Posts tonen met het label Job. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Job. Alle posts tonen

vrijdag 31 maart 2017

Vraagt God een kinderoffer?

En Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes, om zijn zoon te slachten.
Genesis 22 : 10
 

In een tijd dat IS er trots op is massa's christenen en andersgelovigen te kelen (want dat staat er in de tekst eigenlijk voor 'slachten'), roept deze tekst dubbele aversie op. En ik begrijp dat er mensen zijn die zich afvragen: wat voor God is dat Die dergelijke dingen vraagt? Ik probeer te begrijpen… en te bedenken hoe ik met deze tekst en dit gedeelte moet omgaan. Deze tekst is een harde noot!
Uiteindelijk komen er verwarrende gevoelens bij me boven; ik vind de platgetreden paden van theologisch-juiste uitleggers van toen en u, die predikanten te gemakkelijk hanteren bij de voorbereiding van de preken, te weinig zeggend. Natuurlijk kun je alles met dogmatiek recht praten; maar welke theoloog gaat in op de enorme vragen die dit oproept? Wie geeft eerlijk toe dat atheïsten hier wel een punt hebben in hun aversie tegen God? Ik heb er geen antwoord op; maar toen ik een artikel van Ignace Demaerel las op knack.be vond ik het sluitstuk van dat betoog zo sterk dat ik het graag geheel citeer. Denk er maar eens over na!


Het offer van Abraham, één van de meest controversiële Bijbelverhalen: twee tegenovergestelde lezingen


Abraham is een man uit de wereldliteratuur die tot de verbeelding blijft spreken. Hij is één van de oerfiguren van onze cultuur, niet meer weg te denken uit onze beschaving.

Hij is dé gemeenschappelijke voorvader van jodendom, christendom en islam. Je kan gerust stellen dat de helft van de wereldbevolking hem als een tijdloos rolmodel ziet. 'Abraham' is een begrip geworden in onze taal doorheen verschillende uitdrukkingen en zegswijzen. Je ziet hem terugkomen in de literatuur, de schilderkunst, de muziek, de beeldhouwkunst... Deze eenvoudige Aramese veehouder heeft een erfenis nagelaten die hij zelf nooit voor mogelijk had gehouden.

Zijn eigenlijke 'leven' begon toen hij een stem uit de hemel hoorde vanwege een God wiens naam hij niet kende, en op weg moest gaan naar een land waarvan die geheimzinnige God ook de naam niet zei (Genesis, hoofdstuk 12). Maar het toppunt van alle Abraham-verhalen is dat waar hij zijn zoon moet offeren voor diezelfde God. Rembrandt, Titiaan, Caravaggio, Teniers, en tientallen anderen hebben hem afgebeeld in die vreselijke tweestrijd waarbij hij het mes opheft om zijn enige zoon te doden. Voor de één het toppunt van geloof en gehoorzaamheid, voor de ander het toppunt van irrationaliteit en absurditeit. Voor menig atheïst is dit verhaal reden genoeg om te zeggen: 'In zulke God weiger ik resoluut te geloven! Ik wil met godsdienst niets meer te maken hebben!'

Het is inderdaad een verhaal dat de meest tegenstrijdige gedachten en gevoelens kan oproepen. Het is een verhaal 'op het scherp van de snede': hier scheiden zich de geesten: je bent vóór of radicaal tégen, hier kan je niet neutraal blijven. Hoe je hierop reageert, zegt eigenlijk heel veel over jezelf, je eigen houding in het leven en je visie op God. Laten we het eens ontleden en de twee tegenstrijdige interpretaties onder het licht houden.

