Posts tonen met het label 1 Koningen 19 : 21a. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1 Koningen 19 : 21a. Alle posts tonen

donderdag 5 maart 2015

Voorbereiding HA – Plaats aan tafel voor gekneusden

"Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees…"
1 Koningen 19 : 21a


"De offeranden Gods zijn een gebroken geest;
een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten."
Psalm 51 : 19

Een gebroken geest en een schuldverslagen hart moeten de motivering zijn van offers
 
Op de mannenvereniging in onze gemeente stelde iemand onlangs de vraag hoe de oud-testamentische Israëliet naar zijn offer keek? Hoe zat het met het geloof en wat was de preciese functie van dat offer. Stel jij bent een Jood in het Oude Testament, hoe kijk je dan naar je offer? Welk beeld heb jij erbij en is op dat moment je zonde dan vergeven, als je een schuldoffer brengt, precies zoals de HEERE het je geboden heeft? Ik wil er niet te theologisch op ingaan, maar het is weleens goed om je zulke vragen te stellen.
Waar het mij vandaag om gaat is dat ik Elisa een offer zie brengen waarbij dieren worden gedood en in Psalm 51 zie ik iemand komen – David – die beweert dat God helemaal geen lust heeft in offeranden van beesten. Hoe zit dat?


Welk offer de HEERE niet wil

In de aanloop naar het Avondmaal wil ik je aan het denken te zetten en ons allebei tot zelfonderzoek aan te sporen.
Op diverse plaatsen roepen de profeten het volk toe dat ze moeten stoppen met de offers. Het komt de HEERE de neus uit! Hij walgt ervan. Dat had deze oorzaak: het volk diende de HEERE wel, theoretisch, maar hun hart hield zich ver van Hem. Ze deden het voor de vorm, maar innerlijk waren ze verslingerd aan de afgoden of hun eigen luxe leventje met prachtige huizen en rijke tafels. Je voelt wel aan dat zulke offers Gods bedoeling niet zijn. Hij wil dat we Hem van ganser harte dienen.
Maar is dat in Psalm 51 ook aan de orde? David belijdt toch zijn schuld van harte en daar hoort toch een offer bij, zoals de HEERE dat had geboden? Het offer was de mogelijkheid die God al in Genesis 3 schiep om Hem ondanks de zonde onder ogen te komen! Natuurlijk verwezen de offers naar de Messias. Maar Die moest nog komen. Op dit moment had de oud-testamentische offeraar daar toch niets aan? Of wel? Ja, achteraf kun je zeggen dat de komst van de Heere Jezus de bekrachtiging was van wat in de offers werd gesymboliseerd; waar ze heen wezen.
Toch was er voordien troost in de offers die werden gebracht. De oud-testamentische offeraar moest hetzelfde doen als wij tijdens de voorbereidingsweek (speerpunt 2 uit het formulier: "

Ten tweede onderzoeke een ieder zijn hart, of hij de vaste en zekere belofte van God gelooft dat hem al zijn zonden alleen vanwege het lijden en sterven van Jezus Christus (lees hier voor de oud-testamentische offeraar 'vanwege de dood van het offerlam nú en in de toekomst van de Messias') vergeven zijn, en dat de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigendom is toegerekend en geschonken. En dit zo volkomen alsof hijzelf, in eigen persoon, voor al zijn zonden heeft betaald en alle gerechtigheid volbracht (opnieuw moest die offeraar datzelfde zeggen over zijn offerdier! Alsof hijzelf daar werd geslacht/gedood voor de zonde).
David zingt "Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen, want Gij hebt geen lust tot offerande…" Offers zijn dus geen doel op zich. De HEERE geeft duidelijk aan hoe Hij ze hebben wil, hoe ze moeten worden gebracht, maar ze zijn geen eindstation; maar juist een doorgangspoort. De lof aan de HEERE staat bovenaan. Door de zonde komt die in het gedrang.
De Kanttekeningen zeggen over het 'geen lust hebben tot offerande': "Daarmee wordt bedoeld 'offers zonder meegaande boetvaardigheid'." Ook in de Psalm 50 werd daar al meerdere malen op gewezen. De HEERE zoekt naar iets anders, een soort offer achter het offer. De gezindheid erachter. Dat gold voor de oud-testamentische offeraar, maar ook voor jou en mij in deze week!

