Posts tonen met het label Heilig Avondmaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heilig Avondmaal. Alle posts tonen

zaterdag 18 maart 2017

Lijdenstijd 2017 - Mijn Vader

"Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen."
Genesis 22 : 7-8



Morgen is het voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Over deze diepingrijpende vragen van Izak aan zijn vader wil ik de komende week een aantal keren nadenken en lijnen naar de Heere Jezus Christus trekken. Immers, het is Zijn dood die we gedenken.

Ik beperk me deze komende keren tot een overdenking over een wat korter tekstfragment. Vandaag de vraag van Izak: "Mijn vader!" Het opstapje naar de uitleg van datgene waarover Izak piekert.

Izaks vraag

In de geschiedenis die we overdenken vormen deze woorden wellicht niet meer dan een opstapje tot een gesprek tussen Izak en zijn vader. Dit, echter, heeft Abraham voorvoeld en gevreesd. De vraag die Izak zal gaan stellen zo meteen betekent dat hij erover heeft nagedacht: wat gaan zij offeren? Izak begint zijn vraag met "Mijn vader…" Tegenwoordig zeggen kinderen: "Pappa…" Als ze dat al zeggen; en ze wachten nauwelijks tot hun vader zegt: "Ja, vertel het eens…"
Wat er ook gaat gebeuren, Izak ziet de man achter hem – althans zo stel ik het me voor; hoewel het plaatje laat zien dat Abraham voorop loopt – als zijn vader. De vader die Hagar en Ismaël, zijn halfbroer, had weggestuurd. De man die niet altijd even eerlijk is geweest. Maar toch de man van dat grote verhaal van Gods ingrijpen: geroepen uit Ur! In de jaren die achter hem liggen heeft Izak zijn vader leren kennen als een vriend van God. Abraham was een identificatiefiguur voor hem. Dat zal ook blijken als hij later op Rebekka zit te wachten en als hij haar introduceert in de clan van zijn vader.

Jezus' vraag

"Mijn Vader…" Het is een bewijs van intimiteit van het zuiverste soort. Ik hoor het Jezus roepen in Gethsemané. Ja, daar heel aangrijpend. Maar ik hoor het Hem eerder in Zijn leven ook vaak zeggen, vaak het bezittelijk voornaamwoord 'Mijn' weglatend. Niet minder opgetogen: "Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U!" De sprankelende trots over de wijsheid van Zijn Vader spat van Jezus' gezicht. Als er iemand trots op Zijn Vader was, dan wel Hij! En terecht!
Maar die aangrijpende vraag in Gethsemané… "Mijn Vader, indien het mogelijk is…" Ik hoor het Abraham diepweg denken; maar ik hoor het Izak niet zeggen. Het is ook wereld van verschil met wat Jezus' te wachten stond. "Mijn Vader…" Totdat hij moet uitroepen: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten?!" Het zal de enige keer zijn dat Hij Zijn Vader zó zal aanspreken. Laten we zo Zijn lijden en dood op waarde schatten, bij brood en beker.

Mijn belijdenis

Dat brengt mij kort bij mijn en jouw positie tegenover diezelfde Vader van Jezus. Hoe is dit relatie met Hem? Bestaat die überhaupt? En is die relatie nog fris, kraakvers en smetteloos? Of gaan we deze voorbereidingsweek in met barsten en scheuren in die relatie? Komt de Vadernaam maar moeizaam over de lippen, ja, is die weggezakt? Belijdenis is evengoed ook schuldbelijdenis. Zorg dat het er weer van kan komen, dat je kunt zeggen: "Mijn Vader…" En met evenveel verve als Jezus. Dat is onze hemelse Vader wel waard dacht ik zo. "Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiedde (dat bad Jezus ook, weet je nog?), net zo op aarde als dat het er aan toegaat in de hemel."

woensdag 12 oktober 2016

Het graf van Jozef als teken en zegel

"En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!"
Genesis 50 : 25
Piramide van Djozer, waarbij sommigen het graf van Jozef vermoeden; let op het is slechts 'vermoeden'

Je kinderen wat laten beloven op je sterfbed… het heeft iets dieps en moois en tegelijk kan het ook iets beklemmends hebben. Ik herinner mij een verhaal – tijdens een familieonderzoek – van een stervende moeder die haar enigste dochter liet beloven dat ze niet zou trouwen zoland haar vader nog leefde. Wat een bizarre belofte werd dit meisje afgedwongen! En… ze heeft die belofte gehouden, want kort na het overlijden van haar vader trouwde ze. Dieper gaat het nog toen ik hoorde dat haar man al veel langer van haar hield maar vanwege die belofte haar niet ten huwelijk heeft gevraagd. Tegen een buurman vertelde hij later: "Ik heb ze wel al die tijd in mijn hart gedragen". Het is het verhaal van de oudste broer van Zwart Jannetje uit Veenendaal, Hendrik Hootsen, die trouwde met de buurvrouw van mijn opa, Leentje de Heer in Brandwijk.