Om de dramatische diepgang van dit verhaal ten volle te beseffen, moeten we de aanloop even schetsen. Abraham was al 75 jaar toen hij uit het Ur der Chaldeeën (het huidige Irak) vertrok, en hij en zijn mooie vrouw Sara waren kinderloos. Kinderloosheid in die tijd werd vaak gezien als een straf van de goden, bracht veel onzekerheid mee ('wie zorgt voor mij op mijn oude dag?') en vooral veel stil verdriet. Sara moet er kapot van geweest zijn. Maar toen dan die onbekende God Abraham de opdracht gaf om alles achter te laten en op weg te gaan naar het onbekende, volgde daarop een driedubbele belofte: God zou hem tot een groot volk maken, een land geven, hem zegenen en tot een zegen voor de hele aarde maken. Vooral dat eerste zal Abraham erg geïnteresseerd hebben: een volk worden betekende immers ook kinderen krijgen. Dus, erg gelokt door deze belofte, vertrok hij, met knikkende knieën. Gezien hij al 75+ was, verwachtte hij dat die zoon al heel snel moest komen, maar een jaar ging voorbij, en nog één en nog één... We slaan snel enkele verhalen over, want uiteindelijk duurde het 25 jaar vooraleer de beloofde zoon geboren werd. Slechts zeer weinigen onder ons kunnen de pijnlijke verzuchtingen van zulk langgerekt wachten aanvoelen. Elk jaar moet een eeuwigheid geleken hebben, en de gedachte 'Was dit allemaal geen inbeelding?' zal nooit ver geweest zijn. En dan staat er nog uitdrukkelijk bij dat Sara op zeker ogenblik voorbij haar menopauze was: het lijkt wel alsof God extra lang wachtte om het nóg onmogelijker te maken dan het al was. Maar toen gebeurde dit onvoorstelbare toch: de 100-jarige Abraham en 90-jarige Sara kregen hun wondertje. Precies daarom moet de geboorte ook een onvergelijkbare vreugde-explosie geweest zijn - de kleine boreling wordt dan ook 'Isaak' genoemd, wat betekent 'hij lacht'. 25 jaar langgerekt hopen werden eindelijk beloond. Isaak was zijn enige zoon uit Sara, degene van wie hij zielsveel hield: het eindeloze wachten zal de emotionele 'waarde' van dit kind eindeloos verhoogd hebben. Deze voorgeschiedenis maakt het verhaal van het offer enkel maar dramatischer.

Want toen klonk die intussen vertrouwde stem uit de hemel opnieuw: 'Abraham, offer mij je enige, geliefde zoon' (Genesis 22). Het moet voor Abraham een donderslag bij heldere hemel geweest zijn: dit kon hij op geen enkele manier rijmen of plaatsen. Deze opdracht was compleet tegengesteld aan alle vorige opdrachten en beloften van God. Als hij dit deed, zou hij al het vorige ongedaan maken: dan zou hij toch geen groot volk worden, dan was hij voor niets vertrokken uit zijn land, dan had hij voor niets 25 jaar gezworven als een vreemdeling, ontberingen geleden en gevaren doorstaan, maar vooral: dan werd zijn toekomst brutaal afgesneden, dan was zijn leven één grote mislukking, totaal zinloos. Abraham legde niet alleen zijn teergeliefde zoon op het altaar, maar minstens evenveel zichzelf, zijn leven, zijn toekomst, zijn reputatie, zijn huwelijk, zijn plannen en ambities: hij had evengoed zijn eigen hart kunnen uitrukken.

Hier komt de atheïstische lezing natuurlijk onvermijdelijk naar boven: 'wat voor een God is dat!?' En zelfs als het enkel een test is voor Abrahams geloof (wat Abraham natuurlijk niet weet), wat voor spelletje speelt Hij met de mens? Het lijkt wel een kat die haar wrede spelletje speelt met een muis. Eerst iets geven en het dan weer afpakken...? Zeker als het precies gaat om de enige teergeliefde zoon. Sadistisch lijkt dit wel. Zo bekeken, roept dit inderdaad ofwel veel vragen op (ook bij gelovigen!), ofwel veel revolte en afkeer. Heeft God wel het recht om zoiets te vragen? Om een mens zo op de proef te stellen? Is dit geen bewijs dat godsdienst irrationeel en gevaarlijk is?

Voor de volledigheid moeten we ook nog even toelichten dat kinder- en mensenoffers in de meeste van de toenmalige culturen gebruikelijk waren. Zelfs bij de Grieken, een cultuur die wij als verheven en beschaafd beschouwen, waren mensenoffers normaal en zelfs 'nodig'. Maar zeker bij de Kanaänitische volken waren er meer van die barbaarse praktijken zoals kinderen door het vuur laten lopen voor de Moloch.

Maar we vertellen Abrahams verhaal nu eerst verder: het is merkwaardig dat de Bijbel hierbij niets vertelt over zijn 'binnenkant'. Er staat gewoon dat hij de volgende dag vertrok met Isaak en enkele knechten naar de berg Moria, drie dagreizen ver. Geen discussie met God, geen onderhandelingen, geen protest, zelfs geen vraag om uitleg. Abraham ging op weg, en de stilte onderweg moet oorverdovend geweest zijn: met stomheid geslagen, de mond vol tanden, het hart verbrijzeld, de dood in de ziel... Er wordt zelfs niet verteld wat hij aan zijn vrouw gezegd moet hebben toen hij op weg ging. Misschien niets? Om haar te sparen?

En dan moest hij de berg beklimmen, een altaar bouwen, het hout erop schikken, zijn zoon vastbinden, het mes opheffen... Kan een mens ooit iets moeilijkers doen in zijn leven? Het blijft ons, als we ons hierin verdiepen, met verstomming slaan. Ook een gelovige heeft hier reuzengrote vragen bij: kan God dan echt álles vragen? Zou Hij dat ook bij mij kunnen doen? Heeft Hij dat recht?