Welk offer de HEERE wel wil


"De offerande Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart…". Dat is het offer dat de HEERE graag ontvangt. Het woord 'gebroken' betekent eigenlijk 'gekniekt' of 'gekneusd'. Het gewicht van de zondeschuld verbreekt alle vorm van eigengerechtigheid en hoogmoed. God nodigt gekneusden tot Zijn tafel. Daar kan Hij wat aan kwijt. Is er in jouw leven al iets gekneusd, waardoor je de zonde als een last ervaart en waardoor je wordt uitgedreven, voortgedreven naar Christus? Hem moet ik hebben!
Dat offer behaagt de HEERE. Daar trekt Hij, met eerbied gezegd (maar dat staat er eigenlijk in onze tekst) Zijn neus niet voor op. Integendeel! Dus in zekere zin moet je komen met lege handen. Tegelijk moet je komen met dit offer dat de HEERE heerlijk vindt, dat Hem laat zien dat je ook daadwerkelijk hebt begrepen dat er een offer moest worden gebracht voor jouw persoonlijke zonden: een gebroken en verslagen hart.
In de week van voorbereiding de balans opmakend: welk gevoel blijft je dan bij? Wat staat er onder de streep van die balans? Durf je zo bij de HEERE te komen? Als je Psalm 51 goed leest, zie je David met een enorme schuld lopen. Nathan had hem er scherp op gewezen. En let dan eens op wat David doet: hij wendt zich in één rechte beweging tot de HEERE. Als het ware springt hij van zijn troon af, schuift Nathan aan de kant en stormt de troonzaal uit richting de tabernakel. Daar valt hij neer, belijdt zijn zonden. Hij keert terug en neemt het beste uit zijn stal en gaat met dat offer naar de tabernakel terug. Hij had offervee genoemd. Maar de gave van dit offerlam gaat met iets gepaard: er zit een gekneusd hard achter. Snikkend staat David bij het altaar en tegelijk rolt het gebed van zijn lippen:

  9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
10 Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen,
     die Gij verbrijzeld hebt.
11 Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
12 Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij
     een vasten geest
.
13 Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
14 Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
15 Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
16 Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils!
     zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
17 Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.

Hoor je dat dit een heel ander gebed is dan wij in onze refokringen misschien zouden hebben gebeden? Dit is het gebed van een zondaar die zijn zonden belijdt, met smart in zijn hart, maar die tegelijkertijd zich vastklampt aan de HEERE met het gebed dat er weer vreugde tot God in zijn hart en leven mag zijn. Kan dat zomaar, dan? Ten diepste is Psalm 51 een vrolijke boetepsalm. En vlak niet uit wat David op zijn geweten heeft: dood, overspel, en een ongeboren baby, die na de geboorte snel zal sterven! En toch staat dit in de Bijbel. Ga er maar mee naar de HEERE. Want Hij is vandaag, voor de nieuw-testamentische gekneusde even Dezelfde als voor de oud-testamentische gekneusde!

dinsdag 3 maart 2015

Voorbereiding HA – Een totale oorlog?

"Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees…"
1 Koningen 19 : 21a

"Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst."
Kolossensen 3 : 5
 




De Heilige Oorlog van John Bunyan beschrijft gigantisch goed het probleem waarover het dit keer gaat!
Het is er ook in een vertelling voor jongeren met prachtige platen van Rino Visser (zelfs als audiobook).


Zoals Elisa zijn ploeg kapotsloeg en zijn ossen doodde, zo roept Paulus ons op om onze 'leden die op de aarde zijn' te doden. De diverse zonden die hij vervolgens benoemt, lijken mij duidelijk en voor zichzelf spreken; die kun je vast wel op de een of andere manier op het leven anno 2015 toepassen. Ik wil graag met je nadenken over het beeld dat Paulus gebruikt: het doden van je leden. Dat is geen massamoord op mensen, maar een 'totale oorlog' met de zonde, de geestelijke boosheden in de lucht (maar hier vooral ook in ons lichaam en onze geest!). Mannen zullen daarin weer andere zwakheden hebben dan vrouwen, maar allen worden gelijkgesteld in deze oproep van Paulus, om radicaal te breken met de zonde.