Hoeveel familiegeheimen zijn bij een sterfbed bezegeld in zwijgen? Daarentegen ook: hoeveel familiegeheimen en -tragedies zijn openbaar gekomen op een sterfbed. Tv-programma's als Spoorloos zijn er meer dan eens mee gevuld. Maar laten we toch terugkeren bij een positieve belofte op een sterfbed: die van Jozef's familie aan de stervende Jozef, om zijn doodskist bij de exodus mee te nemen naar Kanaän.

Zweren voor een begraafplaats

Laten we nog even teruggaan naar het sterfbed van vader Jacob. Hij liet specifiek Jozef zweren dat hij zou worden begraven in het familiegraf in Kanaän. Lees maar hoe dat ging in Genesis 47:29-31: "Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord! En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed."
Er moest duidelijk gezworen worden; Jacob nam met een mondelinge toezegging geen genoegen. De HEERE werd erbij gehaald en voor Diens aangezicht werd deze belofte gedaan, onder aanroeping van de Verbondsnaam. Bij die plechtigheid wees Jacob hoogstwaarschijnlijk Jozef aan als zijn 'executeur testamentair'.

Executeur testamentair

Blijkbaar had Jacob het meest vertrouwen in zijn lieveling Jozef, hoewel hij niet het kind van de belofte was, die de lijn naar de Messias zou voortzetten. Beging hij misschien ook dezelfde fout als zijn vader Izaäk? En Jozef? Wie nam hij in vertrouwen om zijn testament te gaan uitvoeren, wanneer hij overleden was? Het lijkt erop dat hij al zijn halfbroers en zijn broer Benjamin laat zweren, al denk ik dat velen van hen al zijn overleden. Dus dan zijn het de stamhouders van die elf families. Maar het is ook een belofte die op de schouders van volgende generaties wordt gelegd. Immers, Jozef wist niet precies wanneer de exodus zou zijn. Als hij Gods beloften even duidelijk had doorgekregen via overgrootvader Abraham, opa Izaäk en vader Jacob, dan dat wij ze hebben gekregen in de Bijbel, dan wist hij dat het echt nog wel een paar eeuwen zou duren voordat de exodus zou komen. Jozef wilde daarom dat al de dán levende nazaten precies wisten wat ze moesten doen. En als er tumult zou uitbreken bij deze exodus, dan nog moesten ze niet vergeten de sarcofaag met zijn gebalsemde lichaam mee te nemen naar het Beloofde Land. Om daarvan zeker te zijn, instrueerde hij al zijn broeder-families en liet hen een eed zweren, zodat ze die zware belofte ook zouden doorgeven aan hun nazaten. Tradities doorgeven, daar waren de aartsvaders – en de Joden tot op de huidige dag – meesters in; dat zijn wij wel een beetje kwijt geraakt!

Enkel traditie?

Hoe zit dat nu precies met die belofte die Jozef zijn broers laat doen? De meeste farao's werden begraven in het Dal der Koningen of op nog enkele andere plekken. De piramiden zijn er tot op de huidige dag getuige van. Gek genoeg werden zij wel met pracht en praal begraven, maar werd al die pracht en praal weggestopt in een kale, stenen prisma. Werd er voor Jozef ook zo'n piramide gebouwd? Of wellicht een statig bij-graf bij de piramide van de heersende farao? Goed mogelijk. Er schijnt een graf gevonden te zijn dat verder in tact was, maar waaruit de sarcofaag was verdwenen. Ergens in die ruimte werd een stuk van een stenen beeldje gevonden dat van een grootvizier van buitenlandse komaf moet zijn geweest. Hoe dát precies zat is misschien wel interessant, maar niet voor deze Bijbelstudie.
Waar het mij om gaat is met welk doel Jozef zó begraven wilde worden en wat de betekenis was van die eed over het meenemen van zijn gebeente naar Kanaän. Immers, het is zo dat Jozef van zijn vader een eigen begraafplaats had gekregen bij Sichem; waarom liet hij zich dáár niet begraven, net zoals zijn vader Jacob wel liet doen bij Machpéla? Waarom laat hij specifiek vastleggen dat hij wel in Egypte opgebaard wil worden, maar enkel in afwachting van de beloofde exodus? In de Kanttekeningen staat het volgende:
"Dit beveelt hij, niet uit superstitie, maar uit een vast geloof, waardoor hij voor zeker hield, dat zijn geslacht het land Kanaän bezitten zou, en dat hetzelve hun allen was tot een voorbeeld en onderpand van het hemelse Kanaän; begerende uit zulke oorzaak, dat zijn beenderen daar eindelijk zouden heengevoerd worden."
Verwezen wordt naar Hebreeën 11 : 22, waar we lezen: "Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der kinderen Israëls, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente." De Kanttekeningen leggen uit bij 'heeft Jozef gemeld', dat dat niet een terloopse opmerking was, maar dat hij heeft "betuigd dat God Zijn belofte zou volbrengen, van de verlossing der kinderen Israëls uit Egypte." Jozefs begrafenis in Egypte was een belijdenis van zijn geloof over de toekomst. Daar was hij vast van overtuigd en die overtuiging hield hij niet voor zichzelf; lees nogmaals de Kanttekeningen over dat bevel over zijn gebeente: "Dat is, van het medenemen van zijn gebeente naar het land Kanaän, niet uit enige bijgelovigheid of om zijn gebeente daar te laten aanbidden, hetwelk nooit geschied is, maar om de gemeenschap die hij met zijne broederen aan de belofte van God had, en zijn hoop van de vervulling daarvan, ook na zijn dood, hierdoor te betuigen, en hunne nakomelingen daarin te versterken." Drie dingen dus. Hij wilde dat het gebalsemde lichaam mee ging naar Kanaän uit het verlangen om in gemeenschap met zijn broederen te zijn (en dat is een bijzonder wonder, als we bedenken dat die broers hem tot een heel ander besluit hadden kunnen doen komen door hun gedrag). Ten tweede dus die geloofsbelijdenis over de toekomst en ten derde als een versterking voor de verre nazaten van zowel Jozef als zijn broers; zij hadden wel een mondelinge toezegging, maar wanneer ze bij Jozefs graf stonden en de sarcofaag wellicht betastten met hun handen, dan was die stenen kist een onderpand van de belofte die nog op vervulling wachtte.