Maar dan nu de joods-christelijke lezing, door de ogen van het geloof, d.w.z. van boven gezien. Waarom vroeg God dit bovenmenselijke van de man die Hij zelf 'zijn vriend' noemde? God had Abraham geroepen om de stamvader te zijn van een nieuw volk, een volk van geloof. Daarom moest hij, a.h.w. het fundament van dit volk, ook een man van geloof zijn: hij moest het geestelijke DNA doorgeven aan zijn nakomelingen en dat moest van superkwaliteit zijn. Als je een appartement bouwt met vele verdiepingen, moet het fundament des te sterker zijn. Daarom moest Abraham vele keren getest worden. De leerschool van het geloof kent vele graden en klassen, veel lessen en praktijkoefeningen, vele toetsen en examens. Je begint bij de kleuterschool en sommigen stromen door naar de univ. Maar de examens worden altijd veeleisender, vragen soms het uiterste van een student. Abraham had tot nu toe de meeste tests goed doorstaan (er zijn ook twee, drie verhalen waarin hij tijdelijk verflauwt en foute keuzes maakt). Maar uiteindelijk acht God hem rijp voor het doctoraatsexamen, de 'final test'. Hoe onmenselijk zwaar dit ook voor Abraham moet geweest zijn, het is, van boven gezien, een hele eer dat hij hieraan mocht deelnemen: hij had de eerste tests goed doorlopen en was geselecteerd voor de finale! Het hele hemelrijk stond op de eerste rij in de tribune, meer gespannen dan voor het WK voetbal. Ze keken toe, supporterden dat Abraham maar niet zou falen. Hier hing uitermate véél van af, het hele plan van God met Israël, Jezus en de mensheid. Had God wel een plan B voor als dit mislukte?

Nee, we zien hier geen wrede God die absurde spelletjes speelt met mensen. We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens. Het is waar, Hij spaart Abraham niet, maar hierin is Hij zoals een trainer die voor zich zijn allerbeste loper ziet: Hij ziet al een potentiële wereldkampioen in hem, en zal, schijnbaar meedogenloos, de lat steeds hoger leggen om er álles uit te halen. God laat Abraham de ultieme test afleggen, omdat Hij bijzonder van hem houdt en gelóóft dat hij het kan.
En uiteindelijk komt alles goed: God houdt Abrahams hand op het laatste nippertje tegen, hij krijgt Isaak terug, en het resultaat is vandaag dat de helft van de wereldbevolking Abraham als hun voorvader ziet! Wie doet hem dat na?

De christelijke lezing van het verhaal voegt er nog een hoofdstukje aan toe. Op het eerste zicht lijkt het dat deze God onmogelijke dingen vraagt van zijn mensen. Maar alles wat Hij van mensen vraagt (bijv. je vijand liefhebben), doet Hij zelf ook, en nog méér. Want heel dit verhaal is tegelijk een geestelijke allegorie/voorafbeelding van wat God later zelf zal doen in Jezus. Abraham mocht op het laatste nippertje zijn hand terugtrekken en behield zijn zoon. Tweeduizend jaar later heeft God ook zijn enige, geliefde Zoon geofferd, met dit verschil dat Hij voor Zichzelf nog harder was dan voor Abraham: de hand werd niet teruggetrokken. Jezus werd wel degelijk gedood, geslacht als een Lam, maar dan vele keren brutaler. Een verhaal dat wreed lijkt, wordt plots, in een ander licht, een verhaal van onbegrijpelijke liefde en zelfopoffering.

Abraham zal in de eeuwigheid één van de weinigen zijn die zal begrijpen wat het betekent om, net als God, je enige zoon te offeren. Het opperste vertrouwen blijkt pas bij de allermoeilijkste opdracht. Of Abraham zijn eigen rationaliteit kan loslaten en vertrouwen op een hogere intelligentie, dat is dé lakmoesproef voor écht geloof. Abraham had misschien tien goede redenen om dit niet te doen, en één zéér goede reden om het wél te doen. Hij is geen speelbal, geen proefkonijn, geen slachtoffer, maar een geloofsheld, een bevoorrecht man. Ik stel me zo voor dat God in de hemel eindeloos fier is op zulke man: één van de zeer zeldzamen die bereid is (bijna) even vér te gaan in de liefde als Hijzelf.