Waarom noemt Paulus dit 'leden'?

Paulus vergelijkt de boezemzonden als leden. Ze horen inmiddels bij jouw geestelijk lichaam, de oude mens wel te verstaan! Zoals jij kunt kijken met je ogen, pakken met je handen, lopen met je benen, zo fungeren deze boezemzonden ook. Ze zijn als het ware je ledematen in (on)geestelijk opzicht. Je doet er je dingen mee; maar dan wel zondige dingen. De Heere Jezus zei een: "Als je oog boos is, ruk het uit; als je voet je ergert, hak hem af; of als je hand je in de weg staat om God te dienen, hak hem af". Niet letterlijk, maar wees eerlijk en concreet en radicaal; houd de zonde niet aan de hand. Zoals je een hand maar eenmaal kunt afhakken, daarna kun je niets meer beetgrijpen, zo radicaal moet je ook te werk gaan met de (boezem)zonden. Nu zijn er dieren die je hun tentakels of poten kunt afhakken, maar daarna groeien die toch weer aan. Helaas werkt het ook zo met onze zonden. En toch: radicaal wegkappen. Het zijn je ledematen, helaas, maar ze horen er niet thuis. Het is letterlijk wild vlees, een poliep of aangroeisel. En voor je het weet is het kankerweefsel dat je geheel verziekt. Paulus gebruikt dat 'voorteten als de kanker' ook als het gaat over dwalingen die niet grondig worden uitgeroeid in de gemeente. Durven we voor onszelf radicaal te zijn? Durven we ook naar elkaar toe opscherpend en radicaal te zijn, met liefde gemengd. Liefde is wat anders dan lievigheid. De liefde van Christus moet ons dringen, wanneer we onze broeders of zusters in zonden zien voortleven!

Wat betekent 'die op de aarde zijn'?

Het griekse woord voor 'leden', 'melos', betekent letterlijk ledemaat, maar figuurlijk ook 'lieden die met misdadigers omgaan, omdat ze als het ware ledematen zijn die toebehoren aan het lichaam van een crimineel'. Wij zouden zeggen: handlangers. Ze worden 'bespeeld' door anderen, maar zijn verantwoordelijk voor hun eigen daden! Zo zijn ook die oude zonden: handlangers van je oude mens.
In het criminele circuit (en soms ook in het bedrijfsleven om ons heen, in het bankwezen, in malafide praktijken binnen het hogere management) worden handlangers gebruikt die exact moeten uitvoeren wat hen wordt opgedragen. Dat is nooit tot hun eigen voordeel (al wordt hen dat wel voorgespiegeld met geld en mooie beloften) maar altijd met het doel de grote leider te behagen. Zo werkt het ook met de begeerten en verleidingen die in ons opwellen; de satan giet er een laakbaar en mooi sausje over, als heb je het volste recht dit te doen, of levert het je bijzonder plezier op; maar het eind ervan is een bittere nasmaak en een hoop ellende. En daarom: kap die leden weg.
De Kanttekeningen leggen uit bij 'die op de aarde zijn': "Alzo benoemt de apostel de kwade begeerten, omdat ze de mens altijd weer tot aardse dingen bewegen, namelijk tot de begeerlijkheid van het zondige vlees, begeerlijkheid van de ogen en 'hovaardij des levens' (1 Joh. 2:16)" Ze voegen er iets prachtigs achteraan: "waarvan wij in den hemel gans vrij zullen zijn." De tekstverwijzing die hierbij werd gegeven was deze: "En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt" (Opb. 21:27). Wat kun je verlangen naar de eeuwige heerlijkheid, waar je niet alleen van je werken, maar vooral ook van je boze werken mag rusten. Geen zonde meer hoeven en kunnen doen, maar eeuwig de HEERE behagen!

Hoe moet je dat 'doden' zien?