Met enige theologische vrijheid zou je het haast een sacrament kunnen noemen: een versterking van het zwakke en aangevochten geloof. Houd moet, want de HEERE is een Waarmaker van Zijn beloften. Jozef bleef nog in Egypte, en was een teken dat het hele volk eens in Kanaän zou komen. Onze Heere Jezus Christus is reeds in de Hemel, als een onderpand dat al de Zijnen veilig zullen aankomen in de Stad met paarl'en poorten. Het is een geweldig rijke gedachte, die Jozef hier zijn broers laten beloven. Maar eveneens werd ik zeer getroffen door die hunker om de onderlinge gemeenschap met zijn broers te zoeken; zelfs na zijn dood. Hier worden de contouren zichtbaar van de meerdere Jozef die niets liever deed dan zondaars, ja vijanden, met God Zijn Vader wilder verzoenen. Al kostte het zelfs Zijn heilige en reine leven! Waar kun je dat beter en dieper beseffen dan bij het kruis van Golgotha… waar kun je dat beter en dieper aanbidden en aanbidden dan aan Zijn tafel? Hij is het Onderpand bij uitstek! En dat Beloofde Land? Dat zal er zéker van komen! Daar staat hij 24/7 voor in. Jozef deed niets meer na zijn sterven. Zijn lichaam was een passief getuigenis. Maar Christus is fulltime actief met het bereiden van plaats in het Vaderhuis.

  1. Wat vind je van de vergevingsgezindheid van Jozef? Heeft dat ons iets te zeggen?
  2. Stel je eens voor dat jij een achterkleinkind van Jozef of Benjamin was; zou het jou dan troosten zo'n belofte op je schouders te hebben liggen, zoals de broers van Jozef hebben gedaan? Kun je je enigszins voorstellen hoe dat was? Of zijn wij dat helemaal verleerd: leven met een belofte?
  3. Naast het Heilig Avondmaal is ook de Heilige Doop een sacrament vol van beloften. Hoe ga jij daarmee om?

maandag 23 november 2015

Wat moet jij van Jezus halen?

Censura Morum: "Ga heen, roep uw man, en kom hier (weer terug)", geschilderd door Giovanni Lanfranco (1582-1647)

"Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier."
Johannes 4 : 16

Een week van voorbereiding. Hoe beleef je dat? Zelfonderzoek, hoe pak je dat aan? Dit vooropgesteld: we worden opgeroepen tot het onderzoeken van onszelf, maar juist dán merk je hoe listig je hart is. Je geweten is vaak een goede richtingaanwijzer. Maar meer dan eens moet de Heilige Geest krachtiger druk op je uitoefenen, voordat je écht in de spiegel wil kijken. Het gaat sinds Genesis 3 niet echt meer vanzelf: eerlijk naar jezelf kijken. Het zit er sinds datzelfde Genesis 3 ook niet zo gemakkelijk meer in om eerlijk tegen God aan te kijken. Lijk jij ook op die Samaritaanse vrouw?

