Posts tonen met het label Abraham. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Abraham. Alle posts tonen

donderdag 3 mei 2018

Belofte in contrast met realiteit

Hoofdstuk 7


Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte; totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
Handelingen 7 : 17-19


Je zou het haast vergeten: Gods belofte stond nog recht overeind, maar was nog steeds niet vervuld. Het grote patroon dat God aan het tekenen was (de weg naar de vervulling) lijkt een weg de diepte in, waarin alle hoop dreigt te vervliegen. Wie niet nóg dieper leert zien of vermoeden, kan enkel schreeuwen: “HEERE, het gaat de verkeerde kant op!”
 

De ontknoping van Gods plan
Wat is het fascinerend om Stefanus bezig te zien. Hij gaat hier nog even naast zijn volksgenoten zitten en maakt duidelijk dat hij één met hen is. Hij neemt zijn hoorders mee het dal van de slavernij is. Dit stukje geschiedenis delen ze samen: ze zijn tot slaven gemaakt en de maatschappij waarin ze toen leefden, was uit op hun uitroeiing!
Het tweede aspect dat Stefanus hier inbrengt is voor ons ook heel herkenbaar! Hij wijst op de ‘groei’ van het volk en koppelt dat aan ‘God gedenkt aan Zijn belofte’. Hoewel dat een keiharde waarheid was, is die associatie heel gevaarlijk. Ook vandaag is men heel gefocust op ‘groei’ die het bewijs zou moeten vormen voor Gods bemoeienis met ons. Er moeten grote kerken worden gebouwd; hoe rechtser hoe groter de gebouwen en hoe imposanter het vertoon naar de wereld buiten de kerk. Er worden veel rechtszaken gevoerd om die bouw er door te drukken. Want als de kerkmensen die grote gebouwen zien en de expansie ervaren, krijgen ze een ­positieve kick. Het materiële ‘bewijs’ moet het geestelijke ‘bewijs’ staven. Maar hoe gevaarlijk is dat? Het is maar zeer de vraag of een grote gemeente, een eigen kerk­gebouw en een ‘eigen’ dominee (voor zolang die in je gemeente blijft!) ook een zegen is in geestelijk opzicht. Is het niet zo dat het materialisme aan de rechtse kant van de kerk het grootst is? Om nog maar te zwijgen over collecteopbrengsten en rommelmarkten en verkopingen die abominabele bedragen opleveren; maar waar wordt dat geld aan besteed? Aan het orgelfonds? Of de vergroting van het kerkgebouw? Aan de kerkvoogdij? Of aan de diaconie? Of de evangelisatiecommissie die er mee aan het werk kan in de wijk buiten de kerkmuur?
Terwijl God naar de afronding van Zijn plan gaat en dichterbij de inwisseling van Zijn belofte komt, groeit de ­bevolking in Gosen explosief. Maar dat moest anders geduid worden dan ‘zie je wel: God is met ons’. Het had een andere reden! Er zou verdrukking komen en God zorgde voor steun, schouder aan schouder! En precies dáár richt de satan zijn pijlen op!

De bedreiging van Gods beeld
Het volk hield de traditie gaande. Vaders vertelden de verhalen van vroeger aan hun kinderen. De verhalen over oud-oom of oud-vader Joseph ben Jacob, die van slaaf tot onderkoning werd verheven! Jozef; zijn naam betekent ‘vermeerderen’. Hij werd geëerd met zijn Egyptische naam ‘Tsaphnat-Panéach’, Behouder des levens. En zo eerden zijn volksgenoten daar in Gosen hem, generatie na generatie.
In hem manifesteerde zich het beeld van Gods belofte: de Messiach! Jozef was het niet, want hij stierf, maar hij was er wel een voorbode van, een type!
Het volk groeide en boogde op een onaantastbare positie, omdat de HEERE met hen was. Ze vermenigvuldigden zeer. Was dat niet de vervulling van de belofte die in Jozefs naam zat? En werden ze hier in een ver en vreemd land niet door de God van het Verbond, de Eeuwige, rijk gezegend?
Maar terwijl zelfgenoegzaamheid post vat, gaat God er een andere weg mee. Hij kijkt niet tevreden naar dat volk dat lekker groeit en hun dingen veilig stelt, maar Hij gedenkt aan Zijn belofte aan Abraham. De belofte dat het volk in ernstige slavernij zou vallen, maar daarna, op Zijn bestemde tijd, zou worden bevrijd en terug zou keren naar het Beloofde Land. Gods klok tikte door en wees tien voor twaalf aan!
De vraag is dus: wie is er bezig om het beeld van God scheef te trekken onder het volk? Wie tekent nu een verkeerd beeld van Gods handelen? Is dat de ‘koning die Jozef niet heeft gekend’ en goddeloze besluiten neemt en het volk op een weg ‘van God los’ plaatst? Of is dat het volk dat verkeerde conclusies trekt uit de groei van het volk en het passief en conservatief bogen op een gezegende geschiedenis?

De vernietiging van Gods volk
Stefanus gaat deze vraag nog even uit de weg en lijkt bij zijn volksgenoten te blijven zitten en hen aan te stoten: “Weet je nog wat ons is aangedaan door die loeder van een Farao?” Maar je kunt niet om de vraag heen: waarom richt het oordeel zich dan juist op die grote ‘vermenigvuldiging van het volk’? Let er daarom goed op dat het volk juist dáárin wordt getroffen, waarop zij zich zo verhieven: hun groepsgrootte, het aantal leden van het volk.
Heel begrijpelijk is de redenering van Farao. Hij ziet dat volk groeien en zal een volkstelling hebben uitgevoerd, waaruit bleek dat er meer Hebreeuwse mannen waren dan Egyptische mannen. Daarbij waren die Hebreeën (dat heeft ook te maken met hun eetgewoonten en levensstijl) gezonder en sterker. De decadente dynastieën van de Farao’s, het aanzien van de Egyptische beschaving in de Oudheid, wereldwijd, heeft hen juist ondermijnd.
De Hebreeën daarentegen leefden sober, gezond en tevreden. Hoewel dat laatste ook een ‘zelfgenoegzaam’ karakter begon te krijgen. En was juist dat niet eenzelfde uitholling en ondermijning als bij de Egyptenaren?
Maar de Farao kon niet leven met deze denkbeeldige bedreiging van zijn macht. Hij zette een raar plan op: alle jongetjes moesten worden uitgeroeid. Waarom? Stefanus gaat aan deze vraag voorbij en zegt: “Opdat ze zich niet konden voortplanten.” Maar had de Farao er niet slimmer aan gedaan als hij de meisjes had uitgeroeid? Dan waren er geen jongetjes meer geboren ook! Had dat met zijn godsdienst te maken? Moesten jongetjes aan de goden van de Nijl worden geofferd en accepteerden die gode geen meisjes-offers? Dat zou kunnen. Want anders had die Farao een rare misrekening gemaakt. Mannen blijven veel langer vruchtbaar dan vrouwen en met het uitroeien van jongens zou hij pas op de heel lange termijn enig resultaat boeken. Wilde hij snel resultaat dan moest hij zorgen dat er geen baar­moeders meer waren. Satan, want hij is de genius achter dit plan, doet soms zeer domme dingen, door gebruik te maken van het beperkte mensenbrein!
Gods plan daarentegen ging onverwijld verder en zou tot zijn vervulling komen. Daar zagen de Hebreeën echter nog niets van. En dat is ook vandaag de dag nog precies zo! Als de kerken leeglopen zegt dat helemaal niet dat Gods plan zal mislukken. Sterker nog: als alle ‘kracht’ die wij menen te hebben – in het manifesteren van zuilen en fronten – wordt afgebroken, kon de HEERE weleens iets veel mooiers aan het voorbereiden zijn. Door lijden tot heerlijkheid. Het is een eeuwenlange repeterende waarheid. Let dus op de horizon, waar God een stip op heeft gezet. Die stip zal eenmaal een stad met paar’len poorten blijken te zijn. Het gaat er van komen. Wis en waarachtig!

zaterdag 28 april 2018

Leven vanuit Gods beloften

Hoofdstuk 3


“En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, ­vierhonderd jaren.
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
HANDELINGEN 7 : 5-7

Veel mensen zijn gevoelig voor ‘status’. Ze zijn pas iets wanneer ze iets ­tastbaars hebben of bij iets aanwijsbaars horen. Een christen is iemand die zijn ‘status’ ontleent aan iets dat niet tastbaar is en perspectief heeft vanwege ­Iemand Die niet aanwijsbaar en bewijsbaar is.
Belofte zonder bezit“Zo, hier is het dus.” Abraham keek om zich heen. Dit was dus het Beloofde Land dat God hem in bezit zou geven. Het zag er goed uit. Maar het vreemde was dat er mensen woonden die bij elk grassprietje konden aantonen dat dat stuk land van hen was. Abraham stond in ‘zijn’ land, maar hij had er nog geen schep grond in eigendom!
Heb je je weleens bedacht hoe vreemd dat voor hem moet zijn geweest? Bijna onwezenlijk. Thuis, maar alles is vreemd en onbekend. Hij mocht er vrij rondlopen en bouwde er zelfs vriendschappen op met de plaatselijke bevolking, maar… zíj waren de eigenaren van het land; niet Abraham!
Het tweede dat wél beloofd was, maar dat hij ook niet in bezit had was een eigen zoon. God lijkt aan dit probleem voorbij te gaan als Hij al beschrijft hoe Abrahams nazaten in ballingschap zullen komen en zelfs in slavernij terecht zullen komen; voor maar liefst vier lange, lange eeuwen!

De eerste ballingschapStefanus zoomt nog een stukje dieper in. Abraham leefde als een vreemdeling in zijn eigen huis… en nog vóór hij er zich thuis kon voelen, sprak God al over een vier eeuwen durende ballingschap in een of ander ‘slavenhuis’. Het volk, uit Abraham gesproten, zou een slavenvolk worden! En God, zo betoogt Stefanus, voorzei al dat ze kwalijk behandeld zouden worden. Mooi is dat! Het uitverkoren volk van God krijgt, nog vóór het is geboren, te horen dat ze zullen worden mishandeld.
Waarom doet Stefanus dit zó? Waarom zoomt hij hier al in op de slavernij die later zou komen? Waarom wil hij deze link leggen tussen ‘volk van God zijn’ en ‘kwalijk behandeld worden’? Het wordt niet echt duidelijk in dit gedeelte. Het blijft daarom gissen. Maar Stefanus moet al iets hebben gezien van wat Paulus later zo knap, maar best ingewikkeld, onder woorden brengt in de brief aan de Galaten: “Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus. En dit zeg ik: Het verbond dat tevoren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis teniet te doen.”
De Kanttekenaars zetten ons op dat spoor. Stefanus wil stapje voor stapje naar Christus zien te komen. Jullie beroemen je op de wet van God, maar weet je wel dat de belofte al veel ouder is? En dat die belofte niet gericht is op het tijdelijke: het land, of de zoon van Abraham? Nee, al die beloften hebben een dieper en verder weg liggend doel: Jezus Christus. Je zou de preek van Stefanus dus met recht een Christo­centrische preek mogen noemen. En dat is best lastig, vanuit het Oude Testament, in de context die de Joden er telkens aan willen hangen. Begrijpelijk is wat rabbijn Lody van de Kamp onlangs zei: de Messias van de Joden is een ándere dan die van de Christenen. Hij had die zin niet andersom kunnen uitspreken, want Jezus de Messias, de Koning der Kerk is werkelijk de Joodse Messias. Daarmee gaan we niet op het spoor zitten van ‘de kerk in plaats van Israël’. Zeker niet! Maar we moeten onze Joodse broers en zussen wakker schudden. En dat is wat Stefanus gaat doen. Hij probeert eerst aanknopings­punten te verzamelen. Om die tenslotte allemaal in te brengen bij zijn slotbetoog!
Wat hij hier preekt over ballingschap of vreemdelingschap kenmerkt helemaal het Christelijk geloof. Wij zijn hier op aarde omringd door vrienden en bloedverwanten, maar we zijn vreemdeling en bijwoner. En niet alleen dat: wij zullen ook ondervinden dat men ons kwalijk behandelt. Omdat we een volk zijn met een belofte van God op zak. Het is niet de bedoeling dat we gaan pronken met die belofte, maar dat we er werkzaam mee zijn bij God!

