zondaars, ja vijanden, met God Zijn Vader wilder verzoenen. Al kostte het zelfs Zijn heilige en reine leven! Waar kun je dat beter en dieper beseffen dan bij het kruis van Golgotha… waar kun je dat beter en dieper aanbidden en aanbidden dan aan Zijn tafel? Hij is het Onderpand bij uitstek! En dat Beloofde Land? Dat zal er zéker van komen! Daar staat hij 24/7 voor in. Jozef deed niets meer na zijn sterven. Zijn lichaam was een passief getuigenis. Maar Christus is fulltime actief met het bereiden van plaats in het Vaderhuis.

  1. Wat vind je van de vergevingsgezindheid van Jozef? Heeft dat ons iets te zeggen?
  2. Stel je eens voor dat jij een achterkleinkind van Jozef of Benjamin was; zou het jou dan troosten zo'n belofte op je schouders te hebben liggen, zoals de broers van Jozef hebben gedaan? Kun je je enigszins voorstellen hoe dat was? Of zijn wij dat helemaal verleerd: leven met een belofte?
  3. Naast het Heilig Avondmaal is ook de Heilige Doop een sacrament vol van beloften. Hoe ga jij daarmee om?

woensdag 7 september 2016

Hoe Jozef een aartsvader werd

"En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren."
Genesis 50 : 23

Als je van de mensen in de dagtekst een foto zou maken, zou je vier generaties zien. Op de foto hierboven staan ook vier generaties: allen met de naam Johannes Hermanus Gunning; overgrootvader was predikant, zoon J.H. Gunning jr (rechts) werd ook predikant en later professor in de theologie; zoon J.H. Gunning JHzn (links) werd o.a. predikant in de Sint Jan te Gouda; diens zoon, de dopeling die bij overgrootvader op zijn knieën ligt – eveneens een J.H. – werd echter belastingambtenaar; maar diens zoon werd ook weer predikant. Bron: RefDag

Je kunt deze tekst als een feitelijke mededeling beschouwen, maar toch is er meer over te zeggen. Dat doen de Kanttekeningen ook en het is wel aardig om die als leidraad voor onze overdenking te gebruiken. Kinderen krijgen en je kleinkinderen zien opgroeien is een zegen. Zelf sta ik op het punt om voor de eerste keer opa te worden en ik probeer me in de denken hoe dat zal zijn.

Grootouder worden is één kant van de zaak; dan is het jouw 'bloed' dat je verder ziet stromen. De andere kant van de zaak is dat jouw kinderen nu gaan beginnen te ervaren, wat jij al enige tijd achter je hebt liggen. Hun leven gaat zich nog verder verzelfstandigen. Zij zijn naast jouw kinderen nu ook de ouders van jouw kleinkinderen. In de moderne westerse samenleving staan grootouders meestal aan de zijlijn (of ze fungeren als goedkope oppas in de plaats van hun werkende kinderen) en maken op afstand de ontwikkeling van hun kleinkinderen mee. Opa's en oma's moeten zich vooral niet te zeer bemoeien met de opvoeding van hun kleinkinderen, want anders ontstaat er polarisatie.
Maar vroeger was dat anders; in Jozefs tijd – zo blijkt uit de dagtekst – was opa Jozef er voluit bij betrokken. Jozef kan met recht een aartsvader worden genoemd. En soms denk ik: zijn we in het moderne westen misschien iets heel waardevols kwijt geraakt? En wel zo: zijn grootouders nog in staat om net als Jozef (en Jacob en Izak en Abraham) werkelijk iets te betekenen in het leven van kinderen en (achter)kleinkinderen? Dat gaat verder dan alleen cadeautjes geven, spelletjes doen en verwachten dat de kleinkinderen keurig bij je op visite komen. Aartsvader en -moeder zijn betekent een uitstraling hebben die door Gods Geest wordt gegeven en gebruikt, waarlangs niet jij maar de HEERE iets kan uitwerken in het leven van de volgende generaties. Dat zijn pittige gedachten die ik ook over mijn eigen leven moet leggen. Een spiegel, een realiteit die verootmoediging uitwerkt.