Tot slot nog iets over dat 'doden'. Daar zit iets tegenstrijdigs in. Want in het derde vers zei Paulus: "Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God". Die oude mens was toch gestorven? Hoe zit dat dan? De Kanttekenaren leggen dat uit: de macht (de heerschappij) der zonde is wel gebroken, maar de overblijfselen daarvan moeten nog meer en meer teniet gedaan worden, zoals ook Romeinen 6 vers 12 en 13 staat: "Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode…" Lees bij dat 'wapenen' dan nu maar 'lidmaten' of 'handlangers'.
De strijd tegen deze overblijfselen is enerzijds een totale oorlog. In de Heilige Oorlog van Bunyan worden die oude zonden getekend als individuen die zich verschansten in holen en telkens loerden of de kust veilig was, om dan weer toe te slaan. Let erop dat dat was nadat de stad weer door Prins Immanuël was ingenomen. De ellende was ooit begonnen toen Diabolus met de inwoners van Mensenziel ging discussiëren:  
"En juist nu als Diabolus deze woorden tot Mensziel sprak, schoot Tisiphon naar Kapitein Weerstand, daar hij stond boven de poort en trof hem dodelijk in het hoofd, zodat hij tot verbazing der stedelingen en tot aanmoediging van Diabolus, dood over de muur nederviel. Als nu Kapitein Weerstand dood was en hij was de enigste krijgsman in de stad, was de arme stad Mensziel gans ontbloot van allen moed, ook had zij nu geen hart meer om weerstand te bieden. Maar dit was het juist wat de duivel hebben wilde." 
Altijd op je 'qui vive' blijven dus! Waakt dan en bidt, opdat je niet in verzoeking komt! Want, dit schreef Bunyan over die handlangers van Diabolus, die zich hadden teruggetrokken in holen en krochten, toen Prins Immanuël de stad had herwonnen:

"Nu, indien u het niet vergeten hebt, zult ge u nog herinneren , dat ik u tevoren verteld heb, dat, nadat Immanuël Mensziel had ingenomen, ja, nadat hij de stad weer in een andere vorm gebracht had, er in verscheidene holen en gaten van die corporatie velen van de oude Diabolisten overgebleven waren, die òf met de tiran binnenkwamen, toen hij de stad overweldigde en innam, òf die daar door onwettige vermenging geboren en opgevoed zijn. En de gaten, holen en plaatsen, waar zij op de loer liggen, waren in, onder, of omtrent de muur der stad. Enige van hun namen zijn: heer Hoerering, heer Overspel, heer Moord, heer Nijd, heer Wellust, heer Bedrog, heer Boos-oog , heer Lastering, en die afzichtelijke schurk, die oude en gevaarlijke heer Gierigheid. Deze, gelijk ik u zei, en velen meer, hadden toen hun woning in de stad Mens ziel, en dat nog wel, nadat Immanuël hun vorst Diabolus uit het Kasteel verdreven had. Tegen deze Diabolisten, gaf de goede vorst een machtiging aan de heer Wil-zij-wil en anderen, ja, aan de gehele stad Mensziel om enigen of allen, die zij in handen krijg en konden, te zoeken, te vatten, in verzekerde bewaring te zetten en te doden, omdat zij van nature Diabolisten waren, vijanden van de Vorst, en die de gezegende stad Mensziel zochten te verwoesten."
Let er dus op, wat Bunyan schrijft: ze hadden zich in holen en geheime plekjes verschanst, nádat Immanuël de stad Mensziel had herwonnen. Daar zien we die oude mens en die leden waarover Paulus ons vertelt. Juist op deze moeten we in de week van voorbereiding gefocust zijn. Denk niet dat je na wedergeboorte gevrijwaard bent van deze oude mens. Dood dan uw leden.