Welkom thuisTenslotte spreekt Stefanus over het moment, allemaal al vier eeuwen van te voren beloofd, waarop het volk van God weer thuis mag komen: “…daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
Er was er nog niet eentje geboren van die ‘zij’ die zullen uitgaan! En nu al spreekt God over de terugkeer uit de slavernij en dat ze weer tot hun doel zullen komen: “Mij dienen”. En nog wel op ‘deze plaats’! Stefanus stelt het haast voor, zoals het ons ook voor ogen staat, als wij onze ogen hier op aarde zullen sluiten: we zullen van hier uitgaan (heengaan) en we zullen onze HEERE dienen op de plek die Hij ons aanwijst en belooft!
Gods beloften komen heel vaak in de knel met de werkelijkheid. Althans, zo bekijken wij het. Maar God werkt zo vaak door de onmogelijkheden heen, dat is haast meer regel dan uitzondering. Echter, nog nooit is er één van Zijn beloften níet uitgekomen. Zou daarom de eeuwige heerlijkheid voor ons ook niet de mooiste en heerlijkste belofte zijn, waarnaar wij rijkhalzend uitzien? Thuiskomen bij de Vader. Verlang jij er ook naar? Voor Stefanus zou het nog hooguit een uur duren!

vrijdag 27 april 2018

Met de deur in huis

Hoofdstuk 2


En hij zeide: “Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in ­Mesopotamië, eer hij woonde in Charran;
En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran.
En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.”
Handelingen 7 : 2-4

Als jij je zou moeten verweren tegen medegelovigen die menen dat jij een dwaalleraar bent, waar zou je dan beginnen in het gesprek? ­Stefanus begint met vader Abraham van wie ze allen afstammen. De vraag is: waarom? Hij lijkt haast met de deur in huis te vallen.
Het publiek aangesproken
Na de vraag van de Hogepriester, of het klopte wat er werd beweerd, neemt de beklaagde Stefanus vrijmoedig het woord. Hij spreek zijn publiek aan met ‘broeders’ en met ‘vaders’. Dat is opmerkelijk. Met ‘broeders’ spreekt hij zijn leeftijdsgenoten aan, maar wist de grens uit tussen hun verschillende afkomst. Stefanus de Griek had een andere – en voor sommigen zelfs een inferieure – komaf, dan de geboren en getogen Joden in Jeruzalem.
Met ‘vaders’ spreekt hij op een respectvolle manier de ouderen en de eerbied­waardigen in zijn publiek aan. Zo komt hij heel dichtbij. Van daaruit kan hij ze ook gemakkelijk meenemen naar hun gemeenschappelijke origine: onze vader Abraham. Hoewel niet duidelijk is of Stefanus een directe afstammeling van Abraham is, is deze wel zijn geestelijke stamvader.
Even tussen twee haakjes: hij heeft wel direct de aandacht; zijn maiden-speech wordt niet onderbroken en iedereen kan hem volgen in zijn betoog. Ze kennen de materie, ze herkennen de namen en kunnen plaatsen wat hij zegt. Dat is een heel belangrijk aspect bij het preken!

Onze vader Abraham
Veel preken beginnen met een duidelijk voorbeeld voor jongeren, doeners en hen die snel zijn afgeleid. In Stefanus’ dagen was dat nog niet de gewoonte, maar je zou eigenlijk kunnen zeggen dat zijn preek één aaneenschakeling van voorbeelden is. Hij begint bij Abraham. Waarom?
Dat is een lastige vraag. Op de site van OudeSporen* staat een Bijbelstudie over dit gedeelte waarin het volgende staat:
“Stefanus is het werktuig van de kracht van de Heilige Geest die getuigt van de ­verheerlijkte Christus, die nu zó aan Israël werd voorgesteld, nadat ze Hem al verworpen hadden in Zijn vernedering. Vanaf de val tot de zondvloed werd de mens, hoewel hij niet zonder getuigenis werd gelaten, overigens aan zichzelf overgelaten. Er waren geen bijzondere wegen en instellingen van God. Het resultaat was de zondvloed, die om zo te zeggen kwam om de aarde van haar verschrikkelijke verontreiniging en geweldpleging te zuiveren. Op de nieuwe aarde begon God Zich met de mens bezig te houden. Bij Noach zien we hoe de regering werd opgedragen aan de mens. Maar bij Abraham, dat iemand door verkiezende genade werd uitgeroepen en Gods beloften ontving, toen de wereld de demonen diende. Dat was het begin van de geschiedenis van Gods volk. […] Hij [Stefanus] begint dus met hun geschiedenis vanaf het begin van Gods weg, namelijk vanaf Abraham, die werd uitgeroepen door de openbaring van de God der heerlijkheid. Abraham was wel traag om te gehoorzamen, maar hij werd ten slotte door Gods geduldige genade in Kanaän gebracht. Niettemin was hij een ­vreemdeling in het beloofde land; en slavernij zou het deel van zijn nakomelingen zijn, totdat God in genade tussenbeide kwam. Het deel van de gezegende patriarch was dus niet dat hij de beloften bezat, maar dat hij een vreemdeling was. Terwijl het deel van zijn nakomelingen gevangenschap zou zijn, totdat God hen met een sterke arm zou verlossen. Niets is zo treffend als de kalme verhevenheid boven omstandigheden die Stefanus openbaart. Hij vertelt de Joden een geschiedenis die ze niet konden ontkennen, een geschiedenis waarop ze zich ­beroemden. Maar die geschiedenis veroordeelde hen geheel en al. Ze deden precies zo als hun vaders.”

Preken als Jezus
Hoewel dus de insteek van deze preek best scherp was, nuanceert Stefanus zijn woorden wat door dat woordje ‘onze’. Hij zet zich naast zijn publiek. Tegelijk grijpt hij ook terug naar iets dat erg leefde bij de Joden: “wij zijn Abrahams kinderen”. Ze beroemden zich graag op hun afkomst. Daar had Jezus ook eens de vinger bij gelegd: “Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken Abrahams doen.” (Johannes 8:39). Zou Stefanus deze woorden toen ook hebben gehoord en daarom juist bij deze Abraham zijn begonnen in zijn preek?

Charran en Kanaän
Stefanus spreekt over Charran, dat je moet lezen als de fonetische vertaling van het Hebreeuwse ‘Haran’, dat je als ‘Charan’ uitspreekt. Haran… dat was zijn broer, zowel als de plaats onderin Turkije, vlak boven Syrië, waar ze vanuit Ur naartoe reisden. Had Haran die plaats naar zichzelf genoemd? Dat lijkt haast niet, want hij moet al in Ur zijn gestorven. Toen God Abraham riep, vertrok hij uit Ur en nam zijn vader Terah mee, alsmede zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot, de zoon van Haran.
In Haran bleef Abraham om niet erg duidelijke redenen hangen; het overlijden van zijn vader Therah bracht hem weer in beweging op de weg van Gods belofte. Het is duidelijk dat God welmenend roept, maar dat de mens niet per definitie volgt. Niettemin legt Stefanus de vinger bij het accent ‘gehoorzaamheid’ en stelt Abraham als een goed voorbeeld voor. Stefanus zou zo instemmen met de Hebreeënbrief: “Door het geloof is ­Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte. Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” (Hebreeën 11 : 8-10).

Het dispuut of twistgesprek met Stefanus, geschilderd door Vittore Carpaccio, 1514, 147 x 172 cm,
Pinacoteca di Brera, Milaan

dinsdag 23 mei 2017

Terug naar Gods beloften

"Toen keerde Abraham weder tot zijn jongens,
en zij maakten zich op en zij gingen tezamen naar Berséba;
en Abraham woonde te Berséba."
Genesis 22 : 19

De Abrahams-put bij Berséba


Je zou dit vers zomaar kunnen overslaan. Je zou dan ook zomaar over de dubbele attendering op de geografische locatie kunnen heenlezen. Zomaar tweemaal 'Berséba' in 1 tekst… waarom? Toen ik een artikel over Berséba las, werd mijn aandacht er des te meer door getrokken. Hier staat meer dan je op het eerste gezicht leest!

De feitelijke weergave is: Abraham sjokte de berg weer af (over Izak wordt helemaal gezwegen, lijkt het wel!), voegde zich weer bij zijn knechten, beklom zijn rijdier en gezamenlijk reden ze terug naar huis. Het klinkt haast als de aftiteling van een film, nog even een afsluitende opmerking en dan is het verhaal klaar. Maar… er is meer aan de hand. Hier wordt alvast een stip op een volgende horizon gezet en… er wordt ook wat in herinnering gebracht!

Terugkeer

Het eerste dat me opviel was: waarom wordt Izak niet genoemd? Abraham is de actieve persoon; híj keert terug bij zijn knechten, onderaan de berg. Hoe lang zullen ze weggeweest zijn? Hoe lang hebben ze daar boven op de berg (of op het tussenplateau in het gebergte) doorgebracht? Een uur? Een ochtend of middag? Een halve dag? Dagen? Ik weet het eerlijk gezegd niet; de tijd is me ontschoten, toen ik in het verhaal werd meegenomen.
Maar hoe lang ze ook boven zijn geweest, ze moesten weer terug, Abraham zowel als Izak. Als liepen ze de Berg der Verheerlijking af, terug de rauwe werkelijkheid in. God was zó dichtbij! De geloofsbeleving was zó intens. Het was zó goed om daar te zijn met de HEERE. Maar ze moeten weer terug! Terug naar de knechten is ook terug naar het dagelijks werk. Met nog een lange reis voor de boeg. Maar… niet alles is weer gewoon zoals het was. Er is nogal wat gebeurd en dat moet merkbaar zijn geweest, lijkt me.
Ik vraag me dan toch af: hoe zal Izak terug zijn gekomen? Toen hij de knechten weer in de ogen keek, zal hij onbewogen op zijn rijdier zijn gaan zitten? Of hebben ze de ervaring van daarstraks gedeeld met de knechten? Dat kan toch haast niet anders?
Misschien wel een les voor ons: hoe komen wij uit de kerk? Dicht bij God geweest, misschien wel in de tweede of derde hemel opgetrokken; een intens verlangen naar de HEERE doorkliefde je hart… maar is het dan: "Koffie?" of wordt dit ook gedeeld?

Terugreis

De terugreis wordt aanvaard. Hoe anders zal die reis zijn geweest! Met een brok lood in zijn maag is Abraham begonnen aan de heenreis, maar met een heliumballon in zijn hart springt hij nu op zijn ezel. Misschien zal hij wel een lied hebben ingezet, dat ze allen kenden. Een gezongen gebed om Jaweh te loven en de danken. Abraham, Izak en ook die knechten droegen het verbondsteken van Jaweh aan hun lichamen. Ze waren in Gods verbond opgenomen; dus God was geen onbekende voor hen!
Abraham zal hebben verlangd naar huis, naar Sarah. Hoewel… dat is nog maar de vraag. Hij zal haar toch hebben moeten vertellen wat ze zijn wezen doen. Het komt mij voor dat Abraham vooraf niets heeft gezegd tegen zijn vrouw. Als hij dat wel zou hebben gedaan, zou ze pal voor hem zijn gaan staan. Al eerder pakte ze hem aan, toen hij niet wilde ingrijpen in de situatie rond Hagar en Ismaël. Haar kind laten slachten? Was Abraham zijn verstand kwijt? Er zijn geschriften die vertellen dat er door deze geschiedenis een afstand kwam tussen Sarah en Abraham. Ik weet het niet; het staat niet in de Bijbel. In ieder geval wordt in dit vers duidelijk dat ze terugreizen naar… Berséba. בְּאֵר שֶׁ֫בַע Eigenlijk: Beersheba, dat je uitspreekt als 'beehr sjeeh-vhaah'. Het eerste stukje van deze naam 'beehr' betekent 'put' of 'bron'; het tweede deel 'sjeeh-vhaah' betekent 'eed' of 'het zweren'; het is de plek die voor Abraham en Izak een diepe betekenis had: 'de put van de eed'. Hoe zat dat?