En een laatste opmerking: of God het recht heeft om zoiets van een mens te vragen? Ik zou de vraag willen omdraaien: als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God? Zoals gezegd: hoe je dit verhaal leest, zegt in feite het meest over jezelf. En dat steeds meer mensen het ontieglijk moeilijk hebben met dit verhaal, zegt héél veel over onze cultuur en onze humanistische (mensgerichte) tijdsgeest.
Dit sterk geschreven artikel lezend ben ik getroffen door het geluid dat uit het grotendeels roomse België komt. Ik laat je dit niet lezen om het onnadenkend voor waar te houden. Ik geef toe dat je een punt het als er wat remonstrantse aspecten in zitten; maar ik vraag je denk er eens goed over na!
Eén van mijn kritiekpunten is wel deze frase: "We zien een God die véél gelóóf heeft in de mens." Alsof God de mens een prestatie laat leveren waar Hij Zelf ook de adem bij inhoudt: als dat maar goed gaat. God is er 100% bij betrokken. Toch draait de schrijver ons denken op een frappante en treffende wijze om, als hij dit offer schetst als een lakmoesproef. En… dat hij de lezers de tegenvraag stelt op het commentaar of God daar wel het recht toe heeft: "…als Hij dat recht níet heeft, is Hij dan nog God?" Wij zijn sterk geneigd God ter verantwoording te roepen. Ik voel dat direct in mij opkomen. En daar moeten we van bekeerd worden. God is wel degelijk iets machtigs aan het doen in deze geschiedenis. Misschien niet dat Hij fier op een man als Abraham was; maar hem toch wel als een voorbeeld stelt. Zo iets lees je ook bij Abrahams tijdgenoot Job; als God vraagt: "Heb je acht geslagen op Mijn knecht Job?" Zou God misschien tegenover de duivel (die de zonde koos in haat tegen God) wel een zekere 'fierheid' (lees: uitdagende trots) hebben? Zou er in de hemel misschien ook zo'n twist tussen satan en God zijn geweest als bij Job? Als dat zo is begrijp ik opeens heel veel meer van dit verhaal…

dinsdag 26 juli 2016

Een foutje in de Bijbel?

"En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had; want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre."
Genesis 50 : 12-13


De 'Tombe van de patriarchen' in Hebron, waarvan men beweert dat daar Abraham, Izak en Jacob begraven liggen.



Toen ik bij deze teksten was aangekomen, dacht ik: wat moet ik hier nu nog over zeggen? Alles is al gezegd in het voorgaande. Het is een herhaling van zetten; een platgetreden pad, hooguit een 'kapstokpreek'. Maar de Kanttekeningen bij de Statenvertaling en het voorlezen van de 'kinderbijbel' van Van Dam zorgden voor input voor deze Bijbelstudie.

Een 'foutje' in de kinderbijbel

Toen ik mijn kinderen voorlas uit de 'Bijbelse vertellingen voor jonge kinderen', deel 2, van H. van Dam (niet bepaald mijn meest favoriete kinderbijbel; ik adviseer eerder die van Laurens Snoek, maar die is voor de kleintjes nog wat moeilijk), ging het over Job. Job werd zwaar beproefd; eerst verloor hij zijn bezittingen en zelfs zijn kinderen (!) en later ook zijn gezondheid. Een paar knechten bleven over en… zijn vrouw. Die laatste is een en al onbegrip. 
Maar net daarvoor staat de volgende zinsnede: "De mensen horen wat er met Job gebeurd is. Hoe erg het met hem is. Ze komen kijken, maar ze komen niet de buurt van Job. Hij is zo vies! Ze groeten hem niet meer beleefd, zoals vroeger. Als Job zijn knechten roept, komen zij niet. Zijn familie ziet hij ook niet. Zelfs de kinderen hebben een afkeer van hem. Ze spotten met hem. Ze spugen zelfs naar hem. Wat lelijk van ze om dat te doen!" 
Knechten? "Had Job die nog?", dacht ik, terwijl ik verder las. Ja… één hand vol, want die hadden hem die jobstijding gebracht natuurlijk. Maar… de kinderen, die zo'n afkeer van hem hebben… Ik moest even aan mijn kinderen uitleggen dat dat natuurlijk een foutje was van meneer Van Dam. Jobs kinderen waren immers omgekomen tijdens dat noodweer? Alle tien! Toch even kijken, dacht ik later op de avond. In hoofdstuk 19 klaagt Job: "Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem. Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil. Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen." Als je de Kanttekeningen zou lezen, zie je waar Van Dam de fout in is gegaan. 
Maar… ik werd door het woord 'kinderen' ook op een verkeerd been gezet. Het staat er niet zo duidelijk in dit fragment, maar je moet wel goed lezen: er staat niet 'zijn kinderen' maar 'de kinderen'. Als het hier dus al om kinderen zou gaan (en dat is waarschijnlijk niet zo), dan bedoelt Job in ieder geval die van de omwonenden. Niettemin… een rare zinsnede zette mij aan tot Bijbelonderzoek.

Een foutje in de Bijbel?