Bij doden denken we aan vermoorden, met een ferme slag van het leven beroven. Maar er zit nog een andere kant aan dat doden. Het griekse woord 'nekro-oo' betekent ook 'van kracht beroven, de kracht van iets breken'. Je kunt een stad innemen door haar met bruut geweld aan te vallen en te verslaan. Maar je kunt een stad of vijandelijk leger ook 'van haar kracht beroven'. Dat noemen we uithongeren.
Die leden, waarover Paulus schrijft, die begeerten die vanuit de holen en krochten van ons innerlijk telkens op de loer liggen, hebben honger. Ze azen op een zwak moment. Ze vallen niet altijd openlijk aan. Ze schuiven een verleiding soms stukje bij beetje naar je toe, zoals je een kat die ligt te slapen een stukje worst toeschuift. Niet direct schrikt hij wakker, maar opeens wordt zijn reukorgaan geprikkeld en … hap!
Wel, wij worden geroepen om het niet zover te laten komen. Dans niet op de vulkaan. Speel niet met vuur. Blijf weg van een winkelcentrum of een koop-site, als je slecht met geld kunt omgaan. Gebruik You-tube slechts in uiterste noodzaak, als sexuele verlangens je leven verzieken. Kijk geen films en haal ook geen DVD's in huis, als je je lusten en hartstochten niet de baas kunt. Haal geen fles wijn in huis voor de gezelligheid, als alcohol jouw probleem is. Nou, zo zouden we nog een tijdje door kunnen gaan. Maar je begrijpt denk ik wel wat ik bedoel; wat Paulus bedoelt met deze woorden; en wat de HEERE je wil duidelijk maken met deze woorden uit de Kolossensenbrief, naar aanleiding van Elisa's actie die van fermheid getuigde toen hij zijn ossen doodde en zijn ploeg kapot sloeg. Ik wens je dezelfde fermheid toe! In die zin zeker ook 'welkom in de strijd', de totale oorlog tegen de zonde.

maandag 2 maart 2015

Voorbereiding HA – Het afval der heiligen

"Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees…"
1 Koningen 19 : 21a


"Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn,
om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere
; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen."
Filippensen 3 : 8



Het zou een pakkende titel voor een boek zijn: 'Het afval der heiligen',
over alles waar Gods kinderen niet meer aan meedoen.

Niet alle dingen die je in het leven met Christus leert afzweren zijn per definitie foute dingen. Elisa keerde zijn carrière op de boerderij van zijn vader de rug toe. Maar dat beroep had evengoed een goddelijk beroep voor hem kunnen worden. Echter, voor Elisa brak een andere loopbaan aan. Deze nieuwe loopbaan ving aan met het slachten van zijn koeien en het verbranden van zijn gereedschap. Evenwel is er een hele hoop in ons leven dat linea recta de afvalhoop op kan. Tijd voor schoonschip!

Afval van eigen gerechtigheid

Paulus somt aan de Filippensen een indrukwekkend CV op: "Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër; naar den ijver een vervolger der Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk." Dat waren waarachtig geen onbeduidende dingen die hij hier noemt. Als Jood had je daarmee godsdienstig gezien een sterrenstatus bereikt.
Besnijdenis is een goddelijke opdracht om daarmee met God in een verbond te komen. Tot Israël behoren is ook delen in de beloften van Israël; dat had God beloofd. Tot en met het Hebreeërschap is er geen vuiltje aan de lucht. Met het 'volgens de wet een farizeër' begint er iets te kantelen. Bloeddoorlopen wordt de inkt van zijn brief, wanneer Paulus schrijft "naar de ijver een vervolger der Gemeente". In Paulus' vroegere beleving was dat echter een statussymbool! Hij onderstreept dat nog eens extra met de woorden "volgens de maatstaven van de rechtvaardigheid die in de wet is (dus niet in Christus) was ik onberispelijk". Ik denk dat menig farizeër niet in de schaduw van Paulus kon staan.
Maar toen Christus hem liet kijken naar heel die carière, is hij zich werkelijk blindgeschrokken: "Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht." De pluspunten die ik hiermee dacht te hebben gehaald bleken stuk voor stuk minpunten op mijn conto. Hij benoemt ze stuk voor stuk niet alleen als 'schade', maar dieper nog als 'drek', afval! Weg ermee, de afvalhoop op!
Zijn er van die 'pluspunten' in jouw (godsdienstig) leven? Kun je ergens de grote jongen of de ferme vrouw mee uithangen? Wat doe je, spreek je, schrijf je, bekritiseer je, zwijg je allemaal om er 'iets' mee te worden? Is alles, ja alles echt puur bedoeld voor de Heere Jezus? Check het eens eerlijk in Gods spiegel.