Terugblik

We kennen de kwestie tussen Abraham en Abimelech, de koning van Gerar (het land van de latere Filistijnen). Abraham had zich kwalijk gedragen jegens hem, maar na die geschiedenis ontstaat er ruzie over een put die Abraham had gegraven, maar die de knechten van Abimelech wilden inpikken. Toen werd er door Abimelech gezworen dat die put Abraham toebehoorde. De eed legde alle tegenspreken het zwijgen op. De put was het tastbare bewijs: het is écht zo!
Met die geschiedenis eindigde Genesis 21 dus. En we lezen dat Abraham er een bos plantte waar hij de naam van God aanriep; denk aan dankoffer en aanbidding. En voor dat je nu denkt: die put was dus toch een bezit voor Abraham: nee, want er staat aan het einde dat hij er woonde als vreemdeling. Dus geen veiligstellen van de beloofde zaken, maar een leven uit de belofte: geloven dus!
Daar begon 'onze geschiedenis' in Genesis 22, die we de afgelopen tijd hebben overdacht. Vanaf Berséba vertrok Abraham naar Moria en nu keert hij er weer naar terug. Maar wie nu denk dat dat een feitelijke mededeling is, vergist zich.
God beloofde ook iets daar boven op de berg. God zwoer ook een eed, bij Zichzelf, weet je nog? En nu moet Abraham weer terug naar die 'put van de eed', een perfecte stilteplek om Gods beloften te overdenken en er werkzaam mee te zijn. Want God had zegen beloofd aan Abraham, aan zijn nageslacht én aan de volken. Dat is geen pakketje dat je zo even weglegt in de kast! Gods beloften zijn er om er alvast, met eerbied, 'voorpret' mee te hebben en uit te zien naar de vervulling ervan. Dus beloften zijn er om actief mee bezig te zijn in het gebed, door heel je leven heen. Vooruitblikken krijgt een diepere dimensie, wanneer je kunt terugblikken op Gods beloften aangaande die toekomst.

'Put van de eed'… zou je het doopvont niet ook zo kunnen noemen? En wordt er op Golgotha niet een 'put der belofte' geopend waarin het pak van je zonden voorgoed verdwijnt? Is dat niet de essentie van het Heilig Avondmaal? En zijn er niet veel meer plaatsen en momenten in je leven, waar God in Zijn Woord bevestigde en bevestigt wat Hij beloofd heeft. Het verlangen naar de vervulling wordt door God op een meesterlijke manier 'gaande gehouden'. "Wanneer komt die dag…" Die dag, die was beloofd; die belofte van die dag, waarop je mag terugblikken; zodat de blik weer helder wordt en de toekomst scherp wordt afgetekend:


Ooit komt er een dag dat de hemel openbreekt
en de doden zullen opstaan.
Ooit komt er een dag dag dat U terug komt op een wolk
en dat U kijkt met ogen, stralend als de zon.

Ooit zal het zo zijn dat we leven in een stad,
waar geen pijn en geen verdriet is.
Ooit zal het zo zijn als we komen in die stad,
dat de vader onze tranen wist.

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Ooit zal het zo zijn dat we leven in een stad,
waar geen pijn en geen verdriet is.
Ooit zal het zo zijn als we komen in die stad,
dat de vader onze tranen wist.

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Ik verlang zo naar die dag dat ik neerkniel aan uw voeten
en ik u mag herkennen aan uw stem
als we samen hand in hand het hemels paradijs betreden,
zal ik eeuwig mogen zijn waar u bent

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk

Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Tot aan die dag wil ik weten wie u bent...

maandag 22 mei 2017

Wees gezegend en wees een zegen

"Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt."
Genesis 22 : 17-18 



Je grenzen stellen, dat is vandaag de dag belangrijk. Dan weet je allemaal waar je aan toe bent. Duidelijkheid scheppen. De Rijdende Rechter heeft er de handen vol aan en meer dan eens moet het kadaster tot op de millimeter nauwkeurig bepalen waar de erfgrens van iemands perceel loopt. Maar wat nu als je ruimte te kort komt? In het normale leven moet je kopen of onderhandelen. Aan Abraham wordt al perceelvergroting gegarandeerd, nog voor hij 1 korrel zand bezit. Hij zal een goed geolied familiebedrijf runnen met talloze nazaten. Maar… bijna had hij geen kind meer gehad. Opgeofferd aan God, de Almachtige.

Het is juist vanwege die offervaardigheid, dat de HEERE Abraham toespreekt en zegen belooft. Toch betreden we hier een spanningsveld. Dit klinkt namelijk als een verdienmodel! God gehoorzamen levert rendement op. Dat correspondeert niet met het reformatorisch dwangmatige dat het toch vooral onverdiend, verbeurd (verklaard?), moet zijn. Geen verdienste van onze kant… hoe zit dat toch?

Verdiend door gehoorzaamheid?

Dat oer-roomse maar evengoed oer-menselijke en na-paradijselijke verlangen om iets te verdienen! Genegenheid, goodwill, adoratie, aanbidding van mensen, liefst zo hooggeplaatst mogelijk. Want wees eerlijk: het streelt je ego meer, wanneer de koning voor je buigt dan wanneer een bedelaar voor je buigt. Dat zullen de meeste mensen niet zo zeggen, maar dat zit diepweg in elk mensenbrein ingebakken sinds Genesis 3. Noem het de random-software van satan. Het is in ons brein geïmplementeerd en op willekeurige, onbewaakte ogenblikken zet het zichzelf in werking. En voor je de gedachte kunt hebben "nou dan kun je dus niks aan doen": we vinden het nog prettig ook!
Iemand vroeg me onlangs wat het 'schatten verzamelen in de hemel' inhield. De vraag was ontstaan tijdens een gesprek op een bijbelkring, waar iemand had gezegd dat er niveau's, trappen van verhoging, in de hemel zijn, zoals er ook trappen van vernedering zijn in de hel. In die laatste plaats zal de wroeging bij een wilde heiden anders zijn dan bij een moedwillig onbekeerde refo die Jezus een te gemakkelijke weg vond. In de hemel is er ook zo iets, maar dan de andere kant op. Er zijn teksten die daar aanleiding voor geven, maar ik denk dat we er niet te zeer over moeten nadenken. En we moeten er al helemaal geen verdienmodel in proberen te ontdekken!
Echter, in onze tekst staat het er dan toch maar, onomwonden: "…Ik zal u grotelijks zegenen… naardien (omdat) gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt"! Daar kon je als oud-testamentisch verbondskind dan ook zeker van zijn: God gehoorzamen betekende Zijn zegen ontvangen. Dat zijn we in de nieuw-testamentische tijd wat kwijt geraakt. Sterker nog: het is in een verdacht licht gesteld door met name ultra-calvinisten. Het wordt structureel weggezet als remonstrants. Christus heeft alles verdiend! Jij en ik verdienen niks dan de dood en verdoemenis. Maar is dat wel Bijbels?
Hoe zit het dan met de Tien Geboden? Met dat gebod bijvoorbeeld van het eren van je ouders (en overheden): "Eert… opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft"? Een soort voort wat, hoort wat, lijkt het wel. Maar wie zo tegen de HEERE en Zijn dienst aankijkt, zit blijkbaar ook met zijn onbekeerde gezicht in de kerk, om een 'pluspunt' af te vinken, in de zin van: zo die kunnen we ook weer afstrepen voor de eeuwigheid. Dat is nou precies de oudste zoon uit de gelijkenis: ik heb altijd gediend… en ik heb nog nooit iets gehad! Dienen om loon. Een arbeider kan zo in elkaar steken, maar een kind zal in een rechte relatie tot zijn vader of moeder niet zo reageren. En in het geestelijke al helemaal niet! Dan is het je lust en je leven – in navolging van de Heere Jezus – om je Vader blij te maken met je daden. Dan heb je het ook niet meer zo druk over 'stukwerk' en dat al je goede werken maar vuil en verwerpelijk zijn voor God. Dat soort dingen zeg je enkel, als iemand beweert iets te kunnen verdienen. Maar als je daar al van overtuigd bent, stimuleer je de ander om goede werken voort te brengen. Omdat je weet dat de HEERE er blij van wordt!

Verdiend voor generaties?

En dan dat andere aspect: dat jij iets 'verdient' (of laten we het 'bewerkstelligt' noemen) en dat dat effect heeft op de generaties na jou. De moderne mens wil zijn eigen boontjes graag doppen en spreekt niet graag in verdiensten voor anderen. Daarom heeft hij ook zo'n moeite met het offer van Jezus Christus. Maar Gods kinderen kunnen het er prima mee doen. Wat een diepe dankbaarheid dat Hij wilde gaan waar zij niet konden komen; dat Hij wilde komen waar zij niet konden weggaan.
Nog even terug naar dat gebod 'eert uw vader en uw moeder'. Daar wordt gesproken over de zegen van een lang leven in het land dat God schenkt. Dat gold natuurlijk letterlijk voor het volk van Israël, die het Beloofde Land uit Gods hand kregen. Maar je kunt dat ook prima doorvertalen naar 'het land waar God jou heeft gezet'. Een lang leven… niet om enkel te genieten van veel jaren, maar een lang leven om te besteden in Zijn dienst. En voor dat je het gevaar loopt egoïstisch met dat 'bezit' om te gaan, plaatst de HEERE het in een breder perspectief. Tegen Abraham zegt Hij: "Dit land zal ruim genoeg zijn voor al jouw nazaten, geslachten lang; ze zullen zo talrijk zijn als de zandkorrels van het strand; en mochten ze ruimte te kort komen, dan geef Ik ze macht over het grondgebied van hun vijanden." Abraham werd dus niet alleen persoonlijk gezegend, maar ook zijn nageslacht deelde in deze zegen. Hoe belangrijk was het dus dat dat nageslacht de HEERE ook leerde kennen; de achtergrond van hun zegen te begrijpen en God er om te loven en te danken. Zie je dat zegen niet op zichzelf staat? Zegen is de 'tool' waarmee je aan het werk kunt in Gods wijngaard. Het helpt je om anderen te laten delen in jouw zegen; en zo te doen ervaren dat de HEERE goed is!
Ga je ook zo om met jouw zegeningen? En rust jij ook jouw nageslacht – als je dat hebt – toe om tot zegen te zijn?
Dat eerste stukje van vers 18 heeft natuurlijk nog een duidelijke diepere laag gekregen door de komst van de HEERE Jezus. Daarover gaat het de volgende keer. Voor nu is het belangrijk om zelf tot zegen te zijn en anderen toe te rusten eveneens tot zegen te zijn. Zo wordt Gods Koninkrijk gebouwd, zo wordt de gemeente waartoe je behoort tot zegen en zo worden mensen uit de omgeving getrokken uit het duister van de 'vangodvervreemding'.

maandag 24 april 2017

Gods voorzienigheid

"En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien. Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden."
Genesis 22 : 14
Gods voorzieningheid richt zich niet alleen op onze probleemsituaties, maar op alle details van ons leven; en al helemaal niet enkel op de situaties waarin menselijke hulp ons ontbreekt!

Er is een verschil in 'voorzien in' of 'voorzien van' en 'de voorzienigheid'. Juist Gods voorzienigheid en de uitverkiezing waren voor mij onderwerp van doordenking afgelopen week. Enerzijds vanwege de geschiedenis van de strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten, die ik onderzocht. Anderzijds omdat dit onderwerp ter sprake kwam omdat iemand beweerde zeker te weten 'niet te zijn uitverkoren'. Hoe zit dat? Is de uitverkiezing een sluitend te krijgen systeem? Of blijft er altijd een hiaat in ons denken bestaan, vanwege het spanningsveld dat God erin legt?