Levend Water

Alweer zo'n merkwaardig antwoord van de Heiland. De vrouw is verbouwereerd over het feit dat Jezus blijkbaar al water heeft en dat haar wil aanbieden. Maar direct flapt ze eruit: "Geef mij dat water dan maar…" In haar beleving proeft ze dat bijzondere water al met haar tong…
Totdat haar kaken op elkaar klappen, als Jezus Zich niet voorover bukt – om de een of andere kruik water te pakken die Hij achter Zich had verstopt – maar haar juist recht in de ogen kijkt en messcherp zegt: "Haal je man!" In plaats van dat Hij de vrouw dichterbij laat komen, stuurt Hij haar weg en sluit Hij Zijn bevel af met een tweede bevel: "Kom weer terug!" Daar kom ik in het tweede gedeelte op terug.
Het Levende Water dat Hij haar aanbiedt is juist een pijnplek in haar 'Morum', haar zedelijke leven. Levend Water, het ziet op de Heilige Geest en Zijn werk. Maar ook op de heiligmaking, die onlosmakelijk verbonden is met de rechtvaardigmaking. Levend Water is de enige manier van geestelijk leven na Genesis 3! Drinken van dat water kan pas na de doodsteek aan de zonde. Vandaar dat Jezus de vrouw wegstuurt om die doodsteek te gaan laten toebrengen. Ga heen, onderzoek uzelf…
Maar direct komt ze erachter dat ze dat niet zal redden in haar eentje… Zie je dat Gods Geest onmisbaar is en dat rechtvaardigmaking en heiligmaking onlosmakelijk verbonden zijn aan elkaar?
Haar dorst, veroorzaakt door de zonde, moet eerlijk openbaar komen voor God. Pas dán kan Hij die dorst lessen. En reken erop dat Hij lessen kan!
Wat zal de vrouw doen? Rechtovereind blijven staan? Of woedend uitvaren tegen Jezus: "Begint U nu ook al? Ze wijzen me in Sichar allemaal al na. Ik wordt gek van iedereen!"? Stampvoetend of juist met kaken op elkaar doorgaan met water putten?
We zullen het in een komende Bijbelstudie zien. Voor nu is belangrijk hoe Jezus aanzet tot zelfonderzoek; en leg er je eigen zelfonderzoek eens naast.


Censura Morum

Op refoweb kun je lezen dat de term 'Censura Morum' letterlijk 'onderzoek naar de zeden' betekent. Met verbazing heb ik daar gelezen – het is blijkbaar een blinde vlek op mijn hervormde netvlies – dat vanuit de Dordtse Kerkorde dit slechts een zaak van ambtsdragers onderling was. In veel 'afgescheiden' kerken fungeert dit zo en wordt het ook niet afgekondigd vanaf de kansel. Maar, zo las ik, "er zijn kerken, vooral in hervormde gemeenten, waar Censura Morum breder is en gemeenteleden ook bezwaren in kunnen dienen tegen leer en leven van andere gemeenteleden." Volgens mij is dat juist uiterst belangrijk om het sacrament van het Avondmaal ook heilig te houden. De praktijk is overigens wel, dat daar zelden iemand komt, wanneer enkele of alle ambtsdragers op de afgesproken tijd van Censura Morum zitten te wachten. En áls er al iemand komt, dan zal hem of haar steevast worden gevraagd of er al een gesprek is geweest met degene tegen wie men belastende getuigenis wil afleggen. Toch acht ik de hervormde wijze wel de meest gezonde. Zo houdt je openheid en transparantie in de gemeente. Al is een gesprek met je wijkouderling of wijkpredikant eveneens een goed moment om zorgen op het gebied van de 'Morum' te delen.

Maar, hoe het ook plaatsvindt in jouw gemeente, het zelfonderzoek waar het in de voorbereiding op aankomt, is ten diepste een 'Censura Morum' van jezelf. Hoe staat het met de relatie tussen mij en God? Strijd ik tegen de zonde en is voor mij elke struikeling in de zonde van harte leed? En geloof ik Gods beloften zonder reserve? En hoe staat het met de relatie tussen mij en mijn naaste?

Nog één ding, waarop ik zou terugkomen. Jezus' bevel klinkt: "Ga heen … en kom hier!" Zijn dat geen prachtige woorden van oordeel en genade? Klinken in die laatste drie woorden niet Zijn innerlijke bewegingen van barmhartigheid? Hoor je de trilling in Zijn stem ook? De hunker dat je de zonde ontdekt in je leven en afzweert, maar dan ook zult terugkeren (bekeren)? "Ik heb grotelijks begeerd dit Avondmaal ook met jou te vieren!" Ga heen, want het moet; zo kan het niet doorgaan… Maar kom terug, want je hebt het nodig, Mijn kind. Breek met de zonde, beken, belijd en laat. Ook die zonde van verachtering in de genade, van lauwheid en oppervlakkigheid. Wees ervan overtuigd dat je het niet zelf kunt; heb Me nodig in jouw strijd tegen de zonde. Want Ik maak jouw strijd tot de Mijne. Kom, laten we eten. Een voorproef van Mijn Bruiloftsmaal, wanneer Ik je nooit meer hoef weg te sturen! Ga… en kom!

zondag 22 november 2015

Geef mij van dat Water!

'Seeking Shiloah', door de mormoonse fijnschilder Joseph Brickley; met een beetje fantasie zie je er de Samaritaanse vrouw bij de Jacobsbron in, terwijl ze tegen Jezus zegt: "Geef mij dat water, opdat ik niet dorste…"

"De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water,
opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.
"
Johannes 4 : 15

Er zijn mensen die zich bij een godsdienst aansluiten omdat daar voordelen aan zitten. Er zijn ook mensen die traditioneel godsdienstig zijn, omdat vader, opa en overgrootvader dat ook waren. Die eerste groep heeft er in zeker zin over nagedacht, als schiet het tekort; die tweede groep heeft er meestal niet of nauwelijks over nagedacht. Gelukkig is er ook nog een derde groep, die heel bewust leeft van genade! De Samaritaanse vrouw zou je kunnen scharen onder die tweede groep, maar vandaag staat ze op het punt om vanwege het profijt, iets voordeligs, haar godsdienstige leven te gaan aanpassen. Haar dorst is er de oorzaak van.