En zo ging het ook met dit tekstgedeelte, waarvan ik aanvankelijk dacht niets nieuws te kunnen vertellen. Jacobs zonen begroeven het lichaam van hun vader bij Hebron, in het familiegraf (een grot op de akker van Machpela, tegenover de eikenbossen van Mamre), precies zoals Jacob hen had opgedragen. En voor de duidelijkheid: ja, dat is die akker die opa Abraham al had gekocht – toen Sara was overleden – van Efron, de Hethiet, terwijl diens stamgenoten getuige waren. Abraham kocht die voor vierhonderd sikkelen zilver (Genesis 23 : 16). Abraham had daar nog moeite voor moeten doen, want Efron wilde die akker aan Abraham geven! Maar nee, Abraham wilde er pertinent voor betalen. En zo geschiedde.
Je kunt je nog de vraag stellen waarom Jacob zo specifiek en uitgebreid beschrijft aan zijn zonen wélke akker hij precies bedoelt. Was dat niet al gewoon bekend bij zijn kinderen? Er zijn verklaarders die stellen dat, omdat ze al weer 17 jaar in Gosen wonen – en Jozef zelfs al bijna 40 jaar – dat hele familiegraf in vergetelheid is geraakt. Ze zijn nu hier gesetteld, dus ze zijn zo zoetjes aan dat Beloofde Land aan het vergeten. En al helemaal dat graf van opa Izak en overgrootvader Abraham en hun vrouwen. Nu ja, moeder Lea (voor de zonen die het betrof) ligt daar natuurlijk ook. 
Ik denk zeker dat Jacob – niet in bezit van TomTom of Google Streetview – nog even heel duidelijk de verbale coördinaten van de begraafplaats wil doorgeven aan zijn kinderen. Maar meer nog legt hij er de nadruk op dat hij vooral NIET in Egypte begraven wil worden. En dat heeft alles te maken met Gods belofte. Die begrafenis moet een belijdenis worden: Gods beloften zullen heerlijk worden vervuld. Jacob is alvast begraven in het Beloofde Land… de rest zal volgen. Ik zie daar zomaar een lijn in naar de Heere Jezus Christus, het Hoofd van Zijn Kerk, Die al Boven is… de rest van Zijn geestelijk Lichaam (Zijn kinderen) zal zeker volgen.

Maar nu die merkwaardige tekstverwijzing die er in de Kanttekeningen wordt gemaakt in vers 13 bij 'zijn zonen': naar Handelingen 7 : 15-16. Daar zitten we middenin de preek van Stefanus. "En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem." Ik laat nog maar even buiten beschouwing dat Stefanus in het voorgaande vers sprak over 75 zielen terwijl Mozes duidelijk spreekt over 70 zielen. Daar zal een verschil in berekening in zitten, wellicht (met of zonder Jozef en zijn gezin).
Maar waar het me om gaat in dit geval is dat Stefanus beweert dat Jacob en (verschillenden van) zijn zonen (!) zijn begraven in Sichem, nota bene in het graf dat Abraham van de zonen van Emmor (Hemor) had gekocht. Hier lopen twee verhalen door elkaar. Er is het stuk land met een grot of graftombe dat Jacob kocht bij Sichem (daar is uiteindelijk het gebalsemde lichaam van Jozef bijgezet), in het noorden van Israël (Samaria). En er is het het stuk land vlakbij Hebron, in het zuiden van Israël (Judea), dat Abraham kocht van Efron: de akker Machpéla met de grot/spelonk waarin Sara als eerste werd begraven. Hier, bij Hebron, zijn de patriarchen begraven met hun vrouwen: Abraham en Sara, Izak en Rebekka, Jacob en Lea. En wellicht is ook Juda en mogelijk ook enkele van zijn broers er later begraven.
Hoe kwam Stefanus tot zo'n vergissing? Zou hij het niet helemaal goed in zijn hoofd hebben gehad op dat hectische en levensbedreigende moment (het is immers zijn laatste preek)? Of putte hij uit bronnen die een aantal dingen hebben verward? Waren namen verschreven of door elkaar gehaald? Ik weet het niet; het blijft in veel verklaringen vaag. De meesten geven wel aan hoe het wél moest worden gelezen, maar niet hoe dit foutje in de Bijbel terecht is gekomen. En bedenk dat Stefanus nota bene preekt tegenover wet- en schriftgeleerden a la Paulus! Dus over zo'n foutje zouden ze vast en zeker smalend hebben gelachen… maar het blijft zinderend stil tijdens deze woorden!
Eén uitleg geef ik door: men wil beweren dat Jacob aanvankelijk in Sichem wilde begraven worden. Hij had daar dat stuk land met graftombe gekocht om er zelf te worden begraven. Pas later in zijn leven (wellicht pas in Egypte of bij de begrafenis van Lea) besloot hij dat hij in Machpela begraven moest worden. Echter, omdat hij toch dat stuk land bij Sichem met die intentie had gekocht, deed hij het over aan zijn zoon Jozef (zodat ook hij in het Beloofde Land zou worden begraven en niet in Egypte zou achterblijven). Ongetwijfeld is er iemand met veel meer theologische kennis dan ik die me – wat deze verschrijving betreft – uit de droom kan helpen. Ik sta er open voor.
  1. Maakt het uit of we in een kinderbijbel de historische gebeurtenissen tot in de puntjes kloppend vertellen?
  2. In de preek van Stefanus lopen twee lijnen door elkaar: Abraham kocht een familiegraf bij Hebron en Jacob kocht een familiegraf bij Sichem. Was dat eigenlijk wel een goed idee: een familiegraf kopen in een land dat God jou had beloofd gratis te geven? Waren ze zo wellicht al het 'Beloofde Land' zelf aan het kopen op een voorbarige wijze?
  3. Heb jij ook weleens vraagtekens bij iets dat je leest of hoort, waardoor je de Bijbel erbij pakt en daardoor weer iets hebt geleerd of de dingen helderder bent gaan zien? Hoe deden ze dat in Beréa?