Maar laten we eerst kijken naar het 'voorzien' waar Abraham het over heeft. Er is zelfs een spreekwoord uit ontstaan, zo lezen we. En let erop: het woord 'zien' dat in voorzien zit, speelt een cruciale rol. De Kanttekeningen zetten ons op dat denkspoor.

Gods gezicht

Deze bijzondere plek in zijn leven markeert Abraham met een 'naamgeving'. Staande op de offerplaats ergens op de berg Moria (wellicht het plateau waarop later de tempel van Jeruzalem zal verrijzen) roept hij de nieuwe naam van deze plek uit: "De HEERE zal het voorzien". Hoe zal dat geklonken hebben? Dat werd tegelijk in het geheugen van Izak gegrift. De HEERE adviseerde na het voorlezen van de Tien Geboden dat Zijn inzettingen in het hart van de kinderen van het volk moesten worden gegrift. Inkerven gaat met inspanning en betrokkenheid gepaard. Dat maakt indruk… dat is ook al zo'n uitdrukking.
Die naam 'הַה֖וּא יְהוָ֣ה יִרְאֶ֑ה' 'De HEERE zal het voorzien" komt niet helemaal uit de lucht vallen. Abraham neemt een fragment uit de naam van de berg en geeft daar een nieuwe betekenis aan: 'מֹּרִיָּ֑ה' Mo-ri-ah. het woordje 'ri' heeft dezelfde wortel als 'zien' of 'voorzien'. Moriah betekende 'het gezicht van God'. Je zou kunnen denken dat Abraham dat wel een mooi ezelsbruggetje vond; maar ik denk dat het een diepe belijdenis was. Al eerder, toen Izak naar dat lam vroeg, sprak Abraham daarvan. Vielen toen misschien de stukjes op hun plek? God leidde hen naar deze berg, die genoemd was naar dat wat geen mens ooit zou zien: Gods aangezicht. Jezus zou ons Gods aangezicht pas echt laten zien, op Golgotha! Abraham moet hebben gedacht: waarom leidt de HEERE me juist hierheen? In die naam heeft hij niet de afstand tot God, maar juist de nabijheid van God herkend en ervaren: alleen 'aan Gods hart' is een nóg intiemere plek dan 'voor Gods aangezicht'. Maar let er ook op dat Abraham een opdracht van God had gekregen: "Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht." Hier wordt hij met het liefste dat hij had voor Gods aangezicht gebracht en het had alles te maken met de kwestie of Abraham nog wel oprecht voor God was of niet.

Gods voorzieningheid

Even naar dat spreekwoord dat zijn oorsprong hier vind: "Op de berg des HEEREN zal het voorzien worden." Het heeft, aldus de Kanttekeningen, de betekenis van 'als iemand in uiterste nood geen menselijke uitkomst (redding) meer ziet, zich verlaat (vertrouwt op) Gods voorzienigheid'. Wat is dat, Gods voorzienigheid? Dat brengt ons bij Zondag 10 van de Catechismus:
Vraag 27
Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28
Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?
Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Een machtige belijdenis die altijd weer indruk maakt; vaak gelezen op 'Biddag voor Gewas en Arbeid'. Hooggestemd en in de praktijk van het leven soms wel eens heel erg hoog; maar waar! In die zin vind ik de Kanttekeningen toch niet in balans. Zij spreken over iemand die in nood zich op Gods voorzienigheid laat 'vallen', nadat hij geen hoop meer heeft dat menselijke hulp uitkomst kan geven. Maar Zondag 10 zet ons erbij stil dat elk facet van ons leven door God wordt bestuurd en verzorgd. Is er nood, dan zie ik eerst op Hem en daarna op de hulp die Hij middelijkerwijs voor mij beschikt. Die weg van 'afbraak van menselijke uitkomst' is Abraham ook gegaan en hield niets meer over, toen hij boven op Moriah aankwam.

Een God Die zo machtig is, dat Hij elk facet van mijn leven regeert en bestuurt moet wel het goede met mij voor hebben. Zijn verkiezing is er eentje van pure genade, zonder enige reden of verdienste van mijn kant. Ik zou althans niet een ding kunnen opnoemen, waarom God Zich om mij zou moeten bekommeren. En toch doet Hij dat. Welke andere god doet Hem dat na? Welk mens steekt zo in elkaar? Omringd te zijn door Zijn voorzienigheid is een veilig leven, gericht op Zijn eeuwige en onkwetsbare nabijheid. Eeuwig voor Zijn aangezicht en eeuwig oprecht voor Hem! Zie jij ook daarnaar uit?

vrijdag 14 april 2017

Gods kinderbescherming

"Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen en doe hem niets; want nu weet Ik, dat gij godvrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden."
Genesis 22 : 12



Aan de rechterkant van kerkelijk Nederland wil men beweren dat de mens enkel geneigd is God en zijn/haar naaste te haten. Dat clichée mist zijn effect als men dat vertaalt met boze haat, in plaats van wat het eigenlijk is: God niet op de eerste plaats in je leven te zetten. Dus het is belangrijk dat we duidelijk taal in de kerk spreken anders mist de boodschap compleet zijn doel!

Haten is in onze tijd een té geladen en verkeerd te interpreteren begrip geworden. Als ik iemand haat, omdat hij een verwoestend, destructief gedrag vertoont in een gemeenschap of gezin, of denigrerend en kwetsend naar anderen is op onrechtmatige gronden, dan is mijn liefde compleet geluwd, zo niet uitgeblust. Met alle gevolgen van dien. Uit haat – denk aan geradicaliseerde haat – komt psychische of fysieke doodslag voort. Maar de haat waar ik het hier over wil hebben is het God niet Zijn plek in je leven gunnen, omdat je zelf dan aan de kant moet gaan. Dat is wat er hier speelde. Let maar op.

Abrahams kinderbescherming

God laat Zijn Zoon de naam van Abraham noemen. En Abraham is de persoon die per direct met alle zintuigen in zijn bestaan oplet. "Doe Izak geen kwaad met je offermes! Nu weet ik dat je Mij vreest." Huh? Abraham vreesde God toch wel? Hij werd zelfs een vriend van God genoemd; wie kan dat zeggen? Hij praatte veel met God en God vertelde soms zelfs wat Hij ging doen (denk aan de verwoesting van Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en bijna ook Zoar!). Met wie overlegt God nog meer zulk soort dingen? Nou, Mozes misschien en David… maar dan houdt het toch wel zo'n beetje op. En toch moet dit 'offer' het bewijs voor God worden dat Abraham godvrezend is? Dat woord staat bij ons als één geheel vertaald 'godvrezend', maar dat ziet er erg aards uit. Het moet eigenlijk zijn 'God vrezend'. Vrezen kán 'angst hebben voor' betekenen, maar hier heeft het de betekenis van 'eerbiedigen' of 'vereren'. Voor Abraham stond Izak boven God, zo blijkt tussen de regels door. Misschien als we het Abraham zouden hebben gevraagd, zou hij het niet hebben toegegeven. "Nee, natuurlijk niet. De HEERE is mijn deel, de belangrijkste in mijn leven. Wat zou ik zonder Hem moeten en kunnen?
Maar… Abraham had al een aantal keren laten zien (in Egypte en in Gerar bijvoorbeeld) dat hij niet helemaal blind op de HEERE vertrouwde en zijn eigen ratio toch een tikkeltje serieuzer nam dan Gods vaderlijke zorg voor hem. Daarmee nam hij ook de zorg voor de kwetsbare Izak (immers, Izak was de enige; juist dat woordje typeert zo de angstige kwetsbaarheid die Abraham ervaart als hij naar zijn zoon kijkt) buitenproportionele vormen aan. Maar nog meer gold dat voor de zorg die Abraham had voor zijn eigen leven. Als uit hem de Messias zou moeten worden geboren, dan moest hij ervoor zorgen dat hijzelf in leven bleef. Desnoods offerde hij Saraï op, maar niet zichzelf! Want dan kwam Gods plan in het gevaar.
En daarom stuurde de HEERE aan om Izak aan de totale kwetsbaarheid bloot te stellen, door Abraham bescherming uit te schakelen. Sterker nog: hij zou de doodsoorzaak voor Izak worden. Waar bleef die krampachtige hang naar zorgen nu? Abrahams kinderbescherming (in het licht van de komende Messias) leed schipbreuk en op een radicale manier ook!

Gods kinderbescherming

Hoe moet dat nu? Bijna keelde het mes zijn dierbare jongen, zijn lieveling. Maar… was Abraham dan de enige die van Izak hield? Of moest Izak ook leren meer verwachting te hebben van zijn hemelse Vader?
De woorden die de Engel des HEEREN gebruikt hebben een dubbele lading: "Doe hem niets". Hier openbaart God, zo lezen we in de Kanttekeningen, God Zijn plan. Hij wil iets leren over menselijke zorg en Goddelijke zorg. En Hij wil iets aan ons, eeuwen later, leren over wat er in Abrahams hart leefde. De HEERE stelt Abraham hier tegelijk dus tot een voorbeeld om na te volgen; niet om onze kinderen op te offeren, maar aan Hem toe te vertrouwen. En dat geldt voor allen die ons lief en dierbaar zijn. Ook als ze andere wegen gaan!
Het eerste is dat Abraham zijn zoon niet letterlijk gevaar moet berokkenen, door hem het mes op de keel te zetten. Maar psychisch en geestelijk berokkende hij zijn zoon ook kwaad, door hem boven God te stellen (hem meer zorg toe te vertrouwen dan God Zelf). Hier naderen we het scherpst van de snede, het spanningsveld tussen verantwoordelijkheid en vertrouwen dat in elke opvoeding weer een punt van zorg is.
God prijst Abraham in dit vers, dat hij duidelijk heeft laten zien (aan allen die de geschiedenis eens zullen horen en lezen) dat God op nummer 1 staat. De Kanttekening leggen een link met Psalm 139 en dat is een mooie lijn! Vers 23 van die psalm zingt: "Beproef mij en ken mijn gedachten." Ze me openlijk op de proef, zodat eruit komt wat erin zit: toewijding of niet. En vers 2 van die psalm belijdt: "Gij verstaat (begrijpt en ook ként) mijn gedachten van verre". Ja God weet het wel, maar als we door ons gedrag naar de mensen om ons heen vragen hebben opgeroepen, dan moet het openbaar worden onderstreept. "God weet wel hoe we dat bedoelen," zei eens iemand. Misschien, maar weten de omstanders, met name de ongelovige omstander dat dan ook? Of krijgen ze door ons wazige gedrag een merkwaardig verwrongen beeld van God? Dan wil de HEERE toch graag openlijke helderheid.

In die zin hoeven we niet bang te zijn, want Gods bescherming van Zijn kinderen is totaal en waterdicht. Daar kun je zeker van zijn. Misschien kost het je 'gezicht', maar nooit je ziel! Kijk maar, God neemt het direct voor Izak op en neemt hem in Zijn hoede. Er is werk aan de winkel voor Izak, die dit moment zijn leven lang niet zal hebben vergeten, maar… misschien toch wel even dit moment vergat, toen hij Ezau wilde zegenen vóór Jacob. En? Ontbrak het Jacob uiteindelijk aan bescherming? Lees dat prachtige gebed van Jacob in Genesis 32 : 9-13 maar eens, waarin hij zegt: "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!" Wat een vaderlijke zorg van de HEERE! Hem loopt niets uit de hand.