Onmisbare begeerte

Ik vind die vraag van de vrouw zo geweldig mooi. Zo puur, haast kinderlijk. Zonder lang na te denken roept ze uit: "Oh, dat is handig! Geef mij ook van dat water, want dan hoef ik niet helemaal hierheen te komen, als ik dorst heb." Dat had een dubbel praktisch voordeel. Ze hoefde dan niet dat hele stuk naar de Jacobsput te lopen. Maar we zagen al eerder dat ze niet zonder reden op dit hete tijdstip naar deze put komt. Als ze dat Levende Water kan krijgen, dan hoeft ze nooit meer het risico te lopen door mensen te worden nagekeken. Dan is ze voorgoed af van die afkeurende blikken en dat geroddel achter haar rug om.
Haast naïef waren de woorden over haar lippen gekomen. En toch wil ik even stilstaan bij de puurheid van haar vraag. Ik zou willen dat veel belijdende leden in de kerk, die worstelen met de toeëigening van het heil, ook zo kinderlijk eenvoudig zouden denken en reageren. Als Jezus naar Zijn tafel roept, heel persoonlijk nodigt, dan blijven ze zitten; gaan piekeren, plussen en minnen. Het wordt een hele optelsom van misschien wel allemaal geestelijk gezien negatieve bedragen. En onder de streep eindigt de optelsom diep in het rood. Ze blijven zitten.
Ooit stuurden mijn vrouw en ik bovenstaande afbeelding als kaart naar iemand die ook aldoor aanvechting ervaarde en daarom vaak afbleef. De puurheid die de kunstschilder Joseph Brickley in het gezicht heeft proberen te leggen trof ons. Wat zou je willen dat al die ja-maars eens aan de kant werden gelegd en er écht geluisterd werd; dat de schellen van de ogen afvallen en dat ze komen…
De kaart hielp niet direct, maar toch… inmiddels mag deze zuster aangaan en we hopen en bidden dat er balans en vrede in haar geestelijk leven is rondom de vieringen van het Avondmaal. Want ook achteraf kan satan je toch nog aan het rekenen zetten: Jij aan die tafel? Wat deed je er? Had jij rechten? Jij?
Zwijg, satan, je hebt niets te vertellen. Jezus roept; Hij mag het zeggen in het leven van zulke worstelaars. Alle ruimte voor Jezus' trekkende liefde. Luister maar naar Zijn heerlijke stem!

Onnozele begeerte

De vrouw echter – daarmee wil ik het voorgaande allerminst onderuit halen – dacht wel heel 1-dimensionaal. Kinderen kunnen dingen soms heel letterlijk opvatten. Ik was 6 en zat in klas 1; na de kerstfeestviering op de lagere school kregen we van de hoofdonderwijzer een pluim, omdat we zo goed ons best hadden gedaan. Toen ik na afloop nog bleef dralen, vroeg mijn zus: "Waar wacht je op?" "Nou, ik zou nog een pluim krijgen," antwoordde ik. Ik had direct een plaatje in mijn hoofd van een pluim lekker pluizig en zacht – die ik ergens op mijn slaapkamer kon zetten of leggen. Een rode zou ik kiezen. Ik was hevig teleurgesteld dat de pluim slechts figuurlijk bedoeld was en een complimentje betekende.
De vrouw in deze geschiedenis dacht ook zo. Ze hoort over water waar je geen dorst meer van krijgt en ze ziet direct voor zich hoeveel voordelen dat haar dat zou geven. Haar naïeve, onnozele begeerte doet ons misschien gniffelen, maar de Heiland gaat het aanstonds bloedserieus opnemen. Want in één klap zal de vrouw straks begrijpen wat haar dorst is en waar Jezus op doelde met 'geen dorst meer'. Al is zij daarna nog best lang bezig met vragen stellen.

Nu kun je denken: ja, maar als de nodiging tot de tafel klinkt, dan kan ik niet zo naïef doen als die vrouw en direct gaan. Dan moet ik toch eerst goed nadenken, overwegen, onderzoeken, plussen en minnen. Ik moet niet zomaar gaan, want dan heb ik naast een gestolen Jezus (als Die al zou bestaan bestaan) ook nog gestolen verbondstekenen. Dan eet en drink ik mij een oordeel. 
Helaas! Juist daar maken velen de denkfout. De vrouw praatte aldoor langs Jezus heen; dát was haar fout. Ze zocht een betekenis in Jezus' woorden die er helemaal niet in lag. En op diezelfde manier – door diezelfde denkfout – blijven heel veel worstelaars ook af. Want ze denken dat ze met zelfonderzoek eerst op een positief sommetje moeten uitkomen. Maar troost je, bespaar je de moeite: dat sommetje zal nooit positief uitvallen. Als jouw rekensommetje positief onder de streep eindigt, moet je nog maar eens goed nadenken of je wel aan de Tafel hoort. 
Juist als je diep in het rood uitkomt, moet je de houding van Esther overnemen: Kom ik om, dan kom ik om, maar ik zál tot de Koning gaan! Bij Hem moet ik zijn, want buiten Hem is geen leven, maar een eeuwig zielsbe- en zielsverderf. 
Als Hij roept, moet je niet vragen: mag ik wel? Maar: wat is er waarom het niet zou kunnen? Wat staat Zijn uitnodiging in de weg? En als er steekhoudende zaken zijn die jou de toegang tot de Tafel zouden ontnemen, zou je er dan geen haast mee maken om die uit de weg te ruimen? Of om er juist mee naar Hem te gaan! Je blijft toch zeker niet zitten?
Laat die naïeve Samaritaanse je dan maar tot voorbeeld zijn. We zullen morgen verder zien hoe Jezus haar onderwijst; en dan komt Hij heus wel uit, waar Hij haar hebben wil!