Afval van onheiligheid

Als je in de spiegel kijkt, die God ons voorhoudt (en zoals het formulier van het Avondmaal dat voor ons verwoordt), dan krijgen we drie huiswerktaken. De eerste taak van de zelfbeproeving is deze: "Ten eerste overdenke een ieder bij zichzelf zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelf mishaagt en zich voor God verootmoedigt, omdat de toorn van God tegen de zonde zo groot is dat Hij – eerder dan dat Hij die ongestraft kon laten – de straf ervoor door de bittere en smadelijke kruisdood aan Zijn geliefde Zoon Jezus Christus heeft voltrokken." Kijkend naar jezelf kun je, evenals Paulus, geen hoge pet meer van jezelf op hebben. Scherper nog: vanwege je zonden en de vervloeking die dat oproept, mishaag je jezelf. 
Mishagen is het tegenovergestelde van behagen. Je kunt jezelf behagen, doen wat je lekker vindt. Maar mishagen is met een gevoel van afkeer kijken naar je zonden. Wat heb ik ervan terecht gebracht. Dit is de HEERE toch niet waard?! Nou, alles wat je dan nog voor heiligheid hield, valt wel van je af. Er blijft niets over dat je recht geeft om God onder ogen te komen aan Zijn tafel. Dat maakt je ootmoetig. Want de HEERE roept ons niet op om in pure wanhoop te geraken. Nee, dat mishagen, die afkeer van de zonde en de gevolgen ervan, drijven ons juist naar Hem uit! Dan krijg je een hekel aan de zonde en ga je er tegen strijden. Voor het eerst, maar telkens weer opnieuw. 
We spreken in onze reformatorische kringen graag over de dagelijkse bekering. Maar… kwam het er al dagelijks van? Wat betekent dat concreet voor jou? Of praat je 'zware' mensen na? Dagelijkse bekering; lukt je dat 7 dagen in de week, 52 weken per jaar?
Als je zo zou gaan tellen, dan lijkt je al snel op Paulus, voor Damascus. Je gaat een puntenlijstje bijhouden. Nou, stop daar maar mee. Heiligheid is niet wat je zelf kunt bewerkstelligen. Heiligheid ontstaat door een leven dicht bij de HEERE, met de nodige afkeer tegen de zonde. Dat drijft je steeds dichter naar Hem.

Afval der heiligen

Het denkbeeld dat je na je bekering geen zonde meer doet is ronduit een ketterij. Je komt die gedachte, hoe vreemd ook, zowel aan de linkerkant als de rechterkant van kerkelijk Nederland tegen. We belijden geen overwinningsleven, maar een leven als overwinnaars, door Christus, Die ons kracht geeft. De weg achter Christus aan is een weg, waarvan de overwinning reeds behaald is. 
Als David in zonde valt met Bathseba of later bij de volkstelling, dan verliest hij niet zijn eeuwig behoud en ligt hij ook niet weer voor eigen rekening. En als Petrus zijn Meester verloochent dan heeft Christus al voor hem gebeden dat zijn geloof niet zal ophouden. En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. Er is dus geen afval der heiligen, zodat zij hun behoud weer kunnen kwijtraken. Die gedachte kan namelijk opkomen uit een vertekende theologische visie op de wedergeboorte. Men beziet dan iemands leven; is daar nog zonde in te bespeuren, dan kan het nooit wat zijn. Die mensen kom je vandaag aan de ultrarechtse kant tegen en zulke hypercalvinisten wist Job ook al om zich heen! Nee, wie behouden is, blijft behouden!
Dat neemt niet weg dat de zonde je gemakkelijk aankleeft en dat je daar tegen te strijden hebt. Je kunt die zonde niet uitstaan. Het stelt je zo zeer teleur, wanneer je er weer door wordt gevloerd. Het Doopformulier waarschuwt ons echter voor wanhopigmakend hypercalvinisme: "Als wij soms in zonde vallen, zo moeten we aan Gods genade niet vertwijfelen! En al helemaal niet in de zonde blijven liggen." Breek ermee en kom in beweging, roep, bid, maar doe iets! Met heel je (opnieuw) besmeurde leven naar de troon der genade! En aanhoudend bidden. Niet weglopen voordat je bent verhoord.
Temeer krijg je een verlangen om al die boosheden en onhebbelijkheden, al die smerige zonden – hoe klein ook – te doden; je begeert dat afval stuk te slaan, zoals Elisa zijn ploeg kapotsloeg. Daar zullen we de volgende keer bij stil staan. Maar… elke soldaat in het leger weet wie zijn vijand is en hoe die eruit ziet. Zo moeten ook wij – en daar worden we juist in een week van voorbereiding bij bepaald – weten wat onze vijanden zijn op geestelijk gebied. Een ieder onderzoeke zichzelf… wat kan er allemaal op de afvalhoop? Want God kan het niet aanzien. Hij heeft er Zijn Zoon om verbrijzeld! Dat kon niet wachten; zó zwaar tilt de HEERE aan jouw en mijn 'afvalstoffen'!