En hoe ingrijpend is deze tekst op een dag als vandaag (Goede Vrijdag) te gedenken dat God Zijn Zoon niet in bescherming nam, maar Hem overgaf in de dood. Om Abraham, Izak en ons te kunnen beschermen tot in eeuwigheid! Hij deed Hém al dat kwaad dat wij deden, om ons te zaligen en te beschermen tegen alle kwaad. Izak kun je misschien als een slachtoffer zien, maar Jezus niet. Luister hoe de Mattheüs Passion het bezingt:
Aus Liebe will mein Heiland sterben,
Von einer Sünde weiß er nichts.
Daß das ewige Verderben
Und die Strafe des Gerichts
Nicht auf meiner Seele bliebe.

dinsdag 11 april 2017

De roepende God

"Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham, Abraham. En hij zeide: Zie, hier ben ik."
Genesis 22 : 11
 

Ons leven is een handbreed gesteld, zeggen we weleens. Er staat in Psalm 39: "Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid." We willen vaak benadrukken met die woorden dat er maar één schrede tussen ons en de dood is (ook zo'n clichée-uitdrukking). En dat is waar. Maar Psalm 39 benadrukt vooral dat we niet dik moeten doen over ons bestaan. Wat het ook aan glitter en glamour heeft, het is een zuchtje ten opzichte van God en de eeuwigheid. We doen wel alsof we heel wat zijn en het leven heel wat betekent, maar laten we eerlijk zijn en de dingen niet overdrijven.
In het geval van Izak was het leven zelfs een mes-snede van de dood verwijderd. Dat mes stond al haast op zijn keel. God wachtte tot het alleralleruiterste momentje. Je zou kunnen denken, met een grimmig hart: met alle risico's van dien! Maar zeg liever dat God alles op meer dan een nano-nauwkeurigheid in de hand heeft! Want ook hierin blijkt Zijn grootheid, macht en doeltreffendheid. Abraham moest elke escape echt hebben verworpen… er leek geen ontkomen meer aan. De doodsteek had hij al toegebracht in zijn beleving. Maar dán klinkt vanaf de hemel een stem.

Bij name geroepen

Wat zou God allemaal moeten roepen om deze doodsactie te stoppen? Een stortvloed van argumenten, alarmwoorden, attentiekreten? Wel iets met een A… de naam van Abraham. En dat tot tweemaal toe.
Abraham had al vaker zijn naam horen noemen. Zijn vader zal die naam gedurende de 75 jaar dat Terah hem meemaakte – tot in Haran toe – hebben genoemd. Abraham wist zich aangesproken; hij moet een goede relatie met zijn vader hebben gehad, ook na zijn roeping. Toch moest hij hem achterlaten in Haran, waar Terah stierf.
Ook neef Lot zal die naam hebben gebruikt, in het samen optrekken met de kudden. Echter, de laatste keer dat die naam hem in de oren klonk vanuit Lots mond was een bijzonder schrijnende keer: ze hadden ruzie gekregen en moesten uiteengaan.
Ook Sara zal de naam van haar men hebben uitgesproken. Dat was een klank van een geheel andere orde! Hoewel het huwelijksformulier beweert dat ze Abraham 'mijn heer' heeft genoemd. Wat te denken, hoe ze hem aansprak tijdens de intieme momenten waaruit na heel veel jaren Izak werd geboren!
En ook de HEERE heeft Abrahams naam meermalen uitgesproken. Hij heeft die naam zelfs veranderd en er Zijn naam mee verweven door er Zijn letter h in te weven: Abram --> Abraham. Telkens, als Hij Abrahams naam noemde, hem riep, was er iets aan de hand met het verbond. Het moest weer bevestigd worden vanwege de twijfel die was ontstaan. En de HEERE had Zijn Naam gestand gedaan: Ik ben! Ik ben, zoals Ik zeg te zullen zijn!
Tot slot: Het gevoeligst zal de vadernaam Abraham in de oren geklonken hebben, uit de mond van Izak! Dat kun je begrijpen! En precies die mond stond hij op het punt te stoppen; voorgoed! Izak zal geen 'Abraham' hebben gezegd, zoals kinderen vandaag de dag hun ouders bij de voornaam noemen, vaak. "Mijn vader…" Het had daarnet nog geklonken: "Mijn vader… waar is het lam ten brandoffer?" Izaks adamsappel klokte op en neer, toen het kille metaal van het mes in de buurt van zijn keel kwam. Zo slikte ook Abraham zijn droge keel moeizaam.

Een halt toegeroepen

"Abraham! Abraham!" God sprak zijn naam dubbel uit. De Kanttekeningen vertellen:
"De naam wordt verdubbeld, omdat de zaak haast vereiste, dewijl Abraham bezig was om het mes aan de keel te brengen en de snede te geven."
Het blijft voor mij de vraag, waarom de HEERE hier (pas) ingrijpt. Ik moest denken aan die geschiedenis van Jefta, die beloofde het eerste dat uit zijn huis hem tegemoet kwam te offeren als een dankoffer. Sommigen beweren dat Jefta's dochter uiteindelijk toch echt werd geofferd, maar ik waag het te betwijfelen. Ze zonderde zich af en de jonge dochters bezochten haar in de eenzaamheid, als ze de trouwlustige leeftijd begonnen te krijgen. God wil geen mensenoffer. En toch… toch moest een mens het offer gaan brengen voor de zonde! Daar denken we juist in deze Stille Week aan: de Mens, de tweede Adam.
Zou dat hier ook het geval zijn geweest? Greep God in, omdat Abraham Hem niet had begrepen? Net zoals Jefta ook een ondoordachte belofte deed met zijn dankoffer? Greep God in, omdat Abraham op het verkeerde spoor zat óf greep Hij in omdat Abraham zijn juiste gestalte van toewijding had geïllustreerd met een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God?
Nog een bijzonder element; ik het dat al eerder aangehaald: hier roept God de Zoon (de latere Jezus Christus) de mens een halt toe, omdat niet Izak, maar de meerdere Izak het offer zou brengen; het Lam ten brandoffer zou worden.
Aan dat offer kon niemand meer iets toevoegen; het was 'volbracht' en volmaakt áf! Er zijn nogal wat mensen in de kerk die met hun levensstijl niet een dankoffer, maar een brandoffer willen brengen. Ze willen een streepje voor hebben bij God, krachtens hun vermeende rechtzinnigheid of barmhartigheid of volhardendheid. Als dat je diepste drijfveer voor je godsdienst is dan roept Hij een krachtig halt toe. "Abraham! Abraham!" Vul je eigen naam er maar in. Bekeer je en bewonder het volkomen offer van Jezus Christus, Gods Zoon. Hij roept hier Abraham een halt toe. Hij zegt zoveel als: "Het is genoeg." Maar dat is wat anders dan "Het is volbracht!" Is dat voor jou ook zo'n geweldige troostvolle wetenschap, dat Jezus' offer zó enorm volmaakt volkomen was, dat je er vandaag nog steeds uit diepe dankbaarheid uit kunt leven en… sterven?
72. Koor
Wenn ich einmal soll scheiden,So scheide nicht von mir,Wenn ich den Tod soll leiden,So tritt du denn herfür !Wenn mir am allerbängstenWird um das Herze sein,So reiß mich aus den ÄngstenKraft deiner Angst und Pein !

Als ik eenmaal moet sterven,
blijf dan bij mij,
als ik de dood moet lijden,
wees Gij mij dan nabij.
Als mij het allerbangste
om het hart zal zijn,verlos mij uit mijn angsten
door uw angst en pijn.

vrijdag 31 maart 2017

Vraagt God een kinderoffer?

En Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes, om zijn zoon te slachten.
Genesis 22 : 10
 

In een tijd dat IS er trots op is massa's christenen en andersgelovigen te kelen (want dat staat er in de tekst eigenlijk voor 'slachten'), roept deze tekst dubbele aversie op. En ik begrijp dat er mensen zijn die zich afvragen: wat voor God is dat Die dergelijke dingen vraagt? Ik probeer te begrijpen… en te bedenken hoe ik met deze tekst en dit gedeelte moet omgaan. Deze tekst is een harde noot!
Uiteindelijk komen er verwarrende gevoelens bij me boven; ik vind de platgetreden paden van theologisch-juiste uitleggers van toen en u, die predikanten te gemakkelijk hanteren bij de voorbereiding van de preken, te weinig zeggend. Natuurlijk kun je alles met dogmatiek recht praten; maar welke theoloog gaat in op de enorme vragen die dit oproept? Wie geeft eerlijk toe dat atheïsten hier wel een punt hebben in hun aversie tegen God? Ik heb er geen antwoord op; maar toen ik een artikel van Ignace Demaerel las op knack.be vond ik het sluitstuk van dat betoog zo sterk dat ik het graag geheel citeer. Denk er maar eens over na!


Het offer van Abraham, één van de meest controversiële Bijbelverhalen: twee tegenovergestelde lezingen


Abraham is een man uit de wereldliteratuur die tot de verbeelding blijft spreken. Hij is één van de oerfiguren van onze cultuur, niet meer weg te denken uit onze beschaving.

Hij is dé gemeenschappelijke voorvader van jodendom, christendom en islam. Je kan gerust stellen dat de helft van de wereldbevolking hem als een tijdloos rolmodel ziet. 'Abraham' is een begrip geworden in onze taal doorheen verschillende uitdrukkingen en zegswijzen. Je ziet hem terugkomen in de literatuur, de schilderkunst, de muziek, de beeldhouwkunst... Deze eenvoudige Aramese veehouder heeft een erfenis nagelaten die hij zelf nooit voor mogelijk had gehouden.

Zijn eigenlijke 'leven' begon toen hij een stem uit de hemel hoorde vanwege een God wiens naam hij niet kende, en op weg moest gaan naar een land waarvan die geheimzinnige God ook de naam niet zei (Genesis, hoofdstuk 12). Maar het toppunt van alle Abraham-verhalen is dat waar hij zijn zoon moet offeren voor diezelfde God. Rembrandt, Titiaan, Caravaggio, Teniers, en tientallen anderen hebben hem afgebeeld in die vreselijke tweestrijd waarbij hij het mes opheft om zijn enige zoon te doden. Voor de één het toppunt van geloof en gehoorzaamheid, voor de ander het toppunt van irrationaliteit en absurditeit. Voor menig atheïst is dit verhaal reden genoeg om te zeggen: 'In zulke God weiger ik resoluut te geloven! Ik wil met godsdienst niets meer te maken hebben!'

Het is inderdaad een verhaal dat de meest tegenstrijdige gedachten en gevoelens kan oproepen. Het is een verhaal 'op het scherp van de snede': hier scheiden zich de geesten: je bent vóór of radicaal tégen, hier kan je niet neutraal blijven. Hoe je hierop reageert, zegt eigenlijk heel veel over jezelf, je eigen houding in het leven en je visie op God. Laten we het eens ontleden en de twee tegenstrijdige interpretaties onder het licht houden.

Om de dramatische diepgang van dit verhaal ten volle te beseffen, moeten we de aanloop even schetsen. Abraham was al 75 jaar toen hij uit het Ur der Chaldeeën (het huidige Irak) vertrok, en hij en zijn mooie vrouw Sara waren kinderloos. Kinderloosheid in die tijd werd vaak gezien als een straf van de goden, bracht veel onzekerheid mee ('wie zorgt voor mij op mijn oude dag?') en vooral veel stil verdriet. Sara moet er kapot van geweest zijn. Maar toen dan die onbekende God Abraham de opdracht gaf om alles achter te laten en op weg te gaan naar het onbekende, volgde daarop een driedubbele belofte: God zou hem tot een groot volk maken, een land geven, hem zegenen en tot een zegen voor de hele aarde maken. Vooral dat eerste zal Abraham erg geïnteresseerd hebben: een volk worden betekende immers ook kinderen krijgen. Dus, erg gelokt door deze belofte, vertrok hij, met knikkende knieën. Gezien hij al 75+ was, verwachtte hij dat die zoon al heel snel moest komen, maar een jaar ging voorbij, en nog één en nog één... We slaan snel enkele verhalen over, want uiteindelijk duurde het 25 jaar vooraleer de beloofde zoon geboren werd. Slechts zeer weinigen onder ons kunnen de pijnlijke verzuchtingen van zulk langgerekt wachten aanvoelen. Elk jaar moet een eeuwigheid geleken hebben, en de gedachte 'Was dit allemaal geen inbeelding?' zal nooit ver geweest zijn. En dan staat er nog uitdrukkelijk bij dat Sara op zeker ogenblik voorbij haar menopauze was: het lijkt wel alsof God extra lang wachtte om het nóg onmogelijker te maken dan het al was. Maar toen gebeurde dit onvoorstelbare toch: de 100-jarige Abraham en 90-jarige Sara kregen hun wondertje. Precies daarom moet de geboorte ook een onvergelijkbare vreugde-explosie geweest zijn - de kleine boreling wordt dan ook 'Isaak' genoemd, wat betekent 'hij lacht'. 25 jaar langgerekt hopen werden eindelijk beloond. Isaak was zijn enige zoon uit Sara, degene van wie hij zielsveel hield: het eindeloze wachten zal de emotionele 'waarde' van dit kind eindeloos verhoogd hebben. Deze voorgeschiedenis maakt het verhaal van het offer enkel maar dramatischer.