vrijdag 6 maart 2015

Voorbereiding HA - Aan tafel bij de Zoon en de Eigenaar

"…met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees, hetwelk hij aan het volk gaf; en zij aten.…"
1 Koningen 19 : 21b
 
"Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over."
Ruth 2 : 14
 
 
Boaz nodigt Ruth bij hem aan tafel
 
Omdat de tijd van de maaltijd des HEEREN zo kort is – slechts een moment – wil ik er graag al van te voren aandacht aan besteden en met je over nadenken. Die begeerte werd gestimuleerd doordat er iets opblonk in die tekst uit de geschiedenis van Elisa's roeping. Hij slachtte niet alleen zijn koeien en verbrandde zijn gereedschap tot een offer, maar hij liet er zijn volk in delen. Met name het woord 'volk' en 'gaf' legde voor mij een diepe link naar de bediening van het Heilig Avondmaal. En ik moest terugdenken aan een preek van ds. N.P.J. Kleiberg – bij de bediening van het Heilig Avondmaal in onze gemeente – over de geschiedenis van Ruth op de akker van Boaz. Graag wil ik die lijnen met je delen.

De gastheer is de zoon van de eigenaar

Met ferme slagen hakte Elisa de ploeg aan stukken. Met oosterse handigheid legt hij een vuur aan en nadat de vlammetjes het door vonken aangestoken hooi oplikken, voedt hij ze met het hout van de ploeg. Eerst de splinters, dan de wat grotere stukken en vervolgens de grove bonken hout. Boven het knapperend vuur hangt hij de stukken vlees te braden. Zorgvuldig schroeit hij het vlees dicht. Een heerlijke geur mengt zich met de geur van vers geploegde aarde, dampende koeienlijven en de werkkleding van de arbeiders. Allen zoeken een plekje. Dit is meer dan een gewone maaltijd. Het volk – dat even te voren nog op het land bezig was, samen met Safan en Elisa – voelt de lading van het moment. Gespannen kijken ze naar Elisa. Ook vader Safan probeert de essentie van het moment te peilen, terwijl zijn blik van zijn zoon Elisa naar de profeet Elia gaat, en vice versa.
Als het vlees gaar is en de dienstmeiden de manden brood hebben gebracht, wordt het stil. Elisa dankt de hemel, de HEERE, de God van het verbond. Na het gebed weet ieder van het volk hoe de vork aan de steel zit. Zowel voor wat betreft de nieuwe toekomst van Elisa en de toekomst van de boerderij, als ook Elisa's geestelijk innerlijk. Met zorg snijdt Elisa het vlees en deelt het, samen met het brood, aan het volk uit… Diep onder de indruk nemen zij het toebedeelde deel aan en … eten.
Gastheer is Elisa, de zoon van de eigenaar van de boerderij, Safan. Het trof me dat Elisa zelf de dieren slachtte, de ploeg tot brandhout sloeg, het vlees 'zood' (braadde) en het uitdeelde. Niet vader Safan, maar zijn zoon Elisa!

De gastheer is de eigenaar zelf

Na een intiem gesprek tijdens het werk dirigeert Boaz de jonge weduwe Ruth – die met Naomi uit Moab is gekomen en nu in Bethlehem woont – naar de etenstafel op het land. Misschien wat in de schaduw van een paar bomen, zitten de maaiers dromerig voor zich uit te staren, al kauwend op hun brood en geroosterd graan. Hier en daar worden wat woorden gewisseld. Maar er worden vooral blikken gewisseld en nieuwsgierig wordt Ruth bekeken. Ze is geen werkster, geen maaister, geen bindster… en tóch hier aan tafel. Ze hoort niet bij het personeel van de gastheer en eigenaar, Boaz. Wat een gunst: ze krijgt een plek naast de gastheer. 
En kijk, hij 'langt' haar het geroosterde koren zelf! 'Langen': 'tsabat'… reiken of toesteken. Boaz wijst op de zure vinegar-saus, waarin hij en de anderen hun brood dopen. Hij geeft haar persoonlijk het speciaal voor haar geroosterde koren, terwijl hij zich naar haar overbuigt. Dat betekent, dat hij haar helemaal tegemoet komt; ze hoeft er zelf helemaal niets voor te doen. Wat een gunst… het wordt haar gewoon gegeven, om niet! 
De gastheer is de eigenaar zelf, maar hij schaamt zich niet om met het gewone volk de maaltijd te gebruiken en zo gemeenschap met hen te hebben. Vriendelijk kijkt Boaz de kring rond; en meer dan eens blijft zijn blik hangen op het ootmoetig gebogen hoofd van Ruth, de Moabitische. Deze heidense vrouw gevoelt de diepe eer en haar eigen onwaardigheid. Opeens kruisen hun blikken elkaar… even maar. Maar voordat Ruth haar ogen weer neerslaat heeft Boaz de diepe dankbaarheid kunnen peilen, die hem raakt en met vreugde vervult.