zaterdag 28 februari 2015

Voorbereiding HA – Wat staat een Opwekking in de weg?

"Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees…"
1 Koningen 19 : 21a

"Velen ook dergenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen. Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand."
Handelingen 19 : 19-20


Verlangen naar een opwekking

Verlang je ook naar een opwekking? Of een doorbreken van de Geest in de gemeente? Want ten diepste is dat eveneens een opwekking die aan een bredere opwekking voorafgaat. Van Paulus lezen we in Handelingen 19 dat hij twee jaar in Efeze preekt en bijzondere krachten doet. Het is daar op dat moment het grensgebied van satans koninkrijk. Vanuit de Joden is er enorm veel verzet tegen Paulus' prediking. Paulus scheidt zich daarom af van de synagoge en trekt zich terug in de vergaderzaal van de rethorica-school van Tyrannus. Daar kwamen de Grieken vaak bij elkaar om de welsprekendheid te leren en te beoefenen. Grieken (maar ook Joden) wandelden daar gemakkelijker binnen dan bij de 'kerk' van de Joden.
Het was evangeliseren wat de klok sloeg, zou je verwachten. Dat valt te bezien. Want we lezen enkel over grote, indrukwekkende tekenen. Daar zijn sommige charismatische groepen erg van gecharmeerd. Echter, ik vrees dat we hier toch moeten zeggen dat – de tekenen ten spijt – het Woord van God nog niet werkelijk tot de mensen doordrong. Er waren geestelijke boosheden in de lucht. Het was een felle strijd tussen de satan en zijn engelen en de engelen des HEEREN. Grootse tekenen kentekenen de botsingen in deze strijd. Maar de vrucht op de prediking blijft eigenlijk nog uit.

Belemmering voor een opwekking

Er waren Joden (de zonen van Sceva) die zo behept waren met die indrukwekkende tekenen, dat zij Paulus gingen imiteren (vers 13-17). De satan lachte er echter om en zou deze jongens hebben verscheurd, als God niet had ingegrepen. De jongens hadden de naam van Jezus genoemd, maar ze kenden Hem niet persoonlijk. Ze noemde Hem 'Jezus over wie Paulus preekt'. Ken je ook zulke mensen die praten over God en Christus, maar tegelijk ook laten horen en merken dat ze Hem niet persoonlijk kennen? Kijk voor zulke mensen uit, want ze weerstaan de satan niet, maar worden door hem – zo God het niet verhoedt – overmeesterd. En als jij daarbij zou staan, zou je eenzelfde oordeel overkomen!
God greep echter in om de naam van Jezus in deze te zuiveren. Hij laat de mensen in Efeze – zowel Joden als Grieken – zien en merken dat er een enorm verschil is tussen deze zonen van Sceva en Paulus. En toen gebeurde het: "en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt. En velen dergenen, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden." 
Dit was het moment waarnaar Paulus hevig had verlang. Het werk van de Geest brak door! Mensen staarden zich niet langer blind op die wondertekenen, maar ze zagen opeens het probleem, waardoor een opwekking uitbleef. Er kwam vrees over allen, heilig ontzag voor de HEERE. En – daar blijkt het waarachtige van het geloof – de gelovigen gingen de naam van Jezus groot maken. Vrees en blijdschap horen onlosmakelijk bij elkaar! Geen euforie of extase, maar diepe eerbied en verheuging over Wie de HEERE is!
De gelovigen gaan iets doen: 1. ze kwamen; 2. ze belijden; 3 ze verkondigen. Er komen mensen onder de indruk van de waarheid dat Jezus werkelijk de Messias is. Hem hebben ze nodig. Ze kwamen, staat er; ze doen een stap dichterbij. Dat maakt hun tongen los en ze belijden die waarheid (en daarmee hun oude, occulte onwaarheid). En tenslotte verkondigen ze dat ook openlijk. We worden met deze woorden niet opgeroepen om onze zonden breed en publiek uit te meten, maar deze occult-belaste mensen hadden voorheen openlijk hun nep-waarheid verkondigd. Om die ongedaan te maken moesten ze nu ook openlijk vertellen wat wél waar was: het geloof in Jezus Christus de Gekruisigde!