Geboren uit jouw kinderen

De tekst spreekt over 'het derde gelid' en over kinderen van Jozefs kleinzoon Machir (achterkleinkinderen dus). In de Kanttekeningen wordt opgemerkt: "Hebr. kinderen der derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kindskinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16. Ps. 128:6. Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, Gen. 48:19.
Je kunt ook denken aan de Tien Geboden waarin wordt opgemerkt dat de HEERE de zonde der vaderen bezoekt (of dat de zonde effect heeft) tot in "het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten". Daar heeft het een geladen betekenis. Bij Job is het vooral de zegen, wanneer hij – na al zijn kinderen te zijn kwijtgeraakt – zelfs nog zijn achterkleinkinderen heeft mogen zien. Dezelfde zegen die ook in Psalm 128 wordt beloofd.
Je achterkleinkinderen mogen zien is meer dan een bereikte status: het maakt je al kleiner en de vreugde en dankbaarheid zijn voor God. Die kinderen te zien geboren worden is het bewijs van Gods zegen over jouw leven. Genade wordt zichtbaar en tastbaar!
Er is nog iets dat me opvalt in de tekst. Er lijkt zich – of ik moet mij vergissen – een soort tegenstelling of wedijver te voltrekken in de verschillende bewoordingen over enerzijds Manasse en anderzijds Efraïm. Wedijver is misschien niet het juiste woord, maar wellicht gradatieverschil. Efraïm wordt als eerste genoemd, hoewel hij van deze twee de jongste was; Manasse was de eerstgeborene aldus Genesis 48 : 14. Efraïm is vooropgezet en de zegen van vader Jacob wordt zichtbaar in het feit dat Jozef ook van Efraïm kinderen mocht zien in het derde gelid (achterkleinkinderen, de kleinkinderen van Efraïm). Ik haal even Numeri 26 erbij (en ook 1 Kronieken 7 biedt zo'n aardig overzicht):
28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31 En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
33 Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
Efraïm kreeg minstens drie zonen: Sutélah, Becher en Tahan. In 1 Kronieken 7 wordt direct de lijn voorgezet met Sutélah, telkens 1 zoon. Sutélah kreeg volgens Numeri een zoon Eran en volgens 1 Kronieken 7 ook nog een zoon Bered. Met die nazaten van Bered loopt het niet zo goed af; niettemin ontvingen ze wel een duidelijk zegen van Jozua, dat ze de Filistijnen zouden overwinnen. Het vreemde was namelijk dat Manasse en Efraïm aanvankelijk 1 lot kregen toen het land Kanaän werd verdeeld. Het gebied werd al snel te klein en ook de zegen van vader Jacob kwam hierdoor onder druk te staan. Ze kwamen daarom bij Jozua (die ook een nazaat van Efraïm was) die hen zegende en het gebergte bij Gath ook gaf, belovend dat ze onoverwinnelijk zouden zijn voor de filistijnen. Maar dat is wel beproefd geworden. Terug naar de tekst: Jozef heeft deze Eran en waarschijnlijk ook Bered dus nog zien geboren worden en opgroeien. Hij heeft ze vast ook op schoot gehad als tastbare bewijzen van Gods goedheid en trouw.
Nu naar Manasse. Hoewel hij de eerstgeborene was, werd hij toch op de tweede plaats gezet. Niettemin had Jacob gezegd: "Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij (Manasse) zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden." Die zegen heeft Jozef, die bij die zegening aanwezig was, bewaarheid zien worden toen Manasse (klein)kinderen kreeg. Enkel Machir wordt genoemd, als kind van Manasse. Hij kreeg een zoon Gilead. Jozef heeft Gilead dus nog gezien; sterker nog, hij heeft een bijzondere band met hem gehad (hij werd op Jozefs knieën geboren; daarover straks). Gilead bracht een groot volk voort dat uiteenviel in de nazaten van zijn kinderen: Jezer, Helek, Asriël, Sechem, Semida, Hefer. Die laatste had een zoon die enkel dochters had; daar lezen we over in Numeri 26, wanneer zij eigenlijk geen erfdeel ontvangen, bij de verdeling van het land Kanaän.