De gastheer is zowel de Eigenaar als Zijn Zoon

Zondag staat er ook een maaltijd aangericht. Zondag is er ook brood en is er wijn. Zondag is er ook een gastheer. Niet de vriend van de Bruidegom, de predikant, maar de Bruidegom Zelf. Hij en de Vader zijn Eén. En de Heilige Geest roept de Zijnen op: "Komt, want alle dingen zijn gereed".
Ik bij de Zoon van de Eigenaar aan tafel? Ik…? Met welk recht? Geen enkel. Maar dat was ook niet wat er in de uitnodiging stond, afgelopen zondag!
"De Meester is daar en Hij roept u." Het waren de woorden van Martha tegen Maria (Joh. 11:28). Wonderlijk dat juist aan de Avondmaalstafel woorden van een vrouw worden geciteerd! Rake woorden! Ware woorden. Hij roept U! Om Hem moet het gaan. "Sta op en eet, want de weg zou voor u teveel zijn", had Hij tegen Elia gezegd. En Hij zegt het ook tot jou en mij, wanneer je Hem volgt in je leven.
De Meester nodigt je; maar Zijn Vader niet minder! Wat een diepe woorden klinken er aan deze tafel: "Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten…" Als jij daar mag zitten, misschien wel net als Ruth, met deemoedig of ootmoedig gebogen hoofd vanwege het gevoel van onwaardigheid, bedenk dan dat de Gastheer Zich grotelijks verheugt over de aanzittenden; ook over jou. Dat je met jouw gang naar de tafel hebt beleden:
…wij komen niet tot het Avondmaal om daarmee te betuigen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn. Integendeel, omdat wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, belijden wij daarmee dat wij midden in de dood liggen.
Zulke offers zijn de HEERE welgevallig; Psalm 51 (waarover we gisteren nadachten) eindigt zo treffend: "Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dán zullen zij varren (wél) offeren op Uw altaar!"
Met tere zorg heeft Hij de tafel toebereid, de tekenen zo geschikt, dat ze tot stichting, tot verzekering en tot geestelijke voeding zullen dienen. Hij breekt het brood en 'langt' het ons… en wij eten. Hij deelt de beker der dankzegging rond… en wij drinken. Net als bij Elisa. En zij aten (en dronken) – net als bij Boaz – en werden verzadigd en… hielden over… Wat zou dat laatste jou te zeggen hebben?

donderdag 5 maart 2015

Voorbereiding HA – Plaats aan tafel voor gekneusden

"Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees…"
1 Koningen 19 : 21a


"De offeranden Gods zijn een gebroken geest;
een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten."
Psalm 51 : 19

Een gebroken geest en een schuldverslagen hart moeten de motivering zijn van offers
 
Op de mannenvereniging in onze gemeente stelde iemand onlangs de vraag hoe de oud-testamentische Israëliet naar zijn offer keek? Hoe zat het met het geloof en wat was de preciese functie van dat offer. Stel jij bent een Jood in het Oude Testament, hoe kijk je dan naar je offer? Welk beeld heb jij erbij en is op dat moment je zonde dan vergeven, als je een schuldoffer brengt, precies zoals de HEERE het je geboden heeft? Ik wil er niet te theologisch op ingaan, maar het is weleens goed om je zulke vragen te stellen.
Waar het mij vandaag om gaat is dat ik Elisa een offer zie brengen waarbij dieren worden gedood en in Psalm 51 zie ik iemand komen – David – die beweert dat God helemaal geen lust heeft in offeranden van beesten. Hoe zit dat?


Welk offer de HEERE niet wil

In de aanloop naar het Avondmaal wil ik je aan het denken te zetten en ons allebei tot zelfonderzoek aan te sporen.
Op diverse plaatsen roepen de profeten het volk toe dat ze moeten stoppen met de offers. Het komt de HEERE de neus uit! Hij walgt ervan. Dat had deze oorzaak: het volk diende de HEERE wel, theoretisch, maar hun hart hield zich ver van Hem. Ze deden het voor de vorm, maar innerlijk waren ze verslingerd aan de afgoden of hun eigen luxe leventje met prachtige huizen en rijke tafels. Je voelt wel aan dat zulke offers Gods bedoeling niet zijn. Hij wil dat we Hem van ganser harte dienen.
Maar is dat in Psalm 51 ook aan de orde? David belijdt toch zijn schuld van harte en daar hoort toch een offer bij, zoals de HEERE dat had geboden? Het offer was de mogelijkheid die God al in Genesis 3 schiep om Hem ondanks de zonde onder ogen te komen! Natuurlijk verwezen de offers naar de Messias. Maar Die moest nog komen. Op dit moment had de oud-testamentische offeraar daar toch niets aan? Of wel? Ja, achteraf kun je zeggen dat de komst van de Heere Jezus de bekrachtiging was van wat in de offers werd gesymboliseerd; waar ze heen wezen.
Toch was er voordien troost in de offers die werden gebracht. De oud-testamentische offeraar moest hetzelfde doen als wij tijdens de voorbereidingsweek (speerpunt 2 uit het formulier: "