Ruim baan voor een opwekking

Nogmaals die vraag: Verlang je ook naar een opwekking? Of een doorbreken van de Geest in de gemeente? Wel, dan mag het niet bij woorden blijven. We lezen in de dagtekst dat de bekeerden ook openlijk tot daden komen. Niet alleen het openlijk vertellen van hun onwaarheid van eertijds, maar ook een openlijk afzweren. Alles wat er tussen de HEERE (zelfs na ontvangen genade) en jouw ziel zit, moet weg. Als dat openlijk is uitgeleefd en anderen wellicht ook tot zonde heeft aangezet, moet het ook openlijk worden beleden en afgezworen. Metterdaad! Ook in het kleinere geheel van de gemeente of zelfs in het gezin! Maar als niemand daar iets van heeft geweten, dan alleen jij en de HEERE, dan hoeft dat ook niet van de daken te worden geschreeuwd. Want het moet niet zo zijn dat wij met ons bekeringsverhaal iets gaan worden. Wel moet resoluut met de zonde worden gebroken. Metterdaad! 
Elisa brak met zijn verleden en dat was niet direct een zondig verleden. Toch maakte hij metterdaad duidelijk naar allen die hem voorheen gekend hadden als een toegewijd boerenbedrijfsleider, dat zijn nieuwe leven een geheel andere kant op zou gaan. Hij liet dat zien door zijn gereedschap te verbreken en te verbranden en zijn trekdieren te offeren tot een liefelijke reuk voor de HEERE.
De mensen in Efeze brachten al hun toverboeken en occulte en satanische literatuur (misschien ook wel hun sensuele en erotische lectuur of hun waardeloze filosofische lectuur of hun 'flutrommannetjes'?) bij elkaar en staken het in brand. De waarde wordt nog wel opgeteld, maar… het is slechts de waardebepaling van het offer. Weldra is het niets meer waard… stof en as. Het moet uit de weg geruimd!
Met het wegbranden van deze belastende zaken en zonden wordt de tegenstand in het hart van de gelovigen gebroken en kan de Geest krachtig doorwerken. Wat een vrucht ontstaat er hierdoor: "Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand" (vers 20).

Zeg eens, wat zit er nog in jouw hart, in jullie gezin, in jullie gemeente tussen de HEERE en jou/jullie, waar de Heilige Geest wordt tegengehouden en de grote vrucht uitblijft (en daarmee ook de vruchtbaarheid te midden van deze goddeloze wereld)? Wat staat de zeggingskracht nog in de weg, waardoor de gemeente niet groeit en het binnen de gemeente – of binnen je gezin of in je eigen leven – zo dor blijft. We worden in het Heilig Avondmaal (en ook in de voorbereiding daarop) geroepen en vermaand om vruchtbaar te zijn voor de HEERE! Het kan toch niet zo zijn dat je al jaren met hetzelfde aantal Avondmaalsgangers aan tafel zit? Het kan toch niet zo zijn dat je nog nooit aan het Avondmaal hebt deelgenomen? Daar mag je toch niet in berusten? Het kan toch ook niet zo zijn dat er slechts enkelen in jouw gemeente naar het Avondmaal gaan? Dan is er toch wezenlijk iets mis? Of vind jij dat de gewoonste zaak van de wereld (kerk)? Stilstand is achteruitgang… groei is hoop. Vraag jezelf af (en laat ook anderen zich dat afvragen) of dat echt wel remonstrantse uitdrukkingen zijn. Zijn ze misschien niet snoeihard bijbelsgefundeerd? Een week van voorbereiding is er bij uitstek voor geschikt om je dit soort vragen te stellen!