Want toen klonk die intussen vertrouwde stem uit de hemel opnieuw: 'Abraham, offer mij je enige, geliefde zoon' (Genesis 22). Het moet voor Abraham een donderslag bij heldere hemel geweest zijn: dit kon hij op geen enkele manier rijmen of plaatsen. Deze opdracht was compleet tegengesteld aan alle vorige opdrachten en beloften van God. Als hij dit deed, zou hij al het vorige ongedaan maken: dan zou hij toch geen groot volk worden, dan was hij voor niets vertrokken uit zijn land, dan had hij voor niets 25 jaar gezworven als een vreemdeling, ontberingen geleden en gevaren doorstaan, maar vooral: dan werd zijn toekomst brutaal afgesneden, dan was zijn leven één grote mislukking, totaal zinloos. Abraham legde niet alleen zijn teergeliefde zoon op het altaar, maar minstens evenveel zichzelf, zijn leven, zijn toekomst, zijn reputatie, zijn huwelijk, zijn plannen en ambities: hij had evengoed zijn eigen hart kunnen uitrukken.

Hier komt de atheïstische lezing natuurlijk onvermijdelijk naar boven: 'wat voor een God is dat!?' En zelfs als het enkel een test is voor Abrahams geloof (wat Abraham natuurlijk niet weet), wat voor spelletje speelt Hij met de mens? Het lijkt wel een kat die haar wrede spelletje speelt met een muis. Eerst iets geven en het dan weer afpakken...? Zeker als het precies gaat om de enige teergeliefde zoon. Sadistisch lijkt dit wel. Zo bekeken, roept dit inderdaad ofwel veel vragen op (ook bij gelovigen!), ofwel veel revolte en afkeer. Heeft God wel het recht om zoiets te vragen? Om een mens zo op de proef te stellen? Is dit geen bewijs dat godsdienst irrationeel en gevaarlijk is?

Voor de volledigheid moeten we ook nog even toelichten dat kinder- en mensenoffers in de meeste van de toenmalige culturen gebruikelijk waren. Zelfs bij de Grieken, een cultuur die wij als verheven en beschaafd beschouwen, waren mensenoffers normaal en zelfs 'nodig'. Maar zeker bij de Kanaänitische volken waren er meer van die barbaarse praktijken zoals kinderen door het vuur laten lopen voor de Moloch.

Maar we vertellen Abrahams verhaal nu eerst verder: het is merkwaardig dat de Bijbel hierbij niets vertelt over zijn 'binnenkant'. Er staat gewoon dat hij de volgende dag vertrok met Isaak en enkele knechten naar de berg Moria, drie dagreizen ver. Geen discussie met God, geen onderhandelingen, geen protest, zelfs geen vraag om uitleg. Abraham ging op weg, en de stilte onderweg moet oorverdovend geweest zijn: met stomheid geslagen, de mond vol tanden, het hart verbrijzeld, de dood in de ziel... Er wordt zelfs niet verteld wat hij aan zijn vrouw gezegd moet hebben toen hij op weg ging. Misschien niets? Om haar te sparen?

En dan moest hij de berg beklimmen, een altaar bouwen, het hout erop schikken, zijn zoon vastbinden, het mes opheffen... Kan een mens ooit iets moeilijkers doen in zijn leven? Het blijft ons, als we ons hierin verdiepen, met verstomming slaan. Ook een gelovige heeft hier reuzengrote vragen bij: kan God dan echt álles vragen? Zou Hij dat ook bij mij kunnen doen? Heeft Hij dat recht?

Maar dan nu de joods-christelijke lezing, door de ogen van het geloof, d.w.z. van boven gezien. Waarom vroeg God dit bovenmenselijke van de man die Hij zelf 'zijn vriend' noemde? God had Abraham geroepen om de stamvader te zijn van een nieuw volk, een volk van geloof. Daarom moest hij, a.h.w. het fundament van dit volk, ook een man van geloof zijn: hij moest het geestelijke DNA doorgeven aan zijn nakomelingen en dat moest van superkwaliteit zijn. Als je een appartement bouwt met vele verdiepingen, moet het fundament des te sterker zijn. Daarom moest Abraham vele keren getest worden. De leerschool van het geloof kent vele graden en klassen, veel lessen en praktijkoefeningen, vele toetsen en examens. Je begint bij de kleuterschool en sommigen stromen door naar de univ. Maar de examens worden altijd veeleisender, vragen soms het uiterste van een student. Abraham had tot nu toe de meeste tests goed doorstaan (er zijn ook twee, drie verhalen waarin hij tijdelijk verflauwt en foute keuzes maakt). Maar uiteindelijk acht God hem rijp voor het doctoraatsexamen, de 'final test'. Hoe onmenselijk zwaar dit ook voor Abraham moet geweest zijn, het is, van boven gezien, een hele eer dat hij hieraan mocht deelnemen: hij had de eerste tests goed doorlopen en was geselecteerd voor de finale! Het hele hemelrijk stond op de eerste rij in de tribune, meer gespannen dan voor het WK voetbal. Ze keken toe, supporterden dat Abraham maar niet zou falen. Hier hing uitermate véél van af, het hele plan van God met Israël, Jezus en de mensheid. Had God wel een plan B voor als dit mislukte?

Nee, we zien hier geen wrede God die absurde spelletjes speelt met mensen. We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens. Het is waar, Hij spaart Abraham niet, maar hierin is Hij zoals een trainer die voor zich zijn allerbeste loper ziet: Hij ziet al een potentiële wereldkampioen in hem, en zal, schijnbaar meedogenloos, de lat steeds hoger leggen om er álles uit te halen. God laat Abraham de ultieme test afleggen, omdat Hij bijzonder van hem houdt en gelóóft dat hij het kan.
En uiteindelijk komt alles goed: God houdt Abrahams hand op het laatste nippertje tegen, hij krijgt Isaak terug, en het resultaat is vandaag dat de helft van de wereldbevolking Abraham als hun voorvader ziet! Wie doet hem dat na?

De christelijke lezing van het verhaal voegt er nog een hoofdstukje aan toe. Op het eerste zicht lijkt het dat deze God onmogelijke dingen vraagt van zijn mensen. Maar alles wat Hij van mensen vraagt (bijv. je vijand liefhebben), doet Hij zelf ook, en nog méér. Want heel dit verhaal is tegelijk een geestelijke allegorie/voorafbeelding van wat God later zelf zal doen in Jezus. Abraham mocht op het laatste nippertje zijn hand terugtrekken en behield zijn zoon. Tweeduizend jaar later heeft God ook zijn enige, geliefde Zoon geofferd, met dit verschil dat Hij voor Zichzelf nog harder was dan voor Abraham: de hand werd niet teruggetrokken. Jezus werd wel degelijk gedood, geslacht als een Lam, maar dan vele keren brutaler. Een verhaal dat wreed lijkt, wordt plots, in een ander licht, een verhaal van onbegrijpelijke liefde en zelfopoffering.

Abraham zal in de eeuwigheid één van de weinigen zijn die zal begrijpen wat het betekent om, net als God, je enige zoon te offeren. Het opperste vertrouwen blijkt pas bij de allermoeilijkste opdracht. Of Abraham zijn eigen rationaliteit kan loslaten en vertrouwen op een hogere intelligentie, dat is dé lakmoesproef voor écht geloof. Abraham had misschien tien goede redenen om dit niet te doen, en één zéér goede reden om het wél te doen. Hij is geen speelbal, geen proefkonijn, geen slachtoffer, maar een geloofsheld, een bevoorrecht man. Ik stel me zo voor dat God in de hemel eindeloos fier is op zulke man: één van de zeer zeldzamen die bereid is (bijna) even vér te gaan in de liefde als Hijzelf.

En een laatste opmerking: of God het recht heeft om zoiets van een mens te vragen? Ik zou de vraag willen omdraaien: als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God? Zoals gezegd: hoe je dit verhaal leest, zegt in feite het meest over jezelf. En dat steeds meer mensen het ontieglijk moeilijk hebben met dit verhaal, zegt héél veel over onze cultuur en onze humanistische (mensgerichte) tijdsgeest.
Dit sterk geschreven artikel lezend ben ik getroffen door het geluid dat uit het grotendeels roomse België komt. Ik laat je dit niet lezen om het onnadenkend voor waar te houden. Ik geef toe dat je een punt het als er wat remonstrantse aspecten in zitten; maar ik vraag je denk er eens goed over na!
Eén van mijn kritiekpunten is wel deze frase: "We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens." Alsof God de mens een prestatie laat leveren waar Hij Zelf ook de adem bij inhoudt: als dat maar goed gaat. God is er 100% bij betrokken. Toch draait de schrijver ons denken op een frappante en treffende wijze om, als hij dit offer schetst als een lakmoesproef. En… dat hij de lezers de tegenvraag stelt op het commentaar of God daar wel het recht toe heeft: "…als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God?" Wij zijn sterk geneigd God ter verantwoording te roepen. Ik voel dat direct in mij opkomen. En daar moeten we van bekeerd worden. God is wel degelijk iets machtigs aan het doen in deze geschiedenis. Misschien niet dat Hij fier op een man als Abraham was; maar hem toch wel als een voorbeeld stelt. Zo iets lees je ook bij Abrahams tijdgenoot Job; als God vraagt: "Heb je acht geslagen op Mijn knecht Job?" Zou God misschien tegenover de duivel (die de zonde koos in haat tegen God) wel een zekere 'fierheid' (lees: uitdagende trots) hebben? Zou er in de hemel misschien ook zo'n twist tussen satan en God zijn geweest als bij Job? Als dat zo is begrijp ik opeens heel veel meer van dit verhaal…

donderdag 23 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Zij gingen beiden tezamen

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Vanaf nu doen ze er weer het zwijgen toe. De laatste klim is woordenloos, als ik de Bijbel letterlijk neem. Maar daarboven moet Abraham toch uit de doeken gaan doen hoe de gang van zaken zal zijn bij dit brandoffer. Hoe dat precies zit met God en dat 'voorzien in een lam'.


We lezen van Henoch dat hij wandelde met God. Hij en God waren als het ware een onafscheidelijk duo, al gaande over de aarde. Waar Henoch was, betrok hij God erbij en uiteindelijk liepen ze zo de hemel in, thuis bij God. En eigenlijk lees ik iets dergelijks ook over Abrahams wandel met de HEERE. God zei: "Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht"; dat klinkt nog afstandelijk, alsof Hij op een afstand toekijkt wat Abraham allemaal doet. Maar wanneer de HEERE Sodom en Gomorra wil verdoen, pleegt de HEERE vertrouwelijk overleg met Abraham: "Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft." (Gen. 18:17-19). God praat, zo schrijf een van de apostelen, met Abraham zoals een man met zijn vriend. Abraham wordt door een andere apostel dan ook 'een vriend van God' genoemd. Er zijn daandeweg dwarsverbindingen tussen God en Abraham ontstaan. En ik mag aannemen andersom ook. Want juist als die dwarsverbindingen er wederzijds zijn, gaat het goed. Maar als Abraham nalatig wordt, gaat het mis in zijn leven.