Ten tweede onderzoeke een ieder zijn hart, of hij de vaste en zekere belofte van God gelooft dat hem al zijn zonden alleen vanwege het lijden en sterven van Jezus Christus (lees hier voor de oud-testamentische offeraar 'vanwege de dood van het offerlam nú en in de toekomst van de Messias') vergeven zijn, en dat de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigendom is toegerekend en geschonken. En dit zo volkomen alsof hijzelf, in eigen persoon, voor al zijn zonden heeft betaald en alle gerechtigheid volbracht (opnieuw moest die offeraar datzelfde zeggen over zijn offerdier! Alsof hijzelf daar werd geslacht/gedood voor de zonde).
David zingt "Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen, want Gij hebt geen lust tot offerande…" Offers zijn dus geen doel op zich. De HEERE geeft duidelijk aan hoe Hij ze hebben wil, hoe ze moeten worden gebracht, maar ze zijn geen eindstation; maar juist een doorgangspoort. De lof aan de HEERE staat bovenaan. Door de zonde komt die in het gedrang.
De Kanttekeningen zeggen over het 'geen lust hebben tot offerande': "Daarmee wordt bedoeld 'offers zonder meegaande boetvaardigheid'." Ook in de Psalm 50 werd daar al meerdere malen op gewezen. De HEERE zoekt naar iets anders, een soort offer achter het offer. De gezindheid erachter. Dat gold voor de oud-testamentische offeraar, maar ook voor jou en mij in deze week!

Welk offer de HEERE wel wil


"De offerande Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart…". Dat is het offer dat de HEERE graag ontvangt. Het woord 'gebroken' betekent eigenlijk 'gekniekt' of 'gekneusd'. Het gewicht van de zondeschuld verbreekt alle vorm van eigengerechtigheid en hoogmoed. God nodigt gekneusden tot Zijn tafel. Daar kan Hij wat aan kwijt. Is er in jouw leven al iets gekneusd, waardoor je de zonde als een last ervaart en waardoor je wordt uitgedreven, voortgedreven naar Christus? Hem moet ik hebben!
Dat offer behaagt de HEERE. Daar trekt Hij, met eerbied gezegd (maar dat staat er eigenlijk in onze tekst) Zijn neus niet voor op. Integendeel! Dus in zekere zin moet je komen met lege handen. Tegelijk moet je komen met dit offer dat de HEERE heerlijk vindt, dat Hem laat zien dat je ook daadwerkelijk hebt begrepen dat er een offer moest worden gebracht voor jouw persoonlijke zonden: een gebroken en verslagen hart.
In de week van voorbereiding de balans opmakend: welk gevoel blijft je dan bij? Wat staat er onder de streep van die balans? Durf je zo bij de HEERE te komen? Als je Psalm 51 goed leest, zie je David met een enorme schuld lopen. Nathan had hem er scherp op gewezen. En let dan eens op wat David doet: hij wendt zich in één rechte beweging tot de HEERE. Als het ware springt hij van zijn troon af, schuift Nathan aan de kant en stormt de troonzaal uit richting de tabernakel. Daar valt hij neer, belijdt zijn zonden. Hij keert terug en neemt het beste uit zijn stal en gaat met dat offer naar de tabernakel terug. Hij had offervee genoemd. Maar de gave van dit offerlam gaat met iets gepaard: er zit een gekneusd hard achter. Snikkend staat David bij het altaar en tegelijk rolt het gebed van zijn lippen:

  9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
10 Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen,
     die Gij verbrijzeld hebt.
11 Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
12 Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij
     een vasten geest
.
13 Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
14 Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
15 Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
16 Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils!
     zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
17 Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.

Hoor je dat dit een heel ander gebed is dan wij in onze refokringen misschien zouden hebben gebeden? Dit is het gebed van een zondaar die zijn zonden belijdt, met smart in zijn hart, maar die tegelijkertijd zich vastklampt aan de HEERE met het gebed dat er weer vreugde tot God in zijn hart en leven mag zijn. Kan dat zomaar, dan? Ten diepste is Psalm 51 een vrolijke boetepsalm. En vlak niet uit wat David op zijn geweten heeft: dood, overspel, en een ongeboren baby, die na de geboorte snel zal sterven! En toch staat dit in de Bijbel. Ga er maar mee naar de HEERE. Want Hij is vandaag, voor de nieuw-testamentische gekneusde even Dezelfde als voor de oud-testamentische gekneusde!