maandag 9 mei 2016

Geestelijke bagage van een afhaker

Sarah, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Soms vraag je je af het het toch kan dat één lid van een gelovig gezin afhaakt. Het is heel heilzaam om allereerst te bedenken dat het juist heel bijzonder is dat al die gezinsleden, ouders en/of kinderen, wél in het spoor van Gods geboden willen gaan. Want van nature hebben we daar allemaal geen zin in. Schieten we in de lach als God Zijn belofte bekendmaakt, net als bij Sara. Haar kleinzoons zijn allebei ook uit háár voortgekomen… Gods Geest brengt daar verandering in; niet slechts een goede opvoeding, hoewel die wel dienstbaar kan zijn. Niettemin blijft die vraag knagen: waarom die dochter of die zoon nu juist niet?

Soms betreft het nog niet eens een dwars, uit de band springend kind. Hoe is het mogelijk dat kinderen met dezelfde opvoeding, te midden van dezelfde liefde en geborgenheid, toch zulke verschillende wegen kunnen gaan. En dat de tranen van ouders daar geen enkel effect in lijken te hebben. De wil om toch althans voor de vorm in het spoor mee te gaan, ontbreekt en zo maken deze afhakers zich ook nog eens onbereikbaar voor Gods reguliere instrumenten, waarmee Hij mensen tot geloof beweegt. Zou er nog bagage zijn die ze meenemen? En welk effect heeft dat?

"En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader?
Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende."
Genesis 27 : 38a 

Kostelijke kleding

Wij weten te weinig af van dat eerstgeboorterecht. Ik vermoed dat daar meer achter zit, dan in onze vertalingen staat. Het is wel van enig belang daar nog een keer bij stil te staan, omdat juist ook hierin het breekpunt ligt in Ezau's leven. Ik kom hierop, door een merkwaardige zin in het vijftiende vers van Genesis 27: "Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan." Waarom heb ik hier altijd overheen gelezen? Uit de zondagsschoolverhalen en de kinderbijbels had ik altijd het idee dat Rebekka gewoon een van Ezau's werkjassen van de kapstok pakte en die Jacob aantrok. Zo rook hij naar Ezau, naar wilde dieren en naar buitenlucht. Maar dat staat hier niet. En wie er wat lectuur omheen leest uit de apocriefe hoek en de joodse geschriften, krijgt daar toch wel een heel ander beeld bij.
Wat zijn dat voor kleren? En wat maakte die oude plunje van Ezau (als het dat tenminste was) tot 'kostelijk'? En waarom hingen die kleren bij Rebekka in huis? Om met dat laatste te beginnen: we moeten bedenken dat men in aparte tenten leefde. Zelfs Rebekka en Izaäk. De broers waren inmiddels al op leeftijd (rond de 70 jaar!) en ze hadden elk hun eigen huishouden, inclusief personeel. Maar… vader Izaäk was het stamhoofd. En hoewel hij nu op sterven lijkt te liggen, zal hij nog enkele decennia leven, want pas als Jacob terug is in Kanaän zal hij overlijden (Rebekka is dan reeds overleden). Als we bedenken dat ze elk in eigen tenten leefden, is het des te opvallender dat Rebekka die kleren van Ezau in háár tent had liggen.
In diverse buitenbijbelse bronnen wordt gesproken over deze klederen als waren dit gewaden die te maken hadden met dat eerstgeboorterecht. De oudste was de priester in het gezin en zou zijn vader opvolgen. Die vader was de priester die – denk hierbij aan Ezau's kleinzoon Job (althans dat beweren bepaalde geschriften) – offerde voor zijn kinderen. Hij deed die heilige verrichtingen en droeg dan bij die gelegenheden gepaste kleding: kostelijke of kostbare klederen. Deze gewaden waren als het ware een afschaduwing van de latere priestergewaden.
Te zijner tijd zou ook Ezau deze kleding gaan dragen (of wellicht deed hij dat al in plaats van zijn vader die op bed lag). Hij was dus ook daarin al prima op te hoogte van wat het inhield om de eerstgeborene te zijn. Zijn vader had hem op die taak vast en zeker goed voorbereid. Maar… helaas, die kleding leverde hem niet de inhoud van dit ambt. Zijn hart was er niet bij; sterker nog: hij verachtte dit eerstgeboorterecht voor een bord linzensoep. En terecht noemt Paulus hem een hoereerder, want voor God is verbondsbreuk gelijk aan overspel.
Die kleding werd – zo beweert men – bewaard van generatie op generatie, in manden of koffers met geurige kruiden (van het veld!). En dat was de geur die Izaäk wilde ruiken, toen hij Jacob vroeg hem te kussen. Hij rook die geur en die kende hij uit eigen bevinding. Hoewel Jacobs stem niet klopte, de geur van deze kleding klopte wel en dus wat het goed, dacht hij. Bizar dat deze heilige klederen worden ontheiligd door Rebekka en Jacob! "Uw vloek zij op mij, mijn zoon!", zei Rebekka; en het is gebeurd: ze zou haar zoon na deze dag nooit meer zien in dit leven.