Dwarsverbindingen

Velen denken dat het gebed de dwarsverbindingen zijn in het leven van het geloof. Dat is niet onwaar, maar slechts een deel van de waarheid. Als het contact met de HEERE slechts uit vaste, dagelijkse gebedsmomenten bestaat, dan blijft ons leven een gatenkaas. Een gatenkaas aan mogelijkheden om de HEERE te vergeten. Te veel mensen, jongeren én ouderen, maken nog onderscheid tussen het geestelijk leven en het dagelijks aardse leven. Waarom niet een dag vol met dwarsverbindingen? Het Avondmaalsformulier spreekt over 'van nu voortaan… leven', maar dat betekent niet dat dat beperkt blijft tot de afgemeten geestelijke momenten. De praktijk van het leven moet doorspekt zijn met aandacht voor de HEERE; Hem erbij betrekken. Natuurlijk moet je je werk aandachtig en geconcentreerd doen. Maar waarom moet dat betekenen dat je dat niet communiceert met de HEERE? Ik merk zelf dat als daar de slof in komt, in alles de slof komt. Elke muur krijgt soliditeit door dwarsverbindingen. Hoeveel te meer de muur van het geloof.

Doelbewust

Abraham en Izak lopen niet maar wat doelloos over die berg te struinen. Ze gaan gericht hun weg en met dat einddoel is de HEERE ook verweven. Hij is de Reden waarom zij hier zijn. Is dat geen mooie lijn naar ons persoonlijk leven? God is de Reden waarom we hier zijn en – zoals Paulus het preekte op de Areopagus: "… in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij." Als wij Hem HEERE noemen, zouden we ons dan niet passend voor Hem gedragen? Niet slaafs, maar met de liefde van ons hart. En… het heeft wat gekost dat we zó met Hem mogen wandelen over Zijn aardrijk richting Zijn heerlijkheid. Dat is nog eens doelbewust leven!

Deemoed

Het woord 'deemoed' bedoel ik positief, in de betekenis van 'ootmoed' en 'onderworpenheid'. Het valt mij zo op dat Izak verder geen vragen meer stelt, maar zich deemoedig aansluit bij zijn vader. In de tekst staat: "Zo gingen zij beiden tezamen".
'Zo', dat betekent zoveel als 'dus', een conclusie. Het antwoord van Abraham was afdoende, al bleef veel onduidelijk. Maar Izak kon met zijn vader de toekomst aan. Ligt daar geen waardevolle overeenkomst met het Avondmaal? Als wij geroepen worden om onszelf te verloochenen, ons kruis dus op te nemen achter Christus aan, dan zijn echt niet alle vragen opgelost. Maar dan mogen wij, meer nog dan Izak, zeker weten dat de uitkomst goed zal zijn. Dat kost inderdaad zelfverloochening. Je zult maar met grote levensvragen rondlopen en geen antwoorden weten.
Wat mag het Avondmaal dan bij uitstek een bezegeling, verzekering, zijn dat de HEERE echt niets uit de hand loopt. Hij weet raad en jij komt waar Hij je hebben wil. Waar? "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld." Herken je dat gebed uit Johannes 17? Wat een rijk gebed. En precies bij deze Heiland worden we aan tafel genodigd om nog eens ferm onderstreept te krijgen dat het écht waar is! Dat vervult mijn hart temeer met deemoed.

woensdag 22 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - God zorgt Zelf voor een Lam

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Met ingehouden adem wacht ik het antwoord van Abraham af. Wat zal hij antwoorden? Zal hij breken en in tranen uitbarsten? Zal hij grimmig "Zwijg!" grommen? Niets van dat alles. Zijn stem is vastberaden en duidelijk verstaanbaar.
"God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon." Hoor je die aanspreektitel aan het einde van de zin? Hoor je het laatste stukje liefde, dat hij nog kan geven, naar Izak vloeien? Mijn zoon… nu kan hij het nog zeggen, terwijl Izak het hoort. Maar straks zal Izak niet meer horen; níets meer horen!
Of… klinkt er verwachting tussen de regels door? Want we gaan te kort door te bocht als we alleen maar naar Abraham en Izak kijken en naar hun intermenselijke communicatie luisteren. Waar is God? Wat doet Hij in deze geschiedenis, ook al lezen we er niets over? De Kanttekeningen vertellen iets waar we eens goed over moeten nadenken: "De lieflijke woorden van Izak zouden Abraham naar het vlees wel veel hebben kunnen hinderen; maar door des Heeren Geest verwekken zij in hem meerder vertrouwen van een goede uitkomst, gelijk zijn antwoord betuigt."

God zal

Soms heb je een leesbril nodig om goed te zien wat er staat en op te merken wát er gebeurt? Niet rekenend met God Drieënig zou je radeloos worden als je Abraham zo ziet gaan. Maar de Hebreeënbriefschrijver blijft toch voortdurend in mijn achterhoofd roepen: "Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, (tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken."
Als Abraham zijn antwoord begint met "God zal…" dan mogen we dat opvatten als een belijdenis met een diep vertrouwen in God. Wat hij moest verwachten wist hij niet precies, maar dát hij wat mocht verwachten stond vast. Dat is het spanningsveld van het geloof: het zeker weten van iets wat op geen enkele manier zicht- of tastbaar is. Gisteren las ik aan tafel 2 Korinthe 4 en dat eindigt ook zo 'mysterieus' hooggespannen: "…want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig." Dat betekent zwemmen tegen de krachtige stroom van de wereld in.

Zichzelf voorzien van?

Wat een merkwaardige zinsconstructie. Hoe moet je dat lezen? "Zichzelven … voorzien" De NBV vertaalt: "God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen." De HSV maakt er dit van: "God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon."
'Zichzelf voorzien van'. Dat zou de vertaling dan zijn; en ik denk dat dat kan. Maar ik denk dat het nog dieper kan. Als ik voor mezelf in mijn onderhoud voorzie terwijl ik niet zelf kan koken, dan ligt het accent op mijn zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Ik ga er voor zorgen dat ik te eten heb; ik haal het van elders, maar kan het zelf niet maken. Zou het in dit vers dan ook niet dieper afsteken als je het vertaalt met: "God zal Zelf gaan voorzien in een Offerlam"; Hij zal Zelf die plek gaan opvullen, ja, gaan innemen. Ik denk dat die profetische laag er – zonder dat Abraham dat zal hebben gesnapt, in heeft gezeten. Het is namelijk God Zelf Die Offerlam zal geworden op Golgotha.
God van God gescheiden; God vertoornd op Zichzelf in de Persoon van Zijn Zoon, zou je in zekere zin kunnen zeggen. Om de mens te verlossen, werd Hij gelijk aan Zijn Eigen schepsel. Om die onopvulbare plaats te kunnen bereiken, waar Hij in Zijn heilige toorn over de zonde nooit zou kunnen komen! Wat een diepte boort Abraham hier aan. Ga daar maar eens over mediteren.

In een Lam voorzien

Nogmaals doemt de figuur van Johannes de Doper op, bij deze woorden. Want hoe gaat God dat dan doen, dat 'voorzien in' een Offerlam? Hoe ziet dat Lam eruit? Waar is Het? "Kijk daar, het Lam dat God heeft gekozen, het Lam waarmee God gaat voorzien in onze verlossing. Hier vervaagt het beeld van Izak. Wat een heerlijk beeld schuift er voor mijn geestesoog! Nicéa belijdt:
"Ik geloof […]  in één Heere Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet gemaakt, van hetzelfde Wezen met de Vader; door Wie alle dingen gemaakt zijn. Die, om ons mensen en om onze zaligheid, is neergekomen uit de hemel en vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria en een mens geworden is; ook voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft, en begraven is, en op de derde dag opgestaan is overeenkomstig de Schriften, opgevaren naar de hemel, zit aan de rechterhand van de Vader en zal weerkomen met heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; wiens rijk geen einde zal hebben."
Wat een Lam! Wat een goddelijk reddingsplan! Alle aanbidding waardig aan de Avondmaalstafel.

dinsdag 21 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Waar is het Lam?

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Eindelijk is daar die vraag van Izak. Abraham had ’em aan zien komen. Met ingehouden adem laat hij zijn zoon uitpreken. Immers, hij had gezegd: "Zie, hier ben ik"? Dat betekende: "Vertel het maar. Ik luister naar je vraag en zal je zo goed als het kan antwoorden." Zo goed als het kan… maar wat is goed?

Had jij die vraag durven stellen? Wij luisteren naar deze geschiedenis – dus ook naar deze vraag – vanuit het perspectief dat we weten hoe het allemaal in elkaar zit en afloopt. Izak ging bepaald niet aan zijn vader twijfelen, ook al was die erg oud. Maar hij begreep niet hoe zijn vader zo vastberaden de berg op kon klimmen, zonder zich te bekommeren om het lam. Izak miste de dimensie dat hijzelf dat 'lam' zou zijn. Een onmogelijke gedachte. Een oneigenlijke ook, eigenlijk!

Er moest een offerdier zijn

Al vaker had Abraham een offer gebracht. En ik vermoed dat ook Izak daar weleens bij is geweest. Hij had gezien hoe zijn vader offerde… hoe het offeren in zijn werk ging. Ongetwijfeld had hij zijn vader er vragen over gesteld; en zeker zal Abraham met passie uitleg hebben gegeven. Ze dienden toch een geweldig God, nietwaar? Die God, Die zulke grote plannen had met Abraham en zijn zoon.
Want ja, het was niet zomaar dat Hij vader uit Chaldea had geroepen; een enorme reis naar een onbekend land. Hier was het… dit was het Beloofde Land.
Toen vader en moeder er waren aangekomen bij de terebinten ('eikenbossen') van Mamre (Moré) had vader direct een offer gebracht om God te danken voor Zijn wijze hulp en leiding (Genesis 12:7). Onder de terebinten zitten betekent zoveel als 'God leren kennen'. En dat betekent ook de naam Moré: leren kennen. God had er Zich laten kennen. Daarna was Abraham verder getrokken naar Beth-El (huis van God). En opnieuw – het was ver voor Izaks tijd – had hij geofferd (Genesis 12:8). En na de scheiding tussen Lot en Abraham was het in omgekeerde volgorde nogmaals gebeurd (Genesis 13).


Welk offerdier was het?

Er werd altijd een dier geofferd. Zo wilde de HEERE het. Verre voorvader Abel had al geleerd hoe je een offer moest brengen. Hij slachtte het beste lam van de kudde. En ook Noach had geofferd – rein vee en vogels, maar ook een brandoffer – nadat de zondvloed was weggeëbd.
Een lam slachten was een tere zaak. Een weerloos – zo niet onschuldig – dier dat tot zonde werd gemaakt. Geen raddraaier die al wat verwondingen had opgelopen door zijn halsstarrig gedrag. Geen kneusje dat gebutst was door de grote boze wereld.
Izak kon niet anders bedenken dan dat bij het brandoffer een lam hoorde. En Abraham eigenlijk ook niet. Tot vandaag. Brandofferen: we zagen al eerder dat dat een offer was dat totaal verbrand zou worden voor de HEERE. Volledig aan Hem gewijd. Als beeld voor ons mensen: "Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood zou moeten sterven…"
Bij de heidense volken rondom hen was het niet ongewoon dat er mensenoffers werden gebracht. Maar een mensenoffer had de HEERE God nooit gewild; sterke nog! De HEERE was zo totaal anders dan de afgoden; even daar gelaten dat zij niet eens bestonden. Maar nu! Eiste God tóch een mensenoffer? Ja de zonde van verre voorvader Adam bracht de dood over ons. Er moest ooit een Mens komen die daarvoor zou betalen. Daar wezen – zelfs vóór Mozes’ tijd al – de offers heen. Het vrouwenzaad, de Messias, Die de straf zou dragen, verbrand zou worden, de kop van de slang zou verbrijzelen. Al dat krachtvertoon tegenover Gods zinderende toorn werd samengebald in… een lam.