Geboren op jouw knieën

Een merkwaardige uitdrukking. Jozefs moeder had die term ook al in haar mond genomen, toen ze onvruchtbaar bleek. Ze had tegen Jacob gezegd (wij westerlingen zouden dat nooit kunnen begrijpen): "Neem mijn slavin Bilha dan, als je mij niet zwanger kunt maken! Dan moet zijn maar op mijn knieën baren". Net letterlijk natuurlijk, maar toch. Zie je die Bilha staan, terwijl haar meesters dit koud en chagrijnig zegt? Ze moet er direct een beeld bij hebben gehad. Dat betekende geslachtsgemeenschap met naar heer, maar ook de moeite en pijn van de bevalling ten behoeve van het genot van haar meesteres. Dan en Naftali zijn dus het product van Rachels jaloezie richting haar zus Lea. Des te opmerkelijker is dat juist Jozef deze term ook weer gebruikt.
De Kanttekeningen leggen bij deze term uit: "Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid met blijdschap en vermaking placht op zijn schoot te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kinderkens gemeenlijk doet." Op je knieën tekent het beeld dus van op schoot nemen en liefde geven. Dat is wel typisch het beeld van een ouder of zelfs een grootouder. Maar er zit meer in, als je kijkt naar Rachel: bezit of in ieder geval een verbinding die gelijkwaardig is aan ouder-kind. Daarnaast inderdaad ook de intieme relatie. Over Jezus wordt gezegd dat Hij de Zoon van de Vader was, altijd in de schoot des Vaders verkerend en de vermaking was van Zijn Vader. Dat is meer dan alleen een spelletje samen doen met opa: 'ik zie ik zie wat jij niet ziet' of 'hobbelpaard, hobbelpaard… gat in de weg'. Opa, of in Jozefs geval overgrootvader, keek naar het kleine kind en zag er Gods betrouwbaarheid in. Hij knuffelde het kind en liefkoosde zo Gods bewezen trouw aan Zijn belofte! Tegelijk een dankgebed als dankoffer opzendend naar God de Vader: "Heere, het is écht. Wie is aan U gelijk?!"

Zouden we nog steeds zo naar onze kinderen, klein- en achterkleinkinderen kunnen kijken? Zouden we nog steeds zó betrokken kunnen zijn op onze nazaten? Of gaat dat niet meer lukken? Ik geloof – de emancipatie van de jongeren ten spijt – dat de HEERE nog steeds zo kan werken en grote wonderen kan doen. Het gebed en de hartelijke geestelijke betrokkenheid op onze nazaten kan het keiharde modernisme en de emancipatie- en expansiedrang van het westers maatschappelijk denken doen barsten als een gestage waterdruppel een keisteen. Dit goddeloze tijdperk van wetteloosheid kan ons wel voorschrijven wat moet moeten vinden, voelen en doen, maar kan ons nooit de rijkdom van het leven met de HEERE ontnemen. Als Jezus door een dichte deur kan binnenkomen bij Zijn jongeren, dan kan Hij dat vandaag de dag ook bij elke jongere! Laat hen in die zin maar op jouw 'knieën geboren' zijn; ik bedoel: laat ze maar op jouw ziel liggen en neem ze mee in je gebed, probeer ze te bereiken en laat ze merken dat je voor hen bidt; dat hun eeuwig heil jouw persoonlijk aan het hart gaat. Dat is aartsvader en -moeder zijn in de 21e eeuw! En misschien mag je net als Jozef Gods trouw tastbaar zien worden in hen, terwijl ze op 'jouw schoot' zitten. Dan mag je een diep vermaak hebben, door hen heen in God Die machtig is harten te treffen en door te gaan met Zijn zaligmakend werk.

  1. Wat vind je van de hiervoor genoemde visie op geestelijk aartsvader- en -moederschap? Hoe zou jij dat praktisch kunnen maken en wie zou jouw geestelijke betrokkenheid op dit moment het hardste nodig hebben?
  2. Zou je die kennis en ervaring ook op andere opa's en oma's kunnen overbrengen? Zie je ook dingen misgaan in de relatie grootouders-kleinkinderen? Wat zou je daaraan kunnen doen?
  3. Hoe zou je hier ook gestalte aan kunnen geven, ondanks dat je geen kinderen hebt of zelfs niet getrouwd bent?