Geestelijke bagage

Zijn vader had Ezau voorbereid op de taak van 'priester'. Dat eerstgeboorterecht was echt wel iets waar tekst en uitleg bij werd gegeven. De stamhouder werd door zijn stamvader ingewijd. En ten laatste ontving hij de zegen als bezegeling; zo ongeveer moet je het zien, vermoed ik. Het merkwaardige is dat in de zegeningen van Izaäk met geen woord wordt gerept over de Messias. Laten we eens kijken wat de jongens beiden meekrijgen en waarin die zegeningen van elkaar afwijken.

Jacob: 
"Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most. Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!" (Genesis 27 : 28-29)
  1. dauw (vruchtbaarheid)
  2. vettigheid (rijke oogsten)
  3. gediend worden
  4. bescherming tegen vloek en uitdeling van zegen

Ezau: 

"Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn. En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken." (Genesis 27 : 39b-40)
  1. vettigheid (rijke oogsten)
  2. dauw (vruchtbaarheid)
  3. dienstbaar zijn
  4. zelfverdediging en opstand
Als Ezau tóch weigerde om onder Jacobs vleugels te gaan zitten, dan zou hij altijd onzeker zijn van zijn bestaan. Dat was natuurlijk onverteerbaar voor zo'n selfmade man, zo'n zelfstandige avonturier. Ezau zou zich ook niet willen laten bedienen door de priesterlijke dienst van zijn jongere broer. Hij had er simpelweg niks mee. Het was hem allemaal te bekrompen; hij vond het poespas. Leuk als je er waarde aan hecht, maar geef mijn portie maar aan fikkie. Ten diepste was Ezau arm… maar zijn macht en zelfredzaamheid verblindden hem om dit te kunnen zien. Afhankelijk zijn van een onzichtbare God en een leugenachtige broer? Nee, dank je!

Merkwaardige houdingen

Tot slot nog een paar opmerkingen bij de houding van Izaäk, Rebekka en Ezau. Wellicht zitten daar lessen in voor ouders of (dreigende) afhakers.

Izaäk trekt voor

"…toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik! […] Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede. […] En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het! […]" (Izaäk in Genesis 27:1b, 8 en 24) en "En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem…" (Rebekka in Genesis 27:13).
Bovenstaande teksten laten zo schrijnend duidelijk zien dat Rebekka echt Jacob claimde, maar dat Izaäk Ezau zíjn zoon noemde. Ik keur de houding van Rebekka niet goed, maar wat is de houding van Izaäk in deze enorm vreemd. Hij geeft overduidelijk de voorkeur aan Ezau (en wat moet dat voor Jacob zijn geweest, toen zijn vader dacht dat hij Ezau was! Hij hoorde met eigen oren de liefdevolle klank in de stem van zijn vader, die exclusief voor Ezau bedoelde klank!) En dat, terwijl Rebekka haar verdriet tegenover Izaäk zo duidelijk had geklaagd over de houding van Ezau. Hoe zouden ouders juist elkaar tot steun moeten zijn in zulke situaties. Hoe zouden ze allereerst de eenheid van het huwelijk boven de voorkeur voor een van de kinderen moeten stellen en elkaar vermanen om juist géén voorkeur te hebben! Kinderen voelen dat haarfijn aan en… maken daar meer dan eens misbruik van!