Een catechismusvraag

"Vader, waar is het lam ten brandoffer?!" Haast angstig, benauwd, klinkt die vraag. En ik herken hem van de leerling in de Heidelbergse Catechismus in zondag 5: "Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?" Of een paar vragen verder, als hij erachter komt dat geen enkel schepsel in staat is te betalen voor die schuld tegenover God: "Wat moeten wij dán voor een Middelaar en Verlosser zoeken?" Alsof ik Izak hoor roepen: "Waar is het lam, mijn vader!"
Heel in de verte hoor ik de omgekeerde echo van Johannes de Doper al: "Kijk daar! Izak! Kijk daar, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!" Johannes wijst hem glashelder aan. En Jezus laat Zich aanwijzen. Elke zondag. Elke Avondmaalsviering. "Kijk dan! Proef dan! Ziet en smaakt dat de HEERE góed is!" Of niet soms? Er is redding mogelijk. Welzeker. Goeie vraag, Izak. Och, dat alle onbekeerden zoekers waren en dat die zoekers deze vraag stelden: "Waar is het Lam ten brandoffer?!"

zaterdag 18 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Mijn Vader

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Morgen is het voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Over deze diepingrijpende vragen van Izak aan zijn vader wil ik de komende week een aantal keren nadenken en lijnen naar de Heere Jezus Christus trekken. Immers, het is Zijn dood die we gedenken.

Ik beperk me deze komende keren tot een overdenking over een wat korter tekstfragment. Vandaag de vraag van Izak: "Mijn vader!" Het opstapje naar de uitleg van datgene waarover Izak piekert.

Izaks vraag

In de geschiedenis die we overdenken vormen deze woorden wellicht niet meer dan een opstapje tot een gesprek tussen Izak en zijn vader. Dit, echter, heeft Abraham voorvoeld en gevreesd. De vraag die Izak zal gaan stellen zo meteen betekent dat hij erover heeft nagedacht: wat gaan zij offeren? Izak begint zijn vraag met "Mijn vader…" Tegenwoordig zeggen kinderen: "Pappa…" Als ze dat al zeggen; en ze wachten nauwelijks tot hun vader zegt: "Ja, vertel het eens…"
Wat er ook gaat gebeuren, Izak ziet de man achter hem – althans zo stel ik het me voor; hoewel het plaatje laat zien dat Abraham voorop loopt – als zijn vader. De vader die Hagar en Ismaël, zijn halfbroer, had weggestuurd. De man die niet altijd even eerlijk is geweest. Maar toch de man van dat grote verhaal van Gods ingrijpen: geroepen uit Ur! In de jaren die achter hem liggen heeft Izak zijn vader leren kennen als een vriend van God. Abraham was een identificatiefiguur voor hem. Dat zal ook blijken als hij later op Rebekka zit te wachten en als hij haar introduceert in de clan van zijn vader.

Jezus' vraag

"Mijn Vader…" Het is een bewijs van intimiteit van het zuiverste soort. Ik hoor het Jezus roepen in Gethsemané. Ja, daar heel aangrijpend. Maar ik hoor het Hem eerder in Zijn leven ook vaak zeggen, vaak het bezittelijk voornaamwoord 'Mijn' weglatend. Niet minder opgetogen: "Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U!" De sprankelende trots over de wijsheid van Zijn Vader spat van Jezus' gezicht. Als er iemand trots op Zijn Vader was, dan wel Hij! En terecht!
Maar die aangrijpende vraag in Gethsemané… "Mijn Vader, indien het mogelijk is…" Ik hoor het Abraham diepweg denken; maar ik hoor het Izak niet zeggen. Het is ook wereld van verschil met wat Jezus' te wachten stond. "Mijn Vader…" Totdat hij moet uitroepen: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten?!" Het zal de enige keer zijn dat Hij Zijn Vader zó zal aanspreken. Laten we zo Zijn lijden en dood op waarde schatten, bij brood en beker.

Mijn belijdenis

Dat brengt mij kort bij mijn en jouw positie tegenover diezelfde Vader van Jezus. Hoe is dit relatie met Hem? Bestaat die überhaupt? En is die relatie nog fris, kraakvers en smetteloos? Of gaan we deze voorbereidingsweek in met barsten en scheuren in die relatie? Komt de Vadernaam maar moeizaam over de lippen, ja, is die weggezakt? Belijdenis is evengoed ook schuldbelijdenis. Zorg dat het er weer van kan komen, dat je kunt zeggen: "Mijn Vader…" En met evenveel verve als Jezus. Dat is onze hemelse Vader wel waard dacht ik zo. "Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiedde (dat bad Jezus ook, weet je nog?), net zo op aarde als dat het er aan toegaat in de hemel."

donderdag 16 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Persoonlijke en gemeenschappelijke beleving

"En Abraham nam het hout des brandoffers en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen tezamen."
Genesis 22 : 6

Terwijl Izak voor zijn vader uitloopt is dat voor vader Abraham natuurlijk des te zwaarder: hij weet wat er gaat gebeuren; Izak nog niet.


Het komt nogal eens voor dat de omgang met de HEERE slechts persoonlijk wordt beleefd en niet gedeeld. We leven in een individualistische tijd van zowel 'het eigen recht' als 'alles voor jezelf houden'. Dat is misschien dan wel je eerste reactie, maar delen is dubbel genieten. En voor wat betreft lijden is delen half lijden.

In de tekst van vandaag zie ik een vader de berg op klimmen, achter zijn zoon aan. Ze spreken niet of nauwelijks met elkaar. Straks zal Izak de stilte verbreken, maar nu is het nog stil. We lezen slechts van daden. Het hout wordt opgestapeld op Izaks schouders. Gekloofd hout, weet je nog wel? De zware bundel brandhout wordt van de ezel afgenomen en met een zucht en een traan legt Abraham het op zijn lieveling. Maar dan… pakt hij het vuur om dat hout straks aan te steken. En verbeten omklemt hij het heft van zijn mes. Een huivering gaat door zijn lichaam.

Legde het op Izak

Die ezel vind ik in deze geschiedenis zo'n bijzonder dier. Ik kan er niets aan doen, maar steeds zie ik het ezeltje uit Bethfagé voor me. Dominee J.J. Poort mediteerde er eens over en een fragment uit die meditatie – die ooit op CD werd uitgegeven – komt bovendrijven: "Ik wou dat ik dat ezeltje was." Herken je dat?
Vandaag lees ik dat het lastdier wordt ontlast. De zware last die het torste wordt van hem afgenomen en… op de zoon gelegd. Niet de ezel wordt geofferd (ik denk trouwens dat dat nooit had gekund; God heeft geen ezels ten offer geboden). Nee, Izak, de lieveling des vaders wordt 'opgezadeld' met dat brandhout. "Hij voor mij…" Zie je de lijn?
En aldoor blijft het stil. Izak moet het gewicht van dit moment hebben gevoeld, want hij is een gevoelsmens. In dit vers zwijgt hij nog, maar de dingen bij elkaar optellend moet hij in dit vers aan het mediteren zijn geslagen: hout, vuur, mes… maar wát gaan we eigenlijk offeren?
Izak was bepaald geen klein kind meer, zoals vaak op schilderijen wordt gesuggereerd. De Kanttekeningen wijzen er ook op dat juist uit het dragen van zo'n zware last blijkt dat hij tussen de 15 en de 25 moet zijn geweest. Izak is geen weerloos kind; ook als hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij zijn volle verstand, dat wat zijn vader deed goed was!

Nam het in zijn hand

Het is bijzonder te zien dat Abraham het vuur en het mes in eigen hand houdt. Je kunt daar allerlei praktische redenen voor bedenken. Izak is nog jong, hij kan prima dat hout sjouwen. Maar niettemin lees ik er ook zorg in. 'Het vuur en het mes'; het zou een prikkelende boektitel kunnen zijn.
Abraham nam het in zijn hand. Wij refo's leren graag dat we tot God moeten komen met lege handen. Hier komt de vader aller gelovigen met het vuur en het mes in zijn hand. Attributen die hij vaker had gehanteerd. Al vaker had hij offers gebracht. Maar nu…
Dat vuur vond ik nogal merkwaardig. Waarom ontsteek je dat al onderaan de berg? Ik neem althans niet aan dat hij het al van huis had meegenomen. Hij zal beneden zijn tondeldoos – of iets dergelijks – hebben gepakt en brandbaar en traagbrandend spul hebben aangestoken. Met dat brandende vuur is hij omhoog geklommen. Ja toch? Of moet ik 'vuur' lezen als 'spullen om vuur mee te ontsteken'? Dat zou wel logischer zijn, maar ik zie het er niet staan.
De betekenis der woorden bekijkend zou je ook 'portie' of 'deel' kunnen lezen voor 'hand'. Dan zou je het zo kunnen lezen dat Abraham het vuur en het mes voor zijn portie/rekening nam. Izak zorgde voor het hout, Abraham voor de rest. Hoe het ook zij, die twee dingen die Abraham dan voor zijn rekening nam, waren ingrijpende zaken. Het vuur om het hout onder zijn kind aan te steken. Het mes om zijn kind van voren (van boven) mee tegemoet te treden. "Het waren mijn zonden die U al die jammeren aandeden!"

Zij beiden gingen tezamen

Samen… dat woord is uiterst actueel. Vandaag likken de verliezers van de Tweedekamerverkiezingen hun wonden en kijken de winnaars wat ze nu werkelijk hebben gewonnen. Hoe 'gewonnen' men ook heeft, men zal het in de nieuwe regering toch samen met anderen moeten gaan doen. 'Samen' is ook niet zo erg hip in refokringen. Het is vooral erg evangelisch, krijg ik weleens de indruk. In degelijke kringen is men vooral introvert geworden. "Vroeger spraken de mensen nog wel samen over Gods wegen met een mensenziel, maar dat kom je niet veel meer tegen", wordt er dan gezegd. Is dat waar? Of wordt er niet meer gesproken, omdat de kritiek op elkaar het geloof heeft verdoofd? Wordt er überhaupt wel meer gedeeld in het huwelijk dan alleen het bed? Waarom kan men lichamelijk wel intiem zijn (ik hoop althans dat dat nog wel het geval is), maar kan dat op geestelijk terrein niet? Vader en zoon gaan "beiden tezamen" lees ik vandaag. Ik had zo gehoopt dat ze ook veel gedeeld hadden en samen eensgeestes aan het klimmen waren, God tegemoet. Het blijft helaas stil. Straks, ja straks zal er gepraat worden. Zeker als ze thuis bij Sara zullen komen; hoewel dat ook nog een dingetje zal zijn geweest!

Het blijft voor mij elke keer weer een merkwaardige zinsconstructie: "beiden tezamen". Een soort dubbelop. Er zit iets onlosmakelijks in dat woordenkoppel. Abraham kon niet zonder Izak gaan en Izak niet zonder zijn vader. Dat brandhout en het vuur hoorden onlosmakelijk bij elkaar; evenals het mes en… het offerdier.
In gedachte – ik las dat daarnet in een meditatie – zie ik een ander Offerlam gaan. Het lijkt erop dat Hij alleen gaat naar de offerplaats. Ook op een berg: Golgotha. Maar ging Hij werkelijk alleen of gingen die Beiden ook tezamen? En wie was die ander/Ander dan? Je zou kunnen denken aan Simon van Cyrene. Maar nee; ik moet ook hier de Vader en de Zoon Beiden tezamen zien gaan. De Zoon als Offerlam (het laatste en het beste!) met het hout op zijn rug. De Vader met het vuur van Zijn toorn en het mes van Zijn eens rechtvaardig gesproken Woord: de ziel die zondigt zal sterven!
De Zoon ging niet als een weerloze, maar bij Zijn volle verstand; ook als Hij straks die diepe opofferende daad verricht van het gaan liggen op dat hout. Hij wist, bij Zijn volle verstand, dat wat Zijn Vader deed goed was!