dinsdag 3 mei 2016

Ezau's ethische ontwikkeling

Farao, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis;
in dit geval Thutmoses III, vader van de
vermoedelijke farao (Amenhotep II) die
tijdens de Exodus regeerde en verdronk
Op ethisch en sexueel gebied kunnen kinderen sterk worden gevormd en beïnvloed door hun ouders. Om enkele voorbeelden te noemen: de uitspattingen van David en Bathséba hebben hun sporen getrokken in de levens van diverse van Davids kinderen. De slappe houding van Eli verergerde de goddeloosheid van Hofni en Pinéhas. De voortrekkerij van Jacob jegens Jozef stimuleerde de jaloezie en goddeloosheid bij zijn andere zonen. De voortdurende verdachtmaking van Jezus door de farizeeën maakte dat een heel volk kon roepen: "Kruist Hem!"
We hebben al even iets gezegd over opa Abraham die God een handje wou helpen met de realisatie van Diens belofte van een zoon. Daar is Ismaël de dupe van geworden. Deze jongen heeft tijdens zijn leven moeten ervaren dat hij er eigenlijk niet behoorde te zijn. Zo sterk heeft God dat niet geaccentueerd, want Hij gaf Ismaël grote zegeningen en beloften voor zijn toekomst. Maar niettemin was zijn moeder zwanger gemaakt en was hij op een oneigenlijke wijze, zeg maar liefdeloos, verwekt. Als jaren later Izaäk wordt geboren ervaart Ismaël heel duidelijk dat hij een tweederangs kind is geworden. Zijn vader zal dat niet zo hebben laten merken, maar dat móet iets met die jongen hebben gedaan. Hij zocht een leven waarin hij voor zichzelf wilde opkomen. "Ik heb niemand nodig… Ik red mezelf wel!"
Zowel bij Abraham als bij Izaäk gebeurde nóg iets raars: beiden hebben op een gegeven moment ontkend dat hun vrouw hun vrouw was! Welk effect had dat op zoon Izaäk en (klein)zoon Ezau?

"Als nu Ezau veertig jaren oud was,
nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet,
en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes."

Genesis 26 : 34-35

"Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend,
en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen;
en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende:
Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;
en dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was,
en naar Paddan-aram getrokken was;
en dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,
Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth."
Genesis 28 : 6-9

Ontrouw 1 en 2

Honger is een kwade rode draad door de geschiedenissen van Abraham, Izaäk en Jacob. Als Abraham enige tijd in het beloofde land woont, weliswaar als vreemdeling, breekt er honger uit. En geloof me, dat is een enorme aanvechting voor hem geweest. Waar is nu Gods belofte? Abraham kiest voor de vlucht; dat kon ook gemakkelijk, want hij was een nomade die voor zijn vee mals gras en water zocht. Die noodzaak gaf hem een reizend bestaan. Al zoekend leek hij af te zakken naar Egypte; maar als ik goed lees in de Bijbel dan lijkt hij toch heel bewust voor Egypte te hebben gekozen. Eerst is hij inderdaad op zoek naar voedsel (Genesis 12 : 9) "gaande en trekkende naar het zuiden." Maar later maakt hij een welbewuste keuze voor Egypte: "En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land."
Of dat goed of slecht was laat ik even in het midden. Maar er gebeurt iets merkwaardigs: "En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was."
Saraï wordt opgenomen in het harem van de Farao met alle gevaren van dien. Daarom wordt ook zo heel duidelijk in de Bijbel onderstreept dat uit die relatie GEEN kind is voortgekomen.
Nadat Farao erachter is gekomen – door plagen van God – dat Sara niet alleen de halfzuster van Abraham is, maar ook zijn huwelijksverbondspartner, weet hij niet hoe deemoedig hij die grote en vreselijke God moet tevreden stellen. Hij geeft enorm veel geschenken aan Abraham en zendt hem weg. En – zo vertelt het apocriefe Boek des Oprechten – farao gaf zijn dochter Hagar als dienstmeisje aan Saraï. Dat liep met een sisser af, zou je denken.
De eerste barst ontstaat reeds in het volgende hoofdstuk, Genesis 13, wanneer de herders van Lot en van Abraham ruzie krijgen. Daar wordt met geen woord over gerept, maar zou het niet zo kunnen zijn dat Lot zich is gaan schamen voor deze ongeloofsdaad van zijn oom? Er staat met dikke woorden "Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud." Ja, hoe komt Abraham aan zoveel rijkdom? Is dat een beloning op zonde? Lot moet dat niet hebben gesnapt. Direct daarop ontstaat dan ook ruzie tussen Lot en Abraham en ze gaan uiteen.
Maar wie schetst onze verbazing als Abraham in Genesis 20 – nota bene na de verbondsvernieuwing en de belofte dat Sara een kind zal krijgen (!) – opnieuw in dezelfde fout valt. Hij heeft een tijd bij de eikenbossen van Mamré gewoond maar trekt verder richting Gerar in het land van de latere Filistijnen. De koning daar (die Abimelech als aanspreektitel heeft, zoals farao de aanspreektitel van de koning van Egypte is) laat zijn oog op de inmiddels 89-jarige Saraï vallen. En hij vindt haar 'schoon'. Ze was op haar oude dag nog een knappe verschijning. Ook hij komt erachter dat Abraham liegt. Maar… in deze geschiedenis is Ismaël al geboren en besneden! Hij heeft dit als 12-jarige jongen meegemaakt. En plots had hij een heel ander beeld van zijn godvrezende en diepgelovige vader! Het mag voor Ismaël nooit een stok zijn om de hond te slaan, maar het heeft er zeker niet aan meegewerkt dat hij de HEERE oprecht ging dienen. En dat zal zijn moeder Hagar natuurlijk ook hebben onderstreept. Is dat nou de dienst aan de HEERE? De goden van Egypte waren wel anders!

Ontrouw 3

Al deze dingen zijn op zich buiten het blikveld van Izaäk gebeurd. Mogelijk heeft zijn broer Ismaël er wel iets over verteld toen ze wat herinneringen ophaalden bij de begrafenis van moeder Saraï (Genesis 23) of wellicht bij die van vader Abraham (Genesis 25).
In Genesis 26 breekt er opnieuw honger uit en maakt Izaäk dezelfde reis als zijn ouders: naar Gerar. "En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Alzo woonde Izak te Gerar."
Izaäk gaat niet voor niets naar Gerar; al weet ik niet precies waarom. Wellicht had het verbond van Abimelech met Abraham daar een bepaalde rol in. En ook in deze geschiedenis gaat de Abimelech van Gerar een verbond aan met Izaäk. Maar eerst verkoopt Izaäk dezelfde leugen als zijn vader: die vrouw is niet mijn vrouw, maar mijn zus. Izaäk loog nog sterker dan zijn vader. Zijn schoonvader was zijn neef en Rebekka was zijn achternichtje.

Naast deze leugen wijs ik op nog één detail: God zegt expliciet tegen Izaäk dat hij níet naar Egypte mag afdalen. Waarom? Het wordt nergens toegelicht. Was het vanwege het voorval van Abraham in Egypte? Ik geloof het niet. Want hij gaat hier wel naar Gerar, waar eenzelfde intrige had plaatsgevonden. Er zijn bronnen die zeggen dat Izaäk in het beloofde land moest blijven van God. Dáár moest zijn toekomst zijn. Men ziet in Hem de contouren van Christus Die in de hemel blijft na Zijn hemelvaart, en op afstand, door Zijn Geest, mensen toebrengt tot Zijn Koninkrijk. Het is mooi, maar waarom mocht Jacob later dan wél naar Egypte gaan? En zou er niet gewoon een praktische oorzaak voor dit verbod kunnen zijn? De oorzaak: Ismaël? Bedenk namelijk dat in deze geschiedenis Ezau en Jacob al zijn geboren en opgroeiende kinderen zijn. Ook zij zien hier gebeuren, wat Ismaël jaren geleden op deze zelfde plek heeft meegemaakt: vader doet alsof moeder niet bij hem hoort. Dit moet Jacob zijn bijgebleven; maar dit heeft ook Ezau sporen getrokken!

Ontrouw 4

Ezau zou eens laten zien dat hij dit soort praktijken er nooit op na zou houden. Hij is net als zijn vader 40 jaar als hij een vaste relatie met een vrouw begint. En ik denk dat ik weinig fantasie gebruik als ik stel dat er al wat losse escapades hebben plaatsgevonden met Ezau en de meisjes. Hij is niet alleen dierenjager maar, als ik mij niet vergis, ook een rokkenjager. En als pa Izaäk daar iets van vindt, dan kan hij ongezouten een verslag van 'Papa in Gerar' krijgen. Natuurlijk gebruikt Ezau hier een stok om de hond te slaan. Want Izaäk heeft in Gerar – in de affaire met al die waterputten en de ruzies eromheen – ook laten zien dat hij de minste kon zijn. Izaäk heeft in zijn leven echt wel laten zien wat de dienst aan de HEERE inhield. En welke vader is zonder zonde? Maar voor afhakers zijn dat geen vergoeilijkende omstandigheden!
Met het huwelijk dat Ezau sluit zet hij een definitieve stap buiten de traditie en het Verbond. Hij trouwt met een heidens meisje: Judith. En… hij treedt in de sporen van Kaïns nageslacht door ook nog een tweede vrouw te nemen: Basmath; hoewel… drukte hij de voetstappen misschien van zijn opa Abraham die naast Sara ook Hagar als vrouw nam? En als Izaäk het idee van Ezau probeerde af te raden, dan zou hij fors de waarheid te horen krijgen: "Kijk eens naar je eigen vader?!" "Ja maar, jongen, je bent besneden. De HEERE heeft recht op je hart en leven." "Daar heb ik niet om gevraagd. Laat mij met rust en geef me de ruimte. Ik zal niet doen alsof Judith en Basmath mijn vrouwen niet zijn. Ik verloochen ze niet! Ze zijn me lief en met hen is het leven ooit saai!" Die zit. Ja, de Kanaänieten kunnen er wat van op sexueel gebied. Sex was hun godsdienst. Wat wil je nog meer… Het lijkt wel alsof ze in de 21e eeuw leven!
Maar… als Jacob de boel bedriegt en nog een extra afscheidszegen krijgt van zijn vader (!), is de maat voor Ezau vol. Hij ziet dat zowel zijn moeder (maar daar had hij toch al nooit wat mee) als zijn vader al hun liefde aan Jacob besteden. Ze voorzien hem van goede adviezen om naar de familie in Paddan-aram te gaan en daar een vrouw te zoeken; vooral niet in Kanaän, net zoals Ezau! Niet handig, want Ezau heeft het gehoord. En hij irriteert zich mateloos aan die schijnheilige broer die 'gehoorzaam' doet wat zijn pappie en mammie zeggen. Jacob gaat netjes in het vrome spoor; ja ja; maar wel met allerlei leugens en slimmigheidjes. Ezau is erin geluisd!
Bruut draait hij zich om en gaat – wat Izaäk niet mocht doen – naar Ismaël. Hij neemt zijn twee vrouwen mee en wellicht zijn er ook al wat kinderen geboren, want waarschijnlijk is Ezau dan al 30 jaar getrouwd! Oom Ismaël ontfermt zich over zijn neef en zal het anti-godsdienstige vuur best hebben aangewakkerd. Tot overmaat van ramp trouwt Ezau met de oudste dochter van Ismaël, die toch ook al op jaren moet zijn geweest. Alleen maar om zijn ouders te stangen. Wat moet daarvan terecht komen?
Voor Rebekka (ik denk vooral dat het haar betreft; moeders zijn daar feller in) en Izaäk waren Ezaus twee eerste vrouwen al een drama: een bitterheid des geestes. Het hield hen wakker en legde een venijnige domper op het gezinsleven. Daaronder is Jacob ook nog 30 (!) gebukt gegaan. Dat kon dan ook best eens de reden zijn dat hij bij zichzelf heeft besloten dat Ezau dat eerstgeboorterecht echt niet meer verdiende; dat moest Jacob op de een of andere manier veiligstellen; anders zouden de bezittingen van vader en moeder zo naar de 'Filistijnen' gaan… En die belofte van de Messias al helemaal!
Maar voor Ezau was het ook zuur om constant te voelen dat zijn vrouwen niet welkom waren. Hij hield van ze en hij had ervoor gekozen. Ja, het was een keuze tegen God en hij kon weten en snappen dat zijn ouders er verdriet van hadden. Maar er wordt in de tekst niet gesproken over stil verdriet, maar over 'bitterheid des geestes'. Dat schuurt tegen haat. Ligt daarin misschien een les voor ouders in dergelijke situaties? Hoe moeilijk dat ook is, hoezeer je niet blij bent met de keuze van je zoon of dochter, laat haat de deur naar je hart niet dichtklappen. Houdt het voor mogelijk dat jouw liefde een brug kan zijn waarover Gods liefde een heidens hart kan bereiken. Hoe moeilijk die weg ook is. In die twee heidense schoondochters kregen Izaäk en Rebekka namelijk ook twee zielen met een eeuwige bestemming: twee schepselen Gods. Ben ik te gemakkelijk in dit oordeel? Ik weet dat dit heel, heel moeilijk kan zijn, maar het is de prijs waard om je hart open te houden voor deze voor jou onwelgevallige schoonkinderen. Gebed is nodig om niet je gevoel, maar je hart te laten spreken. Want de haat van zijn ouders jegens de twee meiden, is voor Ezau de druppel die de emmer doet overlopen: het ontrouwe verbondskind vertrekt en wordt zo onbereikbaar voor zijn ouders. Hoewel hij voor de volle 100% verantwoordelijk is voor zijn eigen daden!