Rebekka slaat door

"En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?" (Genesis 27 : 46)
Daar zijn ouders met gekrenkte trots soms meesterlijk in: in de slachtofferrol kruipen. Ik snap dat je soms met je handen in het haar zit, niet weet waar het heen moet. Ik snap Rebekka, dat die heidense vrouwen – met hun wulpse uiterlijk en wellicht hooghartige bezitterigheid – haar een doorn in het oog zijn. Het is wel even háár zoon waar zij mee samenleven! En hóe?! Zij heeft de pijn van het baren doorstaan, haar leven er voor over gehad om deze stevige tweeling te baren… en die twee denken er zomaar plezier mee te kunnen maken! Die heidinnen hebben geen belofte aan God gedaan… Rebekka en Izaäk wel. O! Dat maakt het leven wel even anders.
Maar hoe ik het ook begrijp… het is volgens mij toch vooral een zwak van sommige moeders dat ze met allerlei dingen dreigen als het leven de verkeerde kant op lijkt te gaan. Wat zijn dat voor woorden: "Waarom zou ik dan nog leven?" Heb je als moeder dan niet een té hoge dunk van je onmisbaarheid? Ezau is stevig volwassen… biologisch gezien heeft hij zijn moeder al lang niet meer nodig. Je kunt een kind met geld en dreigementen niet een kant uit dwingen. En ik zou haast zeggen… met liefde lukt het ook niet altijd. Soms leg je het af tegen satan, die je kind in zijn greep heeft. En is er niet de weg open om 'eruit te stappen', maar om 'het hoger op te zoeken': het gebed "Heere, behoud naar Uw belofte mijn kind! Mijn kind ligt geestelijk gezien op zijn sterven!" En bidt vooral dat je het bij de HEERE kunt laten… juist als Hij vertoeft, verbeidt Hem!


Ezau recht zijn rug

Ezau is, net als zijn oma Sara, iemand die eerst wil zien en dan pas geloven. Echter er is wel een groot verschil. Voor Ezau is geloven ongrijpbaar – in tegenstelling tot Sara – en geloven kan op geen enkele manier concurreren met zinnelijkheid en het uitleven van al je lusten. Hij heeft oma Sara nooit gekend, maar daarin had ze hem als een echte oma vast weleens apart genomen. "Jongen, ik zie dat de wereld zo trekt. Ik herken dat, toen we nog in Ur woonden. Ik wilde niet weg, maar de HEERE werd ons te sterkt en ik heb er nooit één dag spijt van gehad. Wil je horen hoe ik dat ervaren heb? Ik bid elke avond voor je, jongen."
In een eerder hoofdstuk schreef ik dat Ezau, toen het bedrog van Jacob en de gestolen zegening uitkwam, boos wegging. Hij vertrok naar oom Ismaël en nam daar zijn derde vrouw. Het blijft op mij overkomen als 'extra tarting van zijn ouders en Jacob'. Eigenlijk één grote schreeuw: "Bekijken jullie het allemaal… ik haat jullie… ik ga lekker mijn eigen weg!" Maar wie schetst mijn verbazing als de Kanttekeningen bij Genesis 28 : 9 schrijven: "Het schijnt dat Ezau dit gedaan heeft, menende zijn vader te behagen, met een vrouw te nemen uit zijn geslacht." Hmm… dan zou ik mijn beeld van Ezau toch nog moeten bijstellen. Zou hij dan toch…?
Tot slot komt Ezau jaren later zijn gehate broer weer tegen en de twee vallen elkaar om de hals en… huilen opnieuw (Genesis 33 : 4)! Jacob wilde met een enorm geschenk aan zijn broer zijn excuses aanbieden. Ik snapte nooit zo goed waarom Ezau dat weigerde. Hij was toch zo op bezit en macht uit? Hier kreeg hij het zo kado. Tot ik bedacht dat hij een kleinzoon van zijn opa is. Wat zei op Abraham ook alweer tegen de koning van Sodom, na die glorieuze veldslag in Genesis 14? "Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit; zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!" Zou het dan toch zo zijn dat Ezau zijn rug recht en juist van Jacob never een kado zou willen accepteren, opdat Jacob later niet zou kunnen zeggen: "Ja, maar ik heb Ezau toch ook wel een beetje rijk gemaakt." Ik hoop dat ik het mis heb, maar aan de houding van Ezau's nakomelingen jegens het volk van Israël is die nukkige en vaak zelfs vijandige houding telkens weer af te lezen. Ezau recht zijn rug, totdat de HEERE zijn trotse nek vertrapt, helaas. Laat dat een heftige les